Ibn Khaldun bij Timur Lenk

Ibn Khaldūn (Tunis 1332—Cairo 1406) is een van de beroemdste Arabieren ter wereld. Hij was een rechtsgeleerde van de Malikitische school, maar zijn roem dankt hij aan een groot geschiedwerk over Noord-Afrika, het Kitāb al-‘Ibar, of liever gezegd aan de inleiding daartoe, de Muqaddima. Waarom dat boek zo beroemd geworden is vertel ik graag een andere keer.
Ibn Khaldūn heeft echter ook een autobiografie nagelaten, een zeldzaamheid in de wereld van toen. Die is niet te vergelijken met moderne werken in dat genre. Hij blijft aan de buitenkant, doet niet aan zelfkritiek en wel aan eigenroem. Maar hij geeft een mooi overzicht van zijn levensloop, van de talloze heren die hij gediend op vele plaatsen in Noord-Afrika en vanaf 1382 in Egypte, van mensen die hij heeft gekend en van zijn functies als rechter, hoogleraar of adviseur; bovendien citeert hij hele toespraken die hij heeft gehouden. In zijn ziel laat hij zich niet kijken. In Egypte aangekomen stelde hij alles in het werk om zijn gezin uit Tunis te laten overkomen; toen dit eindelijk scheep was gegaan zonk het schip in een storm voor de rede van Alexandrië. Over deze tragedie, die hem zeer moet hebben aangegrepen, schreef hij slechts twee regels: ‘Het schip verging met man en muis; groot was mijn verdriet en ik raakte geheel in de war. De sultan onthief mij van mijn ambt en bood mij een rustperiode aan, zodat ik mij kon wijden aan de wetenschap, zowel in onderwijs als in geschrifte.’Pas enige tijd later aanvaardde hij weer een professoraat voor Malikitisch recht. 

.
Toen Ibn Khaldūn tegen de zeventig liep en zich uit al zijn ambten had teruggetrokken beleefde hij nog iets bijzonders. De Mongolen waren namelijk Syrië binnen gevallen, een gebied waarvan het zuidelijke deel onder Egypte viel, terwijl het noordoostelijk deel tot het rijk behoorde van de krijgshaftige en wrede Mongoolse heerser Tīmūr Lenk (1336–1405).De Mongolen deden soms invallen in Zuid-Syrië en dan moest de sultan in Cairo in actie komen. Ibn Taymīya had een eeuw tevoren al geklaagd dat de sultans vaak laks waren met de djihaad tegen de Mongolen, en ook toen Tīmūr Aleppo bedreigde ondernam Cairo aanvankelijk niets. Pas toen Aleppo inderdaad werd verwoest en Tīmūr naar Damascus oprukte werd er een leger samengesteld. Sultan Faradj (reg. 1399–1405) voerde het aan en begaf zich in november 1400 met talloze emirs en soldaten op weg. Als gewoonlijk nam hij ook de leiders van de vier rechtsscholen mee. Ibn Khaldūn had lang de Malikitische rechtsschool in Cairo geleid, maar was niet meer in functie. Toch stond men erop dat hij meeging, misschien omdat hij met een vorige sultan al eens in Syrië was geweest. Maar eenmaal bij Damascus aangekomen kreeg de sultan lucht van een complot dat tegen hem in de hoofdstad werd gesmeed. Hij haastte zich naar huis om dat de kop in te drukken, met achterlating van de meeste soldaten en de rechtsgeleerden.
Deze situatie was hachelijk voor Ibn Khaldūn en zijn collega’s, maar vooral voor Damascus, dat nu niet meer te verdedigen was. Het wilde zich overgeven en de verwoesting en plundering afkopen, zoals dat toen gebruikelijk was. Tīmūr bood aan de stad te sparen; een nieuwe gouverneur had hij ook al klaarstaan. Ibn Khaldūn kon nu een rol spelen als raadgever voor de Damascenen en als diplomaat in het contact met Tīmūr. Ook over deze episode is in zijn autobiografie te lezen.
.
Misschien dikt Ibn Khaldūn hier zijn eigen rol wat aan. ’Rechter Burhān al-Dīn vertelde me dat hij naar mij gevraagd had, en of ik met de Egyptische legers was vertrokken of nog in de stad was.’3 Volgens een andere bron was het eerder een toeval dat hij bij Tīmūr terecht kwam. Hoe dan ook, op een dag werd de bejaarde geleerde in een mand over de stadsmuur naar beneden gelaten en opgehaald door mannen van Tīmūr.
De ontvangst in diens kamp was vriendelijk, het gesprek vond plaats via een tolk. Ibn Khaldūn droeg als altijd Maghribijnse kleding en liet zich voorstellen als Maghribijnse, Malikitische rechtsgeleerde, waarmee hij wellicht wilde benadrukken dat hij niet bij Tīmūrs vijand Egypte behoorde. De heerser vroeg dadelijk verder over de Maghrib en wilde van alles weten over de ligging van bepaalde plaatsen als Tanger en Ceuta. Hij was niet tevreden met een mondelinge beschrijving en verlangde een uitvoerige beschrijving van heel Noord-Afrika. Hier wordt ons nogmaals een blik vergund in de ziel van de geleerde: ‘De angst had mij overvallen, vanwege de ramp die de shafi‘itische opperrechter Sadr al-Dīn al-Munāwī was overkomen. De achtervolgers van het Egyptische leger hadden hem gevangen genomen in Shahqab en hem meegenomen. Hij werd bij hen gevangen gehouden en er werd een losgeld verlangd, wat mij bang maakte …’4
Geen wonder dus dat hij zich dadelijk aan het schrijven zette van dat rapport: het werden twaalf katernen (240 bladzijden) met de geografische en historische informatie over Noord-West-Afrika die Tīmūr wilde hebben. Toen het af was werd het in het Mongools vertaald.
.
Behalve dat hij gewillig de gevraagde informatie verstrekte besloot Ibn Khaldūn zijn angst te bezweren door de heerser ook te vleien: ‘Moge God U bijstaan: al dertig of veertig jaar heb ik ernaar verlangd, U te ontmoeten, […] omdat U de sultan van het universum en de heerser van de wereld bent; ik geloof niet dat er van Adam tot heden in de schepping een heerser is opgestaan is als U!’6 En dit, zo benadrukte hij, zei hij niet zomaar, want als geleerde was hij zeer wel in staat zijn grootheid te vergelijken met die van de Perzische en Romeinse keizers, met Alexander de Grote of Nebukadnezar, en Tīmūr was beslist de grootste. Deze bedacht ineens dat hij van moederskant verwant was met Nebukadnezar, wat Ibn Khaldūn tegenover de tolk haastig beaamde: ‘Nog een reden waarom ik ernaar verlangde hem te ontmoeten.’7 Een andere belangrijke reden om naar Tīmūr uit te zien was, zo zei hij, dat astrologen de komst van een machtig heerser hadden voorspeld. Weliswaar werd dit meestal met een heel andere heerser in verband gebracht, maar Ibn Khaldūn nam de gelegenheid te baat deze voorspelling op Tīmūr te laten slaan.
.
Vleien en slijmen hoorde toen gewoon bij het leven. Ibn Khaldūn, die vaak genoeg in ongenade was gevallen, zal het bij al zijn werkgevers hebben gedaan, net als ieder ander, en nu deed hij er uit angst nog een flinke schep bovenop.
Pleegde hij verraad, collaboreerde hij met de vijand door hem die strategisch belangrijke informatie over Noord-Afrika ter beschikking te stellen? Inderdaad. Maar kon hij anders, gezien de hachelijke situatie waarin hij daar verkeerde, moederziel alleen en bekend met Tīmūrs losse manier van omgaan met mensenlevens? Wie zou  voor hem ooit losgeld betalen?
.
Blijkbaar had Tīmūr wel sympathie voor Ibn Khaldūn. Eens wilde hij een muildier van hem kopen. Ibn Khaldūn antwoordde: ‘Mensen als wij verkopen elkaar toch geen muildier?’ en schonk hem het dier—wat kon hij anders? Later kreeg hij echter de geldswaarde van het dier door een tussenpersoon overhandigd, wat erg correct was, maar ook te denken geeft over de verhouding tussen de beide mannen; was die toch tamelijk hartelijk?8
.
Na vijfendertig dagen kon Ibn Khaldūn op 10 januari 1401 ongehinderd terugkeren naar Cairo—niet dan nadat hij nog de inname en plundering van Damascus door Tīmūr had meegemaakt. Zijn schaamte over het rapport dat hij had geschreven overwon hij door thuis voor de sultan van Marokko een tegenhanger te schrijven: een rapport over Tīmūr en de Mongolen.

