AM: Abd al-Maliks geldhervorming

(Fragment. Ter verduidelijking kunt U eerst dit lezen)

Toen kalief ‘Abd al-Malik zijn tegenstander ‘Abdallāh ibn al-Zubayr in 692 had verslagen stond hij voor de taak, zijn rijk op te bouwen, d.w.z. de delen samen te smelten tot één staat. Dit moest op verschillende fronten gebeuren: ideologie, leger, bestuur, officiële taal, maar ook het geld.

Het Arabische Rijk had nog geen eenheidsmunt, maar gebruikte in het Westen Romeinse munten en in het Oosten Perzische. Op het Arabische schiereiland zal men naar oude gewoonte ook brokjes goud gebruikt hebben, die men in zijn kleding verstopte.

 

HET ROMEINSE RIJK EN DAARNA.
In Constantinopel had men de aureus solidus of kortweg solidus,1 een betrouwbare gouden munt van ± 4,5 gram, die in omloop was sinds 309 en het meer dan duizend jaar heeft uitgehouden. Natuurlijk waren er ook kleinere eenheden van zilver en koper. De solidus was de sleutelvaluta van Europa en het Middellandse Zee-gebied, die wel de ‘Euro van de Middeleeuwen’ is genoemd. Op de voorzijde stond een afbeelding van een keizer of keizerin, op de keerzijde een kruis op drie of vier treden@@;2 zie bij voorbeeld de munt van keizer Constans:

Constans II, Carthago 652–3. Foto Otto Nickl

Constans II, Carthago 652–3. De munt van Carthago sloeg dikkere munten, maar wel met hetzelfde gewicht. Foto Otto Nickl.

Van keizer Heraclius (575–641, reg. 610–641) bestaan er munten met twee personen op de voorzijde: de keizer en zijn zoon Constantinus III:

Heraclius en Constantinus III

Heraclius en Constantinus III

Tussen 638 en 641 werden er zelfs munten geslagen met drie personen erop: Heraclius en zijn twee zonen en medekeizers: 

Heraclius, Constantijn III en Heraklonas, ± 640. Foto Otto Nickl

Heraclius, Constantinus III en Heraklonas, ± 640. Foto Otto Nickl

De Umayyadenkalief Mu‘āwiya (661–680) liet solidi  slaan naar het voorbeeld van de late munten van Heraclius, met dezelfde drie keizers(!) op de voorzijde, maar zonder kruisen op hun kronen, en op de keerzijde dezelfde Griekse tekst als vanouds en een gekortwiekt kruis met alleen een dwarsbalk, zodat het niet op een christelijk kruis leek.

Solidus van Mu‘āwiya, 661–80. De drie kruisen op de kronen zijn vervangen door bollen. Het kruis op de avers is zodanig veranderd dat het geen christelijk kruis meer leek.

Solidus van Mu‘āwiya, 661–80. Foto Otto Nickl.

Blijkbaar was zijn solidus geen succes. In de Maronitische Chronieken wordt gezegd dat Mu‘āwiya ‘munten sloeg van goud en zilver, maar zij werden niet geaccepteerd, omdat er geen kruis op stond.’3 Men kon echter overal met elders in het Romeinse Rijk geslagen keizerlijke solidi terecht.

Van ‘Abd al-Malik is er een wat kleinere munt van dadelijk na zijn aantreden als kalief in 685, met op de voorzijde een afbeelding van zichzelf en zijn broer en gedoodverfde opvolger ‘Abd al-‘Azīz:

Abd al-Malik, 685. Keerzijde: Bismillāh. ‘Abd allāh ‘Abd al-Malik, amīr al-mu’minīn. ‘In naam van God, De knecht Gods, Abd al-Malik, bevelhebber der gelovigen’

‘Abd al-Malik, 685. Voorzijde: Twee staande figuren met lange gewaden en Arabische hoofdbedekking. De rechterhanden op de zwaarden. Tussen hen in op drie treden een staf met een bol. Keerzijde: Grote ‘M’ met een zespuntige ster erboven. In de marge: Bismillāh. ‘Abd allāh ‘Abd al-Malik, amīr al-mu’minīn. ‘In naam van God, de knecht Gods, ‘Abd al-Malik, bevelhebber der gelovigen’

Vervolgens zijn er gouden munten waarop de kalief en face staat afgebeeld met een zwaard en een zweep, en teksten die ik nog moet ontcijferen.

Voorzijde: Achterzijde:

Voorzijde: Kalief ‘Abd al-Malik met zwaard en zweep. (Vóór de geldhervorming.)
Keerzijde: Pilaar op drie treden (de restanten van het Romeinse kruis)

 

=================================

HET SASSANIDISCHE PERZIË EN DAARNA. In Perzië en het bijbehorende Irak hadden de Sassanidische vorsten de zilveren standaard: de drachme of dirham, hoewel er ook grotere munten van goud bestonden (dinar).

ardashir1-240

Voorzijde: buste van koning Ardashīr I (± 240), in het Pahlavi:@@. Keerzijde: Perzisch vuuraltaar.

Een van de laatste Perzische koningen, Khosrau II Parvīz (data) bracht nog ongelofelijke massa’s drachmen in omloop: een stevige zilveren munt van ongeveer 4 gram, die nog tot lang na de val van het Perzische Rijk algemeen vertrouwen genoot:

Khusrau II, 612–613, Meshan GDH apzwt | hwslwb Buste, gevleugelde kroon met ster en halve maan, sterren en halve manen sycwyst' Revers@@: Vuuraltaar met twee priesters, hand op zwaard, halve maan op het hoofd, halve manen met sterren 32mm x 33mm, 4.09g

Khusrau II, 612–613, Meshan
Voorzijde: Buste in Sassanidische stijl, hoofd naar rechts, gevleugelde kroon met ster en halve maan, astrologische symbolen GDH apzwt | hwslwb ycwyst’ @@
Keerzijde: Vuuraltaar met twee priesters, hand op zwaard, halve maan op het hoofd, astrologische symbolen. 32mm x 33mm, 4.09g

Toen Perzië onder Arabisch heerschappij was gekomen, veranderde er op het gebied van munten nog minder dan in het Westen. De bestaande munten behielden gewoon hun geldigheid. Op sommige munten werd het Arabische woord djayyid gezet: ‘goed, geldig’. Onder Mu‘āwiya (reg. 661–680) verschenen daar munten met nog steeds de buste van ex-koning Khosrau II, nog met Middelperzische (Pahlavi) tekst en alleen een bescheiden toevoeging aan de rand in het Arabisch:

Mu‘āwiya I, 661 Voorzijde: Keerzijde:

Mu‘āwiya I, 663–664
Voorzijde: Buste in Sassanidische stijl enz. Tekst in Pahlavi: Maawia amir i-wruishnikan, ‘Mu‘āwiya, bevelhebber der gelovigen’. In de marge: bism allāh, ‘In de  naam van God’.
Keerzijde: Perzisch vuuraltaar met twee priesters. [Munt te] Darabgird. 4.00 gram

 Ook Mu‘āwiya’s zoon Yazīd I (reg. 680–4) liet nog munten slaan met Pahlawi tekst, zonder iets wat op Arabisch of islam wees:

Drachme van Yazīd I.

Drachme van Yazīd I, 681. Voorzijde: Buste in Sassanidische stijl, hoofd naar rechts, gevkleugelde kroon met ster en halve maan. Astrologische symbolen. In Pahlavi GDH ’FZWT, ‘tot meerdere glorie’. Rechts tegenover het hoofd in Pahlavi ḤWSLWY, ‘Khosrau’. Keerzijde: Vuuraltaar met twee priesters, hand op zwaard, halve maan op het hoofd, astrologische synmbolen. ŠNT ’YWK, ‘jaar één’, Y YZYT, ‘van Yazīd’/

PERZIË ONDER DE ZUBAYRIDEN: Zuid-Perzië werd van 680–692 bestuurd door Mus‘ab ibn al-Zubayr, de broer van de rivaliserende kalief ‘Abdallāh ibn al-Zubayr. In dit deel van het land werden er duidelijk stappen ondernomen om de munten te islamiseren. Weliswaar bleven het nog steeds dezelfde drachmen van koning Khusrau, maar nu met een islamitische tekst:

Drachme, in 685 gemunt in het Zubayridisch geregeerde Bishapur. Obvers; bust in Sassanidische stijl met de naam van kalief ‘Abd al-Malik in het Pahlavi. Marge in het Arabisch: bism Allāh Muḥammad rasūl Allāh , ‘In naam van God. Mohammed is de gezant van God.’ Revers: Sassanidisch vuuraltaar.

Drachme, in 685-6 gemunt in het Zubayridisch geregeerde Bishapur. Voorzijde: buste in Sassanidische stijl, hoofd naar rechts, de naam van kalief ‘Abd al-Malik in het Pahlavi. Marge in het Arabisch: bism Allāh Muḥammad rasūl Allāh, ‘In naam van God. Mohammed (is) de gezant van God.’ Keerzijde: Sassanidisch vuuraltaar met aan weerszijden een priester. [Datum:] 67

 Dit is de oudste bewaarde munt, waarop de naam Mohammed in het openbaar verschijnt. Van kort daarna is er ook een met de naam van Mohammed in het Pahlavi, eveneens uit het gebied van het Zubayridische kalifaat:

 

Drachme uit Kirman, 689. Obvers: MHMT PGTAMI Y DAT, Mohammed is d eboodschapper van God. In de marge Arabisch: bismillāh walī al-amr, in naam van God, de heer der dingen

Drachme uit Kirmān, 689. Voorzijde: buste in Sassanidische stijl, hoofd naar rechts; in het Pahlavi: MHMT PGTAMI Y DAT, ‘Mohammed is de boodschapper van God’. In de marge Arabisch: bismillāh walī al-amr, ‘in naam van God, de heerser over alles’. Astrologische symbolen. Keerzijde: Sassanidisch vuuraltaar met aan beide zijden een priester, astrologische symbolen. GRM KRMAN 70. 3,94 gram.

