De giraf als godsbewijs

Weer een fragment uit het Arabische, overwegend christelijke werkje Kitāb al-iʿtibār fī al-malakūt van Djibrīl ibn Nūḥ, een collectie van ongeveer honderd teleologische godsbewijzen (arguments from design), waarschijnlijk uit de negende eeuw. Zie over dat boekje hier. Uit dezelfde tekst had ik o.a. al fragmenten gebracht over de slurf van de olifant, de domheid van babies, de penis van de man en de menselijke stem. Nu de giraf.

““Denk eens aan hoe de giraffe (zarāfa) geschapen is, en hoe zijn lichaamsdelen onderling verschillen en lijken op die van andere soorten. Zijn kop is het hoofd van een paard, zijn nek is die van een kameel, zijn hoeven zijn die van een koe en zijn huid is die van een luipaard. De mensen hebben zelfs beweerd dat ze voortkomen uit meerdere mannetjes van verschillende soorten. Dat komt dan, zoals ze zeggen, omdat bepaalde soorten wilde dieren, wanneer ze naar een drinkplaats gaan, copuleren met vrij weidend vee, wat resulteert in een individueel dier als dit, dat als het ware een mengeling is van verschillende soorten. Maar dat is een verkeerde conclusie, want niet elke soort kan elke [andere] soort bevruchten. Een paard kan geen kameel bezwangeren en een kameel geen koe. Het gebeurt echter wel bij sommige dieren die op elkaar lijken en op dezelfde manier gevormd zijn. Een paard doet het met een ezel, en het resultaat is een muilezel, een wolf doet het met een hyena en het resultaat is een lycaon (sim‘), maar het resultaat van zulke verbintenissen is niet dat er, zoals bij de giraffe, een lichaamsdeel van een paard en een lichaamsdeel van een kameel zou zijn. Nee, het is er ergens tussenin, een mengsel van beide, zoals je kunt zien aan een muilezel, want daar zie je dat zijn kop, oren, kroep, staart en hoeven tussendingen zijn tussen de lichaamsdelen van een paard en een ezel. Zelfs het geluid van een muildier is als een mengeling van het gehinnik van een paard en het gebalk van een ezel. Dit bewijst dat de giraf niet het resultaat is van bevruchting door verschillende soorten, zoals sommigen beweren. Nee, het is een van Gods wonderbaarlijke creaturen, om te wijzen op Zijn almacht, voor welke niets onmogelijk is, en om te verkonden dat Hij de Schepper is van alle dieren en combineert en scheidt wat Hij wil en in welke soort Hij wil.
Wat betreft de lengte van de nek van een giraf en het gebruik ervan, dat is omdat hij volgens deskundigen opgroeit en graast in bosjes van hoog oprijzende bomen, zodat hij een lange nek nodig heeft om de toppen van die bomen te bereiken en de vruchten ervan te eten.””
.
Onze auteur verzet zich tegen de gedachte dat één vrouwtjesdier door mannetjes van verschillende soorten gedekt zou kunnen worden, zodat deze alle een bepaalde lichamelijke eigenschap in het nieuwe dier zouden achterlaten. De giraf is ook geen kruising; nee, de Schepper heeft de giraf uit één stuk geschapen, prachtig en met een heel praktische lange nek.
.
De beroemde Arabische prozaschrijver al-Djāḥiẓ (776–868), die o.a. een groot dierenboek op zijn naam heeft staan, vond die meervoudige inseminatie ook flauwekul: ‘Sommige mensen zeggen dat de giraf een schepsel is dat is samengesteld uit de wilde kameel, een wilde koe en de dhaykh, d.w.z. het mannetje van een hyena. Dat zeggen ze omdat het woord voor giraf in het Perzisch اشتر گاو پلنگ , ushtur gāw palang is, “kameel-koe-luipaard”
. […] Ze hebben een hoop onzin verteld om de naam giraffe te verklaren […] en er zijn zelfs mensen die het voor compleet onmogelijk houden dat een vrouwtjesgiraf ooit door een mannetje gedekt wordt! […] Als ze enig bewijs konden aandragen voor die onzin en een beetje beter zouden opletten, zouden de boeken van een hoop rottenis verschoond blijven.’ (Al-Djāḥiẓ, Kitāb al-Ḥayawān, uitg. en commt. ‘Abd al-Salām Muḥammad Hārūn, 7 dln., Cairo 1938–47; i, 142–44.

Maar ook in het Grieks is de naam van het dier samengesteld. Daar heet hij namelijk καμηλοπάρδαλις, camelopardalis, ‘kameel-luipaard’. Hoe de oude Grieken dat verklaarden moet ik nog uitzoeken als de bibliotheken weer opengaan. Aristoteles kende de giraf nog niet; kennelijk is het dier pas laat uit Afrika in de Grieks-Romeinse wereld geïmporteerd.

ARABISCHE TEKST

فكر في خلق الزرافة واختلاف أعضائها وشبهها بأعضاء أصناف من الحيوان. فرأسها رأس فرس وعنقها عنق جمل وأظلافها أظلاف بقر وجلدها جلد نمر، حتّى أنّ ناسًا زعموا أنّ نتاجها من فحول شتّى. وسبب ذلك فيما ذكروا أنّ أصنافًا من حيوان البرّ اذا وردت الماء تنزو على بعض السائمة فتنتج مثل هذا الشخص الذي هو كالملتقط من أصناف شتّى. وهذا مما لا يصحّ في القياس لأنه ليس كل صنف من الحيوان يلقح كل صنف. فلا الفرس يلقح الجمل ولا الجمل يلقح البقرة وانّما يكون هذا من بعض الحيوان فيما يشاكله ويقرب من خلقه كما يلقح الفرس الحمار فيخرج من بينهما البغل، ويلقح الذئب الضبع فيخرج من بينهما السِمْع، على أنّه ليس يكون الذي يخرج من بينهما عضوا من كل واحد منهما كما يكون في الزرافة عضو من الفرس وعضو من الجمل. بل يكون كالمتوسط بينهما الممتزج منهما كالذي تراه في البغل، فانّك ترى رأسه وأذنيه وكفله وذنبه وحوافره وسطًا بين هذه الأعضاء من الفرس والحمار حتّى أن شحيجه أيضًا كالممتزج من صهيل الفرس ونهيق الحمار. فهذا دليل على أنّه ليست الزرافة من لقاح أصناف شتّى من الحيوان كما زعم زاعمون، بل هي خلق عجيب من خلق الله للدلالة على قدرته التي لا يعجزها شيء، وليعلم أنه خالق أصناف الحيوان كلّها فيجمع ما شاء منها في أيّها شاء ويفرق بين ما شاء منها في أيّها شاء. فأمّا طول عنقها والمنفعة لها في ذلك فلأنّ منشأها ومرعاها كما يذكر أهل الخبرة بها في غياطل ذوات اشجار سامقة ذاهبة طولاً فهي تحتاج الى طول العنق لتتناول أطراف تلك الأشجار فتقمّ من ثمارها.

Terug naar Inhoud

De vermeende ziekte van Mohammed – 1

De profeet Mohammed moet een robuuste gezondheid hebben gehad. Hij heeft immers een gemeenschap gesticht, een boodschap verbreid, tegenwerking verdragen, krijgstochten geleid, een staat ingericht en nog zowat meer. Een ziekelijke man speelt dat niet klaar. Geen van de talrijke oude Arabische teksten over Mohammed deelt iets mee over een ernstige ziekte van hem, of over zijn gezondheidstoestand überhaupt—met uitzondering van de verhalen over zijn sterfbed.

In Europa daarentegen ‘wist’ men altijd al, dat de profeet zijn leven lang zwaar en chronisch ziek was. Volgens de kerkvader Theophanes Confessor (Constantinopel 760–Samothrace 818) leed hij namelijk aan epilepsie, en dat fake news werd in Europa, in de Latijnse vertaling van Anastasius Bibliothecarius (± 810–878), eeuwenlang verbreid: een roemloos hoofdstuk in de betrekkingen tussen Europa en het Nabije Oosten. In de achttiende en vooral de negentiende eeuw werden er steeds meer oude Arabische teksten bekend in Europa. Er stonden oriëntalisten op die ze vlijtig bestudeerden en inzagen dat dat met die epilepsie niet kon kloppen, of die er helemaal niet meer aan dachten. Aloys Sprenger, een oriëntalist die ook medicijnen had gestudeerd, meende nog in 1861 dat Mohammed weliswaar geen epilepticus was, maar wel ziek: hij leed namelijk aan hysterie, een typisch negentiende-eeuwse aandoening. Daarna vernam men nauwelijks nog iets over een ziekte, maar onlangs is het idee dat Mohammed ziek was weer van zolder gehaald. Ditmaal niet in kerkelijke of oriëntalistische kringen, maar bij islamhaters, die een keuze uit koranverzen en vertaalde oude bronteksten in stelling brengen—zonder echter in staat of bereid te zijn die te begrijpen. Het geloof aan Mohammeds epilepsie schijnt nu wel voorgoed uit de mode te zijn. Eén auteur houdt het voor bewezen dat hij aan acromegalie leed, en bij een andere is de diagnose schizofrenie. Om het even welke ziekte aan de profeet wordt toegeschreven, zij moet altijd ook zijn vermeende geestelijke gestoordheid en bezetenheid van seks verklaren, want daaraan zijn Europese islamhaters vanouds zeer gehecht.
.
Laten we bij Theophanes beginnen. Deze kende blijkbaar een versie van het verhaal over de eerste openbaring op de berg Hirā, waarin de profeet na de eerste schrik bescherming en troost zoekt bij zijn vrouw Khadīdja.2 Hij schrijft:

  • Omdat hij arm was en wees kwam de voornoemde Mouamed op het idee, in dienst te treden van een rijke vrouw, die Khadiga heette en een familielid van hem was, om met kameelkaravanen in Egypte en Palestina handel te drijven. Geleidelijk verstoutte hij zich, zich op te dringen aan die vrouw, die weduwe was; hij nam haar tot echtgenote en verwierf zo haar kamelen en haar vermogen. Telkens als hij naar Palestina kwam verkeerde hij met Joden en Christenen en ging bij hen bepaalde zaken na aangaande de Schriften. Hij leed aan epilepsie. Toen zijn vrouw dat merkte werd zij zeer bedroefd, omdat zij als voorname vrouw een man als hij getrouwd had, die niet alleen arm, maar ook epilepticus was. Hij probeerde haar op leugenachtige manier te kalmeren door te zeggen: ‘Ik zie steeds de verschijning van een engel genaamd Gabriël, en omdat ik zijn aanblik niet kan uithouden verlies ik het bewustzijn (?) en val ik neer.’3

De profeet was dus volgens Theophanes niet alleen ziek, maar ook een bedrieger: de hele openbaring was bedrog. Maar past het juist niet uitstekend in een verhaal over een roepingsvisioen of een openbaringservaring, dat een profeet zich uit eerbied en schrik ter aarde werpt? In het Oude Testament gebeurt dat, als een profeet met het goddelijke geconfronteerd wordt, bijv. Ezechiël 1:28, 3:23 e.a. De Hebreeuwse uitdrukking is nafal al panaw, נפל על פניו , die in de Statenvertaling vertaald wordt met ‘op zijn aangezicht vallen’, in de Nieuwe Bijbelvertaling met ‘zich voorover op de grond werpen’. Theophanes, die de Bijbel in het Grieks las, moet dit bijbelse πίπτω ἐπὶ πρόσωπόν μου onder ogen gekregen hebben, maar hij bracht het niet in verband met het ‘vallen’ van Mohammed, waarmee in de verhalen die hij had gehoord vast hetzelfde was bedoeld. Had hij dat gekund, dan had hij zich moeten afvragen of de bijbelse profeet Ezechiël misschien ook epilepticus geweest was. Maar nee, op zo’n idee kon en mocht in zijn tijd geen Christen komen. De bijbelse verhalen waren immers volledig waar en gaven feitelijke gebeurtenissen weer, terwijl ze helemaal niets gemeen konden hebben met de verhalen over Mohammed.

