Djahiliya, of: islamitische oudheidkunde

(Deutsch hier

Hoe zag het leven in Arabië eruit vóór de komst van islam? Veel te lang hebben wetenschappers die vraag laten liggen, ook omdat Arabische overheden er niet in geïnteresseerd waren, maar in de laatste tijd neemt de kennis snel toe. Voordat ik daarover iets schrijf wil ik nog kort behandelen wat moslims er vanouds over te vertellen hadden. Een van de zaken die modern onderzoek in de weg stonden was namelijk hun traditionele opvatting over de Oudheid.

Djāhilīya is de religieus getinte, islamitische benaming voor de tijd voor de Islam. Het Arabische werkwoord djahila betekent: ‘niet weten.’ Djāhilīya is dan: ‘toestand van onwetendheid, periode van onwetendheid’.
‘Vóór de islam heersten barbarij en duisternis; met de profeet Mohammed verschenen het licht en het weten,’ zo is het islamitische perspectief samen te vatten. Dit wordt aanschouwelijk geformuleerd in de toespraak die Dja‘far ibn abī Ṭālib, de broer van ‘Alī, bij de Negus van Abessinië gehouden zou hebben. Meer dan een eeuw later wordt hij door de Ibn Isḥāq, de biograaf van de profeet, als volgt aangehaald:

  • Majesteit, wij waren een volk van onwetendheid: wij aanbaden afgodsbeelden, wij aten onrein vlees en bedreven ontucht, wij verbraken de bloedbanden, wij verwaarloosden de gastvriendschap en de sterksten van ons buitten de zwakkeren uit.

Djāhilīya als tijdsaanduiding komt al in de koran voor, bij voorbeeld in:

  • K. 3:154 … maar een andere groep dacht in hun zelfzucht op onterechte manier over God, zoals men in de tijd van onwetendheid dacht.
    K. 5:50 Is het de rechtspraktijk uit de tijd van onwetendheid die zij nastreven?
    K. 33:33 En blijft in jullie huizen en vertoont jullie niet opgesmukt als vroeger in de tijd van de onwetendheid. (vertalingen F. Leemhuis)

Ongelovige historici kunnen met de term djāhilīya niets beginnen. Zij hebben geen religieuze kijk op het verleden en spreken neutraal van pre-islamitisch Arabië. Waarbij een probleem is, wanneer de pre-islamitische tijd ophoudt en de islam precies begint. Er was natuurlijk een overgangstijd; laten we zeggen van 630–690. Ik had in dit Leeswerk al eens een stuk geschreven over pre-islamitisch Arabië, maar dat is intussen verouderd; een herziening houdt u nog tegoed.
Oude islamitische ‘oudheidkundigen’ hadden een sombere kijk op het verleden; het pre-islamitische Arabië krijgt domweg geen kans. In de achtste eeuw hebben zij zich een djāhilīya geknutseld die er zo heidens en achterlijk mogelijk uitziet (→Ibn Ishāq; al-Kalbī) en die heeft het nog tot in onze tijd uitgehouden.
De aldus geschapen ‘Oudheid’ staat echter op gespannen voet met wat moderne historici en archeologen ontdekken. Volgens →Hoyland, Arabia, was het Arabisch Schiereiland helemaal niet zo achterlijk, maar goed geïntegreerd in de grote culturen van die tijd. Ook opgravingen leggen daarvan toenemend getuigenis af: veel Grieks-Romeins en christelijk spul. De nomaden in dat oude Arabië waren niet analfabeet, maar schreven veel, zij het veelal niet in het klassiek Arabisch. De vondst van tienduizenden door nomaden geschreven inscripties zal ons hele inzicht in het oude Arabië, inclusief het ontstaan van de islam, grondig veranderen.
→Hawting, Idolatry ziet in de pre-islamitische tijd geen ‘afgodendienst’. Volgens hem was het polytheïsme sinds de vijfde eeuw uitgestorven en heeft de islam zijn ontstaan vooral te danken aan conflicten tussen monotheïsten. Het koranische woord mushrikūn betekent weliswaar ‘heidenen, polytheïsten’, maar dat komt volgens Hawting omdat de elkaar bestrijdende groepen elkaar met dat woord graag uitscholden.
Dat word bevestigd in →Crone, Pagans. Zij beperkte zich tot een hernieuwde lezing van alle relevante koranverzen en komt tot de conclusie dat de mushrikūn uit de koran wel aan de ene God geloofden, maar naast hem nog andere wezens vereerden, die nu eens godheden, dan weer engelen werden genoemd. Die hebben zij niet aanbeden, maar zij hoopten op hun voorspraak bij God. Echte afgoden, beelden e.d. zag Crone alleen in de verhalen over de profeten in de koran; dus in de voortijd waarover verteld wordt, niet in Mohammeds tijd.

BIBLIOGRAFIE
De islamitische geschiedschrijving over de pre-islamitisch tijd:
– Ibn Isḥāq (gest. 767), Sīra: The Life of Muhammad. A Translation of Isḥāq’s [sic!] Sīrat Rasūl Allāh, with introd. and notes by A. Guillaume, Oxford 1955, S. 3–70.
– Hishām ibn Muḥammad al­-Kalbī (737–819), Kitāb al-aṣnām, hg. Aḥmad Zakī, Kairo 1912, 19242; vert., inl. en commentaar Rosa Klinke Rosenberger, Das Götzenbuch. Kitâb al-aṣnâm des Ibn al-Kalbî, Leipzig/Zürich(?) 1941. [Het Kitāb al-aṣnām is ook in Engelse vertaling in het internet toegankelijk; de kwaliteit daarvan is mij onbekend.]

Secundair (al verouderen sommige titels nu snel):
– M. M. Bravmann, The Spiritual Background of Early Islam. Studies in Ancient Arab Concepts, Leiden 1972.
– Patricia Crone, ‘The Religion of the Qurʾānic Pagans: God and the lesser Deities,’ in Arabica 57 (2010), 151–200.
– Toufic Fahd, La divination arabe. Études religieuses, sociologiques et folkloriques sur le milieu natif de l’Islam, Leiden 1966.
– Toufic Fahd, ‘Siḥr,in EI2.
– Gerald R. Hawting, The Idea of Idolatry and the Emergence of Islam. From Polemic to History, Cambridge 1999.
– Robert G. Hoyland, Arabia and the Arabs from the Bronze Age to the Coming of Islam, London 2001.
– M. J. Kister, ‘Al-taḥannuth. An inquiry into the meaning of a term,’ in: BSOAS, 23 (1970), 223–236 (herdrukt in: M. J. Kister, Studies in Jāhiliyya and Early Islam, London 1980, nr. v), ook online. [case study]
– W. E. Shepard, ʻIgnorance,ʼ en ‘Age of Ignorance’ in Encyclopedia of the Qur’ān.

Terug naar Inhoud

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]