Abd al-Malik: As over Medina?

(Fragment. Ter verduidelijking kunt U eerst dit lezen)

Als ik over ‘Abd al-Malik ga schrijven moet er ook een stuk over Medina in, waar hij is opgegroeid en jaren heeft gewoond. Medina was een oase van 50 km2 , dus half zo groot als de gemeente Utrecht. (Cijfer erg onzeker; natrekken!@) In de oudheid stond het vol dadelpalmen. Oases konden altijd een maximaal aantal inwoners voeden. Werden het er meer, dan moesten de boventalligen vertrekken, of er moesten levensmiddelen van buiten worden ingevoerd. Viel de oogst tegen dan werd er honger geleden.
.
Het was niet zo dat de inwoners van Medina alleen de dadels aten die er groeiden. Ze ruilden een deel daarvan tegen kamelen- en schapenvlees dat de halfnomaden rond de oase leverden. Zelf hadden ze ook schapen, die melk gaven, en ze gingen vast ook wel op jacht. Uit Syrië importeerden ze graan, dat ze betaalden met goederen of met stukjes goud.
.
Toen de profeet Mohammed na de hidjra in 622 met naar verluidt achtentachtig mannen en hun gezinnen in Medina kwam wonen oefende dat druk uit op de beschikbare levensmiddelen van de oasebewoners. Ze compenseerden dat door rooftochten naar buiten te ondernemen. De armere Emigranten, de ahl al-suffa,1 mochten in de moskee wonen en werden gevoed uit de grote pot.
.
Tijdens de Arabische veroveringen na Mohammeds dood behaalden de soldaten rijke buit. Er kwamen veel mannen naar Medina om daar, na gedane militaire dienst, van hun rust te genieten. De oase werd steeds rijker. Er werd ook geïnvesteerd in irrigatiewerken, o.a. door kalief Mu‘āwiya. Importen deden de rest. Later in de zevende eeuw was Medina een luxe plaats. De bon vivant Hasan ibn Ali woonde er, en de grande dame Sukayna, maar ook Aisha en veel intellectuelen. Daarover een andere keer.
.
Het liep echter niet dadelijk zo fantastisch. Het jaar 18 van de islamitische jaartelling, dat is 639,2 was een jaar van rampspoed en hongersnood. ‘Ām al-ramāda, werd het genoemd, het ‘Jaar van …’ ja, van wat eigenlijk? Het woord ramāda laat ik nog maar even onvertaald; zie daarover onder.
.
De eerste bron die ik daarover lees is het geschiedwerk van al-Tabarī (gest. 923; inderdaad bijna drie eeuwen later!).3
.
‘De mensen,’ zo begint hij, ‘werden in dat jaar getroffen door een grote hongersnood, uitblijvende oogst en droogte; het was het jaar dat ‘ām al-ramāda genoemd wordt.’ Welke mensen; die van Medina? Maar hij heeft het vervolgens over ‘Amwās in Palestina, waar de pest uitbrak (25.000 doden).4 Dat kwam, zo wordt gesuggereerd, omdat de mensen daar aan het wijndrinken waren geslagen. De boosdoeners werden gegeseld en kalief ‘Umar slaakte de vervloeking: ‘“Volk van Syrië, moge jullie iets ongehoords overkomen!”, waarop de ramāda uitbrak.’ Vreemd dat een staatshoofd zoiets zijn eigen onderdanen toewenst; maar goed, hij zal het wel niet werkelijk gezegd hebben. Al deze verhalen bevatten veel fictie.
.
De ramāda was echter in Medina, en daarover gaat al-Ṭabarī’s verdere tekst. Het zou natuurlijk kunnen zijn dat er ook in Syrië werd gehongerd, maar dan is het onwaarschijnlijk dat er vandaar maar liefst 40004 kameelladingen graan als voedselhulp naar Medina zijn overgebracht, zoals we nog zullen zien.
.
‘Tijdens de regering van ‘Umar werden de inwoners van Medina en het ommeland geteisterd door een onvruchtbaar jaar (sana), waarin het stof opwoei, als er wind stond, alsof het as (ramād) regende. Daarom wordt dat jaar het Jaar van de ramāda genoemd.’
.
‘De ramāda was een hongersnood, die de inwoners van Medina en het ommeland trof en zoveel dood met zich bracht dat de wilde dieren in de woonplaatsen van de mensen toevlucht zochten. De mensen gingen er zelfs toe over hun schapen te slachten, maar zij walgden ervan, zo afschuwelijk als het eruit zag, en dat voor mensen die honger hadden.’ In een andere tekst wordt een verklaring gegeven: omdat de dieren vel over been waren en er nauwelijks vlees aan te zien was.’
.
De kalief aarzelde lang voordat hij besloot de garnizoenssteden in Syrië om hulp te vragen. Uiteindelijk kwam er een karavaan van 40004 kamelen, beladen met graan. Dat was een grote opluchting, maar het was aan de late kant: eerst aarzelen, dan een koerier uitsturen, dan moest het voedsel bij elkaar gezocht en opgeladen worden en die karavaan deed er ook nog weken over; kortom, er zullen nog heel wat mensen verhongerd zijn. Een paar jaar later zou er regelmatig graan per schip uit het pas veroverde Egypte komen, maar daar had men in 639 nog niets aan.
.
119005VOLCANIC_11_57415Nog even over deze woorden: ‘…waarin het stof opwoei, als er wind stond, alsof het as (ramād) regende.’ Die stofdeeltjes in de lucht werden dus niet door regen of vocht vastgehouden; maar was dat iets bijzonders? Kijkt U even naar het (moderne) weeroverzicht van Medina. Maandenlang geen regen, zeer geringe luchtvochtigheid; allicht dat daar stofdeeltjes in de lucht zijn. Dit waren echter stofdeeltjes ‘als as’, volgens de bron. En als het nu eens werkelijk as was? De omgeving van Medina is zeer vulkanisch. Meermalen hebben erupties in de naaste omgeving de oase bedreigd; aan de rand van de moderne stad zijn al lavavelden te zien. De Harrat ‘Uwayrid, 300 km ten noordwesten van Medina, had een eruptie ‘omstreeks 640’; de veel nabijere Harrat Khaybar in 650. Zeggen vulkanologen, en hun kennis berust niet op teksten. Daar vlakbij is al-Djabal al-Baydā’, de ‘witberg’, die zo heet omdat hij de askrater is van een vulkaan. Zou een vulkaaneruptie soms de oorzaak van het rampjaar 639 geweest zijn? Hier ben ik aan het eind van mijn Latijn. Regent het (nog) minder dan anders, als er een eind verderop een vulkaan uitbarst? Had de ondergrondse watervoorraad van de oase zich onder invloed van het natuurgeweld tijdelijk teruggetrokken? Sterven schapen als er allerlei troep op hen valt, of als hun voer met as is bedekt? Was de handelsroute naar Syrië een tijd versperd? Dat alles moet maar door geo-, bio- en vulkanologen uitgezocht worden.

