Oude woorden

Het oude Arabisch had een enorme woordenschat en vele eigenaardige woorden, die zonder uitvoerige omschrijving niet begrepen kunnen worden. Drie voorbeelden:

waḥḥama: ‘een dier slachten ter bevrediging van de zwangerschapslusten van een vrouw’. Als een zwangere vrouw uitroept dat ze ineens zo’n zin heeft in schaap, wat doet haar man dan? Juist.

djaza’a: ‘genoeg hebben aan groene planten of vers gras, en daarom geen behoefte hebben aan water.’ Gezegd van kamelen of wilde ezels, die grazen op grote afstand van een waterbron en hun behoefte aan vocht stillen met wat er in de planten zit. Als het gras op is of verdord trekken ze naar een plaats waar water is.

aḥqab is een adjectief van het model ’aCCaCu, dat gereserveerd is voor kleuren en permanente lichamelijke kenmerken. Het betekent volgens Fischer1 ’an der Stelle, an der hinteren Sattelgurt (ḥaqab) besonders charakterisiert, d.h. weiß gefärbt’ en wordt uitsluitend gebruikt van wilde ezels.

Zulke bijzondere betekenissen staan in grote woordenboeken; de kleinere stellen vaak teleur. Tot mijn verrassing geeft het kleine woordenboek van Hava de betekenis van waḥḥama wel volledig, maar bij djaza’a schrijft hij: ‘to be satisfied (camel),’ en dat is niet genoeg om te begrijpen wat er aan de hand is. Bij aḥqab geeft Hava de betekenis ‘wild ass’. Hij verandert het adjectief dus in een substantief en laat ons de pracht van het dier helemaal niet zien. Daarom, o gij twee mensen die nog pre-islamitische Arabische poëzie leest, grijpt altijd meteen naar de grotere woordenboeken: Ullmann, Lane of Kazimirski! en bij ’aCCaCu,-woorden naar Fischer. En laat Wehr liever dicht; hoe vaak moet ik het nog zeggen?

1. Wolfdietrich Fischer, Farb- und Formbezeichnungen in der Sprache der altarabischen Dichtung, Wiesbaden 1965.

.

Onager of Wilde Ezel — Foto Rufus46 — Wikimedia Commons

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Snouck

Snouck, zo heet de onlangs verschenen zeer leesbare en degelijke biografie van Christiaan Snouck Hurgronje (1857–1936), geschreven door Wim van den Doel. Ik heb er erg van genoten en veel van geleerd, en beveel hem dan ook graag aan iedereen aan, en vooral aan arabisten en geïnteresseerden in de islam en Indonesië. Snouck was jarenlang adviseur van de regeringen van Nederlands-Indië en Nederland, en later hoogleraar te Leiden, o.a. in Arabisch en islamwetenschap. De biografie portretteert de invloedrijke, wereldwijd bekende landgenoot in al zijn innerlijke tegenstrijdigheid en is ook een belangrijke bron van kennis over de Nederlandse koloniale politiek.
Ik ga niet het hele boek van ruim zeshonderd bladzijden bespreken, maar ik wil er enkele punten uitlichten.

Atjeh
In Noord-Sumatra ligt Atjeh (moderne spelling: Aceh), een gebied dat eind negentiende eeuw weigerde zich te onderwerpen aan het koloniale bestuur. Snouck was in belangrijke mate verantwoordelijk voor de laatste fase van wat als de Atjeh-oorlog bekend staat (1873–1903). Zijn (toen nog) vriend Generaal van Heutsz deed het grove werk, Snouck droeg de ideeën aan. De bedoeling was, de rebellie snoeihard neer te slaan om daarna met gulle hand de zegeningen van het koloniale bestuur over het land te doen neerdalen. Volgens Snouck ging het er om, de bevolking te beschermen tegen de uitbuiting en willekeur van plaatselijke potentaatjes en fanatieke godgeleerden, die hij aanried ‘zeer gevoelig te slaan’. De eerste fase, met veel wreedheid, bloedvergieten en vernietiging, werd inderdaad verwezenlijkt, het is bekend. Dat hier iets niet klopte kwam bij Snouck blijkbaar niet op. Van die zegeningen is niet veel meer vernomen — wat hij een kwart eeuw later zelf ook inzag.1

