Al-Hakim: een gek op de troon?

In ieder politiek stelsel komt wel eens een halve gare op de troon terecht. Nebukadnezar, Nero, Caligula en ettelijke anderen, ook in onze tijd. Uit de Arabische cultuurkring kan ik U aanbieden kalief al-Ḥākim (geb. 985, reg. 996–1021), heersend over een rijk dat zich uitstrekte van Tunis tot Noord-Syrië, met als hoofdstad Kairo. Hij behoorde tot de dynastie der Fāṭimiden, die sjiïtisch was, van de Ismaïlitische richting (de ‘zeveners’). Voor hen was de kalief, of imam zoals zij hem noemden, zoiets als een messias.

Waarin bestond al-Ḥākims gekte? Hij volgde zijn vader op toen hij elf was. Op zijn vijftiende kreeg hij genoeg van zijn voogd, de eunuch Bardjawān, die hij tijdens een gezamenlijke wandeling liet vermoorden. Dat was de eerste manifestatie van zijn bloeddorstige neigingen. Een knappe jongeling zou hij persoonlijk hebben gedood en van zijn ingewanden hebben ontdaan; een dienaar zou hij met bijlslagen hebben omgebracht; meestal liet hij echter het doden aan anderen over.

Al-Ḥākim probeerde orde te scheppen in zijn rijk door corruptie en machtsmisbruik aan het hof en in de bestuursorganen te bestrijden. Wat aanvankelijk een sympathieke zuiveringsactie leek werd al spoedig een schrikbewind. De kalief hield van snelrecht en de strafmaat was al gauw de doodstraf; daarbij werden ministers en de hoogste ambtenaren niet ontzien. Hij had de absolute macht en iemand laten ombrengen ging gemakkelijk, zoals hij al vroeg ervaren had. Tijdens zijn regering zijn er talloze mensen standrechtelijk veroordeeld en gedood. Bij het gewone volk was hij wel populair en stond hij zelfs als toegankelijk en rechtvaardig bekend.

Meer dan de helft van de inwoners van Egypte bestond uit christenen. De meeste moslims waren soennieten, terwijl de heerser sjiïtisch was. Omdat veel bestuursfuncties vanouds in christelijke handen waren, werden veel christenen slachtoffer van zijn ‘zuiveringen’. De kalief liet ook kerken, kloosters en een enkele synagoge afbreken, hij onteigende zelfs zijn moeder en zuster van hun bezittingen en liet zijn oom Arsenius, de Griekse patriarch van Alexandrië en Jeruzalem (reg. 1000–1010), heimelijk vermoorden. Moeder was namelijk ook een christin, en wel een Grieks-Orthodoxe, dus georiënteerd op Constantinopel – de vijand! Er vonden gedwongen bekeringen tot de islam plaats. Christenen en Joden moesten vernederende, onderscheidende kleding en kentekenen dragen, tot in het badhuis toe. Spectaculair was de sloop van de Heilige Grafkerk in Jeruzalem in 1009. Die echode nog na toen Europa tientallen jaren later tot de eerste Kruistocht besloot. Een paar jaar later dacht hij er weer anders over: kerken die waren gesloopt mochten weer worden opgebouwd, soms zelfs op staatskosten. Ex-christenen mochten desgewenst weer tot hun oude geloof terugkeren.

Vanaf 1003 begon het decreten (sidjillāt) te regenen, die het zedelijk leven in Egypte moesten verbeteren. In zijn jonge jaren had de kalief nog graag meegedaan met de volksfeesten in Fusṭāṭ (Oud Cairo). De christenen die daar woonden dronken veel en het kwam vaak tot excessen. Hij had het leuk gevonden toe te kijken als mannen op straat in gevecht raakten, zelfs als het in een bloedige veldslag ontaardde. Maar op een dag vond hij dat het te zeer uit de hand liep. Toen verbood hij per decreet de wijn en de deelname van vrouwen aan het nachtleven: zij moesten ’s avonds thuisblijven. Even later mochten ze ook overdag niet meer zonder begeleiding over straat. Boottochtjes werden voor vrouwen verboden. Nog later mochten mannen ook niet meer ’s avonds op straat: het hele nachtleven kwam tot stilstand. Wijn en alles wat daarmee te maken had zoals kruiken e.d. werden in het openbaar vernietigd; kroegen werden gesloten en wijnstokken ontworteld; zelfs de productie van honing werd beperkt om de vlucht in honingwijn onmogelijk te maken. Muziek, schaken en uitstapjes in de woestijn werden verboden. Erkers aan de straatkant werden verboden, evenals mulūkhīya, een groente, die de door sjiïeten gehate Aisha indertijd graag had gegeten.

