Het kalifaat van Medina, 622–661

LONGREAD over het eerste Arabische Rijk

Het standaardverhaal over de eerste Arabische staat is algemeen bekend. In 622 verliet de profeet Mohammed zijn geboortestad Mekka en emigreerde naar Medina, waar hij een staat stichtte. Na zijn dood behielden drie van zijn opvolgers, gewoonlijk bekend als de ‘rechtgeleide kaliefen’, Medina als hun hoofdstad, dat zij als basis gebruikten voor immense veroveringen. De vierde kalief ʿAlī regeerde de facto in Kūfa, in Irak. Na zijn dood in 661 verplaatste het zwaartepunt zich naar Damascus in Syrië, waar de Umayyade Muʿāwiya, die al sinds 642 als stadhouder had geregeerd, nu kalief werd.

Dit zeer korte overzicht is aanvaardbaar voor zowel moslimse geschiedschrijvers als voor traditionele oriëntalisten in het Westen. Maar is het nog wel te handhaven? Ik wil mij hier niet bezighouden met de vraag of dit rijk al dan niet islamitisch genoemd kan worden,1 maar liever met de vraag of Medina, een oase diep in het Arabische schiereiland, werkelijk de hoofdstad kon zijn van een centralistisch en zich snel uitbreidend wereldrijk. Er had in die landstreek om duidelijke geografische redenen nog nooit een onafhankelijke staat bestaan; zou dat nu ineens wel het geval geweest zijn, en dan zo’n grote?

In Jemen (Arabia Felix) waren er al sinds tweeduizend jaar staten geweest. Dat deel van het Arabische schiereiland heeft een betrekkelijk vochtig klimaat, zodat er middels irrigatie en terrasbouw geregelde landbouw mogelijk is. Daartoe is een centrale organisatie, een staat benodigd.
In het noordelijk deel van Arabië (Arabia Petraea) waren er gedurende langere of kortere perioden staten geweest. Ik noem slechts Thamūd (ca. 715 vChr–600 nChr), de Nabateërs (110 vChr–106 nChr) en de korte machtsontplooiing van Koningin Zenobia in Palmyra (268–272).
Daarna waren er twee Arabische dynastieën in vazalstaten geweest: de Ghassāniden (500–630), vazallen van het Oostromeinse Rijk, en de Lakhmiden (266–602), vazallen van Perzië. Beide superstaten waren regelmatig geteisterd door binnenvallende bedoeïenen. Geen van beide had met succes deze kameelnomaden kunnen bestrijden, omdat die zich snel met hun buit konden terugtrekken in de woestijn, waar geregelde legers met paarden en wagens geen toegang hadden. Daarom hadden de grote rijken liever vriendschap gesloten met de bedoeïenen. Ze benoemden een nomadenleider tot koning, hij kreeg een kroon, een koningsmantel en een paleis en bovendien een zak met geld om zijn soldaten te betalen, die in ruil daarvoor hun weldoeners niet langer uitplunderden. Maar Ghassān en Lakhm hielden op te bestaan zodra het Oostromeinse Rijk en Perzië, uitgeput als zij waren door hun eindeloze onderlinge oorlogen, ophielden hun vazallen te financieren.
In Midden-Arabië (Arabia Deserta) was er maar één entiteit geweest die op een staat leek: Kinda (425–528). Ook dit was een vazalstaat, afhankelijk van de Jemenitische staat Ḥimyar. Het raakte in vergetelheid toen Ḥimyar in elkaar stortte. Er bleef alleen een vage herinnering aan de koningen ervan, van wie Imru’u l-Qays de beroemdste was. Er was in Midden-Arabië dus wel een soort staat geweest, maar geen onafhankelijke staat. Deze situatie veranderde in de zevende eeuw met de onverwacht succesvolle poging enkele stammen rond de oase Yathrib (Medina) te verenigen. Laten we voor het ogenblik bij het standaardverhaal blijven: het was Mohammed, die in zijn jaren te Medina (622–632) de stammen onder zijn banier verenigde. Toen hij stierf liet hij iets na wat inderdaad een staat genoemd kan worden.

Over wat er direct na zijn dood gebeurde verschilt het standaard islamitische verhaal van dat van moderne historici. De oude islamitische geschiedschrijvers zeggen het in religieuze termen: Mohammed had het hele schiereiland verenigd onder de banier van de islam. Na zijn dood werden vele stammen afvallig en verzaakten de islam weer. In de zogenaamde Ridda-oorlogen (632–634) islamiseerden de generaals van kalief Abū Bakr het schiereiland opnieuw. Niet-islamitische historici daarentegen hebben geen boodschap aan die religieuze interpretatie; er was ook nog niet zoiets als ‘de islam’. Zij denken dat Mohammeds kernstaat nogal klein was, maar dat in de jaren na zijn dood allerlei Arabische stammen succesvol in het nieuwe bestel geïntegreerd werden; niet voor de tweede, maar voor de eerste maal.

Tot zover is het verhaal over de nieuwe staat min of meer plausibel. Alle oases moeten in zekere zin staten zijn, al was het alleen al om de toegang tot en de verdeling van water te regelen. Stammen langs handelswegen moeten onder controle worden gebracht en gehouden, om te voorkomen dat een karavaan zich plotseling beroofd zou zien van water, voedsel en voer. Geleidelijke uitbreiding van die eerste staat op de rest van het schiereiland is niet geheel onvoorstelbaar, hoewel het nooit eerder vertoond was. Maar tegelijk met de vereniging van het schiereiland begon er een geweldige snelle vergroting van de nieuwe staat. In 635 werd Syrië geannexeerd; in 634–642 werden Irak en West-Iran veroverd, in 639–642 Egypte, in 640 Palestina en in 640–660 heel Iran, tot diep in Centraal-Azië. Met andere woorden: binnen dertig jaar werden het hele Perzische en het halve Oostromeinse Rijk deel van het nieuwe Arabische Rijk. Is het werkelijk aannemelijk dat dit dertig jaar lang het ongelukkig gelegen Medina als hoofdstad had? Om deze vraag te beantwoorden moeten we eerst kijken naar wat een rijk zoal nodig heeft:
– Een groot territorium
– Een bevolking
– Een centraal gezag, stadhouders, ambtenaren, belastinggaarders, rechters
– Snelle en betrouwbare communicatielijnen
– Landbouwoverschotten
– Regelmatige inkomsten uit belastingen
– Een staand leger onder een centraal commando en het geld om het te betalen
– Legitimiteit van de regering.

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]   Oudere Duitse versie hier.  Oudere Engelse versie: RavenFirstArabicEmpire

NOOT
1. De islam was natuurlijk niet ‘af’ bij de dood van de profeet. Er begint dan een ontwikkelingsproces. Moderne geleerden beginnen van ‘islam’ te spreken in verband met de voltooiing van de Rotskoepel van Jerusalem in 691. En zelfs dan: het Umayyadische ontwerp van de islam verschilt aanzienlijk van de latere islam van de ‘ulamā’, die vaak onbescheiden wordt aangeduid als ‘de islam zoals wij die kennen’.
===============

Blz. 2. Aan welke vereisten voor een rijk werd in het kalifaat van Medina voldaan?

Een territorium was er, immens en zich nog steeds uitbreidend. Als dit rijk ooit een territoriaal probleem had was het misschien het gebrek aan grenzen, maar dat is hier niet relevant.
.
Wat voor bevolking had dit rijk? Toen de veroveringen begonnen moet het kleine aantal strijders uit Centraal-Arabië en nog wat meer uit het verarmde Jemen vrijwel verdronken zijn in een zee van niet-Arabieren. In het begin was er niet veel vermenging van de overheerste volkeren met die paar Arabieren; dit zou nog ruim een eeuw een probleem blijven. Maar in de Oudheid kon je blijkbaar grote gebieden regeren met een handjevol soldaten, en het Arabische Rijk verschilde in dit opzicht niet veel van dat van Alexander of van het Oostromeinse Rijk, waar een handjevol Grieks sprekende Romeinen hun provincies succesvol domineerden. Een steunpilaar van het nieuwe rijk zullen de Arabieren geweest zijn die al heel lang in Syrië en West-Irak woonden.
Natuurlijk leefden er miljoenen niet-Arabieren in de veroverde gebieden: Syriërs, Perzen, Egyptenaren en andere. Misschien waren zij niet al te negatief gestemd over de nieuwe machthebbers, die aanvankelijk veel van de oude structuren in regering en belasting intact lieten. Maar konden de Arabieren van hen op aan? Om een voorbeeld te geven: 646 werd er een expeditie ter zee tegen Cyprus ondernomen. De deelnemende soldaten waren allemaal Arabieren, naar verluidt 12.000 man, maar alle zeelui op de 200 schepen waren niet-Arabische Syriërs en Egyptenaren. In dit geval verliep blijkbaar alles goed. Maar zelfs nog bij een aanval van de marine op Constantinopel in 717 met schepen uit Egypte, beseften de zeelui plotseling dat zij nu op christelijk gebied waren en deserteerden naar de Romeinse kant. Inderdaad, waarom zouden de onderdanen loyaal zijn aan het Arabische Herrenvolk?
Het centrale gezag werd verondersteld de kalief in Medina te zijn, die volgens de overlevering het geweldige rijk van daaruit regeerde. De eerste kaliefen verlieten nauwelijks ooit de hoofdstad; alleen van ‘Umar wordt geloofwaardig verteld dat hij al-Djābiya heeft bezocht, de oude hoofdstad van de Ghassāniden op de Golan-hoogten en het hoofdkwartier van de Arabische verovering van Syrië. Het aantal Arabische ambtenaren (stadhouders, belastinggaarders, secretarissen, rechters) was heel beperkt: dit rijk had een enorm gebrek aan personeel. Buiten Arabië bleven de ambtenaren van de vroegere rijken eenvoudig in dienst, omdat hun expertise dringend benodigd was.

