Christenwappies in de Oudheid

Het christendom is een absurd geloof. De kerkvader Tertullianus (± 150–220) schreef het al: ‘De zoon van God is gestorven; het is geloofwaardig omdat het onzin is,’ en: ‘Het is zeker, omdat het onmogelijk is.’1 Maar andere geloven zijn niet minder absurd, en zeker niet de nieuwe geloven die na het wegebben van het christendom rondspoken. Daar is niets op tegen; kennelijk zijn sterke verhalen voor vele mensen een eerste levensbehoefte. Wel is het wenselijk dat de onzin gescheiden wordt gehouden van de redelijkheid. Gelovigen van allerlei couleur zijn op vele gebieden zeer wel in staat tot redelijkheid, ja zelfs tot wetenschappelijk onderzoek. Het komt aan op een goede partitioning van de harde schijf in de hersenpan. De dubbele waarheid is een ideaal middel om te overleven.

Door mijn werk als arabist kreeg ik te maken met twee christelijke auteurs uit de Oudheid wier onredelijkheid zo allesoverheersend was dat het mij ergerde.

Physiologus

De Physiologus is de anonieme auteur van een boek over dieren uit de tweede eeuw, dat onder christenen eeuwenlang een beschamend grote verbreiding heeft gehad, in vele talen. Hij neemt een of twee meestal volstrekt fictieve of fantastische details uit de beschrijving van de ‘natuur’ (physis) van een dier en komt dan met een vergelijking met Christus, christenen of de kerk op de proppen, veelal gelardeerd met bijbelverzen. Zijn teksten sluit hij dikwijls af met de woorden: ‘Mooi heeft de Physiologus gesproken over …’ — en dat maakt me echt kwaad. Een dieptepunt is wel wat hij over het wezeltje zegt:

  • De Wet zegt: Eet geen wezeltje of een dergelijk dier.2 De Physiologus zegt over het wezeltje, dat het zo een natuur heeft: de bek van het wijfje ontvangt van het mannetje,3 en als het drachtig is geworden baart het door de oren; kwalijk baren zij aldus door de oren.
    Er zijn mensen die in de kerk knabbelen aan het geestelijke brood, maar als zij er weer uit komen werpen zij het Woord uit hun oren en lijken op het onreine wezeltje. En zij worden als een dove slang, die zijn oren verstopt.
    Eet dus geen wezeltje of een dergelijk dier.4

Aristoteles, de grote geleerde uit de Oudheid (384-322 v.Chr.), wist niet alles en schreef ook wel eens onzin,5 maar over het geheel genomen is zijn kennis van het dierenrijk voor die tijd indrukwekkend groot en zijn behandeling ervan is systematisch. Diens werk is echter aan de Physiologus geheel voorbij gegaan; dat zal een vrome ziel zonder veel opleiding zijn geweest. Een kwezeltje, een ezeltje. Eerder heb ik al eens laten zien wat hij te zeggen heeft over het hert en de mierenleeuw. Dat is al even zot.

Kosmas Indikopleustes

Een andere irriterende oude christen is de zesde-eeuwse flat earther Kosmas Indikopleustes, ‘de Indiëvaarder’. Een koopman uit Alexandrië die zeeën bevaren heeft: de Rode Zee, de Perzische Golf en mogelijk ook de Indische Oceaan. Zijn boek Christelijke Topografie bevat zeker interessante stof: rijke hoofdstukken over de flora en fauna van India, over de handelsgoederen, over Ceylon en over het christendom in India en zelfs op het godverlaten Jemenitische eiland Socotra, waar volgens hem Grieks gesproken werd en dat toentertijd een handelshaven was (Schneider 88). Het boek had illustraties met onderschriften; helaas zijn in het proces van overlevering veel afbeeldingen verloren gegaan of door het copiëren verbasterd geraakt en zijn de bladen helemaal door de war geraakt.
Waar lees je anders over al die dingen, in een bron uit de zesde eeuw? Maar helaas, het staat niet vast dat Kosmas ooit zelf in Indië geweest is en er zijn aanwijzingen dat hij dat mooie materiaal van anderen heeft gepikt.
In elk geval contrasteren die teksten nogal met de modderige hoofdstukken, die zeker van zijn eigen hand zijn. Die had ik opengeslagen om eens te zien wat hij over het oude Arabië en de Rode Zee te vertellen had. Maar zijn reisindrukken zijn zeer beperkt en maar matig interessant. Bij Clysma, dat is bij het huidige Suez, heeft hij de wielafdrukken van de strijdwagens van Farao gezien, die de Israëlieten vervolgden door de Rode Zee (Schneider 108). Hij is naar de berg Sinai geweest, waar hij op de halteplaatsen van het volk Israël Hebreeuwse rotsinscripties gezien heeft, die door ‘enige Joden’ voor hem werden vertaald (117). (Hij zal de daar aanwezige Nabatese inscripties hebben gezien, en handige toeristengidsen hebben hem op de mouw gespeld wat hij wilde horen.) In Axum en Adulis, in het toenmalige Ethiopië, is hij als handelaar geweest. Hij heeft daar uit de verte levende rhinocerossen gezien, en in het paleis van de koning een opgezet exemplaar, dat hij ook getekend heeft. Giraffen waren er ook; de koning daar probeerde girafjes van kleins af aan te temmen. Als zij een schaal melk kregen moesten zij hun voorpoten wijd uit elkaar zetten, anders konden ze er niet bij (242–3). Een eenhoorn heeft Kosmas niet gezien, maar wel vier bronzen stèles ervan (243). Nijlpaarden heeft hij ook niet gezien, maar hij handelde wel in nijlpaardentanden (244). Wierook komt diep uit Ethiopië, en wordt verhandeld in Barbaria (het tegenwoordige Berbera in Somaliland), evenals kaneel, geurstoffen en nog meer (60). Het belangrijkste wat hij over Ethiopië te melden heeft, is dat hij in opdracht van koning Ella Asbeha in de haven Adulis een inscriptie van een monument heeft gecopieerd, dat daar was neergezet door koning Ptolemaeus III Euergetes (246–221 v.Chr.) Dat deed Kosmas ‘aan het begin van de regering van Justinus,’ die regeerde van 518–527. Voor zich zelf en voor zijn lezers heeft Kosmas ook een afschrift gemaakt, en dat is natuurlijk waardevol (61–63). Er was nog een tweede, tweetalige, inscriptie op dit Monumentum Adulitanum. Die was echter niet van Ptolemaeus, zoals hij beweert, maar van een Ethiopische koning; de inscriptie is belangrijk voor de geschiedenis van Ethiopië (63–64). Verder zijn het telkens maar snippers die Kosmas over Oost-Afrika mee te delen heeft. Weliswaar zijn voor de oudheidkunde ook snippers van belang, maar de totale oogst is toch wat mager.

