Een Arabische slavenhandelaar beschaamd

Of: Wie is de ware moslim?

Slavenhandelaar was altijd een minderwaardig beroep en op slavernij was altijd kritiek; dat was bij de Arabieren van duizend jaar geleden niet anders dan bij ons. Soms beseften slavenhandelaren zelf misschien ook even dat ze fout zaten. Het hieronder vertaalde Arabische fictieverhaal stamt van een anonieme verteller uit de tiende eeuw, die het in de mond legde van een slavenhandelaar die zwarten veracht, goed met kwaad vergeldt en op beschamende wijze met zijn onislamitische gedrag wordt geconfronteerd. Een minderwaardig geachte zwarte gedraagt zich daarentegen superieur, ook al voordat hij moslim is. Hij had de ‘westerse waarden’ van toen heel wat beter begrepen dan zijn beschaafdere kwelgeesten.
.
Het verhaal stamt uit het boek De Wonderen van Indië, uit de tweede helft van de tiende eeuw, waarin veel anekdotes en verhalen zijn samengebracht van zeelui. Eeuwen voor de VOC waren het immers de Arabieren en Perzen die op ‘Indië’ voeren— dat is India, China en al wat daartussen ligt.

De auteur van het boek zou een zekere al-Rāmhurmuzī zijn, maar inmiddels heeft men ontdekt dat deze auteur misschien niet eens heeft bestaan, en dat de meer waarschijnlijke auteur, of althans verzamelaar van dit soort verhalen, een zekere Abū ‘Imrān Mūsā ibn Rabāḥ al-Awsī al-Sīrāfī was, die ondanks zijn achternaam uit Egypte zou stammen.1

Hoewel het verhaal in geen velden of wegen ‘echt gebeurd’ is, bevat het toch wat reminiscenties aan bestaande zaken en toestanden: de hachelijkheid van de zeevaart, het racisme, de slavenhandel, de verbreiding van de islam in Oost-Afrika.

