Ahad, een nog onbekende god

🇩🇪 De god van de koran heet Allāh, dat weet iedereen. Velen weten ook dat dat van huis uit geen eigennaam is, maar een substantief met lidwoord: ‘de god’. Maar op grond van zijn wezen, handelen en eigenschappen is het volkomen juist het woord Allāh als eigennaam op te vatten.
Deze god wordt in de koran dikwijls al-raḥmān genoemd. Dat betekent ‘barmhartig’ en heeft de status van een bijvoeglijk, volgens sommigen zelfstandig naamwoord gekregen. Er zijn echter vele plaatsen in de koran waarin het woord optreedt als eigennaam, al verwijst het naar dezelfde god als Allāh. Er zijn binnen de koran aanwijzingen dat al-Raḥman ooit als een aparte god is opgevat, bijv. koran 17: 110 قل دعوا الله أو دعوا الرحمن : ‘roept Allāh aan of roept al-Raḥmān aan’. En buiten de koran is het nog duidelijker. Al honderd jaar voor Mohammed werd in Jemen op een inscriptie de god Raḥmānān vermeld, met de Sabaanse -ān uitgang die zoiets als het lidwoord aanduidt. Het was de Midden- en Zuid-Arabische high god van de hemel en de sterren. Die is dus opgegaan in, versmolten met, ‘de god’ die in de islam de enige is geworden.
.
De laatste jaren worden er in Arabië honderden inscripties uit de pre-islamitische tijd gevonden. In de vertaling van Ahmad al-Jallad,1 een coryfee op dit gebied, luidt een daarvan als volgt:

  • He kept watch for his family while camping near water so O Aḥad and Allāt, may he who reads (this) have security and spoil.2

Hier worden dus de bescherming en hulp van twee godheden ingeroepen. Allāt is een godin, die ook bekend is uit de koran—waar zij natuurlijk als godin heeft afgedaan. Aḥad was nog onbekend. Aḥad is een doodnormaal Arabisch woord. Het betekent ‘één’ of ‘iemand’. Maar blijkbaar was het dus ook de naam van een god. Hij komt zo men wil voor in de bijbel, Deut. 6:4: ‘Hoor Israël, de HEER onze God, de HEER is æḥad.’
Voor moslims geldt het als één van de ‘heerlijke namen’ Gods. Hij komt ook in de koran voor, in soera 112: قل هو الله أحد ‘Zeg: Hij, Allāh, is één,’ of als we het huwa weglaten (zie daarover hier): ‘Allāh is één’. De gedachte komt op: hebben we ook hier te doen met een godheid die gelijkgesteld wordt met ‘de god’: ‘Allāh is Aḥad’? Zoals hij gelijk is aan al-Raḥmān, is hij zo ook gelijk aan Aḥad? Eén koranvers en één behoorlijk oude inscriptie zijn te weinig voor een conclusie, maar ik houd de gedachte in het achterhoofd. Mocht het zo zijn, dan bevat het eind van de soera een woordspel: ولم يكن له كفوا أحد: ‘en niet één (aḥad) is hem gelijkwaardig.’
.
De eigennaam ‘Abd al-Aḥad, ‘knecht van de Éne,’ is islamitisch: moslims gebruiken dikwijls een van de ‘heerlijke namen’ op deze manier. Zou hij ook al voor de islam zijn voorgekomen? Na enig bladeren lijkt het me van niet, maar ook dit moet als mogelijkheid in gedachten gehouden worden.

NOTEN
1. Al-Jallad heeft hierover een interessant tweet-draadje. De zaak is blijkbaar nog niet rijp voor een wetenschappelijk artikel. OCIANA, waarnaar hij verwijst, is het Online Corpus of the Inscriptions of Ancient North Arabia. Zie daar ook onder Safaitic.
2. Safaïtische inscriptie nr. KRS 1131: kharaṣa ahl-oh ḥāṣ́era fa-hā-aḥad wal-lāt salām le-dhī da’aya. Safaïtisch was een alfabet; er zijn tienduizenden inscripties in gevonden tussen Zuid-Syrië en Noord-Saoedi-Arabië. Ze zijn grof te dateren tussen de 1e eeuw vóór en de 4e eeuw na Christus.