NOTEN
1. Ibn Khaldūn, Ta‘rīf 320: فعصف بهم الرياح وغرق المركب بمن فيه وما فيه وذهب الموجرد والمولود فعظم الأسف واختلط الفكر وأعفاني السلطان من هذه الوظيفة وأراحني وفرغت لشأني من الاشتغال بالعلم تدريبًا وتأليفًا.
2. In het Engels ook bekend als Tamerlane. Je zou hem beter Tamerlame kunnen noemen, want lenk is Perzisch voor ‘lam’. Hij kon zijn rechterbeen nauwelijks gebruiken; over langere afstanden werd hij gedragen of reed hij te paard. Volgens de Sovjetartsen die in 1941 zijn lijk onderzochten leed hij aan bottuberculose; Tīmūr zelf zei dat het kwam door een pijlschot dat hij ooit in zijn knie had gekregen.
3. Ibn Khaldūn, Ta‘rīf 403: وأخبرني القاضي برهان الدين أنه سأل عني وهل سافرت مع عساكر مصر أو أقمت بالمدينة. Ibn ‘Arabshāh @
4. Ibn Khaldūn, Ta‘rīf 405–6: وقد غلبني الوجل بما وقع من نكبة قاضي القضاة الشافعية صدر الدين المناوي أسره التابعون لعسكر مصر بشحقب وردوه فحبس عندهم في طلب الفدية منه فأصابنا من ذلك وجل
5. De Arabische tekst is niet bewaard. Er schijnt nog wel een Ottomaans-Turkse vertaling in handschrift te bestaan.
6. Ibn Khaldūn, Ta‘rīf 407: أيدك الله لي اليوم ثلاثون أو أربعون سنة أتمنى لقاءك […] انك سلطان العالم وملك الدنيا وما أعتقد أنه ظهر في الخليقة مند آدم لهذا العهد ملك مثلك
7. Ibn Khaldūn, Ta‘rīf 408: وهذا مما يجعلني على تمني لقاءه

BIBLIOGRAFIE
–  ‘Abd-ar-Raḥmān Ibn-Khaldūn: Kitāb al-ʿIbar wa-dīwān al-mubtadaʾ wal-khabar fī ayyām al-‘arab wal-ʿadjam wal-barbar wa-man ‘āṣarahum min dhawī as-sulṭān al-akbar, eerste uitgave door Étienne Quatremere, Prolégomènes d’Ebn-Khaldoun, texte arabe publié d’après les manuscrits de la Bibliothèque Impériale, 3 dln., Parijs 1858. Uitg. Ibrāhīm Shabbūḥ, 14 delen, Tūnis 2006-2013. Andere editie: Beirut 2000-2001, ook online. Het hoofdwerk, inclusief de Muqaddima en een korte versie van de autobiografie (at-Taʿrīf).
– idem, The Muqaddimah. An Introduction to History, vert. door Franz Rosenthal, 3 dln., New York 1958, 1986, ook online.  Duits: Ibn Khaldun, Die Muqaddima, Betrachtungen zur Weltgeschichte. Übertragen und mit einer Einführung von Alma Giese unter Mitwirkung von Wolfhart Heinrichs, München 2011.
– idem, al-Ta‘rīf bi-ibn Khaldūn wa-riḥlatuhu gharban wa-sharqan, uitg. Muḥammad ibn Tāwīt al-Tandjī, Cairo 1951, 2003. Franse vertaling: Le Voyage d’Occident et d’Orient, vert. Abdesselam Cheddadi, Paris 1980, 1995. De autobiografie.

Secundair:
– M. Talbi, ‘Ibn Khaldūn,’ in EI2.
– Walter J. Fischel, Ibn Khaldūn and Tamerlane, Berkeley/Los Angeles 1952.

Diacritische tekens: Ṣadr al-Dīn, Shaḥqab

Terug naar Inhoud

AM: Graanschepen voor Medina. Umars diwan

(Fragment. AM = ‘Abd al-Malik. Ter verduidelijking kunt U eerst dit lezen)

