Wie heeft het racisme uitgevonden?

[GROEITEKST, WERKBLAD]
Bij de oude Grieken en Romeinen viel het nogal mee met het racisme, als ik de literatuur mag geloven. Maar die literatuur is wel wat problematisch. De klassieke Oudheid wordt in de westerse wereld dikwijls geïnstrumentaliseerd ter verbreiding van hedendaagse opvattingen. Het is dus denkbaar dat iemand uit de Verenigde Staten, die omstreeks 1950 schreef dat er in de Oudheid geen racisme bestond, eigenlijk de afschaffing van de rassenscheiding in de VS wilde bevorderen. Anderzijds geloven white supremacists vaak dat de oude Grieken en Romeinen net zo blank waren als hun marmeren standbeelden. Zij worden kwaad en sturen dreigmails aan archeologen en classici die aantonen dat die beelden vroeger gekleurd waren en dat de verf er in de loop der eeuwen af is gegaan, of door overijverige museumconservatoren is weggeschrobd.

Hoe dan ook, de personages van Homerus, inclusief de goden, vonden Ethiopiërs fijne mensen, trouw en gastvrij, en Ethiopiërs is de Oudgriekse benaming voor Afrikanen. Thetis vertelt Achilles:

  • Zeus is namelijk gisteren vertrokken naar de Oceaan voor een maaltijd | bij de voortreffelijke Ethiopiërs, alle goden vergezelden hem.1

En Iris zegt tegen de winden:

  • Geen tijd om te zitten, want ik ben nu onderweg naar de stromen van Okeanos en het land van de Ethiopiërs, waar men offers brengt aan de onsterfelijken, om ook zelf te delen in de rituelen.2

Ook Poseidon heeft het naar zijn zin bij de Ethiopiërs:

  • Deze nu was vertrokken naar de ver wonende Ethiopen, | (de Ethiopen, die in tweeën verdeeld zijn, verwijderd van de mensen, | één groep in het Westen, de andere in het Oosten) | om een offer in ontvangst te nemen van stieren en rammen. | Daar dus deed hij zich te goed, aanzittend aan de maaltijd; … 3

Feit is bovendien dat het Romeinse Rijk verregaand multiculti was, met vrij verkeer van mensen en goden, en dat het tenminste één keizer uit Libye heeft gehad (de Berber Septimius Severus; zijn vrouw Julia stamde uit het Syrische Homs) en twee uit het huidige Syrië/Turkije (de Arabieren Heliogabalus en Philippus Arabs). Iets dergelijks is in het huidige Europa volledig ondenkbaar.
Ik zal me nog nader inlezen in de vakliteratuur over de klassieke Oudheid, hoewel ik dat niet met grote kennis van zaken kan doen.

[[Een vriend gaf mij intussen de volgende lectuur over de klassieke Oudheid:
https://books.google.nl/books?id=eem1AQAAQBAJ&printsec=copyright&hl=nl&source=gbs_pub_info_r#v=onepage&q&f=false  en over zelfde titel: https://press.princeton.edu/titles/7737.html
https://www.jstor.org/stable/40023593?seq=1#page_scan_tab_contents
href=”http://www.anistor.gr/english/enback/AGRacism.pdf”>http://www.anistor.gr/english/enback/AGRacism.pdf
Benjamin H. Isaac, The Invention of Racism in Classical Antiquity, Princeton University Press 2004/2006?]]