‘Het jaar van de ramāda’: nu nog dat lastige woord. ‘Year of Drought’, schrijft G.H.A. Juynboll in zijn vertaling van al-Tabarī. Maar ‘droogte’ betekent het woord van huis uit niet. Wat kan een arabist doen om een woordbetekenis na te gaan? Hij kan in de eeuwenoude Arabische woordenboeken duiken, die veel interessants te melden hebben, maar geen moderne lexicografie. Hij kan ook het eveneens zeer oude woordenboek van Lane4 ter hand nemen. Lane nam al die oude Arabische woordenboeken en schreef af wat daarin stond, vandaar dat bij hem vaak tegenstrijdige en ‘middeleeuws’ aandoende omschrijvingen staan opgesomd. Ook een treurig hulpmiddel, maar we hebben niet veel anders. Ik ga nu eerst Lane gebruiken, dan kunt U dadelijk meelezen. Als er kleuraanduidende woorden langskomen is het altijd goed, nog even bij Fischer5 te kijken. Zijn Duits gooi ik er even tussendoor. Het onderstaande is dus alleen voor die enkele arabist die misschien nog klassiek Arabisch studeert. Het ‘algemene publiek’ (komt dat hier ooit?) kan dan de laatste alinea weer lezen.

Lane heeft ruim een bladzijde, tesamen vier kolommen over de wortel r-m-d.
ramada – perished by becoming old and worn-out, and had no goodness and lastingness; the sheep or goats perished by reason of cold or of hoar frost or rhyme. Of overgankelijk: destroyed or destroyed like ashes.
rammada – he put ashes into it; he put a thing into ashes en verwante betekenissen. Als zo vaak is de werkwoordvorm met verdubbelde middenconsonant afgeleid van een naamwoord, in dit geval ramād, ‘as’.
armada – he was, or became, poor, needy or indigent.
armada al-qawm – the people were, or became, afflicted with drought, barrenness, or dearth, and their cattle perished in consequence thereof.
irmadda – it became like the colour of ashes. Dit werkwoordsmodel is altijd in gebruik voor kleuren.
irmadda – (said of a camel) he ran vehemently or heedlessly, headling, random and quickly; niet relevant.
irma’adda: the going, or acting, vigourouly or with energy; ook niet relevant.
ramad – applied to water, turbid or altered for the worse in taste and colour, though still drinkable; applied to a garment, or piece of cloth, faded; ophtalmia, dat kan natuurlijk oorspronkelijk met turbid te maken hebben.
rumda – a colour like wurqa, inclining to blackness; a colour inclining to that of dust.
ramād – ashes, i.e. charcoal reduced to particles by being burnt … en nog zowat, betekenis duidelijk.
ramād rimdid – ashes perishing or coming to nought; or much in quantity and very fine or minute; or reduced to the finest, or most minute, state.
ramāda – perdition, destruction, or state of destruction. Hence, ‘ām al-ramāda, the year of perdition or destruction, or of drought in the days of  ‘Omar, the seventeenth or eighteenth year of the Flight, in which men perished in great numbers, and cattle also, in consequence of drought long continuing, wherefore it was thus called, because the earth became like ashes by reason of the drought, or, as some say, because the drought continued so as to render the earth and the trees like the colour of ashes: but the first reason assigned above, for its being thus called, is preferable.
rāmid – [participium van ramada] perishing: or becoming like ashes, or perishing by becoming old and worn-out, and having no goodness and lastingness.
armad – [typisch kleuren-adjectief:] of the colour of ashes; ash coloured, ashy, of a dusty colour in which is duskiness or dinginess. Said of ostriches, gnats, garments or pieces of cloth. Aschgrau. Gewöhnlich wird armad vom Auge gebraucht und bezeichnet dann ein krankhaftes Grau werden, eine krankhafte Trübung der Augen (grauer Star). Sekundär bedeutet armad dann ‘krank (und schmerzend)’ (vom Auge), bzw. augenkrank’, en dat gaat nog een bladzij zo door.

  • murmid – A she-camel, and a cow, and a ewe, or she-goat, secreting milk in her udder a little before her bringing forth, or both signify a she-camel having her udder shining, and infused with milk. Troebele drupjes melk misschien? Dit heeft gegarandeerd niets met onze teksten te maken; ik citeer het even ter bevestiging van de regel dat ieder oud Arabisch woord óók iets met een kameel of ander vee betekent.

