Het hijgend hert

U kent waarschijnlijk het beroemde psalmvers, berijmd door Lucretia van Merken (1721–1789):

  • ‘t Hijgend hert, de jagt ontkomen, | schreeuwt niet sterker naar ‘t genot | van de frissche waterstroomen | dan mijn ziel verlangt naar God.

Hier wordt de dorst van het hert in verband gebracht met de vervolgingsjacht waaraan het dier juist is ontsnapt, maar dat is vrije fantasie. De bijbel verklaart de dorst van het hert in het geheel niet, van schreeuwen is geen sprake en zelfs hijgen doet het niet, volgens de Nieuwe Bijbelvertaling:

  • Zoals een hinde smacht | naar stromend water, | zo smacht mijn ziel | naar u, o God.1

Maar waarom heeft het hert dan zo’n dorst? Wel, omdat het een slang heeft gegeten natuurlijk. In de Oudheid zag men het heel anders dan mevrouw van Merken.
Herten zijn tegenwoordig bekend als plantenetende herkauwers, maar vroeger meenden sommige mensen werkelijk dat ze graag slangen aten en er zelfs op joegen. Zo bij voorbeeld de Romein Claudius Aelianus (± 170–222), die in het Grieks een vrij dik dierenboek schreef, waarin hij veel aandacht heeft voor vijandschappen tussen de diersoorten en de onwaarschijnlijke gevechten tussen dieren, zoals die tegenwoordig in Youtube opnieuw populair zijn. Hij weet te vertellen:

  • Een hert wint het van een slang door een buitengewone gave van de natuur. Ook de gemeenste slang in zijn hol ontsnapt hem niet: het hert zet zijn neusgaten tegen de ingang [van het hol] van de gevaarlijke slang en blaast erin uit alle macht, tot het hem als door toverkracht met zijn adem eruit trekt; zodra hij tevoorschijn komt begint het hem op te eten. Vooral in de winter doen [herten] dat.
    Het is zelfs voorgekomen dat iemand de hoorn van een hert heeft afgeschaafd en het poeder daarop in het vuur gegooid heeft, en dat de opstijgende rook de slangen uit de hele omgeving heeft verdreven; zelfs de geur is ondraaglijk voor hen.2

Bij die winter kan ik me iets voorstellen, omdat slangen dan vanwege de kou erg passief zijn of zelfs een winterslaap houden; de rest komt niet overeen met wat de moderne biologie weet over het hert.

Mozaiekmuseum Istanbul Foto Dick Osseman

Tweede-eeuws, en dus iets ouder, is de Griekse Physiologus: een christelijk dierenboek, dat de voorname heiden Aelianus, als hij het al kende, beneden zich zal hebben geacht. Maar blijkbaar waren dierenteksten, graag ook over vechtende dieren, in die tijd overal  gangbaar. Hier het fragment over het hert:

  • David zegt: ‘Zoals een hert naar de waterbronnen smacht, zo verlangt mijn ziel naar U, o Heer.’ De Physiologus zegt: Het hert is een aartsvijand van de slang. Als de slang voor hem in de spleten van de aardbodem vlucht komt het hert en neemt zijn bek vol water uit een bron, spuugt het in de spleten, drijft zo de slang naar buiten en vertrapt en doodt hem.
    Zo heeft ook onze Heer de grote slang, de duivel, met het de hemelse wateren gedood, die hij als goddelijk woord vol voortreffelijke wijsheid in zich droeg. En zoals een slang geen water verdraagt, zo verdraagt de duivel geen hemels woord. [Er volgt nog meer stichtelijks, en dan:]
    Wanneer er haren van een hert in huis zijn of wanneer iemand een bot ervan verbrandt zult ge [daar] nooit een geur of spoor van een slang aantreffen: als de vreze van Christus in uw hart is zal geen vreselijk gif in uw hart opkomen.3

Als altijd geeft de Physiologus een vrome draai aan zijn dierenverhalen. Algemene ontwikkeling of interessante informatie is voor hem pas van belang wanneer hij er een christelijke lading aan kan meegeven.
In deze laatste tekst komt er dus al bronwater bij te pas, maar eten doet het hert de slang niet, en ook het verband tussen slangen en dorst wordt niet gelegd. Dat is wél het geval in de meer dramatische, Syrische versie van de Physiologus (5e–6e eeuw). Die heeft in grote lijnen dezelfde tekst als die hierboven, inclusief de slangenverjagende werking van verbrande hertshoorn, maar heeft nog een interessant extra weetje:

  • Als een hert een slang opvreet, begint het bij de staart en neemt hem helemaal in zijn keelgat. De kop laat het in zijn bek liggen en dan bijt het hem kapot en verslindt hem. Maar omdat de kop nog in de mondholte steekt spuugt die veel gal uit in zijn bek en zo, om deze reden, krijgt het dorst en schreeuwt4 naar de waterpoel.5

Ziedaar de dorst, en uiteraard een verwijzing naar het psalmvers. De christelijke Arabische auteur Djibrīl ibn Nūḥ al-Anbārī maakt het nog iets mooier. Voor hem is de zelfbeheersing van het dorstige hert een godsbewijs:: 

  • Er wordt wel gezegd dat een hert slangen eet en daarna heel dorstig is, maar toch geen water drinkt, uit vrees dat het gif in zijn lichaam zou kruipen en het zou doden. Dus staat het bij de poel, gekweld door dorst en luid schreeuwend,4 maar zonder te drinken, tot het weet dat het gif zich heeft verspreid en dat hetgeen het net gegeten had is verteerd; pas dan drinkt het. Zie eens wat in de natuur van dit dier is aangebracht: hoe het een alles overheersende dorst uithoudt uit vrees zich door drinken te schaden. Daartoe kan zelfs een met verstand begaafde mens zich maar nauwelijks dwingen.6

Het hert is een godsbewijs omdat het zich kan beheersen, en zijn zelfbeheersing heeft hij van een intelligente schepper ingeplant gekregen. Dat is de eigen gedachtengang van de auteur; voor de ‘feiten’ omtrent het hert kon hij terecht bij de oudere Griekse en Syrische bronnen.