Als het de Grieken en Romeinen niet waren, wie hebben het racisme dan uitgevonden? De oude Perzen? Daar heb ik geen toegang toe. Wel kan ik eens kijken of het misschien de oude Arabieren waren.
.
De pre-islamitische Arabieren leefden in stamverband en waren dikwijls in oorlog met naburige stammen, die zij dan haatten of verachtten. In hun poëzie wordt vanouds veel plaats ingeruimd voor eigenroem en het uitschelden van andere, minderwaardig geachte stammen. Toch kon dit niet al te diep zitten: het kwam immers voor dat er ineens een alliantie met zo’n vijandige stam tot stand kwam, of dat een kleine stam door een grotere werd geabsorbeerd; dan waren die negatieve gevoelens niet meer opportuun. Bovendien waren zulke (ex-)vijanden niet werkelijk anders; ze behoorden niet tot een ander ras.
Ook slaven werden geminacht. Er zullen slaven zijn geweest die van ver gehaald waren, maar er waren er ook die uit de directe omgeving stamden en dus gewoon soortgenoten waren: mannen die na een verloren veldslag in krijgsgevangenschap geraakten of die tot slaaf gemaakt werden omdat zij hun (speel)schulden niet konden betalen. Zulke slaven waren niet ‘anders’. Al te diepgewortelde afkeer lag ook hier niet voor de hand, omdat vrijwel iedereen door krijgsgevangenschap of schulden slaaf kon worden. Vrouwen zullen dikwijls zijn buitgemaakt als seksobject, maar het kwam natuurlijk voor dat een eigenaar genegenheid opvatte voor zijn slavin en haar niet meer zo diep verachtte; ook voor een voedster kan men respect en liefde gekoesterd hebben.
.
Echt anders waren de vreemde volkeren verderop. De Perzen werden ‘adjam genoemd: mensen die het Arabisch niet behoorlijk konden uitspreken. Het waren rare snuiters met vreemde manieren en wonderlijke kleding, maar werden zij werkelijk als een ander ras opgevat, in de zin van een groep met afwijkende fysieke eigenschappen? Dat is nog maar de vraag.
.
De Romeinen werden soms wel naar een lichamelijk kenmerk genoemd: Banū al-Aṣfar, ‘de geelhuiden’.4
.
In een enkele hadith van de Profeet — die wel uit de tweede eeuw van de islam moet dateren — worden raskenmerken van Turken uit Centraal-Azië genoemd: ‘… de Jongste Dag zal niet aanbreken, voordat jullie tegen mensen gevochten hebben met kleine ogen en korte neuzen.’ 5
.
Degenen met de meest in het oog lopende afwijkende lichamelijke eigenschappen, die ook het vaakst beschreven werden, waren de zwarten uit Afrika, en soms uit India. Op die uit Afrika zal ik me hier concentreren. Wat kan ik als Arabist doen? Een groots project ga ik niet opstarten, maar voor de oudste tijd kan ik de poëzie bekijken; vervolgens het geval van ‘Antara, een pre-islamitische zwarte dichter en held, en dat van Bilāl, de zwarte moëddzin van de profeet Mohammed.
Daartoe zal ik ik de volgende literatuur gebruiken:
– Manfred Ullmann, Der Neger in der Bildersprache der arabischen Dichter, Wiesbaden 1998.
– Albert Arazi en Salman Masalha, Six early Arab poets. New edition and concordance, Jerusalem 1999.
@@trefwoorden nog aswad 592–4 LET OP 594 regel 1. Snel gezien denk ik. Dit checken met Ullmann@@.
– Wolfdietrich Fischer, Farb- und Formbezeichnungen in der Sprache der altarabischen Dichtung. Untersuchungen zur Wortbedeutung und zur Wortbildung, Wiesbaden 1965. Trefwoorden: aswad, aṣfar, aḥmar 356 supra, abyaḍ, asmar, ašqar, ‘Hautfarbe’.@
.
Voor de wat latere tijd is er het volgende:
– De werken van al-Djaḥiẓ en de analyse daarvan door Susanne Enderwitz, Gesellschaftlicher Rang und ethnische Legitimation. Der arabische Schriftsteller Abū ‘Uṯmān al-Ǧāḥiẓ (gest. 868) über die Afrikaner, Perser und Araber in der islamischen Gesellschaft, Freiburg 1979. Al-Djāḥiẓ had een theorie over rassen. Zijn vader was een zwarte slaaf.
– Gernot Rotter, Die Stellung des Negers in der arabisch-islamischen Gesellschaft bis zum XVI. Jahrhundert, Diss. Bonn 1967.
– Bernard Lewis, Race and Slavery in the Middle East. An Historical Enquiry. New York/Oxford 1990.
Niet uit te sluiten is natuurlijk dat in deze secundaire literatuur nog van alles staat over de vroegste tijd; dat kan ik dan later invoegen.

