De Mutalammisbrief: een Arabische Uriabrief

Al-Mutalammis was een Arabische dichter, die aan het hof van de christelijke koning ‘Amr ibn Hind (reg. 554–69) in het Iraakse al-Hīra verkeerde. Ook zijn neef Tarafa ibn ‘Abd was daar. Dat was een veel belangrijkere dichter, die echt beroemd is geworden, terwijl Mutalammis maar een klein œuvre had, dat ook nog voor een groot deel handelde over zijn traumatische ervaring met koning ‘Amr en de zog. Mutalammisbrief (sahīfat al-Mutalammis).

Hofdichters hadden indertijd de taak de koning en diens stam te bezingen in lofdichten en diens vijanden of andere minderwaardige personen of stammen uit te schelden in scheld- of smaadgedichten. Soms liep dat echter even anders: wanneer een dichter bij voorbeeld slecht gehumeurd was, een kater had, zichzelf overschatte, in ongenade viel, of als de vorst erg treuzelde met het uitkeren van eregelden werd er ook wel eens een smaaddicht op de goedgunstige heer zelf gedicht. De dichters maakten royaal gebruik van hun vrijheid van meningsuiting en scholden dat het een aard had.
Zo dichtte Mutalammis bij voorbeeld (het lidwoord al- bij zijn naam laat ik verder maar weg):

Een koning die vrijt met zijn eigen moeder en haar personeel. [Van het vele neuken] is hij slap in zijn gewrichten en zijn pik is [dun geworden] als een kohlstift.

Aan de deur nodigt hij iedere smekeling binnen, maar als hij dan met hem alleen is gaat de man als een beest tekeer.1

Qua grofheid doet dit niet onder voor wat in de Nederlandse sociale media aan gescheld circuleert. Maar bij deze oude dichters rijmde het en was het metrum in orde.

De koning was not amused en besloot zich van de beide dichters te ontdoen door hen ver weg te sturen. Wellicht waren ze in al-Hīra te populair om hen ter plaatse te elimineren? Ze werden naar de gouverneur van Bahrayn gestuurd, voor wie ze elk een kennelijk verzegelde brief meekregen, op vertoon waarvan hun allerlei geschenken zouden worden gegeven.

Hij[, Mutalammis,] verkeerde in het gezelschap van ‘Amr ibn Hind, de koning van al-Hīra, hij en Tarafa ibn al-‘Abd, en beiden dichtten ze scheldgedichten op hem. De koning schreef met betrekking tot hen twee brieven aan zijn stadhouder in Bahrayn. Hij liet hun doorschemeren dat hij daarin bevel had gegeven, hun beloningen te geven, maar in werkelijkheid beval hij hen ter dood te brengen.
Ze gingen op weg, en toen ze in Nadjaf gekomen waren kwamen ze langs de weg een oude man tegen, die tegelijkertijd urineerde, een stuk brood at, en de luizen uit zijn kleren haalde en platsloeg.
Mutalammis zei: ‘Zo’n domme ouwe vent heb ik nog nooit gezien.’ ‘Hoezo?’ vroeg de oude, ‘ik verwijder wat lelijks, ik breng iets goeds naar binnen en ik dood een vijand. Veel dommer is iemand die zijn eigen doodvonnis meedraagt.’
Al-Mutalammis bekroop nu de twijfel, om wat hij had gezegd. Er kwam een jongeman uit al-Hīra langs en aan hem voeg Mutalammis: ‘Kun jij lezen, jongen?’ ‘Ja,’ antwoordde hij, waarop hij het zegel verbrak en de brief aan de jongen overhandigde. Er stond in: ‘Als Mutalammis bij je komt, hak hem dan zijn handen en zijn voeten af en begraaf hem levend.’ Toen zei hij tegen Tarafa: ‘Geef hem ook jouw brief te lezen; bij God, daar staat vast hetzelfde in.’ Maar Tarafa zei: ‘Nee, mij durft hij zoiets niet aan te doen.’
Al-Mutalammis gooide zijn brief in de rivier, met de woorden: ‘Daarmee gooi ik ook mijn huis weg,’ en hij vertrok naar Syrië. Maar Tarafa trok verder naar Bahrayn [en werd ter dood gebracht].
Zo werd de ‘Mutalammisbrief’ spreekwoordelijk.2

Bij ons heet zo’n brief die de overbrenger ervan onheil brengt een Uriabrief, naar het bijbelse verhaal over koning David en Bathseba (2 Samuel 11: 14–17). David zag vanaf het paleisdak hoe zijn buurvrouw Bathseba een bad nam en voelde zich zeer tot haar aangetrokken. Haar man Uria diende als soldaat in zijn leger. Hij was een Hethiet: een buitenlander dus, maar een goed geïntegreerde (2 Sam. 11:11). Van het een kwam het ander: Bathseba raakte zwanger van de koning; haar man rook lont en wilde niet meer naar haar terug. Nu gevoelde de koning de behoefte Uria uit de weg te ruimen, zodat hij met haar kon trouwen. Hij stuurde hem naar zijn opperbevelhebber met een brief, waarin deze bevel kreeg Uria bij een veldslag zodanig aan het front op te stellen dat hij zou sneuvelen. Zo gebeurde het, en zo had David de weg vrijgemaakt voor zijn huwelijk met de weduwe—uiteraard na een passende periode van rouw.