Terug naar Inhoud

Arabië anno 650: sterke vrouwen, zwakke mannen

🇩🇪 In de pre-islamitische Arabische poëzie van pakweg 550 na Chr. wordt er in de inleiding (nasīb) van de langere gedichten dikwijls even teruggedacht aan een vrouw. De dichter1 herinnert zich het heerlijke samenzijn met een zekere Layla, Salwa, Salma of Hind, een tijd geleden al, en brengt daardoor bij zich zelf en zijn hoorders een weemoedige en gevoelige stemming teweeg. Maar die duurt maar een paar regels. Zijn makkers of reisgenoten zeggen dat hij zich moet vermannen: er zijn immers nog meer vrouwen, en er zijn nu andere dingen te doen: trekken, jagen, vechten, de eigen stam roem bezorgen en andere schade toebrengen, een stamhoofd of een koning prijzen. Daarover gaat dan de rest van het gedicht. Een vrouw kan er nog op twee manieren in voorkomen: ten eerste als voorwerp van begeerte, als de dichter opschept over zijn seksuele vermogens, ten tweede als zeurende ‘huisvrouw’, die de man kritiseert omdat hij zijn bezit vergooit aan drank of gokken, of de traditionele deugden van vrijgevigheid en gastvrijheid zo rigoureus toepast, dat er voor vrouw en kinderen te weinig overblijft.
Een vrouw was in die oude wereld niet veel waard. Zij had weinig rechten en zekerheden, zij kon geschaakt, verhuurd, uitgeleend en vererfd worden. En seksueel lastig gevallen natuurlijk ook; of hoe zouden we anders moeten benoemen wat de beroemd-beruchte dichter Imru al-Qays deed toen hij de tent van een jonge moeder binnendrong die juist haar zuigeling de ene borst gaf, terwijl hij zich ongevraagd op de andere stortte? Uit niet-poëtische bronnen weten we dat er een soort huwelijken bestond, waarbij een vader of voogd een vrouw vrijwel verhuurde aan mannen. En in hadithen lezen we dat dames ’s-avonds in het donker goed ingepakt als groep naar buiten gingen voor hun stoelgang, omdat het bij daglicht en voor een vrouw alleen niet veilig was.
.
Honderd jaar later, vanaf pakweg 640, worden er nog steeds lange gedichten in oude stijl gemaakt, maar er ontstaan ook aparte liefdesgedichten (ghazal). De vrouw komt daarin vaak naar voren als een hardvochtig wezen, dat de hopeloos verliefde minnaar aan het lijntje houdt en hem gunsten belooft die zij nooit verleent. Zij tracht hem met de pijlen van haar ogen te ‘doden’, zij doet alsof zij o zo verliefd op hem is en verwijt hem intussen dat hij naar andere vrouwen kijkt. De man daarentegen lijdt en zucht en klaagt, probeert zich te rechtvaardigen en smeekt haar om een gunst, hoe klein ook. Hij is ziek en uitgeteerd van verliefdheid, de arts (die de geliefde is) wil hem niet helpen en de liefdesdood ligt op de loer.
.
Wat was er gebeurd, hoe kwam het tot deze heel andere toon in de poëzie? Hoe werden vrouwen zo triomfantelijk en mannen zulke zeurende huilebalken? ‘Dat kwam door de islam,’ zullen veel mensen zeggen. Dat is te slordig uitgedrukt, want wat was de islam helemaal anno 650? Die was nog lang niet uitgekristalliseerd; de koran bestond nog niet als boek en iets wat leek op de sharia was nog niet in zicht. Liever spreek ik voor die vroege periode van de ‘koranische beweging’. Maar de rechtsregels die in de koran zouden belanden circuleerden blijkbaar toch al en misten hun uitwerking niet. Inderdaad hebben die zoals bekend de positie van de vrije Arabische vrouw verbeterd. Zij kon niet meer tegen haar wil worden uitgehuwelijkt. Er werden regelingen getroffen betreffende bruidsschat en verstoting en haar onderhoud daarna. Zij kon geen deel meer uitmaken van een erfenis, maar zelf erven, zij het niet zoveel als een man. Haar getuigenis had enige waarde voor het gerecht, zij het niet zo veel als dat van een man. Dat alles versterkte haar positie.2
.
Maar ook het leven van de man was niet meer hetzelfde. Anno 650 waren de Arabieren al twintig jaar doende de halve wereld te veroveren. Dit had geleid tot snelle en drastische sociale veranderingen. De Arabische stammen vochten voortaan niet meer tegen elkaar, maar samen tegen anderen. Vee stelen of vechten met de stam verderop was niet meer gewenst, evenmin als pochen op de deugden van de stam en schelden op een andere. Met het roven, verkrachten of anderszins slecht behandelen van vrouwen was ook geen eer meer te behalen. Macho-gedrag kon nog volop uitgeleefd worden in de legers die de buitenwereld gingen veroveren, maar op het schiereiland veel minder. De mobiliteit werd enorm: veel Arabieren belandden in veraf gelegen gebieden waar hun vader en grootvader niet eens van gehoord hadden. In de legers trokken zij op met mannen uit heel andere stammen, die misschien vroeger hun vijanden waren geweest.
Voor zowel mannen als vrouwen gold dat zij individuen werden, niet meer uitsluitend deel van een groep. Dat bood ook gelegenheid tot persoonlijke liefdesbetrekkingen. Het pre-islamitische advies aan een man die aan een geliefde terugdacht: ‘Vergeet haar, er zijn nog zoveel andere vrouwen,’ was niet langer relevant: hij wilde die ene.
.
De positie van de vrouw werd dus niet alleen beter door de koranische regels, maar ook doordat de man zwakker werd. Wat altijd zijn mannelijkheid had uitgemaakt, collectieve bravoure en machogedrag als lid van een stam, die hem bescherming bood, waren nu voorbij, en dat leidde tot ontreddering, een gevoel van geen man meer te zijn. Mannen die als soldaat de wijde wereld introkken zullen dit niet zo gevoeld hebben, maar zij die in Arabië achterbleven of na een veldtocht terugkeerden, zoals ook onderstaande dichter, vonden hun vertrouwde wereld niet meer terug.
.
Ooit heb ik in dit bloek een gedicht van ʿUmar ibn abī Rabīʿa van ± 700 gepresenteerd, waarin een vrouw haar spelletje speelt met een nogal sullige man. Renate →Jacobi heeft gedichten van Abū Dhu’ayb bestudeerd, een dichter uit de stam Hudhayl, die ± 640 in Centraal-Arabië leefde
, en daarin worden de nieuwe verhoudingen nog veel duidelijker. Hier volgt een gedicht dat zij heeft behandeld.3
Poëzie poëtisch vertalen kan ik helaas nog steeds niet, maar in proza krijgt U een idee van waar het over gaat:

١. يَا بَيْتَ دَهْمَاءَ الَّذِي أَتَجَنَّبُ * ذَهَبَ الشَّبَابُ وَحُبُّهَا لاَ يَذْهَبُ
٢. مَا لِي أَحِنُّ إذَا جِمَالُكِ قُرِّبَتْ * وَأَصُدُّ عَنْكِ وَأَنْتِ مِنِّي أَقْرَبُ
٣. للهِ دَرُّكِ هَلْ لَدَيْكِ مُعَوَّلٌ * لِـمُكَلَّفٍ أَمْ هَلْ لِوُدِّكِ مَطْلَبُ
٤. تَدْعُو الحَمَامَة شَجْوَهَا فَتَهِيجُنِي * وَيَرُوحُ عَازِبُ شَوْقِيَ الْـمُتَأَؤِبُ
٥. وَأَرَى البِلاَدَ إذَا سَكَنْتِ بِغَيْرِهَا * جَدْبًا وَإنْ كَانَتْ تُطَلُّ وَتُخْصِبُ
٦. وَيَحُلُّ أَهْلِي بِالـمَكَانِ فَلاَ أَرَى * طَرْفِي لِغََيْرِكِ مَرَةً يَتَقَلَّبُ
٧. وَأُصَانِعُ الوَاشِينَ فِيكِ تَجَمُلاً * وَهُمُ عَلَيَّ ذَوُو ضَغَائِنَ دُؤَّبُ
٨. وَتَهِيجُ سَارِيَةُ الرِّيَاحِ مِنْ أَرْضِكُمْ * فَأَرَى الجَنَابَ لَهَا يُحَلُّ وَيُجْنَبُ
٩. وَأَرَى الْعَدُوَّ يُحِبُّكُمْ فَأُحِبُّهُ * إنْ كَانَ يُنْسَبُ مِنْكِ أَوْ لاَ يُنْسَبُ