Tot zover het lexicon, of wat ik daarvan momenteel wil zien. Nu zegt U misschien: onder ramāda staat toch precies wat het is, dat slaat toch op onze tekst? Ja, dat is juist de ellende: die verklaring is geheel afhankelijk van onze tekst, heeft onze tekst nagenoeg overgeschreven en maakt ons daarom niet wijzer.

De wortel r-m-d heeft dus twee voor de Tabarī-teksten relevante basisbetekenissen:

  1. ‘ondergaan, eraan gaan’, door verschillende ooorzaken: slijtage, kou, nachtvorst, droogte, onvruchtbaarheid of schaarste. Dat ‘ondergaan’ is primair; de oorzaak ervan, dus ook die droogte, is secundair. ramāda moet hiervan de infinitief zijn: ‘het ondergaan, de ondergang’.
  2. het kleurwoord: niet effen gekleurd, wit-en-zwart, grauw, grijs. Vandaar ‘as’, troebel’, ‘grauwe staar’.  Ook ramād ‘as’ is volgens Fischer afgeleid van het kleurwoord, maar dat hoeft ons niet bezig te houden; de bron van al-Tabarī heeft natuurlijk alleen aan ‘as’ gedacht.

Die beide basisbetekenissen hebben denk ik niets met elkaar te maken, al laten zich zowel de tekst als de oude woordenboekenmakers zich soms meeslepen door de bijna-gelijkluidendheid van ramāda en ramād. Volksetymologie; wij hoeven hen daar niet in na te volgen.
.
Dus ramāda = ‘ondergang’. Het Jaar van de Ondergang, niet het jaar van de droogte en ook niet dat van de as, zoals ik even dacht. Een eventuele vulkaanuitbarsting is met behulp van het lexicon niet hard te maken.
.
Blijft over mijn verwondering over de melding van opwaaiend stof ‘als as’ in de tekst. In het grootste deel van het Nabije Oosten regent het toch altijd stof?

 

NOTEN
1. Zeker, dat is ons woord sofa, rustbank.
2. Volgens anderen was het eind 17 tot begin 18. Voor de vroege periode kloppen die jaartallen nooit helemaal.
3. al-Tabarī, Ta’rīkh i, 2570–8.
4. Bij grote getallen in de Oudheid helpt vaak deze vuistregel: deel het eerst maar eens door tien.
5. Edward William Lane, Al-madd al-qamoos. An Arabic-Eglish Lexicon, 8 vols. London/Edinburgh 1863.
6. Wolfdietrich Fischer, Farb- und Formbezeichnugen in der Sprache der altarabischen Dichtung, Wiesbaden 1965.

Diacritische tekens: ṣuffa, Ḥarrat, al-Bayḍāʾ, al-Ṭabarī

ABD AL-MALIK IBN MARWAN: startpagina. De eerste kaliefen. Mu‘awiya’s opvolgers. De Umayyaden uit Medina verjaagd. Abd al-Malik geeft strategisch advies. Abd al-Malik oefent zich in wreedheid en moord. Graanschepen voor Medina. Arbeidsloos inkomen. De Rotskoepel in Jeruzalem.

Terug naar Inhoud

Abd al-Malik – startpagina

Onderstaande tekst zult U waarschijnlijk in het begin niet zo interessant vinden. Het is namelijk maar een eerste opzetje. De komende tijd wil ik mijn lectuur wat concentreren op de persoon van de Umayyadenkalief ‘Abd al-Malik, die regeerde in Damascus van 685–705.

Die man was werkelijk interessant. Hij was zowel de architect van het Arabische Rijk als die van de Islam, of beter van een islam, want honderd jaar later zag die er alweer anders uit. Mohammed en ‘Abd al-Malik, dat zijn de stichters van de islam. De functie van Mohammed is in grote lijnen bekend. ‘Abd al-Malik bouwde de Rotskoepel in Jeruzalem en nam daarmee afscheid van het christendom. Hij schiep eenheid in het enorme Arabische Rijk, dat bijna aan interne verdeeldheid te gronde was gegaan. Last, but not least ontwierp hij, door de geschiedenis van Mohammed en de vroegste islam te laten opschrijven, een staatsideologie die voor alle delen van zijn rijk geldig was. Je zou kunnen zeggen dat hij ook Mohammed in model heeft geduwd/laten duwen. Voor zolang het duurde dan; ook Mohammed bleef nog vormbaar, was nog niet ‘klaar’.

Hieronder volgt een (steeds veranderend) overzicht van de bronnen die ik zal gaan lezen en de fragmenten over ‘Abd al-Malik die op den duur een samenhangend geheel moeten gaan vormen. Interessant wordt het voor U pas — als de man U tenminste überhaupt interesseert — naarmate hieronder meer links verschijnen; dan krijgt U wat te lezen. Mocht U dus een begin van belangstelling hebben is het zaak, hier af en toe even te kijken—en geduld te hebben. Of U merkt het vanzelf als er via e-mail weer een stukje ‘Abd al-Malik wordt aangekondigd.

De jonge ‘Abd al-Malik. Zijn vader Marwān is de Umayyadische gouverneur van Medina. Zijn familie. De Umayyaden. Het Medina van de jonge ‘Abd al-Malik. Vulkaanas over Medina? Graanschepen voor Medina. ‘Umars dīwān. Opschudding tijdens de moord op kalief ‘Uthmān. Opvoeding en onderwijs. Als zestienjarige zijn eerste veldtocht tegen de Romeinen. Directeur van de dīwān, afd. Medina. Beheer van onroerend goed in de oase Fadak, dat hij in eigendom had gekregen.