Ethisch kolonialisme
Snouck geloofde werkelijk dat het koloniale bestuur zegeningen bracht. Volkeren die lager stonden in beschaving konden immers veel leren van ontwikkelder volkeren, zodat ze op de (lange) duur op eigen benen konden staan. Dat Indië vooral een wingewest was dat goed was voor een flink percentage van de Nederlandse staatsinkomsten, moet Snouck hebben geweten, maar uit dit boek blijkt niet dat hij daar ooit over tobde of het niet vanzelfsprekend vond. Wel vond hij dat er meer en beter onderwijs moest komen voor intelligente inlanders uit de hogere standen, zodat dezen ook functies konden krijgen in het bestuur en de rechtspraak. Op den duur zou Indië zelfs door Nederlanders en inlanders te samen bestuurd moeten worden. Daarin was Snouck veel ‘ethischer’ dan de bestuurders in Indië en het ministerie in Den Haag, die zich daar heftig tegen verzetten en de inlander juist liever klein hielden.

De islam
Snouck was niet bang voor de islam, want hij kende hem van binnen en van buiten. Hij had in Mekka gezeten, presenteerde zich als moslim, verkeerde op voet van gelijkheid met islamitische geleerden, leefde zo veel mogelijk ‘inlands’ en sloot twee maal een islamitisch huwelijk met een Sundase vrouw. Hij had een hekel aan het panislamisme, dat volgens hem vooral door het Ottomaanse Rijk werd verbreid. Maar over de islam in Indië maakt hij zich geen zorgen; integendeel. In 1913 bij voorbeeld werd op Java de Sarekat Islam opgericht, een islamitische vereniging ter behartiging van de belangen van moslims. Toen deze al gauw een enorme aanhang kreeg schrokken ondernemers en koloniale bestuurders zich wezenloos en wilden die vereniging onderdrukken, maar Snouck vond het juist een goed idee. Geef ze de ruimte en wat zelfstandigheid, dan worden ze niet opstandig. Hij had niet die koloniale schrik voor moslims, die berust op onwetendheid. Voor de machtsovername in Arabië door de Wahhabieten in 1924 had hij wel waardering. Hj kon toen nog niet voorzien wat voor ellende die zouden aanrichten. Zij brachten in elk geval rust en orde, en dat was goed voor de pelgrims uit Indië.

Racisme
Al tijdens zijn jaren in Indië (1888–1906) verkondigde Snouck steeds de mening dat vermeende raciale verschillen geen enkele rechtvaardiging boden om inlanders onderwijs en functies in bestuur of rechtspraak te onthouden. En na de barbarij van de Eerste Wereldoorlog in Europa kon zeker niemand meer in ernst beweren dat het blanke ras superieur was. Maar hier sprak Snouck met dubbele tong. Hij had vijf kinderen van zijn twee achtereenvolgende Sundase echtgenotes, die hij niet erkende. Hij stuurde af en toe wat geld en een briefje, maar wenste verder geen contact, en wilde zeker niet dat ze naar Nederland zouden komen. In Nederland trouwde hij opnieuw en kreeg een dochter. Hij had dus maar één kind.

De vloek van Snouck
Snouck was al in 1936 gestorven, maar toen ik na mijn kandidaatsexamen in 1968 aankwam in Leiden waarde zijn geest er nog rond. Om te beginnen werden de colleges Arabisch gegeven in zijn ruim bemeten huis aan het Rapenburg. De hoogleraar las voor uit het collegedictaat van Snouck. Als je boven naar de WC moest, belandde je in diens badkamer, waar nog zijn badkuip met leeuwenpoten stond. In de gang hing een portret van de illustere bewoner. Ja, die ogen: zelfs in het schemerdonker van het trappenhuis doorboorden ze je nog.
Snouck heeft met zeer harde hand een stel leerlingen gevormd, die hij veel bijbracht, maar die hij ook voortdurend kleineerde. Bij sommigen leidde dit tot blijvend geestelijk letsel, dat zij nog doorgaven aan de volgende generatie. De lamheid van de Leidse arabistiek in de jaren zestig en de verpeste sfeer waren zonder twijfel een gevolg van de ‘vloek van Snouck’. Wie kon na hem nog bestaan?

Als ik me aan een korte karakterisering mag wagen: Snouck was een groot geleerde, een harde man, ook voor zich zelf, die niet door innerlijke twijfels werd geplaagd en weinig geduld had met minder getalenteerden.

.