Waar komt die vijandschap tussen herten en slangen vandaan, al in de tweede eeuw? Ligt er een corrupt overgeleverde of verkeerd begrepen tekst uit de Oudheid aan ten grondslag? Of een rare bijbelexegese? Nee, dat laatste kan niet, want dan was de heiden Aelianus er niet mee aangekomen. Heeft iemand het hert misschien met een andere diersoort verward? Of is de fantasie gewoon op hol geslagen, net als over de basilisk en de eenhoorn?

NOTEN:
1. Psalm 42:1: כְּאַיָּל תַּעֲרֹג עַל-אֲפִיקֵי-מָיִם כֵּן נַפְשִׁי תַעֲרֹג אֵלֶיךָ אֱלֹהִים. Ook in de Griekse vertaling schreeuwt en hijgt het dier niet: ῝Ον τρόπον ἐπιποθεῖ ἡ ἔλαφος ἐπὶ τὰς πηγὰς τῶν ὑδάτων, οὕτως ἐπιποθεῖ ἡ ψυχή μου πρὸς σέ, ὁ θεός. In de LXX en de Vulgata is het overigens Psalm 41:1.
2. Aelianus, Nat. anim. ii, 9: Ἒλαφος ὂφιν νικᾷ, κατά τινα φύσεως δωρεὰν θαυμαστήν· καὶ οὐκ αὐτὸν διαλάθοι ἐν τῷ φωλεῷ ὤν ὁ ἔχθιστος, αλλὰ προσερείσας τῇ καταδρομῇ τοῦ δακετοῦ τοὺς ἑαυτοῦ μυκτῆρας βιαιότατα ἐσπνεῖ, καὶ ἓλκει ὡς ἴυγγι τῷ πνεύματι, καὶ ἂκοντα προάγει, καὶ προκύπτοντα ἀυτὸν ἐσθίειν ἂρχεται· καὶ μάλιστά γε διὰ χειμῶνος δρᾷ τοῦτο. ἢδη μέντοι τις καὶ κέρας ἐλάφου ξέσας, εἶτα το ξέσμα ἐς πῦρ ἐνέβαλε, καὶ ὁ καπνὸς ἀνιὼν διώκει τοὺς ὂφεις πανταχόθεν, μηδὲ τὴν ὀσμὴν ὑπομένοντας.
Ook Hildegard van Bingen meende nog dat met wierook verbrand schaafsel van een hertengewei slangen weg hield.
3. Physiologus, nr. 30, blz. 48: Ὁ μὲν Δαυὶδ λέγει· «ὃν τρόπον ἐπιποθεῖ ἡ ἒλαφος ἐπὶ τὰς πηγὰς τῶν ὑδάτων, οὓτως ἐπιποθεῖ ἡ ψυχή μου πρὸς σέ, ὁ Θεός». ὁ Φυσιολόγος ἒλεξε περὶ τῆς ἐλάφου ὃτι ἐχθρὰ τοῦ δράκοντός ἐστι πάνυ. ἐὰν φύγῃ ὁ δράκων ἀπὸ τῆς ἐλάφου εἰς τὰς ῥαγάδας τῆς γῆς, πορεύεται ἡ ἒλαφος καὶ ἐμπιπλᾷ τὰ ἀγγεῖα αὑτῆς πηγαίου ὓδατος καὶ ἐξεμεῖ ἐπὶ τὰς ῥαγάδας τῆς γῆς, καὶ ἀναφέρει τὸν δράκοντα καὶ κατακόπτει αὐτὀν καὶ ἀποκτείνει.
4. Het Syrische en Arabische hert schreeuwt dus wél, maar daar kan Lucretia van Merken geen weet van gehad hebben.
5. Physiologus Syrus, nr. 17. De Arabische Physiologus (uitg. Wentker) heeft dit detail niet.
6. Djibrīl ibn Nūḥ al-Anbārī, heeft in de negende eeuw ongeveer honderd teleologische godsbewijzen verzameld in zijn Kitāb al-iʿtibār fī al-malakūt, ook bekend als Dalā’il al-i‘tibār. Zie over dat boek verder hier. Uit dezelfde tekst had ik al eens een fragment gebracht over de slurf van de olifant, de domheid van babies, de penis van de man en de menselijke stem. Mijn uitgave van het fragment uit de handschriften:

فقد‏ يقال انّ‏ الأيّل يأكل‏ الحيّات،‏‏ فيعطش‏ عطشًا شديدًا ويمتنع من شرب الماء خوفًا من أن‏ يدبّ‏ السم في جسمه فيقتله‏. وانه‏ ليقف على الغدير وهو مجهود عطشًا فيعجّ‏ عجيجًا‏ عاليًا ولا‏ يشرب منه‏ حتّى‏ يعلم أنّ‏ السمّ‏ قد تفرق‏ ‏ وانّ‏ الذي‏ أكل قد انهضم وحينئذ‏ يشرب‏. ‏ فانظر الى ما جُعل‏ ‏ في‏ طباع هذه البهيمة من الصبر على الظمأ الغالب خوفًا من المضرّة في‏ الشرب‏. وذلك‏ ما لا‏ يكاد الانسان العاقل أن‏ يضبطه من نفسه‏.

