Snouck

Snouck, zo heet de onlangs verschenen zeer leesbare en degelijke biografie van Christiaan Snouck Hurgronje (1857–1936), geschreven door Wim van den Doel. Ik heb er erg van genoten en veel van geleerd, en beveel hem dan ook graag aan iedereen aan, en vooral aan arabisten en geïnteresseerden in de islam en Indonesië. Snouck was jarenlang adviseur van de regeringen van Nederlands-Indië en Nederland, en later hoogleraar te Leiden, o.a. in Arabisch en islamwetenschap. De biografie portretteert de invloedrijke, wereldwijd bekende landgenoot in al zijn innerlijke tegenstrijdigheid en is ook een belangrijke bron van kennis over de Nederlandse koloniale politiek.
Ik ga niet het hele boek van ruim zeshonderd bladzijden bespreken, maar ik wil er enkele punten uitlichten.

Atjeh
In Noord-Sumatra ligt Atjeh (moderne spelling: Aceh), een gebied dat eind negentiende eeuw weigerde zich te onderwerpen aan het koloniale bestuur. Snouck was in belangrijke mate verantwoordelijk voor de laatste fase van wat als de Atjeh-oorlog bekend staat (1873–1903). Zijn (toen nog) vriend Generaal van Heutsz deed het grove werk, Snouck droeg de ideeën aan. De bedoeling was, de rebellie snoeihard neer te slaan om daarna met gulle hand de zegeningen van het koloniale bestuur over het land te doen neerdalen. Volgens Snouck ging het er om, de bevolking te beschermen tegen de uitbuiting en willekeur van plaatselijke potentaatjes en fanatieke godgeleerden, die hij aanried ‘zeer gevoelig te slaan’. De eerste fase, met veel wreedheid, bloedvergieten en vernietiging, werd inderdaad verwezenlijkt, het is bekend. Dat hier iets niet klopte kwam bij Snouck blijkbaar niet op. Van die zegeningen is niet veel meer vernomen — wat hij een kwart eeuw later zelf ook inzag.1

Ethisch kolonialisme
Snouck geloofde werkelijk dat het koloniale bestuur zegeningen bracht. Volkeren die lager stonden in beschaving konden immers veel leren van ontwikkelder volkeren, zodat ze op de (lange) duur op eigen benen konden staan. Dat Indië vooral een wingewest was dat goed was voor een flink percentage van de Nederlandse staatsinkomsten, moet Snouck hebben geweten, maar uit dit boek blijkt niet dat hij daar ooit over tobde of het niet vanzelfsprekend vond. Wel vond hij dat er meer en beter onderwijs moest komen voor intelligente inlanders uit de hogere standen, zodat dezen ook functies konden krijgen in het bestuur en de rechtspraak. Op den duur zou Indië zelfs door Nederlanders en inlanders te samen bestuurd moeten worden. Daarin was Snouck veel ‘ethischer’ dan de bestuurders in Indië en het ministerie in Den Haag, die zich daar heftig tegen verzetten en de inlander juist liever klein hielden.

De islam
Snouck was niet bang voor de islam, want hij kende hem van binnen en van buiten. Hij had in Mekka gezeten, presenteerde zich als moslim, verkeerde op voet van gelijkheid met islamitische geleerden, leefde zo veel mogelijk ‘inlands’ en sloot twee maal een islamitisch huwelijk met een Sundase vrouw. Hij had een hekel aan het panislamisme, dat volgens hem vooral door het Ottomaanse Rijk werd verbreid. Maar over de islam in Indië maakt hij zich geen zorgen; integendeel. In 1913 bij voorbeeld werd op Java de Sarekat Islam opgericht, een islamitische vereniging ter behartiging van de belangen van moslims. Toen deze al gauw een enorme aanhang kreeg schrokken ondernemers en koloniale bestuurders zich wezenloos en wilden die vereniging onderdrukken, maar Snouck vond het juist een goed idee. Geef ze de ruimte en wat zelfstandigheid, dan worden ze niet opstandig. Hij had niet die koloniale schrik voor moslims, die berust op onwetendheid. Voor de machtsovername in Arabië door de Wahhabieten in 1924 had hij wel waardering. Hj kon toen nog niet voorzien wat voor ellende die zouden aanrichten. Zij brachten in elk geval rust en orde, en dat was goed voor de pelgrims uit Indië.

Racisme
Al tijdens zijn jaren in Indië (1888–1906) verkondigde Snouck steeds de mening dat vermeende raciale verschillen geen enkele rechtvaardiging boden om inlanders onderwijs en functies in bestuur of rechtspraak te onthouden. En na de barbarij van de Eerste Wereldoorlog in Europa kon zeker niemand meer in ernst beweren dat het blanke ras superieur was. Maar hier sprak Snouck met dubbele tong. Hij had vijf kinderen van zijn twee achtereenvolgende Sundase echtgenotes, die hij niet erkende. Hij stuurde af en toe wat geld en een briefje, maar wenste verder geen contact, en wilde zeker niet dat ze naar Nederland zouden komen. In Nederland trouwde hij opnieuw en kreeg een dochter. Hij had dus maar één kind.

De vloek van Snouck
Snouck was al in 1936 gestorven, maar toen ik na mijn kandidaatsexamen in 1968 aankwam in Leiden waarde zijn geest er nog rond. Om te beginnen werden de colleges Arabisch gegeven in zijn ruim bemeten huis aan het Rapenburg. De hoogleraar las voor uit het collegedictaat van Snouck. Als je boven naar de WC moest, belandde je in diens badkamer, waar nog zijn badkuip met leeuwenpoten stond. In de gang hing een portret van de illustere bewoner. Ja, die ogen: zelfs in het schemerdonker van het trappenhuis doorboorden ze je nog.
Snouck heeft met zeer harde hand een stel leerlingen gevormd, die hij veel bijbracht, maar die hij ook voortdurend kleineerde. Bij sommigen leidde dit tot blijvend geestelijk letsel, dat zij nog doorgaven aan de volgende generatie. De lamheid van de Leidse arabistiek in de jaren zestig en de verpeste sfeer waren zonder twijfel een gevolg van de ‘vloek van Snouck’. Wie kon na hem nog bestaan?

Als ik me aan een korte karakterisering mag wagen: Snouck was een groot geleerde, een harde man, ook voor zich zelf, die niet door innerlijke twijfels werd geplaagd en weinig geduld had met minder getalenteerden.

.

