Alexander geen boekendief

AlexIlias

🇩🇪 In het Palazzo Te in Mantua zag ik op een plafondschildering een afbeelding van Alexander de Grote met een paar boekbanden in een kistje. Dat is een illustratie bij wat Plutarchus vertelt in zijn biografie van Alexander:

  • ‘Toen hem een kistje werd gebracht, waarvan degenen die de schatten en goederen van Darius hadden opgenomen zeiden dat dit het allerkostbaarste was, vroeg hij zijn vrienden welk waardevol ding volgens hen het best daarin bewaard kon worden. Toen veel mensen verschillende dingen opperden, zei hij zelf dat hij de Ilias erin zou doen om hem goed te bewaken.’ 1

Alexander heeft de Perzische koning Darius III (reg. 336–330 v.Chr.) in etappes verslagen, waarbij hij telkens rijke buit behaalde. De Ilias was een belangrijk boek voor hem; hij stelde zich graag voor dat hij een nieuwe Achilles was.
.
Zou dit misschien van invloed zijn geweest op de vroeg-Abbasidische, in wezen Perzische aanname dat Alexander alle boeken van de Perzen had gestolen, zodat ze later weer uit het Grieks in het Arabisch terugvertaald moesten worden? Daarover had ik hier al wat geschreven.
Waarom was dat kistje zo kostbaar? Misschien was het van massief goud of bezaaid met juwelen. Maar het kan ook zijn dat de inhoud kostbaar was. Van Darius III is bekend dat hij de oude Perzische Zand Avesta-teksten had laten uitgeven, vertalen en commentariëren. Ze vormden het middelpunt van zijn rijksideologie en werden bewaard in zijn schathuis, dat Alexander heeft geplunderd. Het kistje heeft hij ingepikt, maar die Perzische boeken zullen allicht het laatste zijn geweest dat hem interesseerde. Goed denkbaar dat hij de boeken toen heeft weggedaan en heeft vervangen door wat voor hem een schat was: Homerus’ Ilias, een zeer Grieks boek, dat veel voor hem betekende. En als het niet letterlijk zo gebeurd is, is het toch een mooie symboliek.
Het onderwerp kan nog wat nadere studie gebruiken.

NOOT:
1. κιβωτίου δέ τινος αὐτῷ προσενεχθέντος, οὗ πολυτελέστερον οὐδὲν ἐφάνη τοῖς τὰ Δαρείου χρήματα καὶ τὰς ἀποσκευὰς παραλαμβάνουσιν, ἠρώτα τοὺς φίλους ὅ τι δοκοίη μάλιστα τῶν ἀξίων σπουδῆς εἰς αὐτὸ καταθέσθαι: πολλὰ δὲ πολλῶν λεγόντων αὐτὸς ἔφη τὴν Ἰλιάδα φρουρήσειν ἐνταῦθα καταθέμενος. (Plut. Alex. 26, 1–2)

Terug naar Inhoud

Hoe de Oudheid overleefde bij de moslims

🇩🇪 Een bekende studie van Franz Rosenthal heet Das Fortleben der Antike im Islam. De traditionele, door wetenschappers allang niet meer verbreide opvatting in West-Europa was, dat de Oudheid vanaf de ondergang van het West-Romeinse Rijk in 476 niet langer voortleefde, maar abrupt ophield. Daarna begonnen de Middeleeuwen, de duistere Middeleeuwen, die heel lang nodig hadden om wat lichter te worden, de Oudheid te herontdekken en over te gaan in de Renaissance.
Hoe dit ook zij: het oostelijk deel van het Romeinse Rijk kende geen Middeleeuwen. Daar en in Perzië overleefde de wetenschap van de Oudheid, al dreigde zij een tijdlang in vergetelheid te geraken. Het was de verdienste van de vroege Abbasidische kaliefen, maar ook van de hele toenmalige maatschappij, dat de Oudheid voor de toekomst werd behouden. Dit wordt in Europa nog vaak over het hoofd gezien.
.
In de eerste twee eeuwen van het Abbasidische kalifaat (750–1258) liep er in Irak een enorm vertaalproject: uit het Grieks en Middelperzisch (Pahlavi) eerst in het Syrisch, daarna in het Arabisch. Alle Griekse teksten, behalve de poëzie en de geschiedschrijving, werden vertaald: d.w.z. alles wat er bekend was over aritmetika, geometrie, astronomie, muziektheorie,
en de meeste werken van Aristoteles en de commentaren daarop.
Dat was niet het werk van een kalief of een maecenas met een bizarre hobby, maar een breed gedragen lange-termijnproject, dat men voor noodzakelijk hield en dat wat mocht kosten.

De grootste bevorderaars van vertaalactiviteiten, de Banū Mūsā ibn Shākir, betaalden in 815 ongeveer 500 dinar per maand aan drie topvertalers, d.i. 2125 gram goud. Volgens de koers van 21 mei 2018 is dat bijna 75.000 Euro, maar zo mag je natuurlijk niet rekenen. In ieder geval was het heel veel.

