De draak en de wolken: een godsbewijs

Weer een fragment uit het Arabische, overwegend christelijke werkje Kitāb al-i‘tibār fī al-malakūt van Djibrīl ibn Nūḥ, een collectie van ongeveer honderd teleologische godsbewijzen (arguments from design), vermoedelijk uit de negende eeuw. Zie over dat boekje hier. Uit dezelfde tekst had ik o.a. al fragmenten gebracht over de slurf van de olifant, de domheid van babies, de penis van de man, de menselijke stem en de giraf. In het gedeelte over de dieren wordt ook de draak (tinnīn) behandeld. Hier is niet het beest zelf godsbewijs, maar de wonderbaarlijke bescherming die God de mensen ertegen biedt:

  • ‘Hebt ge gehoord wat er verteld wordt over de draak (tinnīn) en de wolken? Er wordt gezegd dat de wolken als het ware de opdracht krijgen om hem vast te grijpen zodra ze het vinden, net zoals een magneetsteen (ḥajar al-maghnāṭīs) ijzer vastgrijpt. Daarom steekt een draak zijn kop niet uit de diepte van de aarde, uit angst voor de wolken, en hij komt slechts af en toe naar buiten, als de lucht helder en zonder een wolkje is.
    Waarom werd de wolken opgedragen op de loer te liggen voor de draak en hem te grijpen wanneer ze hem vinden, als het niet was om de mensheid te beschermen voor de schade die hij aanricht?
    Als ge nu vraagt waarom de draak überhaupt werd geschapen, is ons antwoord: om angst aan te jagen en te intimideren, en als voorbeeldige straf op het passende moment. Het is als een zweep die in een huis hangt om de bewoners bang te maken en af en toe van de muur wordt gehaald om te straffen en te vermanen.’1

De tinnīn is een groot beest uit het Midden Oosten kwam al in Ugaritische teksten voor. In de Hebreeuwse bijbel is תַּנִּין , תַּנִּינִים, tannīn, mv. tannīnīm, een kwaadaardig en bedreigend monster, groot en meestal voorkomend in het water, bij voorbeeld een veelkoppig zeemonster, dat soms Leviathan heet (bijv. Jesaja 27:1), maar het kan ook een slang zijn of zelfs een krokodil.2
In de Griekse bijbelvertaling der Septuaginta wordt het woord soms vertaald met κήτος, kètos, maar meestal met δράκων, drakōn, ‘draak’,
In het Syrisch heet hij ‫ܬܢܝܢܐ‬‎ tannīnā, mv. tannīnē, wat ‘draak’ betekent, maar ook ‘Draco’, d.w.z het sterrenbeeld van die naam. Ook in de Syrische bijbel staat tannīnā, maar ik heb niet alle plaatsen nagetrokken.

Bij Aristoteles (HA viii) vond ik δράκων, drakōn, alleen als naam voor een bepaalde soort slangen, niet voor iets groters. De tweede-eeuwse dierenschrijver Aelianus kende wel de ‘grote’ draak. In Ethiopië worden ze wel 180 voet lang, in Phrygië 60 voet. Ze happen hele vogels uit de lucht en liggen ze op de loer voor om de schapen te onderscheppen die ’s avonds terugkeren van de wei. Onder hen richten ze een bloedbad aan; soms pakken ze de herder ook nog mee. Aardig om te lezen, maar niet relevant voor onze tekst. (Ael. NA ii, 11)

Volgens de negende-eeuwse Arabische dierenschrijver al-Djāḥiẓ is de tinnīn het grootste dier dat er bestaat.3 Men heeft er waargenomen in Syrië en Bahrein. Al-Djāḥiẓ verteld dat er bij Anṭākiya (Antiochië) een uit zee was gekomen die een verwoestend spoor over de streek had getrokken en het bovenste derde van een minaret door een klap met zijn staart had vernield.4
Verder bericht al-Djāḥiẓ over een tamelijk heftig meningsverschil, dat opkwam over de vraag of de tinnīn wel echt bestond: sommigen ontkenden dat, anderen verzekerden dat ze er werkelijk een hadden gezien.5

De kosmograaf en encyclopedist al-Qazwīnī leefde in de de dertiende eeuw. Sinds al-Djāḥiẓ was er heel wat kennis over de draak bij gekomen. Hij schrijft: 

  • ‘De tinnīn is een dier van een geweldige omvang, vreeswekkend om te zien, lang en breed van lijf, met een grote kop, bliksemende ogen, een wijde bek en buik, met vele tanden, dat ontelbare andere dieren verslindt en waarvoor de waterdieren bang zijn vanwege zijn enorme kracht’… enz.6

Ook de in Anṭākiya aangerichte schade was in de loop de eeuwen heel wat groter geworden: volgens al-Qazwīnī zou het monster niet een derde deel van een minaret, maar tien torens van de stadsmuur hebben vernield! Deze auteur heeft nog meer sterke verhalen over de draak. Zo is er een lang verhaal over hoe die eerst een landdier was, maar de andere landdieren zich bij de Heer beklaagden omdat hij er zoveel van hen opvrat. Daarop zond God een engel die hem optilde en in zee smeet. Na een poosje hadden de zeedieren dezelfde reden tot klagen ‘en nu stuurt God andermaal een engel naar hem toe, om zijn kop uit de zee te trekken. Dan daalt er een wolkenmassa op hem neer, die hem wegsleept en naar Gog en Magog slingert.’7
Ook hier zijn het dus wolken waarmee het monster getemd wordt. En er is nog een ander fragment met wolken:

  • Er wordt gezegd dat de wolken die de opdracht krijgen om hem vast te grijpen zodra ze het zien, net zoals een magneetsteen ijzer vastgrijpt. Daarom steekt een draak zijn kop niet uit de diepte van de aarde, uit angst voor de wolken, maar hij komt in de zomer naar buiten, als de lucht helder en zonder een wolkje is.

Dit komt verregaand overeen met enkele zinnen uit bovenstaande tekst van Gibril! Filologen zijn altijd blij zoiets te ontdekken, omdat het inzicht geeft in hoe een tekst is overgeleverd en hoe de ideeën zijn gereisd. Het is denkbaar dat al-Qazwīnī uit Gibrīls tekst heeft overgeschreven, maar dat hoeft natuurlijk niet: er kan nog een tussenschakel zijn, of beide auteurs hebben een gemeenschappelijke bron gehad.8

Natuurlijk twijfelden ook zeelui niet aan het bestaan van de tinnīn; zij hadden er soms beangstigende ervaringen mee. In een tekst uit de negende of tiende eeuw heet het:

  • ‘Naar men zegt zijn er in de zee enorme, angstaanjagende slangen die tinnīn heten. Als in hartje winter de wolken over het zeeoppervlak scheren, komt de tinnīn omhoog uit het water, omdat hij last heeft van de warmte van de zee, want in de winter is het zeewater zo warm als een kookpot. De tinnīn wordt in de koude van de wolken gevangen en als de wind dan opsteekt boven het zeeoppervlak stijgen de wolken omhoog en nemen hem mee. De zich opstapelende wolken trekken van de ene kant van de horizon naar de andere, en als zij hun regen kwijt zijn geraakt worden zij lichte stofwolken die in de lucht zweven en uiteenvallen door de wind. De tinnīn heeft niets meer dat hem ondersteunt en valt neer in zee of op het land. Als God het kwade voorheeft met een volk laat hij er een terecht komen op hun land, waar hij hun kamelen, paarden, runderen en schapen verslindt en hen te gronde richt. De tinnīn blijft daar tot hij niets meer te vreten vindt en sterft, of tot God de mensen van hem verlost.
    Zeelui en reizigers, kooplui en kapiteins hebben mij verteld dat zij hem meermalen over hun hoofden hebben zien passeren: zwart en langgerekt in de wolken. Als de wolken neerdalen daalt hij af naar de onderste laag ervan en laat soms het eind van zijn staart in de lucht hangen. Maar als hij de koude van de lucht voelt verwijdert hij zich, verheft hij zich in de wolk en wordt onzichtbaar. Gezegend zij God, de beste der scheppers!’9

Trombe

NOTEN
1.

هل سمعت ما يتحدث به عن التنّين والسحاب؟ فانّه يقال انّ السحاب كالموكل به يختطفه حيث ما ثڤفه كما يختطف حجر المغناطيس الحديد، حتّى صار لا يطلع رأسه من بطن الأرض خوفًا من السحاب، ولا يخرج في الفرط الاّ مرة اذا أصحت السماء فلم تكن فيها نكتة من غيم. فلِم وكِّل السحاب بالتنّين يرصده ويختطفه اذا وجده الاّ ليرفع عن الناس مضرته؟ فان قلت: ولم خُلق التنّين أصلاً؟ قلنا: للتخويف والترهيب والنكال في موضع ذلك. فهو كالسوط المعلَّق يخوّف به أهل البيت وينزل أحيانًا للتأديب والموعظة.

2. Michaela Bauks, Art. ‘Tannin’ van 2019 in Das Wissenschaftliche Bibellexikon im Internet (WiBiLex).
3. al-Djāḥiẓ, Ḥayawān vii: 105.
4. al-Djāḥiẓ, Ḥayawān iv: 154.

ومِمَّا عظَّمها وزادَ في فَزَع النَّاس منها الذي يرويه أهل الشام وأهْل اْلبَحْرَيْن وأهل أنطاكِيََة وذلك أنِّي رأيتُ الثلث الأعلى من منارة مسجد أنطاكِية أظهرَ جدًَّة من الثلثين الأسفلين فقلت لهم: ما بال هذا الثلثِ الأعلى أجدَّ وأطْرى؟ قالوا: لأنّ تِنِّينًا تَرَفّعَ مِنْ بَحْرنا هذا، فكان لا يمرُّ بشيءٍ إلاّ أهلكه. فمرَّ على المدينة في الهواء محاذيًا لرأس هذه المنارة وكان أعلى ممَّا هي عليه فضربه بذنبهِ ضَرْبًَة حَذفت من الجميع أكثرَ من هذا المقدار فأعادوه بعد ذلك ولذلك اختلفَ في المنْظر.

5. Al-Djāḥiẓ, Ḥayawān iv: 155:

الخلاف في التنين ولم يزل أهل البقاع يتدافعون أمْرَ التِّنِّين ومن العجب أنّكَ تكون في مجلس وفيه عِشروُن رَجُلا فيجري ذكرُ التِّنِّين فينكرهُ بعضهم وأصحاب التثبت يدَّعون العِيان والموضع قريب ومَنْ يعاينهُ كثير وهذا اختلافٌ شديد.

6. Al-Qazwīnī, ‘Adjā’ib 132:

تنين حيوان عظيم الخلقة هائل المنظر طويل الجثة عريضها كبير الرأس براق العينين واسع الفم والجوف كثير الأسنان يبلع من الحيوانات عددا لا يحصى تخافه حيوانات الماء لشدة قوّته … الخ.

7. Al-Qazwīnī, ‘Adjā’ib 132. Gog und Magog woonden ergens in de Kaukasus.

فيبعث الله اليها ملَكا ليخرج رأسها من البحر فيتدلى لها سحاب لها سحاب فيحتملها ويلقيها الى ياجوج وماجوج.

8. Al-Qazwīnī, ‘Adjā’ib 133. In de laatste zin is de tekst duidelijk corrupt (قيظ gelezen i.p.v. فرط)

ويقال انّ السحاب الموكل به يختطفه حيث ما رآه كما يختطف حجر المغناطيس الحديد، فهو لا يطلع رأسه من الماء خوفًا من السحاب، ولا يخرج في القيظ اذا أصحت السماء..

9. Al-Rāmhurmuzī, ‘Adjā’ib al-Hind, 41-42:

وحدثت أن في البحر حيات يقال له التنين عظيمة هايلة إذا مرت السحاب في كبد الشتاء على وجه الماء خرج هذا التنين من الماء ودخل فيه لِما يجد في البحر من حرارة الماء لان ماء البحر في الشتاء يسخن كالمرجل فيُسجَن هذا التنين ببرودة السحاب فيها وتهبّ الرياح على وجه الماء فترفع السحاب عن الماء ويستقلّ التنين في السحاب وتتراكم وتسير من أفق الى أفق فإذا استفرغت مما فيها من الماء خفّت وصارت كالهباء وتفرّقت وقطعتها الرياح فلا يجد التنين ما يتحامل عليه فيسقط إما في بحر وإما في البر فاذا أراد الله تعالى بقوم شرا أسقطه في أرضها فيبتلع جمالهم وخيلهم وأبقارهم ومواشيهم ويهلكهم ويبقى حتى لا يجد شيئا يأكله فيموت أو يهلكه الله سبحانه عنهم.

BIBLIOGRAFiE
– Al-Djāḥiẓ, Kitāb al-Ḥayawān, uitg. en commt. ʿAbd al-Salām Muḥammad Hārūn, 7 vols., Cairo 1938–47.
– Al-Qazwīnī, ‘Adjā’ib: Zakarija Ben Muhammed Ben Mahmud el-Cazwini’s Kosmographie, uitg. Ferdinand Wüstenfeld. Die Wunder der Schöpfung – aus den Handschriften der Bibliotheken zu Berlin, Gotha, Dresden und Hamburg, Göttingen, 1849.
– Bozorg ibn Shahriyār al-Rāmhurmuzī, ‘Adjā’ib al-Hind, uitg. P. A. van der Lith, Leiden 1883–86 (met Franse vertaling).

Terug naar Inhoud

De giraf als godsbewijs

Weer een fragment uit het Arabische, overwegend christelijke werkje Kitāb al-iʿtibār fī al-malakūt van Djibrīl ibn Nūḥ, een collectie van ongeveer honderd teleologische godsbewijzen (arguments from design), waarschijnlijk uit de negende eeuw. Zie over dat boekje hier. Uit dezelfde tekst had ik o.a. al fragmenten gebracht over de slurf van de olifant, de domheid van babies, de penis van de man en de menselijke stem. Nu de giraf.