  1. In een bespreking van J.C. Lamster, J.B. van Heutsz als G.G., afgedrukt in Oost en West, 6 juni 1947 staat echter nog te lezen: ‘Zonder twijfel zou het werk van Van Heutsz als landvoogd [=Gouverneur Generaal, WR] niet mogelijk zijn geweest zonder het werk van Van Heutsz als generaal. Trouwens: alle arbeid, sinds 1904 in Indië tot zegen der Indische volken verricht was slechts mogelijk door die zelfde arbeid van de zelfde Van Heutsz als generaal.’

Terug naar Inhoud

Mohammeds kat Made in China?

Een welbekende, maar zeer obscure anecdote wil laten zien hoezeer Mohammed van zijn kat Mu‘izza hield en met hoeveel respect hij haar behandelde:

  • De profeet wilde eens opstaan om naar het gebed te gaan, maar de kat lag op de mouw van zijn gewaad te slapen. Om het dier niet te wekken knipte hij toen zijn mouw af en verscheen met beschadigd gewaad bij het gebed. Terugkomend van de moskee werd hij door Mu‘izza bedankt met een buiging.

Voor deze anecdote heb ik maar twee bronnen, die beide geen bron zijn: Wikipedia, en een boek van de katminnende oriëntaliste Annemarie Schimmel.1 Ofschoon geleerde, geeft ook zij geen werkelijke bron. Kortom, we weten niet waar het verhaaltje vandaan komt.

Hoe dan ook, het motief bestaat ook met een heel andere bezetting. Volgens de Han-historicus Bān Gù (32–92) probeerde de Chinese keizer Āi dì (reg. 7–1 voor Chr.) eens op te staan toen zijn vriend Dong Xian in slaap was gevallen op de mouw van zijn gewaad. Om hem niet te wekken sneed hij zijn mouw af en verscheen met het aldus beschadigde gewaad in het openbaar. Zijn hovelingen namen vervolgens deze dracht over om de liefdesverhouding te vieren.

Patrick Huang te Londen stuurde mij de oorspronkelijke Chinese tekst. Ik kan hem zelf niet lezen, maar geef hem hier voor degenen die dat wel kunnen.2 Huang merkt op dat de Hàn Shū 漢書, het geschrift van Bān Gù 班固 waarin het verhaaltje voorkomt, een groot historisch werk is met officiële status, dat uitsluitend over China handelt. Het werd weliswaar ook gelezen in Korea, Japan en Vietnam, maar had het ‘Westen’ niets te bieden. Het verhaaltje van die homosexuele liefde en de mouw is naar zijn zeggen meervoudig overgeleverd in de Chinese overlevering en zelfs spreekwoordelijk geworden.

Een zo specifiek vertelmotief kan alleen maar door overlevering zover gereisd zijn, in dit geval van Oost naar West; hoe precies is onduidelijk. Van het wiel of de rietfluit is het voorstelbaar dat ze twee of meer malen op verschillende plaatsen in de wereld zijn uitgevonden. Ook bestaan er motieven in de mythologie en in volksverhalen die universeel voorkomen. Maar zulke specifieke teksten als hierboven worden volgens mij maar één keer uitgevonden en maken dan verder een reis door de culturen. Het verhaal over de Chinese keizer is is tenminste zevenhonderd jaar ouder dan dat over Mohammeds kat. Hoe de vriend is veranderd in een kat blijft onduidelijk.

Nog ingewikkelder wordt het door een hint, die eveneens afkomstig is van Patrick Huang. Hij verwees naar een ondateerbare Japanse(!) prent, voorstellende een vrouw die de rand van haar kimono afsnijdt om een slapende kat niet te wekken.3 De prent verwijst naar een dichtwerk van Ki no Tsurayuki 紀貫之, een Japanse dichter uit de negende eeuw, in wiens werk het motief volgens Huang echter niet voorkomt. De verwijzing lijkt apocrief te zijn en de prent vroegmodern.

Hoe dit motief door de wereld gereisd is blijft me een raadsel, maar wel een fascinerend raadsel.

