Christenwappies in de Oudheid

Het christendom is een absurd geloof. De kerkvader Tertullianus (± 150–220) schreef het al: ‘De zoon van God is gestorven; het is geloofwaardig omdat het onzin is,’ en: ‘Het is zeker, omdat het onmogelijk is.’1 Maar andere geloven zijn niet minder absurd, en zeker niet de nieuwe geloven die na het wegebben van het christendom rondspoken. Daar is niets op tegen; kennelijk zijn sterke verhalen voor vele mensen een eerste levensbehoefte. Wel is het wenselijk dat de onzin gescheiden wordt gehouden van de redelijkheid. Gelovigen van allerlei couleur zijn op vele gebieden zeer wel in staat tot redelijkheid, ja zelfs tot wetenschappelijk onderzoek. Het komt aan op een goede partitioning van de harde schijf in de hersenpan. De dubbele waarheid is een ideaal middel om te overleven.

Door mijn werk als arabist kreeg ik te maken met twee christelijke auteurs uit de Oudheid wier onredelijkheid zo allesoverheersend was dat het mij ergerde.

Physiologus

De Physiologus is de anonieme auteur van een boek over dieren uit de tweede eeuw, dat onder christenen eeuwenlang een beschamend grote verbreiding heeft gehad, in vele talen. Hij neemt een of twee meestal volstrekt fictieve of fantastische details uit de beschrijving van de ‘natuur’ (physis) van een dier en komt dan met een vergelijking met Christus, christenen of de kerk op de proppen, veelal gelardeerd met bijbelverzen. Zijn teksten sluit hij dikwijls af met de woorden: ‘Mooi heeft de Physiologus gesproken over …’ — en dat maakt me echt kwaad. Een dieptepunt is wel wat hij over het wezeltje zegt:

  • De Wet zegt: Eet geen wezeltje of een dergelijk dier.2 De Physiologus zegt over het wezeltje, dat het zo een natuur heeft: de bek van het wijfje ontvangt van het mannetje,3 en als het drachtig is geworden baart het door de oren; kwalijk baren zij aldus door de oren.
    Er zijn mensen die in de kerk knabbelen aan het geestelijke brood, maar als zij er weer uit komen werpen zij het Woord uit hun oren en lijken op het onreine wezeltje. En zij worden als een dove slang, die zijn oren verstopt.
    Eet dus geen wezeltje of een dergelijk dier.4

Aristoteles, de grote geleerde uit de Oudheid (384-322 v.Chr.), wist niet alles en schreef ook wel eens onzin,5 maar over het geheel genomen is zijn kennis van het dierenrijk voor die tijd indrukwekkend groot en zijn behandeling ervan is systematisch. Diens werk is echter aan de Physiologus geheel voorbij gegaan; dat zal een vrome ziel zonder veel opleiding zijn geweest. Een kwezeltje, een ezeltje. Eerder heb ik al eens laten zien wat hij te zeggen heeft over het hert en de mierenleeuw. Dat is al even zot.

