De vermeende ziekte van Mohammed – 2: hysterie

Terug naar De vermeende ziekte van Mohammed – 1

Werd Mohammed eeuwenlang geacht aan epilepsie geleden te hebben, in de nieuwere tijd werd deze diagnose niet meer gehoord. Maar in de ogen van sommige Europeanen was de profeet toch wel degelijk ziek geweest. Ik wil hier drie personen behandelen die erin slaagden, bij de profeet postuum een ziekte te ontdekken die al zijn onaangename eigenschappen kon verklaren: Sprenger, Somers en Geus.
.
Aloys Sprenger (1813–1893)
Mohammed leed aan een ziekte die meestal bij vrouwen en zelden bij mannen voorkomt: hysteria muscularis. Met het gezag van een arts in een witte jas sprak Aloys Sprenger in 1861 deze diagnose uit. Hij heeft er een half hoofdstuk aan gewijd in zijn biografie van de profeet (Sprenger 207ff.).
De Tiroler Sprenger had inderdaad medicijnen gestudeerd en zijn studie afgerond met een promotie, maar als arts gepraktiseerd heeft hij nooit. Hij was voor alles een all-round oriëntalist en had er alleen medicijnen bij gedaan omdat hij bang was in de oriëntalistiek geen betrekking te zullen vinden. In Oostenrijk had hij al twee maal een pijnlijke teleurstelling moeten ondervinden1 en hij kreeg zelfs niet eens een Oostenrijkse pas. Maar in Engeland had hij meer geluk: daar leerde hij een edelman kennen die hem op zijn waarde schatte en verder hielp. In het uitdijende imperium kon men wel een oriëntalist gebruiken. Hij verwierf de Britse nationaliteit en bij de nauw met de regering verbonden Asiatic Society kreeg hij een hoge positie die hem naar Brits-Indië voerde. Daar bekommerde hij zich om hoger onderwijs voor Indiërs in het Hindi, en om bibliotheken, catalogi, uitgeverijen en tijdschriften in diverse Indische talen, alsmede Arabisch en Perzisch. Hij had toegang tot zeer vele oude Arabische handschriften, waarvan hij er ettelijke kocht en las; daarin was hij zijn Europese collega’s ver vooruit. Na veertien jaar India reisde hij nog rond door het Nabije Oosten, werd hoogleraar in Bern en vestigde zich tenslotte in Duitsland. Zijn kostbare boekenschat verkocht hij aan de koninklijke bibliotheek in Berlijn.
Voor Sprenger was de omgang met moslims iets vanzelfsprekends; hij had vrienden onder hen en werd door hen geaccepteerd en gerespecteerd. Dat nam niet weg dat hij Mohammed voor een geestelijk gestoorde bedrieger hield—maar dat waren andere profeten in zijn ogen net zo goed: ‘In alle gevallen die wij kennen waren de profeten óf geestelijk en lichamelijk zieke mensen, óf halfmythische personen.’2
.
Hoe zag die hysterie van de profeet eruit, volgens Sprenger? Zij trad als gewoonlijk op in paroxysmen (aanvallen). Als de aanval licht was manifesteerde zij zich in het op en neer gaan tussen expansie en contractie van de spieren, dat voor deze aandoening karakteristiek is. Zijn lippen en tong trilden, alsof hij iets wilde oplikken; de ogen draaiden enige tijd weg en het hoofd bewoog zich automatisch. Bij lichte aanvallen was de wil sterk genoeg is om deze stuiptrekkende bewegingen de baas te blijven, zoals wij ook bij kou het bibberen van onze ledematen door onze wil onder controle houden, maar bij heftigere aanvallen waren ze niet meer met de wil te beheersen. Tegelijk leed hij ook aan hoofdpijn (hysteria cephalica) en als de aanvallen zeer hevig waren trad er catalepsie op, een verstijving van de spieren: hij viel als dronken op de grond als, zijn gezicht werd rood, de adem zwaar en hij snurkte als een kameel. Hij schijnt echter niet het bewustzijn te hebben verloren, waardoor deze aanvallen zich onderscheiden van epilepsie.
Een bekende eigenschap van hysterie is, aldus de dokter, dat zij de verschijningsvorm van andere ziekten kan aannemen. Er is nauwelijks een aandoening waaraan de lijders niet een tijdlang onderworpen zijn: longontsteking, carditis, een verstikkende asthma, het kan van alles zijn. Omstanders zijn ontzet, maar het is maar een onbetekenende hysterie die ook snel weer verdwijnt. Bij Mohammed nam de hysterie vooral de vorm van koorts aan en het was aan de zweetdruppels in zijn gezicht te zien als de crisis was ingetreden.
.
Sprenger schildert dit alles wat uitvoeriger dan ik nu doe en hij doet dat zeer levendig, zodat het leest alsof hij de patiënt Mohammed van nabij en gedurende langere tijd heeft meegemaakt. Dat was echter in het geheel niet het geval; de profeet was immers al vele eeuwen dood. Bovendien bestaat naar huidige inzichten de diagnose hysterie helemaal niet; de verschijnselen die eronder begrepen waren worden tegenwoordig anders verklaard en eventueel bij andere ziektes ondergebracht.
.