““Denk eens aan hoe de giraffe (zarāfa) geschapen is, en hoe zijn lichaamsdelen onderling verschillen en lijken op die van andere soorten. Zijn kop is het hoofd van een paard, zijn nek is die van een kameel, zijn hoeven zijn die van een koe en zijn huid is die van een luipaard. De mensen hebben zelfs beweerd dat ze voortkomen uit meerdere mannetjes van verschillende soorten. Dat komt dan, zoals ze zeggen, omdat bepaalde soorten wilde dieren, wanneer ze naar een drinkplaats gaan, copuleren met vrij weidend vee, wat resulteert in een individueel dier als dit, dat als het ware een mengeling is van verschillende soorten. Maar dat is een verkeerde conclusie, want niet elke soort kan elke [andere] soort bevruchten. Een paard kan geen kameel bezwangeren en een kameel geen koe. Het gebeurt echter wel bij sommige dieren die op elkaar lijken en op dezelfde manier gevormd zijn. Een paard doet het met een ezel, en het resultaat is een muilezel, een wolf doet het met een hyena en het resultaat is een lycaon (sim‘), maar het resultaat van zulke verbintenissen is niet dat er, zoals bij de giraffe, een lichaamsdeel van een paard en een lichaamsdeel van een kameel zou zijn. Nee, het is er ergens tussenin, een mengsel van beide, zoals je kunt zien aan een muilezel, want daar zie je dat zijn kop, oren, kroep, staart en hoeven tussendingen zijn tussen de lichaamsdelen van een paard en een ezel. Zelfs het geluid van een muildier is als een mengeling van het gehinnik van een paard en het gebalk van een ezel. Dit bewijst dat de giraf niet het resultaat is van bevruchting door verschillende soorten, zoals sommigen beweren. Nee, het is een van Gods wonderbaarlijke creaturen, om te wijzen op Zijn almacht, voor welke niets onmogelijk is, en om te verkonden dat Hij de Schepper is van alle dieren en combineert en scheidt wat Hij wil en in welke soort Hij wil.
Wat betreft de lengte van de nek van een giraf en het gebruik ervan, dat is omdat hij volgens deskundigen opgroeit en graast in bosjes van hoog oprijzende bomen, zodat hij een lange nek nodig heeft om de toppen van die bomen te bereiken en de vruchten ervan te eten.””1
.
Onze auteur verzet zich tegen de gedachte dat één vrouwtjesdier door mannetjes van verschillende soorten gedekt zou kunnen worden, zodat deze alle een bepaalde lichamelijke eigenschap in het nieuwe dier zouden achterlaten. De giraf is ook geen kruising; nee, de Schepper heeft de giraf uit één stuk geschapen, prachtig en met een heel praktische lange nek.
.
De beroemde Arabische prozaschrijver al-Djāḥiẓ (776–868), die o.a. een groot dierenboek op zijn naam heeft staan, vond die meervoudige inseminatie ook flauwekul: ‘Sommige mensen zeggen dat de giraf een schepsel is dat is samengesteld uit de wilde kameel, een wilde koe en de dhīkh, d.w.z. het mannetje van een hyena. Dat zeggen ze omdat het woord voor giraf in het Perzisch اشتر گاو پلنگ , ushtur gāw palang is, “kameel-koe-luipaard”
. […] Ze hebben een hoop onzin verteld om de naam giraffe te verklaren […] en er zijn zelfs mensen die het voor compleet onmogelijk houden dat een vrouwtjesgiraf ooit door een mannetje gedekt wordt! […] Als ze enig bewijs konden aandragen voor die onzin en een beetje beter zouden opletten, zouden de boeken van een hoop fouten verschoond blijven.’2

Maar ook in het Grieks is de naam van het dier samengesteld. Daar heet hij namelijk καμηλοπάρδαλις, camelopardalis, ‘kameel-luipaard’. Hoe de oude Grieken dat verklaarden moet ik nog uitzoeken als de bibliotheken weer opengaan. Aristoteles kende de giraf nog niet; kennelijk is het dier pas laat uit Afrika in de Grieks-Romeinse wereld geïmporteerd.

NOTEN
1. Mijn eigen tekstuitgave op grond van drie handschriften. Over het fijne daarvan zal ik later elders berichten.

فكر في خلق الزرافة واختلاف أعضائها وشبهها بأعضاء أصناف من الحيوان. فرأسها رأس فرس وعنقها عنق جمل وأظلافها أظلاف بقر وجلدها جلد نمر، حتّى أنّ ناسًا زعموا أنّ نتاجها من فحول شتّى. وسبب ذلك فيما ذكروا أنّ أصنافًا من حيوان البرّ اذا وردت الماء تنزو على بعض السائمة فتنتج مثل هذا الشخص الذي هو كالملتقط من أصناف شتّى. وهذا مما لا يصحّ في القياس لأنه ليس كل صنف من الحيوان يلقح كل صنف. فلا الفرس يلقح الجمل ولا الجمل يلقح البقرة وانّما يكون هذا من بعض الحيوان فيما يشاكله ويقرب من خلقه كما يلقح الفرس الحمار فيخرج من بينهما البغل، ويلقح الذئب الضبع فيخرج من بينهما السِمْع، على أنّه ليس يكون الذي يخرج من بينهما عضوا من كل واحد منهما كما يكون في الزرافة عضو من الفرس وعضو من الجمل. بل يكون كالمتوسط بينهما الممتزج منهما كالذي تراه في البغل، فانّك ترى رأسه وأذنيه وكفله وذنبه وحوافره وسطًا بين هذه الأعضاء من الفرس والحمار حتّى أن شحيجه أيضًا كالممتزج من صهيل الفرس ونهيق الحمار. فهذا دليل على أنّه ليست الزرافة من لقاح أصناف شتّى من الحيوان كما زعم زاعمون، بل هي خلق عجيب من خلق الله للدلالة على قدرته التي لا يعجزها شيء، وليعلم أنه خالق أصناف الحيوان كلّها فيجمع ما شاء منها في أيّها شاء ويفرق بين ما شاء منها في أيّها شاء. فأمّا طول عنقها والمنفعة لها في ذلك فلأنّ منشأها ومرعاها كما يذكر أهل الخبرة بها في غياطل ذوات اشجار سامقة ذاهبة طولاً فهي تحتاج الى طول العنق لتتناول أطراف تلك الأشجار فتقمّ من ثمارها.

2. Al-Djāḥiẓ, Kitāb al-Ḥayawān, uitg. en commt. ‘Abd al-Salām Muḥammad Hārūn, 7 dln., Cairo 1938–47; i, 142–44.

زعم في الزرافة زعموا أنَّ الزرافة خلقٌ مركب من بين الناقة الوحشية وبين البقرة الوحشية وبين الذِّيخ وهو ذكر الضباع وذلك أنّهم لَّما رأََوا أنَّ اسمها بالفارسية أشتر كاو بلنك […]
فمنهم من حجر البتََّة أن تكون الزرافة الأنثى تلقَح من الزرافة الذكر […]
ولو أُعطُوا مع هذا الاستهتار نصيبًا من التثبُّتِ وحظًّا من التوقي لسَلِمت الكتبُ من كثير من الفساد.