 

GELDHERVORMING. In 696 voerde ‘Abd al-Malik de geldhervorming door en voerde de dubbele standaard (bimetallisme) in. De gouden Romeinse munten werden in zijn rijk vervangen door de dīnār, de zilveren Perzische door de dirham. Hij had edelmetaal genoeg om beide munten in enorme hoeveelheden in omloop te brengen en ze sloegen goed aan. Eeuwen lang zou de dīnār een van de belangrijkste munteenheden ter wereld zijn. Waarom deze nieuwe munt? Hij wilde natuurlijk een uniforme valuta voor zijn gehele nog samen te smeden rijk en wenste in een zo belangrijke zaak niet afhankelijk zijn van de keizer in Constantinopel, met wie hij op meer dan een front overhoop lag. Extra irriterend moet een actie van de Romeinse keizer Justinianus II zijn geweest. Justinianus regeerde tegelijk met kalief ‘Abd al-Malik van 685–695 en later nog een periode van 705 tot zijn dood. Hij veranderde het uiterlijk van de solidus: op de ene kant—is dat nu de voorzijde?—liet hij een afbeelding van Jezus Christus zetten en op de andere kant een afbeelding van hemzelf, staande met een kruis in zijn hand:4

Justinianus II, 692–5. Dumbarton Oaks Museum

Justinianus II, 692–5. Dumbarton Oaks Museum

Deed hij dat om zijn rivaal de kalief te ergeren? Misschien speelde het op de achtergrond mee, maar het zal eerder een zet geweest zijn in het smeulende intern-christelijke conflict over de iconen, de ‘beeldenstrijd’ die de kerk meer dan een eeuw heeft geteisterd. Hoe dan ook, ‘Abd al-Malik creëerde in 696 een eigen gouden munt, die de solidus in zijn rijk geheel overbodig zou maken. Hij stapte dus als het ware ‘uit de Euro’. Op de nieuwe munten stonden helemaal geen afbeeldingen meer, maar alleen Arabische teksten: een koranvers, de geloofsbelijdenis e.d, een jaartal, en daarmee werd een trend gezet voor toekomstige eeuwen. Deze munten behoren ook tot de oudste getuigen van de Arabische tekst van de koran überhaupt. Het was echt een islamitische munt; die paste natuurlijk bij de islamisering die nu overal in het rijk werd doorgevoerd. Dinars zonder afbeeldingen zouden nog eeuwen worden geslagen en verdrongen geleidelijk de solidus, vooral toen deze aan goudgehalte inboette. Natuurlijk moest de munt ook in het oostelijke deel het zijn rijk gelden; ook met de Sassanidische munten was het vanaf ± 700 afgelopen. Die hadden het toch nog zestig jaar na de verovering door de Arabieren uitgehouden. Een tijdlang werden er nog belastingen geïnd in de alomtegenwoordige zware Sassanidische drachmen—mogelijk om ze ter omsmelting te verzamelen.

 

Nieuwe Dinar van AM 697–8, 4.25 gr.

Gouden dinar van ‘Abd al-Malik, Damascus 697–8, 4.25 gr. Voorzijde: Lā ilāha illā allāh waḥdahu lā sharīk lahu, ‘Er is geen God dan God alleen, hij heeft geen partner’. Marge: Muḥammad rasūl allāh. Arsalahu bil-hudā wa-dīn al-ḥaqq li-yuzḥirahu ‘alā al-dīn kullihi. Mohammed is de gezant van God. Hij heeft hem gezonden met de rechte leiding en de godsdienst om die te laten zegevieren over de gehele godsdienst (Koran 9:33 e.a. ) Keerzijde: Allāḥ aḥad allāhu al-ṣamad lam yalid wa-lam yūlad, ‘God is éen, God is  de stabiele, hij heeft niet verwekt en is niet verwekt [Koran, soera 112]. Marge: Bism allāh …? hādhā al-dīnār fī sanat tis‘a wa-sab‘īn ‘In naam van God werd deze dīnār [geslagen?] in het jaar 79.’

Waarom wilde ‘Abd al-Malik geen afbeeldingen meer en zag hij af van reclame voor zichzelf? Was het een bruuske reactie op de dubbel bebeelde munten van Justiananus II? Of was het islamitische verbod op afbeeldingen van dieren en mensende aanleiding tot de beeldloze munten? Dat laatste kan het geval geweest zijn, maar dat is geen gemakkelijk onderwerp. Bestond dat verbod überhaupt wel? De Rotskoepel in Jeruzalem bevat geen afbeeldingen. De Umayyadenmoskee in Damascus heeft mozaïeken in de beste Romeinse traditie, maar alleen van planten; niet van mensen of dieren. Anderzijds hadden Umayyadenkaliefen  geen enkel bezwaar tegen afbeeldingen van mensen en dieren op mozaïeken en aan de wand van hun paleizen. Zij hadden mozaïeken van jachtdieren, fresco’s van naakte vrouwen in hun badkamers en pornografisch aandoende beelden van halfnaakte vrouwen in hun feestzalen. Maar munten waren een soort visitekaartje van de staat, evenals die openbare gebouwen; mogelijk golden daarvoor andere normen. Het verbod op afbeeldingen krijgt een apart artikeltje.

Tot zover over de buitenkant van de nieuwe munten. De munten zouden beeldloos blijven tot aan de Eerste Wereldoorlog. Aan de beschrijvingen hapert nog van alles. En er moet natuurlijk nog iets komen over de monetaire betekenis van dit alles, maar dat zal nog duren.

 

BIBLIOGRAFIE
– Andreas N. Stratos, Byzantium in the Seventh Century, dl. 5, Amsterdam 1980.
– Constance Head, Justinian II of Byzantium. Madison 1972. https://opac.ub.uni-marburg.de/DB=1/SET=1/TTL=1/SHW?FRST=2   @@
– Robert Gobl,<e,> Sasanian Numismatics, Braunschweig 1971.
– Malek Iradj Mochiri, Étude de numismatique iranienne sous les Sassanides et Arabe-Sassanides, Tome II, Teheran 1983.
Geen van deze boeken heb ik al gezien. U zult het hebben gemerkt, ik ben in bovenstaande tekst niet zo welbeslagen ten ijs als anders. Munten is niet mijn ding.

NOTEN
1. De moderne woorden soldij, soldaat, Söldner en sou stammen van de muntnaam solidus. Solide, solidair en consolideren niet; die komen regelrecht van het Latijnse adjectief solidus, ‘stevig, betrouwbaar’. Het woord solden, ‘uitverkoop’ heeft er ook niets mee te maken.
2. Julianus de Afvallige (331–63) had het kruis er weer afgehaald, maar dat was maar een korte episode.
3. Andrew Palmer, The Seventh Century in the West-Syrian Chronicles, Liverpool 1993, 32.
4. En met neus. Toen hij in 695 hij uit de macht werd ontzet werd hem naar oud gebruik de neus afgesneden. Vandaar dat zijn bijnaam is: ῾Ρινότμητος, Rhinótmitos, ‘die met de afgesneden neus’. Hij wist de macht echter na enkele jaren terug te veroveren. Op de munten uit zijn tweede regeringsperiode staat hij eveneens mét neus.

ABD AL-MALIK IBN MARWAN: startpagina. De eerste kaliefen. Mu‘awiya’s opvolgers. De Umayyaden uit Medina verjaagd. Abd al-Malik geeft strategisch advies. As over Medina? Graanschepen voor Medina. Arbeidsloos inkomen. De Rotskoepel in Jeruzalem.

Terug naar Inhoud

AM: De Rotskoepel in Jeruzalem

800px-Dome_of_the_Rock_Jerusalem_Victor_2011_-1-7(Fragment. Ter verduidelijking kunt U eerst dit lezen)

Het mooiste bouwwerk tussen Damascus en Cairo is de zevende-eeuwse Rotskoepel in Jeruzalem. Het staat op het plateau waar ooit de Tempel van Salomo gestaan moet hebben. Hoewel niet groot is het een dominerend gebouw, dat je van vele plaatsen uit de verte ziet. Toen er nog geen hoogbouw was moet dat nog meer het geval geweest zijn. Hier kunt U er een virtuele wandeling langs en doorheen maken. Naar verluidt mogen alleen moslims er naar binnen; ik ben er twintig jaar geleden nog wel in geweest.

domerockinterior2Het is een achthoekig gebouw met een rond binnenwerk (rotunda). Een moskee is het niet; die stond en staat een eindje verder op dat plateau. In het midden van de koepel ligt een flink rotsblok met een balustrade eromheen. Bezoekers kunnen er rondjes omheen lopen. Waarom zouden ze dat doen, vraagt U zich misschien af, maar dat wordt bij de zwarte steen in de Ka‘ba te Mekka ook gedaan. Ook het christendom en vele andere godsdiensten kennen religieus betekenisvolle ‘ommegangen’.