Maar zelfs de soennitische moslims werden niet ontzien. Zij kregen te horen dat zij al die tijd een dwaalleer hadden aangehangen en werden opgeroepen zich te bekeren. Er werden ook cursussen over het sjiïtische geloof gegeven, waar de lokalen al spoedig te klein waren, omdat veel soennieten ernaar toe gingen, om hun baan of hun leven te behouden. Met allerlei decreten over voedsel en details van de eredienst werden zij verder geërgerd. Ooit had al-Ḥākim soennieten als gelijkwaardig met sjiïeten beschouwd, maar een aantal jaren werden zij haast even hard aangepakt als christenen. In zijn laatste regeringsjaren, toen de kalief meer naar de mystiek neigde, werd echter alles weer goed: het soennitische geloof werd weer erkend en het leek zelfs of sjiïet zijn nu niet meer van belang was.

Als er een decreet van al­-­­Hakim niet werd nageleefd of niet uitvoerbaar was, zoals bij voorbeeld het alcoholverbod, trok hij het in en probeerde het later nog eens. Het vreemde was echter dat de decreten soms ook ‘zo maar’ werden ingetrokken, omdat de kalief op andere gedachten was gekomen. Hij stond inderdaad bekend om zijn grilligheid.

In zijn laatste levensjaren werd al-Hakim asceet, droeg uit pure nederigheid een eenvoudig, zelden gewassen wit gewaad en sandalen en ging vaak alleen uit rijden op een ezel. Bij het volk werd hij nu geliefder, omdat hij veel rijkseigendommen cadeau deed aan mensen die iets kwamen vragen. Het uitgedunde hof vroeg zich intussen af, of hij nog toerekeningsvatbaar was. Te zelfder tijd verbleef er een propagandist in zijn paleis, die daar werkte aan een boek waarin hij de goddelijkheid van al-Ḥākim aantoonde. De kalief belette het hem niet.

In februari 1021 maakte hij op een nacht weer een eenzaam ritje op zijn ezel over de Muqaṭṭam-heuvel even buiten Cairo. Deze keer kwam hij niet terug. Enkele dagen later werd zijn bebloede kleding gevonden. Aan te nemen is dat hij was vermoord. Een verdwenen imam: koren op de molen van vele sjiïeten.

Nuance

Het bovenstaande heb ik samengeraapt uit het artikel van Canard dat in 1971 verscheen in de Encyclopaedia of Islam. Maar zijn al die dingen echt zo gebeurd? Als zo vaak stonden er geleerden op die het beeld nuanceerden, die nieuwe feiten ontdekten en oude als fake news ontmaskerden. Een beetje jammer is dat wel, want er is een enorme behoefte aan markante feiten en aan gruwelijke verhalen, maar de wetenschap is streng. Meestal blijkt uit zulk onderzoek dat die koningen zo gek nog niet waren, of althans niet helemaal knetter. De Babylonische koning Nebukadnezar (reg. 605—562 v. Chr.) was volgens Daniel 4:31–34 zeven jaar lang krankzinnig, maar die profeet was hem wel erg ongunstig gezind. En misschien heeft hij hem verward met koning Nabonidus (556–539 v. Chr.), die een tijd lang krankzinnig schijnt te zijn geweest was en enkele jaren in het Arabische Tayma heeft doorgebracht. Voor een therapie? dat zal toch niet. Moderne classici hebben al lang aangetoond dat ‘gekke’ keizers als Nero en Caligula weliswaar wreed en gewelddadig waren, maar daarnaast heel verstandige dingen hebben gedaan. Ook al-Ḥākim is het voorwerp van zulke kritische, nuancerende studies geworden, o.a. door Josef van Ess en vooral Heinz Halm. Het is hetzelfde slag historici dat bij voorbeeld ontdekt dat Martin Luther zijn beroemde stellingen niet aan de kerkdeur in Wittenberg heeft getimmerd en ook nergens heeft gezegd: ‘Hier sta ik; ik kan niet anders’ — of die erop wijzen dat Mohammed niet aantoonbaar met een klein meisje was getrouwd.
Was Canard dan geen wetenschapper? Zeker wel, maar zijn artikel is al oud. Hij had nog niet zoveel bronnen ter beschikking, en het kritische historische onderzoek over de islamitische wereld had toen nog niet zo’n hoge vlucht genomen.

De latere studies maken duidelijk dat vele verhalen over al-Ḥākim van christenen of van soennieten stamden die onder hem geleden hadden: reden genoeg om eens flink te overdrijven en de tyran een stuk gekker te maken dan hij misschien was. Veel van zijn spectaculaire gruweldaden kunnen domweg geschrapt worden.
Twee griezelverhalen over al-Ḥākim zijn bij voorbeeld makkelijk onderuit te halen als je bedenkt dat de auteurs christenen waren en hun klassieken kenden.
— Al-Ḥākim zou Oud-Cairo (Fusṭāṭ) in brand hebben gestoken en nog twee dagen genoeglijk vanaf een heuvel naar de reuzenfik hebben gekeken. Maar dat is natuurlijk recycling van de brand van Rome die door keizer Nero zou zijn aangestoken. In andere bronnen wordt nergens gesproken over een brand in Fusṭāṭ in die tijd. Pas in 1168 werd de stad na evacuatie doelbewust in brand gestoken, en wel om verovering door de kruisvaarder Amalrik te voorkomen.
— Al-Ḥāḳim, zo wordt verteld, waste zich zeven jaar niet, huisde in een onderaards gewelf bij kaarslicht, liet zijn haren tot leeuwenmanen uitgroeien en knipte zijn nagels niet tot ze zo lang waren als adelaarsklauwen. Deze beschrijving lijkt verdacht veel op de gekte van koning Nebukadnezar als beschreven in Daniël 4:31–34. De christelijke schrijver zag een mooie parallel: Nebukadnezar had de tempel van Jerusalem verwoest, al-Ḥākim de H. Grafkerk, de christelijke tempel in diezelfde stad: beide heersers waren gek.