1. O tent van Dahmā’ die ik mijd! Voorbij is de jeugd, maar de liefde voor haar gaat niet voorbij.
2. Waarom verlang ik [naar je] als je kamelen dichterbij komen en wend ik me van je af als je dichtbij me bent?
3. Je bent zo mooi! Kan een verliefde van jou op aan, heeft zijn liefde voor jou een kans?
4. De duif koert zijn treurig lied en ontroert mij;4 [iedere] avond keert mijn verlangen als een ver weidende kudde huiswaarts.
5. Een land waarin jij niet woont lijkt mij woest en dor, al is het nog zo vochtig en vruchtbaar.
6. Als mijn stam ergens zijn kamp opslaat gebeurt het nooit dat mijn blik afdwaalt naar een andere vrouw.
7. Ik praat de kwaadsprekers naar de mond en houd me in, maar zij wrokken onvermoeibaar tegen mij.
8. Zo vaak een nachtelijke bries uit jouw land opsteekt lijkt het of dáárom de plek voor het kamp gekozen of gemeden is.
9. Zie ik dat mijn vijand van jou houdt, dan houd ik van hem, of hij tot jouw stam behoort of niet.
.
De breuk met de oude tijd is in dit gedicht duidelijk zichtbaar. De dichter kan en wil zijn geliefde niet vergeten. Anders dan de dichters van weleer heeft hij geen belangstelling voor andere vrouwen: hij is gefixeerd op die ene, die hij altijd trouw blijft en naar wie hij iedere avond verlangt.
Hij betoont haar groot respect, dringt niet brutaal haar tent binnen maar mijdt die, om haar goede naam te beschermen. De lasteraars biedt hij geen houvast, hij wendt zich zelfs af en doet alsof hij niet verliefd op haar is: het tegendeel van het pre-islamitische opscheppen. Ook dit dient ter bescherming van haar goede naam.
Hij voelt zich hoogst onzeker: heeft hij wel een kans bij haar? Zelfs met een zuchtje wind uit haar richting zou hij al tevreden zijn. Van vrouwenroof of zich opdringen is hier geen sprake meer.
De laatste regel is de ongelooflijkste van allemaal. Het behoren tot een stam doet er niet meer toe; de vijandschap tussen de stammen is opgeheven!
.
Wat veranderde er nu echt in de Arabische maatschappij? Natuurlijk was het niet zo, dat er voortaan meer vrouwen in leidinggevende functies te vinden waren. De voorindustriële Oudheid ging gewoon door en het fysieke overwicht van de man bleef bepalend. De onzekerheid verdween toen de maatschappij eenmaal nieuwe vormen gevonden had. Ook het stammensysteem was na een halve eeuw weer hersteld: er vormden zich domweg nieuwe stamverbanden, elk uiteraard met een eigen fictief verleden. Maar het is een interessante episode. Er zijn verder maar heel weinig geschiedbronnen over die vroege tijd die ons zonder religieuze kleuring laten zien wat er in de mensen omging. Daarom mag de poëzie niet verwaarloosd worden.
.
De thematiek van deze Arabische liefdespoëzie ging overigens een eigen leven leiden en heeft het nog eeuwen volgehouden: in het Arabisch tot in de twintigste eeuw (bijv. Umm Kulthum), maar ook in het Perzisch en Turks. En in Europa bij de troubadours en in de liederen van Frankrijk en Italië tot diep in de achttiende eeuw.

NOTEN
1. Nou ja, het lyrische ik natuurlijk, maar dat praat zo lastig. Ik spreek hier gemakshalve maar van ‘de dichter’.
2. Ik hoor het geloei in islamhatend Nederland al: noem je dát verbeteringen? Ja, daar en toen waren het verbeteringen; dat betekent niet dat het nu niet opnieuw beter kan.
3. Dit gedicht schijnt niet van Abū Dhu’ayb zelf te zijn, hoewel het in zijn dichtwerk is opgenomen. Het moet van ± 650 dateren.
4. De monogaam geachte duif koert in vele literaturen om de afwezige geliefde. Zelfs nog bij onze Rhijnvis Feith (1752–1824): ‘Hoort het treurig lied des tortels | die zijn trouwe gade derft.’

BIBLIOGRAFIE
– Renate Jacobi, ‘Die Anfänge der arabischen Ġazalpoesie: Abū Ḏu’aib al-Huḏalī,’ in Der Islam 61 (1984), 218–250.
– Thomas Bauer, Liebe und Liebesdichtung in der arabischen Welt des 9. und 10. Jahrhunderts, Wiesbaden 1998, blz. 44–46.

Terug naar Inhoud

Abd al-Malik: As over Medina?

(Fragment. Ter verduidelijking kunt U eerst dit lezen)