BIBLIOGRAFIE:
– Claudius Aelianus, Περὶ ζῴων ἰδιότητος – De natura animalium: On animals, 3 dln., vert. A.F. Scholfield, Harvard 1958–9 (Loeb Classical Library 446, 448, 449).
Physiologus, Griechisch/Deutsch, uitg. en vert. Otto Schönberger, Reclam Buch 18124, 2018.
Physiologus syrus: Ketobó dakjonojotó. Das ‘Buch der Naturgegenstände’, uitg. en vert. K. Ahrens, Kiel 1892.

Terug naar Inhoud

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

De mierenleeuw

In een Arabische tekst kwam ik het woord layth, tegen, een vrij normaal woord voor ‘leeuw”. Maar dat paste niet in de context, het ging eerder om zoiets als een spin. In het Syrisch, dat stond erbij, heette het aryā dedēbābē, de ‘vliegenleeuw’. En inderdaad, dat moest het zijn. Wij kennen het echter als mierenleeuw.
In de Oudheid bestonden er vrij wat samengestelde dieren. Van de meeste horen we niet meer, maar de mierenleeuw is nog niet uitgestorven. Hij leeft voort als netvleugelig, nachtactief insect: Myrmeleon formicarius, uit de familie der mierenleeuwachtigen (Myrmeleontidae).
Als gevleugeld insect is het één onder velen. Uitzonderlijk is echter de larve van dit dier. Om prooidieren te bemachtigen graaft de kleine larve een trechtervormig kuiltje in zand of losse grond. Als er een spin of mier komt aangelopen en op de helling van het trechtertje belandt kan hij niet meer terug; de larve gooit met zijn pootjes nog wat zand omhoog, het prooidier zakt verder naar beneden en wordt vermorzeld tussen sterke larvenkaken.

Mij hield even de vraag bezig waar de naam ‘mierenleeuw’ resp. Ameisenlöwe, ant-lion, vandaan komt. Een leeuw is ook een roofdier, zeker, maar heeft verder toch weinig gemeen met dit diertje: niet in afmetingen en niet in gedrag.
Het diertje is niet zeldzaam en is overal de mensen opgevallen door zijn jachttechniek. De oude Grieken hebben het zeker gekend, maar bij Aristoteles1 heet het (misschien) λύκος, lykos, ‘wolf’, wat ook moeilijk te begrijpen is.

De naam ‘mierenleeuw’ blijkt terug te gaan op de bijbel, om precies te zijn op de Griekse vertaling der Septuaginta van Job 4:11, ± 100 voor Christus. In onze Nieuwe Bijbelvertaling luidt het vers:

  • ‘De leeuw gaat zonder prooi te gronde, de jonge leeuwen zwerven hongerend rond.’

De Hebreeuwse tekst2 heeft hier twee woorden die allebei ‘leeuw’ betekenen: layish en lavī. Het Nederlands heeft er maar één woord voor. Twee maal ‘leeuw’ in hetzelfde vers is niet zo mooi, maar gelukkig bieden de jonge dieren wat variatie. De Griekse bijbelvertalers vonden twee maal ‘leeuw’ blijkbaar ook niet mooi: zij hebben het eerste ‘leeuw’ vertaald met μυρμηκολέων (myrmēkoléōn), inderdaad letterlijk ‘mieren-leeuw,’ wat dat ook mag betekenen.3 (De Latijnse bijbelvertaling Vulgata zou er later helemaal een potje van maken: die vertaalt het met tigris, ‘tijger’. Leeuwen en tijgers doen het altijd goed samen in teksten; vandaar.)
.
Wat hebben die Grieken bij hun vertaling gedacht, wat voor beest hebben zij zich voorgesteld, en hoe is de benaming blijven hangen aan die gemene larve? Ik heb het (nog) niet kunnen vinden, u misschien? Een tekst die heel misschien wat verder helpt is Herodotus (± 485–425 v. Chr), Historiae iii, 102. Daar gaat het over een woestijn in Indië, waar de mensen gouddeeltjes winnen uit het zand dat door zeer grote mieren wordt opgeworpen:

  • In die woestijn komen mieren voor die wat kleiner zijn dan honden, maar groter dan vossen. Enkele stuks zijn gevangen en die leven in de diergaarde van de Perzische koning. Die mieren maken hun hol onder de grond en graven precies als de Griekse mieren, waar ze sprekend op lijken. (vert. Hein L. van Dolen.)4

Hier zijn tenminste reusachtige ’mieren’ (μύρμηκες, myrmikes), al bereiken ze lang niet het formaat van een leeuw. Van Dolen oppert dat er misschien aan de Tibetaanse marmot gedacht is, ‘maar het kan net zo goed een fantasiedier zijn.’ Dat laatste geldt eigenlijk ook voor de bijbelse mierenleeuw. Indiërs die goud afpakken van grote mieren worden overigens ook vermeld bij Timotheus van Gaza (± 500).5

De Griekse naam myrmēkoléōn komt voor zover ik kon nagaan niet voor in Griekse teksten die ouder zijn dan de bijbelvertaling, en daarna alleen mondjesmaat in christelijke of door het christendom beïnvloede teksten.
Het tweede-eeuwse, christelijke dierenboek Physiologus vertelt over dit dier:

  • Toen nam Elifaz, de koning der Temanieten, het woord: […]: ‘De mierenleeuw gaat zonder voedsel te gronde.’ De Physiologus zegt: De mierenleeuw is aan de voorkant als een leeuw, maar aan de achterkant als een mier. Het vaderdier vreet vlees, de moeder knabbelt peulvruchten. Wanneer zij nu een mierenleeuw ter wereld brengen doen zij dat als een wezen met een tweevoudige natuur: Het kan geen vlees eten wegens de natuur van zijn moeder en geen peulvruchten wegens de natuur van zijn vader; dus gaat het te gronde omdat het geen voedsel vindt.6

Zo is het bijbelvers ‘verklaard’. Hoe het verder moet met het voortbestaan van de soort interesseert de auteur blijkbaar niet. Wilt u de preek ook nog horen? Komt ie:

  • Zo is ook een man met twee zielen onbestendig op al zijn wegen (Jak. 1:7v). Met moet niet op twee paden wandelen, noch met dubbele tong spreken bij het gebed. Wee namelijk, zo heet het, een gespleten en zondig hart dat twee paden bewandelt (Sirach 2:12). Het is niet mooi, ‘ja, nee’ of ‘nee, ja’ te zeggen, maar laat jullie ja ja zijn en jullie nee nee, zoals onze Here Jezus Christus gesproken heeft (Matt 5:37).
    Mooi heeft de Physiologus dus over de mierenleeuw gesproken.

Vindt hij zelf! Er zijn ogenblikken dat ik het betreur dat het christendom de westelijke wereld heeft veroverd. Maar ja, daarvóór zaten ze met veel meer goden, keizerverering, bloedbaden in arena’s en een stuk minder naastenliefde.

NOTEN
1. Aristoteles, Historia Animalium 622b–623a: Τῶν δ’ ἀραχνίων καὶ τῶν φαλαγγίων ἔστι πολλὰ γένη, τῶν μὲν δηκτικῶν φαλαγγίων δύο, τὸ μὲν ἕτερον ὅμοιον τοῖς καλουμένοις λύκοις μικρὸν καὶ ποικίλον καὶ ὀξὺ καὶ πηδητικόν· καλεῖται δὲ ψύλλα· τὸ δ’ ἕτερον μεῖζον, τὸ μὲν χρῶμα μέλαν, τὰ δὲ σκέλη τὰ πρόσθια μακρὰ ἔχον, καὶ τῇ κινήσει νωθρὸν καὶ βαδίζον ἠρέμα καὶ οὐ κρατερὸν καὶ οὐ πηδῶν. Τὰ δ’ ἄλλα πάντα, ὅσα παρατίθενται οἱ φαρμακοπῶλαι, τὰ μὲν (623a.) οὐδεμίαν τὰ δ’ ἀσθενῆ ποιεῖ τὴν δῆξιν. Ἄλλο δ’ ἐστὶ τῶν καλουμένων λύκων γένος.
2. Job 4:11: לַיִשׁ אֹבֵד מִבְּלִי-טָרֶף וּבְנֵי לָבִיא יִתְפָּרָדוּ.
3. Job 4:11, LXX: μυρμηκολέων ὤλετο παρὰ τὸ μὴ ἔχειν βοράν, σκύμνοι δὲ λεόντων ἔλιπον ἀλλήλους.
4. De gebruikte vertaling is: Herodotos, Het verslag van mijn onderzoek, vertaald, ingeleid en geannoteerd door Hein L. van Dolen, Nijmegen 1995.
Griekse tekst: Hdt. Hist. iii, 102.2: ἐν δὴ ὦν τῇ ἐρημίῃ ταύτῃ καὶ τῇ ψάμμῳ γίνονται μύρμηκες μεγάθεα ἔχοντες κυνῶν μὲν ἐλάσσονα ἀλωπέκων δὲ μέζονα: εἰσὶ γὰρ αὐτῶν καὶ παρὰ βασιλέι τῷ Περσέων ἐνθεῦτεν θηρευθέντες. οὗτοι ὦν οἱ μύρμηκες ποιεύμενοι οἴκησιν ὑπὸ γῆν ἀναφορέουσι τὴν ψάμμον κατά περ οἱ ἐν τοῖσι Ἕλλησι μύρμηκες κατὰ τὸν αὐτὸν τρόπον, εἰσὶ δὲ καὶ αὐτοὶ τὸ εἶδος ὁμοιότατοι: ἡ δὲ ψάμμος ἡ ἀναφερομένη ἐστὶ χρυσῖτις.
5. Tim. Gaz., De animalibus (Περὶ ζῴων), xxxii, 2,3, uitg. Haupt 1869, 20; vert. Rabinowitz en Bodenheimer 1949, 37.
6. Physiologus (Φυσιολόγος) , Griechisch/Deutsch, ed. Otto Schönberger, Stuttgart 2001, no. 20, blz. 37: Ἐλιφὰζ ὁ Θαιμανῶν βασιλεὺς ἔλεξε· «μυρμηκολέων ὤλετο παρὰ τὸ μὴ ἔχειν βοράν». ὁ Φυσιολόγος ἔλεξε περὶ τοῦ μυρμηκολέοντος ὃτι τὰ μὲν ἐμπρόσθια ἔχει λέοντος, τὰ δὲ ὀπίσθια μύρμηκος. ὁ μὲν πάτηρ σαρκοφάγος ἐστίν, ἡ δὲ μήτηρ ὄσπρια τρώγει. ὃταν δὲ γεννῶσι τὸν μυρμηκολέοντα, γεννῶσιν αὐτὸν δύο φύσεις ἔχοντα, καὶ οὐ δύναται φαγεῖν κρέα διὰ τὴν φύσιν τῆς μητρός οὐδὲ ὄσπρια διὰ τὴν φύσιν τοῦ πατρός˙ απόλλυται οὔν διὰ τὸ μὴ ἔχειν τροφήν.
Οὓτω καὶ πᾶς ἀνὴρ δίψυχος ἀκατάστατος ἐν πάσαις ταῖς ὁδοῖς αὐτοῦ. οὐ χρὴ βαδίζειν δύο τρίβους οὐδὲ δισσὰ λέγειν ἐν τῃ προσευχῇ· οὐαὶ γάρ, φησί, καρδίᾳ δισσῇ καὶ ἁμαρτωλῷ ἐπιβαίνοντα ἐπὶ δύο τρίβους. οὐ καλὸν εἰπεῖν τὸ ναὶ οὖ, καὶ τὸ οὖ ναί, ἀλλὰ τὸ ναὶ ναί, καὶ τὸ οὖ οὖ, καθὼς εἶπεν ὁ Κύριος ἡμῶν Ἰησοῦς Χριστός.
Καλῶς οὖν ἔλεξεν ὁ Φυσιολόγος περὶ τοῦ μυρμηκολέοντος.