Waarom juist in deze periode? De cultuur in het reusachtige rijk van Alexander de Grote en de rijken van zijn opvolgers was hellenistisch geweest. Deze hellenistische cultuur was volgens Dimitri Gutas geleidelijk door twee factoren verzwakt:
–––1. Door de lange oorlogen tussen Romeinen en Perzen (de laatste duurde van 602–628) stonden de centra van cultuur en geleerdheid niet langer met elkaar in contact.
–––2. Voor de christenen was profane voorchristelijke wetenschap ongewenst en was het Hellenisme eerder een vijand. Liever verdeed men zijn tijd—zeer veel tijd—met gehakketak over dogmatische problemen: of Maria God gebaard had, of God de Vader en zijn zoon Jezus Christus één natuur hadden of twee, of zij één wil hadden of twee, en of ikonen geoorloofd zijn. In het oostelijk deel van het Romeinse Rijk was ‘Griek’ een scheldwoord geworden en werd ‘heidense’ wetenschap als minderwaardig beschouwd.1 Wel was het heidendom omstreeks 500 definitief ten grave gedragen en werd de Oudheid in het Oost-Romeinse Rijk ofwel genegeerd of zij leefde voort in ongeïnspireerde samenvattingen (florilegia).
.
In het Arabische rijk van de Umayyaden, dat tot 750 bestond en zijn zwaartepunt had in Syrië, waren de Griekse taal en de Grieks-orthodoxe kerk nog zeer aanwezig. Kalief ‘Abd al-Malik voerde weliswaar omstreeks 700 het Arabisch in als officiële taal, maar nog decennia spraken en schreven veel inwoners van het rijk Grieks. Een belangrijke kerkvader als Johannes Damascenus schreef zijn werken omstreeks 750 in het Grieks, en dat deed hij midden in de Umayyadische hoofdstad Damascus. Het nog behoorlijk Romeinse karakter van het rijk der Umayyyaden schiep geen gunstige omgeving voor hellenistische wetenschap.
.
Toen de Abbasidische kaliefen echter het zwaartepunt van het rijk naar Irak verplaatsten en Baghdad stichtten, raakte de Griekse kerk met haar anti­hellenistische houding uit het zicht. Niets stond een hernieuwde bloei van de wetenschap van de Oudheid meer in de weg; integendeel: kaliefen, vizieren, alle overheidsorganen en vele privé-personen bevorderden ze als nooit tevoren. In het nieuwe grote rijk konden de centra van wetenschap weer onderlinge contacten onderhouden en elkaar beïnvloeden. Er werden vele talen gesproken; het nieuw gevormde rijk was multicultureel.

„Hence the transfer of the caliphate from Damascus to central ‘Irāq — i.e., from a Greek-speaking to a non-Greek-speaking area — had the paradoxical consequence of allowing the preservation of the classical Greek heritage which the Byzantines had all but extirpated.“2

Kalief al-Mansūr (754–75)
Volgens al-Mas‘ūdī, een historicus uit de negende eeuw, was al-Mansūr

‘de eerste kalief, die astrologen in ere hield en handelde op grond van astrologische principes. Hij had Nawbakht de Zoroastriër aan zijn hof, die door zijn toedoen moslim werd, de voorvader van de familie Nawbakht; verder had hij bij zich Ibrāhīm al-Fazārī, de schrijver van een dichtwerk over de sterren en van andere astrologische und astronomische Werken, evenals de astroloog ‘Alī ibn ‘Īsā, de astrolabist.
Hij was de eerste kalief, die boeken uit vreemde talen in het Arabisch liet vertalen; daaronder Kalīla wa-Dimna en Sindhind. Ook werden voor hem de boeken van Aristoteles over logica en andere onderwerpen vertaald, de Almagest van Ptolemaeus, het boek van Euclides [over Geometrie], de Arithmetica [van Nicomachus van Gerasa], en andere oude boeken uit het klassieke Grieks, het Romeinse Grieks, Pahlavi, Nieuwperzisch en Syrisch. Deze raakten verbreid onder de mensen, die ze onderzochten en graag bestudeerden.’3