Mijn teleurstelling omdat hij niets over Arabië vertelt kan ik de auteur niet aanrekenen. Hij is domweg langs de Afrikaanse kust naar het Zuiden gevaren; wel zo handig waarschijnlijk. Wel vind ik het ergerlijk dat hij, in plaats van veel meer informatie te bieden, het grootste deel van zijn boek vult met ‘bewijzen’ dat de aarde plat is en de vorm van een rechthoek heeft, terwijl de hemel er als een soort tent boven gespannen is. De kosmos als geheel zou ontworpen zijn naar analogie met de tabernakel van het oude Israël, of was het juist omgekeerd? Zijn argumenten bestaan vooral in talloze bijbelverzen. Grrr! ik heb geen zin om al die onzin door te lezen; dat moeten theologen en kosmologen maar doen — ik wens ze veel sterkte. En dat terwijl in zijn tijd al duizend jaar bekend was dat de aarde een bol is! Alle kennis, alle bewijsvoeringen van de grote Griekse denkers uit de Oudheid worden door Kosmas genegeerd, bestreden of voor nietig verklaard. Hij was overigens wel een grote uitzondering: een echte mafkees, die in eigen kring veel kritiek over zich heen kreeg. Er werd onder christenen vrijwel nooit getwijfeld aan de bolvormigheid van de aarde.
Wat een contrast met het werk van die andere koopman uit Alexandrië, de anonieme auteur van Omvaring van de Rode Zee (Periplus Erythraei Maris), die in de eerste eeuw leefde en gewoon nog heiden was. Glasheldere hoofdstukken, barstensvol informatie over de zeeroutes naar Indië en Oost-Afrika, de havens aldaar en wat iedere haven te bieden had.

Kosmas’ rechthoekige wereld, uit een negende-eeuws handschrift in het Vaticaan. De blauwe cirkel rechts onder is de Perzische Golf, waarin Eufraat en Tigris uitmonden. De blauwe cirkel rechts boven is de Kaspische Zee. De Rode Zee, de Nijl, Klein Azië, de Balkan en de Straat van Gibraltar herkent u zelf wel. Dat Italië, Spanje en de Zwarte Zee hier zo slecht uit de verf komen is Kosmas misschien niet aan te rekenen; deze kopie dateert immers van drie eeuwen na hem.
—————————–

Onder de christenen in de Oudheid waren er natuurlijk ook veel die wél wat te melden hadden en goed konden schrijven. Augustinus (354–430) bij voorbeeld, en Basilius (± 330–379). Laatstgenoemde biedt in zijn Preken over de zes scheppingsdagen veel wetenswaardigs aan, ook over dieren, waarbij hij steunt op oudere wetenschap. Maar welbeschouwd is ook hij besmet met het virus van de anti-wetenschappelijkheid, en van hem heeft Kosmas misschien het volgende ‘anti-Griekse’ betoogje overgenomen:

  • De wijze mannen der Grieken hebben vele werken over de natuur geschreven, maar geen ervan bleef onveranderd en stevig verankerd, want het latere heeft het vorige altijd omvergeworpen. Dientengevolge behoeven wij hun woorden niet te weerleggen; zij voorzien wederzijds in hun weerlegging.6

Dat wetenschap iets anders is dan allemaal altijd hetzelfde zeggen; dat (trachten te) weerleggen er een wezenlijk onderdeel van is; dat er een ontwikkeling in kennis is waardoor vroegere inzichten achterhaald raken, dat kwam niet bij hem op. Zijn soort betoog komt ook bij andere christenen voor. Theodoretus, de bisschop van Cyrrhus (± 393–460) schreef een heel boek vol over de ‘ziekten der Grieken’, waarmee hij de verkeerde, want niet christelijke gedachtengangen van de oude Grieken bedoelde. Die anti-wetenschappelijke houding, daar heb ik het land aan, ook bij hedendaagse wappies. Ik houd van steeds toenemende kennis en van voortschrijdend inzicht.

Gelukkig waren er in het Oost-Romeinse Rijk ook niet-religieuze wetenschappers, evenals in het ‘islamicate’7 Irak en Iran. Bij hen genoot de antieke wetenschap wél groot aanzien: het was de vanzelfsprekende basis voor hun eigen werk, waarop eeuwen later in West-Europa zou worden voortgebouwd.

NOTEN
1. Tertullianus, De Carne Christi v: Mortuus dei filius; credibile est, quia ineptum est. En een hoofdstukje later: Certum est, quia impossibile. Maar misschien meende hij het niet zo.
2. Het bijbelvers Leviticus 11:29 luidt in de Nieuwe Bijbelvertaling: ‘Van de kruipende dieren gelden voor jullie als onrein: blindmuizen, ratten en muizen, de verschillende soorten padden, gekko’s …’ enzovoort. Er is dus geen sprake van een wezel, maar dát kon de Physiologus niet weten. Hij was immers afhankelijk van de Griekse bijbelvertaling der Septuaginta en daar staat voor blindmuis γαλῆ, een kleine soort wezel, een fretje misschien? Voor zijn soort dierkunde maakt het echter weinig uit welk dier is bedoeld.
3. De Physiologus heeft wel een klok horen luiden. Volgens Aristoteles, De Generatione Animalium 756b15, 30 beweerde Anaxagoras dat bij raven, ibissen en wezels de paring oraal plaatsvindt. Aristoteles vond dat onzin; hij vermoedde dat het misverstand was ontstaan doordat wezels wel eens hun jongen in de bek nemen. Mijn naam is haas.
4. Physiologus (Schönberger) nr. 21.
5. Bij voorbeeld Aristoteles, Historia animalium 611b20: ‘Als herten door een giftige spin (φαλάγγιον) of iets dergelijks gebeten worden, gaan ze kreeften (καρκίνους) verzamelen en opvreten.’ Wel moeten we altijd de mogelijkheid open laten dat de overlevering gebrekkig is. Het zinnetje is ook terecht gekomen in Ibn Qutayba, ‘Uyûn al-akhbâr ii, 99 والأيل إذا نهشته الحية أكل السرطان.
6. Basilius, Homilia i , 7–8, vert 5.. In de Syrische vertaling van Homilia ix, uitgave Thomson, p. 156, trans. Thomson 124–5, wordt dit nog uitgewerkt: ‘I am not ashamed to accept the words of the scriptures as they were spoken, as the Apostle said: “I am not ashamed of the gospel” (Rom 1,16). Nor furthermore, because others who are of the race of the Greeks said many things and wrote about the description of the world and set down concerning the form of the earth as it pleased them, are we now led after them. Some of them said about the earth that it is like a sphere, and some affirmed it is a cylinder; and others said it is like a dish; and some again said that it is equal from all sides towards the middle like the form of a lathe; and some said it resembles a concave bowl; and others again said it is sunken in the middle. All these suppositions of the wise men of the Greeks were each unstable, because their arguments confuted each other. For each of them composed his own version in opposition to his fellow.’ Dit fragment heb ik (nog) niet in het Griekse origineel gevonden; heb de goede editie niet.
7. Wiktionary: Islamicate = Associated with regions in which Muslims are culturally dominant, but not specifically with the religion of Islam. Meer over deze term hier (Engels).