  1. In een bespreking van J.C. Lamster, J.B. van Heutsz als G.G., afgedrukt in Oost en West, 6 juni 1947 staat echter nog te lezen: ‘Zonder twijfel zou het werk van Van Heutsz als landvoogd [=Gouverneur Generaal, WR] niet mogelijk zijn geweest zonder het werk van Van Heutsz als generaal. Trouwens: alle arbeid, sinds 1904 in Indië tot zegen der Indische volken verricht was slechts mogelijk door die zelfde arbeid van de zelfde Van Heutsz als generaal.’

Terug naar Inhoud

Djahiliya, of: islamitische oudheidkunde

(Deutsch hier

Hoe zag het leven in Arabië eruit vóór de komst van islam? Veel te lang hebben wetenschappers die vraag laten liggen, ook omdat Arabische overheden er niet in geïnteresseerd waren, maar in de laatste tijd neemt de kennis snel toe. Voordat ik daarover iets schrijf wil ik nog kort behandelen wat moslims er vanouds over te vertellen hadden. Een van de zaken die modern onderzoek in de weg stonden was namelijk hun traditionele opvatting over de Oudheid.

Djāhilīya is de religieus getinte, islamitische benaming voor de tijd voor de Islam. Het Arabische werkwoord djahila betekent: ‘niet weten.’ Djāhilīya is dan: ‘toestand van onwetendheid, periode van onwetendheid’.
‘Vóór de islam heersten barbarij en duisternis; met de profeet Mohammed verschenen het licht en het weten,’ zo is het islamitische perspectief samen te vatten. Dit wordt aanschouwelijk geformuleerd in de toespraak die Dja‘far ibn abī Ṭālib, de broer van ‘Alī, bij de Negus van Abessinië gehouden zou hebben. Meer dan een eeuw later wordt hij door de Ibn Isḥāq, de biograaf van de profeet, als volgt aangehaald:

  • Majesteit, wij waren een volk van onwetendheid: wij aanbaden afgodsbeelden, wij aten onrein vlees en bedreven ontucht, wij verbraken de bloedbanden, wij verwaarloosden de gastvriendschap en de sterksten van ons buitten de zwakkeren uit.

Djāhilīya als tijdsaanduiding komt al in de koran voor, bij voorbeeld in:

  • K. 3:154 … maar een andere groep dacht in hun zelfzucht op onterechte manier over God, zoals men in de tijd van onwetendheid dacht.
    K. 5:50 Is het de rechtspraktijk uit de tijd van onwetendheid die zij nastreven?
    K. 33:33 En blijft in jullie huizen en vertoont jullie niet opgesmukt als vroeger in de tijd van de onwetendheid. (vertalingen F. Leemhuis)

Ongelovige historici kunnen met de term djāhilīya niets beginnen. Zij hebben geen religieuze kijk op het verleden en spreken neutraal van pre-islamitisch Arabië. Waarbij een probleem is, wanneer de pre-islamitische tijd ophoudt en de islam precies begint. Er was natuurlijk een overgangstijd; laten we zeggen van 630–690. Ik had in dit Leeswerk al eens een stuk geschreven over pre-islamitisch Arabië, maar dat is intussen verouderd; een herziening houdt u nog tegoed.
Oude islamitische ‘oudheidkundigen’ hadden een sombere kijk op het verleden; het pre-islamitische Arabië krijgt domweg geen kans. In de achtste eeuw hebben zij zich een djāhilīya geknutseld die er zo heidens en achterlijk mogelijk uitziet (→Ibn Ishāq; al-Kalbī) en die heeft het nog tot in onze tijd uitgehouden.
De aldus geschapen ‘Oudheid’ staat echter op gespannen voet met wat moderne historici en archeologen ontdekken. Volgens →Hoyland, Arabia, was het Arabisch Schiereiland helemaal niet zo achterlijk, maar goed geïntegreerd in de grote culturen van die tijd. Ook opgravingen leggen daarvan toenemend getuigenis af: veel Grieks-Romeins en christelijk spul. De nomaden in dat oude Arabië waren niet analfabeet, maar schreven veel, zij het veelal niet in het klassiek Arabisch. De vondst van tienduizenden door nomaden geschreven inscripties zal ons hele inzicht in het oude Arabië, inclusief het ontstaan van de islam, grondig veranderen.
→Hawting, Idolatry ziet in de pre-islamitische tijd geen ‘afgodendienst’. Volgens hem was het polytheïsme sinds de vijfde eeuw uitgestorven en heeft de islam zijn ontstaan vooral te danken aan conflicten tussen monotheïsten. Het koranische woord mushrikūn betekent weliswaar ‘heidenen, polytheïsten’, maar dat komt volgens Hawting omdat de elkaar bestrijdende groepen elkaar met dat woord graag uitscholden.
Dat word bevestigd in →Crone, Pagans. Zij beperkte zich tot een hernieuwde lezing van alle relevante koranverzen en komt tot de conclusie dat de mushrikūn uit de koran wel aan de ene God geloofden, maar naast hem nog andere wezens vereerden, die nu eens godheden, dan weer engelen werden genoemd. Die hebben zij niet aanbeden, maar zij hoopten op hun voorspraak bij God. Echte afgoden, beelden e.d. zag Crone alleen in de verhalen over de profeten in de koran; dus in de voortijd waarover verteld wordt, niet in Mohammeds tijd.

BIBLIOGRAFIE
De islamitische geschiedschrijving over de pre-islamitisch tijd:
– Ibn Isḥāq (gest. 767), Sīra: The Life of Muhammad. A Translation of Isḥāq’s [sic!] Sīrat Rasūl Allāh, with introd. and notes by A. Guillaume, Oxford 1955, S. 3–70.
– Hishām ibn Muḥammad al­-Kalbī (737–819), Kitāb al-aṣnām, hg. Aḥmad Zakī, Kairo 1912, 19242; vert., inl. en commentaar Rosa Klinke Rosenberger, Das Götzenbuch. Kitâb al-aṣnâm des Ibn al-Kalbî, Leipzig/Zürich(?) 1941. [Het Kitāb al-aṣnām is ook in Engelse vertaling in het internet toegankelijk; de kwaliteit daarvan is mij onbekend.]