NOTEN
1. Wikipedia (korte Duitse tekst; de Engelse pagina is inmiddels verdwenen) en Annemarie Schimmel, Die orientalische Katze. Geschichten, Gedichte, Sprüche, Lieder und Weisheiten, München [1989], blz. 11. Nadere bronvermeldingen ontbreken.
2. 賢傳漏在殿下,為人美麗自喜,哀帝望見,說其儀貌,識而問之,曰:「是舍人董賢邪?」因引上與語,拜為黃門郎,繇是始幸。問及其父為雲中侯,即日徵為霸陵令,遷光祿大夫。賢寵愛日甚,為駙馬都尉侍中,出則參乘,入御左右,旬月間賞賜絫鉅萬,貴震朝廷。常與上臥起。##嘗晝寢,偏藉上袖,上欲起,賢未覺,不欲動賢,乃斷袖而起##。其恩愛至此。Het is het biografische gedeelte over Dong Xian 董賢, de vriend van keizer Āi dì 哀帝. De zin vanaf ## handelt over het afsnijden van de mouw.
3. https://twitter.com/aymro/status/989647167844335618?lang=en

Terug naar Inhoud

De mierenleeuw

In een Arabische tekst kwam ik het woord layth, tegen, een vrij normaal woord voor ‘leeuw”. Maar dat paste niet in de context, het ging eerder om zoiets als een spin. In het Syrisch, dat stond erbij, heette het aryā dedēbābē, de ‘vliegenleeuw’. En inderdaad, dat moest het zijn. Wij kennen het echter als mierenleeuw.
In de Oudheid bestonden er vrij wat samengestelde dieren. Van de meeste horen we niet meer, maar de mierenleeuw is nog niet uitgestorven. Hij leeft voort als netvleugelig, nachtactief insect: Myrmeleon formicarius, uit de familie der mierenleeuwachtigen (Myrmeleontidae).
Als gevleugeld insect is het één onder velen. Uitzonderlijk is echter de larve van dit dier. Om prooidieren te bemachtigen graaft de kleine larve een trechtervormig kuiltje in zand of losse grond. Als er een spin of mier komt aangelopen en op de helling van het trechtertje belandt kan hij niet meer terug; de larve gooit met zijn pootjes nog wat zand omhoog, het prooidier zakt verder naar beneden en wordt vermorzeld tussen sterke larvenkaken.

Mij hield even de vraag bezig waar de naam ‘mierenleeuw’ resp. Ameisenlöwe, ant-lion, vandaan komt. Een leeuw is ook een roofdier, zeker, maar heeft verder toch weinig gemeen met dit diertje: niet in afmetingen en niet in gedrag.
Het diertje is niet zeldzaam en is overal de mensen opgevallen door zijn jachttechniek. De oude Grieken hebben het zeker gekend, maar bij Aristoteles1 heet het (misschien) λύκος, lykos, ‘wolf’, wat ook moeilijk te begrijpen is.

De naam ‘mierenleeuw’ blijkt terug te gaan op de bijbel, om precies te zijn op de Griekse vertaling der Septuaginta van Job 4:11, ± 100 voor Christus. In onze Nieuwe Bijbelvertaling luidt het vers:

  • ‘De leeuw gaat zonder prooi te gronde, de jonge leeuwen zwerven hongerend rond.’

De Hebreeuwse tekst2 heeft hier twee woorden die allebei ‘leeuw’ betekenen: layish en lavī. Het Nederlands heeft er maar één woord voor. Twee maal ‘leeuw’ in hetzelfde vers is niet zo mooi, maar gelukkig bieden de jonge dieren wat variatie. De Griekse bijbelvertalers vonden twee maal ‘leeuw’ blijkbaar ook niet mooi: zij hebben het eerste ‘leeuw’ vertaald met μυρμηκολέων (myrmēkoléōn), inderdaad letterlijk ‘mieren-leeuw,’ wat dat ook mag betekenen.3 (De Latijnse bijbelvertaling Vulgata zou er later helemaal een potje van maken: die vertaalt het met tigris, ‘tijger’. Leeuwen en tijgers doen het altijd goed samen in teksten; vandaar.)
.
Wat hebben die Grieken bij hun vertaling gedacht, wat voor beest hebben zij zich voorgesteld, en hoe is de benaming blijven hangen aan die gemene larve? Ik heb het (nog) niet kunnen vinden, u misschien? Een tekst die heel misschien wat verder helpt is Herodotus (± 485–425 v. Chr), Historiae iii, 102. Daar gaat het over een woestijn in Indië, waar de mensen gouddeeltjes winnen uit het zand dat door zeer grote mieren wordt opgeworpen:

  • In die woestijn komen mieren voor die wat kleiner zijn dan honden, maar groter dan vossen. Enkele stuks zijn gevangen en die leven in de diergaarde van de Perzische koning. Die mieren maken hun hol onder de grond en graven precies als de Griekse mieren, waar ze sprekend op lijken. (vert. Hein L. van Dolen.)4

Hier zijn tenminste reusachtige ’mieren’ (μύρμηκες, myrmikes), al bereiken ze lang niet het formaat van een leeuw. Van Dolen oppert dat er misschien aan de Tibetaanse marmot gedacht is, ‘maar het kan net zo goed een fantasiedier zijn.’ Dat laatste geldt eigenlijk ook voor de bijbelse mierenleeuw. Indiërs die goud afpakken van grote mieren worden overigens ook vermeld bij Timotheus van Gaza (± 500).5

De Griekse naam myrmēkoléōn komt voor zover ik kon nagaan niet voor in Griekse teksten die ouder zijn dan de bijbelvertaling, en daarna alleen mondjesmaat in christelijke of door het christendom beïnvloede teksten.
Het tweede-eeuwse, christelijke dierenboek Physiologus vertelt over dit dier:

  • Toen nam Elifaz, de koning der Temanieten, het woord: […]: ‘De mierenleeuw gaat zonder voedsel te gronde.’ De Physiologus zegt: De mierenleeuw is aan de voorkant als een leeuw, maar aan de achterkant als een mier. Het vaderdier vreet vlees, de moeder knabbelt peulvruchten. Wanneer zij nu een mierenleeuw ter wereld brengen doen zij dat als een wezen met een tweevoudige natuur: Het kan geen vlees eten wegens de natuur van zijn moeder en geen peulvruchten wegens de natuur van zijn vader; dus gaat het te gronde omdat het geen voedsel vindt.6

Zo is het bijbelvers ‘verklaard’. Hoe het verder moet met het voortbestaan van de soort interesseert de auteur blijkbaar niet. Wilt u de preek ook nog horen? Komt ie:

  • Zo is ook een man met twee zielen onbestendig op al zijn wegen (Jak. 1:7v). Met moet niet op twee paden wandelen, noch met dubbele tong spreken bij het gebed. Wee namelijk, zo heet het, een gespleten en zondig hart dat twee paden bewandelt (Sirach 2:12). Het is niet mooi, ‘ja, nee’ of ‘nee, ja’ te zeggen, maar laat jullie ja ja zijn en jullie nee nee, zoals onze Here Jezus Christus gesproken heeft (Matt 5:37).
    Mooi heeft de Physiologus dus over de mierenleeuw gesproken.

Vindt hij zelf! Er zijn ogenblikken dat ik het betreur dat het christendom de westelijke wereld heeft veroverd. Maar ja, daarvóór zaten ze met veel meer goden, keizerverering, bloedbaden in arena’s en een stuk minder naastenliefde.

