Mohammed, een profeet geënt op profeten (1)

In de koran wordt Mohammed voorgesteld als een profeet in een lange rij vroegere profeten: Abraham, Noach, Mozes, Jezus en nog ettelijke andere— niet altijd dezelfde persoonlijkheden als die in het jodendom of het christendom profeet genoemd worden. Maar wanneer we dan over die oudere profeten lezen valt op, dat zij zich vaak net zo gedroegen en hetzelfde meemaakten als Mohammed. Ook zij werden door God met een boodschap tot een volk gezonden, bestreden het veelgodendom, dreigden hun volk met een strafgericht, werden bespot en tegengewerkt enzovoort. De trekken van Mohammed worden op die oudere profeten geprojecteerd: ze worden naar hem gemodelleerd, ze lijken op hem.

In de sira en de hadith daarentegen wordt Mohammed ingevuld met de trekken van die oudere profeten: hij lijkt op hen. Deze teksten zijn van iets later en dienden wellicht om de nieuwbakken gelovigen temidden van de overweldigende meerderheid van christenen en joden te sterken in hun geloof, eventueel ook als ze met dezen in gesprek raakten. Zie je wel: onze Mohammed hoort er ook bij, konden ze dan zeggen, hij is zelfs nog een betere profeet dan die van jullie. De joodse en christelijke teksten zullen toen ook beter bekend zijn geweest.
Enkele voorbeelden van Mohammed-positionering:

1. ANNUNCIATIE
Mohammeds geboorte wordt aangekondigd zoals die van Jezus, althans volgens een nogal obscuur, moeilijk te dateren tekstje (tussen 650-750 AD). Daarover had ik al eens geschreven, maar hier past het stukje beter, dus ik plaats het nog eens

  • De mensen vertellen—en alleen God weet wat ervan waar is—dat Āmina, de moeder van de Profeet, heeft verteld dat er tijdens haar zwangerschap [een stem?] tot haar kwam die zei: ‘Jij gaat zwanger van de heer van dit volk; als hij geboren is, zeg dan: “Laat de Ene hem behoeden voor het kwaad van elk die hem benijdt”, en noem hem Mohammed.’ Toen zij in verwachting van hem was zag zij een licht van zich uitgaan waardoor zij de burchten van Busrā in Syrië kon zien.1

Was het een engel die tot Āmina kwam? We weten het niet. In het Arabisch staan passieve werkwoordsvormen: ‘er werd tot haar gekomen … er werd tegen haar gezegd.’ Wie of wat dat deed blijft ongezegd. Het licht dat het mogelijk maakte burchten te zien op meer dan duizend kilometer van Mekka, herinnert aan het wonderbaarlijke, van eeuwigheid bestaande ‘licht van Mohammed’ (nūr Muhammadī). In Busrā begon, vanuit Arabië gezien, het Romeinse rijk. De aan Āmina toegeschreven uitspraak verwijst naar de toekomstige verovering van dat rijk. De bezweringsformule die zij moet uitspreken herinnert aan de soera’s 113 en 114 van de koran: de beide soera’s die beschermen tegen het kwaad (al-mu‘awwidhātān).

Vervolgens springt de overeenkomst met de bijbelse annunciatie in het oog. In het evangelie van Lukas krijgt de vader van Johannes de Doper bezoek van de engel Gabriël, die de boreling een grote toekomst verkondigt en zegt dat hij Johannes moet heten. Ook Jezus’ moeder krijgt kort voor haar zwangerschap bezoek van hem. Tegen haar zegt de engel onder meer:

  • Gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je. […] Wees niet bang Maria, God heeft je zijn gunst geschonken. Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen. Hij zal een groot man worden … .2

De aankondigingen aan Āmina en aan Maria hebben een aantal punten gemeen: 1. Bezoek van een stem(?)/engel. 2. Aankondiging van de geboorte van een groot man. 3. Opdracht tot naamgeving. Kortom, het Arabische verhaal maakt gebruik van het bijbelverhaal of van een verhaal dat daarnaast heeft gelegen. Het doet dat omdat het is ontstaan in een omgeving waar de nieuwe profeet Mohammed zich moest profileren ten opzichte van de allang gevestigde ‘profeten’ van jodendom en christendom. Het probeert een islamitische annunciatie in plaats te stellen van de christelijke.

