Racisme in de oude arabische poëzie?

[GROEITEKST, WERKBLAD]
Als de Grieken en Romeinen het racisme niet hebben uitgevonden, waren het dan misschien de oude Arabieren?
De pre-islamitische Arabieren leefden in stamverband en waren dikwijls in oorlog met naburige stammen, die zij dan haatten of verachtten. In hun poëzie wordt vanouds veel plaats ingeruimd voor eigenroem en het uitschelden van andere, minderwaardig geachte stammen. Toch kon dit niet al te diep zitten: het kwam immers voor dat er ineens een alliantie met zo’n vijandige stam tot stand kwam, of dat een kleine stam door een grotere werd geabsorbeerd; dan waren die negatieve gevoelens niet meer opportuun. Bovendien waren zulke (ex-)vijanden niet werkelijk anders; ze behoorden niet tot een ander ras.
Ook slaven werden geminacht. Er zullen slaven zijn geweest die van ver gehaald waren, maar er waren er ook die uit de directe omgeving stamden en dus gewoon soortgenoten waren: mannen die na een verloren veldslag in krijgsgevangenschap geraakten of die tot slaaf gemaakt werden omdat zij hun (speel)schulden niet konden betalen. Zulke slaven waren niet ‘anders’. Al te diepgewortelde afkeer lag ook hier niet voor de hand, omdat vrijwel iedereen door krijgsgevangenschap of schulden slaaf kon worden. Vrouwen zullen dikwijls zijn buitgemaakt als seksobject, maar het kwam natuurlijk voor dat een eigenaar genegenheid opvatte voor zijn slavin en haar niet meer zo diep verachtte; ook voor een voedster kan men respect en liefde gekoesterd hebben.
.
Echt anders waren de vreemde volkeren verderop. De Perzen werden ‘adjam genoemd: mensen die het Arabisch niet behoorlijk konden uitspreken. Het waren rare snuiters met vreemde manieren en wonderlijke kleding, maar werden zij werkelijk als een ander ras opgevat, in de zin van een groep met afwijkende fysieke eigenschappen? Dat is nog maar de vraag.
.
De Romeinen werden soms wel naar een lichamelijk kenmerk genoemd: Banū al-Aṣfar, ‘de geelhuiden’.1
.
In een enkele hadith van de Profeet — die wel uit de tweede eeuw van de islam moet dateren — worden raskenmerken van Turken uit Centraal-Azië genoemd: ‘… de Jongste Dag zal niet aanbreken, voordat jullie tegen mensen gevochten hebben met kleine ogen en korte neuzen.’ 2
.
Degenen met de meest in het oog lopende afwijkende lichamelijke eigenschappen, die ook het vaakst beschreven werden, waren de zwarten uit Afrika, en soms uit India. Op die uit Afrika zal ik me hier concentreren.
Eerst maar eens de oude poëzie bekijken
. Manfred Ullman heeft alle dichtregels verzameld waarin wordt gerefereerd aan zwarten. Van een groots filoloog en lexicoloog als hij mag men aannemen dat zijn verzameling van omstreeks zeshonderd fragmenten3 zo goed als volledig is. Enige oude poëzie is te achterhalen via de Concordance; die zal ik nog controleren.
.
Van de zwarten worden de volgende lichaamskenmerken genoemd:

  • Een zwarte huid
  • Kroeshaar
  • Dikke lippen
  • Een platte neus
  • Stralend witte tanden,

waarbij dat laatste geen lichaamskenmerk is, maar eerder een optische illusie. Tanden lijken immers witter wanneer zij zijn omgeven door zwarte huid.
.
Ullmann wilde niet onderzoeken welk beeld de oude Arabieren van zwarten hadden, maar de beeldspraak in de poëzie bestuderen, waarin niet-zwarte mensen, dieren of dingen met zwarten worden vergeleken.
In wat ouder Nederlands werd dat ook wel gedaan. Iemand die vuil werk had gedaan of erg door de zon verbrand was zag ’s avonds ‘zo zwart als een neger,’ of ‘als een Turk,’ of ‘als een Moor’. Ook een kolenkachel, een zondige ziel en vast nog andere zaken konden ‘zo zwart als een Moor’ genoemd worden.
Maar de Arabieren maakten die vergelijkingen ook in hun poëzie, en op veel uitgebreider schaal dan onze voorouders. Ook bij hen worden vuil geworden, beroete, zwart gemaakte of door de zon verbrande mensen vergeleken met echte zwarten, maar daarenboven ook ettelijke dieren, lichaamsdelen, planten, vruchten, mineralen, werktuigen, kledingstukken, wijnzakken, schepen, schrijfgerei en inkt, mest en stront, fluiten en schaakstukken, de nacht, de zee en de wolken en nog veel meer. Het punt van vergelijking is vrijwel altijd de donkere kleur; soms wordt er ook met andere fysieke eigenschappen van zwarte mensen vergeleken. Enkele voorbeelden:

  • ‘Het donker van de nacht is als een zwarte neger met gebogen hoofd, die zich in een rouwgewaad heeft gehuld.’ 4
  • ‘Midden over de weg kroop een zwartje …. Moge God hem niet zegenen, deze kruipende schorpioen…’ 5
  • ‘Wijnstokken, aan welker ranken vol druiven men op de dag van de oogst schedels van Ethiopiërs meent te ontwaren.’(bollende, diep-donkere druiven.)6
  • ‘Boven op ons vuur staat een welgevulde Ethiopische, dik als de buik van een olifant, die het daar lang uithoudt.’ (een bolle, zwart-beroete kookpot wordt met een Ethiopische vrouw vergeleken.)7
  • ‘De rug van een mestkever zou men voor de rug van een Nubiër kunnen houden.’ (de zwarte rugschilden van de mestkever//de schouderbladen van een zwarte man.8
  • ‘Ik scheepte mij in op een negerin … (bedoeld is een zwart geteerd schip op de Tigris).9

Er bestaan ook dubbele en ingewikkelde vergelijkingen: bij voorbeeld waar een dichter het over zijn beginnende grijsheid heeft:

  • ‘Witte en zwarte haren op het hoofd: Twee volkeren, Romeinen en negers hebben zich op mijn hoofd breed gemaakt.
    Opgevlogen van mijn hoofd is de [zwarte] raaf van de jeugd, op zijn plaats is de [witte] steltloper neergestreken.
    In de hof van mijn schedel hebben zich twee kleuren verspreid, als schaakstukken op een schaakbord.’10