Secundair (al verouderen sommige titels nu snel):
– M. M. Bravmann, The Spiritual Background of Early Islam. Studies in Ancient Arab Concepts, Leiden 1972.
– Patricia Crone, ‘The Religion of the Qurʾānic Pagans: God and the lesser Deities,’ in Arabica 57 (2010), 151–200.
– Toufic Fahd, La divination arabe. Études religieuses, sociologiques et folkloriques sur le milieu natif de l’Islam, Leiden 1966.
– Toufic Fahd, ‘Siḥr,in EI2.
– Gerald R. Hawting, The Idea of Idolatry and the Emergence of Islam. From Polemic to History, Cambridge 1999.
– Robert G. Hoyland, Arabia and the Arabs from the Bronze Age to the Coming of Islam, London 2001.
– M. J. Kister, ‘Al-taḥannuth. An inquiry into the meaning of a term,’ in: BSOAS, 23 (1970), 223–236 (herdrukt in: M. J. Kister, Studies in Jāhiliyya and Early Islam, London 1980, nr. v), ook online. [case study]
– W. E. Shepard, ʻIgnorance,ʼ en ‘Age of Ignorance’ in Encyclopedia of the Qur’ān.

Terug naar Inhoud

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Mohammeds nachtreis en hemelvaart

Hemelvaarten hoorden erbij in de Oudheid. Henoch, Mozes, Elia, Jesaja, Jezus, Paulus en nog anderen, ook in Perzië, zijn ten hemel gevaren. Mohammed kon natuurlijk niet achterblijven. De kern van het verhaal over zijn hemelvaart wordt door hemzelf verteld, dus betrouwbaarder kan niet. De gelovigen verwerven daardoor aanvullende kennis van het paradijs en de hel; de koran gaf daarover slechts beperkt informatie. Mohammeds hemelvaart staat in een lange traditie, maar zou later het uitgangspunt voor een nieuwe reeks hemel- en hellevaarten worden, de mi‘rādj-litteratuur (Ma‘arrī, Libro della Scala, Dante e.a.).
Hieronder volgt het verhaal van Ibn Ishāq (704–767) in vertaling:

““Toen werd de profeet op een nacht van de Heilige Moskee gevoerd naar de Verste Moskee, dat is de tempel van Aelia [=Jeruzalem]. Dat gebeurde toen de islam al was verbreid in Mekka, onder Quraysh en alle andere stammen.
Het verhaal over deze nachtreis is mij overgeleverd van Abdallāh ibn Mas‘ūd, Abū Sa‘īd al-Khudrī, Aisja de vrouw van de profeet, Mu‘āwiya ibn Abī Sufyān, al-Hasan al-Basrī, al-Zuhrī, Qatāda en andere geleerden, en van Umm Hani’ bint Abi Tālib. Het is samengevat in het volgende verhaal, waarin van iedereen iets is opgenomen over de gebeurtenissen tijdens de nachtreis.
In het verhaal van de nachtreis en wat daarover is gezegd ligt een beproeving; het is een zaak van Gods grootheid en almacht, een les voor mensen met inzicht, een richtsnoer, een genade en een zekerheid voor hen die geloven.
Het was zonder twijfel een grote daad Gods. Hij heeft de profeet de nachtreis laten maken op de manier die Hij wilde, om hem de tekenen te laten zien die Hij wilde, zodat hij met eigen ogen iets heeft aanschouwd van Zijn heerlijkheid en almacht waardoor Hij doet wat Hij wil.

Naar ik verneem vertelde ‘Abdallāh ibn Mas‘ūd het als volgt: Burāq, het rijdier waarop de vroegere profeten hadden gereden, en dat met iedere hoefslag zover kwam als zijn oog reikte, werd bij de profeet gebracht en hij werd erop gezet. Djibrīl begeleidde hem en toonde hem de tekenen die tussen hemel en aarde zijn, tot hij bij Jeruzalem kwam. Daar vond hij Ibrāhīm (Abraham), de vriend Gods, en Mūsā (Mozes) en ‘Īsā (Jezus), te midden van enkele andere profeten die daar bijeengebracht waren voor hem, en hij ging hen voor in het gebed. Toen werden hem drie vaten voorgezet, één met melk, één met wijn en één met water. De profeet zelf heeft daarover verteld: Ik hoorde een stem die sprak: ‘Als hij het water neemt zal hij verdrinken en zijn volk evenzo. Als hij de wijn neemt zal hij afdwalen en zijn volk evenzo. Als hij de melk neemt zal hij op de rechte weg geleid worden en zijn volk evenzo.’ Dus nam ik het vat met melk en dronk ervan, waarop Djibrīl sprak: ‘Jij bent recht geleid, Mohammed, en je volk evenzo!’

Al-Hasan geeft dit verhaal van de profeet: Terwijl ik sliep binnen de omheining van de tempel kwam Djibrīl bij mij en stootte mij aan met zijn voet. Ik ging overeind zitten maar ik zag niets en ging weer liggen. Hij kwam nogmaals bij mij en stootte me aan met zijn voet. Weer ging ik overeind zitten, maar ik zag niets en ging dus weer liggen. Ten slotte kwam hij voor de derde maal en stootte me aan met zijn voet. Toen ik nu overeind ging zitten greep hij mij bij mijn bovenarm. Ik stond op en hij bracht mij naar buiten, naar de deur van de moskee. Daar stond een wit rijdier, iets tussen een muildier en een ezel in, met vleugels aan zijn flanken waarmee het zijn achterpoten aandreef, terwijl het zijn voorpoten telkens neer zette tot waar zijn oog reikte. Daar zette hij mij op, en hij voerde mij mee en bleef voortdurend dicht bij mij.

Van Qatāda zijn mij deze woorden van de profeet overgeleverd: Toen ik naar het dier toeliep om op te stijgen werd het schichtig. Djibrīl legde zijn hand op zijn manen en zei: ‘Schaam je je niet, Burāq, je zo te gedragen? Je bent nog nooit door iemand bereden die hoger aangeschreven stond bij God dan Mohammed.’ Het dier schaamde zich zo dat het zweet hem uitbrak; toen stond het stil, zodat ik kon opstijgen.