NOTEN
1. Aristoteles, Historia Animalium 622b–623a: Τῶν δ’ ἀραχνίων καὶ τῶν φαλαγγίων ἔστι πολλὰ γένη, τῶν μὲν δηκτικῶν φαλαγγίων δύο, τὸ μὲν ἕτερον ὅμοιον τοῖς καλουμένοις λύκοις μικρὸν καὶ ποικίλον καὶ ὀξὺ καὶ πηδητικόν· καλεῖται δὲ ψύλλα· τὸ δ’ ἕτερον μεῖζον, τὸ μὲν χρῶμα μέλαν, τὰ δὲ σκέλη τὰ πρόσθια μακρὰ ἔχον, καὶ τῇ κινήσει νωθρὸν καὶ βαδίζον ἠρέμα καὶ οὐ κρατερὸν καὶ οὐ πηδῶν. Τὰ δ’ ἄλλα πάντα, ὅσα παρατίθενται οἱ φαρμακοπῶλαι, τὰ μὲν (623a.) οὐδεμίαν τὰ δ’ ἀσθενῆ ποιεῖ τὴν δῆξιν. Ἄλλο δ’ ἐστὶ τῶν καλουμένων λύκων γένος.
2. Job 4:11: לַיִשׁ אֹבֵד מִבְּלִי-טָרֶף וּבְנֵי לָבִיא יִתְפָּרָדוּ.
3. Job 4:11, LXX: μυρμηκολέων ὤλετο παρὰ τὸ μὴ ἔχειν βοράν, σκύμνοι δὲ λεόντων ἔλιπον ἀλλήλους.
4. De gebruikte vertaling is: Herodotos, Het verslag van mijn onderzoek, vertaald, ingeleid en geannoteerd door Hein L. van Dolen, Nijmegen 1995.
Griekse tekst: Hdt. Hist. iii, 102.2: ἐν δὴ ὦν τῇ ἐρημίῃ ταύτῃ καὶ τῇ ψάμμῳ γίνονται μύρμηκες μεγάθεα ἔχοντες κυνῶν μὲν ἐλάσσονα ἀλωπέκων δὲ μέζονα: εἰσὶ γὰρ αὐτῶν καὶ παρὰ βασιλέι τῷ Περσέων ἐνθεῦτεν θηρευθέντες. οὗτοι ὦν οἱ μύρμηκες ποιεύμενοι οἴκησιν ὑπὸ γῆν ἀναφορέουσι τὴν ψάμμον κατά περ οἱ ἐν τοῖσι Ἕλλησι μύρμηκες κατὰ τὸν αὐτὸν τρόπον, εἰσὶ δὲ καὶ αὐτοὶ τὸ εἶδος ὁμοιότατοι: ἡ δὲ ψάμμος ἡ ἀναφερομένη ἐστὶ χρυσῖτις.
5. Tim. Gaz., De animalibus (Περὶ ζῴων), xxxii, 2,3, uitg. Haupt 1869, 20; vert. Rabinowitz en Bodenheimer 1949, 37.
6. Physiologus (Φυσιολόγος) , Griechisch/Deutsch, ed. Otto Schönberger, Stuttgart 2001, no. 20, blz. 37: Ἐλιφὰζ ὁ Θαιμανῶν βασιλεὺς ἔλεξε· «μυρμηκολέων ὤλετο παρὰ τὸ μὴ ἔχειν βοράν». ὁ Φυσιολόγος ἔλεξε περὶ τοῦ μυρμηκολέοντος ὃτι τὰ μὲν ἐμπρόσθια ἔχει λέοντος, τὰ δὲ ὀπίσθια μύρμηκος. ὁ μὲν πάτηρ σαρκοφάγος ἐστίν, ἡ δὲ μήτηρ ὄσπρια τρώγει. ὃταν δὲ γεννῶσι τὸν μυρμηκολέοντα, γεννῶσιν αὐτὸν δύο φύσεις ἔχοντα, καὶ οὐ δύναται φαγεῖν κρέα διὰ τὴν φύσιν τῆς μητρός οὐδὲ ὄσπρια διὰ τὴν φύσιν τοῦ πατρός˙ απόλλυται οὔν διὰ τὸ μὴ ἔχειν τροφήν.
Οὓτω καὶ πᾶς ἀνὴρ δίψυχος ἀκατάστατος ἐν πάσαις ταῖς ὁδοῖς αὐτοῦ. οὐ χρὴ βαδίζειν δύο τρίβους οὐδὲ δισσὰ λέγειν ἐν τῃ προσευχῇ· οὐαὶ γάρ, φησί, καρδίᾳ δισσῇ καὶ ἁμαρτωλῷ ἐπιβαίνοντα ἐπὶ δύο τρίβους. οὐ καλὸν εἰπεῖν τὸ ναὶ οὖ, καὶ τὸ οὖ ναί, ἀλλὰ τὸ ναὶ ναί, καὶ τὸ οὖ οὖ, καθὼς εἶπεν ὁ Κύριος ἡμῶν Ἰησοῦς Χριστός.
Καλῶς οὖν ἔλεξεν ὁ Φυσιολόγος περὶ τοῦ μυρμηκολέοντος.

Terug naar Inhoud       

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

De biografie van Mohammed: de oudste bronnen

Omdat de sīra niet alleen de biografie van de profeet is, maar eigenlijk een hele tak van literatuur, is het weinig zinvol altijd alleen maar het beroemde boek van Ibn Ishāq (gest. 767) in de bewerking van Ibn Hishām (gest. ± 828) te lezen. De teksten van ‘Urwa ibn al-Zubayr (gest. 711) bij voorbeeld zijn ouder en minstens zo belangrijk.
Hier volgt een overzicht van de vroegste Arabische teksten in het genre sīra. Daarvan zijn er steeds meer in vertaling verkrijgbaar. Zelf vind ik de latere sīra-boeken niet zo interessant, hoewel men er telkens weer op wijst, dat late boeken vroege teksten kunnen bevatten. Dat is waar, maar er is eerst nog een heleboel te lezen waarvan in ieder geval vaststaat dat het oud is. De alleroudste bronnen zijn overigens niet in het Arabisch; daarover een andere keer.