Hier, en op vele andere plaatsen contrasteren zwarten overigens met blanke Romeinen, soms ook met Turken, Khazaren, of Scythen.
.
Tenslotte kan nog het bestaan van omgekeerde vergelijkingen gesignaleerd worden. In een betrekkelijk klein aantal verzen wordt niet een zwart ding of dier met een zwarte mens vergeleken, maar omgekeerd, bij voorbeeld: ‘Een zwart meisje, als een het edele veulen van een moor [=zwart paard] …’11

In de geciteerde en verreweg de meeste andere verzen is geen enkel waardeoordeel over zwarte mensen te lezen. Het ging de dichters erom, een kunstige, graag ook vergezochte vergelijking maken tussen iets donkers en de huidskleur van een zwarte mens, dat is alles. Moderne mensen mogen dit vreemd vinden, maar zo was het nu eenmaal in de oude poëzie, die ook verder wemelt van in onze ogen vergezochte vergelijkingen.
.
In een aantal verzen worden echter wel degelijk racistische uitspraken over zwarten gedaan, sommige zijn zelfs uitgesproken grof en gemeen. Eerst heb ik eens gekeken of zulke uitspraken zich voordoen in oude verzen of in latere. Ik wilde immers weten of het racisme van de oude Arabieren stamt, zeg maar die van voor het jaar 700. Met wetenschappelijke precisie ben ik niet te werk gegaan, maar het is me gebleken dat verreweg de meeste racistische hatelijkheden niet in de vroege maar in de latere poëzie voorkomen. Dat zegt echter niet veel, want zonder twijfel waren er in de latere tijd ook meer zwarten en dichters. Hoe dan ook, hier volgen de weinige voorbeelden van oude negatieve beschrijvingen van zwarten:

Ḥassān ibn Thābit zou hebben geleefd van 563–674, wat onwaarschijnlijk is. In ieder geval heeft hij als dichter een pre-islamitische periode gehad, maar na zijn overgang tot de islam bevond hij zich in de directe omgeving van Mohammed; men heeft hem wel diens hofdichter genoemd. Van hem stammen twee onaangenaam klinkende fragmenten:

  • ‘Jouw moeder is een zwarte met een korte nek, wier vingertoppen op mestkevers lijken. Als je vader haar ’s nachts beslaapt is het alsof een vos een kat aanvalt.’12
  • ‘[De Banū al-Ḥimās] zijn de kinderen van Cham. Voor hen vind je geen betere vergelijking dan met geitenbokken, bij welke het haar over de schouders hangt.’13

En Ibn Mufarrigh al-Ḥimyarī (gest. 688) dichtte dit:

  • ‘Hij is op de wereld gezet door een Ethiopische [slavin] met afgesneden oren, je zou denken dat het een struisvogelhen is; een van die vrouwen met zwarte gezichten aan wie alleen lelijkheid te zien is.’14

De iets latere dichter Farazdaq (± 641–730) noemt een man die hij wil uitschelden ‘zoon van de lul van een mestkever’,15 waarmee hij bedoelde: zoon van een zwarte, want de vergelijking van mestkevers met zwarten was gangbaar. En dat terwijl de geadresseerde niet eens zwart was; de dichter wilde gewoon iets onaangenaams zeggen. Of de steeds voorkomende vergelijking van de dikke lippen van zwarte met de hanglippen (mashāfir) van kamelen een negatief waardeoordeel inhoudt is me niet duidelijk.16
.
Vervolgens ben ik nagegaan of negatieve commentaren voorkomen in de vergelijkingen met bepaalde dingen of dieren. Dat blijkt in grote lijnen inderdaad het geval te zin. De vergelijkingen met planten en bloemen en met zwarte kledingstukken en stenen zijn positief, die met mest en stront en pek zijn negatief. Ook bij de vergelijkingen met mestkevers en pissebedden is heel wat racistisch gescheld te vinden, maar niet uitsluitend. Het lijkt voor te hand te liggen om bij voorbeeld een mestkever smerig te vinden, maar dat hoeft niet. In het Arabische woord khunfus klinkt het bij ons negatief beladen woord ‘mest’ niet mee. Hierboven (bij noot 8) citeerde ik een volstrekt neutrale vergelijking zonder negatieve klank en dat is lang niet de enige.
.
Wat echter ook vaak voorkomt in de latere poëzie is waardering en bewondering van zwart en van zwarten, zeker ook als liefdespartners van beiderlei kunne. Zwarte stenen zijn mooi, en zwart haar is altijd mooier dan wit, dat immers een teken van ouderdom is. In ettelijke gedichten worden zwarten verdedigd tegen critici, die de dichter blijkbaar hadden verweten dat hij zich met zwarten inliet.
.
Omdat de meeste hatelijkheden en ook de positieve uitingen in de wat latere poëzie voorkomen zal ik die in een latere aflevering behandelen. Voor het ogenblik volstaat de vaststelling dat racistische praat wel voorkomt in oude Arabische poëzie, maar betrekkelijk zelden.
.
Volgende te onderzoeken onderwerpen:
De zwarte dichter ‘Anṭara
Bilāl, de zwarte moëddzin van de profeet
De latere poëzie
De racistische theorieën, o.a. van al-Djāḥiẓ

WORDT VOORTGEZET

ANMERKUNGEN
1. Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 894. Ook Ullman, Neger, no. 309. Aṣfar klinkt onaangenaam wanneer het van mensenhuid wordt gezegd; het wordt ook gebruikt voor de vaalgele huidskleur van zieken en lijken.
2. Muslim, Ṣaḥīḥ, Fitan 64:
وحدثنا أبو بكر بن أبي شيبة حدثنا سفيان بن عيينة عن أبي الزناد عن .الأعرج عن أبي هريرة يبلغ به النبي صقال لا تقوم الساعة حتى تقاتلوا قوما نعالهم الشعر ولا تقوم الساعة حتى تقاتلوا قوما صغار الأعين ذلف الآنف.
3. Ullmann heeft de fragmenten genummerd t/m 638, maar er zitten doubletten bij.
4. Ullman, Neger, no. 390: كأنّ ظلام الليل أسود مُطرق من الزنج في لِبس الحِداد قد التفّا. Hier en in het vervolg vertaal ik ḥabashī met ‘Ethiopiër’, aswad met ‘zwarte’ en zandjī met ‘neger’. Ook het Arabische woord zandjī heeft vaak een negatieve klank.
5. Ibid., no. 97: إذا على ظهر الطريق مُغِذة سوداء قد عرفت أوان دهابي | لا بارك الرحمن فيها عقربا دبّابة دبّب الى دبّاب
6. Ibid., no. 293: كَرْم تَخَال على قُضبان حُبلته يومَ القِطاف له هامات حُبشان
7. Ibid., no. 554: تُفَرِّعُ أعلى نارها حبشية ركود كجوف الفيل طال دُؤوبها
8. Ibid., no. 71: كأُرْبية النوبي يُحسب ظَهره
9. Ibid., no. 596: ركبتها زنجية
10. Ibid., no. 113:  arabteksten volgen nog
11. Ibid., no. 103:
12. Ibid., no. 82: وأمك سوداء مودونة كأن أناملها الحُنظُب ، يبيت أبوك بها مُعْرسا كما ساور الهزةَ التغلب
13. Ibid., no. 107: أولاد حامٍ فلن تلقى لهم شبها إلا التيوس على أكتافها الشَعر
14. Ibid., no. 20: جاءت به حبشية سكّاء  تحسبها نعامة، من نسوة سود الوجوه ترى عليهن الدمامة
15. Ibid., no. 74: با ابن الخنفساء،  ابن زب الخنفساء
16. Ibid., no. @@:

Terug naar Inhoud

Wie heeft het racisme uitgevonden?