BIBLIOGRAFIE
– Basilius, Homiliae in Hexaemeron, uitg. Migne, Patrologia Graeca xxix, Parijs 1859; er zijn nieuwere uitgaven, maar niet online. Saint Basil Exegetic Homilies, trans. Agnes Clare Way, Washington 1963. De Syrische vertaling: Basil of Caesarea, The Syriac version of the Hexaemeron, uitg. en vert. Robert W. Thomson, 2 dln. Leuven 1995 (CSCO 550–1).
– Kosmas Indikopleustes: Κοσμᾶς Ἰνδικοπλεύστης, Χριστιανικὴ Τοπογραφία. Griekse tekst: Cosmas Indicopleustès, Topographie chrétienne, uitg. W. Wolska-Conus, 3 dln. Paris, 1968, 1970, 1973 (Sources Chrétiennes 141,159,197); Vert. Horst Schneider, Kosmas Indikopleustes. Christliche Topographie – Textkritische Analysen Übersetzung Kommentar, Turnhout 2010. Een Engelse vertaling door Roger Pearse staat online.
Periplus Maris Erythraei, Περίπλους τῆς Ἐρυθράς Θαλάσσης, uitg. Lionel Casson, Princeton 1989. De oudere vertaling van W.H. Schoff (1912) hier.
– Physiologus, Φυσιολόγος, uitg. F. Sbordone, Rome 1936. Vertaling: Physiologus, Griechisch/Deutsch, vert. en uitg. Otto Schönberger, Ditzingen 2001, 2018 (Reclams Universal Bibliothek 18124).
– Theodoretus: Θεοδώρητος, Ελληνικών Θεραπευτική Παθημάτων: Theodoret, De Graecarum affectionum curatione – Heilung der griechischen Krankheiten, uitg. en vert. Clemens Scholten, Leiden 2015 (Vigiliae Christianae, Supplements, 126).

Terug naar Inhoud

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

De eerste Arabische marine

In 640 veroverden de Arabieren de Romeinse provincie Egypte, maar in 646 werd Alexandrië alweer terugveroverd door een Romeinse vloot. Die bleef niet zo lang, maar het was een schok te beseffen hoe gemakkelijk het nieuwe Arabische rijk vanuit zee binnen was te vallen. De capabele gouverneur van Syrië, Mu‘āwiya, die later kalief zou worden, overtuigde zijn wat passieve oudoom kalief ‘Uthmān van de noodzaak, een marine op te bouwen. Hij kreeg toestemming en dwong talloze scheepsbouwers in Egypte en Syrië schepen te bouwen. Na drie jaar lag er een vloot van maar liefst zeventienhonderd schepen voor de Syrische kust: ‘de zee was niet meer te zien van de masten’.

Nu moest die vloot natuurlijk uitgeprobeerd worden. Men bracht soldaten aan boord, 12.000 naar men zegt, en voerde in het voorjaar van 649 een overval uit op het nog Romeinse eiland Cyprus. De bewoners daar lieten de soldaten ongehinderd aan land gaan omdat zij dachten dat het Romeinen waren. Ze konden zich blijkbaar niet voorstellen dat er zoiets als een Arabische vloot bestond. De troepen konden gewoon doorlopen naar de hoofdstad Constantia (Grieks Σαλαμίνα, Salamina), niet ver van het huidige Famagusta, die zij bezetten en plunderden. Zeer grote hoeveelheden goud en zilver werden buitgemaakt en vele bewoners tot slaaf gemaakt. Zo werden de kosten van de vlootbouw er aardig uitgehaald.

Het varen en plunderen ging lekker, en Mu‘āwiya zette vervolgens koers naar Constantinopel, maar zijn vloot werd op de vlucht gejaagd. Dan maar naar Arwad, een klein eilandje voor de Syrische kust tegenover Tartūs, maar dat kon hij niet innemen omdat het zeer sterke vestingwerken had. Intussen werd het winter en de vloot keerde naar Syrië terug, maar in het voorjaar van 650 veroverde Muʿāwiya’s vloot alsnog Arwad en slechtte de vestingwerken. Daarna was Cyprus nog een keer aan de beurt, nu onder leiding van generaal Abū al-A‘war. Inmiddels waren daar Romeinse troepen gelegerd, die de bewoners aanspoorden standvastig te blijven, maar bij de aanblik van de Arabische vloot sloegen zij toch op de vlucht en probeerden zich overal te verstoppen. Tevergeefs: de Arabieren ‘pulkten ze uit de spleten in de grond als eieren die in een nest waren achtergelaten.’ Wederom werden grote hoeveelheden edelmetaal buitgemaakt en naar verluidt tienduizenden mensen slaaf gemaakt. Constantia kwam er nooit meer bovenop.

In 654 voer de vloot onder leiding van Abū al-A‘war naar Constantinopel, terwijl tegelijkertijd een leger onder Muʿāwiya over land daarheen marcheerde. Ten hoogte van Phoenix (Φοῖνιξ, het huidige Finike bij Antalya), stieten de Arabieren op een Romeinse vloot, waarop keizer Constans II en zijn broer persoonlijk aanwezig waren. Het kwam tot een zeeslag, de ‘Slag der Masten’ (ma‘rakat dhāt al-sawārī), die door de Arabieren gewonnen werd. Hun kracht schijnt vooral gelegen te hebben in de wendbaarheid van hun kleinere aanvalsschepen. De keizer moest verkleed als soldaat vluchten voor zijn leven. Vervolgens op naar het hoofddoel: Constantinopel! De Arabische schepen lagen al bijna in positie voor de stad toen er een zware storm opstak, die de hele vloot vernietigde, met belegeringswapens en al. Een ingrijpen Gods, naar men in Constantinopel zeker wist. Mu‘āwiya leidde zijn troepen over de landweg terug naar huis. Het zou nog decennia duren voordat men weer naar Constantinopel koers durfde te zetten, maar ook toen en in de eeuwen daarna is het nooit gelukt, die stad vanuit zee te veroveren. Desondanks was de Arabische marine voortaan een geduchte aanwezigheid in de oostelijke Middellandse Zee.

