Terugschrikkende profeten

Volgens één van de verhalen over de eerste openbaring aan Mohammed bevond deze zich in retraite op de berg Hirā’ toen de engel Djibrīl (Gabriël) tot hem kwam:

  • In de woorden van de Profeet zelf: Terwijl ik sliep kwam Djibrīl bij mij met een brokaten deken met schrifttekens erop. Hij zei: ‘Lees voor!’ Ik zei: ‘Ik kan niet lezen (mā aqra’u).’ Vervolgens drukte hij daarmee mijn keel zo krachtig toe dat ik dacht dat het de dood was. Toen liet hij me los en zei: ‘Lees voor!’ Ik zei: ‘Ik kan niet lezen.’ Toen drukte hij weer zo hard dat ik dacht dat het de dood was. Toen liet hij me los en zei: ‘Lees voor!’ Ik zei: ‘Wat moet ik dan voorlezen? (mā dhā aqra’u)’ en dat zei ik alleen om van hem af te komen, want ik was bang dat hij het nog eens zou doen. Hij zei: Lees voor in de naam van jouw Heer die geschapen heeft,
 de mens geschapen heeft uit een bloedklomp.
 Lees voor: Zeer edelmoedig is uw Heer, 
die onderwezen heeft het gebruik van de pen, 
de mens onderwezen heeft wat hij niet kende. [koran 96:1–5]
    Dat reciteerde ik; toen liet hij mij los en ging weg, en toen ik ontwaakte was het alsof het in mijn hart gegrift stond.
    Nu was er geen schepsel waar ik een groter hekel aan had dan dichters en bezetenen; ik kon ze niet zien of luchten. En ik dacht: ‘O wee, deze nietswaardige’—hij bedoelde zich zelf—‘is een dichter of een bezetene. Maar dat zullen de Qurayshieten nooit van mij zeggen! Ik zal hoog de berg opklimmen en mij eraf storten; dan heb ik rust.’ Dus ging ik met die bedoeling op weg en toen ik halverwege de berg was hoorde ik een stem uit de hemel die zei: ‘Mohammed! Jij bent de gezant Gods en ik ben Djibrīl.’ Ik keek naar boven, naar de hemel, om te zien wie er sprak, en daar was Djibrīl, in de gedaante van een man, die met zijn voeten naast elkaar aan de einder stond, en hij zei: ‘Mohammed! Jij bent de gezant van God en ik ben Djibrīl.’ Ik bleef naar hem staan kijken, en dat bracht mij van mijn voornemen af; ik ging vooruit noch achteruit. Toen wilde ik mijn gezicht van hem afwenden, maar waar ik ook keek aan de horizon, overal zag ik hem weer. Zo lang bleef ik daar staan, zonder een stap vooruit of achteruit te doen, dat Khadīdja haar boden stuurde om mij te zoeken; zij kwamen tot aan Mekka en gingen weer terug, terwijl ik nog op diezelfde plaats stond. Toen verliet Djibrīl mij. Ik ging terug naar mijn gezin en ging bij Khadīdja zitten, dicht tegen haar aan.

Dit verhaal gaat over wat christelijke theologen een ‘roepingsvisioen’ noemen. Van verscheidene profeten wordt in het Oude Testament beschreven hoe zij zeggen de taak waartoe God hen roept niet aan te kunnen.
Mozes wordt opgedragen zijn volk uit Egypte naar het land Kanaän over te brengen. Hij heeft een aantal uitvluchten, en voert tenslotte aan: ‘Neem mij niet kwalijk Heer, maar ik ben geen goed spreker. […] Ik kan nooit de juiste woorden vinden’ (Exodus 4:10).
Jesaja ziet een ontzagwekkend visioen van de Heer, omgeven door twee serafs. Hij roept uit: ‘Wee mij! Ik moet zwijgen, want ik ben een mens met onreine lippen…’ (Jesaja 6:5).
Jeremia zegt bij zijn roeping: ‘Nee Heer, ik kan het woord niet voeren, ik ben te jong’ (Jeremia 1:6).
Ezechiël schrikt ontzettend en werpt zich ter aarde bij het zien van een geweldig visioen (Ezechiël 1–3).

De profeten hebben natuurlijk gelijk; inderdaad kunnen zij hun taak niet zonder meer volbrengen. Maar God maakt hen bereid, sterkt hen, geeft hun zijn woorden in en dan gaat het. Jesaja’s onreine lippen worden gereinigd met een gloeiende kool van het altaar; daarna wil hij wel profeteren. Ezechiël wordt door God opgeheven en wordt een boekrol te eten gegeven; Mohammed krijgt de Schrift bijna letterlijk zijn strot in geduwd. Van zowel Ezechiël (Ez. 3:14–15) als Mohammed wordt verteld dat zij na hun roepingservaring behoorlijk van slag zijn.
Alleen de bijbelse profeet Jona zegt niet dat hij geen profeet kan zijn, hij weigert het gewoon. God draagt hem op naar Nineve in Irak te gaan, maar hij neemt een schip de andere kant op, met het welbekende gevolg.

Een beetje lastig zijn in het verhaal over Mohammeds roeping de woorden mā aqra’u, hierboven vertaald met: ‘Ik kan niet lezen’— waarbij in die oude tijd lezen altijd neerkwam op: hardop voorlezen, reciteren.
mā aqra’u wordt vaak vertaald met: ‘wat zal ik lezen?’. Uitgesloten is dat niet, maar meer voor de hand ligt daarvoor het Arabische mā dhā aqra’u. Bovendien: in het verhaaltje staat twee maal mā aqra’u en eenmaal mā dhā aqra’u: dat is contrasterend bedoeld.
mā aqra’u is in allerlei vormen van modern(!) gesproken Arabisch een neutraal: ‘ik lees niet/zal niet lezen/ga niet lezen.’ In de schrijftaal was en is dat echter lā aqra’u.
+ imperfectum. Volgens W. Fischer, Grammatik des klassischen Arabisch, Wiesbaden 21987, § 321 “bestreitet mit Impf. den Vorgang oder dessen Möglichkeit: [… ] mā yarāka, ‘er sieht dich gar nicht, kann dich nicht sehen’.” De andere grammatica’s van het klassiek Arabisch hebben niets belangwekkends te melden.

Op grond van dat dunne zinnetje bij Fischer én de bovenstaande bijbelse voorbeelden heb ik in het verhaal over Mohammeds roeping gekozen voor de vertaling: ‘Nee, ik kan niet lezen’.

Terug naar Inhoud

De Mutalammisbrief: een Arabische Uriabrief

Al-Mutalammis was een Arabische dichter, die aan het hof van de christelijke koning ‘Amr ibn Hind (reg. 554–69) in het Iraakse al-Hīra verkeerde. Ook zijn neef Tarafa ibn ‘Abd was daar. Dat was een veel belangrijkere dichter, die echt beroemd is geworden, terwijl Mutalammis maar een klein œuvre had, dat ook nog voor een groot deel handelde over zijn traumatische ervaring met koning ‘Amr en de zog. Mutalammisbrief (sahīfat al-Mutalammis).

Hofdichters hadden indertijd de taak de koning en diens stam te bezingen in lofdichten en diens vijanden of andere minderwaardige personen of stammen uit te schelden in scheld- of smaadgedichten. Soms liep dat echter even anders: wanneer een dichter bij voorbeeld slecht gehumeurd was, een kater had, zichzelf overschatte, in ongenade viel, of als de vorst erg treuzelde met het uitkeren van eregelden werd er ook wel eens een smaaddicht op de goedgunstige heer zelf gedicht. De dichters maakten royaal gebruik van hun vrijheid van meningsuiting en scholden dat het een aard had.
Zo dichtte Mutalammis bij voorbeeld (het lidwoord al- bij zijn naam laat ik verder maar weg):

Een koning die vrijt met zijn eigen moeder en haar personeel. [Van het vele neuken] is hij slap in zijn gewrichten en zijn pik is [dun geworden] als een kohlstift.

Aan de deur nodigt hij iedere smekeling binnen, maar als hij dan met hem alleen is gaat de man als een beest tekeer.1

Qua grofheid doet dit niet onder voor wat in de Nederlandse sociale media aan gescheld circuleert. Maar bij deze oude dichters rijmde het en was het metrum in orde.

De koning was not amused en besloot zich van de beide dichters te ontdoen door hen ver weg te sturen. Wellicht waren ze in al-Hīra te populair om hen ter plaatse te elimineren? Ze werden naar de gouverneur van Bahrayn gestuurd, voor wie ze elk een kennelijk verzegelde brief meekregen, op vertoon waarvan hun allerlei geschenken zouden worden gegeven.