Crisis van het Umayyadenkalifaat. Het kalifaat überhaupt. Mu‘āwiya’s opvolgers. In Arabië laat ‘Abdallāh ibn al-Zubayr zich als kalief huldigen. De Umayyaden worden in 683 uit Medina verjaagd, dus ook Marwān en ‘Abd al-Malik. Een te hulp snellend leger uit Damascus komt iets te laat. ‘Abd al-Malik geeft strategisch advies. De slag van al-Ḥarra. Het ‘in de grond gezakte leger’. Ze trekken verder naar Syrië. In Djābiya aangekomen wordt zijn vader Marwān tot kalief uitgeroepen. Deze sterft echter al in 685 en ‘Abd al-Malik volgt hem op; dan is hij veertig. Het kalme leven is voorbij.

‘Abd al-Maliks kalifaat: het was chaos in Syrië. Eerst had hij met de chaos in Syrië en omgeving af te rekenen; hij leert hardheid en wreedheid door ‘Amr ibn Sa‘īd eigenhandig te doden. Vervolgens moest hij het kalifaat van ‘Abdallāh ibn al-Zubayr, dat intussen het grootste deel van het rijk besloeg, onschadelijk maken. Dat gelukte in 692. Daarna moest hij zich sterk tonen tegenover de Romeinen, die zijn monetaire hervorming niet accepteerden. Het ‘beeldenverbod’.

De Rotskoepel in Jerusalem kwam eveneens in 692 klaar. Een gebouw van grote symbolische betekenis, een statement tegen de christenen. ‘Moslim’ werd sindsdien een duidelijke identiteit.

De opdracht aan ‘Urwa ibn al-Zubayr: deze liet hij de vroege islamitische geschiedenis en het leven van Mohammed opschrijven. Dat werd o.a. de basis voor de sīra, de biografie van Mohammed zoals wij die nu nog kennen. De overige propaganda. Toespraken.

Reform van het bestuur, het geldwezen en de belastingen, invoering van het Arabisch als officiële taal. Integratie van Syrië en het eertijds Perzische Irak, met hulp van zijn bikkelharde tweede man, al-Ḥadjdjādj.

Een triviaal detail: ‘Abd al-Malik leed aan halitose, of liever gezegd: zijn omgeving leed daaronder. Hij stonk zo uit zijn mond, dat hij de bijnaam ‘de vliegenman’ (Abū al-dhibbān of al-dhubāb) kreeg. Zijn mond was volgens de anecdote zo vol rottenis dat de vliegen op de stank afkwamen en naar binnen vlogen als hij hem per ongeluk openhield. (Ibn Kathīr, Al-Bidāya wal-nihāya, ii, 378)

Terug naar Inhoud

Portretten van beroemde Arabieren

Ali ibn abi TalibDe beroemdste Arabier die ooit geleefd heeft was de profeet Mohammed. Zoals intussen algemeen bekend is hebben moslims niet graag dat hun profeet wordt afgebeeld. Voor sommige mensen die van pesten houden is dat juist een aanleiding om op provocerende wijze een portret of zelfs een karikatuur van hem te publiceren, vaak ook met een denigrerend onderschrift.

‘Maar dat is toch niet Mohammed? Dat is Ali; zijn neef en schoonzoon!’ zegt U misschien als U het plaatje hierboven aanklikt. O ja? Hoe weet U dat? U hebt ze toch niet gekend? Misschien ‘herkende’ U Ali omdat U de tekst boven zijn hoofd kunt lezen, of omdat U in Iran of andere sjiietische omgevingen geweest bent. Daar vind je sinds een eeuw inderdaad overal ‘portretten’ van Ali en zijn zonen Hasan en Husayn, die sprekend op hun vader lijken. Die plaatjes hebben veel aan de bidprentjes en de kinderbijbels van Europa te danken; ze zijn nogal stereotiep en nietszeggend, zodat iedereen alsnog de kans krijgt zich die mensen naar eigen wens voor te stellen.

Husayn ibn Ali

Husayn ibn Ali

Als ik naar de intense kop van Husayn kijk vermoed ik dat die bij jonge meisjes eenzelfde opwinding teweeg brengt als bepaalde popsterren. Toeval is dat natuurlijk niet.

sooreh hera-021Er zijn teksten genoeg waarbij een plaatje van Ali toch wordt afgedrukt met het onderschrift ‘Mohammed’. Soms heeft iemand zich gewoon vergist, soms zit er opzet achter. In Den Haag moest in 2007 een tentoonstelling van Sooreh Hera worden afgelast omdat de kunstenares twee halfnaakte mannen op een bed afbeeldde met vrijwel identieke, nietszeggende gezichtsmaskers, die vaag aan Ali herinneren. De bijschriften suggereerden echter dat het Mohammed en Ali betrof.

De verontwaardiging over portetten van Mohammed wordt nooit veroorzaakt door de afbeeldingen zelf, maar altijd door de bij- of onderschriften. Noch van Mohammed noch van Ali is immers bekend hoe ze eruit hebben gezien. De oude moslims maakten geen portretten, van niemand niet. Dat heeft te maken met islamitische verbod op het afbeelden mensen en dieren. In Iran, India en het Ottomaanse Rijk heeft men die toch wel afgebeeld, maar pas tamelijk laat en lang niet zo vaak als in Europa, waar een zeer rijke portrettraditie bestaat.
Er bestaan dus geen (geen!) gelijkende tekeningen of schilderijen van Mohammed of Ali of diens zonen of wie dan ook — en standbeelden al helemaal niet. Portretten ontstonden in de Arabische Wereld pas na de uitvinding van de fotografie, dus in de tweede helft van de negentiende eeuw. Van voor die tijd kennen we hoogstens het uiterlijk van enkele hooggeplaatste Arabieren wanneer zij toevallig door een Europese kunstenaar vereeuwigd zijn, en of die schilderijen of etsen naar het leven waren gemaakt is dikwijls nog de vraag.
.
Al-Ma‘arriAl-MutanabbiToch vindt U in uw Wikipedia-artikelen ook bij vele oudere beroemde Arabieren en andere moslims een portretje. Saladin, Ibn Khaldun, Avicenna, noem maar op, overal staat een plaatje bij. Ook op postzegels en bankbiljetten zijn de heren vereeuwigd, en van de allerberoemdsten bestaan er standbeelden, alles in imitatie van Europese gewoontes. Al die portretten berusten op niets anders dan fantasie en zijn het gevolg van de moderne verslaving aan afbeeldingen. Het is nauwelijks nog mogelijk een artikel te schrijven zonder afbeelding, dus moet de vrije fantasie aan de slag. De vruchten daarvan zijn nogal eenvormig. Meestal kijken de geportretteerde heren waardig uit hun ogen, ze zijn voornaam gekleed in een of ander historisch gewaad, ze dragen een volle baard en een tulband; op een postzegel uit de DDR draagt Avicenna een fantasiemuts met een soort doornenkroon. Soms wordt er een afbeelding van een Europese ‘oriëntalistische’ schilder misbruikt (Hasan al-Basri). In andere gevallen wordt een al bestaand portret van een beroemdheid voor een andere in spiegelbeeld hergebruikt. Dat is bij voorbeeld de dichters al-Mutanabbi en al-Ma‘arri overkomen.