De Vertellers, Qissa: hier kort behandeld. Belangrijk is Wahb ibn Munabbih. Deze noem ik slechts volledigheidshalve; hierin gaat u zich zeker niet het eerst verdiepen.


Sīra-collecties

De volgende werken zijn in vertaling te lezen:

‘Urwa ibn al-Zubayr (gest. 711). Zeer oude berichten over de profeet, in het Duits vertaald: A. Görke en G. Schoeler, Die ältesten Berichte über das Leben Muḥammads. Das Korpus ‘Urwa ibn az-Zubair, Princeton 2008. 

Ibn Ishāq (gest. 767), Engelse vertaling: Alfred Guillaume, The Life of Muhammad. A translation of Ibn Ishāq’s Sīrat Rasūl Allāh, Oxford 1955, Karachi 1978; Nederlandse vertaling van een keuze uit de teksten: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed. De vroegste Arabische verhalen, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000 (de uitgave van 1980 is verouderd). Deels ook in Al-Tabarī: Engelse vert.: E. Yarshater (uitg.), The history of al-Tabarī. An annotated translation, 39 dln., Albany 1985–1999, dl. 6 en 7. 

– Ma‘mar ibn Rāshid (gest. 770). Even oud als Ibn Ishāq, maar een iets ander geluid. Engelse vertaling: Sean W. Anthony, The Expeditions. An Early Biography of Muhammad, New York University Press 2015.

– Al-Wāqidī (gest. 822), vert. Rizwi Faizer en Abdulkader Tayob, The Life of Muhammad, al-Wāqidī’s Kitāb al-Maghāzī, New York 2011.

– Ibn Sa‘d (gest. 845), Kitāb al-Tabaqāt al-Kabīr deel 1 en 2, vert. S. Moinul Haq, Pakistan Historical Society 1967 en 1972 (Er bestaan reprints van).

Voor de latere sīra-werken →Schöller, Exegetisches Denken, 64–70 en →Kister, Sīrah, 366–7.

Wie het echt niet kan laten, kan ook Ibn Kathīr (± 1300–1373) in vertaling lezen: The Life of the Prophet Muhammad, 4 dln., vert. Trevor Le Gassick, Reading 1998–2000.

Ibn Ishāq of Ibn Hishām?

Misschien is het goed de eeuwige verwarring tussen die beide heren in het kort nog eens op te helderen. De belangrijke auteur is Ibn Ishāq (gest. 767). Diens boek bestaat niet meer, maar er zijn afschriften en uittreksels bewaard, waarvan er twee in vertaling toegankelijk zijn:
1. De bekendste is ‘Abd al-Malik ibn Hishām (gest. ± 830), die er zelf ook uitvoerige noten aan heeft toegevoegd, maar ook enkele episodes heeft weggelaten die hij ongepast vond. 
2. De Pers al-Tabarī (gest. 923) heeft in zijn omvangrijke geschiedwerk Ta’rīkh al-rusul wal-mulūk aanzienlijke delen van Ibn Ishāq’s werk overgeleverd. Zijn versie is verwant aan die van Ibn Hishām, maar korter.  
Uitgebreider hierover in deze tekst.