Als ik over ‘Abd al-Malik ga schrijven moet er ook een stuk over Medina in, waar hij is opgegroeid en jaren heeft gewoond. Medina was een oase van 50 km2 , dus half zo groot als de gemeente Utrecht. (Cijfer erg onzeker; natrekken!@) In de oudheid stond het vol dadelpalmen. Oases konden altijd een maximaal aantal inwoners voeden. Werden het er meer, dan moesten de boventalligen vertrekken, of er moesten levensmiddelen van buiten worden ingevoerd. Viel de oogst tegen dan werd er honger geleden.
.
Het was niet zo dat de inwoners van Medina alleen de dadels aten die er groeiden. Ze ruilden een deel daarvan tegen kamelen- en schapenvlees dat de halfnomaden rond de oase leverden. Zelf hadden ze ook schapen, die melk gaven, en ze gingen vast ook wel op jacht. Uit Syrië importeerden ze graan, dat ze betaalden met goederen of met stukjes goud.
.
Toen de profeet Mohammed na de hidjra in 622 met naar verluidt achtentachtig mannen en hun gezinnen in Medina kwam wonen oefende dat druk uit op de beschikbare levensmiddelen van de oasebewoners. Ze compenseerden dat door rooftochten naar buiten te ondernemen. De armere Emigranten, de ahl al-suffa,1 mochten in de moskee wonen en werden gevoed uit de grote pot.
.
Tijdens de Arabische veroveringen na Mohammeds dood behaalden de soldaten rijke buit. Er kwamen veel mannen naar Medina om daar, na gedane militaire dienst, van hun rust te genieten. De oase werd steeds rijker. Er werd ook geïnvesteerd in irrigatiewerken, o.a. door kalief Mu‘āwiya. Importen deden de rest. Later in de zevende eeuw was Medina een luxe plaats. De bon vivant Hasan ibn Ali woonde er, en de grande dame Sukayna, maar ook Aisha en veel intellectuelen. Daarover een andere keer.
.
Het liep echter niet dadelijk zo fantastisch. Het jaar 18 van de islamitische jaartelling, dat is 639,2 was een jaar van rampspoed en hongersnood. ‘Ām al-ramāda, werd het genoemd, het ‘Jaar van …’ ja, van wat eigenlijk? Het woord ramāda laat ik nog maar even onvertaald; zie daarover onder.
.
De eerste bron die ik daarover lees is het geschiedwerk van al-Tabarī (gest. 923; inderdaad bijna drie eeuwen later!).3
.
‘De mensen,’ zo begint hij, ‘werden in dat jaar getroffen door een grote hongersnood, uitblijvende oogst en droogte; het was het jaar dat ‘ām al-ramāda genoemd wordt.’ Welke mensen; die van Medina? Maar hij heeft het vervolgens over ‘Amwās in Palestina, waar de pest uitbrak (25.000 doden).4 Dat kwam, zo wordt gesuggereerd, omdat de mensen daar aan het wijndrinken waren geslagen. De boosdoeners werden gegeseld en kalief ‘Umar slaakte de vervloeking: ‘“Volk van Syrië, moge jullie iets ongehoords overkomen!”, waarop de ramāda uitbrak.’ Vreemd dat een staatshoofd zoiets zijn eigen onderdanen toewenst; maar goed, hij zal het wel niet werkelijk gezegd hebben. Al deze verhalen bevatten veel fictie.
.
De ramāda was echter in Medina, en daarover gaat al-Ṭabarī’s verdere tekst. Het zou natuurlijk kunnen zijn dat er ook in Syrië werd gehongerd, maar dan is het onwaarschijnlijk dat er vandaar maar liefst 40004 kameelladingen graan als voedselhulp naar Medina zijn overgebracht, zoals we nog zullen zien.
.
‘Tijdens de regering van ‘Umar werden de inwoners van Medina en het ommeland geteisterd door een onvruchtbaar jaar (sana), waarin het stof opwoei, als er wind stond, alsof het as (ramād) regende. Daarom wordt dat jaar het Jaar van de ramāda genoemd.’
.
‘De ramāda was een hongersnood, die de inwoners van Medina en het ommeland trof en zoveel dood met zich bracht dat de wilde dieren in de woonplaatsen van de mensen toevlucht zochten. De mensen gingen er zelfs toe over hun schapen te slachten, maar zij walgden ervan, zo afschuwelijk als het eruit zag, en dat voor mensen die honger hadden.’ In een andere tekst wordt een verklaring gegeven: omdat de dieren vel over been waren en er nauwelijks vlees aan te zien was.’
.
De kalief aarzelde lang voordat hij besloot de garnizoenssteden in Syrië om hulp te vragen. Uiteindelijk kwam er een karavaan van 40004 kamelen, beladen met graan. Dat was een grote opluchting, maar het was aan de late kant: eerst aarzelen, dan een koerier uitsturen, dan moest het voedsel bij elkaar gezocht en opgeladen worden en die karavaan deed er ook nog weken over; kortom, er zullen nog heel wat mensen verhongerd zijn. Een paar jaar later zou er regelmatig graan per schip uit het pas veroverde Egypte komen, maar daar had men in 639 nog niets aan.
.
119005VOLCANIC_11_57415Nog even over deze woorden: ‘…waarin het stof opwoei, als er wind stond, alsof het as (ramād) regende.’ Die stofdeeltjes in de lucht werden dus niet door regen of vocht vastgehouden; maar was dat iets bijzonders? Kijkt U even naar het (moderne) weeroverzicht van Medina. Maandenlang geen regen, zeer geringe luchtvochtigheid; allicht dat daar stofdeeltjes in de lucht zijn. Dit waren echter stofdeeltjes ‘als as’, volgens de bron. En als het nu eens werkelijk as was? De omgeving van Medina is zeer vulkanisch. Meermalen hebben erupties in de naaste omgeving de oase bedreigd; aan de rand van de moderne stad zijn al lavavelden te zien. De Harrat ‘Uwayrid, 300 km ten noordwesten van Medina, had een eruptie ‘omstreeks 640’; de veel nabijere Harrat Khaybar in 650. Zeggen vulkanologen, en hun kennis berust niet op teksten. Daar vlakbij is al-Djabal al-Baydā’, de ‘witberg’, die zo heet omdat hij de askrater is van een vulkaan. Zou een vulkaaneruptie soms de oorzaak van het rampjaar 639 geweest zijn? Hier ben ik aan het eind van mijn Latijn. Regent het (nog) minder dan anders, als er een eind verderop een vulkaan uitbarst? Had de ondergrondse watervoorraad van de oase zich onder invloed van het natuurgeweld tijdelijk teruggetrokken? Sterven schapen als er allerlei troep op hen valt, of als hun voer met as is bedekt? Was de handelsroute naar Syrië een tijd versperd? Dat alles moet maar door geo-, bio- en vulkanologen uitgezocht worden.

‘Het jaar van de ramāda’: nu nog dat lastige woord. ‘Year of Drought’, schrijft G.H.A. Juynboll in zijn vertaling van al-Tabarī. Maar ‘droogte’ betekent het woord van huis uit niet. Wat kan een arabist doen om een woordbetekenis na te gaan? Hij kan in de eeuwenoude Arabische woordenboeken duiken, die veel interessants te melden hebben, maar geen moderne lexicografie. Hij kan ook het eveneens zeer oude woordenboek van Lane4 ter hand nemen. Lane nam al die oude Arabische woordenboeken en schreef af wat daarin stond, vandaar dat bij hem vaak tegenstrijdige en ‘middeleeuws’ aandoende omschrijvingen staan opgesomd. Ook een treurig hulpmiddel, maar we hebben niet veel anders. Ik ga nu eerst Lane gebruiken, dan kunt U dadelijk meelezen. Als er kleuraanduidende woorden langskomen is het altijd goed, nog even bij Fischer5 te kijken. Zijn Duits gooi ik er even tussendoor. Het onderstaande is dus alleen voor die enkele arabist die misschien nog klassiek Arabisch studeert. Het ‘algemene publiek’ (komt dat hier ooit?) kan dan de laatste alinea weer lezen.

Lane heeft ruim een bladzijde, tesamen vier kolommen over de wortel r-m-d.
ramada – perished by becoming old and worn-out, and had no goodness and lastingness; the sheep or goats perished by reason of cold or of hoar frost or rhyme. Of overgankelijk: destroyed or destroyed like ashes.
rammada – he put ashes into it; he put a thing into ashes en verwante betekenissen. Als zo vaak is de werkwoordvorm met verdubbelde middenconsonant afgeleid van een naamwoord, in dit geval ramād, ‘as’.
armada – he was, or became, poor, needy or indigent.
armada al-qawm – the people were, or became, afflicted with drought, barrenness, or dearth, and their cattle perished in consequence thereof.
irmadda – it became like the colour of ashes. Dit werkwoordsmodel is altijd in gebruik voor kleuren.
irmadda – (said of a camel) he ran vehemently or heedlessly, headling, random and quickly; niet relevant.
irma’adda: the going, or acting, vigourouly or with energy; ook niet relevant.
ramad – applied to water, turbid or altered for the worse in taste and colour, though still drinkable; applied to a garment, or piece of cloth, faded; ophtalmia, dat kan natuurlijk oorspronkelijk met turbid te maken hebben.
rumda – a colour like wurqa, inclining to blackness; a colour inclining to that of dust.
ramād – ashes, i.e. charcoal reduced to particles by being burnt … en nog zowat, betekenis duidelijk.
ramād rimdid – ashes perishing or coming to nought; or much in quantity and very fine or minute; or reduced to the finest, or most minute, state.
ramāda – perdition, destruction, or state of destruction. Hence, ‘ām al-ramāda, the year of perdition or destruction, or of drought in the days of  ‘Omar, the seventeenth or eighteenth year of the Flight, in which men perished in great numbers, and cattle also, in consequence of drought long continuing, wherefore it was thus called, because the earth became like ashes by reason of the drought, or, as some say, because the drought continued so as to render the earth and the trees like the colour of ashes: but the first reason assigned above, for its being thus called, is preferable.
rāmid – [participium van ramada] perishing: or becoming like ashes, or perishing by becoming old and worn-out, and having no goodness and lastingness.
armad – [typisch kleuren-adjectief:] of the colour of ashes; ash coloured, ashy, of a dusty colour in which is duskiness or dinginess. Said of ostriches, gnats, garments or pieces of cloth. Aschgrau. Gewöhnlich wird armad vom Auge gebraucht und bezeichnet dann ein krankhaftes Grau werden, eine krankhafte Trübung der Augen (grauer Star). Sekundär bedeutet armad dann ‘krank (und schmerzend)’ (vom Auge), bzw. augenkrank’, en dat gaat nog een bladzij zo door.