Door de hele Middeleeuwen en nog daarna sprak men telkens weer over die epilepsie. Over de gestoorde relatie tussen de westelijke christenheid en de wereld van de islam kunt U bij →Daniel lezen; voor de latere tijd ook bij →Tolan. Ik citeer als voorbeeld alleen nog een fragment uit een werkje van Riccoldo da Montecroce O.P. (gest. 1320), een christelijke missionaris in Irak: Confutatio Alcorani seu legis Saracenorum. Deze tekst was wijd verbreid en had voor Martin Luther ruim twee eeuwen later nog niet aan actualiteit ingeboet, want zijn Verlegung des Alcoran is er een vertaling van.

… trad een zekere Mohametus op, een Arabier, die eerst rijk geworden was door een weduwe, die hij huwde. Toen hij daarna roverhoofdman was geworden werd hij zo onbeschaamd hoogmoedig, dat hij ook koning van de Arabieren wilde worden. Maar zij accepteerden hem niet, omdat hij gering van afkomst en aanzien was en daarom deed hij zich voor als profeet. En omdat hij aan de vallende ziekte leed en telkens viel zei hij dat er een engel met hem sprak, opdat niemand in ernst zou geloven dat hij gebrekkig was. Daarop gaf hij verscheidene weerleggingen van zich die hij, naar hij zei, hoorde als een klok die rondom zijn oren weergalmde.4

Hier klinkt niet alleen de echo van een vertelling over de eerste openbaring aan Mohammed, maar ook die van een hadith:

Al-Hārith ibn Hishām vroeg aan de profeet: ‘Hoe de komt de openbaring tot U?’ Hij antwoordde: ‘Soms komt zij tot mij als het luiden van een klok; dat is het zwaarst voor mij, en als dat ophoudt onthoud ik haar. En soms komt er een engel in de gedaante van een man en ik onthoud wat hij zegt.’5

Er zijn inderdaad verscheidene hadithen, waarin wordt beschreven hoe de openbaringen aan Mohammed verliepen. Misschien geloven moslims, dat deze hadithen een werkelijke gang van zaken weergeven, maar niet-moslims hoeven dat niet te doen. Zelf houd ik ze voor vrome fantasie.
.
Hoe de ziekte van Mohammed zich in de nieuwere tijd heeft ontwikkeld volgt in deel 2.

NOTEN
1. Volgens de oudste bronnen (bijv. Ibn Isḥāq, Sīra 999–1011) begon zijn sterfbed met zware hoofdpijn. Had hij een hersenbloeding, een hersentumor, een meningitis of was de hoofdpijn secundair, veroorzaakt door een andere ziekte? We weten het niet en speculeren is volkomen zinloos: de bronnen spreken slechts van hoofdpijn. Een tekst deelt mee dat de profeet weigerde, zich een (tover?)drank uit Ethiopië te laten toedienen. Op een andere plaats vernemen we dat hij een verband om zijn hoofd droeg en te zwak geworden om het gebed te leiden. Bij iemand die bijna dood is, is dat niet verbazend. Over de dood van profeet zie hier.
2. Ibn Ishāq, Sīra 151–4.
3. Theophanes, Chronographia 1, 333-4: ἀπόρου δὲ καὶ ὀρφανοῦ ὄντος τοῦ προειρημένου Μουάμεδ, ἐδοξεν αὐτῷ εἰσιέναι πρός τινα γυναῖκα πλουσίαν, συγγενῆ αὐτοῦ οὖσαν, ὀνόματι Χαδίγαν, μίσθιον ἐπὶ τῷ καμηλεύειν καὶ πραγματεύεσθαι ἐν Αἰγύπτῳ καὶ Παλαιστίνη. κατ’ ὀλιγον δὲ παρρησιασάμενος ὑπεισῆλθε τῇ γυναικὶ χήρα οὖσῃ, καὶ ἔλαβεν αὐτὴν γυναῖκα καὶ ἔσχε τὰς καμήλους αὐτῆς καὶ τὴν ὓπαρξιν. ἐρχόμενος δὲ ἐν Παλαιστίνῃ συνανεστρέφετο Ἰουδαίοις τε καὶ Χριστιανοῖς. ἐθηρᾶτο δὲ παρ’ αὐτῶν τινὰ γραφικά, καὶ ἔσχε τὸ πάθος τῆς ἐπιληψίας. καὶ νοήσασαι ἡ τούτου γυνὴ σφόδρα ἐλυπεῖτο, ὡς εὐγενὴς οὖσα καὶ τῷ τοιούτῳ συναφθεῖσα οὐ μόνον ἀπόρῳ ὄντι, ἀλλὰ καὶ ἐπιληπτικῷ. τροποῦται δὲ αὐτὸς θεραπεῦσαι αὐτὴν οὓτω λέγων, ὃτι ὀπτασίαν τινὰ αγγέλου λεγομένου Γαβριὴλ θεωρῶ, καὶ μὴ ὑποφέρων τὴν τούτου θέαν ὀλιγωρῶ καὶ πίπτω. (@Wat ὀλιγωρῶ hier betekent is me onduidelijk; ik moet het in de UB in een speciaal woordenboek naslaan.)
4. […] apparuit quidam Mahometus arabs, qui primum diues factus per quandam viduam, quam in uxorem duxit, Et post haec princeps latronum factus in tantam prorupit superbiam, ut et rex Arabum fieri voluerit. Sed quia ipsi non susceperunt eum, quia de genere et opinione vilis erat, finxit se esse prophetam. Et cum comitiali morbo laboraret, ne firmiter quis eo detentus esse crederet, continue cadens, dicebat angelum cum eo colloqui. Dabat autem post haec responsiones quasdam, quas, ut dixit, audiebat quasi per modum campanæ circumsonantis auribus eius. Riccoldo, Confutatio, bronverwijzing volgt@; Luther, Verlegung hst. 13. Wie Luthers vertaling van dit fragment wil zien vindt het in de Duitse versie van mijn tekst.
5. Muslim, Sahīh, Fadā’il 87: أن الحارث بن هشام سأل النبي ص: كيف يأتيك الوحي؟ فقال: أحيانًا يأتيني في مثل صلصلة الجرس وهو أشدُّه عليه ثم يفصِم عنّي وقد وعيته، وأحيانًا ملَك في مثل صورة الرجل فأعي ما يقول.
Ook Ezechiël (1:28) zegt bij zijn roeping een hard geluid gehoord te hebben: ‘Toen hoorde ik het geluid van hun vleugels. Het klonk als het gebulder van de zee, als de stem van de Ontzagwekkende, als het rumoer van een mensenmassa, als een dreunend leger.’

BIBLIOGRAFIE
– Norman Daniel, Islam and the West, Oxford 1960, 1993.
– Ibn Isḥāq, Sīra: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen, 2 dln., 1858–60.
– Martin Luther: Verlegung | des Alcoran | Bruder Richardi | Pre-|diger Ordens | An-|no. 1300 | Verdeudscht durch | D. Mar. Lu., Wittemberg 1542, Kap. 13. Het is veelvuldig aanwezig in het internet; gewoon googelen. Het is altijd leuk, zo’n heel oud boekje onder ogen te krijgen, al is het maar online.
– Theophanes: Theophanis Chronographia, uitg. Carl de Boor. 1. Textum Graecum continens, Leipzig 1883, reprint Hildesheim 1980.
– Theophanes: The chronicle of Theophanes Confessor. Byzantine and Near Eastern history A.D. 284–813, transl. with introd. and commt. by Cyril Mango and Roger Scott, with the assistance of Geoffrey Greatrex, Oxford 1997, reprint 2006.
– John V. Tolan, Faces of Muhammad. Western Perceptions of the Prophet of Islam from the Middle Ages to Today, Princeton & Oxford 2019.

Diacritische tekens: Ḥirāʾ, Ṣaḥīḥ, Faḍā’il, Ḥārith 

Terug naar Inhoud

Een andere Oriënt: Guibert de Nogent

Waar ligt de Oriënt? In een andere bijdrage heb ik duidelijk gemaakt dat de Oriënt vooral een Europees hersenspinsel is. Welke Europeanen hebben als eersten over de Oriënt gesproken als een buitenlands en volkomen ander deel van de wereld?
Dat de oude Grieken, met name de Atheners, de Perzen beschouwd zouden hebben als wezenlijk anders en ongeneeslijk oriëntaals, is al als een mythe uit de negentiende eeuw ontmaskerd.
.
In de afgelopen eeuwen meende men dat de Oriënt begon bij de Turkse grens en op zijn minst de hele islamitische wereld omvatte. Maar de grens tussen oost en west was niet altijd die tussen christendom en islam. John Tolan heeft enkele bladzijden gewijd aan de Franse abt Guibert de Nogent (± 1055–1125), een theoloog, historicus en autobiograaf die de grenslijn duidelijk anders trok.1 Hij schreef in 1109 de verhandeling Dei Gesta per Francos, over de werken die God door de Franken had verricht. Daarmee bedoelde hij vooral de verovering van Jeruzalem op de Saracenen in 1099, gedurende wat tegenwoordig de Eerste Kruistocht heet. Maar als Guibert het woord orientalis gebruikt doelt hij niet alleen op die verderfelijke islamitische Saracenen, maar vooral op de Griekstalige christenen in het Oosten—en hij zal niet de enige geweest zijn.
.
In de elfde eeuw hadden de Saracenen in Europa inderdaad angst, irritatie en weerzin gewekt. Het Fatimidische Rijk, dat liep van Tunesië tot en met Syrië, was een formidabele macht. Christelijke pelgrims uit West-Europa werd soms belet de bedevaart naar Jeruzalem te maken, en de grillige kalief al-Ḥākim had in 1009 zelfs de Heilig Grafkerk in die stad laten afbreken, een daad die in Europa de hele eeuw na-echode en een van de drijfveren voor de kruistocht werd. In Anatolië werd het Oost-Romeinse Rijk onder de voet gelopen door Turkse Seldjoeken, vooral na de slag bij Manzikert (tegenwoordig Malazgirt) in 1071.
.
Wat Guibert echter minstens zo zeer bezighield was de situatie in de christelijke wereld. Het Schisma tussen de Latijnse kerk van Rome en de Griekse van Constantinopel kreeg zijn beslag in 1054, maar had natuurlijk een lange aanloop van theologische en politieke conflicten gehad en hield de geesten ook nog lang daarna bezig. Over oriëntaalse christenen had Guibert geen gunstig oordeel: 