Al-Mansūr had het gevoel dat hij het nieuwe regime van de Abbasiden moest legitimeren. Bij de moslims van Arabische afkomst was dat niet zo moeilijk: de dynastie zou immers verwant zijn met de profeet Mohammed. Maar voor de Perzen en Arameërs—en die waren in de nieuwe omgeving sterk in de meerderheid— was die legitimiteit niet zo vanzelfsprekend: er vonden al dadelijk enige opstanden plaats. Al-Mansūr wilde hun laten zien dat de Abbasiden de legitieme opvolgers van de Perzische Sassaniden waren. Die hadden veel waarde gehecht aan astrologie; al hun handelen was daarvan doortrokken. Dat wilde al-Mansūr hen nadoen: zijn astrologen moesten bewijzen dat zijn regering ‘in de sterren stond geschreven’ en dus onherroepelijk de beste was. Daarom moesten er astrologische teksten komen, en wel Perzische en Griekse, want Arabische astrologie bestond niet, geen islamitische en geen pre-islamitische.
.
Astrologie is niet erg islamitisch, zegt misschien iemand. Maar wie bepaalt wat islamitisch is? Dat deed toen niemand minder dan de kalief zelf, de plaatsvervanger Gods (khalīfat allāh) op aarde. De ‘Mensen van de hadith en de soenna,’ voor wie de koran en de soenna van de profeet Mohammed het belangrijkst waren, speelden aanvankelijk nog geen rol.
.
Alexander, de boekendief
Maar waarom dan Oudgriekse teksten? Het is raar maar waar:4 volgens de opvatting der Sassaniden had Zoroaster van de goede god Ohrmazd (Ahuramazda) de Avesta ontvangen, die alle kennis en wijsheid van de hele wereld bevatte. De boosaardige Alexander [de Grote] had Perzië echter verwoest en de kennis over de hele wereld verstrooid. Hij had de teksten in het Grieks laten vertalen en de originelen vernietigd. Daarom kwam het er nu op aan, de kennis weer terug te vertalen. Dat had de Sassanidische koning Ardashīr ook gedaan en al-Mansūr wilde het voortzetten. Hij pakte het energiek aan, en zijn opvolgers deden hetzelfde.
Een volledig fact free verhaal had dus vérstrekkende, in dit geval positieve gevolgen. De vertaalbeweging was religieus verankerd in het Zoroastrisme.
(Zie hierover nu mijn Alexander geen boekendief.)
.
Kalif al-Mahdī (775–85)
Onder kalief al-Mahdī werd er rustig verder vertaald, zij het met een wat andere nadruk. Nu kwamen de Topica van de oude Griekse wijsgeer Aristoteles (384–322 v.Chr.) aan de beurt, het vijfde deel van het Organon. Dat is een moeilijk boek; het gaat over djadal, de kunst van het argumenteren op basis van gemeenschappelijke aannames (bijv. definities) over het voor en tegen van bepaalde stellingen. De methode werd aan de hand van 300 onderwerpen verduidelijkt. De kalief bestelde in 782 persoonlijk een vertaling bij de Nestoriaanse patriarch Timotheüs I. Later zou het boek overigens nog twee maal worden vertaald.
Wat bracht een drukbezet staatshoofd ertoe, voor zich zelf een vertaling van een zo moeilijk boek te bestellen? Het antwoord ligt in de godsdienstgesprekken, die in deze tijd gangbaar waren. Nu het rijk eenmaal islamitisch was moesten de onderdanen ook moslims zijn. De bezwaren van de Umayyaden tegen bekeerlingen (‘het zijn geen Arabieren,’ ‘ze brengen geen hoofdelijke belasting op’) waren verdwenen. Het Abbasidische rijk moest een staat van moslimse burgers met gelijke rechten en privileges worden. Ook niet-Arabische moslims konden nu banen krijgen; soms klaagden de Arabieren daar zelfs over.
De Islam moest in het rijk dus noodzakelijk een missionerende godsdienst worden. Het moest aantrekkelijk en overtuigend zijn om zich ertoe te bekeren—en dat niet alleen vanwege de dan wegvallende hoofdelijke belasting: het ging om de ware godsdienst. Voor de disputen met andersdenkenden waren de Topica nuttig. Godsdienstgesprekken vonden overal plaats; er bestaat een ongelooflijke hoeveelheid geschriften daarover, ook van christelijke zijde. De christenen hadden lange ervaring in disputeren en polemiseren en de moslims moesten erg hun best doen om op hetzelfde niveau te komen .

Joden en christenen hadden een beschermde positie, maar Manicheeërs en andere ongelovigen (Bardesanieten, Marcionieten) werden met harde hand vervolgd. Nog een citaat uit al-Mas‘ūdi:

[‘Al-Mahdī] spande zich zeer in om ketters en afvalligen ter dood te brengen. Die traden namelijk op in zijn tijd en verkondigden gedurende zijn kalifaat openlijk hun  geloofsovertuigingen, toen de boeken van Mani, Bardesanes und Marcion (o. a. overgeleverd door Ibn al-Muqaffa‘) en anderen wijd verbreid raakten, die uit het Perzisch en Pahlavi in het Arabisch vertaald werden; en verder de geschriften die het Manicheïsme, Bardesanisme en Marcionisme ondersteunden, die toentertijd geschreven werden door Ibn Abī al-‘Audjā’, Hammād ‘Adjrad, Yahyā ibn Ziyād en Mutī‘ ibn Iyās. Daardoor nam het aantal Manicheeërs toe en werden hun leermeningen openlijk bekend.
Al-Mahdī was de eerste [kalief], die dialectisch argumenterende theologen (djadaliyūn) opdracht gaf, boeken tegen de genoemde ketters en ander ongelovigen te schrijven. De theologen leverden bewijzen tegen de halsstarrigen, rekenden af met de schijnargumenten van de ketters en legden de twijfelaars in duidelijke bewoordingen de waarheid uit.’5

Al-Mahdī was een goede leerling, die met patriarch Timotheüs zelf de technieken van het argumenteren oefende. Deze technieken zouden ook in de wetenschap, filosofie, theologie (kalām) en in het recht heel nuttig blijken.
.
Kalief al-Ma’mūn (813–833)
kreeg te stellen met de ‘Mensen van de hadith en de soenna,’ de latere ’ulamā’, die zijn souvereiniteit aanvochten. Hij probeerde ze klein te houden en steunde daarbij op de Mu‘tazilieten, die zich intensief met de ‘Griekse’ wetenschap bezig hielden. Dat leidde tot nog veel meer vertaalwerk.

De beroemde Mu‘tazilitische schrijver al-Djāhiz (± 777–869) raakte in een soort dialectiek-roes. Hij had er plezier in, de voors en tegens van bepaalde zaken provocerend tegenover elkaar te stellen. Daarbij was het onbelangrijk, welke opvattingen uiteindelijk juist waren. Zo heeft hij een tractaat geschreven over de superioriteit van zwarten boven blanken,6 en een ander, waarin hij de voor- en nadelen van jonge slaven en slavinnen als sekspartners tegen elkaar afweegt.7

De beroemdste vertaler wil ik nog kort vermelden: Hunayn ibn Ishāq, 808–873. Hij was een Nestoriaanse christen uit Irak, hij studeerde natuurkunde en medicijnen en trok naar Alexandrië om Grieks te leren; daarna naar Basra om beter Arabisch te leren. Hij vertaalde Aristoteles, Galenus en vele anderen en vervaardigde een Grieks-Syrisch woordenboek.