  • murmid – A she-camel, and a cow, and a ewe, or she-goat, secreting milk in her udder a little before her bringing forth, or both signify a she-camel having her udder shining, and infused with milk. Troebele drupjes melk misschien? Dit heeft gegarandeerd niets met onze teksten te maken; ik citeer het even ter bevestiging van de regel dat ieder oud Arabisch woord óók iets met een kameel of ander vee betekent.

Tot zover het lexicon, of wat ik daarvan momenteel wil zien. Nu zegt U misschien: onder ramāda staat toch precies wat het is, dat slaat toch op onze tekst? Ja, dat is juist de ellende: die verklaring is geheel afhankelijk van onze tekst, heeft onze tekst nagenoeg overgeschreven en maakt ons daarom niet wijzer.

De wortel r-m-d heeft dus twee voor de Tabarī-teksten relevante basisbetekenissen:

  1. ‘ondergaan, eraan gaan’, door verschillende ooorzaken: slijtage, kou, nachtvorst, droogte, onvruchtbaarheid of schaarste. Dat ‘ondergaan’ is primair; de oorzaak ervan, dus ook die droogte, is secundair. ramāda moet hiervan de infinitief zijn: ‘het ondergaan, de ondergang’.
  2. het kleurwoord: niet effen gekleurd, wit-en-zwart, grauw, grijs. Vandaar ‘as’, troebel’, ‘grauwe staar’.  Ook ramād ‘as’ is volgens Fischer afgeleid van het kleurwoord, maar dat hoeft ons niet bezig te houden; de bron van al-Tabarī heeft natuurlijk alleen aan ‘as’ gedacht.

Die beide basisbetekenissen hebben denk ik niets met elkaar te maken, al laten zich zowel de tekst als de oude woordenboekenmakers zich soms meeslepen door de bijna-gelijkluidendheid van ramāda en ramād. Volksetymologie; wij hoeven hen daar niet in na te volgen.
.
Dus ramāda = ‘ondergang’. Het Jaar van de Ondergang, niet het jaar van de droogte en ook niet dat van de as, zoals ik even dacht. Een eventuele vulkaanuitbarsting is met behulp van het lexicon niet hard te maken.
.
Blijft over mijn verwondering over de melding van opwaaiend stof ‘als as’ in de tekst. In het grootste deel van het Nabije Oosten regent het toch altijd stof?

 

NOTEN
1. Zeker, dat is ons woord sofa, rustbank.
2. Volgens anderen was het eind 17 tot begin 18. Voor de vroege periode kloppen die jaartallen nooit helemaal.
3. al-Tabarī, Ta’rīkh i, 2570–8.
4. Bij grote getallen in de Oudheid helpt vaak deze vuistregel: deel het eerst maar eens door tien.
5. Edward William Lane, Al-madd al-qamoos. An Arabic-Eglish Lexicon, 8 vols. London/Edinburgh 1863.
6. Wolfdietrich Fischer, Farb- und Formbezeichnugen in der Sprache der altarabischen Dichtung, Wiesbaden 1965.

Diacritische tekens: ṣuffa, Ḥarrat, al-Bayḍāʾ, al-Ṭabarī

ABD AL-MALIK IBN MARWAN: startpagina. De eerste kaliefen. Mu‘awiya’s opvolgers. De Umayyaden uit Medina verjaagd. Abd al-Malik geeft strategisch advies. Abd al-Malik oefent zich in wreedheid en moord. Graanschepen voor Medina. Arbeidsloos inkomen. De Rotskoepel in Jeruzalem.

Terug naar Inhoud

Abd al-Malik – startpagina

Onderstaande tekst zult U waarschijnlijk in het begin niet zo interessant vinden. Het is namelijk maar een eerste opzetje. De komende tijd wil ik mijn lectuur wat concentreren op de persoon van de Umayyadenkalief ‘Abd al-Malik, die regeerde in Damascus van 685–705.

Die man was werkelijk interessant. Hij was zowel de architect van het Arabische Rijk als die van de Islam, of beter van een islam, want honderd jaar later zag die er alweer anders uit. Mohammed en ‘Abd al-Malik, dat zijn de stichters van de islam. De functie van Mohammed is in grote lijnen bekend. ‘Abd al-Malik bouwde de Rotskoepel in Jeruzalem en nam daarmee afscheid van het christendom. Hij schiep eenheid in het enorme Arabische Rijk, dat bijna aan interne verdeeldheid te gronde was gegaan. Last, but not least ontwierp hij, door de geschiedenis van Mohammed en de vroegste islam te laten opschrijven, een staatsideologie die voor alle delen van zijn rijk geldig was. Je zou kunnen zeggen dat hij ook Mohammed in model heeft geduwd/laten duwen. Voor zolang het duurde dan; ook Mohammed bleef nog vormbaar, was nog niet ‘klaar’.

Hieronder volgt een (steeds veranderend) overzicht van de bronnen die ik zal gaan lezen en de fragmenten over ‘Abd al-Malik die op den duur een samenhangend geheel moeten gaan vormen. Interessant wordt het voor U pas — als de man U tenminste überhaupt interesseert — naarmate hieronder meer links verschijnen; dan krijgt U wat te lezen. Mocht U dus een begin van belangstelling hebben is het zaak, hier af en toe even te kijken—en geduld te hebben. Of U merkt het vanzelf als er via e-mail weer een stukje ‘Abd al-Malik wordt aangekondigd.