Terug naar Inhoud       

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Zwart, maar

‘Zwart ben ik, maar mooi,’ zegt de bruid van de koning in de bijbel, Hooglied 1:5. Althans volgens de christelijke traditie van West-Europa: Nigra sum sed formosa. Misschien hebt u de tekst gehoord in Monteverdi’s Mariavespers. In de bijbelvertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap (1951) heet het: ‘Donker van huid ben ik, doch bekoorlijk.’

Dat is een vertaalfout, die eeuwenlang is meegegaan en die vanuit de gangbare visie op rassen blijkbaar noodzakelijk werd gevonden. Zwart is lelijk, maar in dit geval bij uitzondering een keer niet: zo zag men het.

Iemand vertelde mij dat in zijn jeugd die donkere huid werd verklaard doordat de vrouw lang in de zon op het land had gewerkt. Men zag blijkbaar nog liever een zonverbrande landarbeidster in het bed van de koning dan een vrouw die echt zwart was.

De nieuwste bijbelvertaling heeft de fout niet meer: ‘Donker ben ik, en mooi,’ staat daar, en zo is het goed. Het Hebreeuwse origineel heeft we en de oude Griekse vertaling der Septuaginta heeft kai. Beide woordjes betekenen gewoon ‘en’. Er was en is geen reden om een tegenstelling te creëren tussen zwart en mooi.

שְׁחוֹרָה אֲנִי וְנָאוָה, μέλαινά εἰμι καὶ καλή

Terug naar Inhoud 

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Een Arabische Uriabrief

Al-Mutalammis was een pre-islamitische Arabische dichter, die aan het hof van de christelijke koning ‘Amr ibn Hind (reg. 554–69) in het Iraakse al-Hīra verkeerde. Ook zijn neef Tarafa ibn ‘Abd verbleef in de hoofdstad van de Arabische Lakhmiden-dynastie. Dat was een veel belangrijkere dichter, die tot vandaag de dag beroemd is gebleven, terwijl Mutalammis maar een klein œuvre had, dat ook nog voor een groot deel handelde over zijn traumatische ervaring met koning ‘Amr en de zog. Mutalammisbrief (sahīfat al-Mutalammis).

Hofdichters hadden indertijd de taak de koning en diens stam te bezingen in lofdichten en diens vijanden of andere minderwaardige personen of stammen uit te schelden in scheld- of smaadgedichten. Soms liep dat echter anders: wanneer een dichter bij voorbeeld slecht gehumeurd was, een kater had, zichzelf overschatte, in ongenade viel, of als de vorst erg treuzelde met het uitkeren van eregelden werd er ook wel eens een smaaddicht op de goedgunstige heer zelf gedicht. De dichters maakten royaal gebruik van hun vrijheid van meningsuiting en scholden dat het een aard had.
Zo dichtte Mutalammis bij voorbeeld (het lidwoord al- bij zijn naam laat ik verder maar weg):

Een koning die vrijt met zijn eigen moeder en haar personeel. [Van het vele neuken] is hij slap in zijn gewrichten en zijn pik is [dun geworden] als een kohlstift.

Aan de deur nodigt hij iedere smekeling binnen, maar als hij dan met hem alleen is gaat de man als een beest tekeer.1

Qua grofheid doet dit niet onder voor wat in de Nederlandse sociale media aan gescheld circuleert. Maar bij zo’n oude dichter rijmde het en was het metrum in orde.

De koning was not amused en besloot zich van de beide dichters te ontdoen door hen ver weg te sturen. Wellicht waren ze in al-Hīra te populair om hen ter plaatse te elimineren? Ze werden naar de gouverneur van Bahrayn gestuurd, voor wie ze elk een verzegelde brief meekregen, op vertoon waarvan hun allerlei geschenken zouden worden gegeven. Ibn Qutayba schreef daarover drie eeuwen later in zijn boek ‘De poëzie en de dichters’. Is zijn bericht betrouwbaar? We zullen het nooit weten. In ieder geval is het onderhoudende lectuur:

Hij [Mutalammis] verkeerde in het gezelschap van ‘Amr ibn Hind, de koning van al-Hīra, hij en Tarafa ibn al-‘Abd, en beiden dichtten ze scheldgedichten op hem. De koning schreef met betrekking tot hen twee brieven aan zijn stadhouder in Bahrayn. Hij liet hun doorschemeren dat hij daarin bevel had gegeven, hun beloningen te geven, maar in werkelijkheid beval hij, hen ter dood te brengen.
Ze gingen op weg, en toen ze in Nadjaf gekomen waren kwamen ze langs de weg een oude man tegen, die tegelijkertijd urineerde, een stuk brood at, en de luizen uit zijn kleren haalde en platsloeg.
Mutalammis zei: ‘Zo’n domme ouwe vent heb ik nog nooit gezien.’ ‘Hoezo?’ vroeg de oude, ‘ik verwijder wat lelijks, ik breng iets goeds naar binnen en ik dood een vijand. Veel dommer is iemand die zijn eigen doodvonnis meedraagt.’
Al-Mutalammis bekroop nu de twijfel, om wat hij had gezegd. Er kwam een jongeman uit al-Hīra langs en aan hem voeg Mutalammis: ‘Kun jij lezen, jongen?’ ‘Ja,’ antwoordde hij, waarop hij het zegel verbrak en de brief aan de jongen overhandigde. Er stond in: ‘Als Mutalammis bij je komt, hak hem dan zijn handen en zijn voeten af en begraaf hem levend.’ Toen zei hij tegen Tarafa: ‘Geef hem ook jouw brief te lezen; bij God, daar staat vast hetzelfde in.’ Maar Tarafa zei: ‘Nee, mij durft hij zoiets niet aan te doen.’
Al-Mutalammis gooide zijn brief in de rivier, met de woorden: ‘Daarmee gooi ik ook mijn huis weg,’ en hij vertrok naar Syrië. Maar Tarafa trok verder naar Bahrayn [en werd ter dood gebracht].
Zo werd de ‘Mutalammisbrief’ spreekwoordelijk.2

Vreemd is dat Mutalammis en Tarafa in het verhaal blijkbaar niet konden lezen, terwijl ze dat van een willekeurige jongen op straat wel meenden te kunnen verwachten. Of zouden de vertellers ervan uit zijn gegaan dat de brieven in het Pahlavi of Aramees waren geschreven, de talen van het Perzische Rijk, waarvan al-Hīra een vazalstaat was? Maar al-Hīra was toch juist een Arabisch koninkrijk? Hoe dan ook: een Uriabrief moet goed verzegeld zijn of in een vreemde taal zijn gesteld, of beide.

Inderdaad, bij ons heet zo’n brief die de overbrenger ervan onheil brengt een Uriabrief, naar het bijbelse verhaal over koning David en Bathseba (2 Samuel 11: 14–17). David zag vanaf het paleisdak hoe zijn buurvrouw Bathseba een bad nam en voelde zich zeer tot haar aangetrokken. Haar man Uria diende als soldaat in zijn leger. Hij was een Hethiet, een buitenlander dus, maar een goed geïntegreerde (2 Sam. 11:11). Van het een kwam het ander: Bathseba raakte zwanger van de koning; haar man rook lont en wilde niet meer naar haar terug. Nu gevoelde de koning de behoefte Uria uit de weg te ruimen, zodat hij met haar kon trouwen. Hij stuurde hem naar zijn opperbevelhebber met een brief, waarin deze bevel kreeg, Uria bij een veldslag zodanig aan het front op te stellen dat hij zou sneuvelen. Zo gebeurde het, en zo had David de weg vrijgemaakt voor zijn huwelijk met de weduwe—uiteraard na een passende periode van rouw.

Als U nog een klassieke opleiding hebt genoten spreekt U misschien eerder van een Bellerophontische brief. Bellerophon werd namelijk door Proteus naar koning Iobates van Lycië gestuurd met een verzegelde opdracht om hem te doden. Maar de koning voelde daar niet voor en stuurde hem uit om het vuurspuwende monster Chimaera te doden, in de hoop dat dat zijn ondergang zou worden. Hier miste de brief zijn volle uitwerking, want Bellerophon slaagde er natuurlijk wel degelijk in, dat monster te vernietigen.

En anders herinnert U zich misschien wat de beide detectives Jansen en Jansens overkwam in de Chinese stad Hou Kou. Zij hadden een introductiebrief voor de plaatselijke politiecommissaris, die zij echter kwijt raakten en die door Kuifjes vriend Tchang was vervangen door een brief waarin in het Chinees te lezen stond: ‘Indien u niet bemerkt hebt dat wij twee gekken zijn, dan is dit daarvan het officieel bewijs.’ Hier was de schade niet erg groot: de commissaris moest erg lachen en liet ze de deur uit gooien.3

Zonder twijfel wemelt het in de wereldliteratuur van de Mutalammis-, Uria-, of Bellerophonbrieven. De benaming Uriabrief is vooralsnog het meest passend, want het verhaal over Uria lijkt het oudst. Of zou er nog een Egyptische of Babylonische voorloper zijn?

EXCURS: Geen brief, maar wel een parallel met Uria ziet David Powers4 in de verhalen over Zaid, de geadopteerde en, na de opheffing van het adoptieprincipe, weer ‘ontzoonde’ zoon van de profeet Mohammed, die echter een zeer hoge positie in de vroege elite bleef innemen. De parallellen lopen als volgt: Zayd was oorspronkelijk een slavenjongen uit Noord-Arabië geweest, een buitenlander/-staander dus. Mohammed begeert de ex-vrouw van deze ex-zoon (koran 33:37) en zet hem als legeraanvoerder in de eerste linie bij de slag bij Mu’ta, die wel verloren móest worden, zodat ook hij omkomt. Leuke stof voor een volgende blog?

NOTEN
1. K. Vollers, Die Gedichte des Mutalammis, Arabisch und Deutsch, Leipzig 1903, 38/13, 14; kāmil –di). Poëzie poëtisch vertalen kan ik niet, maar U krijgt zo toch een indruk.