Al-Hasans versie gaat verder: De profeet reed samen met Djibrīl tot Jeruzalem. Daar vond hij Ibrāhīm, Mūsā en ‘Īsā te midden van enkele andere profeten. De profeet trad op als imam en ging hun voor in het gebed. Vervolgens werden hem twee vaten gebracht, het ene met wijn en het andere met melk. De profeet liet het vat met wijn staan, maar hij nam het vat met melk en dronk eruit. Toen sprak Djibrīl: ‘Jij bent recht geleid tot hetgeen waartoe God je geschapen heeft, en jouw volk evenzo. Wijn is jullie verboden.’
Toen keerde de profeet terug naar Mekka, en de volgende ochtend vertelde hij zijn stamgenoten wat hem was overkomen. De meeste mensen zeiden: ‘Dit is volkomen onzin! Een karavaan doet een maand over de reis van Mekka naar Syrië, en ook nog een maand over de terugreis, en Mohammed zou dat heen en terug in één nacht hebben gedaan?’ Velen die reeds moslim waren geworden werden toen afvallig. Sommige mensen gingen naar Abū Bakr en zeiden: ‘Wat vind jij nu van je vriend, Abū Bakr? Hij beweert dat hij vannacht naar Jeruzalem is geweest, daar het gebed heeft verricht en weer terug is gekomen naar Mekka!’ Abū Bakr antwoordde dat ze logen, maar toen zij zeiden dat de profeet er op datzelfde ogenblik over aan het vertellen was in de moskee, zei hij: ‘Als hij het zelf zegt, dan is het waar! En wat is daar zo vreemd aan? Hij vertelt mij immers ook dat er mededelingen tot hem komen van God, van de hemel naar de aarde, in een uur, en dan geloof ik hem toch ook, en dat is vreemder dan dat waar jullie nu zo versteld van staan.’ Daarop begaf hij zich naar de profeet en vroeg hem of het waar was. Toen deze het hem bevestigde zei hij: ‘Beschrijf mij Jeruzalem dan eens, want ik ben er zelf geweest.’ (De profeet zei: ‘Het werd mij in een gezicht getoond, zodat ik het in de verte zag.’) De profeet begon, en telkens als hij iets beschreef zei Abū Bakr: ‘Dat klopt. Ik getuig dat u de gezant van God bent’. Ten slotte zei de profeet: ‘En jij bent Abū Bakr al-ṣiddīq (die de waarheid getuigt)’. Op die dag kreeg hij de bijnaam al-ṣiddīq.
Over degenen die naar aanleiding hiervan afvielen van de islam heeft God geopenbaard: Wij hebben het gezicht dat wij je hebben laten zien slechts gemaakt tot een verzoeking voor de mensen, en ook de in de koran vervloekte boom. Wij willen hun angst aanjagen, maar het vergroot slechts hun overmoed. [17:60]
Dat was al-Hasans verhaal over de nachtreis van de profeet, met toevoegingen van Qatāda.

Iemand uit Abū Bakrs familie heeft mij verteld dat Aisja, de vrouw van de profeet, altijd zei: ‘Het lichaam van de profeet is niet weg geweest, maar God heeft zijn geest de nachtreis laten maken.’

Ya‘qūb ibn ‘Utba verhaalt: Mu‘āwiya ibn Abī Sufyān zei altijd, als hem werd gevraagd naar de nachtreis van de profeet: ‘Het was een waarachtig droomgezicht van God.’
Deze beide laatste opvattingen zijn niet in tegenspraak met wat Hasan zegt, gezien het vers waarin God spreekt: Wij hebben het gezicht dat wij je hebben laten zien slechts gemaakt tot een verzoeking voor de mensen, [17:60] noch met het woord Gods in het verhaal over Ibrāhīm waarin deze tot zijn zoon zegt: Mijn zoon, ik heb in de droom gezien dat ik je moet slachten, [37:102] en dat ook doet. Dus voor zover ik het begrijp komt de openbaring van God tot de profeten zowel wanneer zij waken als wanneer zij slapen.
Ik heb gehoord dat de profeet altijd zei: ‘Mijn ogen slapen terwijl mijn hart waakt.’ 1 Alleen God weet hoe het tot hem kwam en hoe hij die dingen heeft gezien, krachtens Gods beschikking. Maar of hij nu waakte of sliep, het is allemaal waar en echt gebeurd.

Al-Zuhrī heeft beweerd, op gezag van Sa‘īd ibn Musayyab, dat de profeet aan zijn gezellen een beschrijving heeft gegeven van Ibrāhīm, Mūsā en ‘Īsā, die hij in die nacht gezien heeft: ‘Ik heb nog nooit iemand gezien die meer op mij leek dan Ibrāhīm. Mūsā was een man met een rossig gezicht, lang en mager, met krulhaar en een kromme neus, alsof hij tot de stam Shanū’a behoorde. ‘Īsā de zoon van Maryam was een roodachtige man, van middelbare lengte, met glad haar en veel vlekken in zijn gezicht, alsof hij juist uit het badhuis was gekomen; het leek alsof het water van zijn hoofd droop, maar dat was niet zo. Degene van jullie die het meest op hem lijkt is ‘Urwa ibn Mas‘ūd, uit de stam Thaqīf.’

Uit het verhaal van Umm Hāni’ bint Abī Tālib het volgende. Zij vertelde altijd: De profeet heeft alleen een nachtreis gemaakt vanuit mijn huis. Die nacht sliep hij bij mij. Hij had het late avondgebed verricht en daarna was hij gaan slapen en wij ook. Kort voordat het dag werd maakte hij ons wakker, en nadat we samen het ochtendgebed hadden verricht zei hij: ‘Umm Hāni’, ik heb het late avondgebed verricht met jullie, in dit dal, zoals je gezien hebt. Toen ben ik naar Jeruzalem geweest; daar heb ik het gebed verricht en het ochtendgebed heb ik weer met jullie verricht, zoals je weet.’ Toen stond hij op om naar buiten te gaan, en ik greep het uiteinde van zijn kleed, zodat zijn buik bloot kwam, en die zag eruit als een geplooid Koptisch kleed. Ik zei: ‘Profeet, praat hier met niemand over, want ze zullen je voor leugenaar uitmaken en uitschelden.’ Maar hij antwoordde: ‘En óf ik het ze ga vertellen!’ Toen zei ik tegen een Ethiopisch slavinnetje van mij: ‘Vooruit, ga de profeet achterna en luister wat hij de mensen vertelt en wat zij daarop te zeggen hebben!’ De profeet ging naar buiten en vertelde de mensen wat hem overkomen was. Zij waren heel verbaasd en vroegen: ‘Wat voor bewijs heb je daarvoor, Mohammed? want zoiets hebben wij nog nooit gehoord!’ Hij zei: ‘Het bewijs ervoor is dat ik de karavaan van de stam zo-en-zo ben gepasseerd in het dal daar-en-daar; zij schrokken van het geluid van het rijdier zodat een van hun kamelen op hol sloeg, en ik heb hun gewezen waar die was. Dat gebeurde toen ik op weg was naar Syrië. Ik reisde verder tot ik bij de berg Dadjnān een karavaan van de mannen van de stam zo-en-zo passeerde, die ik slapende aantrof. Zij hadden een kruik water, die zij ergens mee hadden afgedekt. Ik haalde het deksel eraf en dronk hem leeg; toen deed ik het deksel er weer op. En ten bewijze daarvan zeg ik jullie dat hun karavaan op het ogenblik aan het afdalen is van de heuvel Baidā’, naar de Tan‘īm-pas, en voorop loopt een asgrijze kameel, beladen met twee grote zakken, waarvan de ene zwart is en de andere tweekleurig.’
Men haastte zich naar die pas, en de eerste kameel die ze tegenkwamen zag eruit zoals hij beschreven had. Ze vroegen de mannen naar die kruik, en dezen vertelden dat zij hem vol water hadden weggezet, met een deksel erop, en dat zij hem de volgende morgen wel met deksel en al hadden aangetroffen, maar dat er geen water meer in zat. Later is er ook navraag gedaan bij de mannen van die andere karavaan, toen die in Mekka waren. Zij zeiden: ‘Zo is het inderdaad gegaan: in het dal dat hij noemt zijn wij ergens van geschrokken en sloeg er een kameel op hol; toen hoorden wij de stem van een man die ons wees waar hij was, zodat wij hem weer te pakken kregen.’