  • Echter het geloof van de oosterlingen, dat nooit stabiel was geweest maar altijd grillig en wankel, altijd op zoek naar nieuwigheden en afwijkend van het richtsnoer van het ware geloof, wendde zich tenslotte af van het gezag van de oude kerkvaders. Kennelijk hebben deze mensen, door de zuivere lucht en heldere hemel in hun geboorteland, ten gevolge waarvan hun lichamen lichter zijn en hun verstand dus beweeglijker is, de gewoonte hun briljante intelligentie te verspillen aan talrijke zinloze commentaren. Het beneden zich achtend de leer van ouderen of tijdgenoten te volgen, zinnen zij op ongerechtigheden en al zoekend matten zij zich af (Psalm 63 of 64:7). Dit leidde tot allerlei ketterijen en pestilenties […] zij waren de aardbodem omwille van hun leraren vervloekt, doornen en distelen voortbrengend voor degenen die het bewerkten (Genesis 3:17, 18). Uit Alexandrië kwam Arius voort, uit Perzië Manes. De waanzin van de ene scheurde en bebloedde bij voortduring de mantel van de Heilige Kerk, die tot dan toe vlek noch kreukel had gehad […]. De verzinsels van de andere, hoe belachelijk ook, stompten ook de scherpste geesten wijd en zijd af door allerlei trucs.2

Volgens Tolan zijn tot die ketterijen te rekenen: het gebruik van gedesemd brood bij de eucharistie, het gebrek aan respect voor de Paus, gehuwde priesters en allerlei misvattingen over de Drieëenheid. Om deze dwalingen liet God het oostelijk deel van het rijk in handen vallen van Arabische veroveraars.3
.
Het Oosten is niet alleen zwak in de godsdienst, maar ook in politiek opzicht onserieus:

  • Als we ons de vroege geschiedenis van de oorsprong van hun rijken te binnen brengen en praten over de belachelijke aard van hun koningen, moeten we ons verbazen over de Aziatische wispelturigheid waarmee heersers [telkens] plotseling werden afgezet en vervangen.4

Ooit roemrijke kweekbedden van het christendom verkommeren volgens Guibert; daarentegen bloeien de vitale West-Europese christenen:

  • De bij uitstek roemruchte steden Antiochië, Jerusalem en Nicea en de provincies Syrië, Palestina en Griekenland, van waaruit de zaadjes der nieuwe genade zijn opgekomen, hebben hun innerlijke kracht in de wortel verloren, terwijl de Italiaanse, Gallische en Britse zijloten bloeien.5

Let wel: dit schreef hij in 1109, over steden en streken in het oosten waar het leven nog altijd op een aanzienlijk hoger niveau stond dan in West-Europa. Wat was Noord-Frankrijk helemaal in die tijd? Een dun bevolkt, modderig land met hier en daar een kil kasteel of klooster. Het klinkt als de voorafschaduwing van koloniale arrogantie.

De Kruisvaarders ervoeren ook de verraderlijkheid van de oosterlingen op militair gebied, bij voorbeeld in Antiochië. Die huichelaars beweerden christenen te zijn, maar waren dat volgens Guibert slechts nominaal:

  • De Armeniërs en Syriërs echter, anders dan, zoals ik al zei, de Turkse kameelruiters, die de hele bevolking van de stad vormden, omdat zij in de stad zelf woonden, en die beweren christenen te zijn, bezochten de onzen dikwijls, en vertelden [de Turken] waar ze bij ons achterheen hadden gezeten. Want met de lijm van hun voortdurende praatjes vingen zij de Franken en fluisterden allerlei vleierij in hun oren, hoewel ze hun eigen vrouwen de stad niet eens uit lieten. Als zij de Franken verlieten en terugkeerden brachten zij aan de Turken alle informatie over die ze daar konden vergaren aangaande de zwakheden aan de christelijke kant.6

Voor Guibert was Mohammed (‘Mathomus’) de laatste van een lange lijst ketters.

  • Volgens de populaire mening was er een man, wiens naam als ik het goed heb Mathomus was, die hen indertijd geheel en al wegvoerde van het geloof in de Zoon en de Heilige Geest. Hij onderwees hen, alleen de persoon van de Vader als de enige scheppende God te erkennen, en zei dat Jezus zuiver mens was.7

Mohammed was dus een heresiarch, de allerergste van de oosterse ketters, maar niet wezenlijk verschillend van hen. Tegelijkertijd was hij door God gezonden als de gesel die hen moest straffen.
.
In Dei Gesta valt het Westen samen met de Latijnse kerk van Rome, terwijl de Oriënt zowel de Griekse kerk van Constantinopel als de Saracenen omvat. 

VOETNOTEN
1. Tolan, Faces, 48–54.
2. Orientalium autem fides cum semper nutabunda constiterit et rerum molitione novarum mutabilis et vagabunda fuerit, semper a regula veræ credulitatis exorbitans, ab antiquorum Patrum auctoritate descivit. Ipsi plane homines pro aeris et celi cui innati sunt puritate cum sint levioris corpulentiæ et idcirco alacrioris ingenii, multis et inutilibus commentis solent radio suæ perspicacitatis abuti et, dum maiorum sive coevorum suorum despiciunt obtemperare magisterio, scrutati sunt iniquitates, defecerunt scrutante scrutinio: inde herese et pestium variuarum genera portentuosa […] ipsi fuerunt terra in suorum maledicta magistrorum opere, spinas et tribulos germinans operantibus se. Ex Alexandria Arrius, ex Perside Manis emersit: alterius rabies sanctæ æcclesiæ vestem, maculam aut rugam habentem, tanta scidit atque cruentavit instantia […] alterius fabulæ, etsi ridendæ, argutissimorum etiam virorum longe lateque obtuderunt quasi prestigiis quibusdam acumina. Guibert, Dei gesta 89–90, Deeds of God 30.
3. Tolan Faces 49.
4. Recolamus veteres de originibus regnorum Historias, et garriamus super ridiculo statu regum et Asiaticam levitatem super subita principum destitutione ac restitutione miremur. Guibert, Dei gesta 91, Deeds of God 30.
5. Predicatissimæ nobilitatis urbes Antiochia, Iherusalem ac Nicea, provinciæ etiam Syria, Palestina et Grecia, e quibus novæ gratiæ seminaria pullularunt, abortivis florentibus Italis, Gallis, Britonibus, ab interno virore radicitus defecerunt. Guibert, Dei gesta 92, Deeds of God 31.
6. Armenii autem et Syri, ex quibus præter, ut sic dixerim, Turcos epibatas, tota urbs illa constabat, cum urbem ipsam incolerent, et Christianæ sese titulo conditionis efferrent, crebro nostros invisere; et esse eorum universum addiscere, et suis quæ apud nostros aucupati fuerant nuntiare. Cum enim Francos suæ assiduæ confabulationis visco allicerent, et se a Turcorum facie fugitare, multæ adulationis lenocinio, nostrorum auribus mussitassent, uxores tamen proprias excedere, nullatenus ab urbe sinebant, et ad ipsas, digressi a Francis, postliminium facientes, quæ istinc subintelligere poterant, ad Turcos Christianorum partium infirmiora ferebant. Guibert, Dei gesta 171, Deeds of God 75–6.
7. Plebeia opinio est quemdam fuisse, qui, si bene eum exprimo, Mathomus, nuncupetur, qui quondam eos a Filii et Spiritus sancti prorsus credulitate diduxerit, solius Patris personæ, quasi Deo uno et creatori inniti docuerit, Iesum purum hominem dixerit […] Guibert, Dei gesta 94, Deeds of God 32.

BIBLIOGRAFIE
– Guibert de Nogent, Dei gesta per Francos et cinq autres textes, uitg. Robert B.C. Huygens, Turnhout 1996. Een oudere, electronisch toegankelijke editie staat in Migne, Patrologia Latina 156:0679–0837:
– Guibert de Nogent, The Deeds of God through the Franks. A translation of Guibert de Nogent’s Gesta Dei per Francos, vert. Robert Levine, Rochester NY 1997. Online naar verluidt verkrijgbaar via Project Gutenberg, maar in Duitsland is dat geblokkeerd. Ik heb deze vertaling gebruikt, maar in het bovenstaande niet overal gevolgd.
– John V. Tolan, Faces of Mohammed. Western Perceptions of the Prophet of Islam from the Middle Ages to Today, Princeton & Oxford 2019.

Terug naar Inhoud

Godsbewijs: de Schepper voorkomt inflatie

🇩🇪 Vandaag weer eens een fragment uit het Arabische, overwegend christelijke werkje Kitāb al-i‘tibār fī al-malakūt van Djibrīl ibn Nūh,1 een collectie van ongeveer honderd teleologische godsbewijzen (arguments from design), waarschijnlijk uit de negende eeuw. Zie voor meer over dat boekje hier. Uit dezelfde tekst had ik al fragmenten gebracht over de slurf van de olifant, de domheid van babies, de penis van de man, de menselijke stem en het hijgende hert.