Canal_des_PharaonsIn 640 werd Egypte voor de Arabieren veroverd door ‘Amr ibn al-‘Ās; Alexandrië iets later. Een van de eerste dingen die hij liet doen was het opknappen van het Bubastiskanaal, dat liep van het huidige Zagazig in de Nijldelta naar het huidige Ismā‘īlīya en dan naar het zuiden door het Krokodillenmeer en de Bittermeren naar Qulzum, ergens bij Suez. Het ging dus om een waterverbinding van de delta naar de Rode Zee. In een verbinding Rode Zee–Middellandse Zee was niemand geïnteresseerd. Alexandrië was immers de zeehaven, en de schepen waren klein genoeg om ook over de Nijl of door zo’n kanaal te varen. En anders werd er een keer verladen; alles was goedkoper dan transport over land. Bovendien waren handelscontacten met het Romeinse Rijk in deze periode niet aan de orde.
.
Dit of een soortgelijk kanaal bestond al in de tijd van de farao’s. Het kanaal dat ‘Amr daar aantrof was dat van de Perzische koning Darius (522–486 v. Chr.), die er inscripties achterliet. Na het vertrek van de Perzische bezetters wilde niemand meer met de boot naar Perzië en werd het kanaal verwaarloosd. Ptolemæus II (284–246 v. Chr.) had het opgeknapt, ten dele een andere bedding gegeven, en er met een sluis voor gezorgd dat er geen zout water in de Nijl kon stromen. Het eindpunt aan de Rode Zee heette Arsinoë, naar zijn zuster die tevens zijn echtgenote was. Het kanaal werd nog eens vernieuwd door de Romeinse keizer Trajanus (98–117). In zijn tijd beheerste het Romeinse Rijk de zeevaart in de Rode Zee en de Perzische Golf en dreef vlijtig handel met India. Zijn kanaal eindigde bij Clysma (‘Sluis’) of Cleopatris, het latere Arabische Qulzum. Misschien was de waterweg bij aankomst van de Arabieren niet eens in zo slechte toestand; hij schijnt bij hoogwater in de Nijl nog bevaarbaar geweest te zijn. Het was in de Oudheid natuurlijk niet niks, zoiets te bouwen zonder moderne technische hulpmiddelen. Maar het terrein werkte mee, want een groot deel van het traject ging door de zachte bedding van de wadi Tumīlāt. En natuurlijk werkten er talloze slaven mee, van wie er heel veel omgekomen zullen zijn.
.
Toen in de negentiende eeuw het moderne Suezkanaal werd gegraven is dit kanaal weer in gebruik genomen, om vanuit de delta drinkwater en allerlei goederen naar de bouwlocatie te brengen. Hier vindt U een mooie landkaart uit die tijd; door aanklikken kunt U hem vergroten. De dikke horizontale lijn is het bedoelde kanaal; het heet daar Canal de l’Ouadee Salsalamout resp. Canal des Ptolémé (spelling is nooit de sterkste kant van ingenieurs.)
.
In 640 of 641 was het kanaal weer bruikbaar en voeren de eerste schepen met graan naar al-Djār, de haven van Medina. Zulk vervoer was heel veel goedkoper en veiliger dan karavaantransport uit Syrië. Het graan zal in Egypte goedkoop zijn geweest, want de traditionele leveranties naar Constantinopel, dat nu vijandig gebied was, waren weggevallen. En als het niet betaald hoefde te worden omdat het afkomstig was van buitgemaakte staatslanderijen was het nog goedkoper. Voor Medina kon de benauwenis van het rampjaar 639 zich niet meer herhalen.

  • In het jaar 21 schreef ‘Umar aan ‘Amr ibn al-‘Ās en deelde hem mee in welke nood de mensen van Medina verkeerden en beval hem voedsel uit de belastingopbrengst over zee naar Medina te verschepen, en daarbij ook olie. Toen het in al-Djār aankwam voerde Sa‘d daar het bewind. Vervolgens werd het naar een gebouw in Medina gebracht en onder de mensen verdeeld.1

Een variant op hetzelfde verhaal:

  • ‘Umar reed uit met de voornaamste gezellen van de profeet, tot hij in al-Djār kwam, waar hij de schepen zag. Hij gaf opdracht dat graan in ontvangst te nemen en hij liet op die plek twee vestingen bouwen, waarin hij het kon opslaan. Vervolgens gaf hij Zayd ibn Thābit opdracht de mensen op te schrijven volgens hun woonplaatsen en beval hem cheques (sikāk, mv. van sakk) op papyrus te schrijven, die hij onderaan verzegelde.2

Dit zijn teksten over een eerste goederenverdeling; er zijn er meer en ze sluiten niet erg op elkaar aan. Een ander bericht vertelt dat ‘Umar een proef nam omdat hij wilde weten hoeveel graan er per persoon nodig was:

  • ‘Umar beval een djarīb (22,715 kg) tarwe klaar te zetten. Die werd gemalen, dan gebakken en in olie geweekt. Daarop liet hij dertig mannen uitnodigen, die daarvan hun middagmaal gebruikten […] en ’s avonds nog eens hetzelfde, en hij stelde vast: voor een man is per maand 2 djarīb genoeg. En dus gaf hij iedere man, iedere vrouw en iedere slaaf 2 djarīb per maand.3

Maar die graanverdeling was al spoedig achterhaald, want er was nog veel meer te verdelen. Er kwamen ook allerlei andere goederen en geld uit de veroverde gebieden. In dezelfde tijd werden immers Syrië, Iraq en Iran veroverd, wat voor een niet aflatende stroom van buit zorgde. Medina werd rijk, en de regering zorgde er zo goed zij kon voor dat de meeste spullen eerst in de staatskas resp. de staatsmagazijnen terecht kwamen en vandaaruit op gecontroleerde wijze verdeeld werden. Terugkerende soldaten hadden ook nog eens geld in hun zak.
.
Omstreeks het jaar ± 642, dat is pakweg een jaar na de eerste graanzendingen uit Egypte, zette kalief ‘Umar daarom een registratie op van alle vroege gelovigen, de zog. Dīwān al-djund.4 Daarin werden alle Emigranten uit Mekka, maar ook die naar Ethiopië waren geëmigreerd en teruggekomen, en de zog. ‘Helpers’ in Medina, en allen die eervol hadden deelgenomen aan Mohammeds militaire expedities of anderszins verdiensten hadden voor zijn zaak; kortom alle vrije inwoners van Medina! Achter hun naam werden hun daden vermeld.
Al deze mensen kregen voortaan ieder jaar een uitkering uit de staatskas, en hun kinderen vaak ook nog. En denkt U daarbij niet aan zoiets als de Bijstand. De uitkeringen die indertijd aan de armen onder de Emigranten (ahl al-suffa) gedaan werden, dát was bijstand geweest, maar nu ging het om forse bedragen. Dit was ongekend. Als mensen in de Oudheid geregistreerd werden was dat om effectief belastingen van hen te heffen. Hier ging het om de verstrekking van een basisinkomen, of eregeld, of zo U wilt een gecontroleerde verdeling van oorlogsbuit.
.
Er was een hiërarchie in uitkeringsgerechtigden naar hun verdienstelijkheid. Puin onderscheidt vier groepen:4

  • Klasse 1: Deelnemers slag bij Badr; vrouwen van de profeet 4000 DH (=dirham), later 5000 of 6000
    Klasse 2: Overige Emigranten en Helpers (ansār) 1000 DH minder dan Kl. 1
    Klasse 3: Deelname aan Ḥudaybiya en de zg. Ridda-oorlogen 1000/2000 DH minder dan Kl. 2
    Klasse 4: Alle overige inwoners van Medina 250–400 DH

Puin zet weliswaar bij al zijn data een vraagteken, maar het geeft een indruk. Vooral is onzeker hoeveel de nakomelingen van de oorspronkelijke uitkeringsgerechtigden kregen.
Het was dus van groot belang hoe een man geregistreerd stond. Zonen en kleinzonen zullen hun best hebben gedaan opa’s goede daden nog wat aan te dikken, niet alleen voor het prestige, maar ook voor een royalere uitkering. Dat heeft zijn uitwerking gehad op de biografische literatuur (genre: de Verdiensten der Gezellen).
De Mekkanen kregen overigens niets—tenzij ze zich na hun late bekering in 630 alsnog hadden ingezet voor de goede zaak, door bij voorbeeld als soldaat naar Syrië of Iraq te trekken; dat gold ook als hidjra (Emigratie).