.
Communicatie en verkeer
Albrecht Noth heeft al in 1973 aangetoond dat de centralistische regering met de kalief zetelend in Medina als een spin in zijn web, waar hij alles tot in de kleinste details organiseerde en regelde, om puur logistieke redenen onmogelijk was. Regering via correspondentie, waarin de Arabische historische bronnen ons willen doen geloven, is een literaire fictie die, aldus Noth, overeen moest stemmen met een later kalifaatsideaal. Misschien was dit ideaal uit de klassieke Oudheid overgewaaid. De historicus Diodorus Siculus schreef al omstreeks 50 vChr over de koningen van het oude Egypte:

  • In de vroege ochtend bij voorbeeld, zodra hij ontwaakte, moest hij eerst de brieven ontvangen die hem van alle kanten toegezonden waren, zodat dat hij in staat zou zijn alle regeringszaken te delegeren en iedere handeling correct uit te voeren. Aldus was hij precies op de hoogte van alles wat er in zijn gehele rijk werd gedaan.2

Het is veel waarschijnlijker dat de militaire bevelhebbers in de veraf gelegen gebieden onafhankelijk en naar bevind van zaken handelden, waarbij de centrale regering slechts een ideëel oriëntatiepunt vormde.
Wegen over land: Grote rijken, zoals het Perzië der Achaemeniden, werden onder andere geregeerd door middel van een zeer efficiënt post- en inlichtingensysteem, voornamelijk met behulp van paarden, maar ook van kamelen en muildieren waar de omstandigheden dat vereisten. Daarenboven bestonden er systemen van vuur- en lichtsignalen. Vanuit de hoofdstad Persepolis leidden er postwegen naar Klein-Azië, India, Afghanistan en verder. Iedere 20–30 kilometer was er een poststation waar de uitgeputte paarden en/of koeriers vervangen konden worden door verse, en waar ook een garnizoen en een bescheiden schatkist gestationeerd waren. Koeriers konden tot wel 300 kilometer per dag afleggen en wisten de 3400 kilometer van Persepolis naar de Aegaeïsche kust soms in veertien dagen af te leggen; gewone reizigers deden er drie maanden over. Alexander de Grote had dit systeem overgenomen. Het Romeinse Rijk had ook postsystemen gehad: de cursus publicus, postduiven en ketens van lichtsignalen, waardoor bij voorbeeld een militair bevel vele honderden kilometers per dag kon afleggen.
Aan de vooravond van de Arabische veroveringen was het Perzische postsysteem in verval en het Oostromeinse functioneerde nauwelijks nog. De Umayyaden namen ze later over, maar hadden wel enige tijd nodig om ze te begrijpen en weer bruikbaar te maken. Vóór de Umayyaden werden zij in het Arabische Rijk niet gebruikt, of hooguit plaatselijk en ten dele, en zij besloegen zeker niet het Arabische Schiereiland. Medina had een erg onvoordelige ligging. In Arabië konden op de lange afstand geen paarden gebruikt worden, omdat water en passend voer op vele plaatsen ontbraken. Een kameelkaravaan had dertig dagen nodig van Medina naar de rand van Syrië of Irak, en daar begon de bewoonde wereld pas. Natuurlijk konden individuele ruiters snel rijden op een kameel of hier en daar op een paard, maar een postsysteem ontbrak ten ene male.
Zeewegen: Voor Constantinopel was scheepvaart van belang, maar voor Medina was het geen optie. Omstreeks 600 liepen de belangrijkste scheepvaartroutes in de Rode Zee langs de Afrikaanse kust, met Adulis als belangrijkste haven. Ethiopiërs hadden de berucht moeilijke navigatie in deze zee van de Romeinen geleerd. Het verkeer van India naar Europa raakte Arabië nauwelijks; alleen de haven van Aden werd gebruikt. Van Medina naar zijn haventje al-Jār duurde het drie dagen over land; de zeeroute van daar naar het Noorden was moeizaam door de eeuwig tegenzittende noordenwinden. Dit was voor de Romeinen al een reden geweest, de Noord-Arabische havens te mijden en de Indische goederen liever in het Egyptische Berenice om te slaan en vandaar over land verder te vervoeren tot de Nijl. Zeevaart over de Rode Zee kan onmogelijk van belang geweest zijn om het Rijk bij elkaar te houden. De zeeroute van Zuid-Perzië naar Aden en vice versa was wel bruikbaar voor imperiale doeleinden, zoals de Perzen hadden bewezen toen zij sinds 570 het Zuiden van Jemen een halve eeuw bezet hielden, maar voor Medina was deze route niet van belang.

Landbouwoverschotten, en een belastingstelsel dat daarmee verband hield. Een staat heeft gewoonlijk aanzienlijke hoeveelheden stapelproducten nodig, zoals graan of rijst. Volgens de traditionele zienswijze had het Arabische schiereiland nauwelijks landbouwoverschotten om belastingen op te heffen, maar was het verregaand een overlevings- of subsistentie-economie. Dit wordt vooral bevestigd door de pre-islamitische poëzie. Vee was rijkdom (māl), rijkdom was vee. Maar als er soms een bescheiden overschot was aan vee en dadels zal dat nauwelijks genoeg zijn geweest om de noodzakelijke granen, kleding, wapens en luxe goederen te importeren. Dit beeld moet allicht herzien worden wanneer men het goud en zilver dat op vrij grote schaal in mijnen werd gewonnen erbij betrekt. De voorstelling van de dappere maar straatarme bedoeïenen is al te romantisch.
Blijkbaar kon het Arabische Rijk in de eerste tijd even zonder landbouwoverschotten. Het overheidsinkomen werd op andere wijze gegenereerd. De staat had mijnen en verwierf in de veroverde gebieden enorme massa’s buit, zij het land, vee of geld. Betalingen en gunsten konden worden verleend in de vorm landbezit ergens duizenden kilometers verderop. Volgens het latere islamitische recht kwam een vijfde van alle buit aan de staat toe. Of en sinds wanneer dit reëel was en hoeveel roerend goed er werkelijk naar Medina werd overgebracht is nog niet duidelijk. Op den duur kwam er genoeg om in Medina een boom en een gevoel van the high life te creëren, maar misschien juist niet in de eerste jaren. Aanvankelijk moeten de overheidsinkomsten nog betrekkelijk mager geweest zijn, maar blijkbaar was het vooruitzicht op buit genoeg om het leger aan de gang te houden. Zodra de veroveringen succesvol waren kon het schiereiland geleidelijk omschakelen naar een rentenierseconomie.

Een staand beroepsleger onder een sterk centraal commando ontbrak gedurende de eerste fase van het Arabische Rijk, terwijl zowel de Romeinen als de Perzen zulke legers wél hadden. De Arabieren hadden in het begin een onprofessioneel volksleger. Maar juist het gebrek aan organisatie en klassieke discipline maakten dat zootje ongeregeld heel flexibel, wat tot zijn militaire succes bijdroeg. De bevelhebbers moeten naar eigen inzicht hebben gehandeld.
De gretigheid om te vechten zal zeer verschillend geweest zijn. De bedoeïenen vochten altijd al graag, maar alleen in hun welbegrepen eigen belang. De plantage-eigenaren in Medina of Ṭā’if waren zonder twijfel minder enthousiast dan de inwoners van het verarmde Jemen, die in het oorlogvoeren een kans zullen hebben gezien om uit de ellende te geraken. De Sīra spreekt van opgeroepen strijders die niet mee wilden doen omdat het net oogsttijd was. Volgens de koran klaagden sommige mannen over de hitte of hadden andere smoesjes (koran 9:38, 42, 81). Afgezien van bedreigingen met het hellevuur (9:81) kunnen sociale druk en/of de belofte van buit hen hebben overtuigd, alsnog mee te doen. Regelmatige wedden (ʿaṭāʾ) werden er pas sinds 640 betaald.

Geld, hetzij van goud of van zilver, komt altijd goed van pas bij het opbouwen of handhaven van een rijk. Het vergemakkelijkt het onderhouden van een staand leger, maakt het mogelijk bondgenoten (om) te kopen en houdt stadhouders in de provincies gelukkig en loyaal. De schatkist van Persepolis had de Perzische legers en zelfs de oligarchieën in de stadstaten van Klein-Azië loyaal gehouden aan het rijk; het goud van Thracië had Alexander in staat gesteld het leger te betalen dat de halve wereld veroverde.
Wat had het Arabië op dit gebied te bieden? Een regelmatige belastingheffing, betaald in vee of dadels, kan hebben plaatsgehad, maar op heel kleine schaal; bovendien was belasting innen onder bedoeïenen nooit een sinecure. Maar G. W. Heck heeft erop gewezen dat er in Arabië goud en zilver werd gevonden en gewonnen, zodat het schiereiland bij nader inzien toch niet zo arm was. De stam Quraysh handelde in edelmetalen. Onder de eigenaars van goudmijnen waren de Banū Sulaym, maar ook de eerste kalief Abū Bakr, die bekend stond om zijn rijkdom, verdiende er goed aan. Dit goud — niet in de vorm van munten maar in korrels en brokjes,— zal er mede toe hebben bijgedragen de soldaten actief te houden in de eerste fase van de veroveringen. De belofte van rijke buit moet de rest hebben gedaan.

Legitimiteit van de regering. In deze vroege periode bestond ‘de islam zoals wij die kennen’ zeker nog niet. Maar zonder twijfel was er wel een ideologische of spirituele impuls, ondersteund door gewijde teksten, die ervoor zorgde dat Arabieren niet langer tegen elkaar vochten maar samen tegen anderen. Hun gemeenschappelijke zaak kunnen we proto-islam of ‘de koranische beweging’ noemen. Wat het ook was, het werkte overweldigend goed en verleende volop legitimiteit aan het groeiende rijk, ten minste in de ogen van de Arabieren. Verschil van mening onder hen kwam pas op aan het eind van de eerste drie decennia. De meningen van de nieuwe onderdanen deden in deze periode nog niet ter zake.

Het schiereiland voldeed dus slechts aan enkele, lang niet aan alle vereisten voor een rijk. Twijfels blijven bestaan over die eerste dertig jaar. Er groeide een Arabisch rijk, daaraan is geen twijfel. Aanvankelijk was het misschien moeilijk, strijders te mobiliseren, maar zodra de buit binnen begon te stromen kwamen de soldaten bij duizenden. Wat moeilijk te verteren blijft is het centralistische karakter van deze staat en het ongelukkig gelegen Medina als de hoofdstad ervan.

En er is nog een overweging. De meeste hedendaagse niet-islamitische geleerden neigen tot het inzicht dat we erg weinig weten over de profeet Mohammed. En dan zouden de gebeurtenissen direct na zijn dood zich opeens in het volle licht van de geschiedenis hebben afgespeeld, en zouden alle schriftelijke bronnen daarover op hun woord moeten worden geloofd? Ook dat is weinig aannemelijk.