Twee, drie eeuwen later kwam het gedachtengoed uit de Oudheid in Arabische, soms ook Hebreeuwse vertalingen naar Europa, via Sicilië en vooral via Spanje. Natuurlijk was het intussen verrijkt met wat er in het Midden-Oosten aan toe was gevoegd: de wetenschap had niet stil gestaan. Zonder de vroeg-Abbasidische tussenfase was hun klassieke Oudheid de Europeanen onbekend gebleven en was er nooit een Renaissance geweest.

NOTEN

1. D. Gutas, Greek Thought, 20.
2. Theodoretus von Cyrrhus (393–458) schreef bij voorbeeld Græcarum affectionum curatio, [Ελληνικών θεραπευτική παθημάτων], „Genezing der Griekse ziekten“. Hij bedoelt het voorchristelijke heidendom.
3. Al-Mas‘ūdī, Prairies, v, 3446:

وكان أول خليفة قرّب المنجمين وعمل بأحكام النجوم، وكان معه نوبخت المجوسي المنجم، وأسلم على يديه وهو أبو هؤلاء النوبختية، وإبراهيم الفزاري المنجم صاحب القصيدة في النجوم وغير ذلك من علم النجوم وهيآت الفلك، وعلي بن عيسى الأُسطُرلابي المنجم. وكان أول خليفة ترجمت له الكتب من اللغة العجمية إلى العربية، منها كتاب كليلة ودمنة وكتاب السند هند، ترجمت له كتب أرسطاطاليس من المنطقيات وغيرها، ترجم له كتب المجِسطي لبَطْلميوس وكتاب إقليدس وكتاب الأرِثماطقي وسائر الكتب القديمة من اليونانية والرومية والفهلوية والفارسية والسريانية، وأخرجت الى الناس، فنظروا فيها وتعلّقوا الى علمها.

4. D. Gutas, Greek Thought, 34–45 heeft de betreffende teksten verzameld en vertaald, deels uit het Perzisch.
5. Al-Mas‘ūdī, Prairies, v, 3447:

وأمعن [المهدي] في قتل الملحدين والذاهبين عن الدين لظهورهم في أيامه وإعلانهم باعتقاداتهم في خلافته، لمّا انتشر من كتب ماني وابن دَيْصان ومَرْقيون مما نقله عبد الله بن المقفَّع وغيره وترجمت من الفارسية والفَهْلوية الى العربية، وما صنّفه في ذلك الوقت ابن أبي العوجاء وحمّاد عَجْرَد ويحيى بن زياد ومطيع بن إياس تأييدًا لمذاهب المانية والديْصانية والمَرْقيونية. فكثر بذلك الزنادقة وظهرت آراءهم في الناس، وكان المهدي أول من أمر الجدليين من أهل البحث من المتكلمين بتصنيف الكتب على الملحدين ممن ذكرنا من الجاحدين وغيرهم، فأقاموا البراهين على المعاندين وأزالوا شُبَه الملحدين، فأوضحوا الحق للشاكّين.

6. „Kitāb fakhr as-sūdān ‘alā al-bīḍān,“ in Rasā’il al-Djāḥiẓ, uitg. ‘Abd al-Salām Muḥammad Hārūn, 2 dln. Cairo z.j. [1964], i, 173–226. Fragmenten in: Charles Pellat, Arabische Geisteswelt, ausgewählte und übersetzte Texte von al-Ǧāḥiẓ (777–869), vert. Walter Müller, Zürich/Stuttgart 1967, hst. 31: „Über den Ruhm der Schwarzen vor den Weißen,“ 315–318. „What Blacks may boast of to Whites,“ vert. T. Khalidi in Islamic Quarterly 25 (1981), 3–51 (niet gezien). Zie ook mijn tekst Negers.
7. „Kitāb Mufākharat al-djawārī wal-ghilmān,“ in Rasāʾil al-Ǧāḥiẓ, ii, 87–137; vert.: ‘De wedijver tussen deernen en knapen,’ in Rond voor rond of als een pikhouweel. Klassieke Arabische erotica vertaald door Hafid Bouazza, Amsterdam 2002, 14–79.

BIBLIOGRAFIE
– Dimitri Gutas, Greek Thought, Arabic Culture. The Graeco-Arabic Translation Movement in Baghdad and Early ‘Abbāsid Society (2nd–4th/8th–10th centuries), London 1998.
– Franz Rosenthal, Das Fortleben der Antike im Islam, Zürich 1965.
– Al-Mas‘ūdī, Les prairies d’or [Murūdj al-dhahab], Hg. […] Ch. Pellat, 7 dln., Beiroet 1966–1979.
– Hinrich Biesterfeldt, „Secular Graeco-Arabica — Fifty years after Franz Rosenthal’s Fortleben der Antike im Islam,” in: Intellectual History of the Islamicate World, 3 (2015), 125–157.