2. VROEGRIJPHEID
Mohammed was vroegrijp. Dat wordt in de teksten niet erg uitgewerkt, het is maar een dun draadje, maar het legt wel een verband met de verhalen over de oudere profeten. Volgens zijn voedster

  • ‘… groeide hij als geen van de andere jongens en toen de twee jaar voorbij waren, was hij al een grote (djafr) jongen.’ 3

Of sterker nog:

  • ‘Hij groeide in een dag zoveel als een ander kind in een maand, en toen hij zes maanden oud was was hij djafr, d.w.z. kon hij vast voedsel eten.’ 4

Nog bij zijn voedster zou hij als zuigeling lammetjes hebben geweid achter haar tent:

  • ‘De profeet heeft gezegd: ‘Ik heb een voedster gehad bij de stam Saʿd ibn Bakr, en toen ik eens met een broertje achter onze tenten lammetjes aan het weiden was….’ 5

Bij die gelegenheid werd hij onderzocht, resp. gereinigd door twee engelen: het verhaal van de splijting van de buik.6 
Als jongen zat hij graag bij de Ka‘ba: een parallel met de jonge Jezus, die zich als jongen thuis voelde in de Tempel van Jeruzalem. In beide gevallen wilden anderen de jongens daar weghalen.7

Een korte zoekactie in Ginzberg, The Legends of the Jews, maakt al duidelijk dat vele joodse profeten op wonderbare wijze vroegrijp waren. Dat hoorde er gewoon bij. Enkele voorbeelden:

  • Toen Abraham als zuigeling door zijn voedster in een grot alleen achter werd gelaten begon hij te huilen. ‘God zond Gabriel om hem melk te drinken te geven. De engel liet deze uit de pink van de rechterhand van de zuigeling stromen en hij zoog daarop tot hij tien dagen oud was. Toen stond hij op en verliet de grot …’ — en begon prompt met de bestrijding van het veelgodendom.
  • ‘[Mozes’] verwanten en geheel Israël wisten dat het kind voor grote dingen was voorbestemd, want toen hij nauwelijks vier maanden oud was begon hij te profeteren: “In de toekomst zal ik de Thora ontvangen van de vlammende toorts.”’
  • ‘Tot zijn zeventiende jaar bezocht Jozef het leerhuis, en hij werd zo geleerd dat hij zijn broeders de Halakhot kon overbrengen die hij van zijn vader geleerd had, en zo was hij als hun leraar te beschouwen.’8

Enzovoort, enzovoort. Vroegrijpheid is ook een kenmerk van Jezus. Volgens het Evangelie van Lukas (2:41-52) werd Jezus op zijn twaalfde jaar aangetroffen in de tempel van Jeruzalem, waar hij naar de schriftgeleerden luisterde en hen vragen stelde, hen verbazend met zijn inzicht en zijn antwoorden.
Het apocriefe, eind tweede-eeuwse Kindheidsevangelie van ‘Thomas de Israëliet’ schildert de jonge Jezus als een vroegrijp kind, dat al meteen in staat was wonderen te doen. Reeds op vijfjarige leeftijd had hij met andere kinderen van leem twaalf mussen gemaakt. Toen een jood bij Jozef bezwaar had gemaakt omdat dit op de sabbat gebeurd was en deze hem daarop aansprak klapte Jezus in zijn handen en riep: ‘Weg met jullie!’ De vogels sloegen hun vleugels uit en vlogen weg. In koran 3:4–9 staat een verhaal dat hier sterk aan herinnert. Daar doet Jezus het wonder echter niet als klein kind.
Volgens het Kindheidsevangelie was Jezus als kind een uitgesproken ettertje. Hij wist nog niet hoe hij zijn gave menslievend aan kon wenden. Een jongetje dat hem bij een kinderspel in de weg zat liet hij verdorren als een boom; tegen een ander joch, dat hem per ongeluk aanstiet, zei hij: ‘Jij gaat hier niet verder!’ waarop de jongen omviel en stierf. Op zijn achtste was hij al volwassener, menselijker geworden. Toen hij eens hielp bij het oogsten bracht hij een ongelooflijke hoeveelheid tarwe binnen, die hij onder de armen verdeelde. Dit zijn slechts enkele voorbeelden.9