Uit het verleden zijn wel soms beschrijvingen van het uiterlijk van mensen bewaard; in het geval van Mohammed zijn die zelfs tamelijk uitvoerig, maar ze zijn onderling tegenstrijdig, wat hun fictieve karakter nog eens onderstreept. Daarover graag een volgende keer. De politie kan tegenwoordig compositietekeningen van iemand maken op grond van beschrijvingen. Maar dat lukt alleen als een getuige de betrokken persoon werkelijk heeft gezien, dus bij Arabieren van vroeger heb je daar ook niets aan.

Na de uitvinding van de fotografie was het overigens met het verbod op afbeeldingen gauw voorbij. De eerste portretfoto’s van het Arabisch Schiereiland zijn van Muhammad Sadiq Bey en dateren van 1861. Onze landgenoot Chr. Snouck Hurgronje heeft in 1884 veel mensen in Mekka gefotografeerd en laten fotograferen en de resultaten gepubliceerd. Voortaan wilde iedereen op de kiek, ook de strengste gelovigen, en het verbod werd gewoon afgeschaft.

Hier vindt U een aantal pseudoportretten bij elkaar; hieronder staan er nog een paar.

Terug naar Inhoud

De muildieren van de profeet

Een muildier (Arabisch baghl)1 is een kruising tussen een paardenmerrie en een ezelshengst; een muilezel is het jong van een ezelin en een paardenhengst. Omdat we niet weten over welk van beide soorten de oude Arabische teksten het hebben noem ik ze maar allemaal muildieren. Ik gok er maar op dat die in de meerderheid zijn geweest: zij zijn de sterkste lastdieren en het makkelijkst te fokken.
Herbert Eisenstein heeft alle teksten over Mohammeds muildieren en ezels verzameld. Uit zijn artikel2 zal ik hier putten; meer teksten dan hij heb ik niet gevonden. Aan interpretatie heb ik echter wel iets toe te voegen
.
Duldul
Het muildier bij uitnemendheid was Duldul. Misschien was het zelfs het islamitische oermuildier überhaupt, want het heet: ‘Duldul was het eerste muildier waarop gereden werd in de islam.’ 3 ‬ Zulke ‘eerste’-overleveringen (awā’il) dienden er meestal toe, de terminus post quem van het een of andere fenomeen vast te stellen, maar ze kunnen wel, zoals in dit geval, erg tendentieus zijn.4
Er bestaat over deze muilezelmerrie enig biografisch materiaal in de beste Arabische traditie.5 Ze zou de profeet cadeau zijn gedaan door de Muqawqis von Alexandrië — wie dat ook geweest moge zijn — tesamen met een ezel, goud, textiel en de twee mooie slavinnen Māriya en Sīrīn.6 Bij de Slag bij Hunayn (630) zou de profeet op Duldul gereden hebben en tegen haar gezegd hebben: irbidī! (ga liggen!), of sdi! (strek je!), zodat hij een handvol stof kon oppakken om de vijanden in het gezicht te werpen. In nog een andere variant zei de profeet in die slag tegen zijn oom ‘Abbās: ‘Geef mij eens een paar kiezelstenen!’ Duldul verstond dat en strekte zich uit eigen beweging, zodat de profeet ze zelf van de grond kon pakken. Zij overleefde de profeet meer dan dertig jaar en stierf tijdens de regering van kalief Mu‘āwiya (661–680) in Yanbu‘ aan de Rode Zee-kust. Een leeftijd van vijftig jaar is voor een muildier goed haalbaar; Duldul was bij aankomst in Medina blijkbaar al niet meer zo jong geweest. Op hoge leeftijd waren haar tanden uitgevallen, zodat de gerst voor haar gemalen moest worden. Haar tragische dood is goed als filmscène voorstelbaar: blind geworden liep zij een meloenveld in en vertrapte het. Het veld behoorde toe aan een man uit de Banū Mudlidj, die haar doodde met een pijlschot, blijkbaar niet vermoedend met welk nobel dier hij te doen had.
Volgens de sji‘ietische overlevering zouden ook ‘Alī, zijn beide zonen en zijn rechterhand Muhammad ibn al-Hanafīya nog op Duldul hebben gereden.
.
Andere muildieren
Wat Eisenstein over de andere muildieren van de profeet bijeen heeft gesprokkeld zal Ik hier kort samenvatten:7
– Fidda (‘zilver’), een wit dier, dat Farwa ibn ‘Amr al-Djudhāmī hem schonk en dat hij zelf aan Abū Bakr doorgaf,
– een wit dier, dat hij van de heerser van Ayla (het huidige Aqaba) cadeau kreeg,
– een muildier dat Kisrā, de koning van Perzië, hem schonk en waarop hij gereden zou hebben met een haren zadeldek,
– een grauwtje, dat hij van de Negus van Abessinië cadeau kreeg,
– een geschenk van de heerser van Dūmat al-Djandal (bij het huidige al-Djawf of Jouf)
– en tenslotte een niet gespecificeerd dier waarvan wordt verteld dat het ‘met hem op hol sloeg’, waarop de profeet aan het dier een koranvers liet voorlezen.
.
Hoeveel muildieren er nu precies bij de profeet in de stal stonden blijft onduidelijk, want de namen en biografische details van de dieren lopen erg dooreen. Wilt U ze echt tellen? Het is eigenlijk nogal duidelijk: al die dieren zijn er in werkelijkheid maar één. Het zijn variaties op één thema: een muildier dat de profeet cadeau krijgt uit het buitenland en dat vervolgens als precedent voor een sharia-regel optreedt.
.
Inderdaad, vrijwel al deze muildieren werden volgens de teksten aan de profeet cadeau gedaan vanuit het buitenland. Ayla en Dūma, hoewel in Noord-Arabië gelegen, golden toen nog als christelijk buitenland. Ook Fidda kwam uit het buitenland, want dat dier kreeg hij van Farwa ibn ‘Amr, die tot zijn bekering en martelaarsdood Romeins stadhouder was in Ma‘ān, ten noorden van Ayla.8 Naar aanleiding van de geschonken slavinnen Māriya en Sīrīn heb ik hier al besproken, welke functie geschenken uit het buitenland in de teksten hadden. Zij moesten door het voorbeeld van de profeet de aanname en het gebruik van niet-islamitische goederen legitimeren.
.
Maar waren muildieren dan zo buitenlands? In heel het Oude Nabije Oosten kwamen muildieren voor; ook Ethiopië was er vol mee. Het waren sterke en betrouwbare last- en rijdieren, die overal van pas kwamen; zouden die in Arabië dan hebben ontbroken? Dat wil er bij mij niet in, maar ze kwamen wel uit het buitenland.
Het Arabische woord voor muildier, baghl, is Ethiopisch. Hoewel de dieren ook in Syrië en aan de Perzische Golf voorkwamen, zal het eenvoudiger geweest zijn ze per schip uit Afrika in Arabië te importeren. Honderden kilometers door de woestijn konden ze immers niet lopen. En omdat de dieren zich niet voortplantten moesten er telkens nieuwe geïmporteerd worden.
Blijkbaar wil de mededeling dat de Egyptische Duldul het eerste muildier in de islam was ons te laten geloven dat muildieren in het oude Arabië nieuw waren, met andere woorden: de profeet had een primeur — en dat terwijl de koran ze al als vanzelfsprekend vermeldt vóórdat de profeet Duldul cadeau zou hebben gekregen.
Maar de nieuwheid van muildieren in de teksten is vrome fictie van rechtsgeleerden. Laten we hun gedachtengangen eens bekijken.
.
Rechtsregels over muildieren
– Het eten van muildiervlees is niet toegestaan — maar dat wordt hier niet behandeld.