Diacritische tekens: al-Manṣūr, Ḥammād, Yaḥyā, Muṭīʿ, al-Djāḥiẓ, Ḥunayn ibn Isḥāq

Terug naar Inhoud

Kalief, kalifaat: een kort overzicht

Kalief
Arabisch khalīfa, mv. khulafā’  = ‘plaatsvervanger’ of ‘opvolger’. ‘Plaatsvervanger Gods op aarde’ namelijk: khalīfat allāh. Soms ook opgevat als khalīfat rasūl allāh, ‘plaatsvervanger/opvolger van de profeet’.
Een kalief is idealiter het hoofd van een islamitische staat. Ondanks het eenheidsideaal hebben er dikwijls verschillende islamitische staten naast elkaar bestaan, met verschillende kaliefen. Enkele kalifaten waren:

De eerste ‘rechtgeleide’ kaliefen  632–661         Medina (Kūfa)
Umayyaden                                  661–750         Damaskus
Abbasiden                                    750–1258       Baghdad
Umayyaden in Spanje                  756–1031       Córdoba
Fātimiden (sjiietisch)                    909–1171        Mahdīya, Kairo

De opvolging van Mohammed was van meet af aan een heet hangijzer. Het conflict tussen Soennieten en Sjiieten gaat terug op een verschil van inzicht over die opvolging.
.
Zonen van de profeet
Als Mohammed een zoon had gehad, had deze hem opgevolgd. De overlevering vermeldt drie zoontjes van de profeet: Qāsim, ‘Abdallāh en Ibrāhīm, die alle reeds heel jong zouden zijn gestorven. Over Ibrāhīm heet het in een hadith: ‘[Ibrāhīm] stierf als klein kind. Had God beschikt, dat er na Mohammed nog een profeet zou komen, dan was zijn zoon in leven gebleven. Maar na hem is er geen profeet.’ 1 Interessanter voor de oorsprongsmythe was het bestaan van Zayd [ibn Hāritha], die door Mohammed al voordat hij profeet werd als zoon was geadopteerd. Later is middels een koranvers de adoptie teruggedraaid, maar intussen was Zayd toch vijftien, zo niet twintig jaar lang de zoon en erfgenaam van de profeet geweest. Gelukkig was Zayd al vóór de profeet gestorven, want, aldus het korancommentaar van Muqātil: ‘Was Zayd Mohammeds zoon geweest, dan was hij een profeet geweest.’ 2
.
Opvolger/plaatsvervanger van wie?
De kaliefen lieten zich door de eeuwen heen khalīfat Allāh, ‘plaatsvervanger Gods’ noemen, of nā’ib allāh fī al-ard, ‘vertegenwoordiger Gods op aarde’ e.d. Het idee dat ze alleen wereldse macht hadden en dat de geestelijke macht aanvankelijk bij de gezellen van de profeet en later bij de schriftgeleerden, de ‘ulamā’, berustte is een vroom en niet onbaatzuchtig bedenksel van de laatstgenoemden. Zij zijn ook degenen die hebben bedacht dat de eerste kaliefen zich als khalīfat rasūl allāh, ‘plaatsvervanger/opvolger van de profeet’ betiteld zouden hebben, terwijl hun opvolgers dan weer khalīfat khalīfat rasūl allāh, ‘plaatsvervanger van de plaatsvervanger van de profeet’ heetten, enzovoort. Erg onwaarschijnlijk.
.
Opvolger aangewezen?
De profeet heeft volgens de Soennieten geen opvolger aangewezen. Volgens de Sjiieten heeft hij na de afscheidsbedevaart bij Ghadīr Khumm zijn neef ‘Alī ibn abī Tālib aangewezen met de woorden: ‘Hij wiens mawlā (patroon?) ik ben, diens mawlā is ‘Alī’. De Sjiietische opvatting komt hieronder verder niet aan de orde.
.
Opvolger als wat?
– Meestal zegt men: de profeet kon als profeet niet worden opgevolgd, maar alleen als staatshoofd.
– Waarom eigenlijk niet ook als profeet? Het profeetschap had toch altijd in de familie gezeten? In K 29:27 wordt over Ibrāhīm gezegd:

  • Wij hebben hem Ishāq en Ya‘qūb geschonken en Wij hebben in zijn nageslacht het profeetschap en het boek gebracht.

In K 57:26 wordt Noach erbij betrokken:

  • Wij hebben Nūh en Ibrāhīm gezonden en in hun nageslacht het profeetschap en het Boek gebracht.

– De eerste reëel bestaande kaliefen, tot ± 850, hadden er niet over gepeinsd zich uitsluitend als wereldse heersers te beschouwen. Zij waren plaatsvervanger Gods op aarde, hoogste rechter, hoogste koraninterpreet, hun soenna diende te worden nagevolgd. Over hen zongen de dichters dat zij de oogst lieten gelukken, voor regen zorgden, recht en gerechtigheid vestigden: alles in de beste oudoosterse traditie van divine kingship.
– De latere ‘ulamā’ maakten onderscheid tussen geestelijk gezag en wereldlijke macht. De erfgenamen van het geestelijk gezag waren de gezellen (ashāb) van de profeet, hun volgelingen en dier volgelingen, en later — U raadt het al — de ‘ulamā’. De wereldlijke macht lieten zij over aan de kaliefen. Dat er in de islam geen scheiding tussen ‘kerk en staat’ zou zijn is onzin.
– De Sjiieten beschouwen het kalifaat, of het imamaat zoals zij het liever noemen, als combinatie van wereldse en geestelijke macht.

.
De ‘rechtgeleide kaliefen’
Na Mohammeds dood hebben eerst de facto vier gekozen kaliefen geregeerd, die door de soennieten de ‘rechtgeleide kaliefen’ (al-khulafā’ al-rāshidūn) worden genoemd. Hun hoofdstad was Medina.