NOOT
2. Diodorus Siculus, [Βιβλιοθήκη ἱστορική; Bibliotheca Historica:] Library of History, transl. C. H. Oldfather, (Loeb Classical Library 279), Cambridge MA 1933, i, 70:  i, 70: ἕωθεν μὲν γὰρ ἐγερθέντα λαβεῖν αὐτὸν ἔδει πρῶτον τὰς πανταχόθεν ἀπεσταλμένας ἐπιστολάς, ἵνα δύνηται πάντα κατὰ τρόπον χρηματίζειν καὶ πράττειν, εἰδὼς ἀκριβῶς ἕκαστα τῶν κατὰ τὴν βασιλείαν συντελουμένων.
==================

Blz. 3. Wat hebben de geleerden van deze periode gemaakt?
In de negentiende eeuw waren de in Europa bekende bronnen alleen islamitische teksten in het Arabisch. De meeste niet-Arabische teksten en de archeologische overblijfselen werden grofweg pas bekend in de tweede helft van de twintigste eeuw.
De negentiende-eeuwse oriëntalisten volgen in grote lijnen het islamitische standaardverhaal. Maar ze gebruikten wel hun gezonde verstand, zij pasten de historisch-kritische methode toe. Zoals Gustav Weil het omstreeks 1850 zei, het doel was: ‘het materiaal grondig te onderzoeken en uit dit weefsel van verblinding en leugens de naakte historische waarheid te extraheren.’ Dat klinkt drastisch, maar de resultaten waren over het algemeen nogal tam en weken niet erg af van de traditionele islamitische geschiedschrijving. Het is opvallend hoe in de negentiende eeuw de stichtingsmythen van jodendom en christendom geheel aan flarden werden geanalyseerd, terwijl tegelijkertijd de islamitische vrijwel intact gelaten werd. En dat dikwijls ook nog door dezelfde geleerden, zoals Julius Wellhausen (1844-1918).
Vanaf 1905 maakte Leone Caetani een uitgebreid overzicht in het Italiaans van alle toen bekende bronnen van de vroege islamitische geschiedenis, waarin hij alle teksten die hij over de een gebeurtenis na de andere naast elkaar zette en vergeleek. Daardoor ontstonden twijfels van meer algemene aard, omdat nu bij voorbeeld opviel dat hetzelfde bericht over verschillende gebeurtenissen verteld werd en dat de chronologie dikwijls veel later en nogal willekeurig was toegevoegd.
De Jezuïet Henri Lammens (1862-1937) was nog sceptischer. Hij beschouwde de hele sīra als afhankelijk van de koran en daarom als historisch onbetrouwbaar. Nieuw voor die tijd was dat Lammens gedreven werd door verachting en haat jegens de islam; een verschijnsel dat een eeuw later opnieuw zou opdoemen.
De twee wereldoorlogen leken in Europa de kritische geest in de oriëntalisten te hebben gedood. Lange tijd gebeurde er niets, maar in de jaren zeventig van de twintigste eeuw kwam er een nieuwe golf van kritiek en scepticisme op. Ik noem hier twee, of liever drie vertegenwoordigers: de reeds genoemde Albrecht Noth, en Patricia Crone en Michael Cook.
Noth (1973) begon de historische bronnen kritisch te herlezen, met een fijn gevoel voor de realia van de beschreven periode en gebieden. Zijn grootste bijdrage was dat hij een open oog had voor het literaire karakter van de historische bronnen. De literatuurwetenschap hield (eindelijk) zijn intocht op het gebied. Noth ontdekte narratieve structuren en topoi die overal in de bronnen terugkwamen, wat ze minder betrouwbaar maakte voor de geschiedschrijving.
.
Hagarism
Als een bom sloeg in Hagarism door Crone en Cook in 1977. Twee boze jonge mensen, die kennelijk genoeg hadden van een halve eeuw stilstand. De voornaamste objecten van hun woede waren gevestigde oriëntalisten als R. B. Serjeant en W. Montgomery Watt. De laatste had in de jaren vijftig een ambitieuze geleerde biografie van Mohammed geschreven.
In Hagarism bleef niets zoals het was geweest. De Islam stamde niet uit Mekka en Medina, maar eerder uit Noord-Arabië; eigenlijk was er helemaal geen islam. De koran moest veel later dan de zevende eeuw gedateerd worden. Over Mohammed, was nauwelijks iets bekend, maar hij moest een soort Johannes de Doper geweest zijn voor ʿUmar, wiens bijnaam immers Fārūq was, (Aramees parūqā, ‘verlosser’). De zogeheten vroege moslims waren eerder een mix van Arabieren en ketterse joodse messianisten, die het Beloofde Land terug probeerden te winnen van het Oostromeinse Rijk. Mohammed en zijn volgelingen heetten Hagarenen of mahgraye, of in het Arabisch muhādjirūn (Emigranten). De hidjra was niet naar Medina maar naar Jerusalem. Het boek begint uitdagend met een citaat uit een niet-islamitische bron — maar wel een die veel vroeger was dan de hele islamitische overlevering. Ook de rest van het boek is doortrokken van niet-islamitische bronnen, die nu voor het eerst op grote schaal werden gebruikt.
Hagarism werd heftig gecritiseerd; vele geleerden waren werkelijk ziedend. Hoe durfde de auteurs zo luid tekeer te gaan in de stiltezone van de oriëntalistiek!? De critici waren emotioneel, maar ze hadden ook sterke tegenargumenten en er bleef van de thesen van het boek niet veel over. Patricia Crone herriep in 2006 haar aandeel stilzwijgend en impliciet in een internet-artikel, waarin zij min of meer de traditionele visie op de profeet verkondigde, over wie nu volgens haar wel degelijk veel te weten was. Gelukkig had Crone nog twee boeken en ettelijke artikelen over de zevende eeuw geschreven. Haar studie Early Meccan Trade, die het tot dan toe onaangevochten beeld van Mekka als een soort Wereldhandelscentrum onderuit haalde, staat nog steeds overeind, evenals haar Slaves on Horses over het Umayyadenrijk en God’s Caliph over het begin en de betekenis van het kalifaat.
Boeken als Hagarism zijn nuttig en moeten zeker niet minachtend worden weggegooid. Het boek schudde de slaperige geleerden wakker en had een blijvende invloed op de studie van de vroege islam. Het heropende eindelijk de discussie en opende de ogen voor tenminste een aantal zaken: de relatief late breuk van de proto-islamitische beweging met de joden en/of christenen van welke soort dan ook, en voor de waarde van niet-islamitische bronnen, die de auteurs nadrukkelijk ten nutte hadden gemaakt. Wat ook bleef was het inzicht in het literaire karakter van de Arabische bronnen, waarop Noth kort tevoren had geattendeerd, en in de geografische omstandigheden.
.
Na Hagarism
Hagarism had ettelijke nazaten: studies die nog verder gingen, nog wilder waren. De auteurs ervan hebben ook aan de weg getimmerd en de algemene publiciteit gehaald. Ik wil er enkele kort aanstippen:
.
Koren en Nevo
Yehuda Nevo was een archeoloog zonder veel kennis van de geschreven bronnen; Judith Koren is gespecialiseerd in informatica. Toch ontvouwen zij in hun Crossroads to Islam een alomvattende theorie. Muhammad was geen historische figuur. De Koran dateert uit de achtste eeuw. Syrië werd nooit door de Arabieren veroverd, omdat het Oostromeinse Rijk zich reeds vrijwillig had teruggetrokken uit de provincie, die als niet langer winstgevend werd beschouwd. De zogenaamde moslims, die in werkelijkheid heidenen waren, hoefden het vacuüm alleen maar op te vullen. Zij kwamen uit wat nu Zuid-Jordanië en Israël is. Pas in de veroverde gebieden namen zij een soort vaag joods-christelijk monotheïsme over, dat zich veel later ontwikkelde tot de islam. De eerste vier kaliefen kunnen we geheel vergeten; de echte heerser in Syrië was Mu‘āwiya, elders bekend als de eerste of tweede Umayyadische kalief, die daar inderdaad vanaf 642 stadhouder was.
.
Inârah
Vervolgens is er de wereld van de zogenaamde Inârah-groep, genoemd naar het Inârah Institut in Saarbrücken en de zes banden die de leden tot nu toe hebben gepubliceerd (2005–2012). De leidende geleerden in deze groep zijn K.-H. Ohlig, Gerd R. Puin en Volker Popp. Chr. Luxenberg vond hier een tehuis; zijn bijdrage was dat de koran gelezen moet worden als een tekst in het Syrisch, en dat er heel andere dingen in staan dan iedereen had gedacht. Zelfs Claude Gilliot deed een poosje met de groep mee.
Deze geleerden voelen de behoefte de Arabische geschiedenis nog drastischer te herschrijven dan ooit te voren. Ik probeer samen te vatten: De Koran is oorspronkelijk een christelijke tekst, geschreven in het Syrisch (Luxenberg). Als bron voor de vroege islam is hij waardeloos. De biografie van de profeet werd in elkaar gezet na 800; Ibn Isḥāq heeft nooit bestaan. Echte bronnen zijn inscripties en munten en christelijke teksten. Muhammad is geen eigennaam, maar een adjectief, ‘geprezen’ of ‘prijzenswaardig’, dat werd toegepast op zowel Jezus als ʿAlī. Als historische figuur heeft Mohammed nooit bestaan. De godsdienst van de Arabieren die Syrië in de zevende eeuw beheersten was niet de islam. De islam werd pas omstreeks 700 in leven geroepen door de Umayyadische kalief ‘Abd al-Malik, die de zogenaamde koranbeweging uit Centraal-Azië (!) naar Syrië en Palestina overbracht. Zij was daar gegroeid op de mest van een sterk Arabisch voor-Nicaeaans christendom, dat ergens bij Marw in Centraal-Azië had overleefd, als gevolg van de Sassanidische deportatie van de christen van Hatra in 241. (Is U daar nog?)
De bewijzen voor dit alles zijn zo dun dat je zulke artikelen nauwelijks nog wetenschap kunt noemen. Toch staan er ook enkele onloochenbaar belangwekkende bijdragen in deze banden, bij voorbeeld door Gerd en Elisabeth Puin over de koran, door Gilliot over hadith-geleerden en bepaalde stimulerende gedachtengangen in het algemeen.
De auteurs in de publicaties van Inâra vormen een nogal heterogene groep, die twee aversies schijnen te delen: een tegen de moderne islam en een tegen de traditionele oriëntalisten. De jonge Crone en Cook bestreden alleen hun oriëntalistische leraren; de meeste Inârah-artikelen hebben ook een anti-islam-alinea. Voor islamhaters zou het zeker plezierig zijn een zevende eeuw te hebben zonder Mohammed, zonder koran, zonder Arabische veroveringen en zonder islam. Maar een dergelijk wensdenken is geen bruikbaar uitgangspunt voor wetenschappelijke studie.
.
Mainstream wetenschappelijk onderzoek
Intussen werd het echte wetenschappelijke onderzoek op basis van het standaardverhaal in alle rust voortgezet. Ik noem ook hier slechts enkele werken.
– Hugh Kennedy schreef een rustig en zeer goed leesbaar overzichtsboek over de veroveringen, waarin nieuwe onderzoeksresultaten, uiteraard ook van hemzelf, niet ontbreken.
– Michael Moroney schreef over Irak na de verovering door de moslims. Zijn boek gaat dus niet over Medina, maar is wel zeer gedetailleerd over het bestuur en het alledaagse leven in een van de belangrijkste provincies van het Arabische Rijk.