Hij[, Mutalammis,] verkeerde in het gezelschap van ‘Amr ibn Hind, de koning van al-Hīra, hij en Tarafa ibn al-‘Abd, en beiden dichtten ze scheldgedichten op hem. De koning schreef met betrekking tot hen twee brieven aan zijn stadhouder in Bahrayn. Hij liet hun doorschemeren dat hij daarin bevel had gegeven, hun beloningen te geven, maar in werkelijkheid beval hij hen ter dood te brengen.
Ze gingen op weg, en toen ze in Nadjaf gekomen waren kwamen ze langs de weg een oude man tegen, die tegelijkertijd urineerde, een stuk brood at, en de luizen uit zijn kleren haalde en platsloeg.
Mutalammis zei: ‘Zo’n domme ouwe vent heb ik nog nooit gezien.’ ‘Hoezo?’ vroeg de oude, ‘ik verwijder wat lelijks, ik breng iets goeds naar binnen en ik dood een vijand. Veel dommer is iemand die zijn eigen doodvonnis meedraagt.’
Al-Mutalammis bekroop nu de twijfel, om wat hij had gezegd. Er kwam een jongeman uit al-Hīra langs en aan hem voeg Mutalammis: ‘Kun jij lezen, jongen?’ ‘Ja,’ antwoordde hij, waarop hij het zegel verbrak en de brief aan de jongen overhandigde. Er stond in: ‘Als Mutalammis bij je komt, hak hem dan zijn handen en zijn voeten af en begraaf hem levend.’ Toen zei hij tegen Tarafa: ‘Geef hem ook jouw brief te lezen; bij God, daar staat vast hetzelfde in.’ Maar Tarafa zei: ‘Nee, mij durft hij zoiets niet aan te doen.’
Al-Mutalammis gooide zijn brief in de rivier, met de woorden: ‘Daarmee gooi ik ook mijn huis weg,’ en hij vertrok naar Syrië. Maar Tarafa trok verder naar Bahrayn [en werd ter dood gebracht].
Zo werd de ‘Mutalammisbrief’ spreekwoordelijk.2

Bij ons heet zo’n brief die de overbrenger ervan onheil brengt een Uriabrief, naar het bijbelse verhaal over koning David en Bathseba (2 Samuel 11: 14–17). David zag vanaf het paleisdak hoe zijn buurvrouw Bathseba een bad nam en voelde zich zeer tot haar aangetrokken. Haar man Uria diende als soldaat in zijn leger. Hij was een Hethiet: een buitenlander dus, maar een goed geïntegreerde (2 Sam. 11:11). Van het een kwam het ander: Bathseba raakte zwanger van de koning; haar man rook lont en wilde niet meer naar haar terug. Nu gevoelde de koning de behoefte Uria uit de weg te ruimen, zodat hij met haar kon trouwen. Hij stuurde hem naar zijn opperbevelhebber met een brief, waarin deze bevel kreeg Uria bij een veldslag zodanig aan het front op te stellen dat hij zou sneuvelen. Zo gebeurde het, en zo had David de weg vrijgemaakt voor zijn huwelijk met de weduwe—uiteraard na een passende periode van rouw.

Als U nog een klassieke opleiding hebt genoten spreekt U misschien eerder van een Bellerophontische brief. Bellerophon werd namelijk door Proteus naar koning Iobates van Lycië gestuurd met een verzegelde opdracht om hem te doden. Maar de koning had er geen zin in en stuurde hem uit om het vuurspuwende monster Chimaera te doden, in de hoop dat dat zijn ondergang zou worden. Hier miste de brief zijn volle uitwerking, want Bellerophon slaagde er natuurlijk wel degelijk in, dat monster te vernietigen..

En anders herinnert U zich misschien wat de beide detectives Jansen en Jansens overkwam in de Chinese stad Hou Kou. Zij hadden een introductiebrief voor de plaatselijke politiecommissaris, die zij echter kwijt raakten en die door Kuifjes vriend Tchang was vervangen door een brief waarin in het Chinees te lezen stond: ‘Indien u niet bemerkt hebt dat wij twee gekken zijn, dan is dit daarvan het officieel bewijs.’ De commissaris moest erg lachen en liet ze de deur uit gooien.3

Vreemd is dat Mutalammis en Tarafa in het verhaal blijkbaar niet konden lezen, terwijl ze dat van een willekeurige jongen op straat wel meenden te kunnen verwachten. Of zouden de vertellers ervan uit zijn gegaan dat de brieven in het Pahlavi of Aramees waren geschreven? Maar al-Hīra was toch juist een Arabisch koninkrijk? Hoe dan ook: een Uriabrief moet goed verzegeld zijn of in een vreemde taal zijn gesteld, of beide.

Zonder twijfel wemelt het in de wereldliteratuur van de Mutalammis-, Uria-, of Bellerophonbrieven. De benaming Uriabrief is vooralsnog het meest passend, want het verhaal over Uria lijkt het oudst. De oudste versie van het Hebreeuwse boek Samuel dateert immers van de vijfde of zesde eeuw voor Christus. Of zou er nog een Egyptische of Babylonische voorloper zijn?

EXCURS: NOG NIET HELEMAAL AF
Geen Uriabrief, maar wel wat Uria ziet David Powers4 in de verhalen over Zaid, de geadopteerde en later, na de opheffing van het adoptieprincipe, weer ‘ontzoonde’ zoon van de profeet Mohammed, die echter toch een zeer hoge positie in de vroege elite bleef innemen. De parallel loopt als volgt:
Uria was een soldaat uit het buitenland, Zaid was oorspronkelijk een slavenjongen uit Noord-Arabië geweest. David begeert de vrouw van zijn soldaat; Mohammed begeert de ex-vrouw van zijn (ex-)zoon. David schrijft de Uriabrief die diens sneuvelen aan het front tot gevolg heeft; Mohammed zet zijn legeraanvoerder Zayd in de eerste linie bij een veldslag die wel verloren móest worden zodat ook hij omkomt.
Maar de overeenkomst is toch niet heel groot. Er is geen brief, en Zayd was ‘al klaar’ met die vrouw toen Mohammed zin in haar kreeg; dat staat duidelijk in koran 33:37.
Wat er aan Uria-achtigs overblijft is de welhaast geplande of tenminste voorziene dood van Zayd als eerste legeraanvoerder in de slag bij Mu’ta, bij de Dode Zee. Die slag is buitengewoon onhistorisch (Een langere tekst over die slag hier). Drieduizend moslims zouden daar tegenover een overmacht van honderdduizend Romeinen gestaan hebben, die werden aangevoerd door niemand minder dan keizer Heraclius persoonlijk. Geen wonder dus dat die slag door de Arabieren werd verloren. Er stierven aan Arabische kant slechts acht of negen man, waaronder drie legeraanvoerders, wat merkwaardig is. De dood van die drie aanvoerders (Zayd, Dja‘far ibn abī Tālib en ‘Abdallāh ibn Rawāḥa) was door Mohammed bijna ‘gesuggereerd’:

In de maand djumādā al-ūlā van het jaar 8 [629] stuurde de Profeet een leger naar Mu’ta, onder commando van Zayd ibn Hāritha. Als Zayd zou sneuvelen zou het bevel aan Dja‘far ibn abī Tālib; als ook deze zou vallen, zou ‘Abdallāh ibn Rawāha het commando overnemen.5

Later, of volgens een bron juist terwijl de slag woedde, zag Mohammed het voor zijn geestesoog precies zo als hij had voorzegd. @CITAAT VOLGT@6 Toen ze alle drie gesneuveld waren nam de later zo beroemde Khālid ibn al-Walīd het bevel over.


Het is natuurlijk niet zo dat Mohammed zelf die bevelhebbers in recordtijd de dood in heeft gejaagd; dat deden verhalenvertellers heel veel later. Toen de vroege islamitische geschiedenis werd opgezet, zo vanaf 700, waren bepaalde personen blijkbaar ongewenst en moesten op de een of andere manier uit het verhaal weggeschreven worden; ongeveer zoals in de Sovjet-Unie bepaalde personen van officiële foto’s werden weggeretoucheerd. Die zogenaamde slag bij Mu’ta kon dienen om ze op te ruimen. Zayd moest dood nog voordat Mohammed stierf; niet vanwege een vrouwengeschiedenis, maar omdat hij als (ex-)zoon bij de opvolging van de profeet dwars had kunnen liggen. Dat heeft dus weinig met Uria te maken. Maar Powers voert altijd alle bijbelse parallellen en associaties in de sira-verhalen aan, en dat is wel een goede zaak, want er staat veel bijbels in de sira.

NOTEN
1. K. Vollers, Die Gedichte des Mutalammis, Arabisch und Deutsch, Leipzig 1903, 38/13, 14; kāmil –di). Poëzie poëtisch vertalen kan ik niet, maar U krijgt zo toch een indruk.