Abū Bakr al-siddīq     632–634
‘Umar ibn al-Khattāb  634–644
‘Uthmān ibn ‘Affān     644–656
‘Alī ibn abī Tālib        656–661

– Traditionele soennitische opvatting: Abū Bakr, ‘Umar, ‘Uthmān en ‘Alī, waren de eerste vier opvolgers van de profeet. Zij hadden als hoofdstad Medina, al regeerde ‘Alī feitelijk vanuit Kūfa in Irak. Deze periode was volgens de soennieten de bloeitijd van de islam; beter was alleen de tijd van de profeet zelf. De kaliefen leidden de islamitische staat vroom en stonden dicht bij het volk. Men kon zich op deze kaliefen oriënteren voor het juiste gedrag en hun soenna volgen in geval de profeet geen richtlijn had nagelaten.
– Sjiietische opvatting: Voor de Sjiieten was er maar één rechtgeleide kalief: ‘Alī. De andere drie waren usurpatoren, over wie negatief gesproken werd en wordt.
De traditionele oriëntalistik hield als zo vaak het soennitische basisontwerp aan, maar vermocht het paradijselijke van deze vroege periode niet in te zien, omdat drie van de vier kaliefen vermoord werden en ook de eerste burgeroorlog in deze tijd heeft plaatsgehad.
Moderne geleerden zijn vaak van mening dat er bij de huidige stand van het bronnenonderzoek over deze periode nauwelijks geschiedenis te schrijven valt. Vaak twijfelt men zelfs aan de jaartallen.
Dat Mohammed zijn opvolging niet heeft geregeld komt het duidelijkst naar voren in de verhalen over de saqīfa (→ G. Lecomte), de hal of het afdak van de Banū Sā‘ida in Medina, waar in 632 direct na Mohammeds dood onderhandelingen over de opvolging zouden hebben plaatsgehad. De Helpers (ansār) uit Medina waren tegen de benoeming van een Emigrant (muhādjir) maar wilden een gedeeld leiderschap: zij hebben hun leider, wij de onze. ‘Umar hoorde ervan, drong er binnen en forceerde de benoeming van de oude Abū Bakr. Volgens sommige versies was ‘Ali hierbij ook aanwezig.3
Rechtgeleid (rāshid of rashīd of mahdī) werden overigens alle kaliefen in de eerste eeuwen van de islam genoemd. Denkt U maar aan de beroemde kalief Hārūn al-Rashīd (reg. 786–809). Zijn voorganger werd zelfs bekend onder de naam al-Mahdī (reg. 775–85).4
.
Vroege opvattingen over de opvolging: concurrerende groepen
Na de dood van de profeet waren er verscheidene facties die ideeën hadden over de opvolging en de macht:
– De vroege elite van gelovigen: De vroegste aanhangers van Mohammed, de eerste bekeerlingen, met grote verdiensten voor de nieuwe beweging. Zij wensten telkens in eigen kring te te regelen wie er zou opvolgen. Uit deze groep waren als vanzelf de eerste vier kaliefen voortgekomen, maar daarna gaf zij nog niet dadelijk op; dat gebeurde pas na het kalifaat van ‘Abdallāh ibn al-Zubayr (680–92) in Mekka.
– De voorislamitische elite: de clan Umayya van de stam ‘Abd Shams. Aanvankelijk waren zij tegenstanders van Mohammed; zij sloten zich pas op de valreep bij hem aan. Toen zij de macht hadden overgenomen (als dynastie der Umayyaden) praktiseerden zij erfopvolging binnen hun eigen clan.
– ‘Alī en zijn ‘partij’, de Sjia (shī‘a): Volgens hen was ‘Alī door de profeet tot opvolger aangewezen. Zij waren voorstanders van erfopvolging binnen de familie van de profeet.
– Kharidjieten: geen erfopvolging, geen gekonkel in elite-groepjes, maar telkens vaststellen wie in zedelijk opzicht de beste kandidaat was. De kalief afzetten als hij tegenvalt.
.
De Umayyaden (661–750)
umayyadenkaliefNa de dood van ‘Alī, die overhoop had gelegen met Mu‘āwiya, de feitelijke heerser in Syrië sinds 642, nam deze laatste het kalifaat over in 661. Hij behoorde tot de clan Umayya, dus tot de voorislamitische elite, waartoe ook kalief ‘Uthmān (644–56) al had behoord, evenals diens stadhouders in de provincies. De clan was het gewend, macht uit te oefenen. De kaliefen hadden absolute macht, hun soenna moest worden gevolgd en er was erfopvolging binnen de clan. Hun vormgeving was die van Perzische heersers, hoewel—of misschien juist omdat— hun machtsbasis Syrië een Oostromeinse provincie was geweest.
Onder deze dynastie werd veel tot stand gebracht:
– Veroveringen: Noord-Afrika, Spanje, Centraal-Azië.
– Consolidering van de macht in reeds bezette gebieden.
– Integratie van de oostelijke provincies van het Romeinse Rijk en het Perzische Rijk. Door vrede en schaalvergroting kwam er nu veel energie vrij voor wederopbouw. Vooral kalief ‘Abd al-Malik (685–705) heeft zich daarvoor ingezet.
– Opbouw en Arabisering van het bestuur; vanaf 700 zegetocht der Arabische taal.
– De invoering van een eigen geldstelsel (dubbele standaard). Het rijk ‘stapte uit de Euro’ van die tijd: de Romeinse solidus, die gangbaar was in heel Europa en het Middellandse-Zeegebied. Ook de Perzische drachme had afgedaan.
– Uitgave en verbreiding van de koran; ontwikkeling van een rechtssysteem (nee, nog niet de sharia).
– Opbouw van een (een!) islamitische identiteit. Als symbool gold aanvankelijk de achthoekige Rotskoepel in Jerusalem, gebouwd door kalief ‘Abd al-Malik (691): een statement tegen de christenen.
De Umayyaden vonden drie reeds genoemde groepen tegenover zich:
– de vroege elite van de gelovigen en hun nakomelingen, die na de vernietiging van het rivaliserende kalifaat van ‘Abdallāh ibn al-Zubayr in 692 geen rol meer speelde.
– de Sjiieten, die ze er wel onder wisten te houden.
– de Kharidjieten, waar ze een geduchte vijand aan hadden.
Vanaf ± 700 kwamen er nog twee bij:
– De ‘Mensen van de Soenna en de Gemeente’ (ahl al­-sunna wa ’l-djamā‘a) die in plaats van de soenna van de Umayyadische kaliefen die van de profeet Mohammed wilden stellen, waaraan de kaliefen zich hadden te onderwerpen. Uit deze steeds machtiger wordende oppositiegroep zouden later de schriftgeleerden (‘ulamā’) voortkomen.