[GROEITEKST, WERKBLAD]
Bij de oude Grieken en Romeinen viel het nogal mee met het racisme, als ik de literatuur mag geloven. Maar die literatuur is wel wat problematisch. De klassieke Oudheid wordt in de westerse wereld dikwijls geïnstrumentaliseerd ter verbreiding van hedendaagse opvattingen. Het is dus denkbaar dat iemand uit de Verenigde Staten, die omstreeks 1950 schreef dat er in de Oudheid geen racisme bestond, eigenlijk de afschaffing van de rassenscheiding in de VS wilde bevorderen. Anderzijds geloven white supremacists vaak dat de oude Grieken en Romeinen net zo blank waren als hun marmeren standbeelden. Zij worden kwaad en sturen dreigmails aan archeologen en classici die aantonen dat die beelden vroeger gekleurd waren en dat de verf er in de loop der eeuwen af is gegaan, of door overijverige museumconservatoren is weggeschrobd.

Hoe dan ook, de personages van Homerus, inclusief de goden, vonden Ethiopiërs fijne mensen, trouw en gastvrij, en Ethiopiërs is de Oudgriekse benaming voor Afrikanen. Thetis vertelt Achilles:

  • Zeus is namelijk gisteren vertrokken naar de Oceaan voor een maaltijd | bij de voortreffelijke Ethiopiërs, alle goden vergezelden hem.1

En Iris zegt tegen de winden:

  • Geen tijd om te zitten, want ik ben nu onderweg naar de stromen van Okeanos en het land van de Ethiopiërs, waar men offers brengt aan de onsterfelijken, om ook zelf te delen in de rituelen.2

Ook Poseidon heeft het naar zijn zin bij de Ethiopiërs:

  • Deze nu was vertrokken naar de ver wonende Ethiopen, | (de Ethiopen, die in tweeën verdeeld zijn, verwijderd van de mensen, | één groep in het Westen, de andere in het Oosten) | om een offer in ontvangst te nemen van stieren en rammen. | Daar dus deed hij zich te goed, aanzittend aan de maaltijd; … 3

Feit is bovendien dat het Romeinse Rijk verregaand multiculti was, met vrij verkeer van mensen en goden, en dat het tenminste één keizer uit Libye heeft gehad (de Berber Septimius Severus; zijn vrouw Julia stamde uit het Syrische Homs) en twee uit het huidige Syrië/Turkije (de Arabieren Heliogabalus en Philippus Arabs). Iets dergelijks is in het huidige Europa volledig ondenkbaar.
Ik zal me nog nader inlezen in de vakliteratuur over de klassieke Oudheid, hoewel ik dat niet met grote kennis van zaken kan doen.

[[Een vriend gaf mij intussen de volgende lectuur over de klassieke Oudheid:
https://books.google.nl/books?id=eem1AQAAQBAJ&printsec=copyright&hl=nl&source=gbs_pub_info_r#v=onepage&q&f=false  en over zelfde titel: https://press.princeton.edu/titles/7737.html
https://www.jstor.org/stable/40023593?seq=1#page_scan_tab_contents
href=”http://www.anistor.gr/english/enback/AGRacism.pdf”>http://www.anistor.gr/english/enback/AGRacism.pdf
Benjamin H. Isaac, The Invention of Racism in Classical Antiquity, Princeton University Press 2004/2006?]]