De zorg van de Schepper voor zijn schepselen is ook te zien aan de schaarste van de edelmetalen. Hij heeft het de mensen onmogelijk gemaakt, deze metalen zelf te maken. Als zij dat wel konden en dus onbegrensd goud en zilver ter beschikking hadden, zou het geld waardeloos worden en de handel daarmee onmogelijk worden. Daarvoor heeft de Grote Ontwerper de mensheid willen behoeden. In de woorden van Djibrīl: 

  • Overweeg hoe kostbaar goud en zilver zijn, en hoe het vernuft van de mensen te kort schiet wanner zij proberen het te vervaardigen, hoewel zij dat zielsgraag willen en zich er erg voor inspannen. Als zij de kennis die zij nastreven zouden verkrijgen, zou deze onvermijdelijk zo algemeen bekend worden in de wereld dat er veel te veel goud en zilver zou komen en de koers ervan zou kelderen en ze zouden waardeloos worden, zodat ze geen nut meer zouden hebben bij kopen en verkopen, transacties, belastingen die geheven worden voor de sultan, en als spaarpot voor het nageslacht. Het is de mens echter wel gegeven om messing te vervaardigen uit koper, glas uit zand en meer van dergelijke dingen die geen kwaad kunnen. Je ziet dus dat mensen hun gang mogen gaan met zaken die onschadelijk voor hen zijn en hun dat onmogelijk gemaakt wordt bij stoffen die schadelijk voor hen zouden zijn als ze die verkregen.1

Niet alleen het zelf maken van edelmetalen is de mens ontzegd, ook de winning ervan in mijnen e.d. blijft beperkt, hoewel de voorkomens enorm zijn:

  • Mijnwerkers hebben ons verteld dat zij eens zeer diep in een bepaalde mijn doordrongen en terecht kwamen op een plek waar zij iets zagen als bergen van zilver. Maar vóór die plek liep er een enorme, onpeilbaar diepe rivier met een sterke stroming, zonder enige mogelijkheid om die over te steken. Later gingen zij terug om die plek te zoeken, maar ze konden hem niet meer vinden en gingen teleurgesteld heen.
    Overweeg nu hoe de schepper het ontworpen heeft. Hij wilde zijn knechten zijn almacht en de omvang van zijn schatten tonen om hun te laten weten dat hij, als hij hun bergen zilver wilde schenken, dat kon doen. Maar dat zou niet goed voor hen zijn, want het zou zijn zoals we al zeiden: het metaal zou in waarde dalen onder de mensen en van weinig nut zijn. Stel bij voorbeeld dat er onder de potten of andere voorwerpen die mensen kunnen maken iets buitengewoons verschijnt. Zo lang het bijzonder en zeldzaam blijft zal het duur zijn en zijn prijs houden, maar als het in overvloed ter beschikking komt zal de waarde dalen en de prijs zal kelderen. Hierin ligt de bevestiging van wat iemand eens heeft gezegd: ‘De kostbaarheid van dingen hangt af van hun schaarste.’ 2

De auteur, die uit Irak stamde, had blijkbaar nooit gehoord dat in het Westafrikaanse Ghāna 3 goud helemaal niet schaars was. Dat land stond namelijk bekend om zijn legendarische voorkomens van goud; het was als het ware het Eldorado van Afrika. Het goud groeide daar, naar men beweerde, als planten: ‘Goud groeit in het zand van dat land als peentjes; het wordt geplukt bij zonsopgang.’ 4 Welnu, in Ghāna was het niet de Schepper, maar een wijze koning die inflatie voorkwam: ‘De goudklompjes die worden gevonden in alle mijnen van zijn land zijn gereserveerd voor de koning. Hij laat ze niet uit zijn land naar een ander land gaan. Die klompjes kunnen van een ons tot een pond wegen. Zij laten alleen stofgoud het land uit. Als zij alles wat er in de mijnen gevonden werd het land uit zouden laten, zou er te veel goud in handen van de mensen komen en zou het zijn waarde verliezen.’5

Deze koning was niet de enige: vele vorsten hebben hun schatkamers volgeladen, en later deed de kerk hetzelfde, bij voorbeeld in Spanje, waar veel van het nieuwe goud uit Amerika niet op de markt kwam, maar ‘onschadelijk werd gemaakt’ in dure kerkelijke kunst. Alles indachtig de basisregel van de economie: ‘De kostbaarheid van dingen hangt af van hun schaarste.’

NOTEN:
1. Ook bekend als Dalā’il al-i‘tibār. Het werkje wordt vaak toegeschreven aan al-Djāhiz (gest. 868). De eerste (niet-kritische) uitgave verscheen in 1928 in Aleppo. Ik heb de tekst uit handschriften vastgesteld; nadere gegevens houd ik nog even voor me.

ثم فكر‏ في‏ عزة الذهب والفضّة‏ وقصور حيلة‏ الانس عمّا حاولوا من‏ صنعتهما على حرصهم واجتهادهم في‏ ذلك‏. ‏ فإنهم لو ظفزوا بما حاولوا من هذا العلم‏ كان لا محالة‏ سيظهر ويستفيض في‏ العالم حتّى‏ يكثر‏ الذهب والفضة‏ ويسقط عند الناس فلا تكون لهما قيمة ويبطل الانتفاع بهما في‏ الشراء والبيع والمعاملات والاتاوة‏ التي‏ تُجبَى الى السلطان والذخر‏ الذي‏ يذخر للأعقاب‏. وقد أعطي‏ الناس مع هذا صنعة‏ الشبه من النحاس والزجاج من الرمل وما أشبه ذلك مما لا مضرّة فيه‏. فانظر كيف أعطوا ارادتهم فيما لا‏ ضرر عليهم فيه ومنعوا ذلك فيما كان ضارّاً‏ ‏ لهم لو نالوه‏.

2.

أخبرنا أناس ممن يزاول المعادن أنّهم‏ أوغلوا في‏ بعضها فانتهوا الى موضع رأوا فيه أمثال الجبال من الفضّة،‏ ومن دون ذلك وادٍ‏ عظيم‏ يجري‏ منصلتًا بماء‏ غزير لا يدرك‏ غوره‏ ولا حيلة في‏ عبوره‏. ثم عادوا‏ يطلبونه فلم‏ يقفوا عليه فانصرفوا آسفين‏.
‏ ففكِّر الآن في هذا من تدبير الخالق‏. فانّه‏ جل ثناؤه أراد أن‏ يري‏ العباد قدرته وسعة خزائنه ليعلموا أنّه لو شاء أن‏ يمنحهم كالجبال من الفضّة لفعل،‏ ولكنه لا صلاح لهم في‏ ذلك،‏ لأنّه كان‏ يكون كما ذكرنا‏ بسقوط هذا الجوهر عند الناس وقلّة انتفاعهم به‏. واعتبر ذلك بأنّه قد‏ يظهر الشيء الطريف مما يُحدثه الناس من الأواني‏ والأمتعة‏. فما دام عزيزًا قليلاً‏ فهو نفيس جليل‏ آخذ للثمن،‏ فاذا فشا وكثر في‏ أيدي‏ الناس سقط عندهم وخست‏ ‏ قيمته‏. وفي‏ هذا مصداق قول القائل‏ انّ‏ نفاسة الأشياء من عزتها‏.

3. Dit historische Ghāna lag een flink stuk ten Noordwesten van de moderne staat Ghana, ongeveer in het huidige Mali; het moet een groot en machtig rijk zijn geweest.
4. Yāqūt ibn ‘Abdallāh al-Ḥamawī, Mu‘djam al-buldān, uitg. Ferdinand Wüstenfeld, 6 dln., Leipzig 1866–73, i, 822:  قال اين الفقيه: والذهب ينبت في رمل هذه البلاد كما ينبت الجزر وإنه يقطف عند بروغ الشمس . Dat deze goudplanten nu niet meer te vinden zijn ligt merkwaardigerwijze aan de islamisering van het gebied. Shihāb al-Dīn Ibn Faḍl Allāh al ‘Umarī, Al-ta‘rīf bil-muṣṭalaḥ al-sharīf, Cairo 1894, 27,6, wschl. beter in al-Droubi, A critical edition; beide niet ter beschikking, voor het ogenblik vertaald uit Corpus of early Arabic sources, 276:  ‘… for in Ghana and beyond it to the south are the places where gold grows and it has been found by experience that whenever the gold-plant land is taken and Islam and the call to prayer become widespread there the gold plant disappears from it.’
5. K. al-istibṣār 221:

أخبرنا أناس ممن يزاول المعادن أنّهم‏ أوغلوا في‏ بعضها فانتهوا الى موضع رأوا فيه أمثال الجبال من الفضّة،وإذا وجد في جميع معادن بلاد هذا الملك الندرة من الذهب اصطفاها الملك لنفسه ولم يتركها تخرج من بللده لغيره. و الندرة تكون من أوقية إلى رطل وإنما يتركون أن يخرج من بلادهم من الذهب ما كان رقيقًا، ولو تركوا كل ما يوجد في المعادن يخرج من بلادهم لكثر الذهب بأيدي الناس ولهان.

BIBLIOGRAFIE:
Corpus of early Arabic sources for West African History, vert. en uitg. J.F.P Hopkins & N. Levtzion, Cambridge [1981].
Kitāb al-istibṣār fī ‘aǧāʾib al-amṣār: waṣf Makka wa-‘l-Madina wa-Miṣr wa- bilād al-Maghrib / li-kātib marrākušī min kuttāb al-qarn as-sādis al-hiǧrī (12 m.), uitg. en commt. Sa‘d Zaghlūl ‘Abd al-Ḥamīd, A̓lexandrië 1958.
– Al-‘Umarī: Al-Droubi, Samīr, A critical edition of and study on Ibn Faḍl Allāh’s manual of secretaryship “al-Ta‘rīf bil-muṣṭalaḥ al-sharīf”, al-Karak 1992.

Terug naar Inhoud

Abd al-Malik als stichter van de islam

🇩🇪 Aan het begin van de islam staan de profeet Mohammed en de koran. Maar wat was dat voor een islam? De koran werd pas in de loop van de zevende eeuw tot een boek en stond als zodanig maar weinig mensen ter beschikking. De soenna (=handelwijze, overgeleverde norm) van de profeet werd pas later uitgewerkt; in de zevende eeuw was de belangrijkste soenna die van de kaliefen. De sharia bestond ook nog niet. Waren er al moslims? Zelf noemden zij zich in het begin ‘de gelovigen’, en het woord islam was ook nog niet gangbaar als aanduiding van de godsdienst.
De islam was nog niet uitgekristalliseerd; hij moest nog worden vormgegeven en daartoe heeft de Umayyadische kalief ‘Abd al-Malik (reg. 685–705) veel bijgedragen. Zo veel zelfs, dat hij als stichter of tweede stichter van de islam kan worden opgevat.

  • Een Umayyade als stichter van de islam? Menig moslim zal dat boos ontkennen: de Umayyaden waren immers moordenaars, zuipers, usurpators en nog veel meer! Kan zijn, maar ‘Abd al-Malik heeft een islam gesticht en die aan de openbaarheid gepresenteerd. Dat zijn islam afwijkt van het islamontwerp van latere schriftgeleerden, daar kon hij niets aan doen.