مَلِكٌ يُلاَعِبُ أُمَّهُ وَقَطِينَهَا * رِخْوُ المَفَاصِلِ أَيْرُهُ كَالمِرْوَدِ
بالبابِ يَطْلُبُ كُلَّ طَالِبِ حَاجَةِ  *  فَإذَا خَلَا فَالمَرْءُ غَيْرُ مُسَدَّدِ

2. Ibn Qutayba, al-Shi‘r wal-shu‘arā’, uitg. Aḥmad Muḥammad Shākir, 2 dln. Cairo 1966, i, 181–2.

وكان ينادم عمرو بن هند ملك الحيرة، هو وطرفة بن عبد فهجواه، فكتب لهما إلى عامله بالبحرين كتابين، أوهمهما أنه أمر لهما فيهما بالجوائز، وكتب اليه يأمره بقتلهما. فخرجا حتى إذا كانا بالنجف، إذا هما بشيخ على يسار الطريق، يُحدِث ويأكل من خبر في يده، ويتناول القمل من ثيابه فيقصعه. فقال المتلمس: ما رأيت كاليوم شيخًا أحمق. فقال الشيخ: وما رأيتَ من حمقي؟ أُخرج خبيثاً وأْدخل طيباً وأقتل عدواً، أحمق مني والله من حامل حتفه بيده. فاستراب المتلمس يقوله، وطلع عليه غلام من أهل الحيرة، فقال له المتلمس: أتقرأ يا غلام؟ قال: نعم. ففكّ صحيفته ودفعها إليه، فإذا فيها: أما بعد، فإذا أتاك المتلمس فاقطعْ يديه ورجليه وادْفنه جيَّا. فقال لطرفة: ادفع إليه صحيفتك يقرأها، ففيها والله ما في صحيفتي. فقال طرفة“ كَلاّ، لم يكن ليجترئ عليَّ. فقذف المتلمس يصحيفته في نهر الحيرة وقال: قدفت به البيت، وأخذ نحو الشأم. وأخذ طرفة نخو البحرين.
فضُرب المثل بصحيفة المتلمس.

3. Hergé, De avonturen van Kuifje. De Blauwe Lotus, uitg. Casterman, 1947, blz. 46–47.
4. David S. Powers, Zayd, Philadelphia 2014, zie Subject Index onder Uriah the Hittite.
5. Ibn Ishāq (704–767): Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 791; vertaling: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 202.
6.

Diacritische tekens: al-Ḥīra, Ṭarafa ibn ʿAbd, ṣaḥīfat al-Mutalammis, Baḥrayn, Djaʿfar ibn abī Ṭālib, ʿAbdallāh ibn Rawāḥa, Ibn Isḥāq

Terug naar Inhoud

Aisja, een geval van accommodatie

Ja hoor, er kwam weer zo’n vraag binnen: ‘Wat zegt de Koran over Aisja?’1 Niets, geachte lezers, helemaal niets.2 Maar moslims hebben sinds eeuwen gemeend toch iets over haar in de Schrift te kunnen lezen. Koran 24:11 bij voorbeeld zou zelfs over haar geopenbaard zijn:

Zij die de leugen hebben verbreid zijn slechts een kleine groep onder u. Beschouwt het niet als iets slechts voor u, neen, het is juist iets goeds. Ieder van hen wordt de zonde die hij begaan heeft aangerekend, maar de grootste boosdoener wacht een ontzaglijke straf.

En eigenlijk horen de volgende verzen daar nog bij:

Hadden de gelovige mannen en vrouwen, toen jullie het hoorden, maar iets goeds bij zich zelf gedacht. […] Toen jullie elkaar napraatten en oppervlakkig spraken over iets waarover jullie niets wisten, en dat jullie onbelangrijk vonden, terwijl het toch bij God zwaar weegt. [Koran 24:12–15]

Ziet U hier iets over Aisja? In geen velden of wegen. Hier iets over haar te lezen lukt alleen als U een heel verhaal op de koop toe neemt, namelijk dat van de ‘leugen’ (al-ifk), dat dateert van decennia na de koran en niet teruggaat op de profeet, zoals dat bij hadithen graag wordt gezien, maar op verschillende vertellers. Dat verhaal loopt alsvolgt: Aisja blijft tijdens een reis even achter. De karavaan vertrekt zonder te bemerken dat zij ontbreekt. Zij wordt terugbezorgd door een man, en dadelijk circuleert het gerucht dat deze de situatie misbruikt heeft. Een lastercampagne komt op gang, die zelfs de profeet niet onberoerd laat: hij negeert Aisja een tijdlang. Het verhaal zelf vindt U hier. Tenslotte komt alles nog goed, doordat God zelf ingrijpt en de bovenstaande koranverzen openbaart, waardoor Aisja van schuld wordt vrijgepleit en de schuldigen straf wordt aangezegd. Dit alles ‘weten’ we dus uit dat verhaal, dat niet uit de koran stamt, maar uit de profetenbiografie. Het wordt eeuw in, eeuw uit in korancommentaren en profetenbiografiën herhaald, maar omdat de schrijvers daarvan slechts gewone mensen waren — heiligen of kerkvaders kent de islam niet — is niemand eraan gebonden.

Als er veel korantekst in een verhaal zit zijn er grof gezegd twee mogelijkheden. 1. De korantekst staat centraal en het verhaal dient om die korantekst te verklaren. Dat heet koranexegese of tafsīr. 2. Er was eerst een verhaal en om dat overtuigender of stichtelijker te maken worden daar koranverzen in aangebracht; verzen die oorspronkelijk misschien heel ergens anders over gingen. Dat heet ‘koraniseren’.
In ieder geval zal de korantekst tenminste enkele tientallen jaren ouder zijn dan het verhaal.

Het verhaal over Aisja’s onschuld diende om een lastercampagne over haar onkuisheid te ontkrachten. Waarom zou iemand de bloedjonge vrouw van de profeet willen bezwadderen, een of twee jaar na hun huwelijk? Dat moet pas veel later zijn gedaan, met terugwerkende kracht, toen de profeet allang dood was en toen Aisja politiek actief was en in conflict met kalief ‘Alī (reg. 656–661). De auteur(s) doen overdreven veel moeite om de onschuld van Aisja aan te tonen en ze trekken daarbij alle registers open, ook koranische, want die klinken heerlijk vroom. Een oorspronkelijk verband tussen het verhaal en die koranverzen zie ik niet. De koran is erbij gesleept.

Aisja is lang niet het enige onderwerp waarover moslims graag iets in de koran hadden gelezen en dat uiteindelijk ook doen.2

———–

Mulier amicta sole

Mulier amicta sole

Ik was benieuwd of christenen ook zulke gevallen kennen en inderdaad, bij de Maagd Maria, de topvrouw van de christenen, was het meteen raak. Over haar staat wel iets in de bijbel (het bekende ‘kerstverhaal’ plus nog enkele andere snippers), maar voor de miljoenen echte Maria-vereerders was dat blijkbaar niet genoeg. Men heeft dus een aantal bijbelteksten geherinterpreteerd om aan hun verlangens te voldoen. In Openbaring 12:1 is bij voorbeeld sprake van ‘een vrouw bekleed met de zon, met de maan onder haar voeten en een krans van twaalf sterren op haar hoofd.’ 3 Zij is hoogzwanger en een zevenkoppige draak staat al te wachten om haar kind te verslinden, maar dat wordt gered en naar de Heer gebracht. Je zou hierbij inderdaad even aan de moeder Gods kunnen denken, want dat kind is ‘een zoon, die alle volken met een ijzeren herdersstaf zal hoeden,’ en die ijzeren staf is vlgs. 19:14 ook het attribuut van Christus. Maar dan had de auteur van de Openbaring wel een heel andere visie op Jezus en zijn moeder dan de evangelisten. Misschien had hij eerder Eva, of de vrouw in het algemeen in zijn hoofd: al in Genesis 3:15 wordt immers de strijd tussen de slang en de vrouw en haar nageslacht voorzegd.4

Turris davidica

Turris davidica

Nog vergezochter is het, Maria te ontdekken in Hooglied 4:4, waar ‘Salomo’ over zijn geliefde dicht: ‘Je hals is als de toren van David (turris davidica) die in ringen is gebouwd, die met schilden is behangen, met wel duizend schilden van helden.’5 Dat wordt door de katholieke Christenheid ook op Maria betrokken. Ieder verband met de pas eeuwen later levende moeder van Jezus lijkt hier ver te zoeken. De behoefte aan bijbelverzen over haar was blijkbaar zo enorm dat ook dit vers voor het gewenste doel kon worden aangewend. Dat heet accomodatie: een dogmatisch correcte en liturgisch bruikbare toepassing van een schriftwoord of een heilige persoon of zaak, die echter geen steun vindt in de tekst. Het punt van vergelijking is in dit geval blijkbaar de stevigheid van een toren en de bescherming die ervan uitgaat.

Een geval van accomodatie waar ook de protestanten aan meedoen is in de woorden: ‘… Gods wind/geest(?) zweefde over het water’ (Genesis 1: 2)6 de Heilige Geest, het derde lid van de Heilige Drieëenheid/Drievuldigheid, te ontdekken.

Zonder twijfel bestaan er nog veel meer bijbelverzen waarin men heel andere onderwerpen zonder steun van de tekst behandeld heeft gezien.

Moslims en christenen hebben verschillende werkwijzen, maar allen bedienen zij zich vrijmoedig bij hun heilige schrift, wanneer zij daarin iets willen lezen dat er niet in staat. Tot de eigenschappen van heilige schriften behoort, dat zij schier oneindig rekbaar zijn, tot ver buiten de grenzen van hun tekst.