Iemand over wie ik geen twijfel koester heeft mij verteld dat hij heeft vernomen van Abū Sa‘īd al-Khudrī: Ik heb de profeet horen zeggen: Nadat mij dit in Jeruzalem was overkomen werd mij een ladder gebracht. Iets mooiers dan die heb ik nog nooit gezien. Het was de ladder waarop een stervende zijn oog gericht houdt wanneer de dood nabij is. Djibrīl voerde mij daarlangs omhoog tot wij bij een der hemelpoorten kwamen, die de Poort der Wachters heette. Hierover was een engel gesteld genaamd Ismāʿīl, en onder hem stonden twaalfduizend engelen, die elk weer twaalfduizend engelen onder zich hadden. Hier gekomen met zijn verhaal zei de profeet: En niemand kent de legerscharen van uw Heer dan Hij alleen. [74:31]
Toen ik werd binnengeleid vroeg de engel: ‘Wie is dit, Djibrīl ?’
‘Het is Mohammed.’
‘Is hij al gezonden?’
‘Ja.’
Daarop zegende de engel mij.
Volgens een geleerde, die het weer van iemand anders had, heeft de profeet verteld: Alle engelen die ik tegenkwam toen ik de laagste hemel binnenging lachten blij en wensten mij goeds, behalve één, die wel hetzelfde zei als de anderen, maar er niet bij lachte, en bij wie ik geen vreugde zag. Ik vroeg Djibrīl waarom niet, en hij antwoordde: ‘Als hij ooit naar iemand had gelachen of dat later ooit nog zou doen, dan zou hij zeker naar u lachen, maar hij lacht nooit; het is Malik, de hellewachter.’ Ik vroeg aan Djibrīl —die immers bij God een plaats inneemt zoals beschreven in Gods woord: die daar gehoorzaamd en vertrouwd wordt [81:21]—: ‘Wilt u hem niet bevelen mij de hel te tonen?’ Hij zei: ‘Wel zeker! Malik, toon Mohammed de hel!’ Daarop nam deze het deksel eraf en het vuur laaide zo hoog op dat ik dacht dat het al wat ik zag zou verteren. Dus vroeg ik Djibrīl hem te bevelen het vuur terug te laten gaan, en dat deed hij. Dat teruggaan kan ik alleen vergelijken met het vallen van een schaduw. Toen het vuur was teruggegaan naar waar het vandaan was gekomen plaatste Malik het deksel er weer op.

Het verhaal van Abū Saʿīd vervolgt: De profeet zei: Toen ik de laagste hemel binnenging zag ik daar een man zitten aan wie de geesten der mensen voorbij werden geleid. Bij sommige geesten riep hij: ‘Goed zo!’ en dan zei hij blij: ‘Een goede geest uit een goed lichaam!’ maar bij andere riep hij: ‘Bah!’ en dan zei hij fronsend: ‘Een slechte geest uit een slecht lichaam!’ Toen ik Djibrīl vroeg wie dat was zei hij: ‘Dit is uw vader Adam, aan wie de geesten van zijn nageslacht voorbijtrekken; met de geest van een gelovige is hij blij, maar van de geest van een ongelovige walgt hij, en dan zegt hij dat.’
Toen zag ik mannen met hanglippen als kamelen; in hun handen hadden zij stukken vuur als vuistgrote stenen, die zij in hun mond wierpen en die er van achteren weer uitkwamen. Ik vroeg Djibrīl wie dat waren, en hij antwoordde, dat het de mensen waren die onrechtmatig het bezit van de wezen hadden verteerd.
Toen zag ik mannen met buiken zoals ik ze nog nooit had gezien, die werden gestraft op de wijze van het geslacht van Farao, [40:46] terwijl zij aan het vuur werden blootgesteld liepen er wezens over hen heen als dorstige kamelen; ze trapten op hen zonder dat zij van hun plaats konden komen. Djibrīl zei mij dat dit de woekeraars waren.
Toen zag ik mannen die mager, stinkend vlees voor zich hadden staan en vet, smakelijk vlees ernaast, maar alleen van het stinkende vlees konden zij eten. Dit waren degenen die niet de vrouwen namen die God hun toestond, maar vrouwen naliepen die God hun verbood.
Toen zag ik vrouwen die waren opgehangen aan hun borsten. Dit waren de vrouwen die hun man een kind geschonken hadden waarvan hij niet de vader was.
Toen voerde hij mij omhoog naar de tweede hemel, en daar waren de twee neven: ‘Īsā de zoon van Maryam en Yahyā de zoon van Zakariā.
Toen voerde hij mij omhoog naar de derde hemel, en daar was een man met een gelaat zo schoon als de maan wanneer die vol is. Ik vroeg Djibrīl wie het was, en hij antwoordde: ‘Dit is uw broeder Yūsuf, de zoon van Ya‘qūb.’
Toen voerde hij mij omhoog naar de vierde hemel, en daar was een man van wie Djibrīl zei dat het Idrīs2 was: En Wij hebben hem verheven naar een hoge plaats. [19:57]
Toen voerde hij mij omhoog naar de vijfde hemel, en daar was een man met wit haar en een lange witte baard; nooit heb ik een man gezien die mooier was dan hij. Djibrīl zei: ‘Dit is de meest geliefde onder zijn volk: Hārūn, de zoon van ‘Imrān.’
Toen voerde hij mij omhoog naar de zesde hemel, en daar was een donkere, lange man met een kromme neus, die eruit zag als iemand van de stam Shanūʾa. Djibrīl zei: ‘Dit is uw broeder Mūsā, de zoon van ‘Imrān.’
Toen voerde hij mij omhoog naar de zevende hemel, en daar was een man die op een stoel zat bij de poort van het Eeuwige Verblijf, waardoor iedere dag zeventigduizend engelen naar binnen traden, die daar niet zouden terugkeren voor de Dag der Opstanding. Nooit heb ik iemand gezien die zo op mij leek als hij. Djibrīl zei: ‘Dit is uw vader Ibrāhīm.’
Toen voerde hij mij het paradijs binnen, en daar zag ik een meisje met donkerrode lippen. Ik vroeg haar voor wie zij was, want zij beviel mij zeer, en ze antwoordde: ‘Voor Zayd ibn Hāritha.’ Dat goede nieuws bracht de profeet aan Zayd over.