Kosmas Indikopleustes

Een andere irriterende oude christen is de zesde-eeuwse flat earther Kosmas Indikopleustes, ‘de Indiëvaarder’. Een koopman uit Alexandrië die zeeën bevaren heeft: de Rode Zee, de Perzische Golf en mogelijk ook de Indische Oceaan. Zijn boek Christelijke Topografie bevat zeker interessante stof: rijke hoofdstukken over de flora en fauna van India, over de handelsgoederen, over Ceylon en over het christendom in India en zelfs op het godverlaten Jemenitische eiland Socotra, waar volgens hem Grieks gesproken werd en dat toentertijd een handelshaven was (Schneider 88). Het boek had illustraties met onderschriften; helaas zijn in het proces van overlevering veel afbeeldingen verloren gegaan of door het copiëren verbasterd geraakt en zijn de bladen helemaal door de war geraakt.
Waar lees je anders over al die dingen, in een bron uit de zesde eeuw? Maar helaas, het staat niet vast dat Kosmas ooit zelf in Indië geweest is en er zijn aanwijzingen dat hij dat mooie materiaal van anderen heeft gepikt.
In elk geval contrasteren die teksten nogal met de modderige hoofdstukken, die zeker van zijn eigen hand zijn. Die had ik opengeslagen om eens te zien wat hij over het oude Arabië en de Rode Zee te vertellen had. Maar zijn reisindrukken zijn zeer beperkt en maar matig interessant. Bij Clysma, dat is bij het huidige Suez, heeft hij de wielafdrukken van de strijdwagens van Farao gezien, die de Israëlieten vervolgden door de Rode Zee (Schneider 108). Hij is naar de berg Sinai geweest, waar hij op de halteplaatsen van het volk Israël Hebreeuwse rotsinscripties gezien heeft, die door ‘enige Joden’ voor hem werden vertaald (117). (Hij zal de daar aanwezige Nabatese inscripties hebben gezien, en handige toeristengidsen hebben hem op de mouw gespeld wat hij wilde horen.) In Axum en Adulis, in het toenmalige Ethiopië, is hij als handelaar geweest. Hij heeft daar uit de verte levende rhinocerossen gezien, en in het paleis van de koning een opgezet exemplaar, dat hij ook getekend heeft. Giraffen waren er ook; de koning daar probeerde girafjes van kleins af aan te temmen. Als zij een schaal melk kregen moesten zij hun voorpoten wijd uit elkaar zetten, anders konden ze er niet bij (242–3). Een eenhoorn heeft Kosmas niet gezien, maar wel vier bronzen stèles ervan (243). Nijlpaarden heeft hij ook niet gezien, maar hij handelde wel in nijlpaardentanden (244). Wierook komt diep uit Ethiopië, en wordt verhandeld in Barbaria (het tegenwoordige Berbera in Somaliland), evenals kaneel, geurstoffen en nog meer (60). Het belangrijkste wat hij over Ethiopië te melden heeft, is dat hij in opdracht van koning Ella Asbeha in de haven Adulis een inscriptie van een monument heeft gecopieerd, dat daar was neergezet door koning Ptolemaeus III Euergetes (246–221 v.Chr.) Dat deed Kosmas ‘aan het begin van de regering van Justinus,’ die regeerde van 518–527. Voor zich zelf en voor zijn lezers heeft Kosmas ook een afschrift gemaakt, en dat is natuurlijk waardevol (61–63). Er was nog een tweede, tweetalige, inscriptie op dit Monumentum Adulitanum. Die was echter niet van Ptolemaeus, zoals hij beweert, maar van een Ethiopische koning; de inscriptie is belangrijk voor de geschiedenis van Ethiopië (63–64). Verder zijn het telkens maar snippers die Kosmas over Oost-Afrika mee te delen heeft. Weliswaar zijn voor de oudheidkunde ook snippers van belang, maar de totale oogst is toch wat mager.

Mijn teleurstelling omdat hij niets over Arabië vertelt kan ik de auteur niet aanrekenen. Hij is domweg langs de Afrikaanse kust naar het Zuiden gevaren; wel zo handig waarschijnlijk. Wel vind ik het ergerlijk dat hij, in plaats van veel meer informatie te bieden, het grootste deel van zijn boek vult met ‘bewijzen’ dat de aarde plat is en de vorm van een rechthoek heeft, terwijl de hemel er als een soort tent boven gespannen is. De kosmos als geheel zou ontworpen zijn naar analogie met de tabernakel van het oude Israël, of was het juist omgekeerd? Zijn argumenten bestaan vooral in talloze bijbelverzen. Grrr! ik heb geen zin om al die onzin door te lezen; dat moeten theologen en kosmologen maar doen — ik wens ze veel sterkte. En dat terwijl in zijn tijd al duizend jaar bekend was dat de aarde een bol is! Alle kennis, alle bewijsvoeringen van de grote Griekse denkers uit de Oudheid worden door Kosmas genegeerd, bestreden of voor nietig verklaard. Hij was overigens wel een grote uitzondering: een echte mafkees, die in eigen kring veel kritiek over zich heen kreeg. Er werd onder christenen vrijwel nooit getwijfeld aan de bolvormigheid van de aarde.
Wat een contrast met het werk van die andere koopman uit Alexandrië, de anonieme auteur van Omvaring van de Rode Zee (Periplus Erythraei Maris), die in de eerste eeuw leefde en gewoon nog heiden was. Glasheldere hoofdstukken, barstensvol informatie over de zeeroutes naar Indië en Oost-Afrika, de havens aldaar en wat iedere haven te bieden had.