Maar ik heb de geleerde onderbroken, hij was nog lang niet klaar. Jonge vrouwen, zo zegt hij, zijn gewoonlijk romantisch en religieus dweepziek; als zij de kritische leeftijd naderen worden zij niet zelden beheerst door nymfomanie. Welnu, dergelijke verschijnselen hebben ook de ziekte van Mohammed begeleid. In zijn jeugd schijnt hij een zedig leven te hebben geleid, ‘al is hij niet vrij van de verdenking, zich te hebben overgegeven aan de naar Genesis 38:9 genoemde zonde’ — de profeet als onanist, toe maar!  (Sprenger 209) Lange tijd had hij genoeg aan één vrouw, die bovendien vijftien jaar ouder was dan hij zelf. Na haar dood had hij een onverzadelijke Hang zur Wollust, een sterke sex drive zouden we tegenwoordig zeggen, en dat was een symptoom van zijn ziekte. Hij had na de dood van Khadidja meer dan een dozijn vrouwen en als hij een paar dagen van huis ging moesten er een of twee mee. Bovendien leed hij aan impotent satyriasme. Satyriasme of satyriasis is het mannelijke tegenstuk van nymfomanie en heet tegenwoordig hyperseksualiteit. Hoe die impotentie daarbij past was me eerst niet duidelijk. Maar wacht, impotent moest de profeet op latere leeftijd zijn omdat hij bij zoveel vrouwen slechts zo weinig kinderen had.
‘Voor ons doel,’ zo vervolgt Sprenger, ‘zijn vooral de psychische symptomen belangrijk.’ Wat was zijn doel? Blijkbaar wilde hij aantonen dat de profeet een geestelijk gestoorde leugenaar was en dat zijn verhalen over openbaringen verzonnen zijn. Want ‘hysterici hebben allen min of meer aanleg tot leugen en bedrog, en deze neiging wordt op den duur tenslotte tot een echte ziekte.’ Ook de hallucinaties, visioenen en wakende dromen vallen hieronder, en die moet Mohammed volgens Sprenger gehad hebben, omdat hij bij voortduring meende openbaringen te ontvangen. (Sprenger 210)
Zware zenuwziekten en koorts worden vrijwel altijd begeleid door deliria, d.w.z. hallucinaties. De oorzaken (sic!) van de ‘voor ons doel’ interessante visioenen zijn echter eenzaamheid, honger en dorst en religieuze dweepzucht. In de leegte van de woestijn lijkt het vaak alsof je stemmen hoort, of dat er iemand bij je is. Dat laatste kan ik uit persoonlijke ervaring bevestigen; maar waarom dan nog die hysterie? Blijkbaar bedoelt Sprenger dat Mohammed door die hysterische aanleg zijn woestijnbelevenissen tot een pakket van leugens over een engel en een openbaring heeft verdicht.
.
Eerlijk gezegd begrijp ik het betoog niet helemaal, maar ik heb dan ook geen medicijnen gestudeerd. Overduidelijk is echter, dat zo alle traditionele bezwaren tegen de profeet mooi samenkomen onder de overkoepelende diagnose ‘hysterie’: de aanvallen, de hallucinaties, de leugenachtigheid, de bezetenheid van seks en tegelijk de impotentie van de profeet. Epilepsie was het niet, dat zag Sprenger, maar voor het overige bleef hij hangen in de eeuwenoude groef. En dat hoewel hij toegang had tot meer oude Arabische bronnen dan al zijn tijdgenoten. Hij heeft bij voorbeeld álle berichten verzameld die hij kon vinden over de lichamelijke verschijnselen die bij de profeet optraden als hij een openbaring kreeg, en die beslaan tien bladzijden (Sprenger 265–75). Jammer alleen dat hij ze voor ooggetuigenverslagen hield—maar daarover moet men hem niet al te hard vallen. De literatuurwetenschap stond nog in de kinderschoenen, en in de negentiende eeuw meende men nu eenmaal dat zulke berichten weergaven ‘wie es wirklich gewesen’—behalve dan de gedeeltes over wonderen en bovennatuurlijke zaken, zoals over een bezoekende engel die openbaringen bracht, die natuurlijk niet waar kónden zijn.
.
Sprenger ontkracht zichzelf postuum door de overweldigende negentiende-eeuwsheid die zijn betoog ademt en die tot spontaan lachen noodt: zijn gewichtigdoenerij, de nep-diagnose ‘hysterie’, de schrik voor seksualiteit (waarover hij bij voorkeur in het Latijn schrijft), de totale blindheid voor geestelijke ervaringen die ook gezonde, doodnormale mensen kunnen hebben en last, but not least: het onbegrip waarmee hij oude teksten leest. Een deel van deze trekken heeft hij gemeen met zijn collega’s uit de late twintigste eeuw; die wil ik nu eerst introduceren alvorens te analyseren waar het met dit soort diagnoses in het algemeen fout gaat.

Wordt vervolgd

NOTEN
1. Zijn poging in de Orientalische Akademie opgenomen te worden mislukte, omdat hij niet van adel was en volgens de statuten alleen mannen van adel lid konden worden. (Von Wurzbach, 259)
2. ‘In allen Fällen, die wir kennen, waren die Propheten entweder geistig und körperlich kranke Leute, wie Mohammed, oder halbmythische Personen.’ (Sprenger 25)

BIBLIOGRAFIE
– Aloys Sprenger, Das Leben und die Lehre des Moammad, nach bisher grösstentheils unbenutzten Quellen, 4 dln., Berlin 1861, reprint Hildesheim 2003.
– Constantin von Wurzbach: Sprenger, Alois. In: Biographisches Lexikon des Kaiserthums Österreich, dl. 36, Wenen 1878, blz. 258–263 (online hier).
– S. Procházka: Sprenger Aloys. In: Österreichisches Biographisches Lexikon 1815–1950, dl. 13, Wien 2007–2010.

Terug naar Inhoud