Als het de Grieken en Romeinen niet waren, wie hebben het racisme dan uitgevonden? De oude Perzen? Daar heb ik geen toegang toe. Wel kan ik eens kijken of het misschien de oude Arabieren waren.
.
De pre-islamitische Arabieren leefden in stamverband en waren dikwijls in oorlog met naburige stammen, die zij dan haatten of verachtten. In hun poëzie wordt vanouds veel plaats ingeruimd voor eigenroem en het uitschelden van andere, minderwaardig geachte stammen. Toch kon dit niet al te diep zitten: het kwam immers voor dat er ineens een alliantie met zo’n vijandige stam tot stand kwam, of dat een kleine stam door een grotere werd geabsorbeerd; dan waren die negatieve gevoelens niet meer opportuun. Bovendien waren zulke (ex-)vijanden niet werkelijk anders; ze behoorden niet tot een ander ras.
Ook slaven werden geminacht. Er zullen slaven zijn geweest die van ver gehaald waren, maar er waren er ook die uit de directe omgeving stamden en dus gewoon soortgenoten waren: mannen die na een verloren veldslag in krijgsgevangenschap geraakten of die tot slaaf gemaakt werden omdat zij hun (speel)schulden niet konden betalen. Zulke slaven waren niet ‘anders’. Al te diepgewortelde afkeer lag ook hier niet voor de hand, omdat vrijwel iedereen door krijgsgevangenschap of schulden slaaf kon worden. Vrouwen zullen dikwijls zijn buitgemaakt als seksobject, maar het kwam natuurlijk voor dat een eigenaar genegenheid opvatte voor zijn slavin en haar niet meer zo diep verachtte; ook voor een voedster kan men respect en liefde gekoesterd hebben.
.
Echt anders waren de vreemde volkeren verderop. De Perzen werden ‘adjam genoemd: mensen die het Arabisch niet behoorlijk konden uitspreken. Het waren rare snuiters met vreemde manieren en wonderlijke kleding, maar werden zij werkelijk als een ander ras opgevat, in de zin van een groep met afwijkende fysieke eigenschappen? Dat is nog maar de vraag.
.
De Romeinen werden soms wel naar een lichamelijk kenmerk genoemd: Banū al-Aṣfar, ‘de geelhuiden’.4
.
In een enkele hadith van de Profeet — die wel uit de tweede eeuw van de islam moet dateren — worden raskenmerken van Turken uit Centraal-Azië genoemd: ‘… de Jongste Dag zal niet aanbreken, voordat jullie tegen mensen gevochten hebben met kleine ogen en korte neuzen.’ 5
.
Degenen met de meest in het oog lopende afwijkende lichamelijke eigenschappen, die ook het vaakst beschreven werden, waren de zwarten uit Afrika, en soms uit India. Op die uit Afrika zal ik me hier concentreren. Wat kan ik als Arabist doen? Een groots project ga ik niet opstarten, maar voor de oudste tijd kan ik de poëzie bekijken; vervolgens het geval van ‘Antara, een pre-islamitische zwarte dichter en held, en dat van Bilāl, de zwarte moëddzin van de profeet Mohammed.
Daartoe zal ik ik de volgende literatuur gebruiken:
– Manfred Ullmann, Der Neger in der Bildersprache der arabischen Dichter, Wiesbaden 1998.
– Albert Arazi en Salman Masalha, Six early Arab poets. New edition and concordance, Jerusalem 1999.
@@trefwoorden nog aswad 592–4 LET OP 594 regel 1. Snel gezien denk ik. Dit checken met Ullmann@@.
– Wolfdietrich Fischer, Farb- und Formbezeichnungen in der Sprache der altarabischen Dichtung. Untersuchungen zur Wortbedeutung und zur Wortbildung, Wiesbaden 1965. Trefwoorden: aswad, aṣfar, aḥmar 356 supra, abyaḍ, asmar, ašqar, ‘Hautfarbe’.@
.
Voor de wat latere tijd is er het volgende:
– De werken van al-Djaḥiẓ en de analyse daarvan door Susanne Enderwitz, Gesellschaftlicher Rang und ethnische Legitimation. Der arabische Schriftsteller Abū ‘Uṯmān al-Ǧāḥiẓ (gest. 868) über die Afrikaner, Perser und Araber in der islamischen Gesellschaft, Freiburg 1979. Al-Djāḥiẓ had een theorie over rassen. Zijn vader was een zwarte slaaf.
– Gernot Rotter, Die Stellung des Negers in der arabisch-islamischen Gesellschaft bis zum XVI. Jahrhundert, Diss. Bonn 1967.
– Bernard Lewis, Race and Slavery in the Middle East. An Historical Enquiry. New York/Oxford 1990.
Niet uit te sluiten is natuurlijk dat in deze secundaire literatuur nog van alles staat over de vroegste tijd; dat kan ik dan later invoegen.

Nu dan eerst die oude poëzie. Manfred Ullman heeft alle dichtregels verzameld waarin wordt gerefereerd aan zwarten. Van een groots filoloog en lexicoloog als hij mag men aannemen dat zijn verzameling van omstreeks zeshonderd fragmenten6 zo goed als volledig is. Enige oude poëzie is te achterhalen via de Concordance; die zal ik controleren.
.
Van de zwarten worden de volgende lichaamskenmerken genoemd:

  • Een zwarte huid
  • Kroeshaar
  • Dikke lippen
  • Een platte neus
  • Stralend witte tanden,

waarbij dat laatste geen lichaamskenmerk is, maar eerder een optische illusie. Tanden lijken immers witter wanneer zij zijn omgeven door zwarte huid.
.
Ullmann wilde niet onderzoeken welk beeld de oude Arabieren van zwarten hadden, maar de beeldspraak in de verzen bestuderen, waarin niet-zwarte mensen, dieren of dingen met zwarten worden vergeleken.
In wat ouder Nederlands werd dat ook wel gedaan. Iemand die vuil werk had gedaan of erg door de zon verbrand was zag ’s avonds ‘zo zwart als een neger,’ of ‘als een Turk,’ of ‘als een Moor’. Ook een kolenkachel, een zondige ziel en vast nog andere zaken konden ‘zo zwart als een Moor’ genoemd worden.
Maar de Arabieren maakten die vergelijkingen ook in hun poëzie, en op veel uitgebreider schaal dan onze voorouders. Ook bij hen worden vuil geworden, beroete, zwart gemaakte of door de zon verbrande mensen vergeleken met echte zwarten, maar daarenboven ook ettelijke dieren, lichaamsdelen, planten, vruchten, mineralen, werktuigen, kledingstukken, wijnzakken, schepen, schrijfgerei en inkt, mest en stront, fluiten en schaakstukken, de nacht, de zee en de wolken en nog veel meer. Het punt van vergelijking is vrijwel altijd de donkere kleur; soms wordt er ook met andere fysieke eigenschappen van zwarte mensen vergeleken. Enkele voorbeelden:

  • ‘Het donker van de nacht is als een zwarte neger met gebogen hoofd, die zich in een rouwgewaad heeft gehuld.’ 7
  • ‘Midden over de weg kroop een zwartje …. Moge God hem niet zegenen, deze kruipende schorpioen…’ 8
  • ‘Wijnstokken, aan welker ranken vol druiven men op de dag van de oogst schedels van Ethiopiërs meent te ontwaren.’(bollende, diep-donkere druiven.)9
  • ‘Boven op ons vuur staat een welgevulde Ethiopische, dik als de buik van een olifant, die het daar lang uithoudt.’ (een bolle, zwart-beroete kookpot wordt met een Ethiopische vrouw vergeleken.)10
  • ‘De rug van een mestkever zou men voor de rug van een Nubiër kunnen houden.’ (de zwarte rugschilden van de mestkever//de schouderbladen van een zwarte man.)11
  • ‘Ik ging aan boord, op een negerin … (bedoeld is een zwart geteerd schip op de Tigris).12

In deze en verreweg de meeste andere verzen is geen enkel waardeoordeel over zwarte mensen te lezen. Het ging de dichters erom, een kunstige vergelijking maken tussen iets donkers en de huidskleur van een zwarte mens, dat is alles. Moderne mensen mogen dit een vreemd streven vinden, maar zo was het nu eenmaal in de oude poëzie, die ook verder wemelt van in onze ogen vergezochte vergelijkingen.
.
In een aantal verzen worden echter wel degelijk racistische uitspraken over zwarten gedaan, sommige zijn zelfs uitgesproken grof en gemeen. Te onderzoeken is nu ten eerste of dit zich voordoet in de oudste verzen of in latere. Ik wil immers weten of het racisme van de oude Arabieren stamt, zeg maar die van voor het jaar 700. Ten tweede wil ik kijken of zulke negatieve commentaren voorkomen in de vergelijkingen met bepaalde dingen of dieren. De verleiding lijkt groot om bij voorbeeld de mestkever iets smerigs te vinden, maar op zich is dat niet nodig. In het Arabische woord khunfus klinkt het bij ons negatief beladen woord ‘mest’ niet mee. Bovendien was in het laatste voorbeeld hierboven al een neutrale vergelijking zonder negatieve bijklank te zien en dat is lang niet de enige.

