Umar ibn abi Rabi‘a, gedicht 2

Een bijdrage van Pieter Elbers, Harlingen:

‘Umar b. Abī Rabī‘a (644-712) , Gedicht: ‘Wie zal de spot met mij drijven als ik huil van verliefdheid?’
Over zijn verovering van een jong meisje dat met haar familie op pelgrimstocht is naar Mekka voor de religieuze bedevaart.

Vooraf: De familiekaravaan met kamelen en knechten met het mooie meisje zijn ter bedevaart op weg naar de religieuze feesten in Mekka. De dichter ‘Umar, afkomstig uit Mekka, is op zoek naar weer een verovering van een meisje dat hij bij een karavaan op het oog heeft. Op een dag vertrekt die kleine karavaan met dat meisje voor dag en dauw. Het voorgevoel van de veroveraar ‘Umar (in het gedicht gepersonifieerd door de Raaf) waarschuwt hem. Hij wil het eigenlijk niet, maar er is niets meer aan te doen. Zijn gevoelens zijn onbeheersbaar en stuiven alle kanten op (de Zee van Samhadj). Vertaling:

Vertaling van Pieter Elbers:

De Raaf kraste over het vertrek van dat vrouwtje met die armband,
“Hou toch op, Raaf, met onrust stoken over haar vertrek!”
De Raaf kraste, klapperend met de volle wijdte van zijn vleugels
En de winden stoven ermee ‘de Zee van Samhadj’  op.

Ik bleef ze volgen door naar geluiden van de kamelen te luisteren,
Tot ik stootte op een mooi vrouwtje in kamelenzit
Ze taxeerde met koolzwarte ogen van een witte gazelle, mij en mijn bedoeling,
En wees me, lonkend op lange benen, gedecideerd af.

Maar mooi dat ze was, met parels op haar lijfje, versiering op haar ceintuur, met een
fonkelend snoer, en kleurige ringen hoog om haar arm gebonden
Zo bleef ik verliefd én totaal van slag,
Met het oplaaiende hete vuur in mijn lijf.

Wie zal de spot met mij drijven als ik huil van verliefdheid
of jammer als een verliefde met een verloren hart?
Ze roepen: ‘Accepteer nooit en te nimmer de afwijzing van haar liefde!
Verliefdheid kan je niet afbreken of terugnemen.’

Hoe kan ik de afwijzing van een meisje accepteren?
met haar opsmuk van kleurig witgoud.
Zij is natter in de mond dan een vochtige dadel,
schijnt mooier dan de halvemaan bij het ochtendgloren.

Toen mijn liefde oversloeg in nog sterkere passie
verlangde ik obsessief naar die zwarte ogen van die witte gazelle,
Dus ging ik op pad in het diep donkere holst van de nacht,
Een kromme sabel in aanslag in mijn riem

Zo stond ik op de uitkijk, haar tent in het vizier,
tot ik me ongezien naar binnen wurmde
en stootte op het meisje, en zij …,
Zij slaakte kreetjes in haar slaap, een slaap vol jubel.

Kijk eens, haar vader, slapend, met zijn knechten om haar heen als clowneske kamelen.
Ik plaatste mijn hand om haar taille,
maar zij ademde rustig door, hield zich slapend.

Ik legde me bij haar neer, kuste haar, maar ze schrok
van me, riep: ‘Wie?’ maar ik gaf geen kik.
Ze riep: ‘Bij het leven van mijn vader!’ en ‘Bij de eer van mijn broeders!
Ik roep de stam te hoop als je niet weggaat.’

Dus ging ik weg, uit angst voor haar eed.
Maar ze glimlachte, zo wist ik dat ze haar eed niet gestand zou doen.
Zij nam mijn hoofd om ‘t op de tast te verkennen,
met hennageverfde handen, zo ontspannen….

Ik kuste haar toen op de mond, terwijl ik haar lokken beetpakte:
de dronk van koel water uit de rotsholte van iemand die uitgedroogd is.

Bron: Sharḥ dīwān Umar ibn ‘Abdallāh ibn Abī Rabī‘a, uitg. en commt. ‘Abdallāh ‘Alī Mahna, Beiroet 1992, p. 83. Gedicht: man dhā yalumnī in bakaytu ṣabābatan.

Terug naar Inhoud

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s