De scheepsbouwers en de zeelui waren allen christelijke Syriërs en Kopten; de soldaten waren Arabieren. Zowel de Syriërs als de Egyptenaren hadden een eeuwenoude traditie van scheepsbouw en zeevaart. Hoewel scheepvaart in de koran een niet onbelangrijk onderwerp is, waren de Arabische veroveraars in Syrië bepaald huiverig voor de zee. Dat de matrozen en roeiers christenen waren bleek nog in 717 een nadeel. Toen de vloot nog eens Constantinopel wilde aanvallen, maar ergens aan de Bosporus moest overwinteren, liepen velen van hen over, omdat zij bedachten dat zij als christenen eigenlijk eerder in het Romeinse Rijk thuishoorden. De keizer zal hun allicht bij hun beslissing behulpzaam zijn geweest.

—–

EXCURS: Een hadith vertelt dat er een vrouw was, die graag als soldaat met haar man mee wilde gaan op de expeditie naar Cyprus. De profeet stond het toe. Over haar krijgsverrichtingen is niets bekend, maar na terugkeer in Syrië viel zij van haar muildier/paard? en werd aldus martelares. Om haar te gedenken bouwde men van 1760–1816 een moskee rond haar graftombe op Cyprus.

[…] van Anas ibn Mālik, van zijn tante Umm Harām bint Milhān: De profeet sliep op een dag dicht bij mij en toen hij wakker werd glimlachte hij. Ik vroeg waarom hij lachte. Hij zei: [In de droom] zijn mij mensen uit mijn gemeente getoond terwijl zij de groene zee bevoeren als koningen op tronen. Zij zei: Bid tot God dat hij mij een van hen maakt! Toen bad [de Profeet] voor haar en sliep weer in; hetzelfde gebeurde nog een keer. Hij zei: Jij bent een van de eersten. Zij ging met met haar echtgenoot ‘Ubāda ibn al-Sāmit mee op krijgstocht toen de moslims voor het eerst de zee bevoeren met Mu‘āwiya. Toen zij terug waren van de tocht en in Syrië weer aan land gingen werd haar een rijdier gebracht om op te rijden, maar dat wierp haar af en daaraan stierf zij.
Bukhārī, Jihād 8, var. Jihād 3, 17: حَدَّثَنَا عَبْدُ اللَّهِ بْنُ يُوسُفَ قَالَ حَدَّثَنِي اللَّيْثُ حَدَّثَنَا يَحْيَى عَنْ مُحَمَّدِ بْنِ يَحْيَى بْنِ حَبَّانَ عَنْ أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ عَنْ خَالَتِهِ أُمِّ حَرَامٍ بِنْتِ مِلْحَانَ قَالَتْ  نَامَ النَّبِيُّ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ يَوْمًا قَرِيبًا مِنِّي ثُمَّ اسْتَيْقَظَ يَتَبَسَّمُ فَقُلْتُ مَا أَضْحَكَكَ قَالَ أُنَاسٌ مِنْ أُمَّتِي عُرِضُوا عَلَيَّ يَرْكَبُونَ هَذَا الْبَحْرَ الْأَخْضَرَ كَالْمُلُوكِ عَلَى الْأَسِرَّةِ قَالَتْ فَادْعُ اللَّهَ أَنْ يَجْعَلَنِي مِنْهُمْ فَدَعَا لَهَا ثُمَّ نَامَ الثَّانِيَةَ فَفَعَلَ مِثْلَهَا فَقَالَتْ مِثْلَ قَوْلِهَا فَأَجَابَهَا مِثْلَهَا فَقَالَتْ ادْعُ اللَّهَ أَنْ يَجْعَلَنِي مِنْهُمْ فَقَالَ أَنْتِ مِنْ الْأَوَّلِينَ فَخَرَجَتْ مَعَ زَوْجِهَا عُبَادَةَ بْنِ الصَّامِتِ غَازِيًا أَوَّلَ مَا رَكِبَ الْمُسْلِمُونَ الْبَحْرَ مَعَ مُعَاوِيَةَ فَلَمَّا انْصَرَفُوا مِنْ غَزْوِهِمْ قَافِلِينَ فَنَزَلُوا الشَّأْمَ فَقُرِّبَتْ إِلَيْهَا دَابَّةٌ لِتَرْكَبَهَا فَصَرَعَتْهَا فَمَاتَتْ.

BIBLIOGRAFIE
– Robert G. Hoyland, In God’s Path: The Arab Conquests and the Creation of an Islamic Empire, Oxford 2015, blz. 90–93, 103–110.
– Hugh Kennedy, De grote Arabische veroveringen. Vert. Guus Houtzager, Amsterdam/ Antwerpen 2008, hst. 10. Het origineel: The Great Arab Conquests. How the Spread of Islam Changed the World We Live In, London 2007, ch. 10.

Diacritische tekens: Muʿawiya, Umm Ḥarām bint Milḥān, ʿUbāda ibn al-Ṣāmit, Ṭarṭūs, Ṣawārī

Terug naar Inhoud        Voor de Duitse vertaling click hier.

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Medina 642 AD: Gratis graan en geld

Map by Ziegelbrenner -Wikipedia

In Medina, de oase waar Mohammed zijn staat had gesticht, woedde in 639 een vreselijke hongersnood. Om te voorkomen dat dit nog eens zou gebeuren organiseerde kalief ‘Umar de aanvoer van graan uit Egypte per schip. In 640 was Egypte voor de Arabieren veroverd door ‘Amr ibn al-‘Ās; Alexandrië iets later. Een van de eerste dingen die hij liet doen was het opknappen van het Bubastiskanaal, dat liep van het huidige Zagazig in de Nijldelta naar het huidige Ismā‘īlīya en dan naar het zuiden door het Krokodillenmeer en de Bittermeren naar Qulzum, ergens bij Suez. Het ging dus om een waterverbinding van de delta naar de Rode Zee. In een verbinding Rode Zee–Middellandse Zee was niemand geïnteresseerd. Alexandrië was immers de zeehaven, en de schepen waren klein genoeg om ook over de Nijl of door een kanaal te varen. En anders werd er een keer verladen; alles was goedkoper dan transport over land.