Wat heeft dit alles met ‘Abd al-Malik te maken? Het ging mij erom, het Medina te beschrijven waarin hij is opgegroeid. Maar bovendien was hij ooit een tijd lang directeur van die dīwān. Ook daarom moet ik vertellen wat dat was.

Dit is natuurlijk maar een schets, die naar believen aangevuld kan worden.

NOTEN
1. Al-Balādhurī, Futūḥ al-buldan (Liber expugantionis regum), uitg. M.J. de Goeje, Leiden 1866, 216. وكتب عمر بن الخطاب في سنة ٢١ الى عمرو بن العاصي يعلمه ما فيه أهل المدينة من الجهد ويأمره أن يحمل ما يقبض من الطعام في الخراج الى المدينة في البحر فكان ذلك يُحمل ويحمل معه الزيت فإذا ورد الجار تولّى قبضه سعد الحار ثم جُعل في دار بالمدينة وقسم بين الناس بمكيال.
2. Al-Ya‘qūbī, Ta’rīkh ii, 154 @nog controleren@@
3. G.-R. Puin,
Der Dīwān von ʿUmar ibn al-Ḫaṭṭāb. Ein Beitrag zur frühislamischen Verwaltungsgeschichte, Ph. D. Diss. Bonn 1970, 90; al-Balādhurī, Futūḥ al-buldān, Cairo ed. 363 @nog controleren@@
4. Puin,
o.c., 94–5
5. Puin, o.c., 113–4. Puins boek bevat een weelde aan bronnen en verwijzingen.

Diacritische tekens: ʿAmr ibn al-ʿĀṣ, ṣikāk, mv. van ṣakk, ahl al-ṣuffa, anṣār

ABD AL-MALIK IBN MARWAN: startpagina. De eerste kaliefen. Mu‘awiya’s opvolgers. De Umayyaden uit Medina verjaagd. Abd al-Malik geeft strategisch advies. Abd al-Malik oefent zich in wreedheid en moord. As over Medina? De Rotskoepel in Jeruzalem.

Terug naar Inhoud

Russische kruisvaarders

CSprv8SUkAA5cztBREAKING ““Russisch vliegtuig neergehaald en meer dan 220 Russische kruisvaarders aan boord gedood.

De strijdkrachten van het Kalifaat zijn erin geslaagd een Russisch vliegtuig boven de Provincie Sinai neer te halen, dat meer dan 220 Russische kruisvaarders aan boord had. Allen zijn zij gedood, God zij geprezen. Russen en hun bondgenoten, weet goed dat er voor u geen veiligheid bestaat in de landen en luchtruimen van de moslims, en dat het dagelijkse doden van tientallen mensen in Syrië door bombardementen uit uw vliegtuigen u alleen ellende zal brengen en dat u, met Gods permissie, gedood zult worden zoals u zelf doodt. God is de overwinnaar, maar de meeste mensen weten dat niet.””

Terug naar Inhoud

De muildieren van de profeet

Een muildier (Arabisch baghl)1 is een kruising tussen een paardenmerrie en een ezelshengst; een muilezel is het jong van een ezelin en een paardenhengst. Omdat we niet weten over welk van beide soorten de oude Arabische teksten het hebben noem ik ze maar allemaal muildieren. Ik gok er maar op dat die in de meerderheid zijn geweest: zij zijn de sterkste lastdieren en het makkelijkst te fokken.
Herbert Eisenstein heeft alle teksten over Mohammeds muildieren en ezels verzameld. Uit zijn artikel2 zal ik hier putten; meer teksten dan hij heb ik niet gevonden. Aan interpretatie heb ik echter wel iets toe te voegen
.
Duldul
Het muildier bij uitnemendheid was Duldul. Misschien was het zelfs het islamitische oermuildier überhaupt, want het heet: ‘Duldul was het eerste muildier waarop gereden werd in de islam.’ 3 ‬ Zulke ‘eerste’-overleveringen (awā’il) dienden er meestal toe, de terminus post quem van het een of andere fenomeen vast te stellen, maar ze kunnen wel, zoals in dit geval, erg tendentieus zijn.4
Er bestaat over deze muilezelmerrie enig biografisch materiaal in de beste Arabische traditie.5 Ze zou de profeet cadeau zijn gedaan door de Muqawqis von Alexandrië — wie dat ook geweest moge zijn — tesamen met een ezel, goud, textiel en de twee mooie slavinnen Māriya en Sīrīn.6 Bij de Slag bij Hunayn (630) zou de profeet op Duldul gereden hebben en tegen haar gezegd hebben: irbidī! (ga liggen!), of sdi! (strek je!), zodat hij een handvol stof kon oppakken om de vijanden in het gezicht te werpen. In nog een andere variant zei de profeet in die slag tegen zijn oom ‘Abbās: ‘Geef mij eens een paar kiezelstenen!’ Duldul verstond dat en strekte zich uit eigen beweging, zodat de profeet ze zelf van de grond kon pakken. Zij overleefde de profeet meer dan dertig jaar en stierf tijdens de regering van kalief Mu‘āwiya (661–680) in Yanbu‘ aan de Rode Zee-kust. Een leeftijd van vijftig jaar is voor een muildier goed haalbaar; Duldul was bij aankomst in Medina blijkbaar al niet meer zo jong geweest. Op hoge leeftijd waren haar tanden uitgevallen, zodat de gerst voor haar gemalen moest worden. Haar tragische dood is goed als filmscène voorstelbaar: blind geworden liep zij een meloenveld in en vertrapte het. Het veld behoorde toe aan een man uit de Banū Mudlidj, die haar doodde met een pijlschot, blijkbaar niet vermoedend met welk nobel dier hij te doen had.
Volgens de sji‘ietische overlevering zouden ook ‘Alī, zijn beide zonen en zijn rechterhand Muhammad ibn al-Hanafīya nog op Duldul hebben gereden.
.
Andere muildieren
Wat Eisenstein over de andere muildieren van de profeet bijeen heeft gesprokkeld zal Ik hier kort samenvatten:7
– Fidda (‘zilver’), een wit dier, dat Farwa ibn ‘Amr al-Djudhāmī hem schonk en dat hij zelf aan Abū Bakr doorgaf,
– een wit dier, dat hij van de heerser van Ayla (het huidige Aqaba) cadeau kreeg,
– een muildier dat Kisrā, de koning van Perzië, hem schonk en waarop hij gereden zou hebben met een haren zadeldek,
– een grauwtje, dat hij van de Negus van Abessinië cadeau kreeg,
– een geschenk van de heerser van Dūmat al-Djandal (bij het huidige al-Djawf of Jouf)
– en tenslotte een niet gespecificeerd dier waarvan wordt verteld dat het ‘met hem op hol sloeg’, waarop de profeet aan het dier een koranvers liet voorlezen.
.
Hoeveel muildieren er nu precies bij de profeet in de stal stonden blijft onduidelijk, want de namen en biografische details van de dieren lopen erg dooreen. Wilt U ze echt tellen? Het is eigenlijk nogal duidelijk: al die dieren zijn er in werkelijkheid maar één. Het zijn variaties op één thema: een muildier dat de profeet cadeau krijgt uit het buitenland en dat vervolgens als precedent voor een sharia-regel optreedt.
.
Inderdaad, vrijwel al deze muildieren werden volgens de teksten aan de profeet cadeau gedaan vanuit het buitenland. Ayla en Dūma, hoewel in Noord-Arabië gelegen, golden toen nog als christelijk buitenland. Ook Fidda kwam uit het buitenland, want dat dier kreeg hij van Farwa ibn ‘Amr, die tot zijn bekering en martelaarsdood Romeins stadhouder was in Ma‘ān, ten noorden van Ayla.8 Naar aanleiding van de geschonken slavinnen Māriya en Sīrīn heb ik hier al besproken, welke functie geschenken uit het buitenland in de teksten hadden. Zij moesten door het voorbeeld van de profeet de aanname en het gebruik van niet-islamitische goederen legitimeren.
.
Maar waren muildieren dan zo buitenlands? In heel het Oude Nabije Oosten kwamen muildieren voor; ook Ethiopië was er vol mee. Het waren sterke en betrouwbare last- en rijdieren, die overal van pas kwamen; zouden die in Arabië dan hebben ontbroken? Dat wil er bij mij niet in, maar ze kwamen wel uit het buitenland.
Het Arabische woord voor muildier, baghl, is Ethiopisch. Hoewel de dieren ook in Syrië en aan de Perzische Golf voorkwamen, zal het eenvoudiger geweest zijn ze per schip uit Afrika in Arabië te importeren. Honderden kilometers door de woestijn konden ze immers niet lopen. En omdat de dieren zich niet voortplantten moesten er telkens nieuwe geïmporteerd worden.
Blijkbaar wil de mededeling dat de Egyptische Duldul het eerste muildier in de islam was ons te laten geloven dat muildieren in het oude Arabië nieuw waren, met andere woorden: de profeet had een primeur — en dat terwijl de koran ze al als vanzelfsprekend vermeldt vóórdat de profeet Duldul cadeau zou hebben gekregen.
Maar de nieuwheid van muildieren in de teksten is vrome fictie van rechtsgeleerden. Laten we hun gedachtengangen eens bekijken.
.
Rechtsregels over muildieren
– Het eten van muildiervlees is niet toegestaan — maar dat wordt hier niet behandeld.

