De slag bij Mu’ta (vertaalde tekst)

Over de door Mohammed bevolen militaire expeditie naar het zeer noordelijk gelegen Mu’ta is vrijwel niets met zekerheid bekend. Stellig heeft de Romeinse keizer Heraclius niet, zoals de verhalen beweren, de moeite genomen met een leger van tweehonderdduizend man tegen drieduizend Arabieren te komen vechten. Op zijn hoogst is er ooit een schermutseling geweest met het Romeinse grensleger. Er zouden slechts acht of negen moslims zijn gesneuveld, onder wie drie aanvoerders, wat merkwaardig is. Zie over deze slag ook hier, onderaan.

“““Muhammad ibn Dja‘far heeft gehoord van ‘Urwa ibn al-Zubayr: In de maand djumādā al-ūlā van het jaar 8 [629] stuurde de Profeet een leger naar Mu’ta, onder commando van Zayd ibn Hāritha. Als Zayd zou sneuvelen zou het bevel overgaan op Dja‘far ibn abī Tālib; als ook deze zou vallen zou ‘Abdallāh ibn Rawāha het commando overnemen.
De moslims rustten zich uit, drieduizend man, en toen het ogenblik van vertrek was aangebroken namen de veldheren van de Profeet afscheid van hen die achterbleven in Medina. ‘Abdallāh ibn Rawāha brak daarbij in tranen uit en toen hem werd gevraagd waarom, zei hij: ‘Het is niet omdat ik aan deze wereld gehecht ben of jullie zo liefheb, maar omdat ik de Profeet een koranvers heb horen reciteren over het hellevuur: Er is niemand onder u die daarin niet afdaalt; dat is een vaststaand besluit bij uw Heer, (koran 19:71) en ik weet niet hoe ik kan terugkomen als ik eenmaal daarin ben afgedaald.’ De moslims zeiden: ‘Ga met God; moge Hij jullie beschermen en veilig terugbrengen.’ Toen zei ‘Abdallāh:

’k Vraag God vergiffenis, en een trefzeker zwaard,
dat brede wonden slaat, waar schuimend bloed uit spuit,
of van mijn lans een rake stoot, die boort met vaart
door ingewand en lever, en door de rug eruit!
Dat bidden zal wie later langs mijn graf mocht gaan:
“God, breng uw strijder thuis; hij heeft het goed gedaan!”

Het leger brak op en de Profeet trok een eindje mee, om afscheid te nemen. Toen hij terugkeerde naar Medina zei ‘Abdallāh:

Gegroet, geleider die ik achterlaat
bij deze palmen, vriend en toeverlaat!

Zij trokken voort tot Ma‘ān, in Syrië. Daar vernamen zij dat Heraclius naar Moab was gekomen, in de landstreek Balkā’, met honderdduizend Romeinen, bij wie zich nog eens honderdduizend man uit de stammen Lahm, Djudhām, Qain, Bahrā’ en Balī hadden aangesloten; dezen werden aangevoerd door een Baliet uit Irasha, die Malik ibn Zafila heette. Bij het horen van dat nieuws bleven de moslims twee dagen in Ma‘ān om zich te beraden over wat hun te doen stond. Sommigen wilden aan de Profeet schrijven hoe groot de overmacht van de vijand was; dan kon hij hun versterkingen sturen of anders zouden ze zijn bevel afwachten. Maar ‘Abdallāh ibn Rawāha sprak hun moed in: ‘Mannen, waar jullie nu voor terugdeinzen, dat is toch juist hetgeen waarvoor wij zijn uitgetrokken: de martelaarsdood! Wij strijden niet met ons aantal manschappen of onze gevechtssterkte, maar met deze godsdienst waarmee God ons heeft geëerd. Laten we dus verder trekken: van twee mooie zaken wacht ons er één: de overwinning of de martelaarsdood!’ Toen zeiden de mannen: ‘Bij God, hij heeft gelijk,’ en ze trokken verder.
Bij de grens van de Balkā’, bij het dorp Mashārif, stuitten zij op de troepen van de Romeinen en de bedoeïenen. Op de nadering van de vijand trokken de moslims zich terug op het dorpje Mu’ta, en daar kwam het tot een treffen. Zayd vocht met de vlag van de Profeet in zijn hand, tot hij onder de lansen van de vijand bezweek aan bloedverlies. De vlag werd overgenomen door Dja‘far, die zich ermee in de strijd stortte. Toen hij aan alle kanten was ingesloten sprong hij van zijn goudvos, sneed hem de pezen door en vocht tot hij werd gedood. Dja‘far was de eerste moslim die zijn paard de pezen doorsneed.
Yahyā ibn ‘Abbād ibn ‘Abdallāh ibn al-Zubayr heeft gehoord van zijn vader dat hij zijn pleegvader, die erbij was geweest in Mu’ta, had horen zeggen: Ik zie het nog voor me, hoe Dja‘far van zijn goudvos sprong, het dier de pezen doorsneed, vocht tot hij werd gedood en hoe hij toen nog zei:

Ja, Edens lusthof is nabij,
de drank der zaal’gen wacht op mij!
De Griek krijgt zijn gerechte straf.
Die heidenen, dat lage ras—
Als ik zo’n kop zie sla ’k hem af!

Nadat Dja’far was gevallen nam ‘Abdallāh ibn Rawāha de vlag over en stormde voorwaarts op zijn paard. Hij talmde echter een ogenblik en sprak zich moed in met de woorden:

Ik zweer, mijn ziel, je moet nu gaan!
Vecht, of ’t is met je gedaan!
Laat de vijand schreeuwen, razen,
wat zou je ’t paradijs versmaden?
Wil jij, een held’re druppel, leven
door een versleten zak omgeven?

Daarna steeg hij af. Een neef van hem kwam hem een kluif met vlees brengen en zei: ‘Hier, doe wat kracht op, want jij hebt het dezer dagen zwaar te verduren!’ ‘Abdallāh pakte hem aan en beet er wat vanaf. Maar bij het horen van het strijdgewoel dacht hij: ‘Je bent nog in déze wereld!’; hij gooide de kluif weg, greep zijn zwaard en ging erop af. Toen vocht hij tot hij werd gedood. Thābit ibn Akram, een broeder van de stam Adjlān, kreeg de vlag te pakken en riep: ‘Moslims! Wie moet nu de leiding nemen?’ ‘Jij!’ schreeuwden ze terug, maar hij weigerde, en daarop werden ze het eens over Khālid ibn al-Walīd. Deze nam de vlag en probeerde de vijand af te houden en een verder treffen te voorkomen. De partijen gingen uiteen en Khālid leidde het leger terug naar Medina.
‘Urwa’s overlevering vervolgt: Toen het leger dicht bij Medina was gekomen, kwam de Profeet het tegemoet gereden met de achtergebleven moslims. De kinderen renden ernaast. ‘Neem die jongens voorop,’ riep de Profeet, ‘en geef mij de zoon van Dja‘far!’ Ze brachten hem ‘Abdallāh ibn Dja‘far en hij zette de knaap voor zich op zijn rijdier. De mensen begonnen aarde te gooien naar het leger en riepen: ‘Lafaards! Op de weg van God zijn jullie hard weggelopen!’ De Profeet kwam tussenbeide met de woorden: ‘Als God het wil zijn het geen weglopers, maar hebben zij zich teruggetrokken om opnieuw in de aanval te gaan.’”””

Bron: Ibn Ishāq (704–767): Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 791–802. Hierboven een kleine keuze uit: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 201–205.

Diakritische tekens: Muʾta, Muḥammad ibn Djaʿfar,ʿUrwa, Zayd ibn Ḥāritha, Dja‘far ibn abī Ṭālib, ʿAbdallāh ibn Rawāḥa, Maʿān, Balqāʾ, Laḥm@, Djudhām@, Bahrāʾ@, Irasha@, Malik@ ibn Zafila@, Yaḥyā ibn ʿAbbād, Adjlān@

Terug naar Inhoud

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s