WORDT VOORTGEZET

ANMERKUNGEN
1. Homerus, Ilias 1:423–4:
Ζεὺς γὰρ ἐς Ὠκεανὸν μετ’ ἀμύμονας Αἰϑιοπῆας | χϑιζὸς ἔβη κατὰ δαῖτα, ϑεοὶ δ’ ἅμα πάντες ἕποντο· Vertaling Ben Bijnsdorp: https://benbijnsdorp.nl/homerus_ilias.html.
2. Homerus, Ilias 23:205–207:
οὐχ ἕδος: εἶμι γὰρ αὖτις ἐπ’ Ὠκεανοῖο ῥέεθρα | Αἰθιόπων ἐς γαῖαν, ὅθι ῥέζουσ’ ἑκατόμβας | ἀθανάτοις, ἵνα δὴ καὶ ἐγὼ μεταδαίσομαι ἱρῶν. Vertaling Ben Bijnsdorp.
3. Homerus, Odyssee 1:21-25:
ἀλλ᾽ ὁ μὲν Αἰθίοπας μετεκίαθε τηλόθ᾽ ἐόντας, |Αἰθίοπας τοὶ διχθὰ δεδαίαται, ἔσχατοι ἀνδρῶν, | οἱ μὲν δυσομένου Ὑπερίονος οἱ δ᾽ ἀνιόντος, | ἀντιόων ταύρων τε καὶ ἀρνειῶν ἑκατόμβης. |ἔνθ᾽ ὅ γ᾽ ἐτέρπετο δαιτὶ παρήμενος … Vertaling Ben Bijnsdorp; https://benbijnsdorp.nl/homeros/homerus_odyssee.html. Vgl. ook 5:281–287.
4. Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 894. Aṣfar klinkt onaangenaam wanneer het van mensenhuid wordt gezegd; het wordt ook gebruikt voor de vaalgele huidskleur van zieken en lijken.
5. Muslim, Ṣaḥīḥ, Fitan 64:
وحدثنا أبو بكر بن أبي شيبة حدثنا سفيان بن عيينة عن أبي الزناد عن .الأعرج عن أبي هريرة يبلغ به النبي صقال لا تقوم الساعة حتى تقاتلوا قوما نعالهم الشعر ولا تقوم الساعة حتى تقاتلوا قوما صغار الأعين ذلف الآنف.
6. Ullmann heeft de fragmenten genummerd t/m 638, maar er zitten doubletten bij.
7. Ullman, Neger, no. 390: كأنّ ظلام الليل أسود مُطرق من الزنج في لِبس الحِداد قد التفّا. Hier en in het vervolg vertaal ik ḥabashī met ‘Ethiopiër’, aswad met ‘zwarte’ en zandjī met ‘neger’. Ook het Arabische woord zandjī heeft vaak een negatieve klank.
8. Ibid., no. 97: إذا على ظهر الطريق مُغِذة سوداء قد عرفت أوان دهابي | لا بارك الرحمن فيها عقربا دبّابة دبّب الى دبّاب
9. Ibid., no. 293: كَرْم تَخَال على قُضبان حُبلته يومَ القِطاف له هامات حُبشان
10. Ibid., no. 554: تُفَرِّعُ أعلى نارها حبشية ركود كجوف الفيل طال دُؤوبها
11. Ibid., no. 71: كأُرْبية النوبي يُحسب ظَهره
12. Ibid., no. 71: ركبتها زنجية

Terug naar Inhoud

Allah Rahman

Over de pre-islamitische tijd kan ik nauwelijks meepraten, zo snel gaat het nieuwe onderzoek. Hoogstens kan ik af en toe iets aanstippen en aldus verwijzen naar wat er gevonden wordt.
In een mooi Twitter-‘draadje’ laat Ahmad al-Jallad een interessante inscriptie zien, geschreven in de zesde eeuw in Jemen, in het Oudzuidarabische zabur-schrift. Invloed van de ‘islam’ of het noordelijker Arabisch is er dus niet.
Al-Jallads transcriptie in het ons vertrouwde Arabische schrift luidt:

بسم له رحمن رحمن رب سموت
رزقن م فضلك وأثرن مخه شكمت ايمن

bsmlh rḥmn rḥmn rb smwt
rzq-n m-fḍl-k w ʾṯr-n mḫh škmt ’ymn
.
Over de vertaling wordt nog wat gekibbeld, maar het moet zoiets zijn:
‘In de naam van Allāh, Raḥmān, de barmhartige, de Heer der hemelen. Zegen ons met Uw gunst en verleen ons het beste daarvan: de gave van het geloof(?).’

Waarom is deze inscriptie zo belangwekkend:
1. Zij biedt een pre-islamitische variant van de formule waarmee iedere koransoera begint: بسم الله الرحمن الرحيمن , bism allāh al-raḥmān al-raḥīm, wat meestal vertaald wordt als: ‘In naam van God, de barmhartige erbarmer.’
2. Zij toont dat reeds vóór de koran de goden Allāh en Raḥmān aan elkaar gelijkgesteld werden.
De inscriptie laat dus iets zien van de omgeving waarin de islam ontstond.

Bron:

Terug naar Inhoud

Geslachten en neigingen in het premoderne Midden- Oosten – 2a

[Ik ben niet tevreden over dit stuk. Ga het nog eens beter doen.]