– Het rijden op muildieren is zonder meer toegestaan, want in de Koran heet het: ‘En paarden, muilezels en ezels opdat jullie ze kunnen berijden, en voor het mooi. En Hij schept wat jullie niet weten.’9 Dat de profeet volgens verschillende vertellingen ook inderdaad op een muildier reed, is daarmee in overeenstemming. In het oude Israël reden de koningen David en Salomo erop, en muildieren konden ook dienen als vorstelijk geschenk.10

– Een normale omgang met muildieren leidt dus niet tot rituele onreinheid.

– Het zelf faciliteren van een kruising tussen paard en ezel is voor moslims afkeurenswaardig (makrūh). Een hadith maakt dit duidelijk:

  • … Van ‘Alī ibn abī Tālib: De profeet kreeg een muildier cadeau en hij reed daarop. Toen zei ‘Alī: ‘Als we eens ezels paarden lieten bespringen, dan hadden we ook zulke dieren.’ De profeet zei echter: ‘Dat wordt alleen door mensen zonder kennis gedaan.’ 11

In de teksten die Eisenstein heeft gevonden wordt deze uitspraak van de profeet in verband gebracht met het dier uit Ayla.12 Moslims die een absoluut verbod voorstonden interpreteerden ‘mensen zonder kennis’ als: ‘mensen die het verbod niet kennen’. Hoe dan ook, het fokken van muildieren is uit islamitisch oogpunt een niet-islamitische bezigheid. Bij de joden was het verbod duidelijker, op grond van Leviticus 19:19: ‘Laat je vee niet paren met dieren van een andere soort.’

– Reeds bestaande dieren mochten wel gebruikt of van buiten de eigen kring aangenomen of aangevoerd worden.

– Omgang met weerspannige muildieren: het beest dat met de profeet op hol sloeg gaf hij een lesje door het gevangen te zetten en Koran 113:1 aan hem te laten voorlezen, waarop het rustiger werd. Door zo’n bericht kregen de moslims natuurlijk ook meteen een lesje: in dergelijke gevallen moesten zij hetzelfde doen.

Ik vermoed dat het ongeveer als volgt gegaan is. De Arabieren en vroege moslims reden net als iedereen gewoon op muildieren rond en gebruiken ze als lastdieren. Toen na twee, drie eeuwen islamitische rechtsgeleerden begonnen, het hele leven aan de door hen opgestelde rechtsregels te toetsen, hebben zij ook vragen gesteld over muildieren. Omdat als altijd de profeet de hoogste autoriteit geweest moest zijn, hebben ze ook hem op muildieren laten rijden; ja zelfs al eerste. Het bij de joden gangbare fokverbod handhaafden zij; daarom blijft er in de teksten aan muildieren altijd iets vaag ‘niet-islamitisch’ hangen.