De jonge ‘Abd al-Malik. Zijn vader Marwān is de Umayyadische gouverneur van Medina. Zijn familie. De Umayyaden. Het Medina van de jonge ‘Abd al-Malik. Vulkaanas over Medina? Graanschepen voor Medina. ‘Umars dīwān. Opschudding tijdens de moord op kalief ‘Uthmān. Opvoeding en onderwijs. Als zestienjarige zijn eerste veldtocht tegen de Romeinen. Directeur van de dīwān, afd. Medina. Beheer van onroerend goed in de oase Fadak, dat hij in eigendom had gekregen.

Crisis van het Umayyadenkalifaat. Het kalifaat überhaupt. Mu‘āwiya’s opvolgers. In Arabië laat ‘Abdallāh ibn al-Zubayr zich als kalief huldigen. De Umayyaden worden in 683 uit Medina verjaagd, dus ook Marwān en ‘Abd al-Malik. Een te hulp snellend leger uit Damascus komt iets te laat. ‘Abd al-Malik geeft strategisch advies. De slag van al-Ḥarra. Het ‘in de grond gezakte leger’. Ze trekken verder naar Syrië. In Djābiya aangekomen wordt zijn vader Marwān tot kalief uitgeroepen. Deze sterft echter al in 685 en ‘Abd al-Malik volgt hem op; dan is hij veertig. Het kalme leven is voorbij.

‘Abd al-Maliks kalifaat: het was chaos in Syrië. Eerst had hij met de chaos in Syrië en omgeving af te rekenen; hij leert hardheid en wreedheid door ‘Amr ibn Sa‘īd eigenhandig te doden. Vervolgens moest hij het kalifaat van ‘Abdallāh ibn al-Zubayr, dat intussen het grootste deel van het rijk besloeg, onschadelijk maken. Dat gelukte in 692. Daarna moest hij zich sterk tonen tegenover de Romeinen, die zijn monetaire hervorming niet accepteerden. Het ‘beeldenverbod’.

De Rotskoepel in Jerusalem kwam eveneens in 692 klaar. Een gebouw van grote symbolische betekenis, een statement tegen de christenen. ‘Moslim’ werd sindsdien een duidelijke identiteit.

De opdracht aan ‘Urwa ibn al-Zubayr: deze liet hij de vroege islamitische geschiedenis en het leven van Mohammed opschrijven. Dat werd o.a. de basis voor de sīra, de biografie van Mohammed zoals wij die nu nog kennen. De overige propaganda. Toespraken.

Reform van het bestuur, het geldwezen en de belastingen, invoering van het Arabisch als officiële taal. Integratie van Syrië en het eertijds Perzische Irak, met hulp van zijn bikkelharde tweede man, al-Ḥadjdjādj.

Een triviaal detail: ‘Abd al-Malik leed aan halitose, of liever gezegd: zijn omgeving leed daaronder. Hij stonk zo uit zijn mond, dat hij de bijnaam ‘de vliegenman’ (Abū al-dhibbān of al-dhubāb) kreeg. Zijn mond was volgens de anecdote zo vol rottenis dat de vliegen op de stank afkwamen en naar binnen vlogen als hij hem per ongeluk openhield. (Ibn Kathīr, Al-Bidāya wal-nihāya, ii, 378)

Terug naar Inhoud

Portretten van beroemde Arabieren

Ali ibn abi TalibDe beroemdste Arabier die ooit geleefd heeft was de profeet Mohammed. Zoals intussen algemeen bekend is hebben moslims niet graag dat hun profeet wordt afgebeeld. Voor sommige mensen die van pesten houden is dat juist een aanleiding om op provocerende wijze een portret of zelfs een karikatuur van hem te publiceren, vaak ook met een denigrerend onderschrift.

‘Maar dat is toch niet Mohammed? Dat is Ali; zijn neef en schoonzoon!’ zegt U misschien als U het plaatje hierboven aanklikt. O ja? Hoe weet U dat? U hebt ze toch niet gekend? Misschien ‘herkende’ U Ali omdat U de tekst boven zijn hoofd kunt lezen, of omdat U in Iran of andere sjiietische omgevingen geweest bent. Daar vind je sinds een eeuw inderdaad overal ‘portretten’ van Ali en zijn zonen Hasan en Husayn, die sprekend op hun vader lijken. Die plaatjes hebben veel aan de bidprentjes en de kinderbijbels van Europa te danken; ze zijn nogal stereotiep en nietszeggend, zodat iedereen alsnog de kans krijgt zich die mensen naar eigen wens voor te stellen.

Husayn ibn Ali

Husayn ibn Ali

Als ik naar de intense kop van Husayn kijk vermoed ik dat die bij jonge meisjes eenzelfde opwinding teweeg brengt als bepaalde popsterren. Toeval is dat natuurlijk niet.

sooreh hera-021Er zijn teksten genoeg waarbij een plaatje van Ali toch wordt afgedrukt met het onderschrift ‘Mohammed’. Soms heeft iemand zich gewoon vergist, soms zit er opzet achter. In Den Haag moest in 2007 een tentoonstelling van Sooreh Hera worden afgelast omdat de kunstenares twee halfnaakte mannen op een bed afbeeldde met vrijwel identieke, nietszeggende gezichtsmaskers, die vaag aan Ali herinneren. De bijschriften suggereerden echter dat het Mohammed en Ali betrof.

De verontwaardiging over portetten van Mohammed wordt nooit veroorzaakt door de afbeeldingen zelf, maar altijd door de bij- of onderschriften. Noch van Mohammed noch van Ali is immers bekend hoe ze eruit hebben gezien. De oude moslims maakten geen portretten, van niemand niet. Dat heeft te maken met islamitische verbod op het afbeelden mensen en dieren. In Iran, India en het Ottomaanse Rijk heeft men die toch wel afgebeeld, maar pas tamelijk laat en lang niet zo vaak als in Europa, waar een zeer rijke portrettraditie bestaat.
Er bestaan dus geen (geen!) gelijkende tekeningen of schilderijen van Mohammed of Ali of diens zonen of wie dan ook — en standbeelden al helemaal niet. Portretten ontstonden in de Arabische Wereld pas na de uitvinding van de fotografie, dus in de tweede helft van de negentiende eeuw. Van voor die tijd kennen we hoogstens het uiterlijk van enkele hooggeplaatste Arabieren wanneer zij toevallig door een Europese kunstenaar vereeuwigd zijn, en of die schilderijen of etsen naar het leven waren gemaakt is dikwijls nog de vraag.
.
Al-Ma‘arriAl-MutanabbiToch vindt U in uw Wikipedia-artikelen ook bij vele oudere beroemde Arabieren en andere moslims een portretje. Saladin, Ibn Khaldun, Avicenna, noem maar op, overal staat een plaatje bij. Ook op postzegels en bankbiljetten zijn de heren vereeuwigd, en van de allerberoemdsten bestaan er standbeelden, alles in imitatie van Europese gewoontes. Al die portretten berusten op niets anders dan fantasie en zijn het gevolg van de moderne verslaving aan afbeeldingen. Het is nauwelijks nog mogelijk een artikel te schrijven zonder afbeelding, dus moet de vrije fantasie aan de slag. De vruchten daarvan zijn nogal eenvormig. Meestal kijken de geportretteerde heren waardig uit hun ogen, ze zijn voornaam gekleed in een of ander historisch gewaad, ze dragen een volle baard en een tulband; op een postzegel uit de DDR draagt Avicenna een fantasiemuts met een soort doornenkroon. Soms wordt er een afbeelding van een Europese ‘oriëntalistische’ schilder misbruikt (Hasan al-Basri). In andere gevallen wordt een al bestaand portret van een beroemdheid voor een andere in spiegelbeeld hergebruikt. Dat is bij voorbeeld de dichters al-Mutanabbi en al-Ma‘arri overkomen.