VERTALING
Ismā‘īlawayh heeft mij verteld, en verschillende zeelui evenzo, dat hij in het jaar 310 [= 923 AD] op zijn schip naar Oman vertrok met als eindbestemming Qanbala. Maar er stak een storm op die het schip naar Sufāla joeg, in het land van de Zandj. Toen ik de situatie bezag, aldus de kapitein, begreep ik dat wij in het land van de negers2 waren beland, die menseneters zijn. Toen wij bleven steken op die plek, wisten we zeker dat we de dood zouden vinden: wij deden de rituele wassing, wendden ons berouwvol tot God en verrichtten voor elkaar het doodsgebed. Hun prauwen omringden ons en leidden ons de haven in, waar wij de ankers uitwierpen en aan land gingen. Ze brachten ons bij hun koning. Dat was een goed gebouwde, jonge man met een knap gezicht, voor een neger dan, die ons vroeg hoe we het maakten en waar wij heen wilden.
– ‘Naar uw land,’ zeiden we.
– ‘Jullie liegen,’ zei hij; ‘jullie wilden naar Qanbala, niet naar ons, maar de wind heeft jullie naar ons land gedreven.’
– ‘Dat is waar,’ antwoordden wij, ‘wij zeiden dat alleen maar om bij U in het gevlei te komen.’ Daarop zei de koning:
– ‘Ontscheep jullie goederen en drijf handel; jullie hebben niets te vrezen.’
Wij losten onze spullen en dreven handel, prachtige handel, zonder belastingen of belemmeringen. We gaven hem wel wat geschenken, maar kregen gelijkwaardige geschenken terug en zelfs meer dan dat. We verbleven enkele maanden in zijn land, en toen het tijd werd om te vertrekken vroegen we hem toestemming en die kregen we. De koopwaar brachten we aan boord en we rondden onze zaken af.
Toen we op het punt stonden te vertrekken meldden we dat. De koning kwam met ons mee naar het strand, met nog een aantal mannen en dienaren, ze stapten in de prauwen en voeren met ons naar het schip. Hij en zeven van zijn voornaamste dienaren kwamen zelfs mee aan boord. Toen zij aan boord waren dacht ik bij mezelf: ‘Die koning brengt op de markt in Oman dertig dinar op, die zeven anderen honderdzestig, en hun kleding doet wel twintig dinar. Dat levert ons tenminste drieduizend dirham per maand op, zonder dat we enig risico lopen.’ Ik riep dus tegen de matrozen dat ze de zeilen moesten hijsen en de ankers moesten lichten, terwijl de koning nog doende was vaarwel te zeggen en ons te vragen nog eens bij hem terug te komen; dan zouden we weer zo goed worden ontvangen. Toen hij zag dat de zeilen gehesen waren en wij al voeren, veranderde zijn gelaatsuitdrukking en hij zei:
– ‘Dus jullie vertrekken nu; dan neem ik afscheid.’
Hij wilde aan boord gaan van een van de prauwen, maar wij hadden de touwen daarvan doorgesneden en zeiden tegen hem:
– ‘U blijft bij ons, we brengen U naar ons land en wij belonen U voor de goede behandeling en betalen U terug wat U ons hebt gedaan.’
– ‘Mannen,’ zei hij, ‘toen jullie bij mij strandden had ik het voor het zeggen. Mijn mensen wilden jullie opeten en jullie bezittingen afpakken zoals ze dat met anderen al eerder hadden gedaan. Maar ik was goed voor jullie en heb niets van jullie afgepakt. Ik ben met jullie mee aan boord gekomen om afscheid te nemen, als teken van mijn respect. Geef mij nu waar ik recht op heb en breng mij terug naar mijn land.’
Maar wij besteedden geen aandacht aan zijn woorden en negeerden hem volkomen. De wind werd sterker, na een uur was de kust niet meer te zien, en ’s nachts geraakten wij in volle zee. De volgende ochtend waren de koning en zijn mannen bij de andere slaven gevoegd, dat waren zo’n tweehonderd stuks, en wij behandelden hem net als de andere slaven. De koning zei niets en deed zijn mond niet meer open; het was alsof we elkaar helemaal niet kenden. Toen we in Oman aankwamen verkochten we hem en zijn mannen met de hele partij slaven.
.
Welnu, enkele jaren later zetten wij koers van Oman naar Qanbala, maar werden wederom door de wind naar Sofala in het land van de Zandj gedreven, en ongelogen: we kwamen op precies dezelfde plek terecht. Ze voeren uit en zagen ons, de prauwen omringden ons, zoals we het al kenden van de vorige keer. We wisten nu werkelijk dat we om zouden komen en niemand van ons praatte met zijn maat, zo bang waren we. Wij deden de rituele wassing, verrichtten het doodsgebed en namen afscheid van elkaar. De negers namen ons gevangen en brachten ons in het paleis van de koning. Maar wie schetst onze verbazing toen we daar precies dezelfde koning op de troon zagen zitten, alsof we hem zoëven hadden verlaten. Toen wij hem zagen vielen wij ter aarde, onze krachten begaven het en we waren niet meer bij machte op te staan.
