Al-Tahtawi’s quarantaine in Marseille (1826)

De Egyptenaar Rifā‘a al-Ṭahṭāwī (1801–1873) kwam in 1826 naar Frankrijk als studenten-imam en begeleider van een groep studenten die daar gingen studeren. Hij zou er vier jaar blijven en schreef een boek over zijn indrukken in Frankrijk, Takhlīṣ al-ibrīz fi talkhīṣ Bārīz, dat in 1849 verscheen.
Marseille was in 1720 geplaagd door een pestepidemie die het aantal inwoners van de stad had gehalveerd. Geen wonder dat er sindsdien strenge quarantaine-maatregelen werden gehandhaafd. Wanneer er een schip naderde met een grieperige matroos aan boord of als er ook verder maar de geringste verdenking van de pest bestond, kwam het de haven niet in maar werd het naar een van de quarantaine-eilandjes voor de kust gedirigeerd, waar het niet prettig toeven was. Dat is Tahtawi bespaard gebleven; zijn quarantaine-verblijf moet tamelijk riant geweest zijn en hij lijkt er niet onder geleden te hebben. Misschien kreeg de groep reizigers uit Egypte om politieke redenen een VIP-behandeling? Voor Tahtawi was deze inrichting zijn allereerste kennismaking met Frankrijk: hij bewondert de gebouwen en het terrein eromheen en is verwonderd over alle nieuwe dingen die hij ziet en meemaakt.
Hij schrijft er o.a. het volgende over (de Arabische tekst staat onderaan):


““Op de rede van Marseille, een van de zeehavens in Frankrijk, gingen wij voor anker. Van het schip waarop we gekomen waren stapten we over in kleine boten en landden bij een gebouw buiten de stad dat als quarantaineinrichting dient, zoals dat bij hen gebruikelijk is. Want wie uit een vreemd land komt moet in quarantaine voordat hij de stad in mag.
[…]
De inrichting waarin wij ons voor de quarantaine bevonden is heel uitgestrekt: zij bestaat uit verscheidene gebouwen en tuinen en is zeer stevig gebouwd. Het was daar dat we voor het eerst zagen hoe stevig en perfect er in dat land gebouwd wordt, en hoe zulke gebouwen met een weelde aan bloementuinen, vijvers en dergelijke zijn omringd.
Dadelijk al op de eerste dag werden we met de meest verbazingwekkende dingen geconfronteerd. Ze brachten ons namelijk een aantal Franse bedienden, wier taal wij niet verstonden, en bijna honderd stoelen om op te zitten — want in dit land vinden ze het raar om op een tapijt op de grond te zitten, om maar te zwijgen van zitten op de kale grond. Vervolgens dekten deze bedienden de tafel voor het ontbijt. Ze droegen hoge tafels aan en legden daarop witte, Perzisch aandoende borden, het ene naast het andere. Bij ieder bord zetten ze een drinkglas neer, en naast het bord legden ze een mes, een vork en een lepel. Op iedere tafel stonden een of twee flessen water, een bakje met zout en en ander met peper. Daarop zetten ze rondom de tafel stoelen neer, per persoon een stoel, en brachten zij het eten. Op elke tafel kwamen een of twee grote schotels: een van de tafelgenoten moest daaruit opscheppen en het eten aan de anderen uitdelen, waarbij iedereen iets op zijn bord kreeg, die dat dan met het mes in stukjes sneed en met de vork – niet met de hand! — naar zijn mond bracht. Want men eet principieel niet met de hand, ook niet met andermans vork, of met zijn mes, zoals men ook nooit uit het glas van iemand anders drinkt. Ze beweren dat het zo het schoonst en gezondst is. Wat je ook kunt zien bij de Franken is dat zij nooit van koperen borden eten en al helemaal niet uit dergelijk vaatwerk, zelfs niet als het vertind is, want dat dient alleen om te koken. Ze gebruiken steeds geglazuurde borden.
[…]
Toen brachten ze ons beddengoed. Het is bij hen de gewoonte dat men op een verhoging slapen moet: een soort bed. Dat alles brachten ze ons.
Wij brachten achttien dagen door op die plek, zonder hem ooit te verlaten. Wel is het daar zeer ruim en er zijn prachtige plantsoenen en uitgestrekte pleinen om te wandelen en van de tuinen te genieten. Na afloop stapten we in fraai opgetuigde koetsen […] en werden naar een gebouw in de stad gereden….””
—————————
Bron: Rifā‘a al-Ṭahṭāwī, Takhlīs al-ibrīz fi talkhīs Bārīz, Cairo 1905, blz. 37, 38, 39, online beschikbaar.

قد رسينا على موردة مرسيليا التي هي إحدى فرض بلاد فرنسا، فنرلنا من سفينة السفر في زوارق صغيرة فوصلنا الى بيت خارج المدينة معد للكرنتينة على عادتهم من أن من أتى من البلاد الغريبة لا بد أن يكرتن قبل أن يدخل المدينة.
[…]
ثم إن هذا البيت الدي كنا فيه للكرنتينة متسع جدا به القصور والحدائق والبناء المحكم فبه عرفنا كيفية إحكام أبنية هده البلاد وإتقانها، وامتلاءها بالرياض والحياض الى آخره.
ولم نشعر في أول يوم إلا وقد حضر لنا أمور غريبة في غالبه وذلك أنهم أحضروا لنا عدة خدم فرنساوية لا معرف لغاتهم ونحو مائة كرسي للجلوس عليها لإن هذه البلاد يستغربون جلوس الإنسان على نحو سجادة مفروشة على الأرض فضلا عن الجلوس بالأرض.
ثم مدوا السفرة للفطور ثم جاؤا بالطبليات عالية ثم رصوا من الصحون البيضاء الشبيهة بالعجمية وجعلوا قدام كل صحن قدحا من القزاز وسكينة وشوكة وملعقة وبكل طبلية نحر قزازتين من الماء وأناء فيه ملح وآخر فيه فلفل ثم رصوا حوالي الطبلية كراسي لكل واحد كرسي ثم جاؤا بالطبيخ فوضعوا في كل طبلية صحنا كبيرا أو صحنين لتغرف أحد أهل الطبلية ويقسم على الجميع فيعطي لكل إنسان في صحنه شيئا يقطعه بالسكينة التي قدامه ثم يوصله الى فمه بالشوكة لا بيده فلا يأكل الإنسان بيده أصلا ولا بشوكة غيره أو بسكينته أو يشرب من قدحه أبدا ويزعمون أن هذه أنظف وأسلم عاقبة. ومما يشاهد عند الافرنج أنهم لا يأكلون أبذت في صخون النحاس، بل ولا في أوانيه أبذا ولو مبيضا فهي للطبخ فقط، بل دائما يستعملون الصحون المطلاة.
[…]
ثم أحضروا لنا آلات الفراش والعادة عندهم أنه لا بد أن ينام الإنسان على شيء مرتفع نحو سرير فأحضروا ذلك لنا. ومكثنا في هذا المحل ثمانية عشر يوما لا نخرج منه أبدا غير أنه متسع جدا وفيه حدائق عظيمة ومحال متسعة للتماشي فيها والنزهة في رياضها.

Terug naar Inhoud