– Het rijden op muildieren is zonder meer toegestaan, want in de Koran heet het: ‘En paarden, muilezels en ezels opdat jullie ze kunnen berijden, en voor het mooi. En Hij schept wat jullie niet weten.’9 Dat de profeet volgens verschillende vertellingen ook inderdaad op een muildier reed, is daarmee in overeenstemming. In het oude Israël reden de koningen David en Salomo erop, en muildieren konden ook dienen als vorstelijk geschenk.10

– Een normale omgang met muildieren leidt dus niet tot rituele onreinheid.

– Het zelf faciliteren van een kruising tussen paard en ezel is voor moslims afkeurenswaardig (makrūh). Een hadith maakt dit duidelijk:

  • … Van ‘Alī ibn abī Tālib: De profeet kreeg een muildier cadeau en hij reed daarop. Toen zei ‘Alī: ‘Als we eens ezels paarden lieten bespringen, dan hadden we ook zulke dieren.’ De profeet zei echter: ‘Dat wordt alleen door mensen zonder kennis gedaan.’ 11

In de teksten die Eisenstein heeft gevonden wordt deze uitspraak van de profeet in verband gebracht met het dier uit Ayla.12 Moslims die een absoluut verbod voorstonden interpreteerden ‘mensen zonder kennis’ als: ‘mensen die het verbod niet kennen’. Hoe dan ook, het fokken van muildieren is uit islamitisch oogpunt een niet-islamitische bezigheid. Bij de joden was het verbod duidelijker, op grond van Leviticus 19:19: ‘Laat je vee niet paren met dieren van een andere soort.’

– Reeds bestaande dieren mochten wel gebruikt of van buiten de eigen kring aangenomen of aangevoerd worden.

– Omgang met weerspannige muildieren: het beest dat met de profeet op hol sloeg gaf hij een lesje door het gevangen te zetten en Koran 113:1 aan hem te laten voorlezen, waarop het rustiger werd. Door zo’n bericht kregen de moslims natuurlijk ook meteen een lesje: in dergelijke gevallen moesten zij hetzelfde doen.

Ik vermoed dat het ongeveer als volgt gegaan is. De Arabieren en vroege moslims reden net als iedereen gewoon op muildieren rond en gebruiken ze als lastdieren. Toen na twee, drie eeuwen islamitische rechtsgeleerden begonnen, het hele leven aan de door hen opgestelde rechtsregels te toetsen, hebben zij ook vragen gesteld over muildieren. Omdat als altijd de profeet de hoogste autoriteit geweest moest zijn, hebben ze ook hem op muildieren laten rijden; ja zelfs al eerste. Het bij de joden gangbare fokverbod handhaafden zij; daarom blijft er in de teksten aan muildieren altijd iets vaag ‘niet-islamitisch’ hangen.

Zie ook Mohammed: ezeldrijver of kameelrijder?

NOTEN
1. Ch. Pellat, ‘Baghl’ in EI2.
2. H. Eisenstein, ‘Die Maultiere und Esel des Propheten,’ in Der Islam, 62 (1985), 98–131.
3. Ibn Saʿd, Ṭabaqāt i, @; Internet, passimوكانت دلدل بغلة النبي ص أول بغلة ركبت في الإسلام أهداها المقوقس
4. F. Rosenthal, Art. ‘Awāʾil,’ in EI2.
5. Eisenstein, o.c. 99–101.
6. Over die slavinnen zie hier.
7. Eisenstein, o.c. 101–4.
8. Ibn Isḥāq, Sīra, uitg. F. Wüstenfeld, 958; vert. Guillaume 644; Ibn Ḥadjar al-ʿAsqalānī, Al-Iṣāba fī tamyīz al-ṣaḥāba, 8 dln, Cairo, z.j., v, 386–7.
9. Koran 16:8:    وَالْخَيْلَ وَالْبِغَالَ وَالْحَمِيرَ لِتَرْكَبُوهَا وَزِينَةً وَيَخْلُقُ مَا لَا تَعْلَمُونَ
10. Bijbel, 1 Koningen 1:33, 38, 44; 10:25.
11. Eisenstein, o.c. 103.; Abū Dawūd, Djihād 53:

حدثنا قتيبة بن سعيد حدثنا الليث عن يزيد بن أبي حبيب عن أبي الخير عن ابن زرير عن علي بن أبي طالب ر قال  أهديت لرسول الله ص بغلة فركبها فقال علي: لو حملنا الحمير على الخيل، فكانت لنا مثل هذه. قال رسول الله ص: إنما يفعل ذلك الذين لا يعلمون.