Terug naar Inhoud

De vermeende ziekte van Mohammed – 1

De profeet Mohammed moet een robuuste gezondheid hebben gehad. Hij heeft immers een gemeenschap gesticht, een boodschap verbreid, tegenwerking verdragen, krijgstochten geleid, een staat ingericht en nog zowat meer. Een ziekelijke man speelt dat niet klaar. Geen van de talrijke oude Arabische teksten over Mohammed deelt iets mee over een ernstige ziekte van hem, of over zijn gezondheidstoestand überhaupt—met uitzondering van de verhalen over zijn sterfbed.

In Europa daarentegen ‘wist’ men altijd al, dat de profeet zijn leven lang zwaar en chronisch ziek was. Volgens de kerkvader Theophanes Confessor (Constantinopel 760–Samothrace 818) leed hij namelijk aan epilepsie, en dat fake news werd in Europa, in de Latijnse vertaling van Anastasius Bibliothecarius (± 810–878), eeuwenlang verbreid: een roemloos hoofdstuk in de betrekkingen tussen Europa en het Nabije Oosten. In de achttiende en vooral de negentiende eeuw werden er steeds meer oude Arabische teksten bekend in Europa. Er stonden oriëntalisten op die ze vlijtig bestudeerden en inzagen dat dat met die epilepsie niet kon kloppen, of die er helemaal niet meer aan dachten. Aloys Sprenger, een oriëntalist die ook medicijnen had gestudeerd, meende nog in 1861 dat Mohammed weliswaar geen epilepticus was, maar wel ziek: hij leed namelijk aan hysterie, een typisch negentiende-eeuwse aandoening. Daarna vernam men nauwelijks nog iets over een ziekte, maar onlangs is het idee dat Mohammed ziek was weer van zolder gehaald. Ditmaal niet in kerkelijke of oriëntalistische kringen, maar bij islamhaters, die een keuze uit koranverzen en vertaalde oude bronteksten in stelling brengen—zonder echter in staat of bereid te zijn die te begrijpen. Het geloof aan Mohammeds epilepsie schijnt nu wel voorgoed uit de mode te zijn. Eén auteur houdt het voor bewezen dat hij aan acromegalie leed, en bij een andere is de diagnose schizofrenie. Om het even welke ziekte aan de profeet wordt toegeschreven, zij moet altijd ook zijn vermeende geestelijke gestoordheid en bezetenheid van seks verklaren, want daaraan zijn Europese islamhaters vanouds zeer gehecht.
.
Laten we bij Theophanes beginnen. Deze kende blijkbaar een versie van het verhaal over de eerste openbaring op de berg Hirā, waarin de profeet na de eerste schrik bescherming en troost zoekt bij zijn vrouw Khadīdja.2 Hij schrijft:

  • Omdat hij arm was en wees kwam de voornoemde Mouamed op het idee, in dienst te treden van een rijke vrouw, die Khadiga heette en een familielid van hem was, om met kameelkaravanen in Egypte en Palestina handel te drijven. Geleidelijk verstoutte hij zich, zich op te dringen aan die vrouw, die weduwe was; hij nam haar tot echtgenote en verwierf zo haar kamelen en haar vermogen. Telkens als hij naar Palestina kwam verkeerde hij met Joden en Christenen en ging bij hen bepaalde zaken na aangaande de Schriften. Hij leed aan epilepsie. Toen zijn vrouw dat merkte werd zij zeer bedroefd, omdat zij als voorname vrouw een man als hij getrouwd had, die niet alleen arm, maar ook epilepticus was. Hij probeerde haar op leugenachtige manier te kalmeren door te zeggen: ‘Ik zie steeds de verschijning van een engel genaamd Gabriël, en omdat ik zijn aanblik niet kan uithouden verlies ik het bewustzijn (?) en val ik neer.’3

De profeet was dus volgens Theophanes niet alleen ziek, maar ook een bedrieger: de hele openbaring was bedrog. Maar past het juist niet uitstekend in een verhaal over een roepingsvisioen of een openbaringservaring, dat een profeet zich uit eerbied en schrik ter aarde werpt? In het Oude Testament gebeurt dat, als een profeet met het goddelijke geconfronteerd wordt, bijv. Ezechiël 1:28, 3:23 e.a. De Hebreeuwse uitdrukking is nafal al panaw, נפל על פניו , die in de Statenvertaling vertaald wordt met ‘op zijn aangezicht vallen’, in de Nieuwe Bijbelvertaling met ‘zich voorover op de grond werpen’. Theophanes, die de Bijbel in het Grieks las, moet dit bijbelse πίπτω ἐπὶ πρόσωπόν μου onder ogen gekregen hebben, maar hij bracht het niet in verband met het ‘vallen’ van Mohammed, waarmee in de verhalen die hij had gehoord vast hetzelfde was bedoeld. Had hij dat gekund, dan had hij zich moeten afvragen of de bijbelse profeet Ezechiël misschien ook epilepticus geweest was. Maar nee, op zo’n idee kon en mocht in zijn tijd geen Christen komen. De bijbelse verhalen waren immers volledig waar en gaven feitelijke gebeurtenissen weer, terwijl ze helemaal niets gemeen konden hebben met de verhalen over Mohammed.

Door de hele Middeleeuwen en nog daarna sprak men telkens weer over die epilepsie. Over de gestoorde relatie tussen de westelijke christenheid en de wereld van de islam kunt U bij →Daniel lezen; voor de latere tijd ook bij →Tolan. Ik citeer als voorbeeld alleen nog een fragment uit een werkje van Riccoldo da Montecroce O.P. (gest. 1320), een christelijke missionaris in Irak: Confutatio Alcorani seu legis Saracenorum. Deze tekst was wijd verbreid en had voor Martin Luther ruim twee eeuwen later nog niet aan actualiteit ingeboet, want zijn Verlegung des Alcoran is er een vertaling van.

… trad een zekere Mohametus op, een Arabier, die eerst rijk geworden was door een weduwe, die hij huwde. Toen hij daarna roverhoofdman was geworden werd hij zo onbeschaamd hoogmoedig, dat hij ook koning van de Arabieren wilde worden. Maar zij accepteerden hem niet, omdat hij gering van afkomst en aanzien was en daarom deed hij zich voor als profeet. En omdat hij aan de vallende ziekte leed en telkens viel zei hij dat er een engel met hem sprak, opdat niemand in ernst zou geloven dat hij gebrekkig was. Daarop gaf hij verscheidene weerleggingen van zich die hij, naar hij zei, hoorde als een klok die rondom zijn oren weergalmde.4

Hier klinkt niet alleen de echo van een vertelling over de eerste openbaring aan Mohammed, maar ook die van een hadith:

Al-Hārith ibn Hishām vroeg aan de profeet: ‘Hoe de komt de openbaring tot U?’ Hij antwoordde: ‘Soms komt zij tot mij als het luiden van een klok; dat is het zwaarst voor mij, en als dat ophoudt onthoud ik haar. En soms komt er een engel in de gedaante van een man en ik onthoud wat hij zegt.’5

Er zijn inderdaad verscheidene hadithen, waarin wordt beschreven hoe de openbaringen aan Mohammed verliepen. Misschien geloven moslims, dat deze hadithen een werkelijke gang van zaken weergeven, maar niet-moslims hoeven dat niet te doen. Zelf houd ik ze voor vrome fantasie.
.
Hoe de ziekte van Mohammed zich in de nieuwere tijd heeft ontwikkeld volgt in deel 2.