Dit of een soortgelijk kanaal bestond al in de tijd van de farao’s. Het kanaal dat ‘Amr daar aantrof was dat van de Perzische koning Darius (522–486 v. Chr.), die er inscripties achterliet. Na het vertrek van de Perzische bezetters wilde niemand meer met de boot naar Perzië en werd het kanaal verwaarloosd. Ptolemaeus II (284–246 v. Chr.) had het opgeknapt, ten dele een andere bedding gegeven, en er met een sluis voor gezorgd dat er geen zout water in de Nijl kon stromen. Het eindpunt aan de Rode Zee heette Arsinoë, naar zijn zuster die tevens zijn echtgenote was. Het kanaal werd nog eens vernieuwd door de Romeinse keizer Trajanus (98–117). In zijn tijd beheerste het Romeinse Rijk de zeevaart in de Rode Zee en de Perzische Golf, en dreef vlijtig handel met India. Zijn kanaal eindigde bij Clysma (‘Sluis’) of Cleopatris, het latere Arabische Qulzum. Misschien was de waterweg bij aankomst van de Arabieren niet eens in zo slechte toestand; hij schijnt bij hoogwater in de Nijl nog bevaarbaar geweest te zijn. Het was in de Oudheid natuurlijk niet niks, zoiets te bouwen zonder moderne technische hulpmiddelen. Maar het terrein werkte mee, want een groot deel van het traject ging door de zachte bedding van de wadi Tumīlāt. Natuurlijk werkten er vooral slaven aan, van wie er vele omgekomen zullen zijn.

  • Toen in de negentiende eeuw het moderne Suezkanaal werd gegraven is dit oude kanaal weer in gebruik genomen, om vanuit de delta drinkwater en allerlei goederen naar de bouwlocatie te brengen. Hier vindt U een mooie landkaart uit die tijd; door aanklikken kunt U hem vergroten. De dikke horizontale lijn is het bedoelde kanaal; het heet daar Canal de l’Ouadee Salsalamout resp. Canal des Ptolémé—spelling was niet de sterkste kant van de cartograaf.

In 640 of 641 was het kanaal weer bruikbaar en voeren de eerste schepen met graan naar al-Djār, de haven van Medina. Zulk vervoer was heel veel goedkoper en veiliger dan karavaantransport uit Syrië of via Gaza. Het graan zal in Egypte goedkoop zijn geweest, want de traditionele leveranties naar Constantinopel, dat nu vijandig gebied was, waren weggevallen. En als het niet betaald hoefde te worden, omdat het afkomstig was van buitgemaakte staatslanderijen was het nog goedkoper. Voor Medina kon de hongersnood van het rampjaar 639 zich niet meer herhalen.

  • In het jaar 21 schreef ‘Umar aan ‘Amr ibn al-‘Ās en deelde hem mee in welke nood de mensen van Medina verkeerden en beval hem voedsel uit de belastingopbrengst over zee naar Medina te verschepen, en daarbij ook olie. Toen het in al-Djār aankwam voerde Sa‘d daar het bewind. Vervolgens werd het naar een gebouw in Medina gebracht en onder de mensen verdeeld.1

Een variant op hetzelfde verhaal:

  • ‘Umar reed uit met de voornaamste gezellen van de profeet, tot hij in al-Djār kwam, waar hij de schepen zag. Hij gaf opdracht dat graan in ontvangst te nemen en liet op die plek twee burchten bouwen, waarin hij het kon opslaan. Vervolgens gaf hij Zayd ibn Thābit opdracht de mensen op te schrijven volgens hun woonplaatsen en beval hem cheques (sikāk, mv. van sakk) op stukken papyrus te schrijven, die hij onderaan verzegelde. Hij was de eerste die cheques gebruikte en die onderaan verzegelde.2

Dit zijn teksten over een eerste goederenverdeling; er zijn er meer en ze sluiten niet erg op elkaar aan. Ze zijn ook lang na dato geschreven; betrouwbaarheid is niet altijd gegeven. Een ander bericht vertelt dat ‘Umar een proef nam omdat hij wilde weten hoeveel graan er per persoon nodig was:

  • ‘Umar beval een djarīb (22,715 kg) tarwe klaar te zetten. Die werd gemalen, dan gebakken en in olie geweekt. Daarop liet hij dertig mannen uitnodigen, die daarvan hun middagmaal gebruikten […] en ’s avonds nog eens hetzelfde, en hij stelde vast: voor een man is per maand 2 djarīb genoeg. En dus gaf hij iedere man, iedere vrouw en iedere slaaf 2 djarīb per maand.3

Maar die graanverdeling was al spoedig achterhaald, want er was nog veel meer te verdelen. Er kwamen ook allerlei andere goederen en geld uit de veroverde gebieden. In dezelfde tijd werden immers Syrië, Iraq en Iran veroverd, wat voor een niet aflatende stroom van buit zorgde. Medina werd rijk, en de regering zorgde er zo goed zij kon voor dat de meeste goederen eerst in de staatskas resp. de staatsmagazijnen terecht kwamen en van daaruit op gecontroleerde wijze verdeeld werden. Terugkerende soldaten hadden ook nog eens geld op zak.
.
Omstreeks het jaar ± 642, dat is pakweg een jaar na de eerste graanzendingen uit Egypte, zette kalief ‘Umar daarom een registratie op van alle vroege gelovigen, de zog. Dīwān al-djund.4 Daarin werden alle Emigranten uit Mekka opgenomen, maar ook die naar Ethiopië waren geëmigreerd en teruggekomen, en de zog. ‘Helpers’ in Medina, en allen die eervol hadden deelgenomen aan Mohammeds militaire expedities of anderszins verdiensten hadden voor zijn zaak; kortom alle vrije inwoners van Medina! Achter hun naam werden hun daden vermeld.
Al deze mensen kregen voortaan ieder jaar een uitkering uit de staatskas, en hun kinderen vaak ook nog. En denkt u daarbij niet aan zoiets als de Bijstand. De uitkeringen die kort na de hidjra naar Medina aan de armen onder de Emigranten (ahl al-suffa) gedaan werden, dát was bijstand geweest, maar nu ging het om forse bedragen. Dit was ongekend. Als mensen in de Oudheid geregistreerd werden was dat om effectief belastingen van hen te heffen. Hier ging het om de verstrekking van een basisinkomen, of eregeld, of zo U wilt een gecontroleerde verdeling van oorlogsbuit.
.
Er was een hiërarchie in uitkeringsgerechtigden naar hun verdienstelijkheid. Puin onderscheidt vier groepen:4