مَلِكٌ يُلاَعِبُ أُمَّهُ وَقَطِينَهَا * رِخْوُ المَفَاصِلِ أَيْرُهُ كَالمِرْوَدِ
بالبابِ يَطْلُبُ كُلَّ طَالِبِ حَاجَةِ  *  فَإذَا خَلَا فَالمَرْءُ غَيْرُ مُسَدَّدِ

2. Ibn Qutayba, al-Shi‘r wal-shu‘arā’, uitg. Aḥmad Muḥammad Shākir, 2 dln. Cairo 1966, i, 181–2.

وكان ينادم عمرو بن هند ملك الحيرة، هو وطرفة بن عبد فهجواه، فكتب لهما إلى عامله بالبحرين كتابين، أوهمهما أنه أمر لهما فيهما بالجوائز، وكتب اليه يأمره بقتلهما. فخرجا حتى إذا كانا بالنجف، إذا هما بشيخ على يسار الطريق، يُحدِث ويأكل من خبر في يده، ويتناول القمل من ثيابه فيقصعه. فقال المتلمس: ما رأيت كاليوم شيخًا أحمق. فقال الشيخ: وما رأيتَ من حمقي؟ أُخرج خبيثاً وأْدخل طيباً وأقتل عدواً، أحمق مني والله من حامل حتفه بيده. فاستراب المتلمس يقوله، وطلع عليه غلام من أهل الحيرة، فقال له المتلمس: أتقرأ يا غلام؟ قال: نعم. ففكّ صحيفته ودفعها إليه، فإذا فيها: أما بعد، فإذا أتاك المتلمس فاقطعْ يديه ورجليه وادْفنه جيَّا. فقال لطرفة: ادفع إليه صحيفتك يقرأها، ففيها والله ما في صحيفتي. فقال طرفة“ كَلاّ، لم يكن ليجترئ عليَّ. فقذف المتلمس يصحيفته في نهر الحيرة وقال: قدفت به البيت، وأخذ نحو الشأم. وأخذ طرفة نخو البحرين.
فضُرب المثل بصحيفة المتلمس.

3. Hergé, De avonturen van Kuifje. De Blauwe Lotus, uitg. Casterman, 1947, blz. 46–47.
4. David S. Powers, Zayd, Philadelphia 2014, zie Subject Index onder Uriah the Hittite.

Diacritische tekens: al-Ḥīra, Ṭarafa ibn ʿAbd, ṣaḥīfat al-Mutalammis, Baḥrayn, Djaʿfar ibn abī Ṭālib, ʿAbdallāh ibn Rawāḥa, Ibn Isḥāq

Terug naar Inhoud

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Aisja, een geval van accommodatie

Ja hoor, er kwam weer zo’n vraag binnen: ‘Wat zegt de Koran over Aisja?’1 Niets, geachte lezers, helemaal niets.2 Maar moslims hebben sinds eeuwen gemeend toch iets over haar in de Schrift te kunnen lezen. Koran 24:11 bij voorbeeld zou zelfs over haar geopenbaard zijn:

Zij die de leugen hebben verbreid zijn slechts een kleine groep onder u. Beschouwt het niet als iets slechts voor u, neen, het is juist iets goeds. Ieder van hen wordt de zonde die hij begaan heeft aangerekend, maar de grootste boosdoener wacht een ontzaglijke straf.

En eigenlijk horen de volgende verzen daar nog bij:

Hadden de gelovige mannen en vrouwen, toen jullie het hoorden, maar iets goeds bij zich zelf gedacht. […] Toen jullie elkaar napraatten en oppervlakkig spraken over iets waarover jullie niets wisten, en dat jullie onbelangrijk vonden, terwijl het toch bij God zwaar weegt. [Koran 24:12–15]

Ziet U hier iets over Aisja? In geen velden of wegen. Hier iets over haar te lezen lukt alleen als U een heel verhaal op de koop toe neemt, namelijk dat van de ‘leugen’ (al-ifk), dat dateert van decennia na de koran en niet teruggaat op de profeet, zoals dat bij hadithen graag wordt gezien, maar op verschillende vertellers. Dat verhaal loopt alsvolgt: Aisja blijft tijdens een reis even achter. De karavaan vertrekt zonder te bemerken dat zij ontbreekt. Zij wordt terugbezorgd door een man, en dadelijk circuleert het gerucht dat deze de situatie misbruikt heeft. Een lastercampagne komt op gang, die zelfs de profeet niet onberoerd laat: hij negeert Aisja een tijdlang. Het verhaal zelf vindt U hier. Tenslotte komt alles nog goed, doordat God zelf ingrijpt en de bovenstaande koranverzen openbaart, waardoor Aisja van schuld wordt vrijgepleit en de schuldigen straf wordt aangezegd. Dit alles ‘weten’ we dus uit dat verhaal, dat niet uit de koran stamt, maar uit de profetenbiografie. Het wordt eeuw in, eeuw uit in korancommentaren en profetenbiografiën herhaald, maar omdat de schrijvers daarvan slechts gewone mensen waren — heiligen of kerkvaders kent de islam niet — is niemand eraan gebonden.

Als er veel korantekst in een verhaal zit zijn er grof gezegd twee mogelijkheden. 1. De korantekst staat centraal en het verhaal dient om die korantekst te verklaren. Dat heet koranexegese of tafsīr. 2. Er was eerst een verhaal en om dat overtuigender of stichtelijker te maken worden daar koranverzen in aangebracht; verzen die oorspronkelijk misschien heel ergens anders over gingen. Dat heet ‘koraniseren’.
In ieder geval zal de korantekst tenminste enkele tientallen jaren ouder zijn dan het verhaal.