Uit het verleden zijn wel soms beschrijvingen van het uiterlijk van mensen bewaard; in het geval van Mohammed zijn die zelfs tamelijk uitvoerig, maar ze zijn onderling tegenstrijdig, wat hun fictieve karakter nog eens onderstreept. Daarover graag een volgende keer. De politie kan tegenwoordig compositietekeningen van iemand maken op grond van beschrijvingen. Maar dat lukt alleen als een getuige de betrokken persoon werkelijk heeft gezien, dus bij Arabieren van vroeger heb je daar ook niets aan.

Na de uitvinding van de fotografie was het overigens met het verbod op afbeeldingen gauw voorbij. De eerste portretfoto’s van het Arabisch Schiereiland zijn van Muhammad Sadiq Bey en dateren van 1861. Onze landgenoot Chr. Snouck Hurgronje heeft in 1884 veel mensen in Mekka gefotografeerd en laten fotograferen en de resultaten gepubliceerd. Voortaan wilde iedereen op de kiek, ook de strengste gelovigen, en het verbod werd gewoon afgeschaft.

Hier vindt U een aantal pseudoportretten bij elkaar; hieronder staan er nog een paar.

Terug naar Inhoud

De muildieren van de profeet

Een muildier (Arabisch baghl)1 is een kruising tussen een paardenmerrie en een ezelshengst; een muilezel is het jong van een ezelin en een paardenhengst. Omdat we niet weten over welk van beide soorten de oude Arabische teksten het hebben noem ik ze maar allemaal muildieren. Ik gok er maar op dat die in de meerderheid zijn geweest: zij zijn de sterkste lastdieren en het makkelijkst te fokken.
Herbert Eisenstein heeft alle teksten over Mohammeds muildieren en ezels verzameld. Uit zijn artikel2 zal ik hier putten; meer teksten dan hij heb ik niet gevonden. Aan interpretatie heb ik echter wel iets toe te voegen
.
Duldul
Het muildier bij uitnemendheid was Duldul. Misschien was het zelfs het islamitische oermuildier überhaupt, want het heet: ‘Duldul was het eerste muildier waarop gereden werd in de islam.’ 3 ‬ Zulke ‘eerste’-overleveringen (awā’il) dienden er meestal toe, de terminus post quem van het een of andere fenomeen vast te stellen, maar ze kunnen wel, zoals in dit geval, erg tendentieus zijn.4
Er bestaat over deze muilezelmerrie enig biografisch materiaal in de beste Arabische traditie.5 Ze zou de profeet cadeau zijn gedaan door de Muqawqis von Alexandrië — wie dat ook geweest moge zijn — tesamen met een ezel, goud, textiel en de twee mooie slavinnen Māriya en Sīrīn.6 Bij de Slag bij Hunayn (630) zou de profeet op Duldul gereden hebben en tegen haar gezegd hebben: irbidī! (ga liggen!), of sdi! (strek je!), zodat hij een handvol stof kon oppakken om de vijanden in het gezicht te werpen. In nog een andere variant zei de profeet in die slag tegen zijn oom ‘Abbās: ‘Geef mij eens een paar kiezelstenen!’ Duldul verstond dat en strekte zich uit eigen beweging, zodat de profeet ze zelf van de grond kon pakken. Zij overleefde de profeet meer dan dertig jaar en stierf tijdens de regering van kalief Mu‘āwiya (661–680) in Yanbu‘ aan de Rode Zee-kust. Een leeftijd van vijftig jaar is voor een muildier goed haalbaar; Duldul was bij aankomst in Medina blijkbaar al niet meer zo jong geweest. Op hoge leeftijd waren haar tanden uitgevallen, zodat de gerst voor haar gemalen moest worden. Haar tragische dood is goed als filmscène voorstelbaar: blind geworden liep zij een meloenveld in en vertrapte het. Het veld behoorde toe aan een man uit de Banū Mudlidj, die haar doodde met een pijlschot, blijkbaar niet vermoedend met welk nobel dier hij te doen had.
Volgens de sji‘ietische overlevering zouden ook ‘Alī, zijn beide zonen en zijn rechterhand Muhammad ibn al-Hanafīya nog op Duldul hebben gereden.
.
Andere muildieren
Wat Eisenstein over de andere muildieren van de profeet bijeen heeft gesprokkeld zal Ik hier kort samenvatten:7
– Fidda (‘zilver’), een wit dier, dat Farwa ibn ‘Amr al-Djudhāmī hem schonk en dat hij zelf aan Abū Bakr doorgaf,
– een wit dier, dat hij van de heerser van Ayla (het huidige Aqaba) cadeau kreeg,
– een muildier dat Kisrā, de koning van Perzië, hem schonk en waarop hij gereden zou hebben met een haren zadeldek,
– een grauwtje, dat hij van de Negus van Abessinië cadeau kreeg,
– een geschenk van de heerser van Dūmat al-Djandal (bij het huidige al-Djawf of Jouf)
– en tenslotte een niet gespecificeerd dier waarvan wordt verteld dat het ‘met hem op hol sloeg’, waarop de profeet aan het dier een koranvers liet voorlezen.
.
Hoeveel muildieren er nu precies bij de profeet in de stal stonden blijft onduidelijk, want de namen en biografische details van de dieren lopen erg dooreen. Wilt U ze echt tellen? Het is eigenlijk nogal duidelijk: al die dieren zijn er in werkelijkheid maar één. Het zijn variaties op één thema: een muildier dat de profeet cadeau krijgt uit het buitenland en dat vervolgens als precedent voor een sharia-regel optreedt.
.
Inderdaad, vrijwel al deze muildieren werden volgens de teksten aan de profeet cadeau gedaan vanuit het buitenland. Ayla en Dūma, hoewel in Noord-Arabië gelegen, golden toen nog als christelijk buitenland. Ook Fidda kwam uit het buitenland, want dat dier kreeg hij van Farwa ibn ‘Amr, die tot zijn bekering en martelaarsdood Romeins stadhouder was in Ma‘ān, ten noorden van Ayla.8 Naar aanleiding van de geschonken slavinnen Māriya en Sīrīn heb ik hier al besproken, welke functie geschenken uit het buitenland in de teksten hadden. Zij moesten door het voorbeeld van de profeet de aanname en het gebruik van niet-islamitische goederen legitimeren.
.
Maar waren muildieren dan zo buitenlands? In heel het Oude Nabije Oosten kwamen muildieren voor; ook Ethiopië was er vol mee. Het waren sterke en betrouwbare last- en rijdieren, die overal van pas kwamen; zouden die in Arabië dan hebben ontbroken? Dat wil er bij mij niet in, maar ze kwamen wel uit het buitenland.
Het Arabische woord voor muildier, baghl, is Ethiopisch. Hoewel de dieren ook in Syrië en aan de Perzische Golf voorkwamen, zal het eenvoudiger geweest zijn ze per schip uit Afrika in Arabië te importeren. Honderden kilometers door de woestijn konden ze immers niet lopen. En omdat de dieren zich niet voortplantten moesten er telkens nieuwe geïmporteerd worden.
Blijkbaar wil de mededeling dat de Egyptische Duldul het eerste muildier in de islam was ons te laten geloven dat muildieren in het oude Arabië nieuw waren, met andere woorden: de profeet had een primeur — en dat terwijl de koran ze al als vanzelfsprekend vermeldt vóórdat de profeet Duldul cadeau zou hebben gekregen.
Maar de nieuwheid van muildieren in de teksten is vrome fictie van rechtsgeleerden. Laten we hun gedachtengangen eens bekijken.
.
Rechtsregels over muildieren
– Het eten van muildiervlees is niet toegestaan — maar dat wordt hier niet behandeld.