Het was kalief ‘Abd al-Malik die de Rotskoepel heeft laten bouwen, zo tussen 688 en 692. Waarom? Vroege schriftelijke bronnen vermelden het gebouw met geen woord, maar er zijn verschillende theorieën over.

Eén verklaring is de nog woedende burgeroorlog: Syriërs zouden de bedevaart naar Mekka niet hebben kunnen of willen maken omdat daar kalief ‘Abdallāh ibn al-Zubayr heerste en onder de pelgrims anti-Umayyadische propaganda bedreef. Daarom moest er een alternatief heiligdom in Jerusalem gebouwd worden.
Maar de bouw duurde een jaar of drie, en ‘Abd al-Malik was toen toch al druk bezig het kalifaat van Ibn al-Zubayr op te rollen? Het had wel van heel weinig vertrouwen in zijn eigen militaire capaciteiten getuigd als hij zijn twijfel aan de eindoverwinning al bij voorbaat in steen had vastgelegd. Toen hij Mekka en Medina terugveroverde kwam het gebouw juist gereed, dus met betrekking tot de burgeroorlog was het van meet af aan overbodig.

Meer voor de hand ligt het gebouw te interpreteren als statement aan de monotheïsten. En dat nog wel op de tempelberg, een schitterende, strategische locatie waar ooit de tempel van de joden had gestaan, maar nu al eeuwen niet meer. Joden vormden blijkbaar geen probleem, want die mochten nu weer in Jerusalem wonen, wat eeuwen lang niet toegestaan was geweest. Door hun geringe aantal vormden ze geen factor van belang. Christenen daarentegen vormden bijna de gehele bevolking van het westelijk deel van het Arabische Rijk. En voor hen was Jerusalem een zeer centrale plaats, met zijn kerk van het Heilige Graf, een niet zo stralend gebouw omgeven door een web van smalle straatjes, en daarin het Heilige Kruis, dat pas in 630 door keizer Heraclius in de kerk was teruggebracht nadat het door de Perzische vijand geroofd was geweest. De rotskoepel stond vrij: een fris, nieuw gebouw, uitdagend door zijn ligging, zijn schoonheid en de teksten die erop en erin stonden. Duidelijk is wat er over Jezus te denken is:

Mensen van de Schrift! Overdrijft niet in jullie godsdienst en zegt niets over God dan de waarheid. De Messias Jezus, de zoon van Maria, is de gezant van God en Zijn woord, dat hij toevertrouwde aan Maria, en een geest van hem. Gelooft dan in God en zijn boodschappers, en zegt niet: ‘Drie’. Houdt daarmee op, dat is beter voor u. God is één God, geloofd zijn hij! Dat hij een kind zou hebben. Hem behoort wat in de hemelen en wat op aarde is, en God volstaat als bewindvoerder. (Koran 4:171)

Aan eeuwenlang dogmatisch gehakketak over de natuur van Christus moest met deze en andere teksten een einde gemaakt worden. Ook Mohammed wordt als dienaar en gezant van God genoemd; dat was tevoren nog nauwelijks zo in het openbaar gedaan.

Met dit afscheid van de christenheid werd de islam geboren. Arabisch, de taal van de inscripties op het gebouw, zou voortaan de rijkstaal zijn; niet meer Syrisch of Grieks. Met het gemak waarmee gelovigen bij christenen de kerk binnenwipten en daar soms hun gebeden verrichtten zou het langzamerhand afgelopen zijn. Koranexemplaren werden naar de provinciehoofdsteden gestuurd, zodat men wist welke tekst de juiste was.

Voor moslims zullen de Rotskoepel en Jeruzalem aanvankelijk niet van groot belang zijn geweest. Integendeel; na de beëindiging van de burgeroorlog kreeg het heroverde Mekka een veel grotere nadruk. Met het afscheid van het christendom werd Arabië pas echt belangrijk: in de nieuwe islam werd een ‘ontbijbeling’ ingeluid. De koppeling van het verhaal over Mohammeds hemelvaart aan het heiligdom in Jerusalem en de verering van Jeruzalem door moslims überhaupt dateren van veel later dan het gebouw zelf.

Bibliografie: een kleine keus
– K. A. C. Creswell, Early Muslim Architecture. Oxford 1932, i, 42–94.
– O. Grabar, The Dome of the Rock, Harvard University Press 2006 (vooral voor de kunsthistorische kant)
– H. Busse: ‘Zur Geschichte und Deutung der frühislamischen Ḥarambauten in Jerusalem,’ Zeitschrift des Deutschen Palästina-Vereins (ZDPV), 107 (1991), S. 144–154.
– En vele andere! Het Duitse Wikipedia-Artikel ‘Felsendom’ bevat veel informatie over de Rotskoepel en heeft goede foto’s en een uitgebreide bibliografie.

ABD AL-MALIK IBN MARWAN: startpagina. De eerste kaliefen. Mu‘awiya’s opvolgers. De Umayyaden uit Medina verjaagd. Abd al-Malik geeft strategisch advies. Abd al-Malik oefent zich in wreedheid en moord. As over Medina? Graanschepen voor Medina. Arbeidsloos inkomen.

Terug naar Inhoud

AM: Graanschepen voor Medina. Umars diwan

(Fragment. AM = ‘Abd al-Malik. Ter verduidelijking kunt U eerst dit lezen)

Canal_des_PharaonsIn 640 werd Egypte voor de Arabieren veroverd door ‘Amr ibn al-‘Ās; Alexandrië iets later. Een van de eerste dingen die hij liet doen was het opknappen van het Bubastiskanaal, dat liep van het huidige Zagazig in de Nijldelta naar het huidige Ismā‘īlīya en dan naar het zuiden door het Krokodillenmeer en de Bittermeren naar Qulzum, ergens bij Suez. Het ging dus om een waterverbinding van de delta naar de Rode Zee. In een verbinding Rode Zee–Middellandse Zee was niemand geïnteresseerd. Alexandrië was immers de zeehaven, en de schepen waren klein genoeg om ook over de Nijl of door zo’n kanaal te varen. En anders werd er een keer verladen; alles was goedkoper dan transport over land. Bovendien waren handelscontacten met het Romeinse Rijk in deze periode niet aan de orde.
.
Dit of een soortgelijk kanaal bestond al in de tijd van de farao’s. Het kanaal dat ‘Amr daar aantrof was dat van de Perzische koning Darius (522–486 v. Chr.), die er inscripties achterliet. Na het vertrek van de Perzische bezetters wilde niemand meer met de boot naar Perzië en werd het kanaal verwaarloosd. Ptolemæus II (284–246 v. Chr.) had het opgeknapt, ten dele een andere bedding gegeven, en er met een sluis voor gezorgd dat er geen zout water in de Nijl kon stromen. Het eindpunt aan de Rode Zee heette Arsinoë, naar zijn zuster die tevens zijn echtgenote was. Het kanaal werd nog eens vernieuwd door de Romeinse keizer Trajanus (98–117). In zijn tijd beheerste het Romeinse Rijk de zeevaart in de Rode Zee en de Perzische Golf en dreef vlijtig handel met India. Zijn kanaal eindigde bij Clysma (‘Sluis’) of Cleopatris, het latere Arabische Qulzum. Misschien was de waterweg bij aankomst van de Arabieren niet eens in zo slechte toestand; hij schijnt bij hoogwater in de Nijl nog bevaarbaar geweest te zijn. Het is natuurlijk niet niks, in de Oudheid zoiets te bouwen zonder moderne technische hulpmiddelen. Maar het terrein werkte mee, want een groot deel van het traject ging door de zachte bedding van de wadi Tumīlāt. En natuurlijk werkten er talloze slaven mee, van wie er heel veel omgekomen zullen zijn.
.
Toen in de negentiende eeuw het moderne Suezkanaal werd gegraven is dit kanaal weer in gebruik genomen, om vanuit de delta drinkwater en allerlei goederen naar de bouwlocatie te brengen. Hier vindt U een mooie landkaart uit die tijd; door aanklikken kunt U hem vergroten. De dikke horizontale lijn is het bedoelde kanaal; het heet daar Canal de l’Ouadee Salsalamout resp. Canal des Ptolémé (spelling is nooit de sterkste kant van ingenieurs.)
.
In 640 of 641 was het kanaal weer bruikbaar en voeren de eerste schepen met graan naar al-Djār, de haven van Medina. Zulk vervoer was heel veel goedkoper en veiliger dan karavaantransport uit Syrië. Het graan zal in Egypte goedkoop zijn geweest, want de traditionele leveranties naar Constantinopel, dat nu vijandig gebied was, waren weggevallen. En als het niet betaald hoefde te worden omdat het afkomstig was van buitgemaakte staatslanderijen was het nog goedkoper. Voor Medina kon de benauwenis van het rampjaar 639 zich niet meer herhalen.

