Geslachten en neigingen in het premoderne Midden-Oosten – 1

De Boeginezen op Celebes kennen vijf geslachten, en de Navajo-Indianen eveneens: mannelijke mannen, vrouwelijke mannen, vrouwelijke vrouwen, mannelijke vrouwen; bij de Navajo de hermafrodiet die man én vrouw is en bij de Boeginezen de bissu, een soort heiligmens, die man noch vrouw is.
.
Lawrence Durrell schreef in Justine over Alexandrië: ‘There are more than five sexes, and only demotic Greek seems to distinguish between them.’ Dat laatste geloof ik niet, het Arabisch kan er ook wat van, maar inderdaad waren er vanouds in het Midden-Oosten heel wat meer geslachten dan in het saaie Westen, dat tot voor kort alleen mannetjes en vrouwtjes (er)kende en waar de recente ontdekking van andere mogelijkheden vooral getob lijkt te veroorzaken. De moslims deden er minder moeilijk over. Een operatie ter verandering van het geslacht was in Casablanca of Teheran eerder mogelijk dan hier.
.
De laatste tijd schieten ook bij ons de geslachten en genders als paddenstoelen uit de grond. Wij hebben tegenwoordig LGBTQ… en nog meer letters; van de laatste weet ik niet eens waar ze voor staan. Of het prettig is voor de betrokkenen om in zo’n hokje geduwd te worden? De Indonesische activiste Tiara Tiar Bahtiar heeft een boek geschreven met de titel Namaku bukan waria – panggil aku manusia, ‘Ik heet niet transgender, noem mij mens.’ Maar blijkbaar zijn er ook mensen die erop staan, zich zelf zo’n letter op te plakken. Zonder identiteit schijnt het tegenwoordig niet te gaan.
.
Er zijn geslachten en genders, maar ook seksuele oriëntaties; bovendien is er nog de mogelijkheid van travestie. Al met al is er een groot aantal spelcombinaties mogelijk.
Ik moet mij zeer beperken en kan alleen maar wat aanstippen, want in de Arabische bronnen die ik mij kan voorstellen (poëzie, geschiedwerken) ben ik niet ver doorgedrongen; zij zijn onafzienbaar en dikwijls onontsloten. Eén ding kan al van te voren worden gezegd: men deed vroeger niet aan identiteit. De westerse gedachte: als je iets bent ben je dat voor altijd, het is je ware wezen, je identiteit, bestond in die oude wereld niet. Mensen konden best uit hun hokje om iets anders te ‘worden,’ meestal tijdelijk, maar soms levenslang.

===========

Hermafrodieten 
Er was vanouds de khunthā, de hermafrodiet, die de lichamelijke geslachtskenmerken heeft van zowel een man als van een vrouw.
Volgens de koran heeft God de mens echter geschapen als mannen en vrouwen. Hermafrodieten moeten dus een keuze maken: als zij zich als man beschouwen en hun penis ook voor penetratie kunnen gebruiken moeten zij man worden, en anders vrouw. Vandaar dus de toelaatbaarheid van geslachtsveranderende operaties, toen die eenmaal mogelijk werden.

===========

Pseudo-jongens 
De ghulāmīya of radjulīya, een meisje dat zich kleedt en gedraagt als een jongen, kreeg een belangrijke impuls van de moeder van kalief al-Amīn (reg. 809–813). Toen al-Amīn als jongeman weinig belangstelling voor het vrouwelijk geslacht bleek te hebben wilde zijn moeder die stimuleren door dergelijke meisjes aan het hof te introduceren: kort haar, tuniekjes, strakke riem om het middel.
Wat voor meisjes waren dat? De moeder van een prins kon natuurlijk slavinnen bevelen zich als jongen te gedragen, ook als zij daartoe vanuit zichzelf niet geneigd waren. Maar zij zal bij de selectie wel een beetje opgelet hebben welke meisjes de rol met overtuiging konden spelen.1
Vrijwel onmiddellijk werden de ghulāmiyāt ook elders populair, bij voorbeeld als schenk(st)ers in kroegen.
 De dichter Abū Nuwās ontving zijn wijn graag ‘uit de hand van eentje met een gleuf, gekleed als iemand met een pik.’2 Hij beschrijft de meisjes ook, bijv. zo: Hier heb je mensen vrouwelijk in gedrag, maar in mannenkleding | met blote handen en voeten, zonder sieraad aan de oren en om de hals | zo slank als teugels, zwaardscheden en gordels |maar ze hebben volle achterwerken in hun tunieken, en dolken aan hun taille, | hun lokken zijn gekromd als schorpioenen, en hun snorren zijn van parfum.’3 

Jenny → Nordberg heeft een mooie studie geschreven over meisjes in Afghanistan, die om praktische redenen een aantal jaren als jongens optreden. Zij schrijft over onze tijd, maar de samenleving in Afghanistan is nog behoorlijk premodern. Zulke meisjes worden als jongens gekleed en behandeld en ze gedragen zich ook zo, inclusief bomen klimmen, voetballen en vechten.4 Het zijn meestal de ouders die op het idee komen een dochter tot zoon om te vormen; soms ook een molla. Het is namelijk een enorme schande voor een Afghaans gezin om geen zoon te hebben, bovendien mogen meisjes vrijwel niets, zodat een gezin zonder man of jongen niet goed kan functioneren. Daar komt nog een magisch motief bij: men gelooft graag dat als er één zo’n jongen in huis is, het volgende kind dat geboren wordt een echte jongen zal zijn.
De meisjes vinden het meestal wel mooi: als jongen hebben zij immers heel veel meer vrijheid, ze kunnen naar school, ze lopen wijdbeens op straat met een brutale oogopslag, ze kunnen vader meehelpen in de winkel, ze kunnen met de jongens en mannen meedoen en hebben ook thuis een bevoorrechte positie: hun vader praat met ze en neemt ze serieus.
Zulke meisjes heten daar bacha posh, bij ons tomboy, garçonnefatāt mustardjila; het Nederlands heeft er blijkbaar geen woord voor—of wel? De omvorming vindt vaak plaats als het meisje drie of vier is, soms ook al bij de geboorte. In het ideale geval worden de jongens ruim voor de puberteit weer meisje gemaakt: dan hebben ze nog voldoende tijd om vrouwelijk geachte gedragingen en vaardigheden aan te leren, zoals koken, naaien, wassen, schoonmaken enzovoort. Nordberg heeft voormalige tomboys geïnterviewd: terugblikkend op hun jongensperiode zijn ze daar meestal positief over: het was toch een buitenkansje om er eens uit te komen, ze kregen in de jongensrol de kans om de wereld te leren kennen en zelfvertrouwen op te bouwen. Moeilijk was het echter voor meisjes die nog tot diep in de puberteit jongen bleven, of de overgang pas op hun zeventiende maakten. Dan was de overgang soms echt problematisch; ze konden niet koken of naaien, ze wisten niet eens hoe ze zich moesten opmaken en bescheiden lopen met kleine stapjes en neergeslagen blik, en vooral: ze hadden vaak helemaal geen zin om hun vrije leventje van studie of werk op te geven om zo’n onderworpen schepsel te worden waarvan alleen de baarmoeder gewaardeerd werd—als die tenminste jongens baarde. Ook zulke vrouwen heeft Nordberg geïnterviewd: er was er een bij die zelf allang moeder was en de praktische kanten van het ‘vrouw zijn’ nog steeds niet goed onder de knie had. Waarom niet? Omdat zij zich immers man voelde en er een was! Zij had zich zo in de rol van man ingeleefd dat zij er werkelijk min of meer een geworden was: zonder penis weliswaar, maar met ingevallen borsten en vaak uitblijvende menstruatie.
Nordberg vertelt over een Afghaans meisje dat op haar vijftiende nog bacha posh was en helemaal geen zin had om zich aan de vrouwenrol te wijden. Ze maakte eens een ronde op een gehuurd motorfietsje, harstikke stoer, maar toen riep een jongen haar toe: we weten heus wel dat je een meisje bent hoor! Ze vond het niet erg; het was een vriend, die haar ook beschermde als andere jongens haar te lijf wilden gaan. Blijkbaar wist men wel dat sommige jongens eigenlijk meisjes waren, maar werd dat min of meer genegeerd en getolereerd.