NOTEN
1. Volgens de oudste bronnen (bijv. Ibn Isḥāq, Sīra 999–1011) begon zijn sterfbed met zware hoofdpijn. Had hij een hersenbloeding, een hersentumor, een meningitis of was de hoofdpijn secundair, veroorzaakt door een andere ziekte? We weten het niet en speculeren is volkomen zinloos: de bronnen spreken slechts van hoofdpijn. Een tekst deelt mee dat de profeet weigerde, zich een (tover?)drank uit Ethiopië te laten toedienen. Op een andere plaats vernemen we dat hij een verband om zijn hoofd droeg en te zwak geworden om het gebed te leiden. Bij iemand die bijna dood is, is dat niet verbazend. Over de dood van profeet zie hier.
2. Ibn Ishāq, Sīra 151–4.
3. Theophanes, Chronographia 1, 333-4: ἀπόρου δὲ καὶ ὀρφανοῦ ὄντος τοῦ προειρημένου Μουάμεδ, ἐδοξεν αὐτῷ εἰσιέναι πρός τινα γυναῖκα πλουσίαν, συγγενῆ αὐτοῦ οὖσαν, ὀνόματι Χαδίγαν, μίσθιον ἐπὶ τῷ καμηλεύειν καὶ πραγματεύεσθαι ἐν Αἰγύπτῳ καὶ Παλαιστίνη. κατ’ ὀλιγον δὲ παρρησιασάμενος ὑπεισῆλθε τῇ γυναικὶ χήρα οὖσῃ, καὶ ἔλαβεν αὐτὴν γυναῖκα καὶ ἔσχε τὰς καμήλους αὐτῆς καὶ τὴν ὓπαρξιν. ἐρχόμενος δὲ ἐν Παλαιστίνῃ συνανεστρέφετο Ἰουδαίοις τε καὶ Χριστιανοῖς. ἐθηρᾶτο δὲ παρ’ αὐτῶν τινὰ γραφικά, καὶ ἔσχε τὸ πάθος τῆς ἐπιληψίας. καὶ νοήσασαι ἡ τούτου γυνὴ σφόδρα ἐλυπεῖτο, ὡς εὐγενὴς οὖσα καὶ τῷ τοιούτῳ συναφθεῖσα οὐ μόνον ἀπόρῳ ὄντι, ἀλλὰ καὶ ἐπιληπτικῷ. τροποῦται δὲ αὐτὸς θεραπεῦσαι αὐτὴν οὓτω λέγων, ὃτι ὀπτασίαν τινὰ αγγέλου λεγομένου Γαβριὴλ θεωρῶ, καὶ μὴ ὑποφέρων τὴν τούτου θέαν ὀλιγωρῶ καὶ πίπτω. (@Wat ὀλιγωρῶ hier betekent is me onduidelijk; ik moet het in de UB in een speciaal woordenboek naslaan.)
4. […] apparuit quidam Mahometus arabs, qui primum diues factus per quandam viduam, quam in uxorem duxit, Et post haec princeps latronum factus in tantam prorupit superbiam, ut et rex Arabum fieri voluerit. Sed quia ipsi non susceperunt eum, quia de genere et opinione vilis erat, finxit se esse prophetam. Et cum comitiali morbo laboraret, ne firmiter quis eo detentus esse crederet, continue cadens, dicebat angelum cum eo colloqui. Dabat autem post haec responsiones quasdam, quas, ut dixit, audiebat quasi per modum campanæ circumsonantis auribus eius. Riccoldo, Confutatio, bronverwijzing volgt@; Luther, Verlegung hst. 13. Wie Luthers vertaling van dit fragment wil zien vindt het in de Duitse versie van mijn tekst.
5. Muslim, Sahīh, Fadā’il 87: أن الحارث بن هشام سأل النبي ص: كيف يأتيك الوحي؟ فقال: أحيانًا يأتيني في مثل صلصلة الجرس وهو أشدُّه عليه ثم يفصِم عنّي وقد وعيته، وأحيانًا ملَك في مثل صورة الرجل فأعي ما يقول.
Ook Ezechiël (1:28) zegt bij zijn roeping een hard geluid gehoord te hebben: ‘Toen hoorde ik het geluid van hun vleugels. Het klonk als het gebulder van de zee, als de stem van de Ontzagwekkende, als het rumoer van een mensenmassa, als een dreunend leger.’

BIBLIOGRAFIE
– Norman Daniel, Islam and the West, Oxford 1960, 1993.
– Ibn Isḥāq, Sīra: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen, 2 dln., 1858–60.
– Martin Luther: Verlegung | des Alcoran | Bruder Richardi | Pre-|diger Ordens | An-|no. 1300 | Verdeudscht durch | D. Mar. Lu., Wittemberg 1542, Kap. 13. Het is veelvuldig aanwezig in het internet; gewoon googelen. Het is altijd leuk, zo’n heel oud boekje onder ogen te krijgen, al is het maar online.
– Theophanes: Theophanis Chronographia, uitg. Carl de Boor. 1. Textum Graecum continens, Leipzig 1883, reprint Hildesheim 1980.
– Theophanes: The chronicle of Theophanes Confessor. Byzantine and Near Eastern history A.D. 284–813, transl. with introd. and commt. by Cyril Mango and Roger Scott, with the assistance of Geoffrey Greatrex, Oxford 1997, reprint 2006.
– John V. Tolan, Faces of Muhammad. Western Perceptions of the Prophet of Islam from the Middle Ages to Today, Princeton & Oxford 2019.