  • In het jaar 21 schreef ‘Umar aan ‘Amr ibn al-‘Ās en deelde hem mee in welke nood de mensen van Medina verkeerden en beval hem voedsel uit de belastingopbrengst over zee naar Medina te verschepen, en daarbij ook olie. Toen het in al-Djār aankwam voerde Sa‘d daar het bewind. Vervolgens werd het naar een gebouw in Medina gebracht en onder de mensen verdeeld.1

Een variant op hetzelfde verhaal:

  • ‘Umar reed uit met de voornaamste gezellen van de profeet, tot hij in al-Djār kwam, waar hij de schepen zag. Hij gaf opdracht dat graan in ontvangst te nemen en hij liet op die plek twee vestingen bouwen, waarin hij het kon opslaan. Vervolgens gaf hij Zayd ibn Thābit opdracht de mensen op te schrijven volgens hun woonplaatsen en beval hem cheques (sikāk, mv. van sakk) op papyrus te schrijven, die hij onderaan verzegelde.2

Dit zijn teksten over een eerste goederenverdeling; er zijn er meer en ze sluiten niet erg op elkaar aan. Een ander bericht vertelt dat ‘Umar een proef nam omdat hij wilde weten hoeveel graan er per persoon nodig was:

  • ‘Umar beval een djarīb (22,715 kg) tarwe klaar te zetten. Die werd gemalen, dan gebakken en in olie geweekt. Daarop liet hij dertig mannen uitnodigen, die daarvan hun middagmaal gebruikten […] en ’s avonds nog eens hetzelfde, en hij stelde vast: voor een man is per maand 2 djarīb genoeg. En dus gaf hij iedere man, iedere vrouw en iedere slaaf 2 djarīb per maand.3

Maar die graanverdeling was al spoedig achterhaald, want er was nog veel meer te verdelen. Er kwamen ook allerlei andere goederen en geld uit de veroverde gebieden. In dezelfde tijd werden immers Syrië, Iraq en Iran veroverd, wat voor een niet aflatende stroom van buit zorgde. Medina werd rijk, en de regering zorgde ervoor dat de meeste spullen eerst in de staatskas resp. de staatsmagazijnen terecht kwamen en vandaaruit op gecontroleerde wijze verdeeld werden. Terugkerende soldaten hadden ook nog eens geld in hun zak.
.
Omstreeks het jaar ± 642, dat is pakweg een jaar na de eerste graanzendingen uit Egypte, zette kalief ‘Umar daarom een registratie op van alle vroege gelovigen, de zog. Dīwān al-djund.4 Daarin werden alle Emigranten uit Mekka, maar ook die naar Ethiopië waren geëmigreerd en teruggekomen, en de zog. ‘Helpers’ in Medina, en allen die eervol hadden deelgenomen aan Mohammeds militaire expedities of anderszins verdiensten hadden voor zijn zaak; kortom alle vrije inwoners van Medina! Achter hun naam werden hun daden vermeld.
Al deze mensen kregen voortaan ieder jaar een uitkering uit de staatskas, en hun kinderen vaak ook nog. En denkt U daarbij niet aan zoiets als de Bijstand. De uitkeringen die indertijd aan de armen onder de Emigranten (ahl al-suffa) gedaan werden, dát was bijstand geweest, maar nu ging het om forse bedragen. Dit was ongekend. Als mensen in de Oudheid geregistreerd werden was dat om effectief belastingen van hen te heffen. Hier ging het om de verstrekking van een basisinkomen, of eregeld, of zo U wilt een gecontroleerde verdeling van oorlogsbuit.
.
Er was een hiërarchie in uitkeringsgerechtigden naar hun verdienstelijkheid. Puin onderscheidt vier groepen:4

  • Klasse 1: Deelnemers slag bij Badr; vrouwen van de profeet 4000 DH (=dirham), later 5000 of 6000
    Klasse 2: Overige Emigranten en Helpers (ansār) 1000 DH minder dan Kl. 1
    Klasse 3: Deelname aan Ḥudaybiya en de zg. Ridda-oorlogen 1000/2000 DH minder dan Kl. 2
    Klasse 4: Alle overige inwoners van Medina 250–400 DH

Puin zet weliswaar bij al zijn data een vraagteken, maar het geeft een indruk. Vooral is onzeker hoeveel de nakomelingen van de oorspronkelijke uitkeringsgerechtigden kregen.
Het was dus van groot belang hoe een man geregistreerd stond. Zonen en kleinzonen zullen hun best hebben gedaan opa’s goede daden nog wat aan te dikken, niet alleen voor het prestige, maar ook voor een royalere uitkering. Dat heeft zijn uitwerking gehad op de biografische literatuur (genre: de Verdiensten der Gezellen).
De Mekkanen kregen overigens niets—tenzij ze zich na hun late bekering in 630 alsnog hadden ingezet voor de goede zaak, door bij voorbeeld als soldaat naar Syrië of Iraq te trekken; dat gold ook als hidjra (Emigratie).

Wat heeft dit alles met ‘Abd al-Malik te maken? Het ging mij erom, het Medina te beschrijven waarin hij is opgegroeid. Maar bovendien was hij ooit een tijd lang directeur van die dīwān. Ook daarom moet ik vertellen wat dat was.

Dit is natuurlijk maar een schets, die naar believen aangevuld kan worden.

NOTEN
1. Al-Balādhurī, Futūḥ al-buldan (Liber expugantionis regum), uitg. M.J. de Goeje, Leiden 1866, 216. وكتب عمر بن الخطاب في سنة ٢١ الى عمرو بن العاصي يعلمه ما فيه أهل المدينة من الجهد ويأمره أن يحمل ما يقبض من الطعام في الخراج الى المدينة في البحر فكان ذلك يُحمل ويحمل معه الزيت فإذا ورد الجار تولّى قبضه سعد الحار ثم جُعل في دار بالمدينة وقسم بين الناس بمكيال.
2. Al-Ya‘qūbī, Ta’rīkh ii, 154 @nog controleren@@
3. G.-R. Puin,
Der Dīwān von ʿUmar ibn al-Ḫaṭṭāb. Ein Beitrag zur frühislamischen Verwaltungsgeschichte, Ph. D. Diss. Bonn 1970, 90; al-Balādhurī, Futūḥ al-buldān, Cairo ed. 363 @nog controleren@@
4. Puin,
o.c., 94–5
5. Puin, o.c., 113–4. Puins boek bevat een weelde aan bronnen en verwijzingen.

Diacritische tekens: ʿAmr ibn al-ʿĀṣ, ṣikāk, mv. van ṣakk, ahl al-ṣuffa, anṣār

ABD AL-MALIK IBN MARWAN: startpagina. De eerste kaliefen. Mu‘awiya’s opvolgers. De Umayyaden uit Medina verjaagd. Abd al-Malik geeft strategisch advies. Abd al-Malik oefent zich in wreedheid en moord. As over Medina? De Rotskoepel in Jeruzalem.

Terug naar Inhoud

Abd al-Malik: As over Medina?

(Fragment. Ter verduidelijking kunt U eerst dit lezen)