Zie ook Mohammed: ezeldrijver of kameelrijder?

NOTEN
1. Ch. Pellat, ‘Baghl’ in EI2.
2. H. Eisenstein, ‘Die Maultiere und Esel des Propheten,’ in Der Islam, 62 (1985), 98–131.
3. Ibn Saʿd, Ṭabaqāt i, @; Internet, passimوكانت دلدل بغلة النبي ص أول بغلة ركبت في الإسلام أهداها المقوقس
4. F. Rosenthal, Art. ‘Awāʾil,’ in EI2.
5. Eisenstein, o.c. 99–101.
6. Over die slavinnen zie hier.
7. Eisenstein, o.c. 101–4.
8. Ibn Isḥāq, Sīra, uitg. F. Wüstenfeld, 958; vert. Guillaume 644; Ibn Ḥadjar al-ʿAsqalānī, Al-Iṣāba fī tamyīz al-ṣaḥāba, 8 dln, Cairo, z.j., v, 386–7.
9. Koran 16:8:    وَالْخَيْلَ وَالْبِغَالَ وَالْحَمِيرَ لِتَرْكَبُوهَا وَزِينَةً وَيَخْلُقُ مَا لَا تَعْلَمُونَ
10. Bijbel, 1 Koningen 1:33, 38, 44; 10:25.
11. Eisenstein, o.c. 103.; Abū Dawūd, Djihād 53:

حدثنا قتيبة بن سعيد حدثنا الليث عن يزيد بن أبي حبيب عن أبي الخير عن ابن زرير عن علي بن أبي طالب ر قال  أهديت لرسول الله ص بغلة فركبها فقال علي: لو حملنا الحمير على الخيل، فكانت لنا مثل هذه. قال رسول الله ص: إنما يفعل ذلك الذين لا يعلمون.

12. Eisenstein, o.c. 103.

Diakritische tekens: Ḥunayn, irbiḍī, Muḥammad ibn al-Ḥanafīya, Fiḍḍa, ʿAlī ibn abī Ṭālib

Terug naar Hadith: startpunt     Terug naar Inhoud

Wahhabieten

Over de Wahhabieten zult U van mij niets horen, maar ik wil U wijzen op een dertig minuten lang serieus programma van de BBC, Analysis, waar heel wat te leren valt.

Zo kunnen media ook zijn. U hóeft niet naar de Nederlandse te luisteren; gelukkig had U Engels geleerd. Naast de Wahhabieten biedt Analysis ook nog andere onderwerpen: Political Islam, Muslim Brotherhood, Alawis. Allemaal erg leerzaam, vooral voor beginners en licht-gevorderden.