Diacritische tekens: Ḥirāʾ, Ṣaḥīḥ, Faḍā’il, Ḥārith 

Terug naar Inhoud

Een andere Oriënt: Guibert de Nogent

Waar ligt de Oriënt? In een andere bijdrage heb ik duidelijk gemaakt dat de Oriënt vooral een Europees hersenspinsel is. Welke Europeanen hebben als eersten over de Oriënt gesproken als een buitenlands en volkomen ander deel van de wereld?
Dat de oude Grieken, met name de Atheners, de Perzen beschouwd zouden hebben als wezenlijk anders en ongeneeslijk oriëntaals, is al als een mythe uit de negentiende eeuw ontmaskerd.
.
In de afgelopen eeuwen meende men dat de Oriënt begon bij de Turkse grens en op zijn minst de hele islamitische wereld omvatte. Maar de grens tussen oost en west was niet altijd die tussen christendom en islam. John Tolan heeft enkele bladzijden gewijd aan de Franse abt Guibert de Nogent (± 1055–1125), een theoloog, historicus en autobiograaf die de grenslijn duidelijk anders trok.1 Hij schreef in 1109 de verhandeling Dei Gesta per Francos, over de werken die God door de Franken had verricht. Daarmee bedoelde hij vooral de verovering van Jeruzalem op de Saracenen in 1099, gedurende wat tegenwoordig de Eerste Kruistocht heet. Maar als Guibert het woord orientalis gebruikt doelt hij niet alleen op die verderfelijke islamitische Saracenen, maar vooral op de Griekstalige christenen in het Oosten—en hij zal niet de enige geweest zijn.
.
In de elfde eeuw hadden de Saracenen in Europa inderdaad angst, irritatie en weerzin gewekt. Het Fatimidische Rijk, dat liep van Tunesië tot en met Syrië, was een formidabele macht. Christelijke pelgrims uit West-Europa werd soms belet de bedevaart naar Jeruzalem te maken, en de grillige kalief al-Ḥākim had in 1009 zelfs de Heilig Grafkerk in die stad laten afbreken, een daad die in Europa de hele eeuw na-echode en een van de drijfveren voor de kruistocht werd. In Anatolië werd het Oost-Romeinse Rijk onder de voet gelopen door Turkse Seldjoeken, vooral na de slag bij Manzikert (tegenwoordig Malazgirt) in 1071.
.
Wat Guibert echter minstens zo zeer bezighield was de situatie in de christelijke wereld. Het Schisma tussen de Latijnse kerk van Rome en de Griekse van Constantinopel kreeg zijn beslag in 1054, maar had natuurlijk een lange aanloop van theologische en politieke conflicten gehad en hield de geesten ook nog lang daarna bezig. Over oriëntaalse christenen had Guibert geen gunstig oordeel: 

  • Echter het geloof van de oosterlingen, dat nooit stabiel was geweest maar altijd grillig en wankel, altijd op zoek naar nieuwigheden en afwijkend van het richtsnoer van het ware geloof, wendde zich tenslotte af van het gezag van de oude kerkvaders. Kennelijk hebben deze mensen, door de zuivere lucht en heldere hemel in hun geboorteland, ten gevolge waarvan hun lichamen lichter zijn en hun verstand dus beweeglijker is, de gewoonte hun briljante intelligentie te verspillen aan talrijke zinloze commentaren. Het beneden zich achtend de leer van ouderen of tijdgenoten te volgen, zinnen zij op ongerechtigheden en al zoekend matten zij zich af (Psalm 63 of 64:7). Dit leidde tot allerlei ketterijen en pestilenties […] zij waren de aardbodem omwille van hun leraren vervloekt, doornen en distelen voortbrengend voor degenen die het bewerkten (Genesis 3:17, 18). Uit Alexandrië kwam Arius voort, uit Perzië Manes. De waanzin van de ene scheurde en bebloedde bij voortduring de mantel van de Heilige Kerk, die tot dan toe vlek noch kreukel had gehad […]. De verzinsels van de andere, hoe belachelijk ook, stompten ook de scherpste geesten wijd en zijd af door allerlei trucs.2

Volgens Tolan zijn tot die ketterijen te rekenen: het gebruik van gedesemd brood bij de eucharistie, het gebrek aan respect voor de Paus, gehuwde priesters en allerlei misvattingen over de Drieëenheid. Om deze dwalingen liet God het oostelijk deel van het rijk in handen vallen van Arabische veroveraars.3
.
Het Oosten is niet alleen zwak in de godsdienst, maar ook in politiek opzicht onserieus:

  • Als we ons de vroege geschiedenis van de oorsprong van hun rijken te binnen brengen en praten over de belachelijke aard van hun koningen, moeten we ons verbazen over de Aziatische wispelturigheid waarmee heersers [telkens] plotseling werden afgezet en vervangen.4

Ooit roemrijke kweekbedden van het christendom verkommeren volgens Guibert; daarentegen bloeien de vitale West-Europese christenen:

  • De bij uitstek roemruchte steden Antiochië, Jerusalem en Nicea en de provincies Syrië, Palestina en Griekenland, van waaruit de zaadjes der nieuwe genade zijn opgekomen, hebben hun innerlijke kracht in de wortel verloren, terwijl de Italiaanse, Gallische en Britse zijloten bloeien.5

Let wel: dit schreef hij in 1109, over steden en streken in het oosten waar het leven nog altijd op een aanzienlijk hoger niveau stond dan in West-Europa. Wat was Noord-Frankrijk helemaal in die tijd? Een dun bevolkt, modderig land met hier en daar een kil kasteel of klooster. Het klinkt als de voorafschaduwing van koloniale arrogantie.

De Kruisvaarders ervoeren ook de verraderlijkheid van de oosterlingen op militair gebied, bij voorbeeld in Antiochië. Die huichelaars beweerden christenen te zijn, maar waren dat volgens Guibert slechts nominaal:

  • De Armeniërs en Syriërs echter, anders dan, zoals ik al zei, de Turkse kameelruiters, die de hele bevolking van de stad vormden, omdat zij in de stad zelf woonden, en die beweren christenen te zijn, bezochten de onzen dikwijls, en vertelden [de Turken] waar ze bij ons achterheen hadden gezeten. Want met de lijm van hun voortdurende praatjes vingen zij de Franken en fluisterden allerlei vleierij in hun oren, hoewel ze hun eigen vrouwen de stad niet eens uit lieten. Als zij de Franken verlieten en terugkeerden brachten zij aan de Turken alle informatie over die ze daar konden vergaren aangaande de zwakheden aan de christelijke kant.6

Voor Guibert was Mohammed (‘Mathomus’) de laatste van een lange lijst ketters.

  • Volgens de populaire mening was er een man, wiens naam als ik het goed heb Mathomus was, die hen indertijd geheel en al wegvoerde van het geloof in de Zoon en de Heilige Geest. Hij onderwees hen, alleen de persoon van de Vader als de enige scheppende God te erkennen, en zei dat Jezus zuiver mens was.7

Mohammed was dus een heresiarch, de allerergste van de oosterse ketters, maar niet wezenlijk verschillend van hen. Tegelijkertijd was hij door God gezonden als de gesel die hen moest straffen.
.
In Dei Gesta valt het Westen samen met de Latijnse kerk van Rome, terwijl de Oriënt zowel de Griekse kerk van Constantinopel als de Saracenen omvat. 