– ‘Ha, jullie zijn het, mijn vrienden,’ zei hij, ‘geen twijfel mogelijk!’
Niemand van ons kon een woord uitbrengen, we beefden over ons hele lijf.
– ‘Hef jullie hoofd op, zei hij, ‘ik garandeer jullie bescherming voor lijf en goed.
Sommigen deden dat; anderen konden het niet eens, zo zwak en beschaamd waren ze. Hij sprak ons vriendelijk toe, totdat allen hun hoofd hadden opgeheven, maar we durfden hem niet aan te kijken uit vrees en uit schaamte. Toen we allemaal weer tot onszelf gekomen waren door zijn garantie, zei hij:
– ‘Verraders! Ik had jullie zo goed behandeld en zo hebben jullie mij terugbetaald!’
– ‘Genade, Majesteit, vergeef het ons!’
– ‘Ik vergeef jullie, en drijf nu maar handel zoals jullie dat de vorige keer gedaan hebben, daar is geen bezwaar tegen.’
Wij konden onze oren niet geloven van blijdschap. Ofschoon we dachten, dat het misschien een listige manier was om onze handelswaar aan land te krijgen, losten we en boden hem een kostbaar geschenk aan. Maar hij gaf het terug en zei:
– ‘Jullie zijn niet waard dat ik een geschenk van jullie aanneem. Ik wil mijn bezit niet verontreinigen met iets wat ik van jullie aanneem; al jullie goederen zijn onrein.’
Wij dreven dus handel, en toen het tijd was om weer te vertrekken vroegen wij hem toestemming om te gaan, en die gaf hij ons. Toen wij op het punt stonden te vertrekken meldde ik hem dat en hij wenste ons een goede vaart en Gods bescherming toe. Ik vroeg hem:
– ‘Majesteit, U hebt ons bovenmate goed behandeld, hoewel wij U hadden verraden en onrecht hadden aangedaan. Maar hoe hebt U zich kunnen bevrijden en terugkeren naar uw rijk?’ Hij vertelde:
.
– ‘Toen jullie mij in Oman verkocht hadden, nam degene die me kocht me mee naar een plaats genaamd Basra (en hij beschreef het). Daar heb ik leren bidden en vasten, en iets van de koran. Toen verkocht mijn meester mij aan iemand anders, die mij meenam naar de stad van de koning der Arabieren, die Baghdad heet (en hij beschreef het). In die stad leerde ik correct Arabisch spreken, ik bestudeerde de koran en bad met de andere mensen in de moskeeën en ik zag de kalief, die al-Muqtadir [reg. 908–932] heet. Ik bleef iets meer dan een jaar in Baghdad, tot daar een groep mensen uit Khorasān op kamelen aankwam. Het was een grote groep en ik vroeg waarom zij gekomen waren.
– ‘Ze gaan naar Mekka,’ kreeg ik ten antwoord.
– ‘Dat Mekka, wat is dat?’ vroeg ik.
– ‘Daar staat het gewijde Huis Gods, waarheen ze een bedevaart maken,’ en ze vertelden mij over dat Huis. Ik bedacht, dat ik met hen kon meereizen naar dat Huis, en ik sprak met mijn meester over wat ik gehoord had, maar ik merkte dat hij zelf niet wilde gaan en ook mij niet wilde laten gaan. Daarom deed ik alsof ik er niet meer aan dacht, tot het moment gekomen was dat die mensen vertrokken, toen voegde ik mij bij hen en werkte als hun dienaar, de hele weg lang. Ik at met hen mee en ze gaven me ook de twee kledingstukken die je moet dragen in gewijde staat; vervolgens onderwezen ze me over de plichten tijdens de bedevaart, en zo maakte God het gemakkelijk voor me om die te volbrengen.
Toen durfde ik niet meer terug naar Baghdad, uit vrees dat mijn meester mij te pakken zou krijgen en zou doden. Daarom zocht ik aansluiting bij een andere karavaan, die naar Cairo ging. Ik bood mijn diensten aan, ze namen me mee en deelden hun voedsel met mij. In Cairo aangekomen zag ik de prachtige rivier die men Nijl noemt, en ik vroeg waar die vandaan kwam. Ik kreeg te horen, dat hij zijn bron had in het land van de Zandj en het land binnenkwam bij een stadje genaamd Aswān, aan de grens met het land van de zwarten.