Toen ‘Abd al-Malik als kalief aantrad had hij met vele vijanden te kampen. Hij had van zijn vader weliswaar een reusachtig rijk geërfd, dat heel Perzië en de helft van het Oostromeinse rijk omvatte, maar dat rijk was er beroerd aan toe. Het oostelijk deel wilde niet vanuit de hoofdstad Damascus geregeerd worden, Sjiïeten en Kharidjieten rebelleerden en in zijn eerste regeringsjaren moest hij nog met een ander kalifaat afrekenen: dat van ‘Abdallāh ibn al-Zubayr (reg. 680–992). Die resideerde in Mekka; zijn broer Mus‘ab heerste als stadhouder over grote delen van Irak en Iran, terwijl de Umayyaden soms niet veel meer over hadden dan Damascus en Syrië. ‘Abdallāh en zijn broer klein te krijgen lukte ‘Abd al-Malik in 692: beiden werden gedood, de burgeroorlog was voorbij. De kalief moet geschrokken zijn van de kloof die er gaapte tussen Syrië en het Arabische schiereiland, waar de gewoontes van de profeet en de vroegste gelovigen in ere werden gehouden. Nu kwam het erop aan, de eenheid te herstellen.

Geschiedsschrijving
De herenigde staat had behoefte aan een algemeen aanvaarde ideologie en stichtingsmythe, waarin Mekka en Medina een hoofdrol zouden spelen. Nu kwam ‘Urwa ibn al-Zubair (643–712) goed van pas. Nadat ‘Abd al-Malik diens broers ‘Abdallāh en Mus‘ab had laten doden spoedde de veel jongere ‘Urwa zich naar Damascus om zijn huid te redden door trouw te zweren aan de winnende kalief. Dat was een gewaagde stap, maar hij had succes. De kalief, die reeds om strategische redenen offciële rouw had afgekondigd voor Mus‘ab, zag af van de terechtstelling van ‘Urwa en besloot hem liever te gebruiken. ‘Urwa was de intellectueel van de familie, die nooit militair actief was geweest, maar zich in Medina in alle rust had gewijd aan de studie van de hadith, het recht en de profetenbiografie. De kalief liet hem terugkeren naar Medina en verzocht hem, de ware geschiedenis van de islam voor hem op te schrijven. Dat deed ‘Urwa: hij schreef een hele reeks ‘brieven’ (rasā’il) aan de kalief en later nog aan diens zoon al-Walīd. Deze teksten zijn van groot belang, want zij bevatten de kern van de profetenbiografie en van de vroegste geschiedenis van de beweging die sinds ‘Abd al-Malik ‘Islam’ heet. Latere auteurs grijpen vrijwel allemaal op ‘Urwa’s teksten terug. Die zijn beknopt, want fantastische verhalen stelde ‘Abd al-Malik niet op prijs. Later werden ze aangedikt en verrijkt.
‘Urwa was niet alleen de zoon van de vooraanstaande profetengezel al-Zubayr, maar ook van Asmā’, de dochter van de eerste kalief Abū Bakr. Diens jongere dochter Aisja was de weduwe van de profeet en ‘Urwa’s tante. Zo stamde hij van vaders- en van moederskant van de ‘vroege elite’ . Zijn geschriften ademen Arabië en zijn uitgesproken pro-Abū Bakr en diens familie. De vroegste islam, met zijn oriëntering (qibla) op Jeruzalem, was misschien toch een overwegend syrisch-palestijnse aangelegenheid geweest. De Rotskoepel was eindpunt en hoogtepunt van die ‘syrische islam’. Door ‘Urwa’s werk kregen de Arabische erfenis en de ‘vroege elite’ een ereplaats in de offciële leer. Mekka, de Ka‘ba en Medina werden nu belangrijker dan ooit; het Arabische schiereiland speelde voortaan weer volledig mee en zo werd potentiële rebellen, althans op het schiereiland, de wind uit de zeilen genomen.

De Rotskoepel
Toen de burgeroorlog nog woedde liet ‘Abd al-Malik op de voormalige tempelberg in Jerusalem de Rotskoepel bouwen, die in 692 gereed kwam. In het midden daarvan bevindt zich een groot rotsblok, waaromheen de pelgrims hun ronden konden draaien, net als in Mekka. Daarbij zagen ze inscripties, waarin enkele duidelijke uitspraken de triomf van de islam verkondigden, zoals bij voorbeeld: ‘De godsdienst bij God is islam’ (koran 3:19).
Waarom liet de kalief die Rotskoepel bouwen? Het ligt voor de hand het gebouw te interpreteren als een statement aan de christenen. Christenen vormden immers de overgrote meerderheid in het Westen van het rijk, en voor hen was Jeruzalem met zijn Grafkerk een plaats van uitnemend belang. In de kerk werd het Heilige Kruis bewaard, dat keizer Heraclius er pas in 630 had teruggebracht nadat het door de Perzen geroofd geweest was. De Rotskoepel was een vrijstaand nieuw gebouw, uitdagend door zijn ligging en zijn schoonheid, en door de inscripties erop en erin. Uit één daarvan wordt duidelijk wat over Jezus te denken is:

  • Christus Jezus, de zoon van Maria, is [slechts] Gods gezant en zijn Woord, dat Hij richtte tot Maria, en een geest van Hem. Gelooft dan in God en Zijn gezanten en zegt niet: ‘Drie’! Houdt daarmee op, dat is beter voor jullie. God is [slechts] één God, geprezen zij Hij! Dat hij een kind zou hebben! (koran 4:171)

Aan eeuwen van christelijk gehakketak over de natuur van Christus werd door deze en andere koranteksten een eind gemaakt. Ook Mohammed, dienaar en gezant van God, wordt in de inscripties vermeld; dat was tevoren in de openbaarheid nauwelijks ooit gedaan.
Met dit afscheid van het christendom werd de islam geboren, de Arabische islam. Geleidelijk verdween steeds meer joods en christelijk materiaal (isrā’īlīyāt) uit de verhalen en de genealogieën; er vond een duidelijke ‘ontbijbeling’ plaats. 

‘Abd al-Malik had grote verdiensten voor het rijk. Hij heeft de eenheid hersteld, binnenlandse vijanden klein gehouden en de keizer in Constantinopel zijn plaats gewezen. Hij heeft het bestuur en het belastingstelsel herzien en een monetaire hervorming uitgevoerd, waarbij hij uitstapte uit de Romeinse solidus, de Euro van die tijd. Arabisch maakte hij tot de officiële rijkstaal. Dat waren allemaal belangrijke prestaties, maar van blijvender invloed waren zijn benadrukking van een islamitische identiteit en zijn initiatief tot een islamitische geschiedsschrijving.

BIBLIOGRAFIE
– A. Görke und G. Schoeler, Die ältesten Berichte über das Leben Muḥammads. Das Korpus ‘Urwa ibn az-Zubair, Princeton 2008. (‘Urwa’s ‘brieven’ gebundeld in het Duitse vertaling en geanalyseerd.)
– Chase Robinson, Abd al-Malik, Oxford 2005.

Diakritische Zeichen: ‘Abd al-Malik, Muṣʿab, ʿAbdallāh, ʿUrwa, ʿĀisha

Zurück zum Inhalt

Al-Hakim: een gek op de troon?

🇩🇪 In ieder politiek stelsel komt wel eens een halve gare op de troon terecht. Nebukadnezar, Nero, Caligula, Iwan, Adolf, Bokassa en ettelijke anderen, ook in onze tijd. Uit de Arabische cultuurkring kan ik U aanbieden kalief al-Hākim (geb. 985, reg. 996–1021), heersend over een rijk dat zich uitstrekte van Tunis tot Noord-Syrië, met als hoofdstad Kairo. Hij behoorde tot de dynastie der Fātimiden, die sjiïtisch was, van de Ismaïlitische richting (de ‘zeveners’). Voor hen had een kalief, of imam zoals zij hem liever noemden, absolute macht en was zoiets als een demiurg of messias.

Dat al-Hākim geestelijk gestoord was meende reeds Yahyā al-Antākī, een christelijke arts en historicus, die in Egypte woonde tot hij het land in 1014 ontvluchtte. Volgens hem leed de kalief aan hersenkrampen en melancholie. Hoe uitte zich diens gekte? Hij volgde zijn vader op toen hij elf was. Op zijn vijftiende kreeg hij genoeg van zijn voogd, de eunuch Bardjawān, die hij tijdens een gezamenlijke wandeling liet vermoorden. Dat was de eerste manifestatie van zijn bloeddorstige neigingen. Een knappe jongeling zou hij persoonlijk hebben gedood en van zijn ingewanden hebben ontdaan; een dienaar zou hij met bijlslagen hebben omgebracht; meestal liet hij echter het doden aan zijn slaven over.

Al-Ḥākim probeerde orde te scheppen in zijn rijk door corruptie en machtsmisbruik aan het hof en in de bestuursorganen te bestrijden. Wat aanvankelijk een sympathieke zuiveringsactie leek werd al spoedig een schrikbewind. De kalief hield van snelrecht en de strafmaat was al gauw de doodstraf; daarbij werden ministers en de hoogste ambtenaren niet ontzien. Hij had de absolute macht en iemand laten ombrengen ging gemakkelijk, zoals hij al vroeg ervaren had. Tijdens zijn regering zijn er talloze mensen standrechtelijk veroordeeld en gedood. Bij het ‘volk’ was hij wel populair en stond hij zelfs als toegankelijk en rechtvaardig bekend.

Meer dan de helft van de inwoners van Egypte bestond uit christenen; joden waren er ook. De meeste moslims waren soennieten, terwijl de heerser sjiïtisch was. Omdat veel bestuursfuncties vanouds in christelijke handen waren, werden veel christenen slachtoffer van zijn ‘zuiveringen’. De kalief liet ook kerken, kloosters en enkele synagoges afbreken, hij onteigende zelfs zijn moeder en zuster van hun bezittingen en liet zijn oom Arsenius, de Griekse patriarch van Alexandrië en Jeruzalem (reg. 1000–1010), heimelijk vermoorden. Moeder was namelijk ook een christin, en wel een Grieks-Orthodoxe, dus georiënteerd op Constantinopel – de vijand! Er vonden gedwongen bekeringen tot de islam plaats — hoewel de koran dat verbiedt. Christenen en Joden moesten vernederende, onderscheidende kleding en kentekenen dragen, tot in het badhuis toe. Spectaculair was de sloop van de Heilige Grafkerk in Jeruzalem in 1009. Die echode nog na toen Europa tientallen jaren later tot de eerste Kruistocht besloot. Een paar jaar later dacht de kalief er weer anders over: kerken die waren gesloopt mochten weer worden opgebouwd, soms zelfs op staatskosten. Ex-christenen mochten desgewenst weer tot hun oude geloof terugkeren.