Als ik over ‘Abd al-Malik ga schrijven moet er ook een stuk over Medina in, waar hij is opgegroeid en jaren heeft gewoond. Medina was een oase van 50 km2 , dus half zo groot als de gemeente Utrecht. (Cijfer erg onzeker; natrekken!@) In de oudheid stond het vol dadelpalmen. Oases konden altijd een maximaal aantal inwoners voeden. Werden het er meer, dan moesten de boventalligen vertrekken, of er moesten levensmiddelen van buiten worden ingevoerd. Viel de oogst tegen dan werd er honger geleden.
.
Het was niet zo dat de inwoners van Medina alleen de dadels aten die er groeiden. Ze ruilden een deel daarvan tegen kamelen- en schapenvlees dat de halfnomaden rond de oase leverden. Zelf hadden ze ook schapen, die melk gaven, en ze gingen vast ook wel op jacht. Uit Syrië importeerden ze graan, dat ze betaalden met goederen of met stukjes goud.
.
Toen de profeet Mohammed na de hidjra in 622 met naar verluidt achtentachtig mannen en hun gezinnen in Medina kwam wonen oefende dat druk uit op de beschikbare levensmiddelen van de oasebewoners. Ze compenseerden dat door rooftochten naar buiten te ondernemen. De armere Emigranten, de ahl al-suffa,1 mochten in de moskee wonen en werden gevoed uit de grote pot.
.
Tijdens de Arabische veroveringen na Mohammeds dood behaalden de soldaten rijke buit. Er kwamen veel mannen naar Medina om daar, na gedane militaire dienst, van hun rust te genieten. De oase werd steeds rijker. Er werd ook geïnvesteerd in irrigatiewerken, o.a. door kalief Mu‘āwiya. Importen deden de rest. Later in de zevende eeuw was Medina een luxe plaats. De bon vivant Hasan ibn Ali woonde er, en de grande dame Sukayna, maar ook Aisha en veel intellectuelen. Daarover een andere keer.
.
Het liep echter niet dadelijk zo fantastisch. Het jaar 18 van de islamitische jaartelling, dat is 639,2 was een jaar van rampspoed en hongersnood. ‘Ām al-ramāda, werd het genoemd, het ‘Jaar van …’ ja, van wat eigenlijk? Het woord ramāda laat ik nog maar even onvertaald; zie daarover onder.
.
De eerste bron die ik daarover lees is het geschiedwerk van al-Tabarī (gest. 923; inderdaad bijna drie eeuwen later!).3
.
‘De mensen,’ zo begint hij, ‘werden in dat jaar getroffen door een grote hongersnood, uitblijvende oogst en droogte; het was het jaar dat ‘ām al-ramāda genoemd wordt.’ Welke mensen; die van Medina? Maar hij heeft het vervolgens over ‘Amwās in Palestina, waar de pest uitbrak (25.000 doden).4 Dat kwam, zo wordt gesuggereerd, omdat de mensen daar aan het wijndrinken waren geslagen. De boosdoeners werden gegeseld en kalief ‘Umar slaakte de vervloeking: ‘“Volk van Syrië, moge jullie iets ongehoords overkomen!”, waarop de ramāda uitbrak.’ Vreemd dat een staatshoofd zoiets zijn eigen onderdanen toewenst; maar goed, hij zal het wel niet werkelijk gezegd hebben. Al deze verhalen bevatten veel fictie.
.
De ramāda was echter in Medina, en daarover gaat al-Ṭabarī’s verdere tekst. Het zou natuurlijk kunnen zijn dat er ook in Syrië werd gehongerd, maar dan is het onwaarschijnlijk dat er vandaar maar liefst 40004 kameelladingen graan als voedselhulp naar Medina zijn overgebracht, zoals we nog zullen zien.
.
‘Tijdens de regering van ‘Umar werden de inwoners van Medina en het ommeland geteisterd door een onvruchtbaar jaar (sana), waarin het stof opwoei, als er wind stond, alsof het as (ramād) regende. Daarom wordt dat jaar het Jaar van de ramāda genoemd.’
.
‘De ramāda was een hongersnood, die de inwoners van Medina en het ommeland trof en zoveel dood met zich bracht dat de wilde dieren in de woonplaatsen van de mensen toevlucht zochten. De mensen gingen er zelfs toe over hun schapen te slachten, maar zij walgden ervan, zo afschuwelijk als het eruit zag, en dat voor mensen die honger hadden.’ In een andere tekst wordt een verklaring gegeven: omdat de dieren vel over been waren en er nauwelijks vlees aan te zien was.’
.
De kalief aarzelde lang voordat hij besloot de garnizoenssteden in Syrië om hulp te vragen. Uiteindelijk kwam er een karavaan van 40004 kamelen, beladen met graan. Dat was een grote opluchting, maar het was aan de late kant: eerst aarzelen, dan een koerier uitsturen, dan moest het voedsel bij elkaar gezocht en opgeladen worden en die karavaan deed er ook nog weken over; kortom, er zullen nog heel wat mensen verhongerd zijn. Een paar jaar later zou er regelmatig graan per schip uit het pas veroverde Egypte komen, maar daar had men in 639 nog niets aan.
.
119005VOLCANIC_11_57415Nog even over deze woorden: ‘…waarin het stof opwoei, als er wind stond, alsof het as (ramād) regende.’ Die stofdeeltjes in de lucht werden dus niet door regen of vocht vastgehouden; maar was dat iets bijzonders? Kijkt U even naar het (moderne) weeroverzicht van Medina. Maandenlang geen regen, zeer geringe luchtvochtigheid; allicht dat daar stofdeeltjes in de lucht zijn. Dit waren echter stofdeeltjes ‘als as’, volgens de bron. En als het nu eens werkelijk as was? De omgeving van Medina is zeer vulkanisch. Meermalen hebben erupties in de naaste omgeving de oase bedreigd; aan de rand van de moderne stad zijn al lavavelden te zien. De Harrat ‘Uwayrid, 300 km ten noordwesten van Medina, had een eruptie ‘omstreeks 640’; de veel nabijere Harrat Khaybar in 650. Zeggen vulkanologen, en hun kennis berust niet op teksten. Daar vlakbij is al-Djabal al-Baydā’, de ‘witte berg’, die zo heet omdat hij de askrater is van een vulkaan. Zou een vulkaaneruptie soms de oorzaak van het rampjaar 639 geweest zijn? Hier ben ik aan het eind van mijn Latijn. Regent het (nog) minder dan anders, als er een eind verderop een vulkaan uitbarst? Had de ondergrondse watervoorraad van de oase zich onder invloed van het natuurgeweld tijdelijk teruggetrokken? Sterven schapen als er allerlei troep op hen valt, of als hun voer met as is bedekt? Was de handelsroute naar Syrië een tijd versperd? Dat alles moet maar door geo-, bio- en vulkanologen uitgezocht worden.

‘Het jaar van de ramāda’: nu nog dat lastige woord. ‘Year of Drought’, schrijft G.H.A. Juynboll in zijn vertaling van al-Tabarī. Maar ‘droogte’ betekent het woord van huis uit niet. Wat kan een arabist doen om een woordbetekenis na te gaan? Hij kan in de eeuwenoude Arabische woordenboeken duiken, die veel interessants te melden hebben, maar geen moderne lexicografie. Hij kan ook het eveneens zeer oude woordenboek van Lane4 ter hand nemen. Lane nam al die oude Arabische woordenboeken en schreef af wat daarin stond, vandaar dat bij hem vaak tegenstrijdige en ‘middeleeuws’ aandoende omschrijvingen staan opgesomd. Ook een treurig hulpmiddel, maar we hebben niet veel anders. Ik ga nu eerst Lane gebruiken, dan kunt U dadelijk meelezen. Als er kleuraanduidende woorden langskomen is het altijd goed, nog even bij Fischer5 te kijken. Zijn Duits gooi ik er even tussendoor. Het onderstaande is dus alleen voor die enkele arabist die misschien nog klassiek Arabisch studeert. Het ‘algemene publiek’ (komt dat hier ooit?) kan dan de laatste alinea weer lezen.

Lane heeft ruim een bladzijde, tesamen vier kolommen over de wortel r-m-d.
ramada – perished by becoming old and worn-out, and had no goodness and lastingness; the sheep or goats perished by reason of cold or of hoar frost or rhyme. Of overgankelijk: destroyed or destroyed like ashes.
rammada – he put ashes into it; he put a thing into ashes en verwante betekenissen. Als zo vaak is de werkwoordvorm met verdubbelde middenconsonant afgeleid van een naamwoord, in dit geval ramād, ‘as’.
armada – he was, or became, poor, needy or indigent.
armada al-qawm – the people were, or became, afflicted with drought, barrenness, or dearth, and their cattle perished in consequence thereof.
irmadda – it became like the colour of ashes. Dit werkwoordsmodel is altijd in gebruik voor kleuren.
irmadda – (said of a camel) he ran vehemently or heedlessly, headling, random and quickly; niet relevant.
irma’adda: the going, or acting, vigourouly or with energy; ook niet relevant.
ramad – applied to water, turbid or altered for the worse in taste and colour, though still drinkable; applied to a garment, or piece of cloth, faded; ophtalmia, dat kan natuurlijk oorspronkelijk met turbid te maken hebben.
rumda – a colour like wurqa, inclining to blackness; a colour inclining to that of dust.
ramād – ashes, i.e. charcoal reduced to particles by being burnt … en nog zowat, betekenis duidelijk.
ramād rimdid – ashes perishing or coming to nought; or much in quantity and very fine or minute; or reduced to the finest, or most minute, state.
ramāda – perdition, destruction, or state of destruction. Hence, ‘ām al-ramāda, the year of perdition or destruction, or of drought in the days of  ‘Omar, the seventeenth or eighteenth year of the Flight, in which men perished in great numbers, and cattle also, in consequence of drought long continuing, wherefore it was thus called, because the earth became like ashes by reason of the drought, or, as some say, because the drought continued so as to render the earth and the trees like the colour of ashes: but the first reason assigned above, for its being thus called, is preferable.
rāmid – [participium van ramada] perishing: or becoming like ashes, or perishing by becoming old and worn-out, and having no goodness and lastingness.
armad – [typisch kleuren-adjectief:] of the colour of ashes; ash coloured, ashy, of a dusty colour in which is duskiness or dinginess. Said of ostriches, gnats, garments or pieces of cloth. Aschgrau. Gewöhnlich wird armad vom Auge gebraucht und bezeichnet dann ein krankhaftes Grau werden, eine krankhafte Trübung der Augen (grauer Star). Sekundär bedeutet armad dann ‘krank (und schmerzend)’ (vom Auge), bzw. augenkrank’, en dat gaat nog een bladzij zo door.

  • murmid – A she-camel, and a cow, and a ewe, or she-goat, secreting milk in her udder a little before her bringing forth, or both signify a she-camel having her udder shining, and infused with milk. Troebele drupjes melk misschien? Dit heeft gegarandeerd niets met onze teksten te maken; ik citeer het even ter bevestiging van de regel dat ieder oud Arabisch woord óók iets met een kameel of ander vee betekent.

Tot zover het lexicon, of wat ik daarvan momenteel wil zien. Nu zegt U misschien: onder ramāda staat toch precies wat het is, dat slaat toch op onze tekst? Ja, dat is juist de ellende: die verklaring is geheel afhankelijk van onze tekst, heeft onze tekst nagenoeg overgeschreven en maakt ons daarom niet wijzer.

De wortel r-m-d heeft dus twee voor de Tabarī-teksten relevante basisbetekenissen:

  1. ‘ondergaan, eraan gaan’, door verschillende ooorzaken: slijtage, kou, nachtvorst, droogte, onvruchtbaarheid of schaarste. Dat ‘ondergaan’ is primair; de oorzaak ervan, dus ook die droogte, is secundair. ramāda moet hiervan de infinitief zijn: ‘het ondergaan, de ondergang’.
  2. het kleurwoord: niet effen gekleurd, wit-en-zwart, grauw, grijs. Vandaar ‘as’, troebel’, ‘grauwe staar’.  Ook ramād ‘as’ is volgens Fischer afgeleid van het kleurwoord, maar dat hoeft ons niet bezig te houden; de bron van al-Tabarī heeft natuurlijk alleen aan ‘as’ gedacht.