Aan het bericht van ‘Abdallāh ibn Masʿūd ontleen ik het volgende: Telkens als Djibrīl hem omhoog voerde naar een volgende hemel werd hem, als hij toestemming vroeg om binnen te treden, gevraagd wie hij bij zich had. Dan zei hij: ‘Mohammed,’ en als hij dan hun vraag of hij reeds gezonden was bevestigend beantwoordde, zeiden zij: ‘God schenke hem leven, deze broeder en vriend!’ tot hij hem naar de zevende hemel voerde, en ten slotte naar zijn Heer, die hem vijftig gebeden per dag oplegde.
De profeet heeft daarover verteld: Op de terugweg kwam ik langs Mūsā, en wat een goede vriend was hij voor jullie! Hij vroeg mij:
‘Hoeveel gebeden zijn je opgelegd?’
‘Vijftig gebeden per dag.’
‘Het gebed is een zware last, en je volk is zwak. Keer dus terug naar de Heer en vraag Hem, jou en je volk verlichting te schenken.’
Dat deed ik, en Hij nam er tien af. Toen ik weer langs Mūsā kwam zei hij dat weer, en zo ging het door tot er nog maar vijf gebeden over waren. Maar toen ik daarop weer bij Mūsā kwam en hij mij nogmaals dezelfde raad gaf, antwoordde ik: ‘Ik ben nu zo dikwijls teruggegaan naar mijn Heer om dat te vragen, dat ik mij schaam; nu doe ik het niet meer.’
Ten slotte zei de profeet: ‘Ieder van jullie die deze vijf gebeden verricht in geloof en vertrouwen op de beloning, die zullen er vijftig vergolden worden.’

[Overgenomen uit Ibn Isḥāq: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, blz. 79–87.]

NOTEN
1. De tekst stamt uit de bijbel, Hooglied 5:2.
2. Dat is Henoch, vgl. Genesis 5:24.

Diakritische tekens: ʿĀʾisha, al-Ḥasan al-Baṣrī, Ṭālib, Yaḥyā, Ḥāritha

Terug naar Inhoud

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Wilde Mohammed zelfmoord plegen?

In het grote geschiedwerk van al-Tabarī staat ook Ibn Ishāqs verhaal over hoe Mohammed de eerste koranopenbaring ontving op de berg Hirā’. Het verhaal is de profeet zelf in de mond gelegd; wie anders zou als bron aannemelijk zijn? Het hele verhaal staat hier; voor het ogenblik licht ik er het fragment over zijn gedachte aan zelfmoord even uit. De profeet heeft net verteld hoe hij in een droom door Djibrīl (Gabriël) de eerste Koranverzen onderwezen heeft gekregen; dan vervolgt hij:

  • … Dat reciteerde ik; toen liet hij mij los en ging weg, en toen ik ontwaakte uit mijn slaap was het alsof het in mijn hart gegrift stond. Nu was er geen schepsel waar ik een groter hekel aan had dan dichters en bezetenen; ik kon ze niet zien of luchten. En ik dacht: ‘O wee, deze nietswaardige’—hij bedoelde zich zelf—‘is een dichter of een bezetene. Maar dat zullen de Qurayshieten nooit van mij zeggen! Ik zal hoog de berg opklimmen en mij eraf storten; dan heb ik rust.’ Dus ging ik met die bedoeling op weg en toen ik halverwege de berg was hoorde ik een stem uit de hemel die zei: ‘Mohammed! Jij bent de gezant Gods en ik ben Djibrīl.’ […]1

Deze versie van het verhaal is weinig bekend: meestal wordt Ibn Ishāqs verhaal in de versie van Ibn Hishām gelezen, die voor veel mensen ‘de’ biografie van de profeet is:

  • … Dat reciteerde ik; toen liet hij mij los en ging weg, en toen ik ontwaakte uit mijn slaap was het alsof het in mijn hart gegrift stond. Dus ging ik en toen ik halverwege de berg was hoorde ik een stem uit de hemel die zei: ‘Mohammed! Jij bent de gezant Gods en ik ben Djibrīl.’ […]1

Ibn Hishām heeft alles over die zelfmoordgedachte er tussenuit gehaald en de twee resterende teksthelften onzorgvuldig weer aan elkaar genaaid. De naad is duidelijk zichtbaar. Waarom heeft hij dat gedaan? Ibn Hishām wilde blijkbaar niet een tekst uitgeven waarin iets negatiefs over Mohammed voorkwam. Hij had weinig gevoel voor vertellen, en voor islamitische theologie. Want past het niet uitstekend, dat Mohammed, die volgens de koran een gewoon mens was, op dat moment diep somber was? Je hoeft geen profeet te zijn om te weten dat een mystieke ervaring vaak door depressieve gevoelens wordt gevolgd. Bovendien werkt in het verhaal daarna de opheffing uit het dal des te fraaier. God grijpt onmiddellijk in: zodra Mohammed de berg oploopt verschijnt de engel aan hem, hemelvullend.2 En er werd ook nog een koranisch element verwerkt: de profeet is volgens de koran door zijn nog onbekeerde stadgenoten meermaals voor dichter of bezetene uitgescholden. Als dat geen stichtelijk verhaal is! Het is eigenlijk pas sluitend dóór die zelfmoordgedachte. God biedt uitzicht bij somberheid, God beschermt zijn profeet voor het kwaad, net als hier. Maar nee, de brave Ibn Hishām snapte zulke dingen niet; zijn boek is dan ook een bestseller geworden.