– Het rijden op muildieren is zonder meer toegestaan, want in de Koran heet het: ‘En paarden, muilezels en ezels opdat jullie ze kunnen berijden, en voor het mooi. En Hij schept wat jullie niet weten.’9 Dat de profeet volgens verschillende vertellingen ook inderdaad op een muildier reed, is daarmee in overeenstemming. In het oude Israël reden de koningen David en Salomo erop, en muildieren konden ook dienen als vorstelijk geschenk.10

– Een normale omgang met muildieren leidt dus niet tot rituele onreinheid.

– Het zelf faciliteren van een kruising tussen paard en ezel is voor moslims afkeurenswaardig (makrūh). Een hadith maakt dit duidelijk:

  • … Van ‘Alī ibn abī Tālib: De profeet kreeg een muildier cadeau en hij reed daarop. Toen zei ‘Alī: ‘Als we eens ezels paarden lieten bespringen, dan hadden we ook zulke dieren.’ De profeet zei echter: ‘Dat wordt alleen door mensen zonder kennis gedaan.’ 11

In de teksten die Eisenstein heeft gevonden wordt deze uitspraak van de profeet in verband gebracht met het dier uit Ayla.12 Moslims die een absoluut verbod voorstonden interpreteerden ‘mensen zonder kennis’ als: ‘mensen die het verbod niet kennen’. Hoe dan ook, het fokken van muildieren is uit islamitisch oogpunt een niet-islamitische bezigheid. Bij de joden was het verbod duidelijker, op grond van Leviticus 19:19: ‘Laat je vee niet paren met dieren van een andere soort.’

– Reeds bestaande dieren mochten wel gebruikt of van buiten de eigen kring aangenomen of aangevoerd worden.

– Omgang met weerspannige muildieren: het beest dat met de profeet op hol sloeg gaf hij een lesje door het gevangen te zetten en Koran 113:1 aan hem te laten voorlezen, waarop het rustiger werd. Door zo’n bericht kregen de moslims natuurlijk ook meteen een lesje: in dergelijke gevallen moesten zij hetzelfde doen.

Ik vermoed dat het ongeveer als volgt gegaan is. De Arabieren en vroege moslims reden net als iedereen gewoon op muildieren rond en gebruiken ze als lastdieren. Toen na twee, drie eeuwen islamitische rechtsgeleerden begonnen, het hele leven aan de door hen opgestelde rechtsregels te toetsen, hebben zij ook vragen gesteld over muildieren. Omdat als altijd de profeet de hoogste autoriteit geweest moest zijn, hebben ze ook hem op muildieren laten rijden; ja zelfs al eerste. Het bij de joden gangbare fokverbod handhaafden zij; daarom blijft er in de teksten aan muildieren altijd iets vaag ‘niet-islamitisch’ hangen.

Zie ook Mohammed: ezeldrijver of kameelrijder?

NOTEN
1. Ch. Pellat, ‘Baghl’ in EI2.
2. H. Eisenstein, ‘Die Maultiere und Esel des Propheten,’ in Der Islam, 62 (1985), 98–131.
3. Ibn Saʿd, Ṭabaqāt i, @; Internet, passimوكانت دلدل بغلة النبي ص أول بغلة ركبت في الإسلام أهداها المقوقس
4. F. Rosenthal, Art. ‘Awāʾil,’ in EI2.
5. Eisenstein, o.c. 99–101.
6. Over die slavinnen zie hier.
7. Eisenstein, o.c. 101–4.
8. Ibn Isḥāq, Sīra, uitg. F. Wüstenfeld, 958; vert. Guillaume 644; Ibn Ḥadjar al-ʿAsqalānī, Al-Iṣāba fī tamyīz al-ṣaḥāba, 8 dln, Cairo, z.j., v, 386–7.
9. Koran 16:8:    وَالْخَيْلَ وَالْبِغَالَ وَالْحَمِيرَ لِتَرْكَبُوهَا وَزِينَةً وَيَخْلُقُ مَا لَا تَعْلَمُونَ
10. Bijbel, 1 Koningen 1:33, 38, 44; 10:25.
11. Eisenstein, o.c. 103.; Abū Dawūd, Djihād 53:

حدثنا قتيبة بن سعيد حدثنا الليث عن يزيد بن أبي حبيب عن أبي الخير عن ابن زرير عن علي بن أبي طالب ر قال  أهديت لرسول الله ص بغلة فركبها فقال علي: لو حملنا الحمير على الخيل، فكانت لنا مثل هذه. قال رسول الله ص: إنما يفعل ذلك الذين لا يعلمون.

12. Eisenstein, o.c. 103.

Diakritische tekens: Ḥunayn, irbiḍī, Muḥammad ibn al-Ḥanafīya, Fiḍḍa, ʿAlī ibn abī Ṭālib

Terug naar Hadith: startpunt     Terug naar Inhoud