Die beide basisbetekenissen hebben denk ik niets met elkaar te maken, al laten zich zowel de tekst als de oude woordenboekenmakers zich soms meeslepen door de bijna-gelijkluidendheid van ramāda en ramād. Volksetymologie; wij hoeven hen daar niet in na te volgen.
.
Dus ramāda = ‘ondergang’. Het Jaar van de Ondergang, niet het jaar van de droogte en ook niet dat van de as, zoals ik even dacht. Een eventuele vulkaanuitbarsting is met behulp van het lexicon niet hard te maken.
.
Blijft over mijn verwondering over de melding van opwaaiend stof ‘als as’ in de tekst. In het grootste deel van het Nabije Oosten regent het toch altijd stof?

 

NOTEN
1. Zeker, dat is ons woord sofa, rustbank.
2. Volgens anderen was het eind 17 tot begin 18. Voor de vroege periode kloppen die jaartallen nooit helemaal.
3. al-Tabarī, Ta’rīkh i, 2570–8.
4. Bij grote getallen in de Oudheid helpt vaak deze vuistregel: deel het eerst maar eens door tien.
5. Edward William Lane, Al-madd al-qamoos. An Arabic-Eglish Lexicon, 8 vols. London/Edinburgh 1863.
6. Wolfdietrich Fischer, Farb- und Formbezeichnugen in der Sprache der altarabischen Dichtung, Wiesbaden 1965.

Diacritische tekens: ṣuffa, Ḥarrat, al-Bayḍāʾ, al-Ṭabarī

ABD AL-MALIK IBN MARWAN: startpagina. De eerste kaliefen. Mu‘awiya’s opvolgers. De Umayyaden uit Medina verjaagd. Abd al-Malik geeft strategisch advies. Abd al-Malik oefent zich in wreedheid en moord. Graanschepen voor Medina. Arbeidsloos inkomen. De Rotskoepel in Jeruzalem.

Terug naar Inhoud

Abd al-Malik oefent zich in wreedheid en moord

(Fragment. Ter verduidelijking kunt U eerst dit lezen)

Eenmaal kalief zag ‘Abd al-Malik zich geconfronteerd met een aantal tegenstanders die hem niet wilden erkennen. Voordat hij zich tegen zijn sterke rivaal in Arabië zou wenden moest hij schoon schip maken in Syrië.
Daar kreeg hij te maken met ‘Amr ibn Sa‘īd, bijgenaamd Al-Ashdaq (?–689). Deze Umayyade had op verdienstelijke wijze hoge posten bekleed, onder andere als generaal en gouverneur van Mekka en van Medina. Toen Marwān tot kalief werd uitgeroepen had hij ‘Amr beloofd dat hij de volgende kalief zou worden: als vooraanstaand en populair lid van de clan was hij een plausibele kandidaat. Maar zodra Marwān kalief was geworden forceerde hij de huldiging van zijn eigen zonen. Toen ‘Abd al-Malik zijn vader na diens korte regering inderdaad opvolgde was ‘Amr vervuld van wrok. Toch zag hij voor zich nog een kans in de toekomst. Eens vergezelde hij ‘Abd al-Malik op een expeditie naar Irak. Ergens onderweg sprak hij ‘Abd al-Malik erop aan:

  • ‘Nu ga je naar Irak. Jouw vader heeft mij deze zaak1 beloofd voor na zijn dood. Daarom heb ik aan zijn kant gestreden, maar wat ik van hem te verduren heb gekregen is je niet onbekend. Beloof mij nu de zaak voor na jouw dood.’ Maar ‘Abd al-Malik gaf hem geen antwoord.2

De nacht daarop sloop ‘Amr stiekem met een aantal aanhangers weg uit het legerkamp en ging terug naar Damascus. Hij wist ‘Abd al-Maliks plaatsvervanger aldaar uit te schakelen en beheerste nu de stad, waar hij niet zonder aanhang was. ‘Abd al-Malik zag zich genoodzaakt terug te keren om zijn eigen hoofdstad terug te veroveren. ‘Amr gaf zich over op voorwaarde dat hem lijf en leven geschonken zouden worden.
Maar ‘Abd al-Malik was niet werkelijk van plan hem in leven te laten. Op een dag nodigde hij hem uit naar zijn paleis. ‘Amrs omgeving ontried hem sterk daarheen te gaan, maar hij luisterde niet naar hen, al trok hij voor alle zekerheid wel een maliënhemd aan. Hij nam honderd man personeel mee, maar daarvan mocht er maar één mee naar binnen. Eenmaal daar aangekomen rook hij onraad toen hij de vele soldaten en verwanten van de kalief zag en hij stuurde die ene slaaf weg om hulp te gaan halen bij zijn broer. De slaaf begreep de opdracht echter niet goed en de hulp bleef uit.

‘Abd al-Malik begon met hem te intimideren en te pesten. Hij liet hem zijn zwaard afnemen en sloeg hem in de boeien, met zijn handen achter op zijn nek gebonden.

  • Daarop gaf ‘Abd al-Malik hem een ruk waardoor hij met zijn mond tegen de bank sloeg en zijn voortand brak.
    ‘Verdomme nog aan toe,’ zei ‘Amr, ‘ik hoop dat je hier genoeg aan hebt en niet nog iets ergers wilt!’
    ‘Als ik wist dat je mij zou sparen,’ antwoorde ‘Abd al-Malik, ‘zou ik jou sparen en je laten lopen. Maar er zijn nooit twee mannen ergens in een situatie als deze geweest zonder dat de ene de andere eruit gooide.’
    Toen ‘Amr merkte dat zijn tand was afgebroken en besefte wat ‘Abd al-Malik van plan was zei hij: ‘Ga je ons verdrag breken, Ibn al-Zarqā’?’
    ‘Abd al-Malik liet zich nu een lans te brengen. Hij zwaaide ermee en slingerde hem naar ‘Amr, maar het wapen drong niet in zijn lichaam. Hij deed het nog eens, weer zonder resultaat. Hij gaf een klap op ‘Amrs arm en voelde dat hij een maliënhemd droeg. Hij moest lachen en zei: ‘Een maliënhemd ook nog hè! Je bent wel goed voorbereid gekomen! Knaap, breng mij het korte zwaard.’ Hij kreeg het aangereikt en gaf zijn mannen opdracht ‘Amr tegen de grond te werken. ‘Abd al-Malik ging op zijn borst zitten en sneed hem de keel door, daarbij reciterend:
    –    ‘Amr, als je niet ophoudt te schelden en te schimpen
    –    sla ik je zo dat de uil zal schreeuwen: ‘Geef me te drinken!’ 3
    ‘Abd al-Malik schokte en trilde. Zo vergaat het, naar men zegt, een man als hij een familielid doodt. ‘Abd al-Malik werd van ‘Amrs borst gehaald en op de bank gelegd. Hij zei: ‘Nooit heb ik zoiets meegemaakt: hij is gedood door iemand die deze wereld bezit@ en het hiernamaals niet zocht.’
    ‘Amrs broer Yahyā en zijn mannen drongen het huis van binnen, waar de broers van ‘Abd al-Malik zich bevonden. Hen scholden ze uit, evenals de protégé’s die bij hen waren. De laatsten gingen het gevecht aan met Yahyā en zijn mannen.
    Toen verscheen ‘Abd al-Rahmān ibn Umm al-Hakam al-Thaqafī. Hem werd het hoofd van ‘Amr overhandigd, dat hij de mensen toewierp. ‘Abd al-Maliks broer ‘Abd al-Azīz stond op, deed geld in beurzen en begon ook die naar de mensen te gooien. Toen ze het geld ontdekten en het hoofd zagen grepen zij het geld en gingen uiteen.4

De kalief ‘schokte en trilde’. Een heerser kon natuurlijk altijd een beul of lijfwacht opdracht geven discreet ergens een tegenstander om te brengen. Maar volgens dit verhaal wenste ‘Abd al-Malik de moord persoonlijk uit te voeren, in aanwezigheid van getuigen. Makkelijk viel hem dit dus niet en trots was hij er ook niet op. Misschien wilde ‘Abd al-Malik zijn omgeving laten weten wat voor iemand hij was, en dat hij meedogenloos kon aanpakken als dat nodig was. Misschien wilde hij dat vooral ook aan zich zelf laten zien, omdat hij zich nog in wreedheid moest oefenen. Zijn eerste veertig levensjaren waren relatief rustig geweest, maar als heerser moest hij hard en wreed kunnen zijn; dat begreep hij heel goed. Op zijn munten liet hij zich niet voor niets afbeelden met een zwaard en een zweep.

Als jongens zouden ‘Abd al-Malik en ‘Amr al meermalen hebben gevochten, daartoe aangemoedigd door ‘Abd al-Maliks grootmoeder Umm Marwān.