12. Eisenstein, o.c. 103.

Diakritische tekens: Ḥunayn, irbiḍī, Muḥammad ibn al-Ḥanafīya, Fiḍḍa, ʿAlī ibn abī Ṭālib

Terug naar Hadith: startpunt     Terug naar Inhoud

Haqqi’s ‘Maagd van Dinshaway’

(Doelgroep: mensen die Arabische literatuur in het Arabisch lezen)

Als attachment hier de Arabische tekst van Mahmud Tahir Haqqi’s korte roman ‘Adhrā’ Dinshawāy (De maagd van Dinshaway, Cairo 1964; de eerste druk was van 1906). Ik heb nu eenmaal dit pdf-bestand en het zou jammer zijn om het weg te gooien. Zo hoeft u niet nog een keer naar de UB te rennen.

Haqqi’s werk is een van de vroegste Egyptische romans, die een grote invloed heeft gehad op zowel het Egyptische nationalistme als op de ontluikende romankunst. In de woorden van Samah Selim, blz. 93:

  • The novel dramatizes the events that took place in the Delta village of Dinshaway in 1906. A party of British officers out pigeon hunting near the village was attacked by a group of peasants to whom the pigeons belonged. In the confrontation that followed, an officer was severely wounded and subsequently died of sun-stroke. The British reprisal was swift and brutal — a military trial ended in the execution of four villagers — and the popular outrage that ensued eventually led to Lord Cromer’s departure from Egypt.

Secundaire literatuur:
– Sa‘d al-Djabalāwī, Three pioneering Egyptian novels, Fredericton NB 1986.
– Roger Allen, ‘History of the Egyptian Novel. Its Rise and Early Beginnings,’ IJMES 1988, Vol. 20(3), 397-397.
– Samah Selim, The Novel and the Rural Imaginary in Egypt, 1880-1985, London/New York 2004, blz. 92ff.

Diakritische tekens: Maḥmūd Ṭāhir Ḥaqqī, ʿAdhrāʾ

Terug naar Inhoud           Mahmud Tahir Haqqi Dinshaway Dinschaway Dinsaway Dinsawai Dinsuway

Koptische Maria, slavin van de profeet

Het Koptische meisje Māriya was volgens de overlevering een slavin, die de Muqawqis van Alexandrië in 629 samen met haar zuster Sīrīn cadeau deed aan de profeet Mohammed. De geschenkzending bevatte verder nog goud en kostbare doeken, de muilezelin Duldul en een ezel die ‘Ufayr of Ya‘fūr heette.Māriya werd de moeder van Ibrāhīm, een zoon van de profeet. Het kind stierf terwijl het nog bij zijn voedster aan de borst was.

Maar deze Koptische slavin was geen historische figuur, en haar zoontje dus ook niet. Op minstens drie plaatsen duikt een christelijk vrouwenduo Māriya-Shirin op in Perzië, niet in Egypte:
1. In de Kroniek van Khuzistan, geschreven omstreeks 660 door een Syrisch-Aramese christen uit het Zuidperzische Khūzistān heet het:

  • Īshō‘yahb werd respectvol behandeld door de koning [Khosro II] zelf en door zijn beide christelijke vrouwen, de Aramese Shīrīn en de Romeinse Maria.2

2. In de Kroniek van Siirt (10e eeuw) is hoofdstuk 18 aan Khosro II gewijd. Daar staat te lezen:

  • […] uit dankbaarheid jegens Mauricius beval Khosro de kerken weer op te bouwen en de christenen te respecteren. Hij bouwde zelf twee kerken voor Maria (Maryam) en een grote kerk en een kasteel in het land van Beth Lashpar voor zijn Aramese vrouw Shīrīn.3

3. De Romeinse keizer Mauricius (reg. 582–602) heeft volgens een bericht bij al-Tabarī zijn Perzische collega Khosro II Parwīz (reg. 590–628) ‘een geliefde dochter van hem, die Maryam [=Maria] heette,’ tot vrouw gegeven.4 Dat deze al een christelijke vrouw had, die Shīrīn heette, is uit de literatuur bekend.