NOTEN
1. Naar verluidt was Aisja de lievelingsvrouw van de profeet Mohammed. Zie over haar hier en hier en hier.
2. Er staat heel veel niet in de koran; zie daarover hier
3. Mulier amicta sole et luna sub pedibus eius et in capite eius corona stellarum duodecim. Het oorspronkelijke Grieks kunt U natuurlijk ook krijgen: γυνὴ περιβεβλημένη τὸν ἥλιον, καὶ ἡ σελήνη ὑποκάτω τῶν ποδῶν αὐτῆς, καὶ ἐπὶ τῆς κεφαλῆς αὐτῆς στέφανος ἀστέρων δώδεκα, maar zulke dingen klinken in het Latijn vaak veel beter.
4. En de woorden ‘haar nageslacht’ (τοῦ σπέρματος ἀυτῆς, de semine eius) worden weer opgepakt in Openbaring 12:17.
5. Sicut turris David collum tuum, quae aedificata est cum propugnaculis: mille clipei pendent ex ea, omnis armatura fortium. כְּמִגְדַּל דָּוִיד צַוָּארֵךְ, בָּנוּי לְתַלְפִּיּוֹת; אֶלֶף הַמָּגֵן תָּלוּי עָלָיו, כֹּל שִׁלְטֵי הַגִּבֹּרִים.
6. וְרוּחַ אֱלֹהִים, מְרַחֶפֶת עַל-פְּנֵי הַמָּיִם, et spiritus Dei ferebatur super aquas.

Terug naar Inhoud

De zwaarden van Jezus

Er wordt vaak een tegenstelling opgebouwd tussen het christendom als vredelievende en de islam als oorlogszuchtige godsdienst. Dit is om te beginnen onzin, omdat godsdiensten geen levende wezens zijn die ergens van kunnen houden of ergens een hekel aan hebben. Maar ook ligt er een wat eenzijdige visie op Jezus aan ten grondslag. Deze prediker uit het Noorden van Palestina was kennelijk ook aanvoerder van een troepje gewapende rebellen. Omdat het niets werd met de opstand en de gewelddadige actie beperkt bleef tot een keertje reltrappen in de tempel1 en het afslaan van welgeteld één oor,2 zijn Jezus’ aanhangers, toen hij zelf op smadelijke wijze ter dood was gebracht, de vlucht naar voren ingeslagen en hebben voortaan alleen nog maar zijn woorden, wonderdaden en vredelievendheid benadrukt. Maar het Nieuwe Testament bevat nog sporen van die oorspronkelijke agressiviteit: Jezus kwam ‘niet om vrede te brengen, maar het zwaard’3 en hij komt nog eens terug ‘met een ijzeren herdersstaf’.4 Vreemd is de passage in het evangelie van Lucas, die ik hier laat volgen in de Nieuwe Bijbelvertaling:

  • Daarna zei hij tegen hen: ‘Toen ik jullie uitzond zonder geldbuidel, reistas en sandalen, kwamen jullie toen iets tekort?’ ‘Niets!’ antwoordden ze. Hij zei: ‘Maar wie nu een geldbuidel heeft, moet die meenemen, evenals zijn reistas, en wie er geen heeft moet zijn mantel verkopen en zich een zwaard aanschaffen. Want ik zeg jullie: wat geschreven staat moet in mij tot vervulling komen, namelijk: “Hij werd gerekend tot de wettelozen.” Inderdaad, nu wordt voltrokken wat over mij gezegd is.’ Ze zeiden: ‘Kijk Heer, hier zijn twee zwaarden.’ Maar hij zei tegen hen: ‘Genoeg hierover!’5

Die laatste zin bevalt mij niets. Het Grieks erbij gehaald en ziedaar: het ‘maar’ is niet nodig; Ho de eipen: ja, het woordje de kán, maar hoeft niet ‘maar’ te betekenen. Het kwam in het voorafgaande al twee maal voor, waar het niet met ‘maar’ werd vertaald. De tegenstelling is hier door de vertalers aangebracht. Hikanon estin betekent gewoon ‘het is genoeg’. De aangeboden vertaling is al een christelijke interpretatie. Onmiddellijk na de vermelding van ‘twee’ ligt het meer voor de hand te denken aan: ‘dat is genoeg,’ dus: twee is genoeg.

Nu komt u misschien meteen aan met de stoomwals van twintig eeuwen christelijke exegese, die ook in de vertaling doorwerkt, en zegt dat deze passus juíst wil laten zien hoe Jezus zich distantieerde van geweld en de weg naar vrede en liefde insloeg; amen!
We blijven echter zitten met de merkwaardige inconsequentie in de passage. De jongens krijgen eerst opdracht zwaarden aan te schaffen, zelfs als dat ten koste van hun winterkleding gaat. Dan zeggen ze: kijk, we hebben er [al/pas?] twee, en daarop zegt Jezus ineens: dat is genoeg.
Hier klopt iets niet. Je zou verwachten: dat is niet genoeg. Wat is nou twee zwaarden? De grotere knokploeg van Judas blijkt er later ook meer te hebben, en nog knuppels bovendien.6 En als twee genoeg was, waartoe dan die dramatische aansporing om zelfs de jassen te verkopen? Is de tekst corrupt? Nee, volgens de gangbare tekstcritische editie van het Nieuwe Testament zijn álle handschriften het eens over de lezing ‘het is genoeg’. Het is niet gepast om tegen alle handschriften een andere lezing te willen doorzetten, dus daar moet het bij blijven.7
En toch is het raar. Als de aanblik van die povere twee zwaarden voor Jezus ineens, bij gebrek aan perspectief, de aanleiding was om ter plekke van gewapende actie af te zien, dan had de formulering toch een andere kant op moeten gaan: okay, dat wordt niks jongens, we geven het op, we doen het later, of iets dergelijks.

Hoe dan ook, we krijgen een ander beeld van Jezus dan het gangbare vredelievende. Want ook slechts twee zwaarden wijzen op een clubje opstandelingen. Zwaarden waren duur en je moest er nog mee kunnen omgaan ook; de doorsnee Palestijnse burger zal er geen gehad hebben. Wat moest een stel brave luitjes die een boodschap wilden verkondigen met zwaarden?

Zonder twijfel hebben Nieuwtestamentici en oudheidkundigen over deze onderwerpen al honderden boeken volgeschreven, maar die heb ik niet gelezen. Ik maak gebruik van mijn recht die oude teksten als argeloze burger nog eens opnieuw te lezen. U zult misschien zeggen: Wat jij zegt is onzin, zo moet je het niet lezen!
Dat geef ik graag toe hoor. Met dit stukje wilde ik vooral de scheeftrekkende manier nabootsen waarop veel Nederlanders de koran lezen.

NOOT
1. Matteüs 21, 12-13, Marcus 11, 15-19, Lucas 19, 45-48, Johannes 2, 13-22.
2. Matteüs 26:51, Marcus 14:47, Lucas 22:50-51, Johannes 18:10–11.
3. Matteüs 10:34.
4. Openbaring 2:27.
5. Lucas 22:35–38.
6. Matteüs 26:47.
7. ἱκανον ἐστιν. Alleen de Codex Bezae heeft ἀρκει; dat betekent ook ‘het is genoeg’. Nergens staat er ‘het is niet genoeg’. De gebruikte uitgave is Novum Testamentum Graece, cum apparatu critico […] uitg. Barbara en Kurt Aland, Stuttgart 282012.

Terug naar Inhoud

Mohammed: ezelrijder of kameelrijder?

Evenals zijn tijdgenoten zal de profeet Mohammed alle rijdieren hebben gebruikt die ter beschikking stonden en geschikt waren voor een bepaalde afstand: ezels, muilezels, paarden en kamelen.

Na een eerdere bijdrage over de muildieren van de profeet komen nu de ezels aan de beurt. Dezelfde Herbert Eisenstein, die de muildieren van de profeet heeft beschreven, heeft ook diens ezels bestudeerd.1
.
Ya‘fūr
In dezelfde geschenkzending die twee slavinnen en de muilezel Duldul bevatten, bevond zich ook een ezel genaamd ʿUfayr. Verder was er de ezel Ya‘fūr, die hem tesamen met een ander muildier werd geschonken door Farwa ibn ‘Amr. Net als bij de muildieren is de overlevering nogal in de war en worden beide ezels vaak door elkaar gehaald. Volgens een andere overlevering was Ya‘fūr een deel van de oorlogsbuit bij de verovering van de oase Khaybar in 628. Toen de profeet bij die gelegenheid naar zijn naam vroeg zou het dier zelf hebben geantwoord:

  • Ik ben Yazīd ibn Shihāb. God heeft uit de nakomelingschap van mijn voorouders zestig ezels voortgebracht, waarop alleen profeten reden. Ik hoop dat U op mij wilt rijden, omdat er van de nakomelingschap van mijn voorvader niemand meer over is, en van de profeten ook niemand behalve U.
Mohammed en Gabriël