– Robert Hoyland, In God’s path, nog meer up to date over de veroveringen en de vorming van de nieuwe staat.
Bijzondere vermelding verdient hier het boek van Michael Lecker, Muslims, Jews and Pagans, en wel om twee redenen. Ten eerste concentreert de auteur zich op Medina; hij biedt zelfs een historische en geografische close-up van de zog. ‘Bovenlanden’ (‘awālī) van Medina in en kort na Mohammeds tijd. Ten tweede is hij haast extreem trouw aan het standaardverhaal. Zijn boek is vele malen wetenschappelijker dan de post-Hagaristische werken die ik hierboven beschreef. Toch blijf ik bij Lecker zitten met heel wat onbehagen over Medina, al beschrijft hij het nog zo gedetailleerd. Wat mij vooral verbijstert is het gemak waarmee hij een boek van Samhūdī uit de vijftiende eeuw tot hoofdbron verklaart voor de geschiedenis van het Medina van de zevende eeuw, en het vertrouwen dat hij heeft in oude genealogieën.
====================

Blz. 4. Mijn eigen gedachten

‘Tegenkalifaat’
Maar hoewel ik de wilde theorieën van de post-Hagaristen niet kan volgen, waardeer ik sommige van hun ideeën toch. Bij voorbeeld de nadruk op Syrië, waar aanzienlijke delen van de bevolking altijd al Arabisch waren, en waar Muʿāwiya weliswaar pas in 661 kalief werd maar al sind 642 de facto regeerde. En de rol van kalief ʿAbd al-Malik (reg. 685–705) bij de vormgeving van de (of liever: een) Islam. En zoals gezegd: ook ik blijf me ongemakkelijk voelen bij de gedachte aan Medina als hoofdstad van een opkomend wereldrijk.
Mijn eigen bijdrage tot die oude geschiedenis zal zeer bescheiden blijven. Ik wil alleen eens wijzen op twee zaken die al langer bekend zijn, maar nog dikwijls verwaarloosd worden en die toch grote invloed moeten hebben uitgeoefend op onze Arabische bronnen. Ik bedoel het kalifaat (680-692) van ʿAbdallāh ibn al-Zubayr en de geschriften van zijn broer ʿUrwa.
Na de dood van de Umayyadische kalief Muʿāwiya in 680 regeerden er enkele zwakke kaliefen in Damascus, die maar heel kort in het zadel bleven. De Umayyaden waren de nazaten van de oude preïslamitische elite, die zich nogal laat en volgens sommigen alleen uit opportunisme hadden bekeerd tot de nieuwe beweging die zich zou ontwikkelen tot de islam. Zij voelden zich thuis in Syrië en Palestina en in de christelijke beschaving.
.
De Umayyaden kregen het aan de stok met verscheidene opstandige oppositiegroepen: Sjiieten, Kharidjieten, en ook het gevaarlijke alternatieve kalifaat van ‘Abdallāh ibn al-Zubayr in Mekka en zijn broer Muṣʿab in Iraq. Deze rebellen waren de nazaten van de eerste ‘islamitische’ elite: Mohammeds kameraden van het eerste uur, de oudste aanhangers van de beweging die in hun ogen gekaapt was door de Umayyaden. In plaats van de Syrisch-Palestijnse oriëntering verkozen zij het Arabische Schiereiland. Het kalifaat van ʿAbdallāh duurde twaalf jaar en veroorzaakte een akelige scheur in het Arabische Rijk. Niet alleen het schiereiland, maar ook grote delen van Irak en Iran volgden de Zubayrī broers. Andere provincies aarzelden nog. In sommige jaren was alleen Syrië nog loyaal aan de Umayyadische kalief.
Twaalf jaar lang slaagde Damascus er niet in een eind te maken aan wat voor hen het ‘tegenkalifaat’ was. Maar zodra de sterke kalief ʿAbd al-Malik de macht had overgenomen was het gauw bekeken. ʿAbdallāh werd gedood in in 692, Muṣʿab was al iets eerder gevallen en hun rijk was verleden tijd. De Umayyadische macht was met militaire middelen hersteld.
.
ʿUrwa ibn al-Zubayr (± 643–711)
De interessante overlever is ʿUrwa, ʿAbdallāhs twintig jaar jongere broer en de intellectueel van de familie Zubayr. Hij was niet militair en nauwelijks politiek actief geweest, hoewel hij in de opstand wel de kant van zijn broers had gekozen. Hij woonde meestal in Medina, waar hij de biografie van de profeet bestudeerde en onderwees, evenals hadith en recht. Onmiddellijk na ʿAbdallāhs dood haastte hij zich naar Damaskus om ʿAbd al-Malik trouw te zweren. Dit was een zeer gewaagde stap, want ʿUrwa zal toch wel erg met zijn broers geassocieerd zijn geweest, maar hij had succes. De kalief, die reeds om strategische redenen openbare rouw voor Muṣʿab had afgekondigd, zag ervan af ʿUrwa terecht te stellen en besloot liever gebruik van hem te maken. Hij gaf hem toestemming terug te gaan naar zijn woonplaats in Medina en vroeg hem kort daarna de geschiedenis van de vroege islam neer te schrijven. Dat deed ʿUrwa, en een groot deel van zijn teksten is nog bewaard.
ʿAbd al-Maliks clementie is begrijpelijk. Hij moet beseft hebben dat ʿUrwa’s geschiedenis er een van het schiereiland zou worden, een reeks berichten en verhalen die zich in Medina hadden ontwikkeld voor en gedurende het ‘tegenkalifaat’, ver van Syrië: een verhaal zoals de vroegste bekeerlingen en hun nazaten het graag hoorden. Maar hij was zich ook bewust van de verscheurende krachten die het rijk bijna kapot hadden gemaakt. Hij wilde het rijk nu herenigen en samensmeden met behulp van een nieuwe staatsideologie en probeerde zijn rebelse onderdanen in te pakken door hun een stichtingsmythe te gunnen die zuiverder Arabisch was dan ooit te voren. De vroegste islam, met zijn oriëntatie op Jeruzalem, moet een overwegend Syrisch-Palestijnse aangelegenheid zijn geweest. De Rotskoepel van Jeruzalem, een rotunda die in 691 was voltooid, was het hoogtepunt, maar ook meteen het eindpunt van de ‘Syrische’ islam. In feite is het gebouw een boodschap aan het adres van de christenen, van wie de groeiende islam zich nu distantieerde. Goldziher heeft ooit gesuggereerd dat de Rotskoepel was gebouwd omdat Mekka twaalf jaar lang ontoegankelijk was. Maar het was juist omgekeerd: door de omwenteling van 692 verkreeg Mekka voor het eerst de overheersende plaats in de islam, terwijl de Rotskoepel werd gedegradeerd tot een heiligdom van de tweede rang, al was hij nog zo nieuw. Een verandering van qibla, dat was het. Hierna werd de arabisering voortgezet en werd er steeds meer christelijk en joods materiaal (isrā’īlīyāt) gebannen uit de verhalen en de genealogie. (Als dit u interesseert, zoek in dit blog onder ‘ontbijbeling’.)
ʿUrwa’s ‘brieven’ en mondeling overgeleverde colleges moeten haast wel een rol hebben gespeeld in deze ‘arabisering’ van de islam. Hij schreef die ‘brieven’ voor het hof, maar hij schreef ook nog ettelijke andere teksten, die hij zijn leerlingen onderwees, de meeste over het leven van de profeet, andere over de Ridda-oorlogen en de decennia daarna. Hij was de leverancier van de belangrijkste hoofdstukken in de biografie van de profeet. Zijn teksten werden vooral door twee personen overgeleverd: zijn zoon Hishām en de geleerde al-Zuhrī (gest. 742). Ibn Isḥāq’s Sīra bevat veel teksten van ʿUrwa, maar de hadithverzameling van Maʿmar ibn Rāshid (714–770) doet dat ook. De meeste ‘brieven’ zijn heel beknopt. ʿAbd al-Malik hield niet van lange teksten en verafschuwde het geklets van de ‘Vertellers’ (quṣṣāṣ). Een voorbeeld van ʿUrwa’s persoonlijke input in de vroegste islamitische geschiedschrijving is de ereplaats die hij in verscheidene teksten gaf aan de eerste kalief Abū Bakr en diens gezin. Abū Bakr was ʿUrwa’s grootvader: een van diens dochters was zijn moeder; een andere dochter, Mohammeds vrouw Aisha, was zijn tante. Ik heb hier al laten zien hoe ʿUrwa in zijn verhalen over de Emigratie van Muḥammad naar Medina (hijra) en zijn sterfbed, en ook in zijn felle verdediging van Aisha’s kuisheid toen zij van overspel werd beschuldigd, de positieve handelingen en eigenschappen van Abū Bakr nadrukkelijk op de voorgrond plaatste en ook diens familieleden waar mogelijk positief ter sprake bracht. Het is duidelijk dat ʿUrwa zijn allerpersoonlijkste redenen had voor zijn voorliefde voor de eerste kalief. Zou hij niet even vlijtig het belang van zijn woonplaats Medina en van Mekka hebben opgeblazen in zijn overige verhalen? Mij zou het niet verwonderen als ʿUrwa’s teksten over de vroegste kaliefen geïnspireerd waren door een stoer Medinees patriottisme.
.
Mijn suggesties aan toekomstige onderzoekers van het eerste Arabische Rijk zijn: 1. Voortaan rekening houden met het kalifaat van ʿAbdallāh ibn al-Zubayr en de erop volgende mentale omwenteling. 2. Aandacht schenken aan de rol die zijn broer ‘Urwa speelde bij het creëren van de vroegste islamitische geschiedenis.

