Mohammeds voedster. Het ‘splijten van de buik’

(vertaalde teksten van Ibn Ishāq/Ibn Hishām)

Het verhaal van Ḥalīma, de voedster van de Profeet, is mij verteld door Djahm ibn abī Djahm, die het had van ‘Abdallāh ibn Dja‘far ibn abī Ṭālib, of iemand anders: hoe zij met haar man en haar zoontje, dat nog aan de borst was, haar woongebied verliet om zoogkinderen te gaan zoeken met de vrouwen van haar stam. Ze vertelde: Het was in een jaar van droogte en we hadden niets meer te eten. Ik reed op een vaalwitte ezelin en we hadden ook een oude kamelin bij ons, die geen druppel melk gaf. De hele nacht deden we geen oog dicht omdat ons kind huilde van de honger. Ik had geen zog om hem te stillen, en onze kamelin gaf ’s morgens ook geen slok, maar wij bleven op regen en op uitkomst hopen. Ik reed dus op die ezelin van mij en kon de andere ruiters niet bijhouden op dat zwakke magere beestje, wat heel lastig voor hen was. Ten slotte bereikten we Mekka, waar we naar zuigelingen begonnen uit te kijken. Alle vrouwen die de Profeet aangeboden kregen weigerden hem te nemen zodra ze hoorden dat het een weeskind was, en ik ook, want wij hoopten op betaling door de vader van het kind en we dachten: ‘Een wees! Wat zouden zijn moeder en zijn grootvader kunnen opbrengen?’ en daarom hadden we hem liever niet. Op het laatst hadden alle vrouwen met wie ik was een zoogkind, alleen ik nog niet, en toen we besloten op te breken zei ik tegen mijn man: ‘Hoor eens, ik heb geen zin om als enige van mijn vriendinnen terug te gaan zonder zoogkind; laat ik toch die wees maar gaan halen.’ Hij antwoordde: ‘Je moet het zelf weten, misschien zal God ons zegen schenken om hem.’ Dus ik nam hem enkel en alleen omdat ik geen ander kind kon vinden. Ik nam hem mee terug naar mijn ezelin, en zodra ik hem op mijn schoot zette liepen mijn tepels over van melk; hij dronk tot hij genoeg had en daarna zijn broertje ook nog. Toen vielen ze allebei in slaap, terwijl wij daarvoor niet hadden kunnen slapen door ons kind. En toen mijn man naar onze oude kamelin liep waren haar uiers ineens vol melk; hij molk haar en wij dronken van de melk tot we verzadigd waren, en we hadden een heerlijke nacht. De volgende morgen zei mijn man: ‘Weet je, Ḥalīma, je hebt een gezegend schepseltje meegenomen.’ Ik zei: ‘Bij God, dat wil ik hopen.’ Op de terugweg reed ik weer op mijn ezelin, met het kind er ook nog bij, en ze zette het zo op een draf dat de andere ezels haar niet bij konden houden, zodat mijn vriendinnen riepen: ‘Hé Ḥalīma, wacht eens op ons! Is dat niet de ezelin waarop je van huis was gegaan?’ Ik zei: ‘Jazeker, die is het,’ en toen zeiden ze: ‘Nou, die heeft wel iets bijzonders! ’

We kwamen terug bij onze tenten in het gebied van onze stam, en dat is de schraalste landstreek die ik ken, maar toen wij hem bij ons hadden gaf mijn kudde melk in overvloed. Wij molken en dronken maar, terwijl de anderen geen druppel in de uiers van hun dieren aantroffen, zodat de boeren van onze stam tegen hun herders zeiden: ‘Laat de kudde dan eens grazen op de plek waar de herder van de dochter van Abū Dhu’ayb heengaat!’ Toch kwamen hun kuddes hongerig terug en gaven geen druppel, terwijl de mijne melk gaf in overvloed. Twee jaar lang hadden wij overvloed en ondervonden wij Gods weldaden; daarna speende ik het kind. Hij was gegroeid als geen van de andere jongens, en toen hij twee jaar oud was was hij al een flinke kleuter. We brachten hem naar zijn moeder, hoewel we hem erg graag bij ons wilden houden, vanwege de zegen die hij ons bracht. Wij spraken met zijn moeder, en ik zei tegen haar: ‘Ik zou graag willen dat u mijn jongetje bij mij liet tot hij groot is, want ik ben bang dat hij in Mekka de ziekte zal krijgen.’ We drongen zo lang aan tot zij hem weer mee teruggaf. 