Kosmas’ rechthoekige wereld, uit een negende-eeuws handschrift in het Vaticaan. De blauwe cirkel rechts onder is de Perzische Golf, waarin Eufraat en Tigris uitmonden. De blauwe cirkel rechts boven is de Kaspische Zee. De Rode Zee, de Nijl, Klein Azië, de Balkan en de Straat van Gibraltar herkent u zelf wel. Dat Italië, Spanje en de Zwarte Zee hier zo slecht uit de verf komen is Kosmas misschien niet aan te rekenen; deze kopie dateert immers van drie eeuwen na hem.
—————————–

Onder de christenen in de Oudheid waren er natuurlijk ook veel die wél wat te melden hadden en goed konden schrijven. Augustinus (354–430) bij voorbeeld, en Basilius (± 330–379). Laatstgenoemde biedt in zijn Preken over de zes scheppingsdagen veel wetenswaardigs aan, ook over dieren, waarbij hij steunt op oudere wetenschap. Maar welbeschouwd is ook hij besmet met het virus van de anti-wetenschappelijkheid, en van hem heeft Kosmas misschien het volgende ‘anti-Griekse’ betoogje overgenomen:

  • De wijze mannen der Grieken hebben vele werken over de natuur geschreven, maar geen ervan bleef onveranderd en stevig verankerd, want het latere heeft het vorige altijd omvergeworpen. Dientengevolge behoeven wij hun woorden niet te weerleggen; zij voorzien wederzijds in hun weerlegging.6

Dat wetenschap iets anders is dan allemaal altijd hetzelfde zeggen; dat (trachten te) weerleggen er een wezenlijk onderdeel van is; dat er een ontwikkeling in kennis is waardoor vroegere inzichten achterhaald raken, dat kwam niet bij hem op. Zijn soort betoog komt ook bij andere christenen voor. Theodoretus, de bisschop van Cyrrhus (± 393–460) schreef een heel boek vol over de ‘ziekten der Grieken’, waarmee hij de verkeerde, want niet christelijke gedachtengangen van de oude Grieken bedoelde. Die anti-wetenschappelijke houding, daar heb ik het land aan, ook bij hedendaagse wappies. Ik houd van steeds toenemende kennis en van voortschrijdend inzicht.

Gelukkig waren er in het Oost-Romeinse Rijk ook niet-religieuze wetenschappers, evenals in het ‘islamicate’7 Irak en Iran. Bij hen genoot de antieke wetenschap wél groot aanzien: het was de vanzelfsprekende basis voor hun eigen werk, waarop eeuwen later in West-Europa zou worden voortgebouwd.