De bizarre decreten blijken bij nader inzien allemaal overeen te komen met regels uit het islamitische recht. Ook in andere omgevingen waren wel eens wijnvaten kapot geslagen, ook elders werden joden en christenen bij vlagen lastig gevallen met discriminerende voorschriften; alleen nooit zo nadrukkelijk en nooit allemaal tegelijk. Die decreten vielen op omdat niemand die regels ooit zo streng toepaste. Dat zij telkens opnieuw moesten worden uitgevaardigd toont wel dat de bevolking zoveel rechtschapenheid niet gewend was. Vrouwen op straat en alcohol bleken domweg niet te onderdrukken. De sharia wordt in haar volle pracht alleen door scherpslijpers als uitvoerbaar beschouwd, en al-Ḥākim was er zo een. Hij was een fundamentalist die de sharia over de gehele linie serieus nam, voor zover hij het volhield. Dat was hij aan zijn stand verplicht: was hij niet de messias of nog meer? Wij mogen dat waanzin vinden, in zijn tijd was het mainstream ismaïlitische theologie.

De opheffing van decreten kan te maken hebben gehad met opstanden en politieke crises waarmee het rijk te maken kreeg. In zulke perioden was er domweg geen tijd voor scherpslijperij. Halm heeft aangetoond dat er geen algemene christenvervolging was: na de sloop van een kerk werd er rustig de volgende dag een christen tot minister benoemd. Al-Ḥākim kon ook niet al te streng zijn voor christenen: hij had ze hard nodig voor zijn bestuur. Incidentele plundering van kerken en kloosters gebeurde vaak domweg omdat de staatskas leeg was, of omdat er een legereenheid met een verzetje en met roofgoed te vriend moesten worden gehouden. Zijn wisselvallige houding jegens de soennieten was ook te verklaren: er was onrust genoeg in het land, daar kon hij niet ook nog grote massa’s boze soennieten bij gebruiken.

Zelfs zijn voor mallotig gehouden gewoonte om in lompen nederig op een ezel rond te rijden staat in een traditie: het is het gedrag van een messias. Welnu, al-Ḥākim wás een messias, zo vonden zijn aanhangers. Hij was het alleen consequenter dan andere sjiïtische kaliefen.

Positieve punten die van al-Ḥāḳims regering genoemd worden waren zijn bestrijding van de honger, het streven naar stabiele prijzen en belastingverlaging. Hij was toegankelijk voor het volk en stond open voor verzoekschriften; zijn rechtvaardigheid werd geprezen. Bovendien bevorderde hij de wetenschap: hij stichtte een grote en algemeen toegankelijke bibliotheek, waarin ook onderwijs werd gegeven.
Voor al-Ḥākim moet het regeren niet gemakkelijk zijn geweest. Als geestelijk leider, ja zeg maar de messias der sjiieten, (volgens enkelen God zelf!) heerste hij over een rijk dat voornamelijk werd bevolkt door christenen en soennitische moslims; dat was al bijna om gek van te worden. Door zijn christelijke moeder had hij zelf een flinke christelijke component; dat moet hem dwars hebben gezeten.

Kortom: opvallend, maar niet helemaal knetter. Wel een overmatig strenge en onberekenbare heerser, die veel meer terechtstellingen op zijn conto had dan in die tijd gebruikelijk was.

Alt Hist

Genuanceerde geschiedschrijving is één ding, er bestaat ook zoiets als partijdige, propagandistische geschiedschrijving, die een persoon geheel kan herzien. Stalin bij voorbeeld was, nadat sommige Russische historici en media de feiten opnieuw hadden geschud, een toffe peer, een pijproker onder wie het leven in de Sovjet-Unie, naar hij zelf zei, ‘beter, vrolijker is geworden,’  Over al-Ḥākim is dergelijke ‘geschiedschrijving’ o.a. te vinden in de EIr, de Encyclopaedia Iranica. Dit is een meestal voortreffelijk Engelstalig werk over alles wat met Iran en vooral de sjiitische islam te maken heeft.1  Al-Ḥākim was Egyptenaar, maar ook sjiïet en had dus recht op een artikel in de EIr. Dat viel me geweldig tegen. Niets dan lof daar voor deze kalief, die zijn rijk zo mooi bij elkaar hield en in Syrië zelfs nog wist uit te breiden, die zich bekommerde om het zedelijk peil van zijn onderdanen en veel deed voor de wetenschap. Niets over de sloop van kerken, de talloze terechtstellingen, zijn bizarre decreten, vergoddelijking of eventuele gekte. De moord op zijn voogd Bardjawān heet hier: ‘the latter’s removal’ (mijn cursivering). Dat hij zo’n slechte pers had lag volgens de auteur alleen aan de vijandige houding van christelijke en soennitische auteurs.2  Het artikel is van Farhad Daftary, een vooraanstaande Ismaïliet, dus van dezelfde geloofsrichting als de kalief die hij behandelt. Ik kan zijn artikel slechts bevooroordeeld noemen; het hoort in een wetenschappelijk werk niet thuis. 