Nu dan eerst die oude poëzie. Manfred Ullman heeft alle dichtregels verzameld waarin wordt gerefereerd aan zwarten. Van een groots filoloog en lexicoloog als hij mag men aannemen dat zijn verzameling van omstreeks zeshonderd fragmenten6 zo goed als volledig is. Enige oude poëzie is te achterhalen via de Concordance; die zal ik controleren.
.
Van de zwarten worden de volgende lichaamskenmerken genoemd:

  • Een zwarte huid
  • Kroeshaar
  • Dikke lippen
  • Een platte neus
  • Stralend witte tanden,

waarbij dat laatste geen lichaamskenmerk is, maar eerder een optische illusie. Tanden lijken immers witter wanneer zij zijn omgeven door zwarte huid.
.
Ullmann wilde niet onderzoeken welk beeld de oude Arabieren van zwarten hadden, maar de beeldspraak in de verzen bestuderen, waarin niet-zwarte mensen, dieren of dingen met zwarten worden vergeleken.
In wat ouder Nederlands werd dat ook wel gedaan. Iemand die vuil werk had gedaan of erg door de zon verbrand was zag ’s avonds ‘zo zwart als een neger,’ of ‘als een Turk,’ of ‘als een Moor’. Ook een kolenkachel, een zondige ziel en vast nog andere zaken konden ‘zo zwart als een Moor’ genoemd worden.
Maar de Arabieren maakten die vergelijkingen ook in hun poëzie, en op veel uitgebreider schaal dan onze voorouders. Ook bij hen worden vuil geworden, beroete, zwart gemaakte of door de zon verbrande mensen vergeleken met echte zwarten, maar daarenboven ook ettelijke dieren, lichaamsdelen, planten, vruchten, mineralen, werktuigen, kledingstukken, wijnzakken, schepen, schrijfgerei en inkt, mest en stront, fluiten en schaakstukken, de nacht, de zee en de wolken en nog veel meer. Het punt van vergelijking is vrijwel altijd de donkere kleur; soms wordt er ook met andere fysieke eigenschappen van zwarte mensen vergeleken. Enkele voorbeelden:

  • ‘Het donker van de nacht is als een zwarte neger met gebogen hoofd, die zich in een rouwgewaad heeft gehuld.’ 7
  • ‘Midden over de weg kroop een zwartje …. Moge God hem niet zegenen, deze kruipende schorpioen…’ 8
  • ‘Wijnstokken, aan welker ranken vol druiven men op de dag van de oogst schedels van Ethiopiërs meent te ontwaren.’(bollende, diep-donkere druiven.)9
  • ‘Boven op ons vuur staat een welgevulde Ethiopische, dik als de buik van een olifant, die het daar lang uithoudt.’ (een bolle, zwart-beroete kookpot wordt met een Ethiopische vrouw vergeleken.)10
  • ‘De rug van een mestkever zou men voor de rug van een Nubiër kunnen houden.’ (de zwarte rugschilden van de mestkever//de schouderbladen van een zwarte man.)11
  • ‘Ik ging aan boord, op een negerin … (bedoeld is een zwart geteerd schip op de Tigris).12

In deze en verreweg de meeste andere verzen is geen enkel waardeoordeel over zwarte mensen te lezen. Het ging de dichters erom, een kunstige vergelijking maken tussen iets donkers en de huidskleur van een zwarte mens, dat is alles. Moderne mensen mogen dit een vreemd streven vinden, maar zo was het nu eenmaal in de oude poëzie, die ook verder wemelt van in onze ogen vergezochte vergelijkingen.
.
In een aantal verzen worden echter wel degelijk racistische uitspraken over zwarten gedaan, sommige zijn zelfs uitgesproken grof en gemeen. Te onderzoeken is nu ten eerste of dit zich voordoet in de oudste verzen of in latere. Ik wil immers weten of het racisme van de oude Arabieren stamt, zeg maar die van voor het jaar 700. Ten tweede wil ik kijken of zulke negatieve commentaren voorkomen in de vergelijkingen met bepaalde dingen of dieren. De verleiding lijkt groot om bij voorbeeld de mestkever iets smerigs te vinden, maar op zich is dat niet nodig. In het Arabische woord khunfus klinkt het bij ons negatief beladen woord ‘mest’ niet mee. Bovendien was in het laatste voorbeeld hierboven al een neutrale vergelijking zonder negatieve bijklank te zien en dat is lang niet de enige.