Met deze Maria schijnt dus een christelijke Romeinse bedoeld te zijn, die in Perzië was beland. Een islamitische verteller heeft haar samen met Shīrīn naar Egypte en van daaruit weer naar Medina versleept. Ook bij hem wordt een zekere Maria door een hooggeplaatste persoon aan een andere, namelijk Mohammed, ‘geschonken’. De naam Shīrīn hoort overigens duidelijk in Perzië thuis, niet in Egypte.
.
Māriya en de sharia
Hoewel ze niet heeft bestaan, heeft Māriya wel haar sporen in de sharia achtergelaten. De profeet heeft haar aangenomen en liet zo zien dat moslims een geschenk van christenen mogen aannemen. Hij had legale seks met haar als slavin. Haar zuster Shīrīn gaf hij dadelijk door aan een ander: het is niet geoorloofd met twee zusters in dezelfde tijd omgang te hebben. Door Ibrāhīm ter wereld te brengen werd Māriya een voorbeeld van een umm walad. De dood van haar zoontje bood de profeet gelegenheid te laten zien hoe moslims bij de dood zelfs van een innig geliefd wezen zeer bescheiden dienen te rouwen.
.
Geschenk
Volgens de overlevering ontving Mohammed geschenken van verscheidene christelijke heersers: van de negus van Ethiopië, de Muqawqis van Alexandrië en de Romeinse keizer. Daarenboven nog van Dihya al-Kalbī, een moslim die meermaals met een diplomatieke missie het Romeinse Rijk bereisd zou hebben. In de teksten word de volgende formule gebruikt: ahdā fulān lin-nabī, of passief: uhdiya lin-nabī. Waarom wordt ons over deze schenkingen verteld? De berichten willen laten zien dat Mohammed zo zeer op een zelfde niveau verkeerde als de heersers van de wereld, dat zij hem geschenken stuurden.5
.
Christelijke herkomst
Blijkbaar mogen moslims geschenken van christenen aannemen, want de profeet heeft het ook gedaan. Maar mogen zij ze ook gebruiken? Volgens hadithen kreeg de profeet o.a. het volgende cadeau: schoenen, een zegelring, slavinnen, rijdieren, textiel en een kostbare bontjas. Het meeste nam hij zonder problemen in gebruik, en dankzij zijn voorbeeld is dat ook de moslims toegestaan. Alleen als een geschenk te extravagant was, of het gebruik ervan anderszins in strijd was met islamitische regels, gaf de profeet een geringschattend commentaar, schonk hij het aan iemand anders, gaf hij het een andere bestemming of liet hij het stuksnijden. De bontjas met brokaat uit Constantinopel was voor islamitisch gebruik beslist te extravagant; het prachtstuk werd dus doorgegeven aan de negus van Ethiopië.6 Gewaden van zijdebrokaat werden veracht; zelfs de servetten in het paradijs zijn nog mooier dan zij.7 Ze konden worden verscheurd en als hoofddoek8 of als onderhemd hergebruikt worden.9 Koptische doeken met afbeeldingen van levende wezens konden als overtrek voor zitkussens worden gebruikt – zodat de verachting voor die afbeeldingen met het achterwerk kon worden uitgedrukt.10 Maar een paar eenvoudige zwarte11 schoenen trok de profeet wel aan, en hij liet tegelijkertijd zien dat het verplichte wassen van de voeten bij de rituele reiniging ook over die gesloten schoenen kon plaatsvinden.12 Christelijke slavinnen aannemen of bezitten en voor zich laten werken leverde blijkbaar geen problemen op.
.
Slavin
Māriya is bekend geworden als slavin. Sommige moderne moslims schamen zich met terugwerkende kracht voor de slavernij en doen alsof Mohammed met haar getrouwd was. Maar op een of twee uitzonderingen na zeggen alle bronnen dat zij een slavin was. Māriya komt niet voor in de lijsten van de vrouwen van de profeet, maar wel in een lijst van Mohammeds concubines.13 Ze zou niet bij de andere vrouwen gewoond hebben en kreeg niet de titel ‘Moeder der Gelovigen’ zoals de officiële echtgenotes.
.
Seks met slavinnen
In de Oudheid sprak het vanzelf dat een man seks kon hebben met zijn slavinnen als hij daar zin in had. Ook in de koran wordt dat als normaal beschouwd; de koranische uitdrukking voor slavin is: ‘wat uw rechter hand bezit’. Volgens islamitisch recht mag een man vier echtgenotes hebben, als hij ze kan onderhouden. Daarenboven mag hij met een onbegrensd aantal slavinnen (bijvrouwen, Arab. surrīya, mv. sarārīy) geslachtsverkeer hebben – als hij ze kan betalen.14 Ook bij de omgang met slavinnen moest Mohammed het voorbeeld gegeven hebben, en hier kwam Māriya goed van pas. Alleen al de aankomst van een waardevolle slavin als geschenk uit het buitenland vooronderstelt geslachtsverkeer. Om te melken, hout te sprokkelen en te weven waren er genoeg andere. Maar blijkbaar werd de behoefte gevoeld, de omgang van de profeet met een slavin uitdrukkelijk ter sprake te brengen, en dat gebeurde o.a. in een sabab al nuzūl-verhaal bij koran 66:1:

  • […] Zayd ibn Aslam vertelde mij dat de profeet seks had met [Māriya,] de moeder van Ibrāhīm, in de woning van een van zijn vrouwen. Die reageerde: ‘Wat, profeet! In mijn woning en op mijn bed?’ Daarop verklaarde hij [Māriya] voor zich zelf verboden [harām]. Ze zei: Hoe kun je iets wat geoorloofd is voor je zelf verboden verklaren? Maar hij zwoer bij God dat hij geen seks meer met haar zou hebben. Daarop openbaarde God: „Profeet! Waarom verklaar jij om je vrouwen tevreden te stellen verboden wat God je heeft toegestaan?“
    Zayd zei nog: Zijn woorden ‘Jij bent voor mij verboden’ waren dus zonder inhoud.15

.
Als een slavin een kind krijgt
Volgens islamitisch recht wordt een umm walad, een slavin die haar meester een kind schenkt, na diens dood vrij, zoals wordt verwoord in een uitspraak die aan kalief ‘Umar is toegeschreven:

  • Haar kind maakt haar [een umm walad] vrij – zelfs als zij een miskraam had. 16

en ook in een hadith van de profeet:

  • De profeet zei over een umm walad: ‘Haar kind maakt haar vrij. Haar wachttijd is even lang als die van een vrije vrouw.’ 17

Ter concretisering verscheen iets later Māriya in de teksten:

  • […] van Ibn ‘Abbās: In het bijzijn van de profeet werd over de moeder van Ibrāhīm gesproken. Toen zei hij: ‘Haar zoon heeft haar vrij gemaakt.’ 18

In de islamitische rechtspraktijk wordt zo’n slavin pas vrij als haar meester sterft, maar in de hadithen klinkt het alsof haar vrijlating nog bij diens leven plaatsvindt—al is het na een wachttijd.19 Dat is het onderwerp van hevige discussies geweest, die hier echter niet besproken hoeven te worden.
.
Geen seks met twee zusters
Māriya en haar zuster Sīrīn konden als precedent dienen voor de regel dat een man in dezelfde tijdspanne niet met twee zusters seks mag hebben. De profeet zou dus de aantrekkelijke Māriya zelf tot concubine hebben genomen (tasarrā bihā) en Sīrīn aan Hassān ibn Thābit hebben doorgegeven: een normale manier van doen bij niet passende geschenken (zie hierboven). Sīrīn zou Hassān aan zijn zoon ‘Abd al-Rahmān hebben geschonken.20
.
Normen voor de rouw
Door de dood van Māriya’s zoon Ibrāhīm konden enige rouwgebruiken tot sunna van de profeet worden. Over Ibrāhīm staat hier al een aparte bijdrage.
.
Wie mijn manier van kijken deelt heeft intussen allang gemerkt dat in de teksten de rechtsgeleerdheid de overhand heeft, niet het biografische en historische. Māriya dankt haar papieren bestaan en haar status als slavin aan het feit dat zij zo bruikbaar was als precedent bij shariakwesties. Natuurlijk zijn er ook mensen die precies haar woonplaats kennen, haar sterfdatum, die van haar zoon en de juiste ligging van zijn graf. Zelfs het origineel van de bedankbrief van de profeet aan de muqawqis is bewaard gebleven. Alles voor degenen die aan zulke dingen geloven.

LITERATUUR
– Kaj Öhrnberg, ‘Māriya al-qibṭiyya unveiled,’ Studia Orientalia (Helsinki) 14 (1984), 297–303.
– N.N., ‘Maria al-Qibtiyya,’ in de Duitse Wikipedia. Een goed geïnformeerd artikel, dat echter in het geloof aan de historiciteit gevangen blijft zitten.
– F. Buhl, ‘Māriya,’ in EI2. Idem.