  • (Van ‘Awāna:) De vijandschap tussen ‘Abd al-Malik en ‘Amr was oud zeer. De moeder van ‘Amr en Muhammad ibn Sa‘īd was Umm al-Banīn. ‘Abd al-Malik en Mu‘āwiya waren de zonen van Marwān. Toen ze nog jongens waren gingen ze vaak naar Umm Marwān om bij haar wat te praten. Met ‘Abd al-Malik en Mu‘āwiya kwam er vaak een zwarte slaaf van hen mee. Als ze bij haar kwamen maakte Umm Marwān eten voor hen klaar en zette elk van hen een aparte schotel voor. Ze stookte voortdurend tussen Mu‘āwiya ibn Marwān en Muhammad ibn Sa‘īd, en tussen ‘Abd al-Malik en ‘Amr ibn Sa‘īd. Dan raakten ze in gevecht en gingen uit elkaar zonder verder nog een woord te wisselen. Umm Marwān zei altijd: ‘Als deze twee geen verstand hebben, dan die andere twee.’ Dat was haar gewoonte, telkens als ze bij haar kwamen, tot zij de haat in hun harten had geplant.5

Dat moeten vreemde etentjes geweest zijn bij oma. Wilde zij de rivaliteit tussen de beide takken van de clan Umayya aanwakkeren, in de hoop dat háár gebroed al vroeg de overhand zou krijgen en met de anderen zou afrekenen? Of heeft dit verhaal de latere rivaliteit in het verleden terug geprojecteerd? Dat is goed mogelijk, want het motief ‘oud zeer’ komt ook voor in andere teksten over deze affaire. ‘Amr had vier zonen, en toen hun vader was vermoord vroegen zij zich af hoe hun overlevingskansen lagen. Ze namen de vlucht naar voren om  hun positie bij de kalief te verbeteren.

  • (Van ‘Awāna:) De zonen van ‘Amr verschenen voor ‘Abd al-Malik na het herstel van de rijkseenheid (djamā‘a). Zij waren met hun vieren: Umayya, Sa‘īd, Ismā‘īl en Muhammad. Toen ‘Abd al-Malik hen zag zei hij: ‘Jullie zijn mannen uit een nobele familie, die jezelf altijd beter hebben gevonden dan al je verwanten, al had God jullie dat niet vergund. Wat er gebeurd is tussen jullie vader en mij was niets nieuws; het was een oud zeer, dat in de pre-islamitische tijd (djāhiliya) diep geworteld was in de zielen van jullie voorouders en de onze.’
    Umayya, de oudste, kon geen woord uitbrengen; hij was de nobelste en de intelligentste. Dus Sa‘īd, de middelste, stond op en zei: ‘Vorst der Gelovigen, waarom verwijt U ons iets uit de pre-islamitische tijd, nu God de islam heeft gebracht en het oude omver gehaald heeft, en ons het paradijs beloofd heeft en heeft gewaarschuwd voor het hellevuur? Wat er tussen U en ‘Amr is gebeurd: ‘Amr was uw neef en U weet het best wat U deed. ‘Amr is voor God verschenen, en God volstaat om af te rekenen.6 Bij mijn leven, als U ons straft voor wat er gebeurd is, dan is het voor ons onder de aarde beter dan erop.’
    ‘Abd al-Malik was zeer geroerd en voelde een grote mildheid jegens hen. Hij zei: ‘Jullie vader stelde me voor de keus: hem te doden of door hem gedood te worden, dus ik verkoos hem te doden. Maar jullie — wat heb ik naar jullie verlangd, wat voel ik mij aan jullie verwant, en natuurlijk heb ik oog voor jullie rechten!’ Dus hij gaf hun een grote beloning, betoonde hun zijn gunst en hield hen dicht bij zich.7

Het begrip ‘pre-islamitische tijd’ (djāhiliya) verwijst in ‘Abd al-Maliks mond naar een zeer ver verleden8—hoewel de moord nog vers in het geheugen lag. Dat de vete oud en overgeërfd was moest blijkbaar als excuus dienen of tenminste tot begrip leiden. ‘Amrs zoon Sa‘īd pakt het handig op en wijst erop dat de islam al het oude zeer uit de djāhilīya inderdaad ongeldig heeft gemaakt.
Het gedrag van ‘Abd al-Malik jegens die vier zonen is typisch voor hem toen zijn macht gevestigd was: zo min mogelijk mensen van zich vervreemden, zeker niet in Syrië, zeker niet uit de clan Umayya. De mensen bij zich houden.

————————————————-

Om even te ontnuchteren: er bestaan ook korte overleveringen, die iets heel anders vertellen:

  • Er wordt ook verteld: Toen ‘Abd al-Malik ‘Amr die ruk gaf waardoor zijn tand eruit vloog, begon ‘Amr daarover te wrijven. ‘Abd al-Malik zei tegen hem: ‘Ik zie dat je je tand zo belangrijk vindt dat je me nooit meer welgezind zult zijn.’ En hij gaf bevel hem te onthoofden.9

En:

  • (Van ‘Awāna:) Er wordt ook gezegd: Toen ‘Abd al-Malik naar het gebed ging, gaf hij zijn slaaf Abū al-Zu‘ayzi‘a opdracht ‘Amr te doden. Dat deed deze, en hij gooide zijn hoofd naar de omstanders en naar zijn metgezellen.10

Dat waren alledaagsere manieren om af te rekenen met een politieke tegenstander. Maar zo krijg je natuurlijk nooit een spannend boek.

NOTEN
1. Het kalifaat.
2. al-Tabarī, Ta’rīkh ii, 784.
3. Die uil is ‘pre-islamitische’ folklore. Zolang een gedode man niet was gewroken vloog zijn ziel in de gedaante van een uil over zijn graf heen en weer en schreeuwde voortdurend: ‘Geef me [bloed] te drinken!’ (Toufic Fahd, La divination arabe, Leiden 1966, 513.)
4. al-Tabarī, Ta’rīkh ii, 788–91.
5. al-Tabarī, Ta’rīkh ii, 793–4.
6. Koran 4:6; 33:39.
7. al-Tabarī, Ta’rīkh ii, 795.
8. Of zou het woord hier gebruikt worden om de periode vóór de djamā‘a, ‘Abd al-Maliks eenmaking van het Arabisch-islamitische rijk aan te duiden? Voordat ik dat serieus kan beweren zou ik ten minste enkele andere bewijsplaatsen daarvan willen zien.
9. al-Tabarī, Ta’rīkh ii, 789.
10. al-Tabarī, Ta’rīkh ii, 791–2.

Diacritische tekens: Yaḥyā, ʿAbd al-Raḥmān ibn Umm al-Ḥakam, Muḥammad, al-Ṭabarī

ABD AL-MALIK IBN MARWAN: startpagina. De eerste kaliefen. Mu‘awiya’s opvolgers. De Umayyaden uit Medina verjaagd. Abd al-Malik geeft strategisch advies. As over Medina? Graanschepen voor Medina. Arbeidsloos inkomen. De Rotskoepel in Jeruzalem.

Terug naar Inhoud

Abd al-Malik: Mu‘awiya’s opvolgers

(Fragment. Ter verduidelijking kunt U eerst dit lezen)