Mohammed en Gabriël

Hij klaagde nog dat zijn vorige eigenaar, een jood, hem vaak sloeg, omdat hij opzettelijk struikelde als hij door hem bereden werd. De profeet gaf hem de nieuwe naam Ya‘fūr en reed vaak op hem. Hij kon hem ook gebruiken als hij een van zijn gezellen wilde laten komen. De ezel klopte dan met zijn kop aan diens huisdeur, waarop de bewoner naar buiten kwam en begreep dat de profeet hem bij zich wilde zien. Het dier zou in 632 na de afscheidsbedevaart van de profeet gestorven zijn. Volgens een nog mooier verhaal zou het op de sterfdag van de profeet van verdriet in een put gevallen zijn — of was het zelfmoord? In ieder geval is zijn sterven op die manier geladen met betekenis: zoals Mohammed de laatste in de reeks der profeten was, zo was Ya‘fūr de laatste profetische ezel.
.
De ezel als profetisch en messiaans rijdier
Een ezel is dus meer dan een rijdier, en vele teksten die Mohammed op een ezel laten rijden doen dat niet zomaar. De islamwetenschapper Suliman Bashear heeft over dit onderwerp een uiterst gedetailleerd artikel geschreven, waaruit ik graag zal putten.2
Al eeuwenlang was de ezel een profetisch rijdier geweest. Ook voor de uit islamitisch oogpunt oude ‘profeten’ Abraham, Mozes en Jezus was de ezel een normaal vervoermiddel. Maar bij de exegese van heilige schriften kunnen er altijd zinvolle verbanden worden gelegd. De auteur van het joodse geschrift Pirqe de Rabbi Eliezer3 bij voorbeeld ziet door de eeuwen heen slechts een en dezelfde ezel — die dus vrijwel onsterfelijk moet zijn geweest.4

  • In de ochtend stond Abraham vroeg op en nam Ismaël und Eliëzer en Isaak, zijn zoon, en zadelde de ezel. Deze ezel was de zoon van de ezelin, die in de avondschemering geschapen werd,5 zoals de Schrift zegt: In de ochtend stond Abraham vroeg op en zadelde zijn ezel […].Dat was ook de ezel waarop Mozes reed toen hij naar Egypte kwam […].7 En dezelfde ezel zal in toekomst door de zoon van David worden bereden, zoals geschreven staat: Juich, dochter Zions; jubel, Jeruzalem! Uw koning komt, een rechtvaardige en een helper; arm, en rijdende op een ezel, op een veulen, een ezelinnenjong. 8

De ezel is dus ook een messiaans dier: de zoon van David is immers de verwachte Messias. De Christenen zijn nog een stap verder gegaan. Voor hen was Jezus de Messias, die bij zijn intocht in Jeruzalem dan ook inderdaad op een ezel gereden moest hebben: Jezus zag een ezel staan en ging erop zitten, zoals geschreven staat: … [volgt ongeveer het vers uit Zacharia ].9

De vroege moslims hebben ijverig de bijbel gelezen en de daar aangetroffen verwijzingen naar de Messias of de Heilige Geest op Mohammed betrokken. Volgens hen moeten christen en joden dus uit hun Schrift geweten hebben dat Mohammed komende was, hoewel ze dat natuurlijk meestal loochenden. Was de bijbel dan van belang voor moslims? Jazeker! Zij of hun vaders waren ook christenen of joden geweest en ze vormden maar een kleine minderheid in de zee van hen die dat nog gebleven waren. Een hadith van de profeet beveelt uitdrukkelijk aan, van de joden over te leveren: haddithū ‘an Banī Isrā’īl. Bovendien namen de moslims bijbelverzen te baat in hun twistgesprekken met christenen en joden. Als de gebruikte teksten niet overeenstemden met de welbekende veranderden ze die — waarbij zij hunnerzijds natuurlijk meenden dat de joden en christenen ze vervalst of verdonkeremaand hadden.
.
De profeet als ezelrijder
Inderdaad bestaat er zoiets als een bijbelvers waarin Mohammed als ezelrijder wordt aangekondigd. Alleen moet u dat niet in de bijbel willen naslaan: het is honderd procent verzonnen, maar sluit in zijn vormgeving enigszins aan bij het hierboven geciteerde vers over de Zoon van David. Bashear10 heeft vier varianten ontdekt, waarvan ik alleen de makkelijkst verkrijgbare hier zal citeren:

  • […] Hij zal verschijnen in Mekka en deze stad [= Medina] zal de woonplaats van zijn hidjra zijn. Hij is de lachende, de dodelijke, die tevreden is met stukjes brood en een paar dadels, die op een ongezadelde ezel rijdt en rood in zijn ogen heeft; tussen zijn schouders is het Zegel des Profeetschaps en hij draagt een zwaard op zijn schouder […].11

.
De profeet als kameelrijder
Talrijker zijn de teksten waarin de verschijning van Mohammed als kameelrijder wordt aangekondigd. Ik citeer er maar één, omdat het anders te lang wordt. Een joodse tegenstander van Mohammed uit de Banū Nadīr herinnerde de joden eraan, dat ze een man met de volgende eigenschappen te verwachten hadden:

  • […] de lachende, de dodelijke, die rood in zijn ogen heeft, die uit het Zuiden komt, die op een kameel rijdt en een mantel draagt, die tevreden is met een stuk brood en zijn zwaard op zijn schouder heeft […]12

Waarom laat men de profeet eerst op een ezel en daarna op een kameel rijden? Als profeet stond Mohammed natuurlijk in dezelfde lijn als Jezus, maar misschien beviel diens messiaanse karakter de moslims niet. Hoewel Jezus in de koran ook Messias (masīh) wordt genoemd is volgens islamitisch geloof de masīh vooral degene die aan het einde der tijden komen zal om tesamen met de  Mahdī de Antichrist te verslaan. Dat wordt over Mohammed niet geloofd. Die was een normale mens, wordt niet voor de  masīh gehouden en moet dus ook geen trekken van deze vertonen.13
Een andere mogelijkheid is dat de auteurs van deze teksten het bescheidene van de ezel niet begrepen of waardeerden en een nobele kameel een profeet waardiger achtten dan een ezel.
Bovendien is de kameel een echt Arabisch dier en daarom passender. Er was ook een godgestuurde kamelin (al-nāqa al-ma’mūra) in Mohammeds leven: het dier waarop hij de hidjra van Mekka naar Medina heeft gemaakt en dat in Medina niet op de plek neerknielde die men hem aanwees, maar ergens waar het zelf besloot dat te doen — uiteraard op goddelijk bevel.
De vele ingewikkelde teksten over dit onderwerp zijn slecht te dateren, maar als de kameel-teksten inderdaad later zijn dan de ezel-teksten, dan heeft de wisseling van rijdier misschien te maken met de arabisering en ‘ontbijbeling’ van de vroege islam, waarover ik hier en hier al had geschreven.13  Een bijbels dier wordt door een echt Arabisch dier vervangen.

Mohammed en Jezus?

Mohammed en Jezus?

In veel teksten wordt zowel van een ezelrijder als van een kameelrijder gesproken. Volgens al-Fārisī (gest. 902), de auteur van een vroege verzameling profetenverhalen, was de bijbelse profeet Jesaja degene die voor voorzeggingen als de hierboven geciteerde verantwoordelijk was:

  • Er werd gezegd dat het Jesaja was, die de zaak van [de aankondiging van] Jezus en Mohammed was opgedragen. Hij zei tot Aelia, dat is een stad nabij al-Bayt al-Maqdis, genaamd Jeruzalem: ‘Verheug u, Jeruzalem: de ezelrijder zal tot u komen (d.i. Jezus); daarna zal de kameelman tot u komen (d.i. Mohammed).” 15

Hier worden in hetzelfde pseudovers uit Jesaja eerst Jezus en dan Mohammed aangekondigd, elk op een passend rijdier. Overigens staat er in Jesaja een echt vers, waarin met wat fantasie sprake is van een ezeldrijver en een kameelrijder: Ziet hij strijdwagens, met paarden bespannen, een troep ezels, een troep kamelen, laat hij dan toezien, nauwlettend toezien.16 Maar het daar voorkomende woord rèkèv , ‘troep ruiters’, werd door deze of gene ook als rokev ‘rijder, rijdend’ in het enkelvoud gelezen; het Hebreeuwse consonantenschrift laat dat toe. Dan zouden er inderdaad een ezelrijder en een kameelrijder aangekondigd zijn.

Er is een wilde woekering van nog veel meer teksten, die Bashear alle uitwerkt. Deze weinige dienen slechts als oriëntering in het onderwerp.