De vroegrijpheid komt ook voor in de hadithen over Ibn Ṣayyād, een dadjdjāl (een soort antichrist-figuur), die Mohammed nog ontmoet zou hebben. Hij wordt voorgesteld als iemand die graag deed alsof hij een profeet was, en in zijn rol van nep-profeet moest ook Ibn Ṣayyād vroegrijp zijn. Als pasgeboren zuigeling schreeuwde hij als een jongen van een maand of zelfs twee maanden oud. Hij trad reeds op als kāhin (zoiets als een sjamaan of waarzegger) toen hij nog een kind was en bij zijn moeder woonde. In een ander verhaal ‘speelde hij met de jongens, en was zelf ook een jongen’ toen Mohammed hem bezocht om zijn verontrustende eigenschappen in ogenschouw te nemen.10

Het joodse motief ‘vroegrijpe profeet’ was dus in de vroege islam bekend en gangbaar. Geen wonder: het eerste Arabische rijk was nog geheel doordrenkt met joods en christelijk gedachtengoed.
Wat zit erachter die vroegrijpheid? Mohammed zou veertig geweest zijn toen hij geroepen werd; Jezus dertig. De vraag is dan altijd: wat deden zij vóór hun roeping? Kinderachtigheden uithalen, zondigen misschien? De vertellers proberen vaak de profeten zo vroeg mogelijk hun hoge taak waardig te maken. Door een reiniging, een voorbereiding op hun roeping, door de roeping zelf, maar ook door hun als kind al volwassen trekken mee te geven. In het Kindheidsevangelie daarentegen wordt ruimte gelaten voor een ontwikkeling, voor een toegroeien naar de hoge roeping.

Naar deel 2: Mohammed als herder. Mohammed stribbelt tegen bij zijn roeping.

NOTEN
1. Ibn Ishāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg.. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 102; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 26: ويزعمون – فيما يتحدث الناس والله أعلم – أن آمنة بنت وهب أم رسول الله ص كانت تحدث أنها أتيت، حين حملت برسول الله ص فقيل لها: أنك قد حملت بسيد هذه الأمة، فإذا وقع إلي الأرض فقولي: أعيذه بالواحد من شر كل حاسد ثم سمّيه محمدًا. ورأت حين حملت به أنه خرج منها نور رأت به قصور بُصْرى من أرض الشأم.
2. Bijbel, Lukas 1:26–38.
3. Ibn Isḥāq, o.c. 105, vertaling 29: وكان يشب شبابا لا يشبه الغلمان فلم يبلغ سنتيه حتى كان غلاما جفرا. Normaal kreeg een zuigeling twee tot twee en een half jaar borstvoeding.
4. Ibn al-­Athīr, al­-Nihāya fī gharīb al­-ḥadīth wal­-athar, 5 dln., Beirut (Dār al­-Fikr) z.j., i, 277: كان يشب في اليوم شباب الصبي في الشهر فبلغ ستًّا وهو جفر. استجفر الصبي إذا قوي على الأكل
5. Ibn Isḥāq, o.c. 106, vertaling 30: … واسترضعت في بني سعد بن بكر، فبينا إنا مع أخ لي خلف بيوتنا نرعى بهما لنا
6. Ibn Isḥāq, o.c. 106, vertaling 29–31.
7. Ibn Isḥāq, o.c. 107–108, vertaling 32.: فكان رسول الله ص مع جده عبد المطلب بن هشام، وكان يوضع لعبد المطلب فراش في ظل الكعبة فكان بنوه يجلسون حول الفراشه ذلك حتى يخرج اليه لا يجلس عليه أحد من بنيه إجلالا له فيأخذه أعمامه ليؤخّروه عنه
8. L. Ginzberg, The Legends of the Jews, 6 dln., Philadelphia 1954–59. Ik heb het werk online geraadpleegd en kan daarom geen paginanummers geven.
9. Wilhelm Schneemelcher, Neutestamentliche Apokryphen in deutscher Übersetzung, I. Band, Evangelien, 5. Aufl., Tübingen 1987, i, 353–57. Engelse vertalingen hier.
10. Wim Raven, ‘Ibn Ṣayyād as an Islamic “Antichrist“. A reappraisal of the texts,’ in: Endzeiten. Eschatologie in den monotheistischen Weltreligionen, uitg. Wolfram Brandes en Felicitas Schmieder, Berlin/New York 2008, 266–67. U kunt het hier downloaden.

Terug naar Inhoud

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]