Voor het overige, maar dat had u zelf al bedacht, zal de toegenomen kennis van steeds meer oude papyri en de talloze rotsinscripties die in Noordwest-Arabië zijn gevonden de bestudering van het eerste Arabisch rijk bevleugelen.
.
Bewerking van een voordracht gehouden op de Deutsche Orientalistentag in 2010. De Engelse versie van dit artikel is verschenen in Rainer Kessler, Walter Sommerfeld en Leslie Tramontini (uitg.), State Formation and State Decline in the Near and Middle East, Wiesbaden 2016, 145–157. Hij is ook hier down te loaden: RavenFirstArabicEmpire

BIBLIOGRAFIE
– Heribert Busse, ‘Zur Geschichte und Deutung der frühislamischen Ḥaram-bauten in Jerusalem,’ Zeitschrift des Deutschen Palästina-Vereins, 107 (1991), 144–154.
– Leone Caetani, Annali dell’ Islam, 2 dln., Milaan 1905–7.
– Sandra Campbell, Telling memories. The Zubayrids in Islamic historical memory, Ph.D. diss., UCLA 2003 [helaas niet gezien].
– Patricia Crone en Michael Cook, Hagarism. The Making of the Islamic World, Cambridge 1977.
– Patricia Crone, Meccan Trade and the Rise of Islam, Princeton 1987.
– Patricia Crone, ‘What do we actually know about Muhammad?’ Eerst verschenen in augustus 2006; laatst gezien op 19 januari 2021.
– A.A. Duri, The rise of historical writing among the Arabs, uitg. en vert. L.I. Conrad, Princeton 1983. Over ʿUrwa blz. 76-95 (inclusief, blzz. 79-90, een catalogus van historische ‘Urwa-teksten).
– Fred Donner, Narratives of Islamic Origins. The Beginnings of Islamic Historical Writing, Princeton 1998.- Andreas Görke, The historical tradition about al-Ḥudaybiya. A study of ʿUrwa ibn al-Zubayr’s account, in H. Motzki (uitg.), The biography of Muḥammad. The issue of the sources, Leiden 2000, 240–75.
– Andreas Görke en Gregor Schoeler, Die ältesten Berichte über das Leben Muḥammads. Das Korpus ʿUrwa ibn az-Zubair, Princeton 2008.
– Gerald R. Hawting, The first dynasty of Islam. The Umayyad caliphate AD 661–750, London/Sydney 1986, London/New York 2002.
– Gene W. Heck, ‘Gold Mining in Arabia and the Rise of the Islamic State,’ in JESHO 42,3 (1999), 364–395.
– Robert G. Hoyland, In God/s Path, The Arab Conquests and the Creation of an Arabic Empire, Oxford 2015.
– Ibn Isḥāq: A. Guillaume, The Life of Muhammad. A translation of Isḥāq’s (sic!) Sīrat Rasūl Allāh, Oxford 1955.
– Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, 2 dln., Göttingen 1858–60 (Arabische tekst).
– Inârah: voor de twee publicaties die in het Engels zijn vertaald, zie hier onder Ohlig. Voor de andere delen in het Duits en voor informatie over het instituut zie de webpagina.
– Hugh Kennedy, The Great Arab Conquests. How the Spread of Islam Changed the World we Live in, London 2007. Vertaald als: De grote Arabische veroveringen, vert. Guus Houtzager, Amsterdam/Antwerpen 2008.
– Meir J. Kister, ‘The Battle of the Harra. Some socio-economic aspects,’ in Myriam Rosen-Ayalon (uitg.), Studies in memory of Gaston Wiet, Jerusalem 1977, 33–49.
– Michael Lecker, Muslims, Jews and Pagans. Studies on Early Islamic Medina, Leiden 1995.
– Maʿmar ibn Rāshid, een verzameling hadithen over de biografie van de profeet, van welke er veel teruggaan tot ʿUrwa, in: ʿAbd al-Razzāq al-Ṣanʿānī, Muṣannaf, v, nrs. 9718-84. Engelse vertaling: Sean W. Anthony, The Expeditions. An Early Biography of Muhammad, New York University Press 2015.
– Michael G. Morony, Iraq after the Muslim Conquest, Princeton 1984, 2006.
– Syed Nadvi, ʿAbd Allāh ibn al-Zubayr and the caliphate, Ph.D. diss., University of Chicago 1972 [niet gezien].
– Yehuda Nevo en Judith Koren, Crossroads to Islam, Amherst (N.Y.) 2003.
– Albrecht Noth, Quellenkritische Studien zu Themen, Formen und Tendenzen frühislamischer
Geschichtsüberlieferung, Ph. D. Diss. Bonn 1973. Engelse vertaling en update: Albrecht Noth, The Early Arabic Historical Traditions: A Source-Critical Study, in collaboration with Lawrence I. Conrad, Princeton 1994.
– Karl-Heinz Ohlig en Gerd R. Puin (uitg.), The Hidden Origins of Islam: New Research into Its Early History, Amherst NY 2009.
– Karl-Heinz Ohlig (uitg.), Early Islam. A Critical Reconstruction Based on Contemporary Sources, Amherst NY 2013.
– Gernot Rotter, Die Umayyaden und der zweite Bürgerkrieg (680–692), Wiesbaden 1982.
– Gregor Schoeler, Charakter und Authentie der muslimischen Überlieferung über das Leben Mohammeds, Berlin en New York 1996, over ʿUrwa p. 28-32, 145-54.
– Gregor Schoeler, Art. ‘ʿUrwa ibn al-Zubayr,’ in EI2.
– Adam J. Silverstein, ‘A neglected chapter in the history of caliphal state-building,’ JSAI 30 (2005), pp. 293–317.
– Adam J. Silverstein, Postal Systems in the Pre-Modern Islamic World, Cambridge 2007.

Terug naar Inhoud

Medina 642 AD: Gratis graan en geld

Map by Ziegelbrenner -Wikipedia

In Medina, de oase waar Mohammed zijn staat had gesticht, woedde in 639 een vreselijke hongersnood. Om te voorkomen dat dit nog eens zou gebeuren organiseerde kalief ‘Umar de aanvoer van graan uit Egypte per schip. In 640 was Egypte voor de Arabieren veroverd door ‘Amr ibn al-‘Ās; Alexandrië iets later. Een van de eerste dingen die hij liet doen was het opknappen van het Bubastiskanaal, dat liep van het huidige Zagazig in de Nijldelta naar het huidige Ismā‘īlīya en dan naar het zuiden door het Krokodillenmeer en de Bittermeren naar Qulzum, ergens bij Suez. Het ging dus om een waterverbinding van de delta naar de Rode Zee. In een verbinding Rode Zee–Middellandse Zee was niemand geïnteresseerd. Alexandrië was immers de zeehaven, en de schepen waren klein genoeg om ook over de Nijl of door een kanaal te varen. En anders werd er een keer verladen; alles was goedkoper dan transport over land.

Dit of een soortgelijk kanaal bestond al in de tijd van de farao’s. Het kanaal dat ‘Amr daar aantrof was dat van de Perzische koning Darius (522–486 v. Chr.), die er inscripties achterliet. Na het vertrek van de Perzische bezetters wilde niemand meer met de boot naar Perzië en werd het kanaal verwaarloosd. Ptolemaeus II (284–246 v. Chr.) had het opgeknapt, ten dele een andere bedding gegeven, en er met een sluis voor gezorgd dat er geen zout water in de Nijl kon stromen. Het eindpunt aan de Rode Zee heette Arsinoë, naar zijn zuster die tevens zijn echtgenote was. Het kanaal werd nog eens vernieuwd door de Romeinse keizer Trajanus (98–117). In zijn tijd beheerste het Romeinse Rijk de zeevaart in de Rode Zee en de Perzische Golf, en dreef vlijtig handel met India. Zijn kanaal eindigde bij Clysma (‘Sluis’) of Cleopatris, het latere Arabische Qulzum. Misschien was de waterweg bij aankomst van de Arabieren niet eens in zo slechte toestand; hij schijnt bij hoogwater in de Nijl nog bevaarbaar geweest te zijn. Het was in de Oudheid natuurlijk niet niks, zoiets te bouwen zonder moderne technische hulpmiddelen. Maar het terrein werkte mee, want een groot deel van het traject ging door de zachte bedding van de wadi Tumīlāt. Natuurlijk werkten er vooral slaven aan, van wie er vele omgekomen zullen zijn.

  • Toen in de negentiende eeuw het moderne Suezkanaal werd gegraven is dit oude kanaal weer in gebruik genomen, om vanuit de delta drinkwater en allerlei goederen naar de bouwlocatie te brengen. Hier vindt U een mooie landkaart uit die tijd; door aanklikken kunt U hem vergroten. De dikke horizontale lijn is het bedoelde kanaal; het heet daar Canal de l’Ouadee Salsalamout resp. Canal des Ptolémé—spelling was niet de sterkste kant van de cartograaf.

In 640 of 641 was het kanaal weer bruikbaar en voeren de eerste schepen met graan naar al-Djār, de haven van Medina. Zulk vervoer was heel veel goedkoper en veiliger dan karavaantransport uit Syrië of via Gaza. Het graan zal in Egypte goedkoop zijn geweest, want de traditionele leveranties naar Constantinopel, dat nu vijandig gebied was, waren weggevallen. En als het niet betaald hoefde te worden, omdat het afkomstig was van buitgemaakte staatslanderijen was het nog goedkoper. Voor Medina kon de hongersnood van het rampjaar 639 zich niet meer herhalen.

  • In het jaar 21 schreef ‘Umar aan ‘Amr ibn al-‘Ās en deelde hem mee in welke nood de mensen van Medina verkeerden en beval hem voedsel uit de belastingopbrengst over zee naar Medina te verschepen, en daarbij ook olie. Toen het in al-Djār aankwam voerde Sa‘d daar het bewind. Vervolgens werd het naar een gebouw in Medina gebracht en onder de mensen verdeeld.1

Een variant op hetzelfde verhaal:

  • ‘Umar reed uit met de voornaamste gezellen van de profeet, tot hij in al-Djār kwam, waar hij de schepen zag. Hij gaf opdracht dat graan in ontvangst te nemen en liet op die plek twee burchten bouwen, waarin hij het kon opslaan. Vervolgens gaf hij Zayd ibn Thābit opdracht de mensen op te schrijven volgens hun woonplaatsen en beval hem cheques (sikāk, mv. van sakk) op stukken papyrus te schrijven, die hij onderaan verzegelde. Hij was de eerste die cheques gebruikte en die onderaan verzegelde.2

Dit zijn teksten over een eerste goederenverdeling; er zijn er meer en ze sluiten niet erg op elkaar aan. Ze zijn ook lang na dato geschreven; betrouwbaarheid is niet altijd gegeven. Een ander bericht vertelt dat ‘Umar een proef nam omdat hij wilde weten hoeveel graan er per persoon nodig was:

  • ‘Umar beval een djarīb (22,715 kg) tarwe klaar te zetten. Die werd gemalen, dan gebakken en in olie geweekt. Daarop liet hij dertig mannen uitnodigen, die daarvan hun middagmaal gebruikten […] en ’s avonds nog eens hetzelfde, en hij stelde vast: voor een man is per maand 2 djarīb genoeg. En dus gaf hij iedere man, iedere vrouw en iedere slaaf 2 djarīb per maand.3

Maar die graanverdeling was al spoedig achterhaald, want er was nog veel meer te verdelen. Er kwamen ook allerlei andere goederen en geld uit de veroverde gebieden. In dezelfde tijd werden immers Syrië, Iraq en Iran veroverd, wat voor een niet aflatende stroom van buit zorgde. Medina werd rijk, en de regering zorgde er zo goed zij kon voor dat de meeste goederen eerst in de staatskas resp. de staatsmagazijnen terecht kwamen en van daaruit op gecontroleerde wijze verdeeld werden. Terugkerende soldaten hadden ook nog eens geld op zak.
.
Omstreeks het jaar ± 642, dat is pakweg een jaar na de eerste graanzendingen uit Egypte, zette kalief ‘Umar daarom een registratie op van alle vroege gelovigen, de zog. Dīwān al-djund.4 Daarin werden alle Emigranten uit Mekka opgenomen, maar ook die naar Ethiopië waren geëmigreerd en teruggekomen, en de zog. ‘Helpers’ in Medina, en allen die eervol hadden deelgenomen aan Mohammeds militaire expedities of anderszins verdiensten hadden voor zijn zaak; kortom alle vrije inwoners van Medina! Achter hun naam werden hun daden vermeld.
Al deze mensen kregen voortaan ieder jaar een uitkering uit de staatskas, en hun kinderen vaak ook nog. En denkt u daarbij niet aan zoiets als de Bijstand. De uitkeringen die kort na de hidjra naar Medina aan de armen onder de Emigranten (ahl al-suffa) gedaan werden, dát was bijstand geweest, maar nu ging het om forse bedragen. Dit was ongekend. Als mensen in de Oudheid geregistreerd werden was dat om effectief belastingen van hen te heffen. Hier ging het om de verstrekking van een basisinkomen, of eregeld, of zo U wilt een gecontroleerde verdeling van oorlogsbuit.
.
Er was een hiërarchie in uitkeringsgerechtigden naar hun verdienstelijkheid. Puin onderscheidt vier groepen:4

  • Klasse 1: Deelnemers slag bij Badr; vrouwen van de profeet 4000 DH (=dirham), later 5000 of 6000
    Klasse 2: Overige Emigranten en Helpers (ansār) 1000 DH minder dan Kl. 1
    Klasse 3: Deelname aan Hudaybiya en de zg. Ridda-oorlogen 1000/2000 DH minder dan Kl. 2
    Klasse 4: Alle overige vrije inwoners van Medina 250–400 DH

Puin zet weliswaar bij al zijn data een vraagteken, maar het geeft een indruk. Vooral is onzeker hoeveel de nakomelingen van de oorspronkelijke uitkeringsgerechtigden kregen.
Het was dus van groot belang hoe een man geregistreerd stond. Zonen en kleinzonen zullen hun best hebben gedaan om (groot)vaders dappere daden nog wat aan te dikken, niet alleen voor het prestige, maar ook voor een royalere uitkering. Dat heeft zijn uitwerking gehad op de biografische literatuur (genre: de Verdiensten der Gezellen).
De laat bekeerde Mekkanen kregen overigens niets—tenzij ze zich na 630 alsnog hadden ingezet voor de goede zaak, door bij voorbeeld als soldaat naar Syrië of Iraq te trekken; dat gold ook als hidjra (Emigratie).

Sassanidische Drachme

Als het werkelijk zo gegaan is betekende dat een plotselinge invoer van veel Perzisch geld en een grote stap op weg naar een geldeconomie en een renteniersstaat. De dirham of drachme was een Perzische zilveren munt, indertijd een sterke valuta. Het oude Arabië (buiten Jemen) had nooit eigen geld gehad en het zou nog decennia duren voordat moslims zelf munten gingen slaan. In ‘Umars tijd zal er zeker geld in omloop zijn geweest; in het Noordwesten denkelijk vooral Romeins, in de Golf en Jemen Perzisch; de archeologie zal het ons leren. Maar er was ook veel ruilhandel en er kon betaald worden met brokjes goud en zilver, metalen die in Arabië werden gedolven. (Of valt dat nog onder ruilhandel?) Het vele Perzische geld waarover ‘Umar nu kon beschikken was natuurlijk oorlogsbuit uit het pas veroverde Perzië.

(Deze tekst heb ik geschreven in reeksje over kalief ‘Abd al-Malik. Over hem kunt u desgewenst dit lezen. Hij was een tijd lang directeur van die dīwān.)

NOTEN
1. Al-Balādhurī, Futūḥ al-buldan (Liber expugnationis regum), uitg. M.J. de Goeje, Leiden 1866, 216. وكتب عمر بن الخطاب في سنة ٢١ الى عمرو بن العاصي يعلمه ما فيه أهل المدينة من الجهد ويأمره أن يحمل ما يقبض من الطعام في الخراج الى المدينة في البحر فكان ذلك يُحمل ويحمل معه الزيت فإذا ورد الجار تولّى قبضه سعد الحار ثم جُعل في دار بالمدينة وقسم بين الناس بمكيال.
2. Al-Ya‘qūbī, Ta’rīkh, uitg.  M. Th. Houtsma, 2 dln. Leiden 1883, ii, 187 فخرج ومعه جلة أصحاب رسول الله حتى قدم الجار فنظر السفن ثم وكّل  من قبض ذلك الطعام وبنى هنالك قصرين وجعل ذلك الطعام فيها ثم أمر زيد بن ثابت أن يكتب الناس على منازلهم وأمره أن يكتب لهم صكاكا من فراطيس ثم يختم أسافلها فكان إوّل من صكّ وختم أسفل الصكاك.
3. G.-R. Puin,
Der Dīwān von ʿUmar ibn al-Ḫaṭṭāb. Ein Beitrag zur frühislamischen Verwaltungsgeschichte, Ph. D. Diss. Bonn 1970, 90; al-Balādhurī, Futūḥ al-buldān, Cairo ed. 363 @nog controleren@@
4. Puin,
o.c., 94–5
5. Puin, o.c., 113–4. Puins boek bevat een weelde aan bronnen en verwijzingen.

Diacritische tekens: ʿAmr ibn al-ʿĀṣ, ṣikāk, mv. van ṣakk, ahl al-ṣuffa, anṣār, Ḥudaybiya

ABD AL-MALIK IBN MARWAN: startpagina. De eerste kaliefen. Mu‘awiya’s opvolgers. De Umayyaden uit Medina verjaagd. Abd al-Malik geeft strategisch advies. Abd al-Malik oefent zich in wreedheid en moord. As over Medina? De Rotskoepel in Jeruzalem.

Terug naar Inhoud

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Abd al-Malik als stichter van de islam

🇩🇪 Aan het begin van de islam staan de profeet Mohammed en de koran. Maar wat was dat voor een islam? De koran werd pas in de loop van de zevende eeuw tot een boek en stond als zodanig maar weinig mensen ter beschikking. De soenna (=handelwijze, overgeleverde norm) van de profeet werd pas later uitgewerkt; in de zevende eeuw was de belangrijkste soenna die van de kaliefen. De sharia bestond ook nog niet. Waren er al moslims? Zelf noemden zij zich in het begin ‘de gelovigen’, en het woord islam was ook nog niet gangbaar als aanduiding van de godsdienst.
De islam was nog niet uitgekristalliseerd; hij moest nog worden vormgegeven en daartoe heeft de Umayyadische kalief ‘Abd al-Malik (reg. 685–705) veel bijgedragen. Zo veel zelfs, dat hij als stichter of tweede stichter van de islam kan worden opgevat.

  • Een Umayyade als stichter van de islam? Menig moslim zal dat boos ontkennen: de Umayyaden waren immers moordenaars, zuipers, usurpators en nog veel meer! Kan zijn, maar ‘Abd al-Malik heeft een islam gesticht en die aan de openbaarheid gepresenteerd. Dat zijn islam afwijkt van het islamontwerp van latere schriftgeleerden, daar kon hij niets aan doen.

Toen ‘Abd al-Malik als kalief aantrad had hij met vele vijanden te kampen. Hij had van zijn vader weliswaar een reusachtig rijk geërfd, dat heel Perzië en de helft van het Oostromeinse rijk omvatte, maar dat rijk was er beroerd aan toe. Het oostelijk deel wilde niet vanuit de hoofdstad Damascus geregeerd worden, Sjiïeten en Kharidjieten rebelleerden en in zijn eerste regeringsjaren moest hij nog met een ander kalifaat afrekenen: dat van ‘Abdallāh ibn al-Zubayr (reg. 680–992). Die resideerde in Mekka; zijn broer Mus‘ab heerste als stadhouder over grote delen van Irak en Iran, terwijl de Umayyaden soms niet veel meer over hadden dan Damascus en Syrië. ‘Abdallāh en zijn broer klein te krijgen lukte ‘Abd al-Malik in 692: beiden werden gedood, de burgeroorlog was voorbij. De kalief moet geschrokken zijn van de kloof die er gaapte tussen Syrië en het Arabische schiereiland, waar de gewoontes van de profeet en de vroegste gelovigen in ere werden gehouden. Nu kwam het erop aan, de eenheid te herstellen.

