Mahmoed Taimoer, Een koetsier komt om zijn loon (vertaling)

Voor de verandering breng ik vandaag de vertaling van een Arabisch kort verhaal uit 1925. (De Arabische tekst vindt U hier: TaymurUstaShehata). Het is een van de eerste verhalen van Mahmoed Taimoer (1894–1973), die jaren lang de onbetwiste meester van het kort verhaal in Egypte zou blijven. Hij stamde uit een schatrijke familie, wat zeer gelegen kwam, want in die tijd waren en er nog geen uitgeverijen in Egypte die auteurs de gelegenheid boden met literatuur geld te verdienen. Wel kon Taimoer een aantal van zijn verhalen in tijdschriften plaatsen, waardoor hij bekend werd, maar zijn talrijke verhalenbundels liet hij op eigen kosten drukken en hij zorgde zelf voor de verspreiding ervan. Daarmee had hij succes. Later schreef hij ook romans en toneelstukken.
Het leven, dat hij waarnam vanuit zijn hoge positie, wilde hij beschrijven zoals het werkelijk was; hij noemde zich zelf een naturalist. Dikwijls beschrijft hij types uit ‘het volk’, arme mensen, aan lagerwal geraakte types, sjacheraars of charlatans. Bij hem geen spoor van deelname aan hun armzalig lot: hij beschrijft ze omdat ze schilderachtig zijn.

———————————————————————————————————————————

Mahmoed Taimoer, Een koetsier komt om zijn loon

Onder de feitelijkheden van het leven, die achter de sluier der verborgenheid schuilgaan, is heel wat schandaligs en pijnlijks te vinden. De verhalenschrijver, wiens devies het altijd is de werkelijkheid zo te beschrijven als zij is, beschouwt het als zijn plicht, deze schandalige pijnlijkheden aan het licht te brengen, hoe cru zij ook mogen zijn.                                        De auteur