Vrouwelijke mannen: de verwijfden van het oude Medina
Een mukhannath, meervoud mukhannathūn, is lichamelijk een man, maar geneigd tot vrouwelijk gedrag. Uit een natuurlijke neiging, maar soms ook uit affectatie, bij voorbeeld omdat dat bij een beroep hoorde. Het woord kan worden vertaald als ‘verwijfd, geslachtsloos’. Tegenwoordig wordt het ook wel gebruikt voor een man die zich anaal laat penetreren, maar bij deze groep in de eerste eeuw van de islam was dat niet noodzakelijk zo, zoals blijkt uit een artikel van Everett →Rowson.
.
Het is duidelijk dat zij in de zevende eeuw een belangrijke rol speelden in het muziekleven van Medina: het waren mannelijke beroepsmusici die in vrouwenkleren optraden en gewaardeerd werden om hun muziek, maar ook om hun geestigheid en charme. Misschien waren zij de opvolgers van de slavinnen, die in de pre–islamitische tijd gezongen en gedanst hadden. Hun kunstenaarsnamen klinken meestal vrouwelijk. Ook is bekend dat zij vrouwen ongesluierd mochten zien en in en uit konden lopen in de voor mannen zo gesloten vrouwenvertrekken.
.
Rowson behandelt eerst de hadithteksten, waarin gerept wordt van mukhannathūn die in contact kwamen met de profeet. Hij beschouwt deze teksten blijkbaar als een bron voor het maatschappelijke leven in de zevende eeuw. Zelf ben ik eerder geneigd ze tussen 700 en 900 te plaatsen, ervan uitgaande dat zij de rechtsopvattingen uit die wat latere tijd weerspiegelen. Hoe dan ook, ze bevatten enig interessant materiaal en ik wil ze wel behandelen, maar dat duurt nog even.
.
In zijn artikel blijft er echter genoeg over uit historische bronnen, over de mukhannathūn die in de vroegste tijd vooral in Medina floreerden, tot kalief Sulaymān (reg. 715–17) hun optreden verbood. Een hoofdbron is het tiende-eeuwse →Kitāb al-aghānī van Abū al-Faradj al-Iṣfahānī, dat veel materiaal biedt over zangers en dichters uit de oude tijd, onder hen ook mukhannathūn, die uitvoerig worden behandeld; met name Dalāl en Ṭuways. De laatste leefde van 632–711 en stond ook bekend als pechvogel, zong kunstmuziek en componeerde gedichten in de lichtere metra hazadj en ramal, lichte liedjes waarbij hij zichzelf begeleidde op een duff, een soort tamboerijn. Hij was geestig en charmant en had een scherpe tong. Hij leidde ook jongere musici op. Ṭuways werd vaak uitgenodigd op feestjes van de jongelui in Medina, terwijl de ouderen hem en zijn soort eerder verachtten.1
.
Er is een verhaal over een groep jongemannen die tijdens een uitje buiten de stad werd overvallen door een regenbui; ze besloten te gaan schuilen bij Ṭuways, die daar met zijn gezin woonde. Sommige deelnemers, bij voorbeeld ‘Abdallāh ibn Ḥassān ibn Thābit hadden bedenkingen: hij staat onder de toorn Gods, hij is een verachtelijke mukhannath, met wie je niet hoort om te gaan. Maar anderen zeiden: zeg dat niet, het is een geestige, charmante persoon, die ons goed gezelschap zal bieden.2 Ṭuways hoorde wat ze zeiden, gaf zijn vrouw opdracht een geitje klaar te maken en bood hun een heerlijk maal aan. Na afloop daarvan vermaakte hij hen met zang en dans. Toen ze een bepaald lied prezen zei hij: dat is een liefdeslied dat de zuster van Ḥassān ibn Thābit heeft gemaakt op iemand uit de stam Makhzūm. Deze indiscretie was zijn wraak op ‘Abdallāh ibn Ḥassān ibn Thābit, die hij daardoor diep krenkte.
.
Er is een sfeervol verhaal, dat onmogelijk historisch kan zijn, over een zekere Djamīla, een bekende mukhannath-zangeres uit Medina, die met een hele groep dichters en musici van beiderlei kunne de pelgrimstocht naar Mekka volbracht en daar verwelkomd werd door collega’s uit die stad, onder wie de beroemde dichter ‘Umar ibn abī Rabī‘a. Toen men haar vroeg in Mekka een concert te organiseren antwoordde Djamīla, dat zij niet bereid was ernst en frivoliteit te mengen. Daarop trok het hele gezelschap naar Medina, waar in haar huis een driedaags muziekfestival plaats vond. De tweede dag was geheel gewijd aan het optreden van de acht met name genoemde mukhannathūn, die als groepje apart bleven.3 Hun optreden werd zeer gewaardeerd.4
.
Dalāl moet mooi en charmant geweest zijn, maar zijn humor was boertig en op het godslasterlijke af. Hij zou bij voorbeeld een wind hebben gelaten tijdens het gebed, waarbij hij zei: ‘Ik loof U van voren en van achteren’,5 En toen een imam reciteerde: En waarom zou ik Hem niet dienen, die mij geschapen heeft? (koran 36:22) riep Dalāl uit: ‘Geen idee!,’ en dat bracht de mensen zo aan het lachen, dat hun gebed daardoor ongeldig werd.6 Dalāl was ook bekend als postillon d’amour en koppelaar.
.
Twee Mekkaanse mukhannathūn, Ibn Suraydj en al-Gharīd, waren hun carrière begonnen als huilebalk, een rol die traditioneel door vrouwen werd gespeeld. Hun ‘lichte’ liedjes begeleidden zij met de luit, niet met de tamboerijn zoals in Medina.7
.
Er zijn slechts van twee vroege mukhannathūn aanwijzingen gevonden, dat zij seksueel in andere mannen geïnteresseerd waren: Dalāl en al-Gharīd. Sommigen waren getrouwd; anderen hadden domweg geen interesse in vrouwen. Voor zover zij ‘zonder geslachtsdrift’ waren (ghayr ūlī al-irba, koran 24:31) mochten zij vrouwen onverhuld zien. Zij hadden dus toegang tot de vrouwenvertrekken, fungeerden als overbrengers van berichten en traden soms op als koppelaars. En dat was de reden, waarom kalief Sulaymān ze verbood en volgens een bericht zelfs liet castreren. Niet omdat ze ongeoorloofde seks hadden, decadent waren of zich ‘tegennatuurlijk’ gedroegen, maar omdat ze in en uit liepen bij de vrouwen en met muziek en vrijpostig gedrag bij hen hartstocht en zedeloosheid teweeg brachten .

NOTEN
1. Aghānī ii:165 oud@
2. Aghānī ii:167 oud@
3. De enige namen waaronder zij bekend zijn, zijn vrouwelijk klinkende kunstenaarsnamen: Hīt, Ṭuways (‘pauwtje), al-Dalāl (‘koketterie’), Bard al-Fu’ād (‘koelheid van hart’), Nawmat al-Ḍuḥā (‘ochtendslaapje’), Qand (‘suikertje’), Raḥma (‘erbarmen’) en Hibat allāh (‘godsgeschenk’)
4. Aghānī vii:118ff.; 128–33 oud@
5. Aghanī iv:59, 62, 64 oud@
6. Aghanī iv:281.
7. Aghanī i: 95–97 oud@

BIBLIOGRAFIE
– Abū al-Faradj al-Iṣfahānī, Kitāb al-aghānī, 24 dan., Cairo 1927–74.
– Everett K. Rowson, ‘The effeminates of early Medina,’ JAOS 1991, 671–93.
– H.G. Farmer/E. Neubauer, ‘Ṭuways,’ in EI2.
– A. Schaade/Ch. Pellat, ‘Djamīla,’ in EI2.