  • Klasse 1: Deelnemers slag bij Badr; vrouwen van de profeet 4000 DH (=dirham), later 5000 of 6000
    Klasse 2: Overige Emigranten en Helpers (ansār) 1000 DH minder dan Kl. 1
    Klasse 3: Deelname aan Hudaybiya en de zg. Ridda-oorlogen 1000/2000 DH minder dan Kl. 2
    Klasse 4: Alle overige vrije inwoners van Medina 250–400 DH

Puin zet weliswaar bij al zijn data een vraagteken, maar het geeft een indruk. Vooral is onzeker hoeveel de nakomelingen van de oorspronkelijke uitkeringsgerechtigden kregen.
Het was dus van groot belang hoe een man geregistreerd stond. Zonen en kleinzonen zullen hun best hebben gedaan om (groot)vaders dappere daden nog wat aan te dikken, niet alleen voor het prestige, maar ook voor een royalere uitkering. Dat heeft zijn uitwerking gehad op de biografische literatuur (genre: de Verdiensten der Gezellen).
De laat bekeerde Mekkanen kregen overigens niets—tenzij ze zich na 630 alsnog hadden ingezet voor de goede zaak, door bij voorbeeld als soldaat naar Syrië of Iraq te trekken; dat gold ook als hidjra (Emigratie).

Sassanidische Drachme

Als het werkelijk zo gegaan is betekende dat een plotselinge invoer van veel Perzisch geld en een grote stap op weg naar een geldeconomie en een renteniersstaat. De dirham of drachme was een Perzische zilveren munt, indertijd een sterke valuta. Het oude Arabië (buiten Jemen) had nooit eigen geld gehad en het zou nog decennia duren voordat moslims zelf munten gingen slaan. In ‘Umars tijd zal er zeker geld in omloop zijn geweest; in het Noordwesten denkelijk vooral Romeins, in de Golf en Jemen Perzisch; de archeologie zal het ons leren. Maar er was ook veel ruilhandel en er kon betaald worden met brokjes goud en zilver, metalen die in Arabië werden gedolven. (Of valt dat nog onder ruilhandel?) Het vele Perzische geld waarover ‘Umar nu kon beschikken was natuurlijk oorlogsbuit uit het pas veroverde Perzië.

(Deze tekst heb ik geschreven in reeksje over kalief ‘Abd al-Malik. Over hem kunt u desgewenst dit lezen. Hij was een tijd lang directeur van die dīwān.)

NOTEN
1. Al-Balādhurī, Futūḥ al-buldan (Liber expugnationis regum), uitg. M.J. de Goeje, Leiden 1866, 216. وكتب عمر بن الخطاب في سنة ٢١ الى عمرو بن العاصي يعلمه ما فيه أهل المدينة من الجهد ويأمره أن يحمل ما يقبض من الطعام في الخراج الى المدينة في البحر فكان ذلك يُحمل ويحمل معه الزيت فإذا ورد الجار تولّى قبضه سعد الحار ثم جُعل في دار بالمدينة وقسم بين الناس بمكيال.
2. Al-Ya‘qūbī, Ta’rīkh, uitg.  M. Th. Houtsma, 2 dln. Leiden 1883, ii, 187 فخرج ومعه جلة أصحاب رسول الله حتى قدم الجار فنظر السفن ثم وكّل  من قبض ذلك الطعام وبنى هنالك قصرين وجعل ذلك الطعام فيها ثم أمر زيد بن ثابت أن يكتب الناس على منازلهم وأمره أن يكتب لهم صكاكا من فراطيس ثم يختم أسافلها فكان إوّل من صكّ وختم أسفل الصكاك.
3. G.-R. Puin,
Der Dīwān von ʿUmar ibn al-Ḫaṭṭāb. Ein Beitrag zur frühislamischen Verwaltungsgeschichte, Ph. D. Diss. Bonn 1970, 90; al-Balādhurī, Futūḥ al-buldān, Cairo ed. 363 @nog controleren@@
4. Puin,
o.c., 94–5
5. Puin, o.c., 113–4. Puins boek bevat een weelde aan bronnen en verwijzingen.

Diacritische tekens: ʿAmr ibn al-ʿĀṣ, ṣikāk, mv. van ṣakk, ahl al-ṣuffa, anṣār, Ḥudaybiya

ABD AL-MALIK IBN MARWAN: startpagina. De eerste kaliefen. Mu‘awiya’s opvolgers. De Umayyaden uit Medina verjaagd. Abd al-Malik geeft strategisch advies. Abd al-Malik oefent zich in wreedheid en moord. As over Medina? De Rotskoepel in Jeruzalem.

Terug naar Inhoud

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

De Fransen en de pest in Egypte (1798)

In 1798 bezetten de Fransen Egypte, waar zij drie jaar zouden blijven. Een plaatselijke geschiedschrijver, ‘Abd al-Raḥmān al-Djabartī (1753–1825), hield gedurende de eerste maanden van de bezetting een dagboek bij. Daarin is onder andere te lezen over de pest. De Fransen hadden een panische angst voor de pest, die zich volgens hen verbreidde door miasmen: vuile dampen, rottende, vochtige lucht, en de uitwasemingen van zieken en lijken. Zij namen drastische maatregelen, waarvan quarantaine er één was. De bedorven lucht probeerde men te verbeteren door het verbranden van kruiden en wierook. Pestartsen droegen een lange puntneus, aan het eind waarvan geurstoffen waren aangebracht; zij liepen rond met een soort wierookvat.
Al-Djabartī‘s mededeling over hoe de Fransen met hun doden omgingen is fake news. De Fransen waren bezetters en werden door de Egyptenaren gehaat.
Drie niet samenhangende fragmenten uit het dagboek:

“Later werd duidelijk dat deze Bishli al ruim veertig dagen eerder was aangekomen met de correspondentie van de Vizier aan ‘Ali Bey […] maar de Europeanen hadden hem op het schip in Alexandrië geïsoleerd met de passagiers, uit angst dat de pest hen had besmet. Na veertig dagen lieten ze hen van boord gaan en gaven hun toestemming om te reizen, nadat ze zwaar hadden geleden onder de opsluiting en de benauwenis en de rook die werd gebruikt om hen te ontsmetten in het ruim, dat is de buik van het schip. Dit kwam nog bovenop de duurte, enzovoort.”
===
“Op die dag zeiden ze de mensen dat ze hun doden niet meer mochten begraven op begraafplaatsen in de buurt van woningen, zoals de begraafplaatsen van al-Azbakīya en al-Ruway‘ī en dat ze hen alleen mochten begraven op begraafplaatsen veraf. Degenen die geen graf op de begraafplaats hadden, moesten hun doden in die van de Mamelukken begraven. En als ze iemand begroeven moesten ze dieper graven. Verder gaven ze de mensen opdracht hun kleding, meubels en beddengoed enkele dagen op de daken uit te hangen en hun huizen uit te roken om de geur van verrotting te verwijderen. Dit alles uit angst, zoals ze beweerden, voor de lucht en de besmetting van de pest. [De Fransen] menen dat de verrotting in de diepte van de aarde gevangen zit. Als de winter intreedt en de diepte van de aarde koud wordt door de Nijlvloed, de regen en de vochtigheid, komt wat er in de aarde gevangen zit naar buiten met zijn dampen van bederf en laat de lucht verrotten, zodat er een epidemie en de pest ontstaan.
Wat [de Fransen] zelf betreft: het is hun gewoonte om hun doden niet te begraven, maar ze op vuilnishopen te gooien, zoals de kadavers van honden en beesten, of ze in de zee te gooien. Verder zeiden ze nog dat zij, wanneer er iemand ziek werd, op de hoogte gesteld moesten worden. Dan zouden zij een gevolmachtigde sturen om hem te onderzoeken en uit te zoeken of hij de pest had of niet.”
===
“Op die dag werd in de marktstraten omgeroepen dat kleding en huisraad veertien dagen lang in de zon moesten worden uitgehangen, en ze gaven de sjeiks van de verschillende kwartieren, straatjes en …? opdracht deze activiteit te controleren en te inspecteren. De autoriteiten benoemden voor ieder straatje een vrouw en twee mannen die de huizen moesten binnengaan om te inspecteren. De vrouw moest naar boven gaan en de twee mannen melden dat ze hun kleren in de zon hadden uitgespreid. [De familie] gaf hun dan wat muntjes. Ze vertrokken pas nadat ze de bewoners ernstig hadden gewaarschuwd en hun hadden meegedeeld dat er over enkele dagen ook een groep Fransen zou komen inspecteren. Dit alles werd uitgevoerd om de geur van de pest uit de kleren te doen verdwijnen. Daartoe schreven ze proclamaties uit die zij zoals gewoonlijk aanplakten aan de muren.”

ثم تبين ان هذا البشلي حضر من مدة نيف واربعين يوما وبيده مكاتبات من الوزير خطابا لعلي بيك قابجي باشا الذي كان معينا بطلب المال والخزينة وحجزوه الفرنج في المركب في سكندرية مع الركاب خوفا من تعلق الطاعون بهم. فلما مضي عليهم اربعون يوما اخرجوهم واذنوهم في السفر بعد ان قاسوا الشدة من الحبس والضيق وثم الدخان الذي يبخروهم به من داخل العنبر وهو بطن المركب وزيادة على ذلك الغلا وغيره.

وفيه نبّهوا على الناس بالمنع من دفن الموتى بالترب القريبه من المساكن كتربة الازبكية والرويعي ولا يدفنون الا بالقرافات البعيدة والذي ليس له تربه بالقرافه يدفن ميته في ترب المماليك وإذا دفنوا [يبالغوا] في تسفيل الحفر، وامروا ايضا بنشر الثياب والامتعة والفرش بالاسطحه عدة ايام وتبخير البيوت بالبخورات المذهبة للعفونه كل ذلك خوفا من رائحة الطاعون بزعمهم وعدوه ويقولون ان العفونة تستجن باغوار الارض فاذا دخل الشتا وبردت الاغوار بسريان النيل والامطار والرطوبات خرج ما كان مستجنا بالارض بالابخره الفاسده فيتعفن الهوا ويفسد ويحدث الوبا والطاعون، واما طريقتهم فانهم لا يدفنون موتاهم بل يرمونهم علي الكيمان مثل رمم الكلاب والبهايم او يلقونهم في البحر ومما قالوا ايضا: انه اذا مرض مريض يخبروهم عنه فيرسلون من جهتهم امينا للكشف عليه ان كان بالطاعون او لا ثم يرون رايهم فيه بعد ذلك.

وفي ذلك اليوم نودي في الاسواق بنشر الثياب والامتعة خمسة عشر يوما وقيدوا على مشايخ الاخطاط والحارات والقلقات بالفحص والتفتيش فعينوا لكل حارة امرأة ورجلين يدخلون البيوت للكشف عن ذلك فتطلع المرأة الى فوق وتنزل فتخبرهم بانهم ناشرين ثيابهم ويعطوهم بعض الدراهم ويذهبوا بعد ان يقرطوا على اصحاب الدار ويخبروهم ان بعد ايام ياتون جماعة الفرنج ويكشفوا ايضا، وكل ذلك حتى تذهب من الثياب رائحة الطاعون، وكتبوا يذلك مناشير ولصقوها بحيطان الاسواق على عادتهم في ذلك.

Bron: Al-Jabartī’s Chronicle of the First Seven Months of the French Occupation of Egypt. Muḥarram – Rajab 1213|15 June – December 1798, (تاريخ مدة الفرنسيس بمصر), uitg. en vert. S. Moreh, Leiden 1975, 75–6, 82, 91  ٤٩، ٥٥-٥٦ ٦٤-٦٥.

Leestraject: Quarantaine: De Fransen en de pest in Egypte (1798). Al-Tahtawi’s quarantaine in Marseille (1826). De Turkse grens: bij Belgrado (1834), bij Ruse (Rutschuk; ± 1840).