.
Umar als ezelrijder
Was de ezel als profetisch dier met Ya‘fūr uitgestorven, als messiaans dier heeft hij nog even voortgeleefd. ‘Umar, de tweede kalief (reg. 634–44), zou op een ezel van al-Djābiya op de Golanhoogten naar Jeruzalem gereden zijn. Nog afgezien daarvan dat hij waarschijnlijk nooit in Jeruzalem geweest is, is deze afstand zo lang dat een staatshoofd met een drukke agenda daarvoor nooit een ezel zou hebben gekozen. Er zijn inderdaad varianten van het verhaal volgens welke ‘Umar pas bij de Jordaan op een ezel zou zijn overgestapt. Een paard te nemen om indruk te maken op de Romeinen, zoals zijn entourage voorstelde, zou hij uit bescheidenheid uitdrukkelijk hebben geweigerd. De schrijvers van zulke ‘berichten’ zullen zeker het  messiaanse karakter van de ezel en van de intocht in Jeruzalem in hun hoofd hebben gehad. ‘Umar had immers de bijnaam Fārūq, in het Aramees parūqā, wat ‘verlosser’ betekent. ʿUmars rijdier wordt in ettelijke teksten besproken.17 Bij al-Tabarī vinden we tenslotte een compromistekst, volgens welke hij bij drie bezoeken aan Syrië op drie verschillende rijdieren zou hebben gereden: paard, kameel en ezel.18
.
Burāq
Tenslotte was er nog het rijdier Burāq, waarop Mohammed een hemelvaart (mi‘rādj) en een nachtelijke reis naar Jerusalem (isrā’) zou hebben gemaakt. Van dit dier bestaan beschrijvingen:

  • Burāq, het rijdier waarop de vroegere profeten hadden gereden en dat met iedere hoefslag zover kwam als zijn oog reikte, werd bij de profeet gebracht en hij werd erop gezet […].19

In de woorden van de profeet zelf:

  • […] Daar stond een wit rijdier, iets tussen een muildier en een ezel in, met vleugels aan zijn flanken waarmee het zijn achterpoten aandreef, terwijl het zijn voorpoten telkens neerzette tot waar zijn oog reikte. Daar zette hij mij op en hij voerde mij mee en bleef voortdurend dicht bij mij.
    Toen ik naar het dier toeliep om op te stijgen werd het schichtig. Djibrīl legde zijn hand op zijn manen en zei: ‘Schaam je je niet, Burāq, je zo te gedragen? Je bent nog nooit door iemand bereden die hoger aangeschreven stond bij God dan Mohammed.’ Het dier schaamde zich zo dat het zweet hem uitbrak; toen stond het stil, zodat ik kon opstijgen.20

Al-Buraf_Hafifa4816-357Burāq behoort tot de soort der vliegende mythologische viervoeters. Meestal betreft het vliegende paarden (Pegasus; het mongoolse windpaard), maar in India is er ook de vliegende koe Kamadhenu. En nu dus dit tussending tussen ezel en muildier. Van Burāq bestaan er veel afbeeldingen, maar die zijn erg laat ontstaan. Vaak heeft hij een mensengezicht gekregen; in India is er beïnvloeding door genoemde koe geweest.

Hebben deze reizen op Burāq werkelijk plaats gehad of alleen in een droom of visioen? De discussie daarover is al heel oud; ze is al te vinden in de biografie van de profeet door Ibn Ishāq (gest. 767).21 De altijd rationele korancommentator al-Tabarī (gest. 923) meent, dat de reizen wel echt lichamelijk moeten zijn geweest: om alleen een ziel te vervoeren was er immers geen rijdier nodig geweest.22

NOTEN:
1. Eisenstein, Maulesel und Esel, 104–106.
2. Bashear, Riding Beasts on Divine Missions.
3. Pirqe de Rabbi Eliezer 31. Deze tekst uit Palestina dateert van na 700. Hoe bekend hij was in islamitische kring weet ik niet.

השכים אברהם בבקר ולקח את ישמעל ואת אליעזר ואת יצחק בנו וחבש את החמור. הוא החמור בן האתון שנבראת בין השמשות שנא׳ וישכם אברהם בבקר ויחבש את חמורו והוא החמור שרכב עליו משה בבואו למצרים שנאמר ויקח משה את אשתו ואת בניו וגו׳ הוא החמור שעתיד בן דוד לרכוב עליו שנאמר גילי מאד בת ציון הריעי בת ירושלים הנה מלכך יבא לך צדיק ונושע הוא עני ורוכב על חמור ועל עיר בן אתונות.

4. In Koran 2:259 is sprake van een mens (profeet?), die God honderd jaar dood liet zijn en daarna weer opwekte, en zijn ezel eveneens. Een zeer raadselachtig vers, waarin ik mij nu niet wil verliezen.
5. De moeder van deze ezel, die in de avondschemering van de zesde scheppingsdag werd geschapen, was ook de ezelin waarop Bileam reed (Numeri 22:21–23).
6. Genesis 22:3.
7. Exodus 4:20.
8. Zacharia 9:9. Ik heb dit bijbelvers met opzet wat letterlijker vertaald dan ik anders zou doen, om straks de verbanden met andere teksten duidelijk te kunnen maken.
9. Johannes 12:13–15; ook Matteüs 21:1–6; Marcus 11:1–10; Lucas 19:28–35; Matteüs und Johannes verwijzen naar het vers uit Zacharia.
10. Bashear, o.c., 47–51. Bashear beschikte in Jeruzalem over een ongelooflijke bibliotheek, waarbij Europese bibliotheken zouden verbleken — als ze zich nog konden schamen.
11. Al-Madjlisī, Biḥār al-Anwār, volgens Bashear deel xv, 206, maar hij zegt niet in welke uitgave. In dit sji‘itische reuzenwerk kan ik trouwens toch nooit iets vinden. Ik beken, ik heb deze tekst gewoon uit het internet geplukt. Lezers die niet van sjiitische bronnen houden kan ik meedelen dat er ook ettelijke soennitische bestaan.

ان خروجه يكون مخرجه بمكة وهذه دار هجرته وهو الضحوك القتال ، يجتزي بالكسيرات والتمرات ويركب الحمار العاري ، في عينيه حمرة وبين كتفيه خاتم النبوة ، يضع سيفه على عاتقه

12. Al-Wāqidī, Kitāb al-maghāzī, uitg. Marsden Jones, 3 dln., London 1966, i, 367: أتاكم صاحبها الضحوك القتال في عينيه حمرة يأتي من قِبل اليمن يركب البعير ويلبس الشملة ويجترئ بالكسرة سيفه على عاتقه الخ
13. In de woordcombinatie al-masiḥ al-dadjdjāl heeft het woord zelfs een zeer ongunstige klank; het komt overeen met de naam Antichrist bij de christenen.
14. Bashear, o.c., 39–47.
15. R.G. Khoury, Les légendes prophétiques dans l’Islam […] d’après le manuscrit d’Abū Rifā‘a ʿUmāra b. Wāṯīma b. Mūsā b. al-Furāṭ al-Fārisi al-Fasawī, Kitāb bad’ al-Ḫalq wa-qiṣas al-anbiyā’ […], Wiesbaden 1978, S. 300. Ik heb twee kleine tekstveranderingen aangebracht.

وكان يقال ان أشعياء هو الذي عهد الي بني اسرائيل في أمر عيسى س ومحمد ص فقال لإيلياء وهي قرية قريبة من بيت المقدس واسمها أرشلم: ابشرى أرشلم سيأتيك راكب الحمار يعني عيسى س، ثم يأتيك من بعده صاحب الجمل، يعني محمد ص.

16. Jesaja 21:7. De Nieuwe Bijbelvertaling is hier niet letterlijk genoeg. וראה רכב צמד פרשים רכב חמור רכב גמל והקשיב קשב רב־קשב
17. Bashear, o.c., 68–71.
18. Muḥammad ibn Djarīr al-Ṭabarī, Taʾrīkh ar-rusul wa-’l-mulūk (Annales), uitg. M.J. de Goeje et al., Leiden 1879–1901, i, 2401: ‘In totaal is ‘Umar vier maal Syrië binnengereden: de eerste maal te paard, de tweede maal op een kameel, de derde keer heeft hij afgebroken omdat de pest woedde, en de vierde maal op een ezel.’

فجميع ما خرج عمر الى الشأم أربع مرات، فأما الأولى فعلى فرس، وأما الثانية فعلى بعير، وأما الثالثة فقصر عنها أن الطاعون مستعر، وأما الرابعة فدخلها على حمار.

19. Ibn Isḥāq, Sīra: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, hrsg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 263; vertaling: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 79:

أتي رسول الله ص بالبراق – وهي الدابة التي كانت تحمل عليها الأنبياء قبله ، تضع حافرها في منتهى طرفها – فحمل عليها ، ثم خرج به صاحبه.

20. Ibn Isḥāq, o.c. 264; vertaling 80:

… فإذا دابة أبيض ، بين البغل والحمار ، في فخذيه جناحان يحفز بهما رجليه ، يضع يده في منتهى طرفه ، فحملني عليه ، ثم خرج معي لا يفوتني ولا أفوته
وحدثت عن قتادة أنه قال : حدثت أن رسول الله ص قال :  لما دنوت منه لأركبه شمس ، فوضع جبريل يده على معرفته ثم قال : ألا تستحي يا براق مما تصنع ، فوالله ما ركبك عبد لله قبل محمد أكرم عليه منه . قال : فاستحيا حتى ارفض عرقا ، ثم قر حتى ركبته.

21. Ibn Isḥāq, o.c. 264–5;  vertaling 81.
22. Al-Ṭabarī, Tafsīr bij Koran 17:1:

ولا دلالة تدل على أن مراد الله من قوله : { أسرى بعبده } أسرى بروح عبده، بل الأدلة الواضحة والأخبار المتتابعة عن رسول الله  ص أن الله أسرى به على دابة يقال لها البراق؛ ولو كان الإسراء بروحه لم تكن الروح محمولة على البراق، إذ كانت الدواب لا تحمل إلا الأجسام .