Ik volgde dus de oever van de Nijl, ging van de ene stad naar de andere bedelend om aalmoezen en die kreeg ik; dat werd mijn gewoonte. Toen stuitte ik op zwarten die me niet mochten en me in de boeien sloegen en mij als dienaar lasten lieten dragen die ik niet dragen kon. Ik sloeg op de vlucht en geraakte bij andere mensen die mij gevangen namen en verkochten. Ik vluchtte weer, en zo ging het verder tot ik Egypte uit was en in de stad zus-en zo terecht kwam, aan de rand van het land van de Zandj. Daar maakte ik me onherkenbaar en hield me gedekt. Al die tijd dat ik uit Egypte weg was en allerlei verschrikkingen ervoer was ik niet zo bang geweest als toen ik dicht bij mijn eigen land kwam. Ik dacht: In mijn land zit nu een opvolger van mij op de troon, aan wie het leger gehoorzaamt. Het koningschap aan hem ontworstelen zal zeer moeilijk zijn. Of ik mijzelf nu bekend maak of dat iemand me herkent, ik zal bij hem gebracht worden en hij zal me doden. Of een van zijn raadslieden zal zo brutaal zijn en zelf mijn hoofd afhakken om daarmee zijn gunst te zoeken.
Ten prooi aan hevige angst verborg ik mij overdag en bewoog me alleen ’s nachts in de richting van mijn land, tot ik bij de zee kwam, waar ik anoniem aan boord van een schip ging naar de plaats zus-en-zo, en daarna weer verder naar een volgende plaats. Op een avond werd ik aan land gezet op de kust van mijn land. Een oude vrouw vroeg ik om inlichtingen:
– ‘Is de koning die hier regeert rechtvaardig?’
– ‘Mijn zoon,’ zei ze, ‘wij hebben geen andere koning dan God.’ En zij vertelde mij het verhaal van de ontvoerde koning, terwijl ik verbazing veinsde, alsof ik niet wist dat het over mijzelf ging. Ze zei:
– ‘De mensen in dit koninkrijk zijn het erover eens dat zij niemand na hem koning zullen maken tot zij weten wat er met hem gebeurd is en niet langer geloven dat hij in leven is. Want zij hebben berichten van waarzeggers gehoord dat hij nog leeft, en gezond en wel in het land van de Arabieren is.’
De volgende ochtend ging ik mijn stad binnen en betrad mijn paleis, waar ik mijn familieleden terugvond zoals ik die had achtergelaten, behalve dat zij diep bedroefd waren. Ik vertelde mijn mensen het hele verhaal. Zij waren verbaasd en waren blij en gingen over tot de islam zoals ik dat had gedaan, en ik aanvaardde opnieuw mijn koningschap. Dat was een maand voordat jullie kwamen. En vandaag ben ik blij met wat God mij en mijn mensen heeft vergund: de islam, geloof, kennis, het gebed, de vasten en de bedevaart, en kennis van wat halāl is en harām. Ik heb gekregen wat niemand in het land van de Zandj ooit tevoren had gekregen, en ik vergeef jullie omdat jullie de oorzaak zijn van mijn overgang tot de ware godsdienst. Maar er is nog één punt waarop ik God vraag van schuld verlost te worden.’
– ‘Wat dan, Majesteit?’
– ‘Dat ik mijn meester in Baghdad zonder zijn instemming heb verlaten om op pelgrimstocht te gaan, en dat ik niet bij hem teruggekomen ben. Als ik een betrouwbaar man zou ontmoeten zou ik hem de geldswaarde voor mij meegeven en hem verlichting van mijn straf vragen. Ja, als er zo iemand onder jullie was zou ik hem het geld meegeven, en zelfs tienmaal de prijs, ter vergoeding van zijn geduld, maar jullie zijn verraders en schurken.’
Toen wij van hem afscheid namen zei hij nog:
– ‘Gaat heen, en als jullie terugkomen zal ik jullie net zo behandelen en zelfs nog beter. En laat de moslims weten dat ze bij ons terecht kunnen, want wij zijn hun broeders geworden, moslims zoals zij. Maar jullie uitgeleide doen naar het schip, daar zie ik nu maar van af.’
Toen namen wij afscheid en voeren weg.

NOTEN
1. Buzurg ibn Shahriyār al-Nākhudhā al-Rāmhurmuzī, Kitāb ‘Adjāʾib al-Hind, Livre des merveilles de l’Inde, texte arabe publié … par P. A. van der Lith, traduction française par L. Marcel Devic, Leiden 1883–86. De vertaling, de titel en de ondertitel zijn van mij. Over de auteur: Jean-Charles Ducène, ‘Une nouvelle source arabe sur l’océan Indien au Xe siècle,’ Afriques 06, 2015 (online hier).
2. Zo vertaal ik op sommige plaatsen het Arabische woord zandj, dat vaak net zo’n negatieve klank heeft als ons woord ‘neger’. Zandj verwijst naar de zwarte bevolking van Oost-Afrika, maar is niet altijd een eigennaam. Het woord sūdān vertaal ik met ‘zwarten’, dat eerder verwijst naar de inwoners van Sudan.

Terug naar Inhoud