WORDT VOORTGEZET

ANMERKUNGEN
1. Homerus, Ilias 1:423–4:
Ζεὺς γὰρ ἐς Ὠκεανὸν μετ’ ἀμύμονας Αἰϑιοπῆας | χϑιζὸς ἔβη κατὰ δαῖτα, ϑεοὶ δ’ ἅμα πάντες ἕποντο· Vertaling Ben Bijnsdorp: https://benbijnsdorp.nl/homerus_ilias.html.
2. Homerus, Ilias 23:205–207:
οὐχ ἕδος: εἶμι γὰρ αὖτις ἐπ’ Ὠκεανοῖο ῥέεθρα | Αἰθιόπων ἐς γαῖαν, ὅθι ῥέζουσ’ ἑκατόμβας | ἀθανάτοις, ἵνα δὴ καὶ ἐγὼ μεταδαίσομαι ἱρῶν. Vertaling Ben Bijnsdorp.
3. Homerus, Odyssee 1:21-25:
ἀλλ᾽ ὁ μὲν Αἰθίοπας μετεκίαθε τηλόθ᾽ ἐόντας, |Αἰθίοπας τοὶ διχθὰ δεδαίαται, ἔσχατοι ἀνδρῶν, | οἱ μὲν δυσομένου Ὑπερίονος οἱ δ᾽ ἀνιόντος, | ἀντιόων ταύρων τε καὶ ἀρνειῶν ἑκατόμβης. |ἔνθ᾽ ὅ γ᾽ ἐτέρπετο δαιτὶ παρήμενος … Vertaling Ben Bijnsdorp; https://benbijnsdorp.nl/homeros/homerus_odyssee.html. Vgl. ook 5:281–287.
4. Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 894. Aṣfar klinkt onaangenaam wanneer het van mensenhuid wordt gezegd; het wordt ook gebruikt voor de vaalgele huidskleur van zieken en lijken.
5. Muslim, Ṣaḥīḥ, Fitan 64:
وحدثنا أبو بكر بن أبي شيبة حدثنا سفيان بن عيينة عن أبي الزناد عن .الأعرج عن أبي هريرة يبلغ به النبي صقال لا تقوم الساعة حتى تقاتلوا قوما نعالهم الشعر ولا تقوم الساعة حتى تقاتلوا قوما صغار الأعين ذلف الآنف.
6. Ullmann heeft de fragmenten genummerd t/m 638, maar er zitten doubletten bij.
7. Ullman, Neger, no. 390: كأنّ ظلام الليل أسود مُطرق من الزنج في لِبس الحِداد قد التفّا. Hier en in het vervolg vertaal ik ḥabashī met ‘Ethiopiër’, aswad met ‘zwarte’ en zandjī met ‘neger’. Ook het Arabische woord zandjī heeft vaak een negatieve klank.
8. Ibid., no. 97: إذا على ظهر الطريق مُغِذة سوداء قد عرفت أوان دهابي | لا بارك الرحمن فيها عقربا دبّابة دبّب الى دبّاب
9. Ibid., no. 293: كَرْم تَخَال على قُضبان حُبلته يومَ القِطاف له هامات حُبشان
10. Ibid., no. 554: تُفَرِّعُ أعلى نارها حبشية ركود كجوف الفيل طال دُؤوبها
11. Ibid., no. 71: كأُرْبية النوبي يُحسب ظَهره
12. Ibid., no. 71: ركبتها زنجية

Terug naar Inhoud