Oem Labieba kwam binnen bij haar mevrouw, madame Ikbaal, en vertelde haar dat de koetsier er was en om zijn loon vroeg. Mevrouw trok haar wenkbrauwen op en droeg de meid op hem te gaan zeggen dat hij na de middag maar terug moest komen. Dat deed zij, in de hoop dat het haar zou lukken de man met zijn vordering tot na de middag af te wimpelen. Maar nauwelijks stond zij voor hem of hij begon haar af te snauwen in grove bewoordingen waaruit zijn verachting overduidelijk bleek. Ze bracht hem over wat mevrouw haar had opgedragen. Dit uitstel maakte hem nog kwader en hij begon te schelden en te vloeken.
De koetsier had alle reden om kwaad te zijn. Hij had met mevrouw zes ritten gemaakt, plezierritjes of bezoeken bij haar jonge vriendinnen en het loon voor de ritten was opgelopen tot driehonderd piaster, waarvan hij nog niets had gezien. Hij had een vrouw en vijf kinderen, die de grootste moeite hadden te eten te krijgen en iets om aan te trekken.
Had hij niet het volste recht te schreeuwen als hij kwam vragen om het uitstaande bedrag waar hij recht op had en dat hem werd onthouden? Het was nu al de zesde keer dat hij kwam en telkens werd hij afgescheept met beloftes en uitstel.
De koetsier keerde terug naar zijn standplaats, briesend van kwaadheid omdat hij wanhoopte aan het resultaat van zijn geschreeuw en gescheld. Hij was vastbesloten nu na de middag zijn loon te incasseren, koste wat kost.
Madame Ikbaal sloeg geen acht op het gebeurde, alsof ze niet anders gewend was. Ze liep naar de spiegel, deed haar haar en haalde een doosje schmink te voorschijn waarmee ze, af en toe zuchtend, haar gerimpelde gezicht begon te bewerken.
Madame Ikbaal was nu achtendertig. In haar jonge jaren was zij een toonbeeld van lieftalligheid en schoonheid geweest. Op haar twaalfde was zij getrouwd met een ontaarde jongeman, een gokker, een dronkenlap. Hij had acht jaar met haar geleefd; toen had hij haar achtergelaten, gestempeld door zijn verdorvenheid en zedeloosheid. Ikbaal was weduwe op haar twintigste, nadat haar man haar voor zijn dood nog op het verkeerde pad had gebracht, haar hart had verzadigd met verdorvenheid en gedrenkt in het gif van zonde en kwaad.
Al in haar jonge jaren had haar man haar op het pad der zonde gebracht en haar persoonlijk in het kwaad ingevoerd. Hij had haar aangespoord, ja zelfs gedwongen alcoholische dranken te drinken en verdovende middelen te gebruiken. Hij was het ook geweest, die haar na een beetje afdingen voor geld ter beschikking stelde aan zijn vrienden, als die haar wilden, en haar er vervolgens toe aanzette geld te te gaan verdienen met prostitutie.
Toen haar man stierf liet hij zijn nog jonge vrouw achter met in haar ziel de wonden van schande en laagheid en in haar lichaam de pijnen van de ziekte. Op haar achtendertigste zag zij eruit als achtenvijftig. Haar lichaam was verdord en haar gezicht vergrauwd, haar teint was bleek en de pijn had een zwarte rand om haar ogen aangebracht. Ikbaal, het brave meisje van weleer met volmaakte eigenschappen en verheven gevoelens, was nu een liederlijke gokster geworden, besmet met ziekten en verslaafd aan allerlei verdovende middelen, vooral sterke drank en cocaïne. Ze had een zoontje van zeven, dat zijn vader niet kende. Hij was geboren in ellende en groeide op in een sfeer van liederlijkheid en schande. Ikbaal was er miserabel aan toe; haar schoonheid was verdord, jongens en mannen zagen haar nauwelijks nog staan, op een paar na. En hoewel zij het beroep van koppelaarster tussen jongens en verdorven meisjes had opgevat, toen zij merkte dat haar eerste nering niet meer goed liep, werd zij nog steeds bedreigd door nijpende armoede , die ieder ogenblik kon toeslaan.
Zij woonde in een huis waaraan nog genoeg kenmerken van prostitutie te zien waren, maar dat alleen de kleine man met de platte portemonnee nog aantrok. Ze leefde nu bij de dag, nee bij het uur, en sloot haar ogen voor wat de toekomst zou brengen.
.
De koetsier kwam na de middag terug op het afgesproken tijdstip en begon dadelijk om zijn loon te schreeuwen zonder dat iemand hem antwoordde. Zijn koets had hij onder de hoede van een jongetje gelaten en hij was de kleine voortuin binnengedrongen tot hij voor de huisdeur  stond, waarop hij boos en luidruchtig begon te kloppen. Ikbaal zat zich als gewoonlijk op te maken in haar slaapkamer. Ze was gekleed in een doorschijnend negligé, dat zij had overgehouden uit haar rijke tijd. Haar haar hing los en ze was blootsvoets, terwijl uit haar decolleté de verwelkende borsten tevoorschijn kwamen. Ze hoorde het lawaai dat de koetsier maakte en glimlachte ongeïnteresseerd. Oem Labieba kwam haar vertellen dat de koetsier het huis wilde binnendringen en niet ophield schandalige verwensingen te schreeuwen. Ikbaal antwoordde haar kalm:
—— Wat wil je dat ik doe? Ik heb geen geld.
De koetsier had intussen de deur open gekregen en kwam het heilige der heilige binnen! Hij was al in de hal en schreeuwde om het geld waarop hij recht had. Oem Labieba schoot op hem af, wees hem terecht om zijn brutaliteit en schaamteloosheid, probeerde hem te weerhouden van een zonde en zei hem dat hij onmiddellijk weg moest gaan. Meer dan een kwartier lang stonden ze te bekvechten en elkaar uit te schelden, tot de meid besefte dat ze geen vat op hem kreeg. Toen hij op het punt stond haar te slaan riep zij haar meesteres te hulp.
.
Op dat ogenblik ging de deur van de slaapkamer open en verscheen Ikbaal op de drempel in een doorschijnend nachtgewaad, de benen en armen onbedekt. Ze probeerde te praten alsof zij nog steeds niet wist wat er in haar huis gaande was:
—— Wat is er aan de hand, Oem Labieba?
De koetsier liet Oem Labieba niet uitspreken, maar eiste als tevoren schreeuwend zijn loon op. Ikbaal zei gemaakt lieftallig:
—— Maar waarom dan zo veel gepraat, baas? Kom binnen en neem je loon in ontvangst!