VOETNOTEN
1. Tolan, Faces, 48–54.
2. Orientalium autem fides cum semper nutabunda constiterit et rerum molitione novarum mutabilis et vagabunda fuerit, semper a regula veræ credulitatis exorbitans, ab antiquorum Patrum auctoritate descivit. Ipsi plane homines pro aeris et celi cui innati sunt puritate cum sint levioris corpulentiæ et idcirco alacrioris ingenii, multis et inutilibus commentis solent radio suæ perspicacitatis abuti et, dum maiorum sive coevorum suorum despiciunt obtemperare magisterio, scrutati sunt iniquitates, defecerunt scrutante scrutinio: inde herese et pestium variuarum genera portentuosa […] ipsi fuerunt terra in suorum maledicta magistrorum opere, spinas et tribulos germinans operantibus se. Ex Alexandria Arrius, ex Perside Manis emersit: alterius rabies sanctæ æcclesiæ vestem, maculam aut rugam habentem, tanta scidit atque cruentavit instantia […] alterius fabulæ, etsi ridendæ, argutissimorum etiam virorum longe lateque obtuderunt quasi prestigiis quibusdam acumina. Guibert, Dei gesta 89–90, Deeds of God 30.
3. Tolan Faces 49.
4. Recolamus veteres de originibus regnorum Historias, et garriamus super ridiculo statu regum et Asiaticam levitatem super subita principum destitutione ac restitutione miremur. Guibert, Dei gesta 91, Deeds of God 30.
5. Predicatissimæ nobilitatis urbes Antiochia, Iherusalem ac Nicea, provinciæ etiam Syria, Palestina et Grecia, e quibus novæ gratiæ seminaria pullularunt, abortivis florentibus Italis, Gallis, Britonibus, ab interno virore radicitus defecerunt. Guibert, Dei gesta 92, Deeds of God 31.
6. Armenii autem et Syri, ex quibus præter, ut sic dixerim, Turcos epibatas, tota urbs illa constabat, cum urbem ipsam incolerent, et Christianæ sese titulo conditionis efferrent, crebro nostros invisere; et esse eorum universum addiscere, et suis quæ apud nostros aucupati fuerant nuntiare. Cum enim Francos suæ assiduæ confabulationis visco allicerent, et se a Turcorum facie fugitare, multæ adulationis lenocinio, nostrorum auribus mussitassent, uxores tamen proprias excedere, nullatenus ab urbe sinebant, et ad ipsas, digressi a Francis, postliminium facientes, quæ istinc subintelligere poterant, ad Turcos Christianorum partium infirmiora ferebant. Guibert, Dei gesta 171, Deeds of God 75–6.
7. Plebeia opinio est quemdam fuisse, qui, si bene eum exprimo, Mathomus, nuncupetur, qui quondam eos a Filii et Spiritus sancti prorsus credulitate diduxerit, solius Patris personæ, quasi Deo uno et creatori inniti docuerit, Iesum purum hominem dixerit […] Guibert, Dei gesta 94, Deeds of God 32.

BIBLIOGRAFIE
– Guibert de Nogent, Dei gesta per Francos et cinq autres textes, uitg. Robert B.C. Huygens, Turnhout 1996. Een oudere, electronisch toegankelijke editie staat in Migne, Patrologia Latina 156:0679–0837:
– Guibert de Nogent, The Deeds of God through the Franks. A translation of Guibert de Nogent’s Gesta Dei per Francos, vert. Robert Levine, Rochester NY 1997. Online naar verluidt verkrijgbaar via Project Gutenberg, maar in Duitsland is dat geblokkeerd. Ik heb deze vertaling gebruikt, maar in het bovenstaande niet overal gevolgd.
– John V. Tolan, Faces of Mohammed. Western Perceptions of the Prophet of Islam from the Middle Ages to Today, Princeton & Oxford 2019.

Terug naar Inhoud

Godsbewijs: de Schepper voorkomt inflatie

🇩🇪 Vandaag weer eens een fragment uit het Arabische, overwegend christelijke werkje Kitāb al-i‘tibār fī al-malakūt van Djibrīl ibn Nūh,1 een collectie van ongeveer honderd teleologische godsbewijzen (arguments from design), waarschijnlijk uit de negende eeuw. Zie voor meer over dat boekje hier. Uit dezelfde tekst had ik al fragmenten gebracht over de slurf van de olifant, de domheid van babies, de penis van de man, de menselijke stem en het hijgende hert.

De zorg van de Schepper voor zijn schepselen is ook te zien aan de schaarste van de edelmetalen. Hij heeft het de mensen onmogelijk gemaakt, deze metalen zelf te maken. Als zij dat wel konden en dus onbegrensd goud en zilver ter beschikking hadden, zou het geld waardeloos worden en de handel daarmee onmogelijk worden. Daarvoor heeft de Grote Ontwerper de mensheid willen behoeden. In de woorden van Djibrīl: 

  • Overweeg hoe kostbaar goud en zilver zijn, en hoe het vernuft van de mensen te kort schiet wanner zij proberen het te vervaardigen, hoewel zij dat zielsgraag willen en zich er erg voor inspannen. Als zij de kennis die zij nastreven zouden verkrijgen, zou deze onvermijdelijk zo algemeen bekend worden in de wereld dat er veel te veel goud en zilver zou komen en de koers ervan zou kelderen en ze zouden waardeloos worden, zodat ze geen nut meer zouden hebben bij kopen en verkopen, transacties, belastingen die geheven worden voor de sultan, en als spaarpot voor het nageslacht. Het is de mens echter wel gegeven om messing te vervaardigen uit koper, glas uit zand en meer van dergelijke dingen die geen kwaad kunnen. Je ziet dus dat mensen hun gang mogen gaan met zaken die onschadelijk voor hen zijn en hun dat onmogelijk gemaakt wordt bij stoffen die schadelijk voor hen zouden zijn als ze die verkregen.1

Niet alleen het zelf maken van edelmetalen is de mens ontzegd, ook de winning ervan in mijnen e.d. blijft beperkt, hoewel de voorkomens enorm zijn:

  • Mijnwerkers hebben ons verteld dat zij eens zeer diep in een bepaalde mijn doordrongen en terecht kwamen op een plek waar zij iets zagen als bergen van zilver. Maar vóór die plek liep er een enorme, onpeilbaar diepe rivier met een sterke stroming, zonder enige mogelijkheid om die over te steken. Later gingen zij terug om die plek te zoeken, maar ze konden hem niet meer vinden en gingen teleurgesteld heen.
    Overweeg nu hoe de schepper het ontworpen heeft. Hij wilde zijn knechten zijn almacht en de omvang van zijn schatten tonen om hun te laten weten dat hij, als hij hun bergen zilver wilde schenken, dat kon doen. Maar dat zou niet goed voor hen zijn, want het zou zijn zoals we al zeiden: het metaal zou in waarde dalen onder de mensen en van weinig nut zijn. Stel bij voorbeeld dat er onder de potten of andere voorwerpen die mensen kunnen maken iets buitengewoons verschijnt. Zo lang het bijzonder en zeldzaam blijft zal het duur zijn en zijn prijs houden, maar als het in overvloed ter beschikking komt zal de waarde dalen en de prijs zal kelderen. Hierin ligt de bevestiging van wat iemand eens heeft gezegd: ‘De kostbaarheid van dingen hangt af van hun schaarste.’ 2