Geschiedsschrijving
De herenigde staat had behoefte aan een algemeen aanvaarde ideologie en stichtingsmythe, waarin Mekka en Medina een hoofdrol zouden spelen. Nu kwam ‘Urwa ibn al-Zubair (643–712) goed van pas. Nadat ‘Abd al-Malik diens broers ‘Abdallāh en Mus‘ab had laten doden spoedde de veel jongere ‘Urwa zich naar Damascus om zijn huid te redden door trouw te zweren aan de winnende kalief. Dat was een gewaagde stap, maar hij had succes. De kalief, die reeds om strategische redenen offciële rouw had afgekondigd voor Mus‘ab, zag af van de terechtstelling van ‘Urwa en besloot hem liever te gebruiken. ‘Urwa was de intellectueel van de familie, die nooit militair actief was geweest, maar zich in Medina in alle rust had gewijd aan de studie van de hadith, het recht en de profetenbiografie. De kalief liet hem terugkeren naar Medina en verzocht hem, de ware geschiedenis van de islam voor hem op te schrijven. Dat deed ‘Urwa: hij schreef een hele reeks ‘brieven’ (rasā’il) aan de kalief en later nog aan diens zoon al-Walīd. Deze teksten zijn van groot belang, want zij bevatten de kern van de profetenbiografie en van de vroegste geschiedenis van de beweging die sinds ‘Abd al-Malik ‘Islam’ heet. Latere auteurs grijpen vrijwel allemaal op ‘Urwa’s teksten terug. Die zijn beknopt, want fantastische verhalen stelde ‘Abd al-Malik niet op prijs. Later werden ze aangedikt en verrijkt.
‘Urwa was niet alleen de zoon van de vooraanstaande profetengezel al-Zubayr, maar ook van Asmā’, de dochter van de eerste kalief Abū Bakr. Diens jongere dochter Aisja was de weduwe van de profeet en ‘Urwa’s tante. Zo stamde hij van vaders- en van moederskant van de ‘vroege elite’ . Zijn geschriften ademen Arabië en zijn uitgesproken pro-Abū Bakr en diens familie. De vroegste islam, met zijn oriëntering (qibla) op Jeruzalem, was misschien toch een overwegend syrisch-palestijnse aangelegenheid geweest. De Rotskoepel was eindpunt en hoogtepunt van die ‘syrische islam’. Door ‘Urwa’s werk kregen de Arabische erfenis en de ‘vroege elite’ een ereplaats in de offciële leer. Mekka, de Ka‘ba en Medina werden nu belangrijker dan ooit; het Arabische schiereiland speelde voortaan weer volledig mee en zo werd potentiële rebellen, althans op het schiereiland, de wind uit de zeilen genomen.

De Rotskoepel
Toen de burgeroorlog nog woedde liet ‘Abd al-Malik op de voormalige tempelberg in Jerusalem de Rotskoepel bouwen, die in 692 gereed kwam. In het midden daarvan bevindt zich een groot rotsblok, waaromheen de pelgrims hun ronden konden draaien, net als in Mekka. Daarbij zagen ze inscripties, waarin enkele duidelijke uitspraken de triomf van de islam verkondigden, zoals bij voorbeeld: ‘De godsdienst bij God is islam’ (koran 3:19).
Waarom liet de kalief die Rotskoepel bouwen? Het ligt voor de hand het gebouw te interpreteren als een statement aan de christenen. Christenen vormden immers de overgrote meerderheid in het Westen van het rijk, en voor hen was Jeruzalem met zijn Grafkerk een plaats van uitnemend belang. In de kerk werd het Heilige Kruis bewaard, dat keizer Heraclius er pas in 630 had teruggebracht nadat het door de Perzen geroofd geweest was. De Rotskoepel was een vrijstaand nieuw gebouw, uitdagend door zijn ligging en zijn schoonheid, en door de inscripties erop en erin. Uit één daarvan wordt duidelijk wat over Jezus te denken is:

  • Christus Jezus, de zoon van Maria, is [slechts] Gods gezant en zijn Woord, dat Hij richtte tot Maria, en een geest van Hem. Gelooft dan in God en Zijn gezanten en zegt niet: ‘Drie’! Houdt daarmee op, dat is beter voor jullie. God is [slechts] één God, geprezen zij Hij! Dat hij een kind zou hebben! (koran 4:171)

Aan eeuwen van christelijk gehakketak over de natuur van Christus werd door deze en andere koranteksten een eind gemaakt. Ook Mohammed, dienaar en gezant van God, wordt in de inscripties vermeld; dat was tevoren in de openbaarheid nauwelijks ooit gedaan.
Met dit afscheid van het christendom werd de islam geboren, de Arabische islam. Geleidelijk verdween steeds meer joods en christelijk materiaal (isrā’īlīyāt) uit de verhalen en de genealogieën; er vond een duidelijke ‘ontbijbeling’ plaats. 

‘Abd al-Malik had grote verdiensten voor het rijk. Hij heeft de eenheid hersteld, binnenlandse vijanden klein gehouden en de keizer in Constantinopel zijn plaats gewezen. Hij heeft het bestuur en het belastingstelsel herzien en een monetaire hervorming uitgevoerd, waarbij hij uitstapte uit de Romeinse solidus, de Euro van die tijd. Arabisch maakte hij tot de officiële rijkstaal. Dat waren allemaal belangrijke prestaties, maar van blijvender invloed waren zijn benadrukking van een islamitische identiteit en zijn initiatief tot een islamitische geschiedsschrijving.

BIBLIOGRAFIE
– A. Görke und G. Schoeler, Die ältesten Berichte über das Leben Muḥammads. Das Korpus ‘Urwa ibn az-Zubair, Princeton 2008. (‘Urwa’s ‘brieven’ gebundeld in het Duitse vertaling en geanalyseerd.)
– Chase Robinson, Abd al-Malik, Oxford 2005.

Diakritische Zeichen: ‘Abd al-Malik, Muṣʿab, ʿAbdallāh, ʿUrwa, ʿĀisha

Zurück zum Inhalt

AM: Abd al-Maliks geldhervorming

(Fragment. Ter verduidelijking kunt U eerst dit lezen)

Toen kalief ‘Abd al-Malik zijn tegenstander ‘Abdallāh ibn al-Zubayr in 692 had verslagen stond hij voor de taak, zijn rijk op te bouwen, d.w.z. de delen samen te smelten tot één staat. Dit moest op verschillende fronten gebeuren: ideologie, leger, bestuur, officiële taal, maar ook het geld.

Het Arabische Rijk had nog geen eenheidsmunt, maar gebruikte in het Westen Romeinse munten en in het Oosten Perzische. Op het Arabische schiereiland zal men naar oude gewoonte ook brokjes goud gebruikt hebben, die men in zijn kleding verstopte.

HET ROMEINSE RIJK EN DAARNA.
In Constantinopel had men de aureus solidus of kortweg solidus,1 een betrouwbare gouden munt van ± 4,5 gram, die in omloop was sinds 309 en het meer dan duizend jaar heeft uitgehouden. Natuurlijk waren er ook kleinere eenheden van zilver en koper. De solidus was de sleutelvaluta van Europa en het Middellandse Zee-gebied, die wel de ‘Euro van de Middeleeuwen’ is genoemd. Op de voorzijde stond een afbeelding van een keizer of keizerin, op de keerzijde een kruis op drie of vier treden@@;2 zie bij voorbeeld de munt van keizer Constans:

Constans II, Carthago 652–3. Foto Otto Nickl

Constans II, Carthago 652–3. De munt van Carthago sloeg dikkere munten, maar wel met hetzelfde gewicht. Foto Otto Nickl.

Van keizer Heraclius (575–641, reg. 610–641) bestaan er munten met twee personen op de voorzijde: de keizer en zijn zoon Constantinus III:

Heraclius en Constantinus III

Heraclius en Constantinus III

Tussen 638 en 641 werden er zelfs munten geslagen met drie personen erop: Heraclius en zijn twee zonen en medekeizers: 

Heraclius, Constantijn III en Heraklonas, ± 640. Foto Otto Nickl

Heraclius, Constantinus III en Heraklonas, ± 640. Foto Otto Nickl

De Umayyadenkalief Mu‘āwiya (661–680) liet solidi  slaan naar het voorbeeld van de late munten van Heraclius, met dezelfde drie keizers(!) op de voorzijde, maar zonder kruisen op hun kronen, en op de keerzijde dezelfde Griekse tekst als vanouds en een gekortwiekt kruis met alleen een dwarsbalk, zodat het niet op een christelijk kruis leek.

Solidus van Mu‘āwiya, 661–80. De drie kruisen op de kronen zijn vervangen door bollen. Het kruis op de avers is zodanig veranderd dat het geen christelijk kruis meer leek.

Solidus van Mu‘āwiya, 661–80. Foto Otto Nickl.

Blijkbaar was zijn solidus geen succes. In de Maronitische Chronieken wordt gezegd dat Mu‘āwiya ‘munten sloeg van goud en zilver, maar zij werden niet geaccepteerd, omdat er geen kruis op stond.’3 Men kon echter overal met elders in het Romeinse Rijk geslagen keizerlijke solidi terecht.

Van ‘Abd al-Malik is er een wat kleinere munt van dadelijk na zijn aantreden als kalief in 685, met op de voorzijde een afbeelding van zichzelf en zijn broer en gedoodverfde opvolger ‘Abd al-‘Azīz:

Abd al-Malik, 685. Keerzijde: Bismillāh. ‘Abd allāh ‘Abd al-Malik, amīr al-mu’minīn. ‘In naam van God, De knecht Gods, Abd al-Malik, bevelhebber der gelovigen’

‘Abd al-Malik, 685. Voorzijde: Twee staande figuren met lange gewaden en Arabische hoofdbedekking. De rechterhanden op de zwaarden. Tussen hen in op drie treden een staf met een bol. Keerzijde: Grote ‘M’ met een zespuntige ster erboven. In de marge: Bismillāh. ‘Abd allāh ‘Abd al-Malik, amīr al-mu’minīn. ‘In naam van God, de knecht Gods, ‘Abd al-Malik, bevelhebber der gelovigen’

Vervolgens zijn er gouden munten waarop de kalief en face staat afgebeeld met een zwaard en een zweep, en teksten die ik nog moet ontcijferen.

Voorzijde: Achterzijde:

Voorzijde: Kalief ‘Abd al-Malik met zwaard en zweep. (Vóór de geldhervorming.)
Keerzijde: Pilaar op drie treden (de restanten van het Romeinse kruis)

=================================

HET SASSANIDISCHE PERZIË EN DAARNA. In Perzië en het bijbehorende Irak hadden de Sassanidische vorsten de zilveren standaard: de drachme of dirham, hoewel er ook grotere munten van goud bestonden (dinar).

ardashir1-240

Voorzijde: buste van koning Ardashīr I (± 240), in het Pahlavi:@@. Keerzijde: Perzisch vuuraltaar.