BIBLIOGRAFIE:
Bashear, Suliman, ‘Riding Beasts on Divine Missions: An Examination of the Ass and Camel Traditions,’ JSS 37.1 (1991), 37–75.
Eisenstein, Herbert, ‘Die Maulesel und Esel des Propheten,’ Der Islam 62 (1985), 98–107.
Kister, Meir J., ‘Ḥaddithū ʿan Banī Isrāʾīla wa-lā ḥaraja. A Study of an early Tradition,’ in IOS 2 (1972), 215-39; online hier.
Rubin, Uri, The eye of the beholder. The life of Muḥammad as viewed by the early Muslims. A textual analysis, Princeton 1995, vooral S. 35–43.

Diakritische tekens: Yaʿfūr, haddiṯhū, Banū Naḍīr, masīḥ, al-Ṭabarī

Terug naar Hadith: startpunt     Terug naar Inhoud

Stambomen van Mohammed

Genealogie is in elke cultuur een patent middel om de geschiedenis met terugwerkende kracht wat in model te duwen. Ook de oude Arabieren waren er dol op. Wanneer bij voorbeeld een stam door uitsterven of oorlog zo klein werd dat hij niet meer zelfstandig kon voortbestaan, werd hij bij een grotere ingelijfd en veranderde met terugwerkende kracht ook zijn voorgeslacht. Wanneer er een pact gesloten werd ontstonden er stambomen volgens welke de deelnemende stammen altijd al dezelfde voorouders hadden gehad.

Ook van de profeet Mohammed zijn er stambomen. Ik ontdek drie soorten:
– 1. een bijbels georiënteerde stamboom
– 2. een verkorte, ‘ontbijbelde’ stamboom
– 3. panarabische stambomen

1. De oudste, ‘bijbelse’ stamboom van Mohammed bestaat voor de helft uit Hebreeuwse namen, omdat men hem wilde inbedden in het bijbelse verleden. Sommige christenen hadden al eerder een dergelijke behoefte gehad: Matteüs 1:1–17 laat Jezus via David prachtig afstammen van Abraham.1
Ibn Ishāq (704–767) presenteert in zijn biografie (sira) van Mohammed een stamboom die half Arabisch, half bijbels is en via een aantal oude Israëlieten, onder wie de profeet Ibrāhīm, teruggaat tot Adam.

  • Mohammed was de zoon van ‘Abdallāh, de zoon van ‘Abd al-Muttalib, wiens naam was Shayba, de zoon van Hāshim, wiens naam was ‘Amr, de zoon van ‘Abd Manāf, wiens naam was Mughīra, de zoon van Qusayy, wiens naam was Zayd, de zoon van Kilāb, de zoon van Murra, de zoon van Ka‘b, de zoon van Luʾayy, de zoon van Ghālib, de zoon van Fihr, de zoon van Mālik, de zoon van Nadr, de zoon van Kināna, de zoon van Khuzayma, de zoon van Mudrika, wiens naam was ‘Āmir, de zoon van Elias, de zoon van Mudar, de zoon van Nizār, de zoon van Ma‘add, de zoon van ‘Adnān, de zoon van Udd of Udad, de zoon van Muqawwam, de zoon van Nachor, de zoon van Terah, de zoon van Ya‘rub, de zoon van Yashdjub, de zoon van Nābit, de zoon van Ismaël, de zoon van Abraham (Ibrahīm) de vriend van de Barmhartige, de zoon van Terach (dat is Azar), de zoon van Nachor, de zoon van Serug, de zoon van Reü, de zoon van Peleg, de zoon van Eber, de zoon van Selach, de zoon van Arpachsad, de zoon van Sem, de zoon van Noach, de zoon van Lamech, de zoon van Metuselah, de zoon van Henoch (dat is de profeet Idrīs, naar men zegt, maar God weet het het beste; hij was de eerste van de zonen van Adam aan wie het profeetschap en het schrijven met de pen gegeven werden), de zoon van Jered, de zoon van Mahalel, de zoon van Kenan, de zoon van Enos, de zoon van Set, de zoon van Adam.2

2. ‘Ontbijbeling’. In de hadithverzameling van al-Bukhārī (810–870) vinden we in een hoofdstuktitel dezelfde lijst van voorvaders, maar dan eindigend bij ‘Adnān.3 Alle oudtestamentische namen ontbreken daar dus. Een ogenblik zou men kunnen denken dat al-Bukhārī of zijn uitgever de lijst alleen wat heeft verkort omdat die zo veel plaats innam. Maar bij Ibn Sa‘d blijkt dat er achter de verkorting een serieuzere bedoeling stak. Er is namelijk veel over te doen geweest, zoals blijkt uit een aantal hadithen en berichten, waarvan ik er hier drie citeer:4

  • Hishām [al-Kalbī] […] Als de profeet zijn genealogie opsomde ging hij niet verder terug in zijn geslachtslijn dan Ma‘add ibn ‘Adnān ibn Udad; daarna hield hij op, en zei: ‘De genealogen liegen. God zegt: ‘[…] en veel generaties daartussen.’ (Koran 25:38)
  • Ibn ‘Abbās: Als de profeet die bekend had willen maken had hij dat wel gedaan. […] Hij reciteerde: ‘[…] en ‘Ād en Thamūd en degene die na hen kwamen, die alleen God kent. (Koran 14:9) De genealogen liegen.’
  • Hishām [al-Kalbī] zegt: Mukhbir heeft van mijn vader gehoord, maar ik niet, [cursivering van mij; volgt een geslachtslijn vanaf Ma‘add die eindigt bij] … Kedar, de zoon van Ismā‘īl, de zoon van Ibrāhīm.

Het had aanvankelijk een goed idee geleken, de profeet te laten wortelen in de bijbelse oertijd. Zo kon hij ook voor christenen en joden legitiem schijnen. Maar een eeuwtje later wilde men juist weer af van alles wat joods en christelijk was (isrā’īlīyāt), en ondernam men al het mogelijke om die oude namen weer weg te werken. Die ‘ontbijbeling’ is over de gehele linie waar te nemen; niet alleen bij de genealogie.

3. Panarabische stambomen. Wanneer van stamboom nr. 1 de bijbelse namen zijn geschrapt blijft er één Arabische geslachtslijn over, die de profeet via de stam Hāshim met de oervader ‘Adnān verbindt. Maar was Mohammed niet de profeet van alle Arabieren? Hier brengen de geslachtsregisters in de vrouwelijke lijn uitkomst. Ibn Sa‘d5 biedt eerst een opsomming van ‘de moeders van de profeet’. In deze stamboom wordt de moeder van de profeet genoemd, dan haar moeder, en die haar moeder, enzovoort. Bij elk van die vrouwen worden dan haar vader, haar grootvader en verdere voorvaderen opgesomd. Enkele bladzijden verder heeft Ibn Sa‘d6 geslachtslijsten van ‘de moeders van de voorvaders van de profeet’, die net zo zijn gestructureerd. Nog meer namen, nog meer stammen. Ik word altijd een beetje iebel van al die stamnamen en druk die bladzijden van Ibn Sa‘d hier maar niet af. Ze zijn alleen genietbaar voor specialisten. Maar de indruk die deze lectuur blijkbaar wil nalaten is dat de profeet via de vrouwen afstamde van ongeveer alle stammen van het Arabisch Schiereiland. Hetzelfde had ook Edmund Leach bij de stamboom van de bijbelse Salomo geconstateerd: verbreding van het voorgeslacht via de vrouwelijke linie om de legitimiteit te vergroten.7 

We zijn hier getuige van een proces dat ook *elders is waar te nemen: eerst worteling in de Bijbel om de profeet op één lijn te stellen met de eerdere profeten van joden en christenen; daarna een afstand nemen van alles wat naar joden of bijbel riekt en een steeds verder gaande *arabisering van de islam.

NOOT
1. Overzicht van de afstamming van Jezus Christus, zoon van David, zoon van Abraham. Abraham verwekte Isaak, Isaak verwekte Jakob, Jakob verwekte Juda en zijn broers, Juda verwekte Peres en Zerach bij Tamar, Peres verwekte Chesron, Chesron verwekte Aram, Aram verwekte Amminadab, Amminadab verwekte Nachson, Nachson verwekte Salmon, Salmon verwekte Boaz bij Rachab, Boaz verwekte Obed bij Ruth, Obed verwekte Isaï, Isaï verwekte David, de koning. David verwekte Salomo bij de vrouw van Uria, Salomo verwekte Rechabeam, Rechabeam verwekte Abia, Abia verwekte Asaf, Asaf verwekte Josafat, Josafat verwekte Joram, Joram verwekte Uzzia, Uzzia verwekte Jotam, Jotam verwekte Achaz, Achaz verwekte Hizkia, Hizkia verwekte Manasse, Manasse verwekte Amos, Amos verwekte Josia, Josia verwekte Jechonja en zijn broers ten tijde van de Babylonische ballingschap. Na de Babylonische ballingschap verwekte Jechonja Sealtiël, Sealtiël verwekte Zerubbabel, Zerubbabel verwekte Abiud, Abiud verwekte Eljakim, Eljakim verwekte Azor, Azor verwekte Sadok, Sadok verwekte Achim, Achim verwekte Eliud, Eliud verwekte Eleazar, Eleazar verwekte Mattan, Mattan verwekte Jakob, Jakob verwekte Jozef, de man van Maria. Bij haar werd Jezus verwekt, die Christus genoemd wordt. Van Abraham tot David telt de lijst dus veertien generaties, van David tot de Babylonische ballingschap veertien generaties, en van de Babylonische ballingschap tot Christus veertien generaties.
2. Ibn Ishāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 3; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 23. Het origineel bevat verarabischte vormen van Hebreeuwse namen, die ik hier voor de duidelijkheid maar in de spelling van de Nieuwe Bijbelvertaling geef. Het zijn de nakomelingen van Sem, zoals die genoemd worden in Genesis 11, en namen uit een nog verder verleden (Genesis 5).