Als U nog een klassieke opleiding hebt genoten spreekt U misschien eerder van een Bellerophontische brief. Bellerophon werd namelijk door Proteus naar koning Iobates van Lycië gestuurd met een verzegelde opdracht om hem te doden. Maar de koning had er geen zin in en stuurde hem uit om het vuurspuwende monster Chimaera te doden, in de hoop dat dat zijn ondergang zou worden. Hier miste de brief zijn volle uitwerking, want Bellerophon slaagde er natuurlijk wel degelijk in, dat monster te vernietigen..

En anders herinnert U zich misschien wat de beide detectives Jansen en Jansens overkwam in de Chinese stad Hou Kou. Zij hadden een introductiebrief voor de plaatselijke politiecommissaris, die zij echter kwijt raakten en die door Kuifjes vriend Tchang was vervangen door een brief waarin in het Chinees te lezen stond: ‘Indien u niet bemerkt hebt dat wij twee gekken zijn, dan is dit daarvan het officieel bewijs.’ De commissaris moest erg lachen en liet ze de deur uit gooien.3

Vreemd is dat Mutalammis en Tarafa in het verhaal blijkbaar niet konden lezen, terwijl ze dat van een willekeurige jongen op straat wel meenden te kunnen verwachten. Of zouden de vertellers ervan uit zijn gegaan dat de brieven in het Pahlavi of Aramees waren geschreven? Maar al-Hīra was toch juist een Arabisch koninkrijk? Hoe dan ook: een Uriabrief moet goed verzegeld zijn of in een vreemde taal zijn gesteld, of beide.

Zonder twijfel wemelt het in de wereldliteratuur van de Mutalammis-, Uria-, of Bellerophonbrieven. De benaming Uriabrief is vooralsnog het meest passend, want het verhaal over Uria lijkt het oudst. De oudste versie van het Hebreeuwse boek Samuel dateert immers van de vijfde of zesde eeuw voor Christus. Of zou er nog een Egyptische of Babylonische voorloper zijn?

EXCURS: NOG NIET HELEMAAL AF
Geen Uriabrief, maar wel wat Uria ziet David Powers4 in de verhalen over Zaid, de geadopteerde en later, na de opheffing van het adoptieprincipe, weer ‘ontzoonde’ zoon van de profeet Mohammed, die echter toch een zeer hoge positie in de vroege elite bleef innemen. De parallel loopt als volgt:
Uria was een soldaat uit het buitenland, Zaid was oorspronkelijk een slavenjongen uit Noord-Arabië geweest. David begeert de vrouw van zijn soldaat; Mohammed begeert de ex-vrouw van zijn (ex-)zoon. David schrijft de Uriabrief die diens sneuvelen aan het front tot gevolg heeft; Mohammed zet zijn legeraanvoerder Zayd in de eerste linie bij een veldslag die wel verloren móest worden zodat ook hij omkomt.
Maar de overeenkomst is toch niet heel groot. Er is geen brief, en Zayd was ‘al klaar’ met die vrouw toen Mohammed zin in haar kreeg; dat staat duidelijk in koran 33:37.
Wat er aan Uria-achtigs overblijft is de welhaast geplande of tenminste voorziene dood van Zayd als eerste legeraanvoerder in de slag bij Mu’ta, bij de Dode Zee. Die slag is buitengewoon onhistorisch (Een langere tekst over die slag hier). Drieduizend moslims zouden daar tegenover een overmacht van honderdduizend Romeinen gestaan hebben, die werden aangevoerd door niemand minder dan keizer Heraclius persoonlijk. Geen wonder dus dat die slag door de Arabieren werd verloren. Er stierven aan Arabische kant slechts acht of negen man, waaronder drie legeraanvoerders, wat merkwaardig is. De dood van die drie aanvoerders (Zayd, Dja‘far ibn abī Tālib en ‘Abdallāh ibn Rawāḥa) was door Mohammed bijna ‘gesuggereerd’:

In de maand djumādā al-ūlā van het jaar 8 [629] stuurde de Profeet een leger naar Mu’ta, onder commando van Zayd ibn Hāritha. Als Zayd zou sneuvelen zou het bevel aan Dja‘far ibn abī Tālib; als ook deze zou vallen, zou ‘Abdallāh ibn Rawāha het commando overnemen.5

Later, of volgens een bron juist terwijl de slag woedde, zag Mohammed het voor zijn geestesoog precies zo als hij had voorzegd. @CITAAT VOLGT@6 Toen ze alle drie gesneuveld waren nam de later zo beroemde Khālid ibn al-Walīd het bevel over.