Terug naar Inhoud

Geslachten en neigingen in het pre-moderne Midden-Oosten – 2c

Vrouwelijke mannen
De khanīth in Oman waren (of bestaan ze nog?) lichamelijk man, maar noemden zich vrouw. Ze kwamen als gewone jongetjes ter wereld. Het khanīth–zijn begon met een jaar of twaalf, dertien wanneer zij, om welke reden dan ook, jongensprostitué werden. Ze gedroegen zich vrouwelijk, droegen mannelijke tunieken, maar in vrouwelijke pasteltinten, waren zwaar opgemaakt en geparfumeerd, spraken met een hoge falsetstem en liepen in en uit in de besloten vertrekken van de vrouwen, die zij ongesluierd mochten zien. Bij bruiloften zaten ze bij de vrouwen, met wie zij ook aten. Als er muziek gemaakt werd zongen zij met de vrouwen, terwijl mannen instrumenten bespeelden. Ze konden ook als huisbediende werken, wat vroeger de slaven deden.1
.
Dit alles heeft Unni → Wikan tijdens een onderzoek in het stadje Ṣuḥār, aan de Golf in Oman in 1974–1976 ontdekt, toen dat land zeker nog pre-modern genoemd kon worden. Zij bevond dat 2% van de mannen khanīth was of geweest was.
.
Homoseksuele prostitutie en verwijfd gedrag vond men in Oman wel verachtelijk, maar men had er niet zo’n totaal vernietigend en definitief oordeel over als in sommige westerse landen. Wanneer bleek dat een jongen zich homoseksueel prostitueerde en daarbij vooralsnog wilde blijven, dan nam men het zoals het was en richtte een klein privé-bordeeltje voor hem in. Zijn dienstverleningen werden nuttig gevonden, want vrouwelijke prostituées mochten niet bestaan. Mannen hadden de vrouw hoog in het vaandel en zouden ongaarne zien dat zulk een rein wezen zich met dat soort smerigheid zou inlaten. Ze mocht er zelfs niet mee geassocieerd worden: vandaar dat de khanīth wel verwijfd en geparfumeerd waren en met hun kont wiegelden, maar zich niet helemaal als vrouw mochten kleden. De boerka mochten zij niet aan; hun haar is halflang, terwijl vrouwen het lang droegen. De khanīth was echter meer dan een een mannelijke prostitué, het was een tussengeslacht dat een vaste, eigen plaats in de maatschappij had.
.
Het boeiendste van de situatie in het toenmalige Oman vind ik de mogelijkheid dat iemand na jaren van khanīth-zijn alsnog of weer man kan worden en, nog mooier, later ook weer khanīth kan worden en dan nogmaals man. Het geslacht hangt telkens af van de seksuele handelingen die men verricht, niet van wat er tussen de benen zit. Dus wanneer een khanīth een erectie kan krijgen, kan penetreren en dat ook inderdaad doet, dan is hij man en kan hij ook getrouwd zijn, al behoudt hij bepaalde vrouwelijke gedragingen. Misschien vindt zijn echtgenote dat helemaal niet erg, misschien was haar man vroeger haar beste vriendin. Zijn mannelijkheid moet de khanīth, als iedere man, bewijzen in de huwelijksnacht, door met een bebloede doek de succesvolle ontmaagding van zijn bruid aan te tonen. Een khanīth die oud geworden is wordt vanzelf weer man, omdat hij als prostitué niet langer interessant is—al zal hij zich tussen de andere oude heren niet helemaal thuis voelen.
.
In de westerse wereld gebeurt het nogal eens dat getrouwde mannen en vaders zich ontwikkelen tot homoseksueel. Men veronderstelt dan meestal dat zo iemand ‘eigenlijk’ altijd al homoseksueel was en alleen niet eerder tot een coming out gekomen was door ontbrekend besef, gebrek aan tolerantie of sociale angst. Maar dat een homo (weer) hetero wordt, daar hoor je nooit over.
.
De mogelijkheid van wisselen in de ene richting én in  de andere, die in Oman aanzienlijk soepeler lijkt te verlopen dan bij de bache posh in Afghanistan (zie aflevering 1), logenstraft de westerse opvatting dat de seksuele identiteit eens en voor al gegeven is, en ook dat bij het switchen dure hormoonbehandelingen of operaties noodzakelijk zijn.

Een mannelijke man die geen zin had in vrouwen?
In het beroemde verhaal waarin Aisha, de vrouw van de profeet, tijdens een woestijnreis even uit haar draagstoel was gestapt en de karavaan verder was getrokken zonder te bemerken dat zij daar niet in zat, werd zij in de woestijn gevonden en thuisbezorgd door een zekere Ṣafwān Ibn al-Mu‘aṭṭal. Dadelijk ontstonden er praatjes: had deze man haar aangeraakt? Het verhaal bij Ibn Isḥāq wil Aisha’s onschuld bewijzen; in dat kader wordt haar o.a. in de mond gelegd: ‘Er werden vragen gesteld over Ibn al-Mu‘attal en ze bevonden dat hij geen verlangen had naar vrouwen (fa-wadjadūhu radjulan ḥaṣūran) en geen omgang met ze had. Later werd hij als martelaar gedood.’2 Dit wordt natuurlijk vooral aangevoerd om eens te meer aan te tonen dat Aisha onaangeroerd gebleven was. Interessant is de vermelding dat hij op het slagveld de dood vond: het was dus geen onmannelijke man, hij vocht wel, maar had alleen geen zin in vrouwen. Maar de hele mededeling is aanvechtbaar, want in de biografische lexica is twee maal sprake van een echtgenote van hem. 

NOTEN
1. De slavernij werd in Oman pas in 1970 afgeschaft; vele ex-slaven bleven echter hetzelfde werk doen als daarvoor. Zij werden vaak gediscrimineerd; nog slechter behandeld worden de inmiddels uit het buitenland geïmporteerde werknemers.
2. Ibn Isḥāq, Sīra 739: وكانت عائشة تقول: قد سئل عن ابن المعطل فوجدوه رجلاً حصورًا ما يأتي النساء ثم قتل بعد ذلك شهيدًا.

BIBLIOGRAFIE
– Unni Wikan, ‘Man becomes Woman: The Xanith as a Key to Gender Roles,’ in Unni Wikan, Resonance. Beyond the words, Chicago 2012, 169–187.