Van twee extreme gevallen bericht Nordberg nog: een bacha posh die man bleef, in een street gang opgenomen was en gevechten leverde met andere gangs, en een andere die een militaire opleiding gevolgd had: ze was door de Amerikanen opgeleid tot commando en scherpschutter en werkte nu in actieve dienst bij de politie. In haar pas stond een vrouwelijke naam, maar zij gedroeg zich als man en deed in lichaamsbouw, gespierdheid en macho gedrag niet onder voor haar mannelijke collega’s. Zulk vrouwen hoopten maar dat ze spoedig te oud zouden zijn om nog te kunnen trouwen; aan hun lijf geen polonaise.
Onze tomboys zijn dat vanuit hun persoonlijke neiging; in Afghanistan worden ze veelal van buitenaf in die rol gedwongen, maar ze kweken de neiging aan, doordat ze de andere jongens imiteren en leren met een lage stem te spreken en zich onder hen te handhaven. Het sociale geslacht is ook een geslacht; dat wordt bij ons wel eens vergeten. Gevangen in een verkeerd lichaam? dat zit in het vrouwverachtende Afghanistan blijkbaar toch anders dan bij ons: eigenlijk zijn alle meisjes gevangen in een verkeerd, want onvrij lichaam. Man worden is dus het ideaal. Te denken geeft dat bij deze vrouwen het lichaam de geest was gevolgd en ook werkelijk in een mannelijk lichaam was veranderd—niet helemaal, maar tamelijk verregaand. En dat zonder operaties of hormooninjecties, want die hebben ze daar niet. Als dat in Afghanistan kan, kan het bij ons ook. Zouden niet heel wat mensen zich een identiteit aanmeten terwijl ze net zo goed, al dan niet tijdelijk, een andere zouden kunnen hebben?
.
Ook in Albanië zijn er nog oude mannen geïnterviewd die als meisje waren geboren en om dezelfde redenen als in Afghanistan door hun ouders tot jongen gebombardeerd waren: de ‘gezworen maagden’ (burrnesha). Zij bleven dan hun hele leven man en moesten zweren zich van iedere seksuele activiteit te onthouden.
.
Wie mocht denken dat dit alles iets met islam te maken heeft, heeft het mis. Zowel de koran@, de hadith als de sharia-geleerden keuren het juist af dat iemand zich voordoet als lid van het andere geslacht. De geslachtswisseling doet zich eerder voor in maatschappijen met een sterke scheiding tussen de geslachten, en die bestond al ver vóór de islam, ook in heel andere culturen. Bij nader inzien zijn er vele landen waarin vrouwen de stap tot geslachtswisseling moesten of wilden ondernemen om hun kansen te verbeteren; West-Europa tot de negentiende eeuw niet uitgezonderd. In Albanië is te zien dat het aantal burrnesha’s afneemt nu daar het moderne leven doordringt. De noodoplossing, die de geslachtswisseling was, is niet langer nodig.

===========

Mannelijke vrouwen
Vrouwen die domweg geen zin hadden in de traditionele onderworpen vrouwelijke rol waren er natuurlijk ook:

Hind bint ‘Utba (7e eeuw), de ‘levereetster’, stelde zich volgens de overlevering niet tevreden met de traditionele vrouwenrol op het slagveld, die bestond in het aanmoedigen van de mannen, water aandragen en het verzorgen van gewonden. Zij sneed het lichaam van de gedode strijder Hamza open en at zijn lever rauw. 

Ooit besprak ik hier het boek van Remke → Kruk, The Warrior Women of Islam. Dat boek behandelt oude Arabische volksverhalen over butch vrouwen die vochten op het slagveld en zelfs eigen legers aanvoerden. Maar al die verhalen zijn fictie: producten van mannelijke fantasie en bedoeld om een mannelijk publiek te amuseren, en dus niet geschikt als bron voor de geleefde werkelijkheid. In haar eerste hoofdstuk doet de auteur echter verslag van haar speurtocht naar vrouwelijke strijdsters die werkelijk hebben bestaan. In de eerste eeuwen van de islam schijnen er enkele, maar niet veel vrouwen werkelijk militair actief geweest te zijn; de mededelingen over hen zijn zeer beknopt. Verder zijn er wat verhalen die half-legendair zijn, of terugaan op een verdunde versie van de Oudgriekse mythe over de Amazonen. De meest krijgszuchtige vrouw uit het oude Nabije-Oosten die echt bestaan heeft was misschien koningin Zenobia (240–274), die vanuit de Syrische oase Palmyra een groot rijk wist op te bouwen en enkele jaren een bedreiging vormde voor de Romeinse legioenen. Over haar wordt ook verteld dat zij als meisje een tomboy was, meisjesachtige activiteiten meed, maar liever worstelde met jongens en op wilde dieren joeg met pijl en boog.5

In de hadith-literatuur lezen we over een zekere Umm Ḥarām, die erop stond deel te nemen aan een militaire expeditie tegen Cyprus, in 649. Over haar krijgsverrichtingen wordt niets vermeld; haar militaire carrière eindigde ongelukkig toen zij na behouden terugkeer van haar rijdier viel en om het leven kwam.6

In Egypte bestaan er veel moppen en cartoons over muizige mannetjes die geheel onder de plak zitten van hun overweldigende echtgenote. Dat is natuurlijk fantasie; toch bestaat er een minderheid van paren waarbij dat duidelijk wel het geval is. Niemand zal de voorste dame op bijgaande foto voor bedeesd of onderdanig houden. Zo’n vrouw wordt bij ons vaak manwijf genoemd; dat klinkt erg negatief. Haaibaai, dragonder of mansvilder is ook niet beter; neutraler klinkt mannetjesputter—ja, dat woord kan voor beide geslachten worden gebruikt, al hoor je het zelden over vrouwen.
.
In Egypte bestonden (bestaan?) er vrouwelijke bouwvakarbeiders: ik heb hen zeer zware lichamelijke arbeid zien verrichten: manden vol stenen sjouwen, op steigers klimmen enzovoort. Misschien hadden zij geen man (meer) die voor het gezinsinkomen zorgde en moesten zij de rol van kostwinner spelen? Maar moesten zij dan dit werk doen, of wilden zij het zelf? Hadden zij geen naai- of strijkwerk kunnen doen, of met een luierservice langs de huizen gaan? Of betaalde de bouwvak beter? Ik weet niet hoe dat zat.

Umm Kulthūm (± 1904–1975), de beroemde Egyptische zangeres die met haar formidabele stem decennia lang de Arabische wereld op de knieën dwong, viel al vroeg op door haar zangtalent. Haar vader, een dorpsimam, had ook een muziekensemble, waarin zij mocht optreden op voorwaarde dat zij zich als jongen zou kleden en gedragen. Dat ging lange tijd goed, maar toen zij steeds zichtbaarder een vrouw werd en steeds meer mensen ‘het’ wisten, beval haar vader haar op te houden en te trouwen. Daar kwam allemaal niets van terecht en na een pauze zong zij verder, voortaan in Cairo en helemaal als vrouw. In haar latere jaren was haar stem heel laag, maar toen zij nog jong was niet. Iedere zangstem wordt lager bij het ouder worden, maar bij haar was het extreem. Was het haar wens een diepe alt te zijn, was het iets mannelijks dat zich een weg baande? Zij hield zich verre van de onder kunstenaars gebruikelijke liederlijkheid. Dat zij niet met mannen aanrommelde wordt vaak toegeschreven aan haar vrome inborst en nobele karakter; het kan echter ook zijn dat zij zich niet tot mannen aangetrokken voelde. Er bestaat tenminste één gerucht dat zij bij het opstellen van een contract voor een buitenlands optreden de levering van twee jonge meisjes bedong.

Dit zijn maar hap-snap wat indrukken, de meeste uit lectuur. In geen velden of wegen heb ik een overzicht over deze verschijnselen in de hele Arabische of islamitische wereld; ben ook geen sociale wetenschapper.

Jongensachtige meisjes en manhaftige vrouwen hoeven overigens helemaal niet lesbisch te zijn; ik zeg het nog maar even.

Geslachten en neigingen – 2a: Vrouwelijke mannen in het oude Medina: KOMT NOG
Geslachten en neigingen – 2b: Vrouwelijke mannen in de hadith van de profeet KOMT NOG
Geslachten en neigingen – 2c: Vrouwelijke mannen: de khanīth van Oman. Safwan ib al-Mu‘attal
Geslachten en neigingen – 3 Seksuele oriëntaties in het premoderne Midden-Oosten.

NOTEN
1. Veel succes had ze overigens niet met haar pogingen. Toen al-Amīn eenmaal kalief was dichtte een anonieme spotdichter over hem en zijn minister Faḍl: Het is een wonder: de kalief | is als een pederast actief, | de ander komt aan zijn gerief | (wat ons nog meer verrast) passief! Vertaling Geert Jan van → Gelder, Tuin 191.
2. Abū Nuwās, Dīwān I,@@; Wagner, Abū Nuwās 178من كَفّ ذات حِرّ في زيّ ذي ذكر لها محبّان لوطي وزنّاءُ
3. Abū Nuwās, Dīwān I, 174–5; Wagner, Abū Nuwās 177:
صوَر إليك مؤنّثاتُ الدلّ في زيّ الذكورِ
عُطُلُ الشَّوي ومواضعِ الأزرار منهل والنحورِ
أُرهِقن إرهاف الأعنّة والحمائل والسيورِ
وموفَّراتٍ في القراطق والخناجرُ في الخصورِ
أصداغُهنّ معقربات والشوارب من عبيرِ

4. Ik dank Prof. Remke Kruk, Leiden, die mij op dit boek gewezen heeft.
5. Kruk, Warrior Women, 17, 45. Een belangrijke bron is Trebellius Pollio, in de Historia Augusta, een auteur die bekend staat om zijn weinig waarheidsgetrouwe beschrijvingen en misschien zelf niet eens bestaan heeft. Maar om een rijk op te bouwen en zich tegen Romeinse legers te handhaven  moet Zenobia toch echt wat in haar mars gehad hebben.
6. Bukhārī, Djihād 8, var. Djihād 3, 17: […] van Anas ibn Mālik, van zijn tante Umm Ḥarām bint Milḥān: De profeet sliep op een dag dicht bij mij en toen hij wakker werd glimlachte hij. Ik vroeg waarom hij lachte. Hij zei: [In de droom] zijn mij mensen uit mijn gemeente getoond terwijl zij de groene zee bevoeren als koningen op tronen. Zij zei: Bid tot God dat hij mij een van hen maakt! Toen bad [de Profeet] voor haar en sliep weer in; hetzelfde gebeurde nog een keer. Hij zei: Jij bent een van de eersten. Zij ging met met haar echtgenoot ‘Ubāda ibn al-Sāmit mee op krijgstocht toen de moslims voor het eerst de zee bevoeren met Mu‘āwiya. Toen zij terug waren van de tocht en in Syrië weer aan land gingen werd haar een rijdier gebracht om op te rijden, maar dat wierp haar af en daaraan stierf zij.

حَدَّثَنَا عَبْدُ اللَّهِ بْنُ يُوسُفَ قَالَ حَدَّثَنِي اللَّيْثُ حَدَّثَنَا يَحْيَى عَنْ مُحَمَّدِ بْنِ يَحْيَى بْنِ حَبَّانَ عَنْ أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ عَنْ خَالَتِهِ أُمِّ حَرَامٍ بِنْتِ مِلْحَانَ قَالَتْ  نَامَ النَّبِيُّ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ يَوْمًا قَرِيبًا مِنِّي ثُمَّ اسْتَيْقَظَ يَتَبَسَّمُ فَقُلْتُ مَا أَضْحَكَكَ قَالَ أُنَاسٌ مِنْ أُمَّتِي عُرِضُوا عَلَيَّ يَرْكَبُونَ هَذَا الْبَحْرَ الْأَخْضَرَ كَالْمُلُوكِ عَلَى الْأَسِرَّةِ قَالَتْ فَادْعُ اللَّهَ أَنْ يَجْعَلَنِي مِنْهُمْ فَدَعَا لَهَا ثُمَّ نَامَ الثَّانِيَةَ فَفَعَلَ مِثْلَهَا فَقَالَتْ مِثْلَ قَوْلِهَا فَأَجَابَهَا مِثْلَهَا فَقَالَتْ ادْعُ اللَّهَ أَنْ يَجْعَلَنِي مِنْهُمْ فَقَالَ أَنْتِ مِنْ الْأَوَّلِينَ فَخَرَجَتْ مَعَ زَوْجِهَا عُبَادَةَ بْنِ الصَّامِتِ غَازِيًا أَوَّلَ مَا رَكِبَ الْمُسْلِمُونَ الْبَحْرَ مَعَ مُعَاوِيَةَ فَلَمَّا انْصَرَفُوا مِنْ غَزْوِهِمْ قَافِلِينَ فَنَزَلُوا الشَّأْمَ فَقُرِّبَتْ إِلَيْهَا دَابَّةٌ لِتَرْكَبَهَا فَصَرَعَتْهَا فَمَاتَتْ.

BIBLIOGRAFIE
– Abū Nuwās: Der Dīwān des Abū Nuwās, Teil I, Uitg. Ewald Wagner, Wiesbaden 1958.
– G.J. van Gelder, Een Arabische tuin. Klassieke Arabische poëzie, Amsterdam/Leuven z.j..
– Remke Kruk, The Warrior Women of Islam. Female empowerment in Arabic Popular Literature, Londen 2014.
– Adam Mez, Die Renaissance des Islâms, Heidelberg 1922.
– Jenny Nordberg, De verborgen meisjes van Kabul. Verhuld protest in Afghanistan. Vertaald door Miebeth van Horn, Amsterdam 2015; oorspronkelijk verschenen in het Engels: The Underground Girls of Kabul, The Hidden Lives of Afghan Girls Disguised as Boys, 2014.
– Ewald Wagner, Abū Nuwās. Eine Studie zur arabischen Literatur der frühen ‘Abbāsidenzeit, Wiesbaden 1965.

Terug naar Inhoud

Ali Mubarak en het doorsijpeleffect

🇩🇪 De laatste tijd heb ik zin om negentiende-eeuws Arabisch te lezen, en dan kom je onvermijdelijk terecht bij ‘Alī Pāshā Mubārak (1823–1893). Deze veelzijdig getalenteerde Egyptenaar had oorspronkelijk imam of iets dergelijks zullen worden, maar doorliep een militaire ingenieursopleiding, studeerde vijf jaar in Frankrijk, was werkzaam in de organisatie van het onderwijs in zijn land en heeft enkele malen een ministerspost bekleed. Zijn naam is onder meer verbonden aan de oprichting van de koninklijke bibliotheek (het latere Dār al-kutub), de pedagogische akademie (Dār al-‘ulūm), beide in Cairo, talloze publieke werken en de herbouw van de stuwdam bij al-Qanāṭir al-Khayrīya. Naast zijn openbare functies vond hij tijd om dikke boeken te schrijven. Over zijn bio-, biblio- en autobiografie komt elders meer.
.
Vandaag een fragment uit zijn ‘Alam al-Dīn (= ‘Banier van de Godsdienst’), dat in 1882 verscheen en 1486 bladzijden en 125 hoofdstukken telt. Of liever ‘gesprekken’ (musāmarāt), want er worden dialogen gevoerd, al zijn die zeer, zeer houterig. Het werk heeft trekken gemeen met een roman: er zijn personages en er is iets van een handeling.
.
‘Alam al-Dīn, een afgestudeerde van de religieuze Azhar-universiteit te Cairo, in het boek meestal ‘de sjeik’ genoemd, heeft grote moeite de eindjes aan elkaar te knopen en zijn grote gezin te voeden. Het aanbod van een naamloos blijvende Engelse oriëntalist is na ampel overleg met zijn collega’s dan ook welkom: de sjeik zal deze khawwāga (een Europese heer; hieronder vertaald als: Mijnheer) als gids en tolk vergezellen in Egypte. Later gaat hij ook mee naar Europa en hij neemt zelfs zijn zoon mee, die tot twee maal toe verliefd wordt op een Frans meisje. In Frankrijk voegt zich een zekere Ya‘qūb bij hen: een Egyptische matroos die daar al lang woont en hun als gids en gesprekspartner dient.
.
Maar de handeling blijft dun, heeft geen einde en wordt telkens onderbroken met door de auteur belangwekkend geachte informatie over zaken als de kurkeik, de houtwurm, het nut der spoorwegen en nog veel meer. Als je die gedeelten overslaat is het niet zo’n heel dik boek. Algemene strekking: je mag met Engelsen omgaan, en zeker met oriëntalisten die op grond van hun kennis al bijna moslim zijn; je mag ook dingen overnemen uit Europa. Duidelijk is hoeveel Europa te danken heeft aan het oude Egypte en hoe gemakkelijk Europeanen moslim zouden worden, als zij de koran en de islam maar kenden. Huwelijken tussen Egyptische mannen en Europese vrouwen zijn in principe mogelijk. Vrouwen moeten ook school gaan, zij het vooral om aangename gesprekspartners voor de man te zijn.
.
In hoofdstuk 101 mijmert Mubārak via zijn personage Ya‘qūb een beetje over het verschil tussen arm en rijk en het trickle down effect. Hoewel hij van huis uit niet zeer rijk was zal hij op latere leeftijd zoveel bezit hebben verworven dat hij niet met de armen, maar met de rijken meedacht.
Het onderstaande fragment is niet spectaculair interessant. Alleen wanneer je erbij bedenkt wanneer en waar hij geschreven is en nog andere teksten uit die tijd ernaast leest krijgt het zin, ernaar te kijken, bij voorbeeld in vergelijking met de meer tot ‘socialisme’ geneigde Fāris al-Shidyāq in Sāq ‘alā sāq (1855). Hier de vertaling:

.
“““De sjeik zei: ‘Telkens als ik door [Parijs] loop verbaasde ik mij erover hoe groot het is, hoeveel mensen er wonen en hoe ze dag en nacht in de weer zijn.’ De sjeik leed onder zijn verblijf in de stad, om het drukke verkeer dat hij steeds maar zag en de geluiden van mens en dier die hij hoorde. Want de rijtuigen rijden dag en nacht af en aan en hun wielen maken lawaai doordat zij tegen de stenen stoten waarmee de straten bedekt zijn. De ramen van de huizen en gebouwen en winkels klapperen in de wind en als ze open en dichtgaan. Dronkenlappen en mensen die uitgaan maken herrie en zingen, en daarbij nog het verkeer—dat alles maakt onrustig, verwart de geest en verhindert de concentratie.
.
Hij zei tegen Ya‘qūb: ‘Woonden we maar buiten de stad, dat zou prettiger en gezonder zijn.’ Ya‘qūb antwoordde: ‘De sjeik heeft gelijk, want Mijnheer heeft ook last van zijn verblijf in deze stad, maar de reden dat hij hier onderdak heeft gezocht is dat het dicht bij zijn werk en zijn vrienden is. Hij heeft mij een woonruimte beschreven die ruimer is dan deze, die uitziet op een park en op enige afstand van de straat ligt; als Mijnheer wist hoe jullie te lijden hebben zou hij meteen daarheen verhuizen.’ Daarop prees de sjeik hen beiden en zei: ‘Parijs is een van de schitterendste steden ter wereld, omdat het zo veel kunstwerken, mooie dingen, kostbaarheden en curiositeiten bevat en de mensen er zo welvarend zijn en de gebouwen zo fraai, maar ik denk dat het leven van de armen hier ellendig is, omdat er zoveel mensen op elkaar wonen.’
.
Ya‘qūb zei: ‘Misschien hebben de armen het in Parijs beter dan ergens anders. Want zoals de rijken grote inspanningen verrichten om veel winst te maken, zo hebben ook de armen diverse manieren om aan de kost en aan hun pleziertjes te komen, al naar gelang hun situatie. De armen van iedere stad zijn altijd navenant. Naarmate de stad groter wordt en de bloei van de rijken toeneemt, nemen ook de bestaansmogelijkheden van de armen toe, want doordat ze overal dienstbetrekkingen en banen hebben kunnen ze achter veel dingen tegelijk aangaan, wat je alleen ziet als je heel goed kijkt. Neem bij voorbeeld een conciërge: die beperkt zich niet tot zijn baan, nee, je kunt hem en zijn gezinsleden ook bezig zien met bijverdienen. Want de man repareert ook schoenen en sandalen, de vrouw naait kleren, de dochter zingt en studeert zang en de zoon vermaalt ingrediënten van kleurstoffen, en als je erop zou letten zou je in de straten arme mensen zien die van de grond en uit de modder stukken oud ijzer en spijkers verzamelen, en mannen en kinderen die de paarden van de mensen rossen, en weer anderen die het haar van de honden trimmen, en nog anderen die lucifers en zoetigheid en drankjes voor de kinderen verkopen. En er zijn er die ‘Vodden!’ roepen, en die kruiden verkopen, of bladen met het nieuws en de aankondigingen en de repertoires van de theaters. Al zijn deze dingen op het eerst gezicht van weinig nut, dikwijls brengen arme mensen het daarmee tot grondbezit en vermogen, zodat ze tot de voornamen gerekend worden, en ik denk dat u’s avonds wel die mensen hebt gezien die het papier en de botten oprapen die op straat gegooid zijn?’ De sjeik zei van ja, en Ya‘qūb vervolgde: ‘Dat zijn dingen waar heel wat mensen van leven en het brood voor hun gezin mee verdienen. En dan zijn er nog hele groepen die leven van vleierij, zwendel, spionage, bedrog en dergelijke, zoals je dat in grote steden aantreft.’
De zoon van de sjeik zei: ‘In Cairo heb je veel mensen die sigarettenpeuken oprapen, de tabak eruit halen en daarvan nieuwe sigaretten maken om die te verkopen op straat en zich te voeden van de opbrengst. Anderen verzamelen glasscherven en verkopen die aan de makers van armbanden voor arme vrouwen, enzovoort.’
.
Waarop de sjeik zei: ‘God—geloofd en geprezen zij Hij— heeft het voor zijn knechten gemakkelijk gemaakt op allerlei wijzen in hun onderhoud te voorzien. Hij is werkelijk de Voeder (razzāq), en Hij heeft voor ieder schepsel een manier gemaakt waarop hij zijn brood kan verdienen … .’ ”””

BIBLIOGRAFIE
– ‘Alī Bāshā Mubārak, ‘Alam al-Dīn, 4 dln., Alexandrië 1882.
– Andrea Geier, Von den Pharaonen zu den Khediven. Ägyptische Geschichte nach den Ḫiṭaṭ des ‘Alī Mubārak, Frankfurt am Main 1998.
– Rotraud Wieland, Das Bild der Europäer in der modernen arabischen Erzähl- und Theaterliteratur, Beirut 1980, 48-72 en Index onder ‘Alī Mubārak.

Terug naar Inhoud

Ibn Khaldun bij Timur Lenk

🇩🇪 Ibn KhaldunIbn Khaldūn (Tunis 1332—Cairo 1406) is een van de beroemdste Arabieren ter wereld. Hij was een rechtsgeleerde van de Malikitische school, maar zijn roem dankt hij aan een groot geschiedwerk over Noord-Afrika, het Kitāb al-‘Ibar, of liever gezegd aan de inleiding daartoe, de Muqaddima. Waarom dat boek zo beroemd geworden is vertel ik graag een andere keer.
Ibn Khaldūn heeft echter ook een autobiografie nagelaten, een zeldzaamheid in de wereld van toen. Die is niet te vergelijken met moderne werken in dat genre. Hij blijft aan de buitenkant, doet niet aan zelfkritiek en wel aan eigenroem. Maar hij geeft een mooi overzicht van zijn levensloop, van de talloze heren die hij gediend op vele plaatsen in Noord-Afrika en vanaf 1382 in Egypte, van mensen die hij heeft gekend en van zijn functies als rechter, hoogleraar of adviseur; bovendien citeert hij hele toespraken die hij heeft gehouden. In zijn ziel laat hij zich niet kijken. In Egypte aangekomen stelde hij alles in het werk om zijn gezin uit Tunis te laten overkomen; toen dit eindelijk scheep was gegaan zonk het schip in een storm voor de rede van Alexandrië. Over deze tragedie, die hem zeer moet hebben aangegrepen, schreef hij slechts twee regels: ‘Het schip verging met man en muis; groot was mijn verdriet en ik raakte geheel in de war. De sultan onthief mij van mijn ambt en bood mij een rustperiode aan, zodat ik mij kon wijden aan de wetenschap, zowel in onderwijs als in geschrifte.’Pas enige tijd later aanvaardde hij weer een professoraat voor Malikitisch recht. 

.
Timur+savaşları Toen Ibn Khaldūn tegen de zeventig liep en zich uit al zijn ambten had teruggetrokken beleefde hij nog iets bijzonders. De Mongolen waren namelijk Syrië binnen gevallen, een gebied waarvan het zuidelijke deel onder Egypte viel, terwijl het noordoostelijk deel tot het rijk behoorde van de krijgshaftige en wrede Mongoolse heerser Tīmūr Lenk (1336–1405).De Mongolen deden soms invallen in Zuid-Syrië en dan moest de sultan in Cairo in actie komen. Ibn Taymīya had een eeuw tevoren al geklaagd dat de sultans vaak laks waren met de djihaad tegen de Mongolen, en ook toen Tīmūr Aleppo bedreigde ondernam Cairo aanvankelijk niets. Pas toen Aleppo inderdaad werd verwoest en Tīmūr naar Damascus oprukte werd er een leger samengesteld. Sultan Faradj (reg. 1399–1405) voerde het aan en begaf zich in november 1400 met talloze emirs en soldaten op weg. Als gewoonlijk nam hij ook de leiders van de vier rechtsscholen mee. Ibn Khaldūn had lang de Malikitische rechtsschool in Cairo geleid, maar was niet meer in functie. Toch stond men erop dat hij meeging, misschien omdat hij met een vorige sultan al eens in Syrië was geweest. Maar eenmaal bij Damascus aangekomen kreeg de sultan lucht van een complot dat tegen hem in de hoofdstad werd gesmeed. Hij haastte zich naar huis om dat de kop in te drukken, met achterlating van de meeste soldaten en de rechtsgeleerden.
Deze situatie was hachelijk voor Ibn Khaldūn en zijn collega’s, maar vooral voor Damascus, dat nu niet meer te verdedigen was. Het wilde zich overgeven en de verwoesting en plundering afkopen, zoals dat toen gebruikelijk was. Tīmūr bood aan de stad te sparen; een nieuwe gouverneur had hij ook al klaarstaan. Ibn Khaldūn kon nu een rol spelen als raadgever voor de Damascenen en als diplomaat in het contact met Tīmūr. Ook over deze episode is in zijn autobiografie te lezen.
.
Misschien dikt Ibn Khaldūn hier zijn eigen rol wat aan. ’Rechter Burhān al-Dīn vertelde me dat hij naar mij gevraagd had, en of ik met de Egyptische legers was vertrokken of nog in de stad was.’3 Volgens een andere bron was het eerder een toeval dat hij bij Tīmūr terecht kwam. Hoe dan ook, op een dag werd de bejaarde geleerde in een mand over de stadsmuur naar beneden gelaten en opgehaald door mannen van Tīmūr.
De ontvangst in diens kamp was vriendelijk, het gesprek vond plaats via een tolk. Ibn Khaldūn droeg als altijd Maghribijnse kleding en liet zich voorstellen als Maghribijnse, Malikitische rechtsgeleerde, waarmee hij wellicht wilde benadrukken dat hij niet bij Tīmūrs vijand Egypte behoorde. De heerser vroeg dadelijk verder over de Maghrib en wilde van alles weten over de ligging van bepaalde plaatsen als Tanger en Ceuta. Hij was niet tevreden met een mondelinge beschrijving en verlangde een uitvoerige beschrijving van heel Noord-Afrika. Hier wordt ons nogmaals een blik vergund in de ziel van de geleerde: ‘De angst had mij overvallen, vanwege de ramp die de shafi‘itische opperrechter Sadr al-Dīn al-Munāwī was overkomen. De achtervolgers van het Egyptische leger hadden hem gevangen genomen in Shahqab en hem meegenomen. Hij werd bij hen gevangen gehouden en er werd een losgeld verlangd, wat mij bang maakte …’4
Geen wonder dus dat hij zich dadelijk aan het schrijven zette van dat rapport: het werden twaalf katernen (240 bladzijden) met de geografische en historische informatie over Noord-West-Afrika die Tīmūr wilde hebben. Toen het af was werd het in het Mongools vertaald.
.
Behalve dat hij gewillig de gevraagde informatie verstrekte besloot Ibn Khaldūn zijn angst te bezweren door de heerser ook te vleien: ‘Moge God U bijstaan: al dertig of veertig jaar heb ik ernaar verlangd, U te ontmoeten, […] omdat U de sultan van het universum en de heerser van de wereld bent; ik geloof niet dat er van Adam tot heden in de schepping een heerser is opgestaan is als U!’6 En dit, zo benadrukte hij, zei hij niet zomaar, want als geleerde was hij zeer wel in staat zijn grootheid te vergelijken met die van de Perzische en Romeinse keizers, met Alexander de Grote of Nebukadnezar, en Tīmūr was beslist de grootste. Deze bedacht ineens dat hij van moederskant verwant was met Nebukadnezar, wat Ibn Khaldūn tegenover de tolk haastig beaamde: ‘Nog een reden waarom ik ernaar verlangde hem te ontmoeten.’7 Een andere belangrijke reden om naar Tīmūr uit te zien was, zo zei hij, dat astrologen de komst van een machtig heerser hadden voorspeld. Weliswaar werd dit meestal met een heel andere heerser in verband gebracht, maar Ibn Khaldūn nam de gelegenheid te baat deze voorspelling op Tīmūr te laten slaan.
.
Vleien en slijmen hoorde toen gewoon bij het leven. Ibn Khaldūn, die vaak genoeg in ongenade was gevallen, zal het bij al zijn werkgevers hebben gedaan, net als ieder ander, en nu deed hij er uit angst nog een flinke schep bovenop.
Pleegde hij verraad, collaboreerde hij met de vijand door hem die strategisch belangrijke informatie over Noord-Afrika ter beschikking te stellen? Inderdaad. Maar kon hij anders, gezien de hachelijke situatie waarin hij daar verkeerde, moederziel alleen en bekend met Tīmūrs losse manier van omgaan met mensenlevens? Wie zou voor hem ooit losgeld betalen?
.
Blijkbaar had Tīmūr wel sympathie voor Ibn Khaldūn. Eens wilde hij een muildier van hem kopen. Ibn Khaldūn antwoordde: ‘Mensen als wij verkopen elkaar toch geen muildier?’ en schonk hem het dier—wat kon hij anders? Later kreeg hij echter de geldswaarde van het dier door een tussenpersoon overhandigd, wat erg correct was, maar ook te denken geeft over de verhouding tussen de beide mannen; was die toch tamelijk hartelijk?8
.
Na vijfendertig dagen kon Ibn Khaldūn op 10 januari 1401 ongehinderd terugkeren naar Cairo—niet dan nadat hij nog de inname en plundering van Damascus door Tīmūr had meegemaakt. Zijn schaamte over het rapport dat hij had geschreven overwon hij door thuis voor de sultan van Marokko een tegenhanger te schrijven: een rapport over Tīmūr en de Mongolen.

NOTEN
1. Ibn Khaldūn, Ta‘rīf 320: فعصف بهم الرياح وغرق المركب بمن فيه وما فيه وذهب الموجرد والمولود فعظم الأسف واختلط الفكر وأعفاني السلطان من هذه الوظيفة وأراحني وفرغت لشأني من الاشتغال بالعلم تدريبًا وتأليفًا.
2. In het Engels ook bekend als Tamerlane. Je zou hem beter Tamerlame kunnen noemen, want lenk is Perzisch voor ‘lam’. Hij kon zijn rechterbeen nauwelijks gebruiken; over langere afstanden werd hij gedragen of reed hij te paard. Volgens de Sovjetartsen die in 1941 zijn lijk onderzochten leed hij aan bottuberculose; Tīmūr zelf zei dat het kwam door een pijlschot dat hij ooit in zijn knie had gekregen.
3. Ibn Khaldūn, Ta‘rīf 403: وأخبرني القاضي برهان الدين أنه سأل عني وهل سافرت مع عساكر مصر أو أقمت بالمدينة. Ibn ‘Arabshāh @
4. Ibn Khaldūn, Ta‘rīf 405–6: وقد غلبني الوجل بما وقع من نكبة قاضي القضاة الشافعية صدر الدين المناوي أسره التابعون لعسكر مصر بشحقب وردوه فحبس عندهم في طلب الفدية منه فأصابنا من ذلك وجل
5. De Arabische tekst is niet bewaard. Er schijnt nog wel een Ottomaans-Turkse vertaling in handschrift te bestaan.
6. Ibn Khaldūn, Ta‘rīf 407: أيدك الله لي اليوم ثلاثون أو أربعون سنة أتمنى لقاءك […] انك سلطان العالم وملك الدنيا وما أعتقد أنه ظهر في الخليقة مند آدم لهذا العهد ملك مثلك
7. Ibn Khaldūn, Ta‘rīf 408: وهذا مما يجعلني على تمني لقاءه

8. Ibn Khaldūn, Ta‘rīf 412, 414. ARABTEKST@@. Ibn Khaldūn nam de moeite deze geldzending aan zijn sultan te melden en er een verklaring bij te geven. Hij wilde natuurlijk niet de indruk wekken, al te close met Timūr te zijn geweest.

BIBLIOGRAFIE
–  ‘Abd-ar-Raḥmān Ibn-Khaldūn: Kitāb al-ʿIbar wa-dīwān al-mubtadaʾ wal-khabar fī ayyām al-‘arab wal-ʿadjam wal-barbar wa-man ‘āṣarahum min dhawī as-sulṭān al-akbar, eerste uitgave door Étienne Quatremere, Prolégomènes d’Ebn-Khaldoun, texte arabe publié d’après les manuscrits de la Bibliothèque Impériale, 3 dln., Parijs 1858. Uitg. Ibrāhīm Shabbūḥ, 14 delen, Tūnis 2006-2013. Andere editie: Beirut 2000-2001, ook online. Het hoofdwerk, inclusief de Muqaddima en een korte versie van de autobiografie (at-Taʿrīf).
– idem, The Muqaddimah. An Introduction to History, vert. door Franz Rosenthal, 3 dln., New York 1958, 1986, ook online.  Duits: Ibn Khaldun, Die Muqaddima, Betrachtungen zur Weltgeschichte. Übertragen und mit einer Einführung von Alma Giese unter Mitwirkung von Wolfhart Heinrichs, München 2011.
– idem, al-Ta‘rīf bi-ibn Khaldūn wa-riḥlatuhu gharban wa-sharqan, uitg. Muḥammad ibn Tāwīt al-Tandjī, Cairo 1951, 2003. Franse vertaling: Le Voyage d’Occident et d’Orient, vert. Abdesselam Cheddadi, Paris 1980, 1995. De autobiografie.

Secundair:
– M. Talbi, ‘Ibn Khaldūn,’ in EI2.
– Walter J. Fischel, Ibn Khaldūn and Tamerlane, Berkeley/Los Angeles 1952.

Diacritische tekens: Ṣadr al-Dīn, Shaḥqab

Terug naar Inhoud

AM: Graanschepen voor Medina. Umars diwan

(Fragment. AM = ‘Abd al-Malik. Ter verduidelijking kunt U eerst dit lezen)

Canal_des_PharaonsIn 640 werd Egypte voor de Arabieren veroverd door ‘Amr ibn al-‘Ās; Alexandrië iets later. Een van de eerste dingen die hij liet doen was het opknappen van het Bubastiskanaal, dat liep van het huidige Zagazig in de Nijldelta naar het huidige Ismā‘īlīya en dan naar het zuiden door het Krokodillenmeer en de Bittermeren naar Qulzum, ergens bij Suez. Het ging dus om een waterverbinding van de delta naar de Rode Zee. In een verbinding Rode Zee–Middellandse Zee was niemand geïnteresseerd. Alexandrië was immers de zeehaven, en de schepen waren klein genoeg om ook over de Nijl of door zo’n kanaal te varen. En anders werd er een keer verladen; alles was goedkoper dan transport over land. Bovendien waren handelscontacten met het Romeinse Rijk in deze periode niet aan de orde.
.
Dit of een soortgelijk kanaal bestond al in de tijd van de farao’s. Het kanaal dat ‘Amr daar aantrof was dat van de Perzische koning Darius (522–486 v. Chr.), die er inscripties achterliet. Na het vertrek van de Perzische bezetters wilde niemand meer met de boot naar Perzië en werd het kanaal verwaarloosd. Ptolemæus II (284–246 v. Chr.) had het opgeknapt, ten dele een andere bedding gegeven, en er met een sluis voor gezorgd dat er geen zout water in de Nijl kon stromen. Het eindpunt aan de Rode Zee heette Arsinoë, naar zijn zuster die tevens zijn echtgenote was. Het kanaal werd nog eens vernieuwd door de Romeinse keizer Trajanus (98–117). In zijn tijd beheerste het Romeinse Rijk de zeevaart in de Rode Zee en de Perzische Golf en dreef vlijtig handel met India. Zijn kanaal eindigde bij Clysma (‘Sluis’) of Cleopatris, het latere Arabische Qulzum. Misschien was de waterweg bij aankomst van de Arabieren niet eens in zo slechte toestand; hij schijnt bij hoogwater in de Nijl nog bevaarbaar geweest te zijn. Het was in de Oudheid natuurlijk niet niks, zoiets te bouwen zonder moderne technische hulpmiddelen. Maar het terrein werkte mee, want een groot deel van het traject ging door de zachte bedding van de wadi Tumīlāt. En natuurlijk werkten er talloze slaven mee, van wie er heel veel omgekomen zullen zijn.
.
Toen in de negentiende eeuw het moderne Suezkanaal werd gegraven is dit kanaal weer in gebruik genomen, om vanuit de delta drinkwater en allerlei goederen naar de bouwlocatie te brengen. Hier vindt U een mooie landkaart uit die tijd; door aanklikken kunt U hem vergroten. De dikke horizontale lijn is het bedoelde kanaal; het heet daar Canal de l’Ouadee Salsalamout resp. Canal des Ptolémé (spelling is nooit de sterkste kant van ingenieurs.)
.
In 640 of 641 was het kanaal weer bruikbaar en voeren de eerste schepen met graan naar al-Djār, de haven van Medina. Zulk vervoer was heel veel goedkoper en veiliger dan karavaantransport uit Syrië. Het graan zal in Egypte goedkoop zijn geweest, want de traditionele leveranties naar Constantinopel, dat nu vijandig gebied was, waren weggevallen. En als het niet betaald hoefde te worden omdat het afkomstig was van buitgemaakte staatslanderijen was het nog goedkoper. Voor Medina kon de benauwenis van het rampjaar 639 zich niet meer herhalen.

  • In het jaar 21 schreef ‘Umar aan ‘Amr ibn al-‘Ās en deelde hem mee in welke nood de mensen van Medina verkeerden en beval hem voedsel uit de belastingopbrengst over zee naar Medina te verschepen, en daarbij ook olie. Toen het in al-Djār aankwam voerde Sa‘d daar het bewind. Vervolgens werd het naar een gebouw in Medina gebracht en onder de mensen verdeeld.1

Een variant op hetzelfde verhaal:

  • ‘Umar reed uit met de voornaamste gezellen van de profeet, tot hij in al-Djār kwam, waar hij de schepen zag. Hij gaf opdracht dat graan in ontvangst te nemen en hij liet op die plek twee vestingen bouwen, waarin hij het kon opslaan. Vervolgens gaf hij Zayd ibn Thābit opdracht de mensen op te schrijven volgens hun woonplaatsen en beval hem cheques (sikāk, mv. van sakk) op papyrus te schrijven, die hij onderaan verzegelde.2

Dit zijn teksten over een eerste goederenverdeling; er zijn er meer en ze sluiten niet erg op elkaar aan. Een ander bericht vertelt dat ‘Umar een proef nam omdat hij wilde weten hoeveel graan er per persoon nodig was:

  • ‘Umar beval een djarīb (22,715 kg) tarwe klaar te zetten. Die werd gemalen, dan gebakken en in olie geweekt. Daarop liet hij dertig mannen uitnodigen, die daarvan hun middagmaal gebruikten […] en ’s avonds nog eens hetzelfde, en hij stelde vast: voor een man is per maand 2 djarīb genoeg. En dus gaf hij iedere man, iedere vrouw en iedere slaaf 2 djarīb per maand.3

Maar die graanverdeling was al spoedig achterhaald, want er was nog veel meer te verdelen. Er kwamen ook allerlei andere goederen en geld uit de veroverde gebieden. In dezelfde tijd werden immers Syrië, Iraq en Iran veroverd, wat voor een niet aflatende stroom van buit zorgde. Medina werd rijk, en de regering zorgde er zo goed zij kon voor dat de meeste spullen eerst in de staatskas resp. de staatsmagazijnen terecht kwamen en vandaaruit op gecontroleerde wijze verdeeld werden. Terugkerende soldaten hadden ook nog eens geld in hun zak.
.
Omstreeks het jaar ± 642, dat is pakweg een jaar na de eerste graanzendingen uit Egypte, zette kalief ‘Umar daarom een registratie op van alle vroege gelovigen, de zog. Dīwān al-djund.4 Daarin werden alle Emigranten uit Mekka, maar ook die naar Ethiopië waren geëmigreerd en teruggekomen, en de zog. ‘Helpers’ in Medina, en allen die eervol hadden deelgenomen aan Mohammeds militaire expedities of anderszins verdiensten hadden voor zijn zaak; kortom alle vrije inwoners van Medina! Achter hun naam werden hun daden vermeld.
Al deze mensen kregen voortaan ieder jaar een uitkering uit de staatskas, en hun kinderen vaak ook nog. En denkt U daarbij niet aan zoiets als de Bijstand. De uitkeringen die indertijd aan de armen onder de Emigranten (ahl al-suffa) gedaan werden, dát was bijstand geweest, maar nu ging het om forse bedragen. Dit was ongekend. Als mensen in de Oudheid geregistreerd werden was dat om effectief belastingen van hen te heffen. Hier ging het om de verstrekking van een basisinkomen, of eregeld, of zo U wilt een gecontroleerde verdeling van oorlogsbuit.
.
Er was een hiërarchie in uitkeringsgerechtigden naar hun verdienstelijkheid. Puin onderscheidt vier groepen:4

  • Klasse 1: Deelnemers slag bij Badr; vrouwen van de profeet 4000 DH (=dirham), later 5000 of 6000
    Klasse 2: Overige Emigranten en Helpers (ansār) 1000 DH minder dan Kl. 1
    Klasse 3: Deelname aan Ḥudaybiya en de zg. Ridda-oorlogen 1000/2000 DH minder dan Kl. 2
    Klasse 4: Alle overige inwoners van Medina 250–400 DH

Puin zet weliswaar bij al zijn data een vraagteken, maar het geeft een indruk. Vooral is onzeker hoeveel de nakomelingen van de oorspronkelijke uitkeringsgerechtigden kregen.
Het was dus van groot belang hoe een man geregistreerd stond. Zonen en kleinzonen zullen hun best hebben gedaan opa’s goede daden nog wat aan te dikken, niet alleen voor het prestige, maar ook voor een royalere uitkering. Dat heeft zijn uitwerking gehad op de biografische literatuur (genre: de Verdiensten der Gezellen).
De Mekkanen kregen overigens niets—tenzij ze zich na hun late bekering in 630 alsnog hadden ingezet voor de goede zaak, door bij voorbeeld als soldaat naar Syrië of Iraq te trekken; dat gold ook als hidjra (Emigratie).

Wat heeft dit alles met ‘Abd al-Malik te maken? Het ging mij erom, het Medina te beschrijven waarin hij is opgegroeid. Maar bovendien was hij ooit een tijd lang directeur van die dīwān. Ook daarom moet ik vertellen wat dat was.

Dit is natuurlijk maar een schets, die naar believen aangevuld kan worden.

NOTEN
1. Al-Balādhurī, Futūḥ al-buldan (Liber expugantionis regum), uitg. M.J. de Goeje, Leiden 1866, 216. وكتب عمر بن الخطاب في سنة ٢١ الى عمرو بن العاصي يعلمه ما فيه أهل المدينة من الجهد ويأمره أن يحمل ما يقبض من الطعام في الخراج الى المدينة في البحر فكان ذلك يُحمل ويحمل معه الزيت فإذا ورد الجار تولّى قبضه سعد الحار ثم جُعل في دار بالمدينة وقسم بين الناس بمكيال.
2. Al-Ya‘qūbī, Ta’rīkh ii, 154 @nog controleren@@
3. G.-R. Puin,
Der Dīwān von ʿUmar ibn al-Ḫaṭṭāb. Ein Beitrag zur frühislamischen Verwaltungsgeschichte, Ph. D. Diss. Bonn 1970, 90; al-Balādhurī, Futūḥ al-buldān, Cairo ed. 363 @nog controleren@@
4. Puin,
o.c., 94–5
5. Puin, o.c., 113–4. Puins boek bevat een weelde aan bronnen en verwijzingen.

Diacritische tekens: ʿAmr ibn al-ʿĀṣ, ṣikāk, mv. van ṣakk, ahl al-ṣuffa, anṣār

ABD AL-MALIK IBN MARWAN: startpagina. De eerste kaliefen. Mu‘awiya’s opvolgers. De Umayyaden uit Medina verjaagd. Abd al-Malik geeft strategisch advies. Abd al-Malik oefent zich in wreedheid en moord. As over Medina? De Rotskoepel in Jeruzalem.

Terug naar Inhoud

Russische kruisvaarders

CSprv8SUkAA5cztBREAKING ““Russisch vliegtuig neergehaald en meer dan 220 Russische kruisvaarders aan boord gedood.

De strijdkrachten van het Kalifaat zijn erin geslaagd een Russisch vliegtuig boven de Provincie Sinai neer te halen, dat meer dan 220 Russische kruisvaarders aan boord had. Allen zijn zij gedood, God zij geprezen. Russen en hun bondgenoten, weet goed dat er voor u geen veiligheid bestaat in de landen en luchtruimen van de moslims, en dat het dagelijkse doden van tientallen mensen in Syrië door bombardementen uit uw vliegtuigen u alleen ellende zal brengen en dat u, met Gods permissie, gedood zult worden zoals u zelf doodt. God is de overwinnaar, maar de meeste mensen weten dat niet.””

Terug naar Inhoud

De muildieren van de profeet

Een muildier (Arabisch baghl)1 is een kruising tussen een paardenmerrie en een ezelshengst; een muilezel is het jong van een ezelin en een paardenhengst. Omdat we niet weten over welk van beide soorten de oude Arabische teksten het hebben noem ik ze maar allemaal muildieren. Ik gok er maar op dat die in de meerderheid zijn geweest: zij zijn de sterkste lastdieren en het makkelijkst te fokken.
Herbert Eisenstein heeft alle teksten over Mohammeds muildieren en ezels verzameld. Uit zijn artikel2 zal ik hier putten; meer teksten dan hij heb ik niet gevonden. Aan interpretatie heb ik echter wel iets toe te voegen
.
Duldul
Het muildier bij uitnemendheid was Duldul. Misschien was het zelfs het islamitische oermuildier überhaupt, want het heet: ‘Duldul was het eerste muildier waarop gereden werd in de islam.’ 3 ‬ Zulke ‘eerste’-overleveringen (awā’il) dienden er meestal toe, de terminus post quem van het een of andere fenomeen vast te stellen, maar ze kunnen wel, zoals in dit geval, erg tendentieus zijn.4
Er bestaat over deze muilezelmerrie enig biografisch materiaal in de beste Arabische traditie.5 Ze zou de profeet cadeau zijn gedaan door de Muqawqis von Alexandrië — wie dat ook geweest moge zijn — tesamen met een ezel, goud, textiel en de twee mooie slavinnen Māriya en Sīrīn.6 Bij de Slag bij Hunayn (630) zou de profeet op Duldul gereden hebben en tegen haar gezegd hebben: irbidī! (ga liggen!), of sdi! (strek je!), zodat hij een handvol stof kon oppakken om de vijanden in het gezicht te werpen. In nog een andere variant zei de profeet in die slag tegen zijn oom ‘Abbās: ‘Geef mij eens een paar kiezelstenen!’ Duldul verstond dat en strekte zich uit eigen beweging, zodat de profeet ze zelf van de grond kon pakken. Zij overleefde de profeet meer dan dertig jaar en stierf tijdens de regering van kalief Mu‘āwiya (661–680) in Yanbu‘ aan de Rode Zee-kust. Een leeftijd van vijftig jaar is voor een muildier goed haalbaar; Duldul was bij aankomst in Medina blijkbaar al niet meer zo jong geweest. Op hoge leeftijd waren haar tanden uitgevallen, zodat de gerst voor haar gemalen moest worden. Haar tragische dood is goed als filmscène voorstelbaar: blind geworden liep zij een meloenveld in en vertrapte het. Het veld behoorde toe aan een man uit de Banū Mudlidj, die haar doodde met een pijlschot, blijkbaar niet vermoedend met welk nobel dier hij te doen had.
Volgens de sji‘ietische overlevering zouden ook ‘Alī, zijn beide zonen en zijn rechterhand Muhammad ibn al-Hanafīya nog op Duldul hebben gereden.
.
Andere muildieren
Wat Eisenstein over de andere muildieren van de profeet bijeen heeft gesprokkeld zal Ik hier kort samenvatten:7
– Fidda (‘zilver’), een wit dier, dat Farwa ibn ‘Amr al-Djudhāmī hem schonk en dat hij zelf aan Abū Bakr doorgaf,
– een wit dier, dat hij van de heerser van Ayla (het huidige Aqaba) cadeau kreeg,
– een muildier dat Kisrā, de koning van Perzië, hem schonk en waarop hij gereden zou hebben met een haren zadeldek,
– een grauwtje, dat hij van de Negus van Abessinië cadeau kreeg,
– een geschenk van de heerser van Dūmat al-Djandal (bij het huidige al-Djawf of Jouf)
– en tenslotte een niet gespecificeerd dier waarvan wordt verteld dat het ‘met hem op hol sloeg’, waarop de profeet aan het dier een koranvers liet voorlezen.
.
Hoeveel muildieren er nu precies bij de profeet in de stal stonden blijft onduidelijk, want de namen en biografische details van de dieren lopen erg dooreen. Wilt U ze echt tellen? Het is eigenlijk nogal duidelijk: al die dieren zijn er in werkelijkheid maar één. Het zijn variaties op één thema: een muildier dat de profeet cadeau krijgt uit het buitenland en dat vervolgens als precedent voor een sharia-regel optreedt.
.
Inderdaad, vrijwel al deze muildieren werden volgens de teksten aan de profeet cadeau gedaan vanuit het buitenland. Ayla en Dūma, hoewel in Noord-Arabië gelegen, golden toen nog als christelijk buitenland. Ook Fidda kwam uit het buitenland, want dat dier kreeg hij van Farwa ibn ‘Amr, die tot zijn bekering en martelaarsdood Romeins stadhouder was in Ma‘ān, ten noorden van Ayla.8 Naar aanleiding van de geschonken slavinnen Māriya en Sīrīn heb ik hier al besproken, welke functie geschenken uit het buitenland in de teksten hadden. Zij moesten door het voorbeeld van de profeet de aanname en het gebruik van niet-islamitische goederen legitimeren.
.
Maar waren muildieren dan zo buitenlands? In heel het Oude Nabije Oosten kwamen muildieren voor; ook Ethiopië was er vol mee. Het waren sterke en betrouwbare last- en rijdieren, die overal van pas kwamen; zouden die in Arabië dan hebben ontbroken? Dat wil er bij mij niet in, maar ze kwamen wel uit het buitenland.
Het Arabische woord voor muildier, baghl, is Ethiopisch. Hoewel de dieren ook in Syrië en aan de Perzische Golf voorkwamen, zal het eenvoudiger geweest zijn ze per schip uit Afrika in Arabië te importeren. Honderden kilometers door de woestijn konden ze immers niet lopen. En omdat de dieren zich niet voortplantten moesten er telkens nieuwe geïmporteerd worden.
Blijkbaar wil de mededeling dat de Egyptische Duldul het eerste muildier in de islam was ons te laten geloven dat muildieren in het oude Arabië nieuw waren, met andere woorden: de profeet had een primeur — en dat terwijl de koran ze al als vanzelfsprekend vermeldt vóórdat de profeet Duldul cadeau zou hebben gekregen.
Maar de nieuwheid van muildieren in de teksten is vrome fictie van rechtsgeleerden. Laten we hun gedachtengangen eens bekijken.
.
Rechtsregels over muildieren
– Het eten van muildiervlees is niet toegestaan — maar dat wordt hier niet behandeld.

– Het rijden op muildieren is zonder meer toegestaan, want in de Koran heet het: ‘En paarden, muilezels en ezels opdat jullie ze kunnen berijden, en voor het mooi. En Hij schept wat jullie niet weten.’9 Dat de profeet volgens verschillende vertellingen ook inderdaad op een muildier reed, is daarmee in overeenstemming. In het oude Israël reden de koningen David en Salomo erop, en muildieren konden ook dienen als vorstelijk geschenk.10

– Een normale omgang met muildieren leidt dus niet tot rituele onreinheid.

– Het zelf faciliteren van een kruising tussen paard en ezel is voor moslims afkeurenswaardig (makrūh). Een hadith maakt dit duidelijk:

  • … Van ‘Alī ibn abī Tālib: De profeet kreeg een muildier cadeau en hij reed daarop. Toen zei ‘Alī: ‘Als we eens ezels paarden lieten bespringen, dan hadden we ook zulke dieren.’ De profeet zei echter: ‘Dat wordt alleen door mensen zonder kennis gedaan.’ 11

In de teksten die Eisenstein heeft gevonden wordt deze uitspraak van de profeet in verband gebracht met het dier uit Ayla.12 Moslims die een absoluut verbod voorstonden interpreteerden ‘mensen zonder kennis’ als: ‘mensen die het verbod niet kennen’. Hoe dan ook, het fokken van muildieren is uit islamitisch oogpunt een niet-islamitische bezigheid. Bij de joden was het verbod duidelijker, op grond van Leviticus 19:19: ‘Laat je vee niet paren met dieren van een andere soort.’

– Reeds bestaande dieren mochten wel gebruikt of van buiten de eigen kring aangenomen of aangevoerd worden.

– Omgang met weerspannige muildieren: het beest dat met de profeet op hol sloeg gaf hij een lesje door het gevangen te zetten en Koran 113:1 aan hem te laten voorlezen, waarop het rustiger werd. Door zo’n bericht kregen de moslims natuurlijk ook meteen een lesje: in dergelijke gevallen moesten zij hetzelfde doen.

Ik vermoed dat het ongeveer als volgt gegaan is. De Arabieren en vroege moslims reden net als iedereen gewoon op muildieren rond en gebruiken ze als lastdieren. Toen na twee, drie eeuwen islamitische rechtsgeleerden begonnen, het hele leven aan de door hen opgestelde rechtsregels te toetsen, hebben zij ook vragen gesteld over muildieren. Omdat als altijd de profeet de hoogste autoriteit geweest moest zijn, hebben ze ook hem op muildieren laten rijden; ja zelfs al eerste. Het bij de joden gangbare fokverbod handhaafden zij; daarom blijft er in de teksten aan muildieren altijd iets vaag ‘niet-islamitisch’ hangen.

Zie ook Mohammed: ezeldrijver of kameelrijder?

NOTEN
1. Ch. Pellat, ‘Baghl’ in EI2.
2. H. Eisenstein, ‘Die Maultiere und Esel des Propheten,’ in Der Islam, 62 (1985), 98–131.
3. Ibn Saʿd, Ṭabaqāt i, @; Internet, passimوكانت دلدل بغلة النبي ص أول بغلة ركبت في الإسلام أهداها المقوقس
4. F. Rosenthal, Art. ‘Awāʾil,’ in EI2.
5. Eisenstein, o.c. 99–101.
6. Over die slavinnen zie hier.
7. Eisenstein, o.c. 101–4.
8. Ibn Isḥāq, Sīra, uitg. F. Wüstenfeld, 958; vert. Guillaume 644; Ibn Ḥadjar al-ʿAsqalānī, Al-Iṣāba fī tamyīz al-ṣaḥāba, 8 dln, Cairo, z.j., v, 386–7.
9. Koran 16:8:    وَالْخَيْلَ وَالْبِغَالَ وَالْحَمِيرَ لِتَرْكَبُوهَا وَزِينَةً وَيَخْلُقُ مَا لَا تَعْلَمُونَ
10. Bijbel, 1 Koningen 1:33, 38, 44; 10:25.
11. Eisenstein, o.c. 103.; Abū Dawūd, Djihād 53:

حدثنا قتيبة بن سعيد حدثنا الليث عن يزيد بن أبي حبيب عن أبي الخير عن ابن زرير عن علي بن أبي طالب ر قال  أهديت لرسول الله ص بغلة فركبها فقال علي: لو حملنا الحمير على الخيل، فكانت لنا مثل هذه. قال رسول الله ص: إنما يفعل ذلك الذين لا يعلمون.

12. Eisenstein, o.c. 103.

Diakritische tekens: Ḥunayn, irbiḍī, Muḥammad ibn al-Ḥanafīya, Fiḍḍa, ʿAlī ibn abī Ṭālib

Terug naar Hadith: startpunt     Terug naar Inhoud

Haqqi’s ‘Maagd van Dinshaway’

(Doelgroep: mensen die Arabische literatuur in het Arabisch lezen)

Als attachment hier de Arabische tekst van Mahmud Tahir Haqqi’s korte roman ‘Adhrā’ Dinshawāy (De maagd van Dinshaway, Cairo 1964; de eerste druk was van 1906). Ik heb nu eenmaal dit pdf-bestand en het zou jammer zijn om het weg te gooien. Zo hoeft u niet nog een keer naar de UB te rennen.

Haqqi’s werk is een van de vroegste Egyptische romans, die een grote invloed heeft gehad op zowel het Egyptische nationalistme als op de ontluikende romankunst. In de woorden van Samah Selim, blz. 93:

  • The novel dramatizes the events that took place in the Delta village of Dinshaway in 1906. A party of British officers out pigeon hunting near the village was attacked by a group of peasants to whom the pigeons belonged. In the confrontation that followed, an officer was severely wounded and subsequently died of sun-stroke. The British reprisal was swift and brutal — a military trial ended in the execution of four villagers — and the popular outrage that ensued eventually led to Lord Cromer’s departure from Egypt.

Secundaire literatuur:
– Sa‘d al-Djabalāwī, Three pioneering Egyptian novels, Fredericton NB 1986.
– Roger Allen, ‘History of the Egyptian Novel. Its Rise and Early Beginnings,’ IJMES 1988, Vol. 20(3), 397-397.
– Samah Selim, The Novel and the Rural Imaginary in Egypt, 1880-1985, London/New York 2004, blz. 92ff.

Diakritische tekens: Maḥmūd Ṭāhir Ḥaqqī, ʿAdhrāʾ

Terug naar Inhoud           Mahmud Tahir Haqqi Dinshaway Dinschaway Dinsaway Dinsawai Dinsuway