NOTEN
1. Dit werk wordt gefinancierd en geredigeerd door Iraanse ballingen en Ismaïlieten buiten Iran. Van de Islamitische Republiek Iran is het onafhankelijk. Zie ook hier.
2. ‘Ḥākem also concerned himself with the moral standards of his subjects; many of his numerous edicts (sejellāt) preserved in later sources are of an ethico-social nature. He was also prepared to mete out severe punishment to high officials of the state who were found guilty of malpractice. Anṭāki and the Sunni historiographers have generally painted a highly distorted and fanciful image of this caliph-imam, portraying him as a person of unbalanced character with strange and erratic habits. However, modern scholarship is beginning to produce a different account on the basis of Ḥākem’s own edicts and the circumstances of his reign. As a result, Ḥākem is emerging as a tactful leader who was popular with his subjects.’

BIBLIOGRAFIE
– Marius Canard, ‘al-Ḥākim bi-Amr Allāh,’ EI2.
– Farhad Daftary, ‘Ḥākem be-Amr-Allāh,’ Encyclopaedia Iranica, XI/6, blz. 572-573, online: http://www.iranicaonline.org/articles/hakem-be-amr-allah (laatst geraadpleegd op 8 april 2017).
– Josef Van Ess, Chiliastische Erwartungen und die Versuchung der Göttlichkeit. Der Kalif al-Hakim (386-411 H.), Abhandlungen der Heidelberger Akademie der Wissenschaften, Philosophisch-Historische Klasse, Jg. 1977, Abh. 2.
– Heinz Halm, Die Kalifen von Kairo. Die Fatimiden in Ägypten (973–1074), München 2003, blz. 167–304.
– Heinz Halm, ‘Der Treuhänder Gottes. Die Edikte des Kalifen al-Ḥākim,’ Der Islam 63 (1986), 11–72.

Terug naar Inhoud

AM: Graanschepen voor Medina. Umars diwan

(Fragment. AM = ‘Abd al-Malik. Ter verduidelijking kunt U eerst dit lezen)

Canal_des_PharaonsIn 640 werd Egypte voor de Arabieren veroverd door ‘Amr ibn al-‘Ās; Alexandrië iets later. Een van de eerste dingen die hij liet doen was het opknappen van het Bubastiskanaal, dat liep van het huidige Zagazig in de Nijldelta naar het huidige Ismā‘īlīya en dan naar het zuiden door het Krokodillenmeer en de Bittermeren naar Qulzum, ergens bij Suez. Het ging dus om een waterverbinding van de delta naar de Rode Zee. In een verbinding Rode Zee–Middellandse Zee was niemand geïnteresseerd. Alexandrië was immers de zeehaven, en de schepen waren klein genoeg om ook over de Nijl of door zo’n kanaal te varen. En anders werd er een keer verladen; alles was goedkoper dan transport over land. Bovendien waren handelscontacten met het Romeinse Rijk in deze periode niet aan de orde.
.
Dit of een soortgelijk kanaal bestond al in de tijd van de farao’s. Het kanaal dat ‘Amr daar aantrof was dat van de Perzische koning Darius (522–486 v. Chr.), die er inscripties achterliet. Na het vertrek van de Perzische bezetters wilde niemand meer met de boot naar Perzië en werd het kanaal verwaarloosd. Ptolemæus II (284–246 v. Chr.) had het opgeknapt, ten dele een andere bedding gegeven, en er met een sluis voor gezorgd dat er geen zout water in de Nijl kon stromen. Het eindpunt aan de Rode Zee heette Arsinoë, naar zijn zuster die tevens zijn echtgenote was. Het kanaal werd nog eens vernieuwd door de Romeinse keizer Trajanus (98–117). In zijn tijd beheerste het Romeinse Rijk de zeevaart in de Rode Zee en de Perzische Golf en dreef vlijtig handel met India. Zijn kanaal eindigde bij Clysma (‘Sluis’) of Cleopatris, het latere Arabische Qulzum. Misschien was de waterweg bij aankomst van de Arabieren niet eens in zo slechte toestand; hij schijnt bij hoogwater in de Nijl nog bevaarbaar geweest te zijn. Het is natuurlijk niet niks, in de Oudheid zoiets te bouwen zonder moderne technische hulpmiddelen. Maar het terrein werkte mee, want een groot deel van het traject ging door de zachte bedding van de wadi Tumīlāt. En natuurlijk werkten er talloze slaven mee, van wie er heel veel omgekomen zullen zijn.
.
Toen in de negentiende eeuw het moderne Suezkanaal werd gegraven is dit kanaal weer in gebruik genomen, om vanuit de delta drinkwater en allerlei goederen naar de bouwlocatie te brengen. Hier vindt U een mooie landkaart uit die tijd; door aanklikken kunt U hem vergroten. De dikke horizontale lijn is het bedoelde kanaal; het heet daar Canal de l’Ouadee Salsalamout resp. Canal des Ptolémé (spelling is nooit de sterkste kant van ingenieurs.)
.
In 640 of 641 was het kanaal weer bruikbaar en voeren de eerste schepen met graan naar al-Djār, de haven van Medina. Zulk vervoer was heel veel goedkoper en veiliger dan karavaantransport uit Syrië. Het graan zal in Egypte goedkoop zijn geweest, want de traditionele leveranties naar Constantinopel, dat nu vijandig gebied was, waren weggevallen. En als het niet betaald hoefde te worden omdat het afkomstig was van buitgemaakte staatslanderijen was het nog goedkoper. Voor Medina kon de benauwenis van het rampjaar 639 zich niet meer herhalen.