Een van de laatste Perzische koningen, Khosrau II Parvīz (data) bracht nog ongelofelijke massa’s drachmen in omloop: een stevige zilveren munt van ongeveer 4 gram, die nog tot lang na de val van het Perzische Rijk algemeen vertrouwen genoot:

Khusrau II, 612–613, Meshan GDH apzwt | hwslwb Buste, gevleugelde kroon met ster en halve maan, sterren en halve manen sycwyst' Revers@@: Vuuraltaar met twee priesters, hand op zwaard, halve maan op het hoofd, halve manen met sterren 32mm x 33mm, 4.09g

Khusrau II, 612–613, Meshan
Voorzijde: Buste in Sassanidische stijl, hoofd naar rechts, gevleugelde kroon met ster en halve maan, astrologische symbolen GDH apzwt | hwslwb ycwyst’ @@
Keerzijde: Vuuraltaar met twee priesters, hand op zwaard, halve maan op het hoofd, astrologische symbolen. 32mm x 33mm, 4.09g

Toen Perzië onder Arabische heerschappij was gekomen, veranderde er op het gebied van munten nog minder dan in het Westen. De bestaande munten behielden gewoon hun geldigheid. Op sommige munten werd het Arabische woord djayyid gezet: ‘goed, geldig’. Onder Mu‘āwiya (reg. 661–680) verschenen daar munten met nog steeds de buste van ex-koning Khosrau II, nog met Middelperzische (Pahlavi) tekst en alleen een bescheiden toevoeging aan de rand in het Arabisch:

Mu‘āwiya I, 661 Voorzijde: Keerzijde:

Mu‘āwiya I, 663–664
Voorzijde: Buste in Sassanidische stijl enz. Tekst in Pahlavi: Maawia amir i-wruishnikan, ‘Mu‘āwiya, bevelhebber der gelovigen’. In de marge: bism allāh, ‘In de  naam van God’.
Keerzijde: Perzisch vuuraltaar met twee priesters. [Munt te] Darabgird. 4.00 gram

 Ook Mu‘āwiya’s zoon Yazīd I (reg. 680–4) liet nog munten slaan met Pahlawi tekst, zonder iets wat op Arabisch of islam wees:

Drachme van Yazīd I.

Drachme van Yazīd I, 681. Voorzijde: Buste in Sassanidische stijl, hoofd naar rechts, gevkleugelde kroon met ster en halve maan. Astrologische symbolen. In Pahlavi GDH ’FZWT, ‘tot meerdere glorie’. Rechts tegenover het hoofd in Pahlavi ḤWSLWY, ‘Khosrau’. Keerzijde: Vuuraltaar met twee priesters, hand op zwaard, halve maan op het hoofd, astrologische synmbolen. ŠNT ’YWK, ‘jaar één’, Y YZYT, ‘van Yazīd’/

PERZIË ONDER DE ZUBAYRIDEN: Zuid-Perzië werd van 680–692 bestuurd door Mus‘ab ibn al-Zubayr, de broer van de rivaliserende kalief ‘Abdallāh ibn al-Zubayr. In dit deel van het land werden er duidelijk stappen ondernomen om de munten te islamiseren. Weliswaar bleven het nog steeds dezelfde drachmen van koning Khusrau, maar nu met een islamitische tekst:

FOTO IS WEGGEVALLEN@@@

Dit is de oudste bewaarde munt, waarop de naam Mohammed in het openbaar verschijnt. Van kort daarna is er ook een met de naam van Mohammed in het Pahlavi, eveneens uit het gebied van het Zubayridische kalifaat:

Drachme uit Kirman, 689. Obvers: MHMT PGTAMI Y DAT, Mohammed is d eboodschapper van God. In de marge Arabisch: bismillāh walī al-amr, in naam van God, de heer der dingen

Drachme uit Kirmān, 689. Voorzijde: buste in Sassanidische stijl, hoofd naar rechts; in het Pahlavi: MHMT PGTAMI Y DAT, ‘Mohammed is de boodschapper van God’. In de marge Arabisch: bismillāh walī al-amr, ‘in naam van God, de heerser over alles’. Astrologische symbolen. Keerzijde: Sassanidisch vuuraltaar met aan beide zijden een priester, astrologische symbolen. GRM KRMAN 70. 3,94 gram.

GELDHERVORMING. In 696 voerde ‘Abd al-Malik de geldhervorming door en voerde de dubbele standaard (bimetallisme) in. De gouden Romeinse munten werden in zijn rijk vervangen door de dīnār, de zilveren Perzische door de dirham. Hij had edelmetaal genoeg om beide munten in enorme hoeveelheden in omloop te brengen en ze sloegen goed aan. Eeuwen lang zou de dīnār een van de belangrijkste munteenheden ter wereld zijn. Waarom deze nieuwe munt? Hij wilde natuurlijk een uniforme valuta voor zijn gehele nog samen te smeden rijk en wenste in een zo belangrijke zaak niet afhankelijk te zijn van de keizer in Constantinopel, met wie hij op meer dan een front overhoop lag. Extra irriterend moet een actie van de Romeinse keizer Justinianus II zijn geweest. Justinianus regeerde tegelijk met kalief ‘Abd al-Malik van 685–695 en later nog een periode van 705 tot zijn dood. Hij veranderde het uiterlijk van de solidus: op de ene kant—is dat nu de voorzijde?—liet hij een afbeelding van Jezus Christus zetten en op de andere kant een afbeelding van hemzelf, staande met een kruis in zijn hand:4

Justinianus II, 692–5. Dumbarton Oaks Museum

Justinianus II, 692–5. Dumbarton Oaks Museum

Deed hij dat om zijn rivaal de kalief te ergeren? Misschien speelde het op de achtergrond mee, maar het zal eerder een zet geweest zijn in het smeulende intern-christelijke conflict over de iconen, de ‘beeldenstrijd’ die de kerk meer dan een eeuw heeft geteisterd. Hoe dan ook, ‘Abd al-Malik creëerde in 696 een eigen gouden munt, die de solidus in zijn rijk geheel overbodig zou maken. Hij stapte dus als het ware ‘uit de Euro’. Op de nieuwe munten stonden helemaal geen afbeeldingen meer, maar alleen Arabische teksten: een koranvers, de geloofsbelijdenis e.d, een jaartal, en daarmee werd een trend gezet voor toekomstige eeuwen. Deze munten behoren ook tot de oudste getuigen van de Arabische tekst van de koran überhaupt. Het was echt een islamitische munt; die paste natuurlijk bij de islamisering die nu overal in het rijk werd doorgevoerd. Dinars zonder afbeeldingen zouden nog eeuwen worden geslagen en verdrongen geleidelijk de solidus, vooral toen deze aan goudgehalte inboette. Natuurlijk moest de munt ook in het oostelijke deel het zijn rijk gelden; ook met de Sassanidische munten was het vanaf ± 700 afgelopen. Die hadden het toch nog zestig jaar na de verovering door de Arabieren uitgehouden. Een tijdlang werden er nog belastingen geïnd in de alomtegenwoordige zware Sassanidische drachmen—mogelijk om ze ter omsmelting te verzamelen.

Nieuwe Dinar van AM 697–8, 4.25 gr.

Gouden dinar van ‘Abd al-Malik, Damascus 697–8, 4.25 gr. Voorzijde: Lā ilāha illā allāh waḥdahu lā sharīk lahu, ‘Er is geen God dan God alleen, hij heeft geen partner’. Marge: Muḥammad rasūl allāh. Arsalahu bil-hudā wa-dīn al-ḥaqq li-yuzḥirahu ‘alā al-dīn kullihi. Mohammed is de gezant van God. Hij heeft hem gezonden met de rechte leiding en de godsdienst om die te laten zegevieren over de gehele godsdienst (Koran 9:33 e.a.) Keerzijde: Allāḥ aḥad allāhu al-ṣamad lam yalid wa-lam yūlad, ‘God is éen, God is  de stabiele, hij heeft niet verwekt en is niet verwekt [Koran, soera 112]. Marge: Bism allāh …? hādhā al-dīnār fī sanat tis‘a wa-sab‘īn ‘In naam van God werd deze dīnār [geslagen] in het jaar 79.’

Waarom wilde ‘Abd al-Malik geen afbeeldingen meer en zag hij af van reclame voor zichzelf? Was het een bruuske reactie op de dubbel bebeelde munten van Justiananus II? Of was het islamitische verbod op afbeeldingen van dieren en mensen de aanleiding tot de beeldloze munten? Dat laatste kan het geval geweest zijn, maar dat is geen gemakkelijk onderwerp. Bestond dat verbod überhaupt wel? De Rotskoepel in Jeruzalem bevat geen afbeeldingen. De Umayyadenmoskee in Damascus heeft mozaïeken in de beste Romeinse traditie, maar alleen van planten; niet van mensen of dieren. Anderzijds hadden Umayyadenkaliefen  geen enkel bezwaar tegen afbeeldingen van mensen en dieren op mozaïeken en aan de wand van hun paleizen. Zij hadden mozaïeken van jachtdieren, fresco’s van naakte vrouwen in hun badkamers en pornografisch aandoende beelden van halfnaakte vrouwen in hun feestzalen. Maar munten waren een soort visitekaartje van de staat, evenals die openbare gebouwen; mogelijk golden daarvoor andere normen. Het verbod op afbeeldingen krijgt een apart artikeltje.

Tot zover over de buitenkant van de nieuwe munten. De munten zouden beeldloos blijven tot aan de Eerste Wereldoorlog. Aan de beschrijvingen hapert nog van alles. En er moet natuurlijk nog iets komen over de monetaire betekenis van dit alles, maar dat zal nog duren.

BIBLIOGRAFIE
– Andreas N. Stratos, Byzantium in the Seventh Century, dl. 5, Amsterdam 1980.
– Constance Head, Justinian II of Byzantium. Madison 1972.
– Robert Gobl, Sasanian Numismatics, Braunschweig 1971.
– Malek Iradj Mochiri, Étude de numismatique iranienne sous les Sassanides et Arabe-Sassanides, Tome II, Teheran 1983.
Geen van deze boeken heb ik al gezien. U zult het hebben gemerkt, ik ben in bovenstaande tekst niet zo welbeslagen ten ijs als anders. Munten is niet zo mijn ding.

NOTEN
1. De moderne woorden soldij, soldaat, Söldner en sou stammen van de muntnaam solidus. Solide, solidair en consolideren niet; die komen regelrecht van het Latijnse adjectief solidus, ‘stevig, betrouwbaar’. Het woord solden, ‘uitverkoop’ heeft er ook niets mee te maken.
2. Julianus de Afvallige (331–63) had het kruis er weer afgehaald, maar dat was maar een korte episode.
3. Andrew Palmer, The Seventh Century in the West-Syrian Chronicles, Liverpool 1993, 32.
4. En met neus. Toen hij in 695 hij uit de macht werd ontzet werd hem naar oud gebruik de neus afgesneden. Vandaar dat zijn bijnaam is: ῾Ρινότμητος, Rhinótmitos, ‘die met de afgesneden neus’. Hij wist de macht echter na enkele jaren terug te veroveren. Op de munten uit zijn tweede regeringsperiode staat hij eveneens mét neus.

ABD AL-MALIK IBN MARWAN: startpagina. De eerste kaliefen. Mu‘awiya’s opvolgers. De Umayyaden uit Medina verjaagd. Abd al-Malik geeft strategisch advies. As over Medina? Graanschepen voor Medina. Arbeidsloos inkomen. De Rotskoepel in Jeruzalem.

Terug naar Inhoud