Vanaf 1003 begon het decreten (sidjillāt) te regenen, die het zedelijk leven in Egypte moesten verbeteren. In zijn jonge jaren had de kalief nog graag meegedaan met de volksfeesten in Fustāt (Oud Cairo). De christenen die daar woonden dronken veel en het kwam vaak tot excessen. Hij had het leuk gevonden toe te kijken als mannen op straat in gevecht raakten, zelfs als het in een bloedige veldslag ontaardde. Maar op een dag vond hij dat het te zeer uit de hand liep. Toen verbood hij per decreet de wijn en de deelname van vrouwen aan het nachtleven: zij moesten ’s avonds thuisblijven. Even later mochten ze ook overdag niet meer zonder begeleiding over straat. Boottochtjes werden voor vrouwen verboden. Nog later mochten mannen ook niet meer ’s avonds op straat: het hele nachtleven kwam tot stilstand. Wijn en alles wat daarmee te maken had zoals kruiken e.d. werden in het openbaar vernietigd; kroegen werden gesloten en wijnstokken ontworteld; zelfs de productie van honing werd beperkt om de vlucht in honingwijn onmogelijk te maken. Muziek, schaken en uitstapjes in de woestijn werden verboden. Erkers aan de straatkant werden verboden, evenals mulūkhīya, een groente, die Mu‘āwiya, de door de sjiïeten zo gehate gehate rivaal van ‘Alī, indertijd graag had gegeten.

Maar zelfs de soennitische moslims werden niet ontzien. Zij kregen te horen dat zij al die tijd een dwaalleer hadden aangehangen en werden opgeroepen zich te bekeren. Er werden cursussen over het sjiïtische geloof gegeven, waar de lokalen al spoedig te klein waren, omdat veel soennieten ernaar toe gingen, om hun baan of hun leven te behouden. Met allerlei decreten over voedsel en details van de eredienst werden zij verder lastig gevallen. Ooit had al-Hākim soennieten als gelijkwaardig met sjiïeten beschouwd, maar een aantal jaren werden zij haast even hard aangepakt als christenen. In zijn laatste regeringsjaren, toen de kalief meer naar de mystiek neigde, werd echter alles weer goed: het soennitische geloof werd weer erkend en het leek zelfs of sjiïet zijn nu niet meer van belang was.

Als er een decreet van al­-­­Hakim niet werd nageleefd of onuitvoerbaar was, zoals bij voorbeeld het alcoholverbod, trok hij het in en probeerde het later nog eens. Het vreemde was echter dat de decreten soms ook ‘zo maar’ werden ingetrokken, omdat de kalief op andere gedachten was gekomen. Hij stond inderdaad bekend om zijn grilligheid. Menig onderdaan besloot, als er weer een nieuw decreet in de lucht hing, een tijdje op het land te gaan wonen, zo mogelijk in het bezit van een vrijgeleide (amān).

In zijn laatste levensjaren werd al-Hakim asceet, droeg uit pure nederigheid een eenvoudig, zelden gewassen wit gewaad en sandalen en ging vaak alleen uit rijden op een ezel. Bij het volk werd hij nu geliefder, omdat hij veel rijkseigendommen cadeau deed aan mensen die iets kwamen vragen. Het uitgedunde hof vroeg zich intussen af, of hun gebieder nog toerekeningsvatbaar was. Te zelfder tijd verbleef er een propagandist in zijn paleis, die daar werkte aan een boek waarin hij de goddelijkheid van de kalief aantoonde. Die belette het hem niet.

In februari 1021 maakte hij op een nacht weer een eenzame rit op zijn ezel over de Muqattam-heuvel even buiten Cairo. Deze keer kwam hij niet terug. Enkele dagen later werd zijn bebloede kleding gevonden. Aan te nemen is dat hij was vermoord. Een verdwenen imam: koren op de molen van vele sjiïeten.

Nuance
Het bovenstaande heb ik samengeraapt uit het artikel van Canard dat in 1971 verscheen in de Encyclopaedia of Islam. Maar zijn al die dingen echt zo gebeurd? Als zo vaak stonden er geleerden op die het beeld nuanceerden, die nieuwe feiten ontdekten en oude als fake news ontmaskerden. Een beetje jammer is dat wel, want er is een enorme behoefte aan markante feiten en aan gruwelijke verhalen, maar de wetenschap is streng. Meestal blijkt uit zulk onderzoek dat die gekken zo gek nog niet waren, of althans niet helemaal knetter. De Babylonische koning Nebukadnezar (reg. 605—562 v. Chr.) was volgens Daniel 4:29–34 zeven jaar lang krankzinnig, maar die profeet was hem wel erg ongunstig gezind. En misschien heeft hij hem verward met koning Nabonidus (reg. 556–539 v. Chr.), die een tijd lang krankzinnig schijnt te zijn geweest was en enkele jaren in het Arabische Tayma heeft doorgebracht—voor een therapie? Moderne classici hebben al lang aangetoond dat ‘gekke’ keizers als Nero en Caligula weliswaar wreed en gewelddadig waren, maar daarnaast heel verstandige dingen hebben gedaan. Ook al-Ḥākim is het voorwerp van zulke kritische, nuancerende studies geworden, o.a. door Josef van Ess en vooral Heinz Halm. Hun studies maken duidelijk dat vele verhalen over al-Ḥākim van christenen stamden die onder hem geleden hadden, of van soennieten, die hem met terugwerkende kracht kapot wilden schrijven: reden genoeg om eens flink te overdrijven en de tyran een stuk gekker te maken dan hij misschien was.
.
Een aantal van zijn spectaculaire gruweldaden kan domweg geschrapt worden, als je bedenkt dat de auteurs christenen waren en hun klassieken kenden.
— Al-Ḥākim zou Oud-Cairo (Fustāt) in brand hebben gestoken en nog twee dagen genoeglijk vanaf een heuvel naar de reuzenfik hebben gekeken. Maar dat is natuurlijk recycling van het verhaal over de brand van Rome die op bevel van keizer Nero zou zijn aangestoken. In andere bronnen wordt nergens gesproken over een brand in Fusṭāṭ in die tijd en ook bij opgravingen is er niets van gebleken.
— Ook wordt verteld, dat hij zich zeven jaar niet waste, bij kaarslicht in een onderaards gewelf huisde, zijn haren tot leeuwenmanen liet uitgroeien en zijn nagels tot ze zo lang waren als adelaarsklauwen. Deze beschrijving lijkt verdacht veel op de gekte van koning Nebukadnezar zoals Daniël die beschreven had. In de ogen van christelijke historici een mooie parallel: Nebukadnezar moest als een gek ronddolen omdat hij de tempel van Jerusalem had verwoest; al-Ḥākim omdat hij daar de Grafkerk had laten afbreken.

De bizarre decreten blijken bij nader inzien grotendeels overeen te komen met regels uit het islamitische recht. Ook in andere omgevingen waren wel eens wijnvaten kapot geslagen, ook elders werden joden en christenen bij vlagen lastig gevallen met discriminerende voorschriften; alleen nooit zo nadrukkelijk en nooit allemaal tegelijk. Al-Hākims decreten vielen op omdat niemand die regels ooit zo streng toepaste. Dat zij telkens opnieuw moesten worden uitgevaardigd toont wel dat de bevolking zoveel rechtschapenheid niet gewend was. Vrouwen op straat en alcohol bleken domweg niet te onderdrukken. De sharia wordt in haar volle pracht alleen door scherpslijpers als uitvoerbaar beschouwd, en al-Hākim was er zo een. Hij was een fundamentalist die de sharia over de gehele linie serieus nam, voor zover hij het volhield. Dat was hij aan zich zelf en aan zijn stand verplicht: was hij niet de Messias? 

Aan de  andere kant moest de kalief de bevolking tevreden houden. Door de afschaffing van belastingen en tol volgde hij islamitische regels en verblijdde hij tegelijkertijd het volk. Helaas kon de staatskas het onmogelijk zonder deze inkomsten stellen, zodat ze toch weer moesten worden ingevoerd. Ook zijn decreten schafte al-Hākim soms weer af, als ze niet uitvoerbaar bleken of als daardoor de stemming onder het volk verbeterde. Zijn wisselvallige houding jegens de soennieten is ook te begrijpen: in moeilijke tijden kon hij geen grote massa’s boze soennieten gebruiken. Wat op het eerst gezicht zuivere willekeur leek was vaak toch een pragmatische strategie om aan de macht te blijven.

Een algemene christenvervolging was er niet: een dag na de sloop van een kerk kon er rustig een christen tot minister benoemd worden. De kalief kon ook niet al te streng zijn voor christenen: hij had ze hard nodig voor zijn bestuur. Incidentele plundering van kerken en kloosters gebeurde vaak domweg omdat de staatskas leeg was. Om dezelfde reden confiskeerde hij ook de erfenissen van de terechtgestelde functionarissen en het vermogen van zijn moeder.

Zelfs zijn voor mallotig gehouden gewoonte om in lompen nederig op een ezel rond te rijden staat in een traditie: het is het gedrag van een messias. Welnu, als sjiïtische kalief of imam wás al-Hākim een messias, zo vonden zijn aanhangers; hij was het alleen consequenter dan andere kaliefen.

Voor al-Hākim moet het regeren niet gemakkelijk zijn geweest. Soldaten van Noord-Afrikaanse en van Turkse afkomst streden voortdurend om de macht en moesten in toom gehouden worden. Als geestelijk leider of zelfs de messias, (volgens enkelen God zelf!) heerste hij over een rijk dat voornamelijk werd bevolkt door christenen en soennitische moslims; dat was al bijna om gek van te worden. Door zijn christelijke moeder had hij zelf een flinke christelijke component; dat moet hem dwars hebben gezeten.

Kortom: opvallend, maar niet helemaal knetter. Wel een overmatig strenge en onberekenbare heerser, die veel meer terechtstellingen op zijn conto had dan in die tijd gebruikelijk was. Hij stond dicht bij het volk, maar koesterde een groot wantrouwen tegen het hof en de hogere ambtenaren.