– De Abbasiden, die geleidelijk aan machtsovername werkten door middel van een perfide propaganda-oorlog: de Abbasidische revolutie. Als bondgenoten hadden zij de Sjiieten en de ‘ulamā’.
.
In de traditioneel-islamitische opvatting hebben de Umayyaden om religieuze redenen een heel slechte naam. Na de bloeitijd onder de Rechtgeleide Kaliefen werd de islam door hen als het ware gekaapt, zo heette het.
Zij regeerden zelfgenoegzaam, als koningen in plaats van kaliefen. Ze maakten de heerschappij erfelijk. Ze vielen Mekka en Medina aan en schoten de Ka‘ba in brand (tijdens het ‘tegenkalifaat’ van ‘Abdallāh ibn al-Zubayr). Ze verhinderden niet-Arabieren zich tot de islam te bekeren. Ze leefden goddeloos, dronken wijn, vierden orgieën, hadden afbeeldingen. Ze waren tyrannen en buitten hun onderdanen uit. Kortom, ze hielden zich niet aan de soenna van de profeet, zo vond de oppositie, al wist ± 710 nog niemand zo precies hoe die eruit zag.
Voor de Sjiieten waren de Umayyaden nog erger: Mu‘āwiya had immers ‘Alī bestreden en diens zoon had Husayn vermoord!
Kan allemaal wezen, maar regeringen zonder tyrannie en arrogantie bestonden er in de Oudheid niet. Die slechte pers hebben de Umayyaden gekregen omdat de teksten over hen beheerd werden door een klasse die hun vijandig gezind was: de uit de oppositie voortgekomen ‘ulamā’. Met enige moeite zijn er nog oude teksten te vinden die een ander beeld laten zien. Dat hun islam-ontwerp afweek van het latere model van de ‘ulamā’ kun je de Umayyaden moeilijk kwalijk nemen.
.
De Abbasiden (750–1258(–1517)):
– De Abbasiden lieten hun bondgenoten de Sjiieten en de ‘ulamā’ vallen zodra ze de macht hadden gegrepen.
– Ook zij regeerden aanvankelijk als absolute heersers in hun nieuwe, waarlijk keizerlijk aandoende hoofdstad Baghdad.
– Zij werden sinds ± 850 in hun macht beperkt door de ‘ulamā’. Onder de Abbasiden groeide hun invloed zozeer dat de kaliefen voortaan niet meer autocratisch konden regeren. Vanaf ± 800 neemt de sharī‘a vorm aan.
– De kaliefen verloren sinds 945 nog meer macht: zij regeerden alleen nog in naam, terwijl de werkelijke macht berustte bij legerleiders, sultans, vizieren enz.
– Het kalifaat in Baghdad eindigde in 1258 toen de Mongolen die stad verwoestten.
– Eén Abbaside ontkwam naar Cairo in het Mamelukkenrijk, waar een louter ceremonieel kalifaat werd voortgezet. De Mamelukken daar konden wel wat religieuze legitimatie gebruiken.
– Met de Turkse bezetting van Egypte in 1517 eindigde het Abbasidische kalifaat definitief.
.
De Ottomanen. Europese invloed. Het einde (1517–1924)
Toen de Turken in 1517 Egypte veroverden schaften zij het Abbasidenkalifaat af en brachten al-Mutawakkil III, de laatste kalief, naar İstanbul over, waar hij echter geen functie kreeg. Hij heeft nog zesentwintig jaar geleefd, naar ik aanneem in het genot van een pensioentje. De titel ‘kalief’ werd op onduidelijke wijze een van de vele titels van de Turkse sultans, maar zij deden er niets mee. Dat veranderde in de 18e eeuw. Europeanen meenden vaak ten onrechte dat de kalief een soort paus was, met geestelijk gezag over alle moslims ter wereld. De sultans lieten zich dat graag aanleunen, vooral sinds de Vrede van Küçük Kaynarca in 1774. Turkije moest toen o.a. de Krim aan Rusland afstaan, en als kalief kon de sultan toch nog invloed op de daar wonende Krim-Tataren uitoefenen. Het apocriefe verhaal dat de laatste Abbasidische kalief zijn titel aan sultan Selīm I zou hebben overgedragen werd korte tijd later in omloop gebracht.5 Geleidelijk werd de sultan-kalief als geestelijk hoofd opgebouwd. In de 19e eeuw woonden er veel moslims in de Europese koloniën in Azië. Dezen konden een geestelijke ondersteuning vanuit İstanbul goed gebruiken, terwijl de sultan zo zijn diplomatieke invloed kon vergroten. In de Ottomaanse grondwet van 1876 heette het: ‘De sultan is, in zijn hoedanigheid van kalief, de beschermer van de islamitische religie.’ Hij was niet het enige staatshoofd dat gelovigen in het buitenland steunde: Catharina de Grote van Rusland was ermee begonnen de orthodoxe christenen in het Nabije Oosten te ‘beschermen’ en latere tsaren bleven dat doen. Frankrijk nam de katholieken aldaar onder zijn hoede. Het Ottomaanse rijk had echter nauwelijks een marine, dus van daadwerkelijk beschermen kwam niet veel terecht. In Nederlands-Indië waren er huizen waar naast een foto van Koningin Wilhelmina een portret van de Turkse sultan (Soeltan Radja Roem) aan de wand prijkte.
Atatürk schafte in het kader van zijn modernisering van Turkije in 1922 eerst het sultanaat af, twee jaar later ook het geheel uitgeholde kalifaat.
.
Pogingen het kalifaat te doen herleven (1924–2016)
Pogingen om het kalifaat te doen herleven zijn armzalig en ongeloofwaardig gebleven. Husayn ibn ‘Alī, de sharif van Mekka, die zich in 1924 tot kalief uitriep, werd afgezet door de Wahhabieten. De Egyptische Koning Fārūq was graag kalief geworden, maar hij maakte weinig kans en werd in 1952 afgezet. In 1984 noemde al-Numayrī in Soedan zich ‘kalief Gods op aarde’; de Afghaanse Taliban-Molla Muhammad ‘Umar (1996–2001) gebruikte de kaliefentitel ‘vorst der gelovigen’, en ook Duitsland had zijn kalief: de asielzoeker Metin Kaplan, kalief van Keulen. Hij werd in 2004 wegens aanzetten tot moord op een ‘tegenkalief’ uitgeleverd aan Turkije, waar hij levenslang kreeg. In dit knullige gezelschap heeft nu de nieuwste kalief zich begeven, Ibrāhīm ‘Awwād Ibrāhīm (Fallūdja 1971— ), alias Abū Bakr al-Baghdādī, de leider van de Islamic State/al-Dawla al-Islāmīya in Syrië en Irak. Omdat een kalief volgens traditioneel-soennitische opvatting een Arabier uit de stam Quraysh behoort te zijn heeft hij zijn stamboom al bijgewerkt: hij noemt zich nu o.a. al-Husaynī al-Qurashī. Geen frisse jongen. 