Terug naar Inhoud

Het kalifaat van Medina, of: het eerste Arabische Rijk, 622–661

Het standaardverhaal over de eerste Arabische staat is algemeen bekend. In 622 verliet de profeet Mohammed zijn geboortestad Mekka en emigreerde naar Medina, waar hij een staat stichtte. Na zijn dood behielden drie van zijn opvolgers, gewoonlijk bekend als de ‘rechtgeleide kaliefen’, Medina als hun hoofdstad, dat zij als basis gebruikten voor immense veroveringen. De vierde kalief ʿAlī regeerde de facto in Kūfa, in Irak. Na zijn dood in 661 verplaatste het zwaartepunt zich naar Damascus in Syrië, waar de Umayyade Muʿāwiya, die al sinds 642 als stadhouder had geregeerd, nu kalief werd.
.
Dit zeer korte overzicht is aanvaardbaar voor zowel moslimse geschiedschrijvers als voor traditionele oriëntalisten in het Westen. Maar is het in onze tijd nog wel te handhaven? Ik wil mij hier niet bezighouden met de vraag of dit Rijk al dan niet islamitisch genoemd kan worden,1 maar liever met de vraag of Medina, een oase diep in het Arabische schiereiland, werkelijk de hoofdstad kon zijn van een centralistisch en zich snel uitbreidend wereldrijk. Er had in die landstreek om duidelijke geografische redenen nog nooit een onafhankelijke staat bestaan, en zou dat nu ineens wel het geval geweest zijn?
.
In Jemen (Arabia Felix) waren er al sinds tweeduizend jaar staten geweest. Dit deel van het schiereiland heeft een betrekkelijk vochtig klimaat, zodat er geregelde landbouw mogelijk is. Irrigatie en terrasbouw vereisen een centrale organisatie, een staat.
.
In het noordelijk deel van Arabië (Arabia Petraea) waren er gedurende langere of kortere perioden staten geweest. Ik noem slechts Thamūd (ca. 715 vChr-600 nChr), de Nabateërs (110 vChr–106 nChr) en de korte machtsontplooiing van Koningin Zenobia in Palmyra (268–272). Daarna waren er twee Arabische dynastieën in vazalstaten geweest: de Ghassāniden (500–630), vazallen van het Oostromeinse Rijk, en de Lakhmiden (266–602), vazallen van Perzië. Beide rijken waren regelmatig geteisterd door binnenvallende bedoeïenen. Geen van beide superstaten hadden met succes deze kameelnomaden kunnen bestrijden, omdat die zich snel met hun buit konden terugtrekken in de woestijn, waar geregelde legers met paarden en wagens geen toegang hadden. Daarom hadden de rijken liever vriendschap gesloten met de bedoeïenen. Ze benoemden een nomadenleider tot koning, hij kreeg een kroon, een koningsmantel en een paleis en bovendien een zak met geld om zijn soldaten te betalen, die in ruil daarvoor hun weldoeners niet langer uitplunderden. Maar Ghassān en Lakhm hielden op te bestaan zodra het Oostromeinse Rijk en Perzië, uitgeput als zij waren door hun eindeloze onderlinge oorlogen, ophielden hun vazallen te financieren.
.
In Midden-Arabië (Arabia Deserta) was er maar één entiteit geweest die op een staat leek: Kinda (425–528). Ook dit was een vazalstaat, afhankelijk van de Jemenitische staat Ḥimyar. Het raakte in vergetelheid toen Ḥimyar in elkaar stortte. Er bleef alleen een vage herinnering aan de koningen ervan, van wie de beroemdste Imru’u l-Qays was. Er was in Midden-Arabië dus wel een soort staat geweest, maar geen onafhankelijke staat. Deze situatie veranderde in de zevende eeuw met de onverwacht succesvolle poging enkele stammen rond de oase Yathrib (Medina) te verenigen. Laten we voor het ogenblik bij het standaardverhaal blijven: het was Mohammed die in zijn jaren te Medina (622–632) de stammen onder zijn banier verenigde. Toen hij stierf liet hij iets achter wat inderdaad een staat genoemd kan worden.
.
Over wat er direct na zijn dood gebeurde verschilt het standaardverhaal van de moslims enigszins van dat van de moderne historici. De oude islamitische geschiedschrijvers zeggen het in religieuze termen: Mohammed had het hele schiereiland verenigd onder de banier van de islam. Na zijn dood werden vele stammen afvallig en verzaakten de islam. In de zogenaamde Ridda-oorlogen (632–634) islamiseerden de generaals van kalief Abū Bakr het schiereiland opnieuw. Niet-islamitische historici daarentegen hebben geen boodschap aan die religieuze interpretatie. Zij denken dat Mohammeds kernstaat nogal klein was, maar dat in de jaren na zijn dood allerlei Arabische stammen succesvol in het nieuwe bestel geïntegreerd werden; niet voor de tweede, maar voor de eerste maal.
.
Tot zover is het verhaal van de nieuwe staat min of meer plausibel. Alle oases moeten in zekere zin staten zijn, al was het alleen al om de toegang tot en de verdeling van water te regelen. Stammen langs handelswegen moeten onder contrôle worden gebracht en gehouden, om te voorkomen dat een karavaan zich plotseling beroofd zou zien van water, voedsel en voer. Geleidelijke uitbreiding van die eerste staat op de rest van het schiereiland is ook niet geheel onvoorstelbaar, hoewel het nooit eerder vertoond was. Maar tegelijk met de vereniging van het schiereiland begon er een geweldige snelle vergroting van de nieuwe staat. In 635 werd Syrië geannexeerd; in 634–642 werden Irak en West-Iran veroverd, in 639–642 Egypte, in 640 Palestina en in 640–660 heel Iran, tot diep in Centraal-Azië. Met andere woorden: binnen dertig jaar werden het hele Perzische en het halve Oostromeinse Rijk deel van het nieuwe Arabische Rijk. Is het werkelijk aannemelijk dat dit laatste dertig jaar lang het ongelukkig gelegen Medina als hoofdstad had? Om deze vraag te beantwoorden moeten we eerst kijken naar wat een rijk zoal nodig heeft:
– Een groot territorium
– Een bevolking
– Een centraal gezag, stadhouders, ambtenaren, belastinggaarders, rechters
– Snelle en betrouwbare communicatielijnen
– Landbouwoverschotten
– Regelmatige inkomsten uit belastingen
– Een staand leger onder een centraal commando en het geld om het te betalen.
– Legitimiteit van de regering

Click hieronder verder naar blz. 2. De bibliografie staat op blz. 4.

NOOT
1. De islam was natuurlijk niet ‘af’ bij de dood van de profeet. Er begint dan een ontwikkelingsproces. Moderne geleerden beginnen aarzelend van ‘islam’ te spreken in verband met de voltooiing van de Rotskoepel van Jerusalem in 691. En zelfs dan: het Umayyadische islamontwerp verschilt aanzienlijk van de latere islam van de ‘ulamā’, die vaak onbescheiden wordt aangeduid als ‘de islam zoals wij die kennen’.

Middelarabisch (korte definitie)

Middelarabisch (Middle Arabic) is geen taal, en ‘midddel-’ is geen chronologische aanduiding, zoals bij voorbeeld in ‘Middelhoogduits’. Het is eerder een taalniveau. Het was honderden jaren geleden de schrijftaal van mensen die het hoogste taalniveau van het Arabisch niet beheersten. Half­- of driekwart ontwikkelden, maar ook joden en christenen, voor wie de taalnorm van de koran niet zo veel betekende. En mensen die het druk hadden, die het wel konden, maar die in hun leven van alledag of in het handelsverkeer geen tijd over hadden voor hamza’s, uitgangen e.d. (vgl. de huidige artsen en ingenieurs).
Zo vindt men in de teksten bij voorbeeld:

  • يكتبُوا  in plaats van يكتبُونَ
  • عضيم in plaats van عظيم
  • الرجلاَنِ  يدخلوا in plaats van يدخُلُ  الرجلاَنِ
  • يَنْفَهِم  (VIIe Stam) in plaats van يُفْهَم (passief)

In het Middelarabisch speelt de hoge norm echter altijd op de achtergrond mee. De schrijver is zich zijn zwakte of luiheid bewust. Daarom ziet men dikwijls hypercorrecties:

  • لَمْ يكتبُونَ in plaats van لم يكتبُوا
  • الرجلاَنِ يدخُلاَ in plaats van يدخل الرجلاَنِ  oder الرجلاَنِ يدخلاَنِ
  • مَشَيَت in plaats van مَشَتْ

Terug naar Inhoud