Mu‘āwiya was een formidabele heerser, die als kalief regeerde van 661–680 vanuit zijn hoofdstad Damascus, maar eigenlijk al vanaf 642 in Syrië en Palestina. Officieel als stadhouder van zijn achterneef kalief ‘Uthmān, in de praktijk waarschijnlijk grotendeels zelfstandig. Hij was stevig ingebed in Syrië en ingetrouwd in de machtige stam Kalb. Voor het vuile werk in de onwillige rijksdelen Irak en Iran had hij twee schurken aangetrokken, die hem onvoorwaardelijk trouw waren en met succes belastingen gaarden. Hij verkeerde met groot gemak in kerken en kloosters; niet omdat het christendom hem interesseerde, maar omdat hij nu eenmaal het staatshoofd van overweldigend veel christenen was. Het aantal volgelingen van Mohammed in het nieuwe rijk was immers verdwijnend klein. Voor de rest had hij enkele trekken van een oude Arabische sjeik: hij had weinig kapsones en stond dicht bij het volk. Maar een begin van imperiale gevoelens in Perzische stijl had hij toch ook. Vooral wilde hij de erfopvolging invoeren, en hij regelde ruim voor zijn dood dat zijn zoon Yazīd de volgende kalief zou worden. Dat bleek een grote fout. Er was dadelijk veel tegenstand tegen: de eerste kaliefen waren immers gekozen geweest uit de vroegste elite van Mohammed, en nu zou de macht erfelijk in de handen van de oude elite daarvóór komen te liggen? Bovendien stelde de regering van zijn zoon Yazīd (680–3) niet veel voor. Als vader moet Mu‘āwiya toch hebben geweten dat zijn zoon als heerser niet zo geschikt was? Hij liet munten uitgeven naar Perzisch voorbeeld, waarop in het Perzisch stond: 1e jaar van Yazīd. Na drie jaar overleed hij, nog geen veertig jaar oud, terwijl de familie verder niet veel te bieden had. Zijn zoon Mu‘āwiya II was ongeveer 20 jaar oud, of misschien zelfs pas 17 toen hij hem opvolgde. Er was veel kritiek op ‘dat kind’, ‘die snotjongen’. Hij was ziekelijk en heeft slechts enkele maanden ‘geregeerd’ — wellicht strekte zijn gezag zich nauwelijks buiten het paleis in Damascus uit. De enige van hem bekende ambtshandeling was een flinke belastingverlaging—een teken van zwakte. Waarschijnlijk keek men al tijdens Mu‘āwiya II uit naar een krachtiger opvolger. Kinderen had hij niet, en de telgen uit andere takken van het geslacht Umayya waren ook jong en onervaren. Dat was er dus terechtgekomen van de door Mu‘āwiya ingestelde erfopvolging.
.
Marwān, die zich na uit Medina te zijn weggejaagd toevallig met zijn zoon ‘Abd al-Malik in het nabije al-Djābiya op de Golanhoogte bevond, leek nu de ideale kalief: een oudere, ervaren man uit een zijtak van de familie, onbesmet door allerlei locaal gekrakeel. Daarover apart.
.
(Patricia Crone: de ontreddering tijdens de regering van Yazīd lag eigenlijk niet aan hem, maar aan de snel veranderende omstandigheden in het rijk.) En Mu‘āwiya’s erfenis was nogal rommelig: alles was een beetje geïmproviseerd en was via hem persoonlijk gelopen. Door de enorme inkomsten uit oorlogsbuit en onteigeningen waren eventuele onlusten altijd afgekocht. Agressie werd uitgeleefd op de nog te veroveren gebieden, zoals het Oostromeinse Rijk of Centraal Azië; niet op de kalief, die door iedereen gerespecteerd werd.
.
Zodra Mu‘āwiya was gestorven was brak dus de pleuris uit. Verschillende groeperingen, stammen en individuen vochten Yazīds opvolging aan.
De grootste haarden van verzet tegen Yazīd waren:
1. De shi‘ieten. Deze waren niet tegen erfopvolging als zodanig, maar die moest dan wel binnen de familie van de profeet plaatsvinden. De in 661 vermoorde ‘Alī had twee zonen: Hasan, die graag afstand deed van het kalifaat, en Husayn, die kalief had moeten worden, maar na een onhandig militair optreden in 680 door troepen van Yazīd bij Karbalā’ werd gedood. Dat heeft de shi‘ieten pas goed op de kaart gezet: ze zouden nooit meer verdwijnen. Toch waren zij voor Yazīd niet zo’n enorme bedreiging, omdat ze militair en politiek weinig voorstelden. Hun koninkrijk was om zo te zeggen niet van deze wereld.
.
2. Anders was dat met de al vroeg uit de Shi‘a voortgekomen Kharidjieten, die een kalifaat op grond van verdiensten wensten, met de mogelijkheid om tegenvallende kaliefen af te zetten. De Kharidjieten werden door Mu‘āwiya I en Yazīd met grote hardheid bestreden, maar onder Mu‘āwiya II werden de teugels gevierd en staken ze de kop weer op. Zij bevonden zich vrijwel allen in Irak en Arabië, dus eerst kregen vooral ‘Abdallāh ibn al-Zubayr en zijn broer Mus‘ab ermee te maken.
.
3. Een andere sterke tegenstander was namelijk ‘Abdallāh ibn al-Zubayr. Over hem zal ik het uitvoerig moeten hebben, want met hem kreeg ‘Abd al-Malik te maken. ‘Abdallāh stamde af van de vroegste ‘islamitische’ elite. Volgens het eerste principe van de beweging: keuze van een opvolger uit Mohammeds elite door een beperkt kiescomité, was hij zeker een goede kandidaat geweest. Uit hun gezichtspunt waren de Umayyaden slechts usurpatoren. ‘Abdallāh wilde Yazīd niet erkennen en nam de wijk naar Mekka, waar hij van 680–692 als kalief optrad. Zijn aanhang was enorm: hij en zijn broer Mus‘ab hadden jaren lang het overgrote deel van het rijk onder controle. Er waren tijden dat de Umayyadenkalief alleen nog Syrië had, net als toen de oude Mu‘āwiya daar nog gouverneur was. Yazīd had nog wel een leger gestuurd om ‘Abdallāh te bestrijden, maar toen hij gestorven was en zeker na de dood van Mu‘āwiya II gebeurde er lange tijd helemaal niets meer.
.
(Over Mu‘āwiya en zijn directe opvolgers is veel materiaal; daarmee kan dit hst. vlees en bloed krijgen. Moet echter niet te veel worden, want is neventhema.)

Diacritische tekens: Ḥasan, Ḥusayn, Muṣ‘ab

ABD AL-MALIK IBN MARWAN: startpagina. De eerste kaliefen. De Umayyaden uit Medina verjaagd. Abd al-Malik geeft strategisch advies. Abd al-Malik oefent zich in wreedheid en moord. As over Medina? Graanschepen voor Medina. Arbeidsloos inkomen. De Rotskoepel in Jeruzalem.

Terug naar Inhoud

Abd al-Malik: de eerste kaliefen

(Fragment. Over het grotere geheel kunt U eerst dit lezen)

In een verhaal over kalief ‘Abd al-Malik mag een algemene tekst over het kalifaat en het ontstaan daarvan niet ontbreken. Heel kort nu:

Een kalief is idealiter het hoofd van een islamitische staat. Khalīfa betekent ‘plaatsvervanger’ of ‘opvolger’. Plaatsvervanger van God of opvolger van Mohammed? Zie over deze kwestie en het kalifaat überhaupt: Kalief, kalifaat: een kort overzicht.

Het nog altijd actuele conflict tussen Soennieten en Sjiieten gaat terug op een verschil van inzicht over de opvolging van Mohammed. Maar in de eerste eeuw was de strijd om het kalifaat veel ingewikkelder.

In geschiedenisboekjes en inleidingen in de islam worden de eerste kaliefen meestal in een eenvoudig schema weergegeven. Je had eerst vier gekozen, zog. ‘rechtgeleide kaliefen’ — althans zo worden ze door de soennieten genoemd — met als hoofdstad Medina:

Abū Bakr al-siddīq     632–634
‘Umar ibn al-Khattāb  634–644
‘Uthmān ibn ‘Affān     644–656
‘Alī ibn abī Tālib        656–661

Daarna kwam de dynastie der Umayyaden (661–750), die Damascus als hoofdstad hadden. Met hen begon de erfopvolging binnen het geslacht Umayya. Eerst kwam de Suyfāni tak van deze clan aan de beurt, de nakomelingen van Abū Sufyān ibn Ḥarb:

Mu‘āwiya I 661–680
Yazīd I 680–683
Mu‘āwiya II ibn Yazīd 683

Na allerlei woelingen en een heel slappe tijd ging het niet verder met die Sufyaniden en werd er verder geregeerd door Marwān ibn al-Ḥakam en diens afstammelingen, de zog. Marwaniden:

Marwān I   684–685
‘Abd al-Malik ibn Marwān   685–705

en zo gaat het lijstje door tot het einde van de dynastie in 750.

Die lijstjes lijken wel wat op de keurige overzichten van Europese vorstenhuizen, naar analogie waarvan ze misschien zelfs zijn opgesteld. Maar de politieke werkelijkheid in de eerste eeuw van het Arabische Rijk was veel ingewikkelder.

De eerste vier kaliefen werden gekozen uit de eerste aanhangers van Mohammeds beweging; uit de vroegste islamitische elite zou je kunnen zeggen, ware het niet dat de benaming islam voor die eerste tijd nogal misplaatst is.

‘Uthmān, de derde kalief, behoorde tot die elite, maar was tegelijkertijd door geboorte lid van de clan Umayya. Je zou hem dus voor hetzelfde geld de eerste Umayyade kunnen noemen.

‘Alī moest van meet af aan zijn kalifaat verdedigen tegen een andere pretendent, de sterke en slimme Umayyade Mu‘āwiya. ‘Alī heeft die strijd verloren. Na vier jaar werd hij vermoord door iemand uit een heel andere hoek, maar als dat niet het geval was geweest is het nog maar de vraag of hij als kalief de geschiedenis in was gegaan.

Mu‘āwiya was na ‘Alī’s dood onaangevochten kalief, maar hoe zat het met de tijd daarvoor? Hij regeerde al vanaf 642 in Damascus namens de kalief, nog niet zelf als kalief; maar had hij werkelijk te luisteren naar bevelen van zijn oudoom ‘Uthmān, de nogal passieve kalief in Medina? Bovendien was het tijdens diens kalifaat bijna één pot nat: de zaak bleef in de familie.

‘Abd al-Malik was volgens de lijstjes kalief van 685 tot zijn dood in 705. Maar tot 692 heeft hij daarvoor moeten vechten. Hij heeft zijn kalifaat eerst moeten vestigen.

Een groot bezwaar van het schematische kaliefenlijstje is dat ‘Abdallāh ibn al-Zubayr (reg. 680 (683)–692) er niet in voorkomt. De traditionele geschiedschrijving doet hem af als ‘tegenkalief’. Maar hij was een pretendent met minstens even goede kaarten als de anderen en hij heerste de facto over het overgrote deel van het rijk. Omdat hij na twaalf jaar werd verslagen en zijn lijn niet werd voortgezet is hij niet in de lijstjes terechtgekomen.

Deze bladen gaan over ‘Abd al-Malik, en de genoemde ‘Abdallāh speelt een belangrijke rol. Voor de duidelijkheid moet ik echter de troebelen na de dood van Mu‘āwiya ook bespreken. Dat wordt de hierop volgende tekst.

ABD AL-MALIK IBN MARWAN: startpagina. Mu‘awiya’s opvolgers. De Umayyaden uit Medina verjaagd. Abd al-Malik geeft strategisch advies. Abd al-Malik oefent zich in wreedheid en moord. As over Medina? Graanschepen voor Medina. Arbeidsloos inkomen. De Rotskoepel in Jeruzalem.

Terug naar Inhoud