Alt Hist
Genuanceerde geschiedschrijving is één ding, er bestaat ook zoiets als propagandistische geschiedschrijving, die het beeld van een persoon geheel kan herzien. Stalin bij voorbeeld was, nadat sommige Russische historici en media de feiten opnieuw hadden geschud, een topmanager, een toffe peer, een pijproker onder wie het leven in de Sovjet-Unie, naar hij zelf zei, ‘beter, vrolijker is geworden,’
Over al-Hākim is dergelijke ‘geschiedschrijving’ o.a. te vinden in de EIr, de Encyclopaedia Iranica. Dit is een meestal voortreffelijk Engelstalig naslagwerk over alles wat met Iran en vooral de sjiitische islam te maken heeft.Al-Hākim was Egyptenaar, maar ook sjiïet en had dus recht op een artikel in de EIr. Dat artikel kan ik alleen maar partijdig noemen. Niets dan lof daar voor deze kalief, die zijn rijk zo mooi bij elkaar hield en in Syrië zelfs nog wist uit te breiden, die zich bekommerde om het zedelijk peil van zijn onderdanen en veel deed voor de wetenschap. Geen woord over de sloop van kerken, de talloze terechtstellingen, zijn bizarre decreten, vergoddelijking of eventuele gekte. De moord op zijn voogd Bardjawān heet hier bij voorbeeld: ‘the latter’s removal’ (mijn cursivering). Dat al-Hākim zo’n slechte pers had lag volgens de auteur alleen aan de vijandige houding van christelijke en soennitische historici.2  De auteur is Farhad Daftary, een vooraanstaande Ismaïliet, dus van dezelfde geloofsrichting als de kalief die hij behandelt.  

Volksepiek
Er is nog een genre dat zich met al-Hākim bezig heeft gehouden: het volksepos.3 Fantastische, vele banden tellende heldenverhalen over historische personen, of tenminste opgehangen aan hun namen, waren in de hele islamitische wereld wijd verbreid. Het publiek zal zulke verhalen vaak genoeg voor geschiedenis hebben gehouden. Ook aan kalief al-Hākim werd lang na zijn dood zo’n werk gewijd: de Sīrat al-Hākim.
Diens fictieve levensloop uit deze 1600 bladzijden samen te vatten is vergeefse moeite. Maar waar was de kalief uiteindelijk gebleven? Volgens serieuze historici was hij waarschijnlijk vermoord, volgens de Druzen was hij verdwenen, wat hun goed uitkwam. De soennitische volksvertellers ‘wisten’ echter dat hij niet op maar in de heuvel Muqattab (een verbastering van Muqattam) was verdwenen. Hij kende namelijk 360 schatten; alleen tot twee schatten had hij geen toegang gehad, in een grot in de berg. Zijn rivaal ‘Abd al-‘Azīz, die veel kennis had opgedaan uit magische boeken, gidste hem door het grottenstelsel in de berg, waar goud en juwelen lagen opgetast, en wist hem daar achter te laten. Zelf spoedde hij zich naar Cairo om daar de macht te grijpen en bloedwraak te oefenen voor de bloedige daden van de kalief.
De kalief zat dus diep in de berg ingesloten, maar voor spijs en drank werd op wonderbare wijze gezorgd. Jaren later vond zijn dochter hem daar, toen was hij nog maar net gestorven.
Bij deze geschiedenis is fact checking volledig zinloos.

NOTEN
1. Dit werk wordt geredigeerd en gefinancierd door Iraanse ballingen en Ismaïlieten buiten Iran. Van de Islamitische Republiek Iran is het onafhankelijk. Zie ook hier.
2. ‘Ḥākem also concerned himself with the moral standards of his subjects; many of his numerous edicts (sejellāt) preserved in later sources are of an ethico-social nature. He was also prepared to mete out severe punishment to high officials of the state who were found guilty of malpractice. Anṭāki and the Sunni historiographers have generally painted a highly distorted and fanciful image of this caliph-imam, portraying him as a person of unbalanced character with strange and erratic habits. However, modern scholarship is beginning to produce a different account on the basis of Ḥākem’s own edicts and the circumstances of his reign. As a result, Ḥākem is emerging as a tactful leader who was popular with his subjects.’
3. Ook wel volksroman genoemd, Arabisch: sīra sha’bīya. Neutraler is te spreken van epische vertelteksten. Over dit genre zie → Heath, Sīra.

BIBLIOGRAFIE
– Marius Canard, ‘al-Ḥākim bi-Amr Allāh,’ EI2.
– Farhad Daftary, ‘Ḥākem be-Amr-Allāh,’ Encyclopaedia Iranica, XI/6, blz. 572-573, online: http://www.iranicaonline.org/articles/hakem-be-amr-allah (laatst geraadpleegd op 8 april 2017).
– Josef Van Ess, Chiliastische Erwartungen und die Versuchung der Göttlichkeit. Der Kalif al-Hakim (386-411 H.), Abhandlungen der Heidelberger Akademie der Wissenschaften, Philosophisch-Historische Klasse, Jg. 1977, Abh. 2.
– Heinz Halm, Die Kalifen von Kairo. Die Fatimiden in Ägypten (973–1074), München 2003, blz. 167–304.
– Heinz Halm, ‘Der Treuhänder Gottes. Die Edikte des Kalifen al-Ḥākim,’ Der Islam 63 (1986), 11–72.
– Peter Heath, „Sīra sha‘biyya,“ EI2.
– Antje Lenora, Der gefälschte Kalif. Eine Einführung in die Sīrat al-Ḥākim bi-Amrillāh, Diss. Halle a.d. Saale 2011. Hier te downloaden.
– Claudia Ott, ‘Finally we know … why, how, and where caliph al-Ḥākim disappeared! Sīrat al-Ḥākim bi-Amrillāh and its Berlin Manuscript,’ in S. Dorpmüller (ed.), Fictionalizing the Past: Historical Characters in Arabic Popular Epic. Workshop held at the Netherlands-Flemish Institute in Cairo, 28th/29th of November 2007 in Honor of Remke Kruk, Leuven/Paris/Walpole MA, 2011, 63–72.

Diacritische tekens: Al-Ḥākim, Fāṭimiden, Yaḥyā al-Anṭākī, Fusṭāṭ, Muqaṭṭam, Muqaṭṭab

Terug naar Inhoud 🇩🇪

Het begin van Mohammeds profeetschap

Er bestaan enkele oude teksten waarin zonder enig verband met monotheïstische godsdiensten op het aanstaande profeetschap van Mohammed wordt gezinspeeld.

Al-Zuhrī heeft gehoord van ‘Urwa ibn al-Zubayr, en deze had het van Aisja: Toen God Mohammed wilde eren en door middel van hem de mensheid ontferming wilde betonen, begon het profeetschap met een waarheidbrengende droom. Als de Profeet een droom had was die zo helder als de dagenraad. En God gaf hem een hang naar de eenzaamheid; hij was het liefst alleen.1

In de tijd dat God hem wilde eren en het profeetschap wilde laten beginnen was de Profeet gewoon, als hij uitging voor zijn behoefte, ver weg te gaan, tot hij de huizen achter zich had gelaten en terechtkwam in de rotskloven en rivierbeddingen buiten Mekka. De Profeet kon geen steen of boom passeren of deze sprak: ‘Wees gegroet, gezant van God!’ De Profeet keek naar links en naar rechts en achterom, maar hij zag enkel bomen en stenen.2

Toen Mohammed nog bij zijn voedster was werd er kennelijk een onderzoek ingesteld naar zijn geschiktheid voor het profeetschap.

Hij zei: ‘Er kwamen twee mannen in witte kleren naar me toe; ze legden me op de grond, spleten mijn buik open en zochten iets daarin, ik weet niet wat.’3

In een variant op dit verhaaltje wordt er niets gezocht, maar moet Mohammed eerst gereinigd worden voordat hij geschikt is voor zijn hoge roeping. Maar daarna is hij dan ook bij uitstek geschikt:

[…] toen ik eens met een broertje achter onze tenten lammetjes aan het weiden was kwamen er ineens twee mannen in witte kleren aan met een gouden schaal vol sneeuw. Ze pakten mij vast en spleten mijn buik open, haalden mijn hart eruit en spleten ook dat open, ze haalden daar een zwarte bloedklomp uit en gooiden die weg; toen wasten ze mijn hart en mijn buik met de sneeuw tot ze die schoon hadden. Toen zei de een tegen de ander: “Weeg hem af tegen tien man van zijn volk!” Dat deed hij, en ik was zwaarder. Toen zei hij: “Weeg hem af tegen honderd van zijn volk!” Dat deed hij, en ik was zwaarder. Toen zei hij: “Weeg hem af tegen duizend van zijn volk!” Dat deed hij, en ik was zwaarder. Toen zei hij: “Genoeg, want ook als je hem zou afwegen tegen heel zijn volk zou hij zeker zwaarder zijn.”’4

Dat element reiniging is misschien over komen waaien uit de bijbelse verhalen over roepingsvisioenen van profeten; vgl. Jesaja 6:5.

Maar dikwijls richtte men zich in de verhalen over Mohammeds profeetschap wel degelijk tot christenen en joden Men wilde hun bewijzen dat Mohammed een profeet was. Zijn komst was immers in de schriften voorzegd en zijn roeping tot profeet werd daar ook beschreven. In het vroege Arabische rijk waren christenen en joden veruit in de meerderheid en onder hen waren er genoeg die zich afvroegen of Mohammed überhaupt een profeet was. Moslims spanden zich in om hun positieve antwoorden te geven: ja, Mohammed was een profeet; kijk maar.

Dat er een profeet zou opstaan onder de Arabieren konden christenen en joden, volgens de moslims, lezen in hun schriften. Waar in het oude Testament sprake is van de Messias, of een nieuwe profeet, of in het Nieuwe Testament van de komst van de Heilige Geest, werd dit verondersteld te slaan op Mohammed.
Enkele voorbeelden slechts: In Deuteronomium 18:18 wordt er tegen Mozes gezegd: ‘Ik zal in hun midden profeten laten opstaan zoals jij.’ Natuurlijk is Mohammed een van hen.
In Johannes 15:26 voorspelt Jezus de komst van een pleitbezorger (paráklitos, παράκλητος ; vroeger vertaald als ‘trooster’). In het Syrisch is dat munaḥḥemānā. Voor wie dat zo wil zien en niet al te taalkundig is geschoold lijkt dat erg op muḥammad.5
Sommigen moslims suggereren dat er in plaats van paráklitos gelezen moest worden periklitós (περικλυτός), wat ‘beroemd, befaamd, voortreffelijk’ betekent. Dat kon gemakkelijk voor een vertaling van aḥmad of muḥammad ‘geprezen’ doorgaan en ziedaar, ook zo zag men de komst van de profeet Mohammed in het Evangelie voorspeld.
De jonge Mohammed werd ‘herkend’ door de christelijke monnik Baḥīrā’, die het ‘zegel van het profeetschap’ tussen zijn schouders ontdekte,6 en ook door bezoekende Ethiopiërs die de jongen in Mekka te zien kregen.7 Als christenen konden zij allen weten wie hij was, omdat zij hem in hun schriften beschreven hadden gezien.
Er zijn nog meer teksten van deze soort; dit waren maar enkele voorbeelden.