De man verbaasde zich over die plotselinge omslag en staarde de dame vragend aan, niet wetend of zij loog of het eerlijk meende. Toen zij zag hoe hij aarzelde kwam ze zelf haar kamer uit, nam hem bij de hand en voerde de man naar binnen, die niet wist wat hem overkwam of wat hij moest doen.
—— Kom je loon maar halen. Waarom wil je niet binnenkomen? Je bent toch geen vreemde?
En zo kwam baas Shehata de kamer in aan de hand van madame Ikbaal, die hem meevoerde als een veroordeelde.
.
Baas Shehata was een man van achtenvijftig, stevig gebouwd en gespierd, die zijn hele leven niets anders had geleerd dan het vak van koetsier. Aanvankelijk was hij staljongen geweest, die zelf in de stal woonde en de mest opveegde, de teugels poetste en de koetsen en de paarden waste. Vervolgens was hij opgeklommen tot de rang van koetsier en zat hij bovenop de bok, nadat hij het jasje en de broek had aangetrokken die afkomstig waren van een voddenman. De verdienste die de paarden en de koets opleverden was niet genoeg om zijn vijf kinderen en zijn zieke, aan huis gebonden vrouw te voeden en te kleden. Hij had een grauw gezicht met een grijze baard die hij alleen liet scheren als hij er geld voor had. Hij zag er viezig uit, met zijn gescheurde kleren en tenen die uit een paar versleten schoenen staken. Om zijn broek droeg hij een vuile rode sjaal en op zijn hoofd had hij een fez met een zwarte rand zonder kwast. Maar ondanks de tekenen van ellende en armoe, die hem op het lijf geschreven stonden en hun sporen hadden nagelaten op zijn kleding en in zijn gezicht, kende hij alleen maar het ‘geluk’: daar had hij het de hele tijd over en dat wilde hij bereiken. Terwijl hij met zijn benen over elkaar hoog op bok zat hoorden de mensen hem balladen of eenvoudige volksliedjes over de liefde zingen, en als er een mooi meisje uit zijn stand voor hem langsliep zette hij zijn fez met de zwarte rand schuin en begon hij met zijn kapotte schoenen te wippen, tegen haar te lachen en te knipogen en zei:
—— Hé schoonheid, kalm aan een beetje, ik sta in vuur en vlam voor je!
.
Dikwijls zag hij meisjes uit de hogere stand met een doorzichtige zwarte voile of een lichte boerka die hun gelaatstrekken openbaarde maar tegelijk prachtig verhulde, en die bij het lopen betoverend heen en weer wiegden. Dan staarde hij ze verliefd aan en verzuchtte zachtjes:
—— Alles voor nop.
En als er door een speling van het lot een verliefd paartje of een minnaar met zijn geliefde in zijn koets belandde en het schaterlachen van de liefde tot hem doordrong, of de klanken van diepe kussen, of zelfs het schaamteloze heen en weer schudden dat de liefdesgloed in hem opwekte, dan schreeuwde baas Shehata het uit van binnen en schold zijn vrouw uit:
—— Oemm Ahmad, ’t is eeuwig zonde!
Dan werd hij door liefdesgloed overweldigd en kon hij zijn zenuwen alleen nog de baas door zich met zweepslagen en gescheld uit te leven op de magere, uitgeputte paarden.
.
Baas Shehata liep de slaapkamer in zonder dat hij wist of mevrouw het ernstig meende of een grap maakte. Hij snoof de geur van poeder en parfum op die het vertrek vulde en zijn opgekropte zenuwen kalmeerden en zijn vonken schietende ogen kwamen tot rust.
Hij liet zijn blikken over het lichaam van Ikbaal glijden terwijl zij door de kamer op en neer liep, op zoek naar de sleutels van de kast. Toen zij die tenslotte vond en de inhoud omkeerde om hem zijn loon te geven, monsterde hij haar met een koude blik. Zijn mond verbreedde zich tot een zinnelijke grijns.
.
Nooit eerder was baas Shehata met een blanke dame van deze stand – de pseudo-aristocratie – in één kamer alleen geweest. In zijn hele leven had hij nooit een meisje gezien dat er zo uitzag en met zulke kleren aan. Hij had immers nooit iets anders gezien dan zijn echtgenote thuis, met haar donkere huid en verzakte lijf, in een vuilblauwe gilbaab en gescheurde zwarte hoofddoek. Had hij ooit te voren oog in oog gestaan met zo’n ranke gestalte zonder kleren, slechts bedekt met een dun doorschijnend nachthemd, waaronder de zachte, gladde benen zichtbaar waren, en die blanke, wat roodachtige huid, dat gezicht verlevendigd met rouge en die ogen vol verleiding? Nee, van zijn levensdagen had baas Shehata niet zulke blote benen gezien, zulk haar dat loshing over het voorhoofd en zulke blanke, priemende borsten.
Baas Shehata zag op dat ogenblik madame Ikbaal niet voor zich zoals ze werkelijk was, met haar magere lijf, haar bloedeloze gezicht en holle ogen achter een sluier van poeder en rouge en bedrieglijke opmaak. Nee, hij zag het meisje waarvan hij altijd droomde, of hij nu wakker was of sliep. Een blank meisje, met haar stralende gezicht verborgen onder een doorzichtige zwarte voile of een lichte witte boerka. Het meisje, waarvan hij de betoverende lach hoorde in zijn koets, het meisje dat voor zijn ogen op straat met haar lichaam wiegde. Dat meisje met die betoverend mooie, melodieuze stem.
Ikbaal kwam koket en elegant dichterbij en zei bescheiden:
—— Vandaag heb ik geen geld, baas. Wil je niet morgen terugkomen?
Ze keek hem smekend aan, maar tegelijk lonkend en koket. In de ogen van baas Shehata glansde een vreemde flikkering. Hij grijnsde en zei spottend:
—— Ik kan nu niet meer terug, mevrouw.
Ikbaal glimlachte, want ze had wel geraden hoe hij eraan toe was. Ze stortte zich op hem, zonder erom te geven hoe vuil hij was en hoe hij stonk, en ze gaf hem een bedwelmende kus op zijn mond, die hem bijna het bewustzijn deed verliezen.
.
Gamaal, Ikbaals zoontje van zeven, kwam aangelopen en keek door een gat in de slaapkamerdeur; toen liep hij lachend weer weg. Op de terugweg kwam hij Oemm Labieba tegen. Hij bracht haar hoofd dicht bij het zijne en begon haar in zijn kindertaal toe te fluisteren over het geheim dat hij in de kamer had gezien …. het geheim van hoe baas Shehata op deze eenvoudige, mooie manier van zijn vordering afstand deed … .