Het verhaal over Aisja’s onschuld diende om een lastercampagne over haar onkuisheid te ontkrachten. Waarom zou iemand de bloedjonge vrouw van de profeet willen bezwadderen, een of twee jaar na hun huwelijk? Dat moet pas veel later zijn gedaan, met terugwerkende kracht, toen de profeet allang dood was en toen Aisja politiek actief was en in conflict met kalief ‘Alī (reg. 656–661). De auteur(s) doen overdreven veel moeite om de onschuld van Aisja aan te tonen en ze trekken daarbij alle registers open, ook koranische, want die klinken heerlijk vroom. Een oorspronkelijk verband tussen het verhaal en die koranverzen zie ik niet. De koran is erbij gesleept.

Aisja is lang niet het enige onderwerp waarover moslims graag iets in de koran hadden gelezen en dat uiteindelijk ook doen.2

———–

Mulier amicta sole

Mulier amicta sole

Ik was benieuwd of christenen ook zulke gevallen kennen en inderdaad, bij de Maagd Maria, de topvrouw van de christenen, was het meteen raak. Over haar staat wel iets in de bijbel (het bekende ‘kerstverhaal’ plus nog enkele andere snippers), maar voor de miljoenen echte Maria-vereerders was dat blijkbaar niet genoeg. Men heeft dus een aantal bijbelteksten geherinterpreteerd om aan hun verlangens te voldoen. In Openbaring 12:1 is bij voorbeeld sprake van ‘een vrouw bekleed met de zon, met de maan onder haar voeten en een krans van twaalf sterren op haar hoofd.’ 3 Zij is hoogzwanger en een zevenkoppige draak staat al te wachten om haar kind te verslinden, maar dat wordt gered en naar de Heer gebracht. Je zou hierbij inderdaad even aan de moeder Gods kunnen denken, want dat kind is ‘een zoon, die alle volken met een ijzeren herdersstaf zal hoeden,’ en die ijzeren staf is vlgs. 19:14 ook het attribuut van Christus. Maar dan had de auteur van de Openbaring wel een heel andere visie op Jezus en zijn moeder dan de evangelisten. Misschien had hij eerder Eva, of de vrouw in het algemeen in zijn hoofd: al in Genesis 3:15 wordt immers de strijd tussen de slang en de vrouw en haar nageslacht voorzegd.4

Turris davidica

Turris davidica

Nog vergezochter is het, Maria te ontdekken in Hooglied 4:4, waar ‘Salomo’ over zijn geliefde dicht: ‘Je hals is als de toren van David (turris davidica) die in ringen is gebouwd, die met schilden is behangen, met wel duizend schilden van helden.’5 Dat wordt door de katholieke Christenheid ook op Maria betrokken. Ieder verband met de pas eeuwen later levende moeder van Jezus lijkt hier ver te zoeken. De behoefte aan bijbelverzen over haar was blijkbaar zo enorm dat ook dit vers voor het gewenste doel kon worden aangewend. Dat heet accomodatie: een dogmatisch correcte en liturgisch bruikbare toepassing van een schriftwoord of een heilige persoon of zaak, die echter geen steun vindt in de tekst. Het punt van vergelijking is in dit geval blijkbaar de stevigheid van een toren en de bescherming die ervan uitgaat.

Een geval van accomodatie waar ook de protestanten aan meedoen is in de woorden: ‘… Gods wind/geest(?) zweefde over het water’ (Genesis 1: 2)6 de Heilige Geest, het derde lid van de Heilige Drieëenheid/Drievuldigheid, te ontdekken.

Zonder twijfel bestaan er nog veel meer bijbelverzen waarin men heel andere onderwerpen zonder steun van de tekst behandeld heeft gezien.

Moslims en christenen hebben verschillende werkwijzen, maar allen bedienen zij zich vrijmoedig bij hun heilige schrift, wanneer zij daarin iets willen lezen dat er niet in staat. Tot de eigenschappen van heilige schriften behoort, dat zij schier oneindig rekbaar zijn, tot ver buiten de grenzen van hun tekst.

NOTEN
1. Naar verluidt was Aisja de lievelingsvrouw van de profeet Mohammed. Zie over haar hier en hier en hier.
2. Er staat heel veel niet in de koran; zie daarover hier
3. Mulier amicta sole et luna sub pedibus eius et in capite eius corona stellarum duodecim. Het oorspronkelijke Grieks kunt U natuurlijk ook krijgen: γυνὴ περιβεβλημένη τὸν ἥλιον, καὶ ἡ σελήνη ὑποκάτω τῶν ποδῶν αὐτῆς, καὶ ἐπὶ τῆς κεφαλῆς αὐτῆς στέφανος ἀστέρων δώδεκα, maar zulke dingen klinken in het Latijn vaak veel beter.
4. En de woorden ‘haar nageslacht’ (τοῦ σπέρματος ἀυτῆς, de semine eius) worden weer opgepakt in Openbaring 12:17.
5. Sicut turris David collum tuum, quae aedificata est cum propugnaculis: mille clipei pendent ex ea, omnis armatura fortium. כְּמִגְדַּל דָּוִיד צַוָּארֵךְ, בָּנוּי לְתַלְפִּיּוֹת; אֶלֶף הַמָּגֵן תָּלוּי עָלָיו, כֹּל שִׁלְטֵי הַגִּבֹּרִים.
6. וְרוּחַ אֱלֹהִים, מְרַחֶפֶת עַל-פְּנֵי הַמָּיִם, et spiritus Dei ferebatur super aquas.

Terug naar Inhoud