محمد بن عبد الله بن عبد المطلب ، واسم عبد المطلب : شيبة بن هاشم واسم هاشم : عمرو بن عبد مناف واسم عبد مناف : المغيرة بن قصي ، ( واسم قصي : زيد) بن كلاب بن مرة بن كعب بن لؤي بن غالب بن فهر بن مالك بن النضر بن كنانة بن خزيمة بن مدركة ، واسم مدركة : عامر بن إلياس بن مضر بن نزار بن معد بن عدنان بن أد ، ويقال أدد، بن مقوم بن ناحور بن تيرح بن يعرب بن يشجب بن نابت بن إسماعيل بن إبراهيم – خليل الرحمن – بن تارح ، وهو آزر بن ناحور بن ساروغ بن راعو بن فالخ بن عيبر بن شالخ بن أرفخشذ بن سام بن نوح بن لمك بن متوشلخ بن أخنوخ ، وهو إدريس النبي فيما يزعمون والله أعلم ، وكان أول بني آدم أعطى النبوة ، وخط بالقلم – ابن يرد بن مهليل بن قينن بن يانش بن شيث بن آدم ص.

3. Bukhārī, Sahīh, Manāqib al-Ansār 28

باب مبعث النبي ص محمد بن عبد الله بن عبد المطلب بن هاشم بن عبد مناف بن قصي بن كلاب بن مرة بن كعب بن لؤي بن غالب بن فهر بن مالك بن النضر بن كنانة بن خزيمة بن مدركة بن إلياس بن مضر بن نزار بن معد بن عدنان ص

4. Alle bij Ibn Sa‘d, Kitāb al-Tabaqāt al-kabīr, uitg. Ihsān ‘Abbās, Beiroet z.j., i, 56.

قَالَت: وَ أَخْبَرَنَا هِشَامٌ قَالَ: أَخْبَرَنِي أَبِي عَنِ أَبِي صَالًِحٍ عَن ابْنِ عَبَّاسٍ أَنَّ النَبِيَّ عليه الصلاة والسلام كَانَ إذَا انْتَسَبَ لَمْ يُجَاوِزْ فِي نَسَبِهِ مَعَدَّ بْنَ عَدْنَانَ بْنِ أُدَدَ ثُمَّ يُمْسِكُ وَيَقُرلُ: “كَذَبَ النَّسَّابُونَ. قَالَ اللهُ تَعَالَى: وَقُرُونًا بَيْنَ ذَلِكَ كَثِيرًا.”
قَالَ : أَخْبَرَنَا قَالَ : أَخْبَرَنَا عُبَيْدُ اللهً بْنُ مُوسَى الْعَبْسِيُّ ، قَالَ : أَخْبَرَنَا إِسْرَائِيلُ ، عَنْ أَبِي إِسْحَاقَ ، عَنْ عَمْرِو بْنِ مَيْمُونٍ ، عَنْ عَبْدِ اللَّهِ : أَنَّهُ كَانَ يَقْرَأُ : وَعَادٍ وَثَمُودَ وَالَّذِينَ مِنْ بَعْدِهِمْ لا يَعْلَمُهُمْ إِلا اللهُ. ” كَذَبَ النَّسَّابُونَ ” .
قَالَ هِشَامٌ : وَأَخْبَرَنِي مُخْبِرٌ ، عَنِ أَبِي ، وَلَمْ أَسْمَعْهُ مِنْهُ أَنَّهُ كَانَ ينسِبُ مَعَدَّ بْنَ عَدْنَانَ بْنِ أُدَدَ بْنِ الْهَمَيْسَعِ بْنِ سَلامَانَ بْنِ عَوْصِ بْنِ يُوزَ بْنِ قَمْوَالِ بْنِ أُبَيِّ بْنِ الْعَوَّامِ بْنِ نَاشِدِ بْنِ حَزَّا بْنِ بِلْدَاسَ بْنِ تَدْلافِ بْنِ طَابِخِ بْنِ جَاحِمِ بْنِ نَاحِشِ بْنِ مَاخِي بْنِ عَبَقَى بْنِ عَبْقَرِ بْنِ عُبَيْدِ بْنِ الدَّعَّا بْنِ حَمْدَانَ بْنِ سَنْبَرِ بْنِ يَثْرِبِيِّ بْنِ نَحْزَنَ بْنِ يَلْحُنَ بْنِ أَرْعَوِيِّ بْنِ عَيْفَى بْنِ دَيْشَانَ بْنِ عَيْصَرِ بْنِ أَقْنَادِ بْنِ أَبْهَامَ بْنِ مَقْصِيِّ بْنِ نَاحِثِ بْنِ زَارِحِ بْنِ شُمِّيِّ بْنِ مَزَى بْنِ عَوْصِ بْنِ عَرَامِ بْنِ قَيْذَرِ بْنِ إِسْمَاعِيلَ بْنِ إِبْرَاهِيمَ صَلَّى اللهُ عَلَيْهِمَا وَسَلَّمَ .

5. Ibn Sa‘d, o.c., i, 59–60.
6. Ibn Sa‘d, o.c., i, 64–66.
7. E. Leach, Genesis as myth, London 1969. Heb het boekje niet bij de hand; zijn blz. 64 wordt geciteerd op blz. 148–49 van D.M. Varisco, ‘Metaphors and Sacred History. The Genealogy of Muhammad and the Arab “Tribe”,’ Anthropological Quarterly, 68, (1995), 139–156.

Diakritische tekens: Ibn Isḥāq, Quṣayy, Naḍr, Ṣaḥīḥ, al-Anṣār, al-Ṭabaqāt, Iḥsān

Terug naar Inhoud

Joodse en christelijke invloed op de biografie van Mohammed

Welke invloed hebben de bijbel en joodse en christelijke literaturen op de biografie van Mohammed gehad?
Enkele opmerkingen vooraf:

  1. Hoewel er al vroeg bijbelvertalingen in het Arabisch moeten hebben bestaan zal een verteller of sīra-schrijver zelden ‘de’ bijbel in zijn huidige vorm ter beschikking hebben gehad. Bovendien circuleerden er omvangrijke joodse en christelijke literaturen om de bijbel heen: apocriefen, midrasjen, legenden enzovoort.
  2. Dat de biografie van Mohammed gebruik maakt van oudere teksten is niet schandalig of afkeurenswaardig, maar doodnormaal. Het Nieuwe Testament had ook zeer uitvoerig gebruik gemaakt van het Oude; het is daarop zelfs geënt. Geen enkele literatuur redt het ooit zonder intertekstualiteit, en in de Oudheid zeker niet.
  3. Een sīra-tekst die gebruik maakt van een bijbels of bijbel-achtig verhaal is volgens mij niet bruikbaar als historische bron over Mohammed. Wel natuurlijk voor de periode en de omgeving waarin het sīra-schrijven plaatsvond, en voor de geestesgesteldheid van de vertellers en hun publiek.
  4. Het was of is niet mijn doel om aan te tonen dat de sīra als serieuze geschiedbron ongeloofwaardig is; mijn ongeloof daaraan is eerder een bijeffect van genotvol lezen. Mij persoonlijk kan het niet schelen wat er vroeger al dan niet echt gebeurd is.

Dit gezegd zijnde maak ik een lijstje van onderwerpen voor deze rubriek, die op den duur aanklikbaar worden.

De aankondiging van Mohammeds komst.
Zijn afstamming
Zijn vroegrijpheid
Trekken van oudere profeten bij Mohammed:
–       Mohammed als herder.
–       Mohammed wijst eerst het profeetschap af.
–       Mohammeds niet-bijbelse dood.
De twaalf discipelen, de twaalf vorsten Israëls. Zie in het kort alvast hier.
Sira-verhalen naar het model van bijbelverhalen en bijbelse legenden:
–       De hemelvaart. Beschrijving van de hemel, het paradijs, de hel.
–       Het Exodus-motief.
–       De slag bij Badr. Ook hier al even kort besproken.
–      Sira-verhalen naar het model van heiligenlegenden. Phemion.

Terug naar Inhoud