Het is natuurlijk niet zo dat Mohammed zelf die bevelhebbers in recordtijd de dood in heeft gejaagd; dat deden verhalenvertellers heel veel later. Toen de vroege islamitische geschiedenis werd opgezet, zo vanaf 700, waren bepaalde personen blijkbaar ongewenst en moesten op de een of andere manier uit het verhaal weggeschreven worden; ongeveer zoals in de Sovjet-Unie bepaalde personen van officiële foto’s werden weggeretoucheerd. Die zogenaamde slag bij Mu’ta kon dienen om ze op te ruimen. Zayd moest dood nog voordat Mohammed stierf; niet vanwege een vrouwengeschiedenis, maar omdat hij als (ex-)zoon bij de opvolging van de profeet dwars had kunnen liggen. Dat heeft dus weinig met Uria te maken. Maar Powers voert altijd alle bijbelse parallellen en associaties in de sira-verhalen aan, en dat is wel een goede zaak, want er staat veel bijbels in de sira.

NOTEN
1. K. Vollers, Die Gedichte des Mutalammis, Arabisch und Deutsch, Leipzig 1903, 38/13, 14; kāmil –di). Poëzie poëtisch vertalen kan ik niet, maar U krijgt zo toch een indruk.

مَلِكٌ يُلاَعِبُ أُمَّهُ وَقَطِينَهَا * رِخْوُ المَفَاصِلِ أَيْرُهُ كَالمِرْوَدِ
بالبابِ يَطْلُبُ كُلَّ طَالِبِ حَاجَةِ  *  فَإذَا خَلَا فَالمَرْءُ غَيْرُ مُسَدَّدِ

2. Ibn Qutayba, al-Shi‘r wal-shu‘arā’, uitg. Aḥmad Muḥammad Shākir, 2 dln. Cairo 1966, i, 181–2.

وكان ينادم عمرو بن هند ملك الحيرة، هو وطرفة بن عبد فهجواه، فكتب لهما إلى عامله بالبحرين كتابين، أوهمهما أنه أمر لهما فيهما بالجوائز، وكتب اليه يأمره بقتلهما. فخرجا حتى إذا كانا بالنجف، إذا هما بشيخ على يسار الطريق، يُحدِث ويأكل من خبر في يده، ويتناول القمل من ثيابه فيقصعه. فقال المتلمس: ما رأيت كاليوم شيخًا أحمق. فقال الشيخ: وما رأيتَ من حمقي؟ أُخرج خبيثاً وأْدخل طيباً وأقتل عدواً، أحمق مني والله من حامل حتفه بيده. فاستراب المتلمس يقوله، وطلع عليه غلام من أهل الحيرة، فقال له المتلمس: أتقرأ يا غلام؟ قال: نعم. ففكّ صحيفته ودفعها إليه، فإذا فيها: أما بعد، فإذا أتاك المتلمس فاقطعْ يديه ورجليه وادْفنه جيَّا. فقال لطرفة: ادفع إليه صحيفتك يقرأها، ففيها والله ما في صحيفتي. فقال طرفة“ كَلاّ، لم يكن ليجترئ عليَّ. فقذف المتلمس يصحيفته في نهر الحيرة وقال: قدفت به البيت، وأخذ نحو الشأم. وأخذ طرفة نخو البحرين.
فضُرب المثل بصحيفة المتلمس.

3. Hergé, De avonturen van Kuifje. De Blauwe Lotus, uitg. Casterman, 1947, blz. 46–47.
4. David S. Powers, Zayd, Philadelphia 2014, zie Subject Index onder Uriah the Hittite.
5. Ibn Ishāq (704–767): Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 791; vertaling: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 202.
6.

Diacritische tekens: al-Ḥīra, Ṭarafa ibn ʿAbd, ṣaḥīfat al-Mutalammis, Baḥrayn, Djaʿfar ibn abī Ṭālib, ʿAbdallāh ibn Rawāḥa, Ibn Isḥāq

Terug naar Inhoud

One thought on “De Mutalammisbrief: een Arabische Uriabrief

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s