Ali Mubarak en het doorsijpeleffect

🇩🇪 De laatste tijd heb ik zin om negentiende-eeuws Arabisch te lezen, en dan kom je onvermijdelijk terecht bij ‘Alī Pāshā Mubārak (1823–1893). Deze veelzijdig getalenteerde Egyptenaar had oorspronkelijk imam of iets dergelijks zullen worden, maar doorliep een militaire ingenieursopleiding, studeerde vijf jaar in Frankrijk, was werkzaam in de organisatie van het onderwijs in zijn land en heeft enkele malen een ministerspost bekleed. Zijn naam is onder meer verbonden aan de oprichting van de koninklijke bibliotheek (het latere Dār al-kutub), de pedagogische akademie (Dār al-‘ulūm), beide in Cairo, talloze publieke werken en de herbouw van de stuwdam bij al-Qanāṭir al-Khayrīya. Naast zijn openbare functies vond hij tijd om dikke boeken te schrijven. Over zijn bio-, biblio- en autobiografie komt elders meer.
.
Vandaag een fragment uit zijn ‘Alam al-Dīn (= ‘Banier van de Godsdienst’), dat in 1882 verscheen en 1486 bladzijden en 125 hoofdstukken telt. Of liever ‘gesprekken’ (musāmarāt), want er worden dialogen gevoerd, al zijn die zeer, zeer houterig. Het werk heeft trekken gemeen met een roman: er zijn personages en er is iets van een handeling.
.
‘Alam al-Dīn, een afgestudeerde van de religieuze Azhar-universiteit te Cairo, in het boek meestal ‘de sjeik’ genoemd, heeft grote moeite de eindjes aan elkaar te knopen en zijn grote gezin te voeden. Het aanbod van een naamloos blijvende Engelse oriëntalist is na ampel overleg met zijn collega’s dan ook welkom: de sjeik zal deze khawwāga (een Europese heer; hieronder vertaald als: Mijnheer) als gids en tolk vergezellen in Egypte. Later gaat hij ook mee naar Europa en hij neemt zelfs zijn zoon mee, die tot twee maal toe verliefd wordt op een Frans meisje. In Frankrijk voegt zich een zekere Ya‘qūb bij hen: een Egyptische matroos die daar al lang woont en hun als gids en gesprekspartner dient.
.
Maar de handeling blijft dun, heeft geen einde en wordt telkens onderbroken met door de auteur belangwekkend geachte informatie over zaken als de kurkeik, de houtwurm, het nut der spoorwegen en nog veel meer. Als je die gedeelten overslaat is het niet zo’n heel dik boek. Algemene strekking: je mag met Engelsen omgaan, en zeker met oriëntalisten die op grond van hun kennis al bijna moslim zijn; je mag ook dingen overnemen uit Europa. Duidelijk is hoeveel Europa te danken heeft aan het oude Egypte en hoe gemakkelijk Europeanen moslim zouden worden, als zij de koran en de islam maar kenden. Huwelijken tussen Egyptische mannen en Europese vrouwen zijn in principe mogelijk. Vrouwen moeten ook school gaan, zij het vooral om aangename gesprekspartners voor de man te zijn.
.
In hoofdstuk 101 mijmert Mubārak via zijn personage Ya‘qūb een beetje over het verschil tussen arm en rijk en het trickle down effect. Hoewel hij van huis uit niet zeer rijk was zal hij op latere leeftijd zoveel bezit hebben verworven dat hij niet met de armen, maar met de rijken meedacht.
Het onderstaande fragment is niet spectaculair interessant. Alleen wanneer je erbij bedenkt wanneer en waar hij geschreven is en nog andere teksten uit die tijd ernaast leest krijgt het zin, ernaar te kijken, bij voorbeeld in vergelijking met de meer tot ‘socialisme’ geneigde Fāris al-Shidyāq in Sāq ‘alā sāq (1855). Hier de vertaling:

.
“““De sjeik zei: ‘Telkens als ik door [Parijs] loop verbaasde ik mij erover hoe groot het is, hoeveel mensen er wonen en hoe ze dag en nacht in de weer zijn.’ De sjeik leed onder zijn verblijf in de stad, om het drukke verkeer dat hij steeds maar zag en de geluiden van mens en dier die hij hoorde. Want de rijtuigen rijden dag en nacht af en aan en hun wielen maken lawaai doordat zij tegen de stenen stoten waarmee de straten bedekt zijn. De ramen van de huizen en gebouwen en winkels klapperen in de wind en als ze open en dichtgaan. Dronkenlappen en mensen die uitgaan maken herrie en zingen, en daarbij nog het verkeer—dat alles maakt onrustig, verwart de geest en verhindert de concentratie.
.
Hij zei tegen Ya‘qūb: ‘Woonden we maar buiten de stad, dat zou prettiger en gezonder zijn.’ Ya‘qūb antwoordde: ‘De sjeik heeft gelijk, want Mijnheer heeft ook last van zijn verblijf in deze stad, maar de reden dat hij hier onderdak heeft gezocht is dat het dicht bij zijn werk en zijn vrienden is. Hij heeft mij een woonruimte beschreven die ruimer is dan deze, die uitziet op een park en op enige afstand van de straat ligt; als Mijnheer wist hoe jullie te lijden hebben zou hij meteen daarheen verhuizen.’ Daarop prees de sjeik hen beiden en zei: ‘Parijs is een van de schitterendste steden ter wereld, omdat het zo veel kunstwerken, mooie dingen, kostbaarheden en curiositeiten bevat en de mensen er zo welvarend zijn en de gebouwen zo fraai, maar ik denk dat het leven van de armen hier ellendig is, omdat er zoveel mensen op elkaar wonen.’
.
Ya‘qūb zei: ‘Misschien hebben de armen het in Parijs beter dan ergens anders. Want zoals de rijken grote inspanningen verrichten om veel winst te maken, zo hebben ook de armen diverse manieren om aan de kost en aan hun pleziertjes te komen, al naar gelang hun situatie. De armen van iedere stad zijn altijd navenant. Naarmate de stad groter wordt en de bloei van de rijken toeneemt, nemen ook de bestaansmogelijkheden van de armen toe, want doordat ze overal dienstbetrekkingen en banen hebben kunnen ze achter veel dingen tegelijk aangaan, wat je alleen ziet als je heel goed kijkt. Neem bij voorbeeld een conciërge: die beperkt zich niet tot zijn baan, nee, je kunt hem en zijn gezinsleden ook bezig zien met bijverdienen. Want de man repareert ook schoenen en sandalen, de vrouw naait kleren, de dochter zingt en studeert zang en de zoon vermaalt ingrediënten van kleurstoffen, en als je erop zou letten zou je in de straten arme mensen zien die van de grond en uit de modder stukken oud ijzer en spijkers verzamelen, en mannen en kinderen die de paarden van de mensen rossen, en weer anderen die het haar van de honden trimmen, en nog anderen die lucifers en zoetigheid en drankjes voor de kinderen verkopen. En er zijn er die ‘Vodden!’ roepen, en die kruiden verkopen, of bladen met het nieuws en de aankondigingen en de repertoires van de theaters. Al zijn deze dingen op het eerst gezicht van weinig nut, dikwijls brengen arme mensen het daarmee tot grondbezit en vermogen, zodat ze tot de voornamen gerekend worden, en ik denk dat u’s avonds wel die mensen hebt gezien die het papier en de botten oprapen die op straat gegooid zijn?’ De sjeik zei van ja, en Ya‘qūb vervolgde: ‘Dat zijn dingen waar heel wat mensen van leven en het brood voor hun gezin mee verdienen. En dan zijn er nog hele groepen die leven van vleierij, zwendel, spionage, bedrog en dergelijke, zoals je dat in grote steden aantreft.’
De zoon van de sjeik zei: ‘In Cairo heb je veel mensen die sigarettenpeuken oprapen, de tabak eruit halen en daarvan nieuwe sigaretten maken om die te verkopen op straat en zich te voeden van de opbrengst. Anderen verzamelen glasscherven en verkopen die aan de makers van armbanden voor arme vrouwen, enzovoort.’
.
Waarop de sjeik zei: ‘God—geloofd en geprezen zij Hij— heeft het voor zijn knechten gemakkelijk gemaakt op allerlei wijzen in hun onderhoud te voorzien. Hij is werkelijk de Voeder (razzāq), en Hij heeft voor ieder schepsel een manier gemaakt waarop hij zijn brood kan verdienen … .’ ”””

BIBLIOGRAFIE
– ‘Alī Bāshā Mubārak, ‘Alam al-Dīn, 4 dln., Alexandrië 1882.
– Andrea Geier, Von den Pharaonen zu den Khediven. Ägyptische Geschichte nach den Ḫiṭaṭ des ‘Alī Mubārak, Frankfurt am Main 1998.
– Rotraud Wieland, Das Bild der Europäer in der modernen arabischen Erzähl- und Theaterliteratur, Beirut 1980, 48-72 en Index onder ‘Alī Mubārak.

Terug naar Inhoud