NOTEN
1. Tertullianus, De Carne Christi v: Mortuus dei filius; credibile est, quia ineptum est. En een hoofdstukje later: Certum est, quia impossibile. Maar misschien meende hij het niet zo.
2. Het bijbelvers Leviticus 11:29 luidt in de Nieuwe Bijbelvertaling: ‘Van de kruipende dieren gelden voor jullie als onrein: blindmuizen, ratten en muizen, de verschillende soorten padden, gekko’s …’ enzovoort. Er is dus geen sprake van een wezel, maar dát kon de Physiologus niet weten. Hij was immers afhankelijk van de Griekse bijbelvertaling der Septuaginta en daar staat voor blindmuis γαλῆ, een kleine soort wezel, een fretje misschien? Voor zijn soort dierkunde maakt het echter weinig uit welk dier is bedoeld.
3. De Physiologus heeft wel een klok horen luiden. Volgens Aristoteles, De Generatione Animalium 756b15, 30 beweerde Anaxagoras dat bij raven, ibissen en wezels de paring oraal plaatsvindt. Aristoteles vond dat onzin; hij vermoedde dat het misverstand was ontstaan doordat wezels wel eens hun jongen in de bek nemen. Mijn naam is haas.
4. Physiologus (Schönberger) nr. 21.
5. Bij voorbeeld Aristoteles, Historia animalium 611b20: ‘Als herten door een giftige spin (φαλάγγιον) of iets dergelijks gebeten worden, gaan ze kreeften (καρκίνους) verzamelen en opvreten.’ Wel moeten we altijd de mogelijkheid open laten dat de overlevering gebrekkig is. Het zinnetje is ook terecht gekomen in Ibn Qutayba, ‘Uyûn al-akhbâr ii, 99 والأيل إذا نهشته الحية أكل السرطان.
6. Basilius, Homilia i , 7–8, vert 5.. In de Syrische vertaling van Homilia ix, uitgave Thomson, p. 156, trans. Thomson 124–5, wordt dit nog uitgewerkt: ‘I am not ashamed to accept the words of the scriptures as they were spoken, as the Apostle said: “I am not ashamed of the gospel” (Rom 1,16). Nor furthermore, because others who are of the race of the Greeks said many things and wrote about the description of the world and set down concerning the form of the earth as it pleased them, are we now led after them. Some of them said about the earth that it is like a sphere, and some affirmed it is a cylinder; and others said it is like a dish; and some again said that it is equal from all sides towards the middle like the form of a lathe; and some said it resembles a concave bowl; and others again said it is sunken in the middle. All these suppositions of the wise men of the Greeks were each unstable, because their arguments confuted each other. For each of them composed his own version in opposition to his fellow.’ Dit fragment heb ik (nog) niet in het Griekse origineel gevonden; heb de goede editie niet.
7. Wiktionary: Islamicate = Associated with regions in which Muslims are culturally dominant, but not specifically with the religion of Islam. Meer over deze term hier (Engels).

BIBLIOGRAFIE
– Basilius, Homiliae in Hexaemeron, uitg. Migne, Patrologia Graeca xxix, Parijs 1859; er zijn nieuwere uitgaven, maar niet online. Saint Basil Exegetic Homilies, trans. Agnes Clare Way, Washington 1963. De Syrische vertaling: Basil of Caesarea, The Syriac version of the Hexaemeron, uitg. en vert. Robert W. Thomson, 2 dln. Leuven 1995 (CSCO 550–1).
– Kosmas Indikopleustes: Κοσμᾶς Ἰνδικοπλεύστης, Χριστιανικὴ Τοπογραφία. Griekse tekst: Cosmas Indicopleustès, Topographie chrétienne, uitg. W. Wolska-Conus, 3 dln. Paris, 1968, 1970, 1973 (Sources Chrétiennes 141,159,197); Vert. Horst Schneider, Kosmas Indikopleustes. Christliche Topographie – Textkritische Analysen Übersetzung Kommentar, Turnhout 2010. Een Engelse vertaling door Roger Pearse staat online.
Periplus Maris Erythraei, Περίπλους τῆς Ἐρυθράς Θαλάσσης, uitg. Lionel Casson, Princeton 1989. De oudere vertaling van W.H. Schoff (1912) hier.
– Physiologus, Φυσιολόγος, uitg. F. Sbordone, Rome 1936. Vertaling: Physiologus, Griechisch/Deutsch, vert. en uitg. Otto Schönberger, Ditzingen 2001, 2018 (Reclams Universal Bibliothek 18124).
– Theodoretus: Θεοδώρητος, Ελληνικών Θεραπευτική Παθημάτων: Theodoret, De Graecarum affectionum curatione – Heilung der griechischen Krankheiten, uitg. en vert. Clemens Scholten, Leiden 2015 (Vigiliae Christianae, Supplements, 126).

Terug naar Inhoud

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]