.

Baas Shehata komt om zijn loon

BIBLIOGRAFIE
De Arabische tekst van het verhaal ‘al-Ugra’ is genomen uit: Maḥmūd Taymūr, Al-shaykh Gum‘a wa-aqāṣīṣ ukhrā, Cairo, 2e druk 1927, 25–35. Online hier: TaymurUstaShehata. Het verhaal verscheen voor het eerst onder de titel ‘al-Usṭā Shaḥāta yuṭālibu bi-ugratihi’ (Baas Shehata eist zijn loon op) in al-Fadjr, nr. 5 (10.2.1925).

Secundair:
– John J. Donohue SJ en Leslie Tramontini, Crosshatching in Global Culture. A Dictionary of Modern Arab Writers: An Updated English Version of R.B. Campbell’s “Contemporary Arab Writers”, 2 dln., Beiroet (BTS 101a, 101b), 1108–1115, met een autobiografische schets.
– Rotraud Wielandt, Das erzählerische Frühwerk Maḥmūd Taymūrs. Beitrag zu einem Archiv der modernen arabischen Literatur, Beiroet 1983 (BTS 26).
– G. Widmer, ‘Übertragungen aus der neuarabischen Literatur. I. Maḥmūd Taimūr,’ Die Welt des Islams, 13 (1932), 1–103. In te zien via JSTOR.

Terug naar Inhoud