De auteur, die uit Irak stamde, had blijkbaar nooit gehoord dat in het Westafrikaanse Ghāna 3 goud helemaal niet schaars was. Dat land stond namelijk bekend om zijn legendarische voorkomens van goud; het was als het ware het Eldorado van Afrika. Het goud groeide daar, naar men beweerde, als planten: ‘Goud groeit in het zand van dat land als peentjes; het wordt geplukt bij zonsopgang.’ 4 Welnu, in Ghāna was het niet de Schepper, maar een wijze koning die inflatie voorkwam: ‘De goudklompjes die worden gevonden in alle mijnen van zijn land zijn gereserveerd voor de koning. Hij laat ze niet uit zijn land naar een ander land gaan. Die klompjes kunnen van een ons tot een pond wegen. Zij laten alleen stofgoud het land uit. Als zij alles wat er in de mijnen gevonden werd het land uit zouden laten, zou er te veel goud in handen van de mensen komen en zou het zijn waarde verliezen.’5

Deze koning was niet de enige: vele vorsten hebben hun schatkamers volgeladen, en later deed de kerk hetzelfde, bij voorbeeld in Spanje, waar veel van het nieuwe goud uit Amerika niet op de markt kwam, maar ‘onschadelijk werd gemaakt’ in dure kerkelijke kunst. Alles indachtig de basisregel van de economie: ‘De kostbaarheid van dingen hangt af van hun schaarste.’

NOTEN:
1. Ook bekend als Dalā’il al-i‘tibār. Het werkje wordt vaak toegeschreven aan al-Djāhiz (gest. 868). De eerste (niet-kritische) uitgave verscheen in 1928 in Aleppo. Ik heb de tekst uit handschriften vastgesteld; nadere gegevens houd ik nog even voor me.

ثم فكر‏ في‏ عزة الذهب والفضّة‏ وقصور حيلة‏ الانس عمّا حاولوا من‏ صنعتهما على حرصهم واجتهادهم في‏ ذلك‏. ‏ فإنهم لو ظفزوا بما حاولوا من هذا العلم‏ كان لا محالة‏ سيظهر ويستفيض في‏ العالم حتّى‏ يكثر‏ الذهب والفضة‏ ويسقط عند الناس فلا تكون لهما قيمة ويبطل الانتفاع بهما في‏ الشراء والبيع والمعاملات والاتاوة‏ التي‏ تُجبَى الى السلطان والذخر‏ الذي‏ يذخر للأعقاب‏. وقد أعطي‏ الناس مع هذا صنعة‏ الشبه من النحاس والزجاج من الرمل وما أشبه ذلك مما لا مضرّة فيه‏. فانظر كيف أعطوا ارادتهم فيما لا‏ ضرر عليهم فيه ومنعوا ذلك فيما كان ضارّاً‏ ‏ لهم لو نالوه‏.

2.

أخبرنا أناس ممن يزاول المعادن أنّهم‏ أوغلوا في‏ بعضها فانتهوا الى موضع رأوا فيه أمثال الجبال من الفضّة،‏ ومن دون ذلك وادٍ‏ عظيم‏ يجري‏ منصلتًا بماء‏ غزير لا يدرك‏ غوره‏ ولا حيلة في‏ عبوره‏. ثم عادوا‏ يطلبونه فلم‏ يقفوا عليه فانصرفوا آسفين‏.
‏ ففكِّر الآن في هذا من تدبير الخالق‏. فانّه‏ جل ثناؤه أراد أن‏ يري‏ العباد قدرته وسعة خزائنه ليعلموا أنّه لو شاء أن‏ يمنحهم كالجبال من الفضّة لفعل،‏ ولكنه لا صلاح لهم في‏ ذلك،‏ لأنّه كان‏ يكون كما ذكرنا‏ بسقوط هذا الجوهر عند الناس وقلّة انتفاعهم به‏. واعتبر ذلك بأنّه قد‏ يظهر الشيء الطريف مما يُحدثه الناس من الأواني‏ والأمتعة‏. فما دام عزيزًا قليلاً‏ فهو نفيس جليل‏ آخذ للثمن،‏ فاذا فشا وكثر في‏ أيدي‏ الناس سقط عندهم وخست‏ ‏ قيمته‏. وفي‏ هذا مصداق قول القائل‏ انّ‏ نفاسة الأشياء من عزتها‏.

3. Dit historische Ghāna lag een flink stuk ten Noordwesten van de moderne staat Ghana, ongeveer in het huidige Mali; het moet een groot en machtig rijk zijn geweest.
4. Yāqūt ibn ‘Abdallāh al-Ḥamawī, Mu‘djam al-buldān, uitg. Ferdinand Wüstenfeld, 6 dln., Leipzig 1866–73, i, 822:  قال اين الفقيه: والذهب ينبت في رمل هذه البلاد كما ينبت الجزر وإنه يقطف عند بروغ الشمس . Dat deze goudplanten nu niet meer te vinden zijn ligt merkwaardigerwijze aan de islamisering van het gebied. Shihāb al-Dīn Ibn Faḍl Allāh al ‘Umarī, Al-ta‘rīf bil-muṣṭalaḥ al-sharīf, Cairo 1894, 27,6, wschl. beter in al-Droubi, A critical edition; beide niet ter beschikking, voor het ogenblik vertaald uit Corpus of early Arabic sources, 276:  ‘… for in Ghana and beyond it to the south are the places where gold grows and it has been found by experience that whenever the gold-plant land is taken and Islam and the call to prayer become widespread there the gold plant disappears from it.’
5. K. al-istibṣār 221:

أخبرنا أناس ممن يزاول المعادن أنّهم‏ أوغلوا في‏ بعضها فانتهوا الى موضع رأوا فيه أمثال الجبال من الفضّة،وإذا وجد في جميع معادن بلاد هذا الملك الندرة من الذهب اصطفاها الملك لنفسه ولم يتركها تخرج من بللده لغيره. و الندرة تكون من أوقية إلى رطل وإنما يتركون أن يخرج من بلادهم من الذهب ما كان رقيقًا، ولو تركوا كل ما يوجد في المعادن يخرج من بلادهم لكثر الذهب بأيدي الناس ولهان.

BIBLIOGRAFIE:
Corpus of early Arabic sources for West African History, vert. en uitg. J.F.P Hopkins & N. Levtzion, Cambridge [1981].
Kitāb al-istibṣār fī ‘aǧāʾib al-amṣār: waṣf Makka wa-‘l-Madina wa-Miṣr wa- bilād al-Maghrib / li-kātib marrākušī min kuttāb al-qarn as-sādis al-hiǧrī (12 m.), uitg. en commt. Sa‘d Zaghlūl ‘Abd al-Ḥamīd, A̓lexandrië 1958.
– Al-‘Umarī: Al-Droubi, Samīr, A critical edition of and study on Ibn Faḍl Allāh’s manual of secretaryship “al-Ta‘rīf bil-muṣṭalaḥ al-sharīf”, al-Karak 1992.

Terug naar Inhoud