Een paar maanden later waren hij en zijn broertje bij de lammetjes achter onze tenten, toen ineens zijn broertje aangehold kwam en ons vertelde: ‘Mijn broertje uit Quraysh is door twee mannen in witte kleren vastgepakt en op de grond gelegd; toen hebben ze zijn buik opengespleten en nu zijn ze die aan het omwoelen.’ Wij snelden toe en vonden hem rechtopstaand en spierwit; we omhelsden hem en vroegen wat er gebeurd was. Hij zei: ‘Er kwamen twee mannen in witte kleren naar me toe; ze legden me op de grond, spleten mijn buik open en zochten iets daarin, ik weet niet wat.’ We brachten hem terug naar onze tent, en mijn man zei tegen me: ‘Ḥalīma, ik ben bang dat deze jongen een ziekte heeft; breng hem naar zijn familie voordat er iets van te merken zal zijn.’ We kwamen bij zijn moeder en die zei: ‘Waarom breng je hem nu hier, terwijl je hem eerst zo graag bij je wilde houden?’ ‘Ja,’ zei ik, ‘mijn jongetje is nu al groot; ik heb mijn werk gedaan en ik ben bang dat hem iets zal overkomen; daarom breng ik hem bij u, zoals u graag wilt.’ ‘Nee, zo is het niet,’ zei zijn moeder, ‘zeg eens eerlijk wat er aan de hand is,’ en ze drong zo lang aan tot ik het vertelde.
‘Ben je bang dat het de satan was?’
‘Ja.’
‘Welnee, de satan heeft op hem geen vat. Mijn zoontje wacht een grote toekomst. Zal ik je vertellen wat er met hem is? Toen ik zwanger was zag ik een licht van mij uitgaan, zo helder dat ik de burchten van Buṣrā in Syrië kon zien. Verder heb ik nog nooit een zwangerschap gezien die zo gemakkelijk was als deze. En bij de geboorte zette hij zijn handen op de grond en tilde hij zijn hoofd op naar de hemel. Laat hem nu maar hier en ga gerust naar huis!’

Thawr ibn Yazīd heeft vernomen van een geleerde, ik denk van Khālid ibn Ma‘dān al-Kalā‘ī: Een paar gezellen van de Profeet vroegen hem eens: ‘Profeet, vertel ons eens iets over u zelf!’ ‘Goed,’ zei hij, ‘ik ben het gebed van mijn vader Ibrāhīm  (Abraham) en de blijde boodschap van mijn broeder ‘Īsā (Jezus). Toen mijn moeder zwanger van mij was zag zij een licht van zich uitgaan, zo helder dat zij de burchten van Buṣrā in Syrië kon zien. Ik heb een voedster gehad bij de stam Sa‘d ibn Bakr, en toen ik eens met een broertje achter onze tenten lammetjes aan het weiden was kwamen er ineens twee mannen in witte kleren aan met een gouden schaal vol sneeuw. Ze pakten mij vast en spleten mijn buik open, haalden mijn hart eruit en spleten ook dat open, ze haalden daar een zwarte bloedklomp uit en gooiden die weg; toen wasten ze mijn hart en mijn buik met die sneeuw tot ze hem schoon hadden. Toen zei de een tegen de ander: “Weeg hem af tegen tien man van zijn volk!” Dat deed hij, en ik was zwaarder. Toen zei hij: “Weeg hem af tegen honderd van zijn volk!” Dat deed hij, en ik was zwaarder. Toen zei hij: “Weeg hem af tegen duizend van zijn volk!” Dat deed hij, en ik was zwaarder. Toen zei hij: “Genoeg, want ook als je hem zou afwegen tegen heel zijn volk zou hij zeker zwaarder zijn.”’

De Profeet heeft gezegd: ‘Er is geen profeet geweest of hij heeft een kudde geweid.’ Toen vroeg iemand: ‘U ook, Profeet?’ en hij antwoordde: ‘Ik ook.’

De Profeet heeft tegen zijn gezellen gezegd: ‘Ik ben het meest Arabisch van jullie allemaal: ik ben een Qurayshiet en ik heb een voedster gehad bij de stam Sa‘d ibn Bakr.’

Bron: Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 103–106; vertaling: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 27–31.

—————

Inleidende tekst:

Mekka, de geboortestad van de Profeet, had slecht drinkwater en werd dikwijls geteisterd door epidemieën. Dat Mohammed door een voedster buiten de stad is gezoogd klinkt dus aannemelijk, al zijn het voedstermotief en het pastorale element in deze vertelling wel erg literair.
De rol van de voedster Ḥalīma blijft beperkt tot het geven van een verslag—enigszins in bakerstijl—van de eerste wonderen die God aan en door middel van Mohammed heeft verricht, de zogeheten ‘tekenen van het profeetschap’.
Een bijzonder teken is het ‘splijten van de buik’. Een oud verhaal daarover is, niet geheel naadloos, aan de vertelling van Ḥalīma vastgehecht. Twee mannen (engelen?) splijten Mohammeds buik open en zoeken daarin iets, wellicht het profeetschap, of de aanleg daartoe. Van een Arabische dichter uit die tijd is bekend dat hij op een dergelijke wijze is onderzocht bij zijn ‘roeping’ tot dichter. In de tweede, jongere versie, die voorkomt in het verzamelbericht tesamen met andere tekenen van het profeetschap, is duidelijk sprake van een reiniging, van het heidendom of van de zonde. (Daar wordt eerst de buik en vervolgens het hart gespleten; een dergelijke verdubbeling van een vertelmotief is niet ongewoon.)
Volgens een andere overlevering, niet van Ibn Isḥāq, zou dit teken zijn geschied kort voor de eerste koranopenbaring; dan fungeert het als een soort roepingsvisioen. Dikwijls ook wordt het als inleiding geplaatst bij het verhaal over Mohammeds hemelreis. Ibn Isḥāq verkiest het echter te plaatsen in de vroege jeugd van de Profeet. Het theologische probleem, hoe het mogelijk was dat de Profeet, die God voor Zijn openbaring had uitverkoren, zijn eerste veertig levensjaren als een gewoon en zondig mens had geleefd, was daarmee opgelost. Reeds als onnozel kind was hij voor zijn profetische taak voorbereid.
Van de vroegere profeten die volgens de legende kudden hebben gehoed is Mūsā (Mozes) wel de bekendste. Maar ook op de bijbelse Jezus is het herdersmotief toegepast: ‘Ik ben de goede herder’ (Johannes 10).