  • In het jaar 21 schreef ‘Umar aan ‘Amr ibn al-‘Ās en deelde hem mee in welke nood de mensen van Medina verkeerden en beval hem voedsel uit de belastingopbrengst over zee naar Medina te verschepen, en daarbij ook olie. Toen het in al-Djār aankwam voerde Sa‘d daar het bewind. Vervolgens werd het naar een gebouw in Medina gebracht en onder de mensen verdeeld.1

Een variant op hetzelfde verhaal:

  • ‘Umar reed uit met de voornaamste gezellen van de profeet, tot hij in al-Djār kwam, waar hij de schepen zag. Hij gaf opdracht dat graan in ontvangst te nemen en hij liet op die plek twee vestingen bouwen, waarin hij het kon opslaan. Vervolgens gaf hij Zayd ibn Thābit opdracht de mensen op te schrijven volgens hun woonplaatsen en beval hem cheques (sikāk, mv. van sakk) op papyrus te schrijven, die hij onderaan verzegelde.2

Dit zijn teksten over een eerste goederenverdeling; er zijn er meer en ze sluiten niet erg op elkaar aan. Een ander bericht vertelt dat ‘Umar een proef nam omdat hij wilde weten hoeveel graan er per persoon nodig was:

  • ‘Umar beval een djarīb (22,715 kg) tarwe klaar te zetten. Die werd gemalen, dan gebakken en in olie geweekt. Daarop liet hij dertig mannen uitnodigen, die daarvan hun middagmaal gebruikten […] en ’s avonds nog eens hetzelfde, en hij stelde vast: voor een man is per maand 2 djarīb genoeg. En dus gaf hij iedere man, iedere vrouw en iedere slaaf 2 djarīb per maand.3

Maar die graanverdeling was al spoedig achterhaald, want er was nog veel meer te verdelen. Er kwamen ook allerlei andere goederen en geld uit de veroverde gebieden. In dezelfde tijd werden immers Syrië, Iraq en Iran veroverd, wat voor een niet aflatende stroom van buit zorgde. Medina werd rijk, en de regering zorgde ervoor dat de meeste spullen eerst in de staatskas resp. de staatsmagazijnen terecht kwamen en vandaaruit op gecontroleerde wijze verdeeld werden. Terugkerende soldaten hadden ook nog eens geld in hun zak.
.
Omstreeks het jaar ± 642, dat is pakweg een jaar na de eerste graanzendingen uit Egypte, zette kalief ‘Umar daarom een registratie op van alle vroege gelovigen, de zog. Dīwān al-djund.4 Daarin werden alle Emigranten uit Mekka, maar ook die naar Ethiopië waren geëmigreerd en teruggekomen, en de zog. ‘Helpers’ in Medina, en allen die eervol hadden deelgenomen aan Mohammeds militaire expedities of anderszins verdiensten hadden voor zijn zaak; kortom alle vrije inwoners van Medina! Achter hun naam werden hun daden vermeld.
Al deze mensen kregen voortaan ieder jaar een uitkering uit de staatskas, en hun kinderen vaak ook nog. En denkt U daarbij niet aan zoiets als de Bijstand. De uitkeringen die indertijd aan de armen onder de Emigranten (ahl al-suffa) gedaan werden, dát was bijstand geweest, maar nu ging het om forse bedragen. Dit was ongekend. Als mensen in de Oudheid geregistreerd werden was dat om effectief belastingen van hen te heffen. Hier ging het om de verstrekking van een basisinkomen, of eregeld, of zo U wilt een gecontroleerde verdeling van oorlogsbuit.
.
Er was een hiërarchie in uitkeringsgerechtigden naar hun verdienstelijkheid. Puin onderscheidt vier groepen:4