NOTEN
1. Ibn Mādja, Djanā’iz 27.
2. Muqātil ibn Sulaymān, Tafsīr iii, 498–9, bij Koran 33:40.
3. Ibn Ishaq, Sīra, uitg. Wüstenfeld, 1013–1018; vert. Guilaume, 683–687.
4. Misschien heeft al-Hadjdjādj, de Umayyadische stadhouder in Irak vanaf 694, in een toespraak als eerste het aantal vier gebruikt in verband met de rechtgeleide kaliefen (al-khulafā’ al-rashīdūn al-muhtadūn al-mahdīyūn), hoewel hij (opzettelijk?) vaag bleef over de vraag, wie hij precies bedoelde. (Ibn ‘Abd Rabbihī, al-‘Iqd al-farīd, iv, 122).
5. Lange tijd was d’Ohsson, Tableau voor de Europeanen een belangrijke bron van informatie over het Ottomaanse Rijk. Hij heeft blijkbaar veel misverstanden over het kalifaat in Europa verbreid. Khalīfa en imām vertaalde hij consequent met pontife, dus ‘opperpriester, paus’; de kaliefentroon heet bij hem siège pontifical. Maar daarin zal hij niet de eerste geweest zijn. Het verhaal over de overdracht van het kalifaat is wél voor het eerst door hem in omloop gebracht, o.c. i, 269–70.

BIBLIOGRAFIE NIET AF@
– Arnold@@
– P. Crone und M. Hinds, God’s Caliph. Religious Authority in the First Centuries of Islam, Cambridge 1986.
– Ibn ‘Abd Rabbihī, al-‘Iqd al-farīd @@@
– [Ibn Isḥaq, Sīra] in: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, […] uitg. F. Wüstenfeld, 3 dln., Göttingen 1858–60. In Engelse vertaling: A. Guilaume, The Life of Muhammad, A Translation of Isḥāq’s (zo!) Sīrat Rasūl Allāh, Oxford 1955.
– G. Lecomte, ‘Saḳīfa,’ in EI2.
– M. Lecker, ‘Ṣiffīn,’ in EI2.
– Muqātil ibn Sulaymān, Tafsīr, 5 dln., uitg. A. M. Shiḥāṭa, Cairo 1979.
– I.M. d’Ohsson, Tableau Général de l’Empire Othoman, 7 dln., Parijs 1788-1824.

Diakritische tekens: Fāṭimiden, Zayd ibn Ḥāritha, ʿulamāʾ, nāʾib allāh fī al-arḍ, Abū Bakr al-ṣiddīq, ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb,ʿĀlī ibn abī Ṭālib, Isḥāq, Nūḥ, anṣār, Ḥusayn ibn ʿAlī, al-Ḥadjdjādj, Ibn Isḥaq, Saḳīfa, Ṣiffīn

Terug naar Inhoud