Terug naar Inhoud

Al-Tahtawi’s quarantaine in Marseille (1826)

De Egyptenaar Rifā‘a al-Ṭahṭāwī (1801–1873) kwam in 1826 naar Frankrijk als studenten-imam en begeleider van een groep studenten die daar gingen studeren. Hij zou er vier jaar blijven en schreef een boek over zijn indrukken in Frankrijk, Takhlīṣ al-ibrīz fi talkhīṣ Bārīz, dat in 1849 verscheen.
Marseille was in 1720 geplaagd door een pestepidemie die het aantal inwoners van de stad had gehalveerd. Geen wonder dat er sindsdien strenge quarantaine-maatregelen werden gehandhaafd. Wanneer er een schip naderde met een grieperige matroos aan boord of als er ook verder maar de geringste verdenking van de pest bestond, kwam het de haven niet in maar werd het naar een van de quarantaine-eilandjes voor de kust gedirigeerd, waar het niet prettig toeven was. Dat is Tahtawi bespaard gebleven; zijn quarantaine-verblijf moet tamelijk riant geweest zijn en hij lijkt er niet onder geleden te hebben. Misschien kreeg de groep reizigers uit Egypte om politieke redenen een VIP-behandeling? Voor Tahtawi was deze inrichting zijn allereerste kennismaking met Frankrijk: hij bewondert de gebouwen en het terrein eromheen en is verwonderd over alle nieuwe dingen die hij ziet en meemaakt.
Hij schrijft er o.a. het volgende over (de Arabische tekst staat onderaan):


““Op de rede van Marseille, een van de zeehavens in Frankrijk, gingen wij voor anker. Van het schip waarop we gekomen waren stapten we over in kleine boten en landden bij een gebouw buiten de stad dat als quarantaineinrichting dient, zoals dat bij hen gebruikelijk is. Want wie uit een vreemd land komt moet in quarantaine voordat hij de stad in mag.
[…]
De inrichting waarin wij ons voor de quarantaine bevonden is heel uitgestrekt: zij bestaat uit verscheidene gebouwen en tuinen en is zeer stevig gebouwd. Het was daar dat we voor het eerst zagen hoe stevig en perfect er in dat land gebouwd wordt, en hoe zulke gebouwen met een weelde aan bloementuinen, vijvers en dergelijke zijn omringd.
Dadelijk al op de eerste dag werden we met de meest verbazingwekkende dingen geconfronteerd. Ze brachten ons namelijk een aantal Franse bedienden, wier taal wij niet verstonden, en bijna honderd stoelen om op te zitten — want in dit land vinden ze het raar om op een tapijt op de grond te zitten, om maar te zwijgen van zitten op de kale grond. Vervolgens dekten deze bedienden de tafel voor het ontbijt. Ze droegen hoge tafels aan en legden daarop witte, Perzisch aandoende borden, het ene naast het andere. Bij ieder bord zetten ze een drinkglas neer, en naast het bord legden ze een mes, een vork en een lepel. Op iedere tafel stonden een of twee flessen water, een bakje met zout en en ander met peper. Daarop zetten ze rondom de tafel stoelen neer, per persoon een stoel, en brachten zij het eten. Op elke tafel kwamen een of twee grote schotels: een van de tafelgenoten moest daaruit opscheppen en het eten aan de anderen uitdelen, waarbij iedereen iets op zijn bord kreeg, die dat dan met het mes in stukjes sneed en met de vork – niet met de hand! — naar zijn mond bracht. Want men eet principieel niet met de hand, ook niet met andermans vork, of met zijn mes, zoals men ook nooit uit het glas van iemand anders drinkt. Ze beweren dat het zo het schoonst en gezondst is. Wat je ook kunt zien bij de Franken is dat zij nooit van koperen borden eten en al helemaal niet uit dergelijk vaatwerk, zelfs niet als het vertind is, want dat dient alleen om te koken. Ze gebruiken steeds geglazuurde borden.
[…]
Toen brachten ze ons beddengoed. Het is bij hen de gewoonte dat men op een verhoging slapen moet: een soort bed. Dat alles brachten ze ons.
Wij brachten achttien dagen door op die plek, zonder hem ooit te verlaten. Wel is het daar zeer ruim en er zijn prachtige plantsoenen en uitgestrekte pleinen om te wandelen en van de tuinen te genieten. Na afloop stapten we in fraai opgetuigde koetsen […] en werden naar een gebouw in de stad gereden….””
—————————
Bron: Rifā‘a al-Ṭahṭāwī, Takhlīs al-ibrīz fi talkhīs Bārīz, Cairo 1905, blz. 37, 38, 39, online beschikbaar.

قد رسينا على موردة مرسيليا التي هي إحدى فرض بلاد فرنسا، فنرلنا من سفينة السفر في زوارق صغيرة فوصلنا الى بيت خارج المدينة معد للكرنتينة على عادتهم من أن من أتى من البلاد الغريبة لا بد أن يكرتن قبل أن يدخل المدينة.
[…]
ثم إن هذا البيت الدي كنا فيه للكرنتينة متسع جدا به القصور والحدائق والبناء المحكم فبه عرفنا كيفية إحكام أبنية هده البلاد وإتقانها، وامتلاءها بالرياض والحياض الى آخره.
ولم نشعر في أول يوم إلا وقد حضر لنا أمور غريبة في غالبه وذلك أنهم أحضروا لنا عدة خدم فرنساوية لا معرف لغاتهم ونحو مائة كرسي للجلوس عليها لإن هذه البلاد يستغربون جلوس الإنسان على نحو سجادة مفروشة على الأرض فضلا عن الجلوس بالأرض.
ثم مدوا السفرة للفطور ثم جاؤا بالطبليات عالية ثم رصوا من الصحون البيضاء الشبيهة بالعجمية وجعلوا قدام كل صحن قدحا من القزاز وسكينة وشوكة وملعقة وبكل طبلية نحر قزازتين من الماء وأناء فيه ملح وآخر فيه فلفل ثم رصوا حوالي الطبلية كراسي لكل واحد كرسي ثم جاؤا بالطبيخ فوضعوا في كل طبلية صحنا كبيرا أو صحنين لتغرف أحد أهل الطبلية ويقسم على الجميع فيعطي لكل إنسان في صحنه شيئا يقطعه بالسكينة التي قدامه ثم يوصله الى فمه بالشوكة لا بيده فلا يأكل الإنسان بيده أصلا ولا بشوكة غيره أو بسكينته أو يشرب من قدحه أبدا ويزعمون أن هذه أنظف وأسلم عاقبة. ومما يشاهد عند الافرنج أنهم لا يأكلون أبذت في صخون النحاس، بل ولا في أوانيه أبذا ولو مبيضا فهي للطبخ فقط، بل دائما يستعملون الصحون المطلاة.
[…]
ثم أحضروا لنا آلات الفراش والعادة عندهم أنه لا بد أن ينام الإنسان على شيء مرتفع نحو سرير فأحضروا ذلك لنا. ومكثنا في هذا المحل ثمانية عشر يوما لا نخرج منه أبدا غير أنه متسع جدا وفيه حدائق عظيمة ومحال متسعة للتماشي فيها والنزهة في رياضها.

Leestraject: Quarantaine: De Fransen en de pest in Egypte (1798). Al-Tahtawi’s quarantaine in Marseille (1826). De Turkse grens: bij Belgrado (1834), bij Ruse (Rutschuk; ± 1840).

Terug naar Inhoud