Dat een verteller de profeet überhaupt aan zelfmoord kón laten denken wordt aangedragen door koran 18:6: فلعلك بـٰخع نفسك على أثـٰرهم إن لم يؤمنوا بهذا الحديث أسفًا .  ‘Misschien ga jij in hun voetspoor (?) je van smart nog ombrengen als zij aan dit verhaal niet geloven,’ en door koran 26:3:  لعلك بـٰخع نفسك ألاّ يكونوا مؤمنين .  ‘Misschien ga jij je nog ombrengen omdat zij niet gelovig zijn.’ Ullmann3 heeft weliswaar aangetoond dat het daar gebruikte woord bākhi‘ niet ‘ombrengen’ betekent, maar vele commentatoren vatten het toch zo op, en de verteller van het bovenstaande verhaal zou dat ook gedaan kunnen hebben.

NOTEN
1. Al-Ṭabarī, [Taʾrīkh al-rusul wal-mulūkAnnales, uitg. M.J. de Goeje et al., 14 Bde., Leiden 1879–1901, i, 1150.

قال: فقرأتها ثم انتهى فانصرف عني وهببت من نومي ، فكأنما كتبت في قلبي كتابًا. (قال: ولم يكن من خَلْق الله أحد أبغض إليّ من شاعر أو مجنون، كنت لا أطيق أن أنظر إليهما، قال: قلت إنّ الأبعد – يعني نفسه – لَشاعر أو مجنون، لا تحدّث بها عنّي قريش أبدًا! لأعمدنّ إلى حالق من الجبل فلأطرحنّ نفسي منه فلأقتلنّها فلأستريحنّ.) قال: فخرجت (أريد ذلك) حتى إذا كنت في وسط من الجبل سمعت صوتًا من السماء يقول : يا محمد، أنت رسول الله وأنا جبريل.

Ibn Hishām heeft dezelfde tekst, maar zonder de delen tussen haakjes: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, ed. F. Wüstenfeld, Göttingen, 2 dln., 1858–60, i, 153; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 42.
2. Of is het God zelf? Vgl. koran 53:8–10: . ثم دنا فتدلّى فكان قاب قوسين أو أدنى فأوحى إلى عبده ما أوحى   „Toen kwam hij dichtbij en liet zich neer, en was op twee booglengten afstand of nog dichterbij en gaf zijn knecht die openbaring“.
3. Manfred Ullmann, ‘Wollte Mohammed Selbstmord begehen? Die Bedeutung des arabischen Verbums baḫaʿa,’ Die Welt des Orients 34 (2004), 64–71.

Diakritische tekens: al-Ṭabarī, Ibn Isḥāq, Ḥirāʾ

Terug naar Inhoud

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Ta’abbata Sharran, rover en dichter

Ta’abbata Sharran was een Arabische dichter die omstreeks 550, dus ruim vóór de islam, heeft geleefd. Hij behoorde tot de stam Fahm, maar hij hield het in het stamverband blijkbaar niet goed uit. Je had van die mensen; die verlieten óf zelf het stamverband, óf werden eruit gegooid en gingen in hun eentje verder. Soms vonden zij dan aansluiting bij soortgenoten en vormden een kleine bende van rovers (su‘lūk, mv. sa‘ālīk), die leefden van overvallen en rooftochten. Het waren helden en mannetjesputters, want zonder stamverband in een woest land te overleven is een bravourestuk. Anders dan onze moderne rovers waren zij vaak goede dichters; zo ook Ta’abbata Sharran.
Zijn naam betekent: ‘Hij heeft iets kwaads onder zijn arm gedragen’ en is dus geen naam, maar een bijnaam. In de ‘burgerlijke’ maatschappij van de stam heette hij Thābit ibn Djābir al-Fahmī, maar wie interesseert dat? Er zijn minstens drie anekdotes die vertellen hoe hij aan die bijnaam gekomen is:

  • 1. De overleveraars vertellen dat hij eens een ram zag in de woestijn. Hij pakte hem op en droeg hem onder zijn arm, maar het dier piste hem de hele weg onder. Toen hij dicht bij de stam gekomen was werd het hem te zwaar.1 Hij kon het niet meer dragen en wierp het van zich af, en toen bleek het ineens een ghoul te zijn. Zijn mensen vroegen hem:
    ‘Wat heb jij onder je arm gehad?’
    ‘Een ghoul,’ antwoordde hij.
    ‘Dan heb je wel iets kwaads onder je arm gedragen!’
    En daarnaar werd hij genoemd.2

Een andere, nogal gekunstelde anekdote, laat het moeder-zoon-conflict van het ongelikte rotjoch zien. Niet te handhaven, inderdaad.

  • 2. Er wordt ook gezegd: Nee, zijn moeder zei tegen hem: ‘Al je broers brengen mij ’s avonds iets voor mij mee, maar jij niet!’ Toen zei hij: ‘Vanavond zal ik iets voor je meebrengen.’ Hij ging weg en ving een groot aantal adders, de grootste die hij te pakken kon krijgen. Toen hij ‘s avonds naar huis ging deed hij die in een zak, die hij onder zijn arm droeg en die gooide hij voor haar neer. Zij maakte hem open en daar schoten de adders weg in haar tent. Ze sprong op en rende naar buiten.
    ‘Wat heeft Thābit voor je meegebracht? vroegen de vrouwen van de stam:
    ‘Adders in een zak!’
    ‘Maar hoe heeft hij die dan gedragen?’
    ‘Onder zijn arm.
    ‘Dan heeft hij wel iets kwaads onder zijn arm gedragen!’
    En zo bleef de naam Ta’abbata Sharran aan hem hangen.3

En een derde anekdote voor een deel:

  • 3. […] en hij werd Ta’abbata Sharran genoemd omdat hij, naar verluidt, een ghoul ontmoette in een donkere nacht, op een plek genaamd Rahā Bitān, in het stamgebied van Hudhayl. Zij versperde hem de weg maar hij vocht zo lang met haar tot hij haar gedood had. Hij bleef de nacht op haar liggen en de volgende ochtend droeg hij haar onder zijn arm naar zijn kameraden. Die zeiden tegen hem: ‘Jij hebt wel iets kwaads onder je arm gedragen!’4

Een ghoul is een demon die zich in de woestijn ophoudt en eenzame reizigers lastig valt. Een van zijn eigenschappen is dat hij van vorm kan veranderen. Vaak doet hij zich als een vrouwelijk wezen voor.5
Taʾabbata Sharran heeft verzen geschreven over een ontmoeting met een ghoul. (Poëzie poëtisch vertalen kan ik helaas niet.)