Sluit aan bij: Geslachten en neigingen – 1: De meisjes-jongens uit de achtste eeuw. De bache posh van Afghanistan.
Geslachten en neigingen – 2a: De verwijfden van het oude Medina
Geslachten en neigingen – 2b: De verwijfden in de hadith van de profeet
Geslachten en neigingen – 2c: Vrouwelijke mannen: de khanith in Oman
Geslachten en neigingen – 3
: Seksuele oriëntaties in het pre-moderne Midden-Oosten

Terug naar Inhoud

Nieuws uit de arabistiek: koranonderzoek

Bijna zes jaar geleden werd ik gepensioneerd en sindsdien heb ik de ontwikkelingen in mijn specialisme in de arabistiek (vroege islam, leven van Mohammed, hadith) nauwelijks meer gevolgd. Soms spijt mij dat een beetje, want er is in die paar jaar op het vakgebied heel veel gebeurd. Ik ga niet terug om het allemaal nog in te halen, maar af en toe krijg ik toevallig nog lucht van belangrijke ontwikkelingen, en gezien de bijna maniakale belangstelling voor de islam in Nederland kan het geen kwaad die even aan te stippen.
.
De kennis van de oude talen van Arabië is spectaculair toegenomen. Er zijn in Noordwest-Arabië tienduizenden inscripties op stenen gevonden, die geleidelijk aan ontcijferd worden. Deze zijn lang niet allemaal in het klassiek-Arabisch ‘zoals wij dat kennen.’ ‘Wij’ persoonlijk hebben nog geleerd dat in Arabië een aantal Arabische dialecten werd gesproken, overkoepeld door één Hochsprache, waarin zowel de oude poëzie als de koran gesteld waren. In Jemen waren Oudzuidarabische talen gangbaar, in Syrië Aramees en Grieks, in Irak Aramees en Perzisch. Maar dankzij o.a. het werk van Ahmad al-Jallad, 1 een groot expert op dit gebied, ziet de taalsituatie in Oud-Arabië er inmiddels heel wat ingewikkelder uit: er zijn vele tot dusver onbekende schriften en talen ontdekt. Een snel inzicht in al-Jallads werk biedt zijn pagina op Twitter, dit, en ook dit kaartje van hem: 

JalladTaalkaartOudarabië

.
Deze nieuwe kennis zal een weerslag krijgen op het koranonderzoek. Meende Chr. Luxenberg (pseud.) nog dat de koran ‘eigenlijk’ in het Syrisch geschreven was, er zijn nu heel veel meer talen ontdekt die van invloed geweest kunnen zijn op grammatica, spelling en de woordenschat van de koran. Te vermoeden is dat nu ook een oude discussie weer zal opvlammen: is de pre-islamitische poëzie wel echt, als het met de Hochsprache van het schiereiland misschien toch anders zit dan men vroeger dacht?
.
Het koranonderzoek heeft een hoge vlucht genomen. Tekstkritiek bij voorbeeld: er wordt eindelijk eens serieus gekeken naar de oudste handschriften, de spelling en de redactiegeschiedenis van de koran. De Leidse onderzoeker Marijn van Putten levert belangrijke bijdragen. En de intertekstualiteit: de connecties tussen de koran en de christelijke en joodse literaturen van die tijd; zie bijv. Corpus Coranicum.
.
Twee krenten zal ik uit de pap vissen. Het is een aantal mensen opgevallen dat bij koranverzen met een al vroeg problematische of ongewenste inhoud relatief vaak tekstwijzigingen of pogingen daartoe voorkomen.
.
Ghilène Hazem sprak op een conferentie in Helsinki  over haar hypothese, dat ‘theologically problematic verses might have left traces at a manuscript level’: bij moeilijk verteerbare verzen kunnen kopiisten in de handschriften sporen van hun twijfels of zelfs meningen hebben nagelaten. Haar bevindingen zullen ongetwijfeld worden gepubliceerd, maar dat kan na zo’n conferentie lang duren, dus heeft zij iets ervan op Twitter gezet, zodat iedereen alvast een idee krijgt.

Daar wijst Hazem op koran 38:17–18:اصبِر عَلىٰ ما يَقولونَ وَاذكُر عَبدَنا داوودَ ذَا الأَيدِ إِنَّهُ أَوّابٌ  إِنّا سَخَّرنَا الجِبالَ مَعَهُ يُسَبِّحنَ بِالعَشِيِّ وَالإِشراقِ
‘Verdraag wat zij zeggen geduldig en denk aan Onze dienaar Dāwūd, de solide; hij was schuldbewust. Wij maakten de bergen samen met hem dienstbaar, zodat zij Ons in de avond en bij zonsondergang prijzen.’ (vert. Leemhuis; cursivering van mij)
Is dat niet vreemd, dat David hier een rol toebedacht krijgt bij het dienstbaar maken van bergen? Tenminste één kopiist uit de (ik denk vroege) achtste eeuw vond van wel. Hij schreef het woordje ma‘ahu, ‘samen met hem’, wel af, maar in rood. Zo voldeed hij aan zijn plicht de tekst die voor hem lag accuraat af te schrijven, maar drukte tegelijk zijn twijfel uit.

DmHwDhHXoAANysy.jpg-large.

De twijfel van de kopiist was onterecht. Hazem wijst op koran 21:79: وَسَخَّرنا مَعَ داوودَ الجِبالَ يُسَبِّحنَ وَالطَّيرَ وَكُنّا فاعِلينَ  ‘en Wij maakten de bergen samen met (ma‘a) Dāwūd dienstbaar, zodat zij Ons prijzen en evenzeer de vogels. Wij hebben dat gedaan!’ De koran had het dus werkelijk zo bedoeld. Lectio difficilior potior, ‘de moeilijkere lezing is de verkieslijkste’— al kende de kopiist geen Latijn, deze grondregel van de tekstkritiek zal hij zich toch bewust geweest zijn. Maar er is ook een vers waarin de kwestie op andere wijze uit de wereld is geholpen, koran 34:10 وَلَقَد آتَينا داوودَ مِنّا فَضلًا ۖ يا جِبالُ أَوِّبي مَعَهُ وَالطَّيرَ وَأَلَنّا لَهُ الحَديدَ  ‘En Wij gaven van Onze kant aan Dāwūd een gunst: “O bergen, zingt berouwvol met hem (ma‘ahu) lof, en o vogels, jullie ook.”’
Hazem vermoedt terecht dat bestudering van de joodse David-legende meer inzicht zal bieden in de ontwikkeling van het motief. Maar dat wordt me nu te ingewikkeld.
.
Over een echte tekstwijziging in de koran zie bladzijde 2.

NOTEN
1. Deze coryfee zit in Leiden met een kleine tijdelijke baan; hij zou een professoraat waardig zijn. Maar Nederland heeft niet het formaat om hem dat aan te bieden; bovendien is een professoraat in Nederland tegenwoordig bijna een straf voor een echte onderzoeker. Nu gaat hij dus maar naar Amerika.