– Hadithcollecties

Verscheidene hadith-verzamelingen hebben een maghāzī-rubriek, d.w.z. een hoofdstuk over de krijgstochten van de profeet, maar ook over de biografie in het algemeen; zo bij voorbeeld de collecties van →Ibn Abī Shayba (Musannaf, xiv, 283-601) en →al-Bukhārī (Sahīh, Maghāzī). De hierboven genoemde Ma‘mar ibn Rāshid biedt ook hadithen, maar  zijn collectie vormt een apart tekstblok met een zekere mate van compositie, wat in de andere collecties niet het geval is; daarom heb ik hem bij de sīra-werken opgenomen. Verder komen sīra-fragmenten overal verspreid in hadithcollecties voor; helaas veelal juist in collecties die niet vertaald zijn. Veel verhalen die in de vroegste bronnen geen of slechts een gebrekkige overleveringsketen (isnād) hadden, werden salonfähig gemaakt door ze van zo’n keten te voorzien en konden zo in de zog. ‘canonieke’ hadithcollecties voor de vergetelheid gered worden. Hadith is meestal niet zo geneigd tot vertellen, maar concentreert zich vooral op wat toegestaan, verboden of ethisch aanbevelenswaardig is. Sīra-elementen kunnen daarom in de Hadith gede- of gerecontextualiseerd worden. Het is bij voorbeeld interessant te zien hoe het gebruik van een tandenstokje door de profeet op zijn sterfbed (→Ibn Ishāq, Sīra, 1011; vert. 250) in de hadith veranderde van een klein vertelelementje in een voorbeeld voor het leven van alledag (→Bukhārī, Sahīh, Maghāzī 83 en Djum‘a 9, en →Raven, Chew stick). Maar er zijn ook hadithen die eruit zien alsof ze een biografisch elementje bevatten, die echter in werkelijkheid van meet af aan als grondslag voor een rechtsregel bedoeld waren. Ik reken daartoe bij voorbeeld het materiaal over Māriya de Koptische, een slavin die door een christelijke heerser, de Muqawqis van Alexandrië, aan de profeet zou zijn geschonken en de moeder werd van zijn jong gestorven zoontje. Over deze Ibrāhīm staat hier iets; over zijn moeder Māriya hier

BIBLIOGRAFIE
De bronnen in het Arabisch
– Al-Bukhārī: Sahīh al-Bukhārī, uitg. Krehl/Juynboll, Leiden 1862–1908 [Dl. 4. is goed bruikbaar, de andere matig. Er bestaan ettelijke andere uitgaven; de meeste zijn slordig].
– Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd al-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeldt. 2 Bde., Göttingen 1858-60.
– Ibn Isḥāq:, de versie van al-‘Utāridī: Sīrat Ibn Ishāq al-musammā bi-Kitāb al-mubtada’ wal-mab‘ath wal-maghāzī, uitg. M. Hamīd Allāh, Rabat 1976, herdrukt Konya 1981 (een mindere uitgave: Ibn Ishāq, Kitāb al-Siyar wa-l-maghāzī, ed. S. Zakkār, Beirut 1978).
– Ibn Isḥāq in Al-Tabarī, [Ta’rīkh al-rusul wal-mulūkAnnales, uitg. M.J. de Goeje et al., 14 dln., Leiden 1879–1901. In deze editie hier online (volledig?); in een no name editie hier. Engelse vertaling: E. Yarshater (uitg.), The history of al-Tabarī. An annotated translation, 39 dln., Albany 1985–1999.
– Ibn Sa‘d (gest. 845), Kitāb al-Tabaqāt al-Kabīr, uitg. E. Sachau e.a., Leiden 1904–1921. De biografie staat in deel 1 en 2.
– Ibn abī Shayba, Musannaf, 15 dln., Haydarābād 1966 ff.
– Ma‘mar ibn Rāshid: in ‘Abd al-Razzāq al-San‘ānī, Muṣannaf, 11 dln. + Indexdeel, Beiroet 1973. De biografische teksten van Ma‘mar staan in dl. 5; pdf hier.
– Al-Wāqidī (gest. 822), The Kitāb al-Maghāzī, uitg. Marsden Jones, 3 vols. London 1966.

Secundair
– M. J. Kister, ‘The sīrah literature,’ in: A.F.L. Beeston (uitg.), The Cambridge History of Arabic Literature. Arabic literature to the end of the Umayyad period, Cambridge 1983, 352–67. Ook online.
– Wim Raven, ‘The Chewstick of the Prophet in Sīra and ḥadīth,’ in: Islamic Thought in the Middle Ages. Studies in Text, Transmission and Translation, in Honour of Hans Daiber, Edited by Anna Akasoy and Wim Raven, Leiden/Boston 2008, 593–611. Hier online
– M. Schöller, Exegetisches Denken und Prophetenbiographie. Eine quellenkritische Analyse der Sīra-Überlieferung zu Muḥammads Konflikt mit den Juden, Wiesbaden 1998.

Terug naar Inhoud

Diakritische tekens: Ibn Isḥāq, qiṣṣa, al-Ṣanʿānī, Muṣannaf, Ṣaḥīḥ, Ḥaydarābād

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]