Ook wat Uri Rubin noemt de ‘Khadīdja-Waraqa-story’8 moest de christenen ervan overtuigen, dat Mohammed de in de Schriften voorzegde profeet was.
Dat verhaaltje gaat als volgt: vlak voor zijn roeping tot profeet ondervond Mohammed vreemde tekenen: hij zag lichtverschijnselen en hoorde een stem, wat hem beangstigde. Hij vertelde het zijn vrouw Khadīdja, die hem moed insprak. Zij ging naar haar neef Waraqa ibn Nawfal, die christen was en een gestudeerd man. Deze begreep dadelijk dat Mohammed degene was die in de Schrift beloofd was.

Waraqa ibn Nawfal was christen en had de Schriften bestudeerd. Hij zou zelfs Hebreeuws hebben gekend—wat een prestatie was geweest, omdat de toenmalige Joden die taal nauwelijks meer beheersten.
Toen Mohammed Khadīdja wilde huwen droeg Waraqa enkele verzen voor waarin hij blijk gaf van zijn geloof in Mohammed.
Waraqa’s zuster probeerde zwanger te worden van Mohammeds vader, toen ze deze ontmoette bij de Ka‘ba. ‘Zij had namelijk gehoord van haar broer Waraqa ibn Nawfal, die christen was en de Schriften had bestudeerd, dat er onder dit volk een profeet zou opstaan.’ (Ibn Isḥāq, Sīra (W) 101.)
“Het wachten begon Waraqa lang te vallen; dikwijls verzuchtte hij: ‘Hoe lang nog?’”
Waraqa zou Mohammed toen hij als kind eens verdwaald was hebben thuisbezorgd.

In de eerste tekst waar ik tegenaan liep kwam Khadīdja wel voor, maar Waraqa niet:

[…] van Ḥammād ibn Salama, van Hishām ibn ‘Urwa, van ‘Urwa: dat de profeet zei: ‘Khadīdja, ik zie een licht en ik hoor een stem, ik ben bang dat ik een sjamaan (kāhin) ben.’ Zij zei echter: ‘Dat zou God je niet aandoen, zoon van ‘Abdallāh, jij bent eerlijk, geeft terug wat aan je in bewaring gegeven is en je eerbiedigt de familiebanden.’9 

Het is vrijwel onmogelijk dit soort teksten te dateren en dus te zien welke eerder zijn en welke later. Is Waraqa een latere toevoeging en waren christenen dus nog niet dadelijk de doelgroep? Mogelijk, want de vrees kāhin te zijn zal christenen niet hebben aangesproken; die herinnert eerder aan de koran, waarin herhaaldelijk wordt verklaard dat de profeet geen kāhin en geen bezetene is.

Hoe dan ook, een tekst mét Waraqa, of zullen we het de basistekst met Waraqa noemen? ziet er zo uit:

… van Ḥammād ibn Salama, ik meen van Ibn ʿAbbās, dat de profeet zei: ‘Khadīdja, ik hoor een stem en ik zie een licht en ik vrees dat ik bezeten ben.’ Zij zei echter: ‘Dat zou God je niet aandoen, zoon van ‘Abdallāh.’ Daarop ging zij naar Waraqa ibn Nawfal en vertelde het hem. Hij zei: ‘Als hij de waarheid spreekt is dit de nāmūs zoals de nāmūs van Mozes. Als ik nog leef als hij gezonden wordt zal ik hem sterken en helpen en in hem geloven.’10 

Hier geen sjamaan (kāhin) maar bezetenheid: ook dat klinkt koranisch. Waraqa weet waar de stem en het licht vandaan komen: het is de nāmūs, het Griekse woord nómos (νόμος), ‘gewoonte’; ‘wet’; in de Septuaginta is het de vertaling van Hebr. thora, ‘onderricht’, bijv. in Deut. 33:4 ‘Mozes gaf ons zijn onderricht’. Onderrichting van boven, een openbaring zoals bij de eerdere profeet, is dus in aantocht.

Van het Khadīdja-Waraqa-verhaal bestaan varianten; het ziet ernaar uit dat het in de loop van de tijd steeds uitgebreider werd.

… dat de profeet tegen Khadīdja zei: ‘Telkens als ik alleen buiten loop word ik toegeroepen. Ik ben bang dat het je-weet–wel is.’ Zij zei echter: ‘O nee, dat zou God je niet aandoen, jij geeft terug wat aan je in bewaring gegeven is, jij eerbiedigt de familiebanden en jij bent eerlijk.’ Toen Abū Bakr langs kwam, op een ogenblik dat de profeet niet thuis was, vertelde Khadīdja hem wat er aan de hand was en zei: ‘Atīq, ga jij met Mohammed naar Waraqa.’ Toen de profeet thuiskwam nam Abū Bakr hem bij de hand en zei: ‘Kom, we gaan naar Waraqa.’ ‘Wie heeft het je verteld?’ vroeg hij. ‘Khadīdja,’ antwoordde hij. Ze gingen naar hem toe om het hem te vertellen. Mohammed zei: ‘Telkens als ik alleen buiten loop wordt er achter mij geroepen: Mohammed, Mohammed!’ en dan loop ik hard weg.’ Waraqa zei: ‘Doe dat niet; als hij weer komt, blijf dan staan tot je hoort wat hij zegt en kom dan naar mij toe en vertel het mij.
Toen hij weer alleen uitging riep [de stem] hem toe: ‘Mohammad! Zeg: In naam van God, de barmhartige […] (volgt de Fātiḥa, de eerste soera geheel)’ en zeg: ‘Er is geen god dan God.’
Daarop ging hij naar Waraqa en vertelde het hem. Hij zei: ‘Wees blij, wees blij: ik belijd dat jij degene bent die de zoon van Maria heeft aangekondigd, en dat jij zoiets als de nāmūs van Mozes [hebt ontmoet]. Je bent een profeet die gezonden is en jou zal na vandaag worden opgedragen djihād te voeren. Als ik die dag nog beleef zal ik met je strijden.’
Toen Waraqa stierf zei de profeet: ‘Ik heb de priester in het paradijs gezien, met zijden kleren aan, omdat hij mij voor waar gehouden heeft en in mij geloofd heeft.’11 

Het verhaal krijgt steeds meer trekken een roepingsvisioen, naar analogie van de visioenen van de oudtestamentische profeten. De profeet krijgt de openbaringstekst door een stem aangereikt. In dit geval is het soera 1, meestal is het soera 96:1–5, en er zijn nog andere koranfragmenten geweest die de rol van ‘eerste openbaring’ hebben gespeeld.12 De rol van Waraqa als bevestiger blijft overheersend; met het bijzondere eerbewijs dat God hem verleent wordt die zelfs nog meer benadrukt.
Secundair is het optreden Abū Bakr, de latere eerste kalief, die Mohammed introduceert bij Waraqa. Dat was nergens voor nodig: Khadīdja was een neef van Waraqa en had directe toegang tot hem. Een voorbeeld van opdringerige name dropping in het kader van ‘Verdiensten der Gezellen’: iemand moest nodig even de naam van een beroemde gezel van de profeet in een verhaal persen dat niet over hem gaat.
Wie de ‘hij’ is die Mohammed toeroept blijft ook hier oningevuld. De stem die Mohammed hoorde kon nu moeilijk meer uit een steen of boom komen: het moest een engel zijn, net als in de roepingsvisioenen van de oudere profeten.

Dat vinden we terug in een ander soort teksten, die zich op de chronologie van Mohammeds leven concentreren. Blijkbaar wilde men die engel niet Gabriël laten zijn: die wordt bewaard voor het echte roepingsvisioen, dus het was een andere engel en ook die moest een naam hebben, al was niet iedereen het erover eens welke dat was:

[…] van al-Sha‘bī: [De engel] Mīkāl (Michaël) werd opgedragen de profeet, toen deze veertig jaar oud was, drie jaar lang over de zaken van het profeetschap te onderrichten. Toen hij drieënveertig was werd Gabriël daarmee belast. De koran werd hem in Mekka gedurende tien jaar geopenbaard en in Medina ook tien jaar. […]13

Volgens een andere overlevering was het Isrāfīl:

[…] van Dāwūd ibn Abī Hind, van ‘Āmir: De profeet was veertig jaar oud toen het profeetschap hem werd geopenbaard en [de engel] Isrāfīl was drie jaar bij hem; daarop werd hij teruggetrokken en werd hem Djibrīl (Gabriël) toegevoegd, tien jaar in Mekka en tien jaar in Medina. […]14 

Michaël wordt elders nog hier en daar in dit verband genoemd; Isrāfīl niet, waarschijnlijk omdat hij niet in de koran voorkomt en Michaël wel (koran 2:98).

De ‘Khadīdja-Waraqa-story’ ontwikkelt zich tot een lang verhaal over de eerste koranopenbaring aan Mohammed. Misschien kent U het, het wordt dikwijls geciteerd. Dit verdient nog nadere bestudering.

Wordt vervolgd

NOTEN
1. Ibn Isḥāq, Sīra (W) 151.
2. Ibn Isḥāq, Sīra (W) 151; Ibn Sa‘d, Ṭabaqāt i, 157.
3. Ibn Isḥāq, Sīra (W) 105.
4. Ibn Isḥāq, Sīra (W) 106.
5. Ibn Isḥāq, Sīra (W) 150; daar de gehele Johannesepisode, de teskt is echter corrupt.
6. Ibn Isḥāq, Sīra (W) 115–7; vgl. echter koran 33:40.
7. Ibn Isḥāq, Sīra (W) 107.
8. Rubin, Eye 103–12. Ik volg Rubin’s chronologische ordening van de teksten.
9. Ibn Sa‘d, Ṭabaqāt i, 195.
10. Ibn Sa‘d, Ṭabaqāt i, 195, infra.
11. Ibn Isḥāq, Sīra (Y) no. 157.
12. Rubin, Eye 104, noot 4.
13. ‘Abd al-Razzāq al-Ṣan‘ānī, Muṣannaf iii, 6785.
14. Ibn Sa‘d, Ṭabaqāt i, 191

BIBLIOGRAFIE
– Harris Birkeland, The legend of the opening of Muhammed’s breast, Oslo 1955.
– Ibn Isḥāq, Sīra (W): Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 444; gedeeltelijke Ned. vertaling: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000.
– Ibn Isḥāq, Sīra (Y), versie van Yūnus ibn Bukayr: Sīrat ibn Isḥāq, al-musammāt bi-kitāb al-mubtada’ wal-mab’ath wal-maghāzī, uitg. Muḥammad Ḥamīd Allāh, Rabat 1976.
– Ibn Sa’d, Al-Ṭabaqāt al-kubrā, uitg. Iḥsān ‘Abbās, 8 dln. Beiroet 1960.
– M. J. Kister, ‘God will Never Disgrace Thee,’ JRAS 1965, 27–32. Online hier.
– Uri Rubin, The Eye of the Beholder, Princeton 1995.

Terug naar Inhoud