NOTEN
1. Ibn Saʿd, Al-Ṭabaqāt al-kubrā, uitg. Iḥsān ʿAbbās, Beiroet z.j., viii, 212. بعث المقوقس صاحب الاسكندرية الى رسول الله ص في سنة سبع من الهجرة بمارية وبأختها سيرين وألف مثقال ذهبًا وعشرين ثوبًا لينًا وبغلته الدلدل وحماره عفير ويقال يعقور […] De Muqawqis is een fantasieheerser uit Egypte. In werkelijkheid was dat land toen een deel van het Romeinse Rijk. De beide meisjes werden begeleid door een oude eunuch, die Mābūr heette. Over de dieren zie H. Eisenstein, ‘Die Maultiere und Esel des Propheten,’ Der Islam, 62 (1985), 98–131. Van Duldul bestaat er zelfs zoiets als een biografie. Eisenstein schijnt te menen dat die dieren werkelijk hebben bestaan.
2. ‘Die von Guidi herausgegebene syrische Chronik, übersetzt und commentiert von Prof. Dr. Th. Nöldeke,’ in Sitzungsberichte der kaiserlichen Akademie der Wissenschaften, phil.-hist. Kl. 128, 9, Wien 1893, 1–48; hier S. 10; Sebastian P. Brock, ‘Guidi’s Chronicle,’ in Encyclopaedia Iranica, online hier; Robert G. Hoyland, Seeing Islam as Others Saw it. A Survey and Evaluation of Christian, Jewish and Zoroastrian Writings on Early Islam, Princeton 1997, 182–89.
3. Histoire nestorienneChronique de Séert, II, 1, uitg. & vert. Addai Scher, Paris 1911, repr. 1950@check@, 467. (Patrologia Orientalis, vii, 2); Robert Hoyland, o.c., 443–6. Is in deze tekst met Maria niet eenvoudig de moeder Gods bedoeld?
4. Al-Ṭabarī, Taʾrīkh i, 994, 999: v وزوّجه ابنة له كانت عزيزة عليه يقال لها مريم ; Kaj Öhrnberg, ‘Māriya al-qibṭiyya unveiled,’ Studia orientalia (Helsinki), xi/14 (1984), 297–303, vooral S. 298.
5. Van zijn kant had de profeet hun alleen brieven gestuurd, waarin hij hen tot de islam opriep.
6. Abū Dāwūd, Libās 8.
7. Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad iii, 229; vgl. Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 903.
8. Muslim, Libās 18; Abū Dāwūd, Libās 8.
9. Abū Dāwūd, Libās 35.
10. Bukhārī, Libās 91. […] وعن عائشة وقالت: قدم رسول الله ص من سفر وقد سترت بقرام لي على سهوة لي فيه تماثيل فلما رآه رسول الله ص هتكه وقال: أشد الناس عذابًا يوم القيامة الذين يضاهئون بخلق الله. قالت فجعلناه وسادة أو وسادتين.
11. Rode schoenen zouden bijv. te extravagant zijn geweest; Lane, Arabic Lexicon 770.
12. Koran 5:6; Ibn Abī Shayba, Muṣannaf 1, 117; Abū Dāwūd, Ṭahāra 60, Tirmidhī, Adab 55, Ibn Mādja, Ṭahāra 84, Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad v, 352. Het wassen, resp het afwissen van de geschoeide voeten (al-masḥ ʿalā al-khuffain) is het onderwerp geweest van ongelooflijk uitvoerige discussies; zie R. Strothmann, Der Kultus der Zaiditen, Straatsburg 1912, 21–46; vgl. Ch. Pellat, ‘al-Masḥ ‘alā ’l-khuffayn,’ in EI2 en J. Schacht, The Origins of Muhammadan Jurisprudence, Oxford 1950, 263f.; Wim Raven, ‘Some early Islamic Texts on the Negus of Abyssinia,’ JSS 33 (1988), 197–218. Online hier.
13. Aṭ-Ṭabarī, Taʾrīkh i, 1778. Bij de vermelding van haar dood noemt al-Ṭabarī, Taʾrīkh i, 2480 haar een umm walad.
14. Tegenwoordig is de slavernij weliswaar afgeschaft, maar streng-islamitisch beschouwd kan zij niet afgeschaft worden, omdat zij in koran en hadith als vanzelfsprekend geldt. In landen die de slavernij pas laat hebben afgeschaft (o.a. Saoedi-Arabië in 1962, de Emiraten in 1963, Mauritanië laatstelijk in 2007) bestaat zij in de praktijk vaak nog voort.
15. Deze versie komt uit al-Ṭabarī, Tafsīr bij koran 66:1. Er zijn verscheidene, ook langere versies van het verhaal, met en zonder vermelding van Māriya’s naam, met en zonder specificering van de vrouw van de profeet. De pijnlijk verraste vrouw van de profeet zou Ḥafṣa bint ‘Umar zijn geweest.

حدثني محمد بن عبد الرحيم البرقي، قال: ثني ابن أبي مريم، قال: ثنا أبو غسان، قال: ثني زيد بن أسلم أن رسول الله ص أصاب أمَّ إبراهيم في بيت بعض نسائه قال: فقالت: أي رسول الله في بيتي وعلى فراشي؟، فجعلها عليه حراماً فقالت: يا رسول الله كيف تحرّم عليك الحلال؟، فحلف لها بالله لا يصيبها، فأنزل الله عزّ وجلّ: { يا أيُّها النَّبِيُّ لِمَ تُحَرّمُ ما أحَلَّ اللَّهُ لَكَ تَبْتَغِي مَرْضَاةَ أزْوَاجِكَ } قال زيد: فقوله أنت عليّ حرام لغو.

16. Ibn Abī Shayba (gest. 849), Muṣannaf, xi, 184/21894.@check@
17. ʿAbd al-Razzāq al-Ṣan‘ānī (gest. 826), Muṣannaf, vii, 12937: v عبد الرزاق عن الن عيينة عن أبي أنعم عن راشد بن الحارث عن ابن المسيّب أن النبي ص قال في أم الولد: أعتقها ولدها، فتعتدّ عدة الحرة.
18. Ibn Mādja (gest. 887),ʿItq, 2:‎ ‎حدثنا أحمد بن يوسف حدثنا أبو عاصم حدثنا أبو بكر يعني النهشلي عن الحسين بن عبد الله عن عكرمة عن ابن عباس قال: ذكرت أم إبراهيم عند رسول الله ص فقال: أعتقها ولدها.
19. Om te zien of zij niet zwanger is. Eenzelfde wachttijd is vereist wanneer een vrouw verstoten wordt.
20. Al-Ṭabarī, Ta’rīkh i, 1528, 1591, 1781.

Terug naar Hadith: startpunt     Terug naar Inhoud

Woordenboeken, gesproken Arabische talen/dialecten

Van de dialectwoordenboeken noem ik er maar twee. De rest is knudde, voor zover ik weet. Graag aanvullingen uwerzijds, maar ik neem alleen echt goede woordenboeken op.

  • Roel Otten en Jan Hoogland, Basiswoordenboek van het Marokkaans Arabisch. Marokkaans/Nederlands, Nederlands/Marokkaans, Muiderberg 1983. [Klein maar fijn; 8+934 smalle bladzijden. Past in de mouw van uw boernoes.]
  • El-Said Badawi & Martin Hinds, A Dictionary of Egyptian Arabic, Beirut 1986. [alleen Egyptisch-Engels]

Terug naar Inhoud