  • 4. Toen hield de ghoul mij gezelschap als buurvouw.
    O buurvrouw, wat een griezel ben jij!
    Ik wilde seks van haar. Zij draaide zich weg,
    maar ik probeerde het toch.
    Als iemand mij naar mijn buurvrouw vraagt:
    ze woont bij de bocht van de zandheuvel.6

‘Buurvrouw’ was een benaming die bedoeïenen voor hun echtgenote gebruikten. De dichter is helemaal niet onder de indruk van het gevaarlijke wezen; integendeel. Hij drijft de spot met het angstige geloof van het brave stamvolkje. Voor hem bestaan er geen woestijndemonen; fuck the ghoul! En mocht iemand anders dat ook eens willen proberen, ze woont om de hoek bij de zandheuvel, je weet wel. Dan vind je haar beslist, in Arabië.
De ghoul komt nog voor in een langer gedicht van Ta’abbata Sharran, waar ik hier enkele regels uitlicht:

  • 5. Kom op, wie vertelt de kerels van Fahm,
    wat mij bij Rahā Bitān overkwam?
    Ik kwam de ghoul tegen, toen ze voortjoeg
    door een woestijn zo plat als een vel papier.
    Ik zei tegen haar: ‘We zijn beiden bekaf. Jij bent
    op reis, net als ik, dus laat mij mijn plek!’
    Maar zij viel mij aan. Toen schoot mijn hand uit
    met een goed geveegd Jemenitisch zwaard.
    Ik sloeg haar onversaagd en zij ging neer,
    op haar voorpoten en haar hals.
    […]
    Ik liet haar niet los en leunde op haar
    om ’s morgens te zien wat het was.7

Ook hier schept de dichter lekker op over hoe hij de ghoul klein gekregen heeft; ook hier ligt hij bovenop haar, al is er van seks geen sprake. De poging tot een gesprek vóór het gevecht herinnert aan ‘het gesprek met de wolf’, een motief uit de wat latere poëzie. Als een eenzame reiziger in de woestijn een al even eenzame, uitgeputte wolf tegenkomt hebben beiden veel gemeen: hun honger, hun eenzaamheid, hun uitzichtloosheid. Maar zulke ontmoetingen zijn gevaarlijk; daarom spreekt de dichter het dier vaak bezwerend toe.8 Dat doet deze dichter hier met de ghoul, maar die gaat er niet op in.
Anekdote nr. 3. wil de vreemde bijnaam van de dichter verklaren, net als de andere. Maar zij is ook geënt op gedichtfragment nr. 5 en wil daar wat meer geschiedenis van maken. Het verhaaltje verhoudt zich tot het gedicht als een sabab al-nuzūl-verhaal tot een koranvers.

NOTEN
1. Hoeveel meter kunt U lopen met een ram onder uw arm?
2 Abū al-Faradj al-Isfahānī, Kitāb al-Aghānī, uitg. Cairo 1927, xxi, 127.

ذكر الروة أنّه كان رأى كبشًا في الصحراء فاحتمله تحت إبطه فجعل يبول عليه طول طريقه. فلما قرب من الحيّ ثقل عليه الكبش فلم يُقِلّه فرمى به فإذا هو الغول. فقال له قومه: ما تأبّطَّ يا ثابت؟ قال: الغول. قالوا: لقد تأبّطَّ شرا! فسُمّي بذلك.

3. Aghānī xxi,127

وقيل بل قالت أمّه له كل إحوتك يأتيني بشيء إذا راح غيرَك. فقال لها: سآتيك الليلة بشيء. ومضى فصاد أفاعيَ كثيرة من أكبر ما قدر عليه. فلمّا راح أتى يهنّ في جِراب متأبّطًا به فألقاهه بين يديها ففتحته فتساعين في بيتها. فوثب وخرجت. فقال لها نساء الحيّ: ما ذا أتاك به ثابت؟ فقالت: أتاني بإفاعٍ في جراب. وقلن: وكيف حملها؟ قالت: تأبّها. قلن: تأبّط شرّاً، فلزمه تأبّطا شرّاً.

4. Aghānī xxi,128–29.

[…] وإنّما سمّي تأبّط شرّاً لأنهه فيما حُكي لنا٬ لقي الغول في ليلة ظلماء في موضع رَحَى بِطَانٍ في بلاد هذيل فأخذت عليه الطريقَ فلم يزل بها حتى قتلها وبات عليها فلمّا أصبح حملها تحت إبطه وجاء بها الى أصحابه فقالوا له: لقد تأبّطّ شرّاً.

5. Ghouls bestaan nog steeds; zie wat hier gezegd wordt over Soraya Qadir, alias Dust.
6. Aghānī xxi, 128:

فَأَصْبَحَتِ‎ الغُولُ‏ لِي‏ جَارَةً  *  فَيَا جَارَتَا لَكِ‎ مَا أَهْوَلاَ
فَطَالَبْتُهَا بُضْعَهَا فَالْتَوَتْ  *  عَلََيَّ‏ وَحَاوَلْتُ‏ أَنْ‏ أَفْعَلاَ
فَمَنْ‎ كَانَ‎ يَسْأَلُ‏ عَنْ‏ جَارَتِي  *  فَإنَّ‏ لَهَا باللِّوَى مَنْزِلاَ

7. Aghānī xxi, 129:

أَلاَ‎ مَنْ‏ مُبْلِغٌ‏ فِتْيَانَ‏ فَهْمٍ  *  بِمَا لَقِيتُ‏ عِنْدَ‏ رَحَى بِطَانِ
وَأَنِّي‏ قَدْ‎ لَقِيتُ‏ الغُولَ‏ تَهْوَى  *  بِسَهْبٍ‏ كَالصَّحِيفَةِ‏ صَحْصَحَانِ
فَقُلْتُ‏ لَهَا‏: كِلاَنَا نِضْوَأَيْنِ  *  أَخُو سَفَرٍ‏ فَخَلِّي‏ لِي‏ مَكَانِي
فَشَدَّتْ‏ شَدَّةً‏ نَحْوِي‏ فَأَهْوَى  *  لَهَا كَفِّي‏ بِمَصْقُولٍ‏ يَمَانِي
فَأَضْرِبُهَا بِلاَ‎ دَهَشٍ‏ فَخَرَّتْ  *  صَرِيعًا لِلْيَدَيْنِ‏ وَلِلْجِرَانِ
[‏…]
فَلَمْ‏ أَنْفَكَّ‏ مُتَّكِئًا عَلَيْهَا  *  لأَنْظُرَ‏ مُصْبِحًا مَاذَا أَتَانِي

8. Manfred Ullman, Das Gespräch mit dem Wolf, München 1981.

Diakritische tekens: Taʾabbaṭa Sharran, ṣuʿlūk, ṣaʿālīk, Raḥā Biṭān, al-Iṣfahānī

Terug naar Inhoud

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]