  • Klasse 1: Deelnemers slag bij Badr; vrouwen van de profeet 4000 DH (=dirham), later 5000 of 6000
    Klasse 2: Overige Emigranten en Helpers (ansār) 1000 DH minder dan Kl. 1
    Klasse 3: Deelname aan Ḥudaybiya en de zg. Ridda-oorlogen 1000/2000 DH minder dan Kl. 2
    Klasse 4: Alle overige inwoners van Medina 250–400 DH

Puin zet weliswaar bij al zijn data een vraagteken, maar het geeft een indruk. Vooral is onzeker hoeveel de nakomelingen van de oorspronkelijke uitkeringsgerechtigden kregen.
Het was dus van groot belang hoe een man geregistreerd stond. Zonen en kleinzonen zullen hun best hebben gedaan opa’s goede daden nog wat aan te dikken, niet alleen voor het prestige, maar ook voor een royalere uitkering. Dat heeft zijn uitwerking gehad op de biografische literatuur (genre: de Verdiensten der Gezellen).
De Mekkanen kregen overigens niets—tenzij ze zich na hun late bekering in 630 alsnog hadden ingezet voor de goede zaak, door bij voorbeeld als soldaat naar Syrië of Iraq te trekken; dat gold ook als hidjra (Emigratie).

Wat heeft dit alles met ‘Abd al-Malik te maken? Het ging mij erom, het Medina te beschrijven waarin hij is opgegroeid. Maar bovendien was hij ooit een tijd lang directeur van die dīwān. Ook daarom moet ik vertellen wat dat was.

Dit is natuurlijk maar een schets, die naar believen aangevuld kan worden.

NOTEN
1. Al-Balādhurī, Futūḥ al-buldan (Liber expugantionis regum), uitg. M.J. de Goeje, Leiden 1866, 216. وكتب عمر بن الخطاب في سنة ٢١ الى عمرو بن العاصي يعلمه ما فيه أهل المدينة من الجهد ويأمره أن يحمل ما يقبض من الطعام في الخراج الى المدينة في البحر فكان ذلك يُحمل ويحمل معه الزيت فإذا ورد الجار تولّى قبضه سعد الحار ثم جُعل في دار بالمدينة وقسم بين الناس بمكيال.
2. Al-Ya‘qūbī, Ta’rīkh ii, 154 @nog controleren@@
3. G.-R. Puin,
Der Dīwān von ʿUmar ibn al-Ḫaṭṭāb. Ein Beitrag zur frühislamischen Verwaltungsgeschichte, Ph. D. Diss. Bonn 1970, 90; al-Balādhurī, Futūḥ al-buldān, Cairo ed. 363 @nog controleren@@
4. Puin,
o.c., 94–5
5. Puin, o.c., 113–4. Puins boek bevat een weelde aan bronnen en verwijzingen.

Diacritische tekens: ʿAmr ibn al-ʿĀṣ, ṣikāk, mv. van ṣakk, ahl al-ṣuffa, anṣār

ABD AL-MALIK IBN MARWAN: startpagina. De eerste kaliefen. Mu‘awiya’s opvolgers. De Umayyaden uit Medina verjaagd. Abd al-Malik geeft strategisch advies. Abd al-Malik oefent zich in wreedheid en moord. As over Medina? De Rotskoepel in Jeruzalem.

Terug naar Inhoud

Russische kruisvaarders

CSprv8SUkAA5cztBREAKING ““Russisch vliegtuig neergehaald en meer dan 220 Russische kruisvaarders aan boord gedood.

De strijdkrachten van het Kalifaat zijn erin geslaagd een Russisch vliegtuig boven de Provincie Sinai neer te halen, dat meer dan 220 Russische kruisvaarders aan boord had. Allen zijn zij gedood, God zij geprezen. Russen en hun bondgenoten, weet goed dat er voor u geen veiligheid bestaat in de landen en luchtruimen van de moslims, en dat het dagelijkse doden van tientallen mensen in Syrië door bombardementen uit uw vliegtuigen u alleen ellende zal brengen en dat u, met Gods permissie, gedood zult worden zoals u zelf doodt. God is de overwinnaar, maar de meeste mensen weten dat niet.””

Terug naar Inhoud

De muildieren van de profeet

Een muildier (Arabisch baghl)1 is een kruising tussen een paardenmerrie en een ezelshengst; een muilezel is het jong van een ezelin en een paardenhengst. Omdat we niet weten over welk van beide soorten de oude Arabische teksten het hebben noem ik ze maar allemaal muildieren. Ik gok er maar op dat die in de meerderheid zijn geweest: zij zijn de sterkste lastdieren en het makkelijkst te fokken.
Herbert Eisenstein heeft alle teksten over Mohammeds muildieren en ezels verzameld. Uit zijn artikel2 zal ik hier putten; meer teksten dan hij heb ik niet gevonden. Aan interpretatie heb ik echter wel iets toe te voegen
.
Duldul
Het muildier bij uitnemendheid was Duldul. Misschien was het zelfs het islamitische oermuildier überhaupt, want het heet: ‘Duldul was het eerste muildier waarop gereden werd in de islam.’ 3 ‬ Zulke ‘eerste’-overleveringen (awā’il) dienden er meestal toe, de terminus post quem van het een of andere fenomeen vast te stellen, maar ze kunnen wel, zoals in dit geval, erg tendentieus zijn.4
Er bestaat over deze muilezelmerrie enig biografisch materiaal in de beste Arabische traditie.5 Ze zou de profeet cadeau zijn gedaan door de Muqawqis von Alexandrië — wie dat ook geweest moge zijn — tesamen met een ezel, goud, textiel en de twee mooie slavinnen Māriya en Sīrīn.6 Bij de Slag bij Hunayn (630) zou de profeet op Duldul gereden hebben en tegen haar gezegd hebben: irbidī! (ga liggen!), of sdi! (strek je!), zodat hij een handvol stof kon oppakken om de vijanden in het gezicht te werpen. In nog een andere variant zei de profeet in die slag tegen zijn oom ‘Abbās: ‘Geef mij eens een paar kiezelstenen!’ Duldul verstond dat en strekte zich uit eigen beweging, zodat de profeet ze zelf van de grond kon pakken. Zij overleefde de profeet meer dan dertig jaar en stierf tijdens de regering van kalief Mu‘āwiya (661–680) in Yanbu‘ aan de Rode Zee-kust. Een leeftijd van vijftig jaar is voor een muildier goed haalbaar; Duldul was bij aankomst in Medina blijkbaar al niet meer zo jong geweest. Op hoge leeftijd waren haar tanden uitgevallen, zodat de gerst voor haar gemalen moest worden. Haar tragische dood is goed als filmscène voorstelbaar: blind geworden liep zij een meloenveld in en vertrapte het. Het veld behoorde toe aan een man uit de Banū Mudlidj, die haar doodde met een pijlschot, blijkbaar niet vermoedend met welk nobel dier hij te doen had.
Volgens de sji‘ietische overlevering zouden ook ‘Alī, zijn beide zonen en zijn rechterhand Muhammad ibn al-Hanafīya nog op Duldul hebben gereden.
.
Andere muildieren
Wat Eisenstein over de andere muildieren van de profeet bijeen heeft gesprokkeld zal Ik hier kort samenvatten:7
– Fidda (‘zilver’), een wit dier, dat Farwa ibn ‘Amr al-Djudhāmī hem schonk en dat hij zelf aan Abū Bakr doorgaf,
– een wit dier, dat hij van de heerser van Ayla (het huidige Aqaba) cadeau kreeg,
– een muildier dat Kisrā, de koning van Perzië, hem schonk en waarop hij gereden zou hebben met een haren zadeldek,
– een grauwtje, dat hij van de Negus van Abessinië cadeau kreeg,
– een geschenk van de heerser van Dūmat al-Djandal (bij het huidige al-Djawf of Jouf)
– en tenslotte een niet gespecificeerd dier waarvan wordt verteld dat het ‘met hem op hol sloeg’, waarop de profeet aan het dier een koranvers liet voorlezen.
.
Hoeveel muildieren er nu precies bij de profeet in de stal stonden blijft onduidelijk, want de namen en biografische details van de dieren lopen erg dooreen. Wilt U ze echt tellen? Het is eigenlijk nogal duidelijk: al die dieren zijn er in werkelijkheid maar één. Het zijn variaties op één thema: een muildier dat de profeet cadeau krijgt uit het buitenland en dat vervolgens als precedent voor een sharia-regel optreedt.
.
Inderdaad, vrijwel al deze muildieren werden volgens de teksten aan de profeet cadeau gedaan vanuit het buitenland. Ayla en Dūma, hoewel in Noord-Arabië gelegen, golden toen nog als christelijk buitenland. Ook Fidda kwam uit het buitenland, want dat dier kreeg hij van Farwa ibn ‘Amr, die tot zijn bekering en martelaarsdood Romeins stadhouder was in Ma‘ān, ten noorden van Ayla.8 Naar aanleiding van de geschonken slavinnen Māriya en Sīrīn heb ik hier al besproken, welke functie geschenken uit het buitenland in de teksten hadden. Zij moesten door het voorbeeld van de profeet de aanname en het gebruik van niet-islamitische goederen legitimeren.
.
Maar waren muildieren dan zo buitenlands? In heel het Oude Nabije Oosten kwamen muildieren voor; ook Ethiopië was er vol mee. Het waren sterke en betrouwbare last- en rijdieren, die overal van pas kwamen; zouden die in Arabië dan hebben ontbroken? Dat wil er bij mij niet in, maar ze kwamen wel uit het buitenland.
Het Arabische woord voor muildier, baghl, is Ethiopisch. Hoewel de dieren ook in Syrië en aan de Perzische Golf voorkwamen, zal het eenvoudiger geweest zijn ze per schip uit Afrika in Arabië te importeren. Honderden kilometers door de woestijn konden ze immers niet lopen. En omdat de dieren zich niet voortplantten moesten er telkens nieuwe geïmporteerd worden.
Blijkbaar wil de mededeling dat de Egyptische Duldul het eerste muildier in de islam was ons te laten geloven dat muildieren in het oude Arabië nieuw waren, met andere woorden: de profeet had een primeur — en dat terwijl de koran ze al als vanzelfsprekend vermeldt vóórdat de profeet Duldul cadeau zou hebben gekregen.
Maar de nieuwheid van muildieren in de teksten is vrome fictie van rechtsgeleerden. Laten we hun gedachtengangen eens bekijken.
.
Rechtsregels over muildieren
– Het eten van muildiervlees is niet toegestaan — maar dat wordt hier niet behandeld.

– Het rijden op muildieren is zonder meer toegestaan, want in de Koran heet het: ‘En paarden, muilezels en ezels opdat jullie ze kunnen berijden, en voor het mooi. En Hij schept wat jullie niet weten.’9 Dat de profeet volgens verschillende vertellingen ook inderdaad op een muildier reed, is daarmee in overeenstemming. In het oude Israël reden de koningen David en Salomo erop, en muildieren konden ook dienen als vorstelijk geschenk.10

– Een normale omgang met muildieren leidt dus niet tot rituele onreinheid.

– Het zelf faciliteren van een kruising tussen paard en ezel is voor moslims afkeurenswaardig (makrūh). Een hadith maakt dit duidelijk:

  • … Van ‘Alī ibn abī Tālib: De profeet kreeg een muildier cadeau en hij reed daarop. Toen zei ‘Alī: ‘Als we eens ezels paarden lieten bespringen, dan hadden we ook zulke dieren.’ De profeet zei echter: ‘Dat wordt alleen door mensen zonder kennis gedaan.’ 11

In de teksten die Eisenstein heeft gevonden wordt deze uitspraak van de profeet in verband gebracht met het dier uit Ayla.12 Moslims die een absoluut verbod voorstonden interpreteerden ‘mensen zonder kennis’ als: ‘mensen die het verbod niet kennen’. Hoe dan ook, het fokken van muildieren is uit islamitisch oogpunt een niet-islamitische bezigheid. Bij de joden was het verbod duidelijker, op grond van Leviticus 19:19: ‘Laat je vee niet paren met dieren van een andere soort.’

– Reeds bestaande dieren mochten wel gebruikt of van buiten de eigen kring aangenomen of aangevoerd worden.

– Omgang met weerspannige muildieren: het beest dat met de profeet op hol sloeg gaf hij een lesje door het gevangen te zetten en Koran 113:1 aan hem te laten voorlezen, waarop het rustiger werd. Door zo’n bericht kregen de moslims natuurlijk ook meteen een lesje: in dergelijke gevallen moesten zij hetzelfde doen.

Ik vermoed dat het ongeveer als volgt gegaan is. De Arabieren en vroege moslims reden net als iedereen gewoon op muildieren rond en gebruiken ze als lastdieren. Toen na twee, drie eeuwen islamitische rechtsgeleerden begonnen, het hele leven aan de door hen opgestelde rechtsregels te toetsen, hebben zij ook vragen gesteld over muildieren. Omdat als altijd de profeet de hoogste autoriteit geweest moest zijn, hebben ze ook hem op muildieren laten rijden; ja zelfs al eerste. Het bij de joden gangbare fokverbod handhaafden zij; daarom blijft er in de teksten aan muildieren altijd iets vaag ‘niet-islamitisch’ hangen.

Zie ook Mohammed: ezeldrijver of kameelrijder?

NOTEN
1. Ch. Pellat, ‘Baghl’ in EI2.
2. H. Eisenstein, ‘Die Maultiere und Esel des Propheten,’ in Der Islam, 62 (1985), 98–131.
3. Ibn Saʿd, Ṭabaqāt i, @; Internet, passimوكانت دلدل بغلة النبي ص أول بغلة ركبت في الإسلام أهداها المقوقس
4. F. Rosenthal, Art. ‘Awāʾil,’ in EI2.
5. Eisenstein, o.c. 99–101.
6. Over die slavinnen zie hier.
7. Eisenstein, o.c. 101–4.
8. Ibn Isḥāq, Sīra, uitg. F. Wüstenfeld, 958; vert. Guillaume 644; Ibn Ḥadjar al-ʿAsqalānī, Al-Iṣāba fī tamyīz al-ṣaḥāba, 8 dln, Cairo, z.j., v, 386–7.
9. Koran 16:8:    وَالْخَيْلَ وَالْبِغَالَ وَالْحَمِيرَ لِتَرْكَبُوهَا وَزِينَةً وَيَخْلُقُ مَا لَا تَعْلَمُونَ
10. Bijbel, 1 Koningen 1:33, 38, 44; 10:25.
11. Eisenstein, o.c. 103.; Abū Dawūd, Djihād 53:

حدثنا قتيبة بن سعيد حدثنا الليث عن يزيد بن أبي حبيب عن أبي الخير عن ابن زرير عن علي بن أبي طالب ر قال  أهديت لرسول الله ص بغلة فركبها فقال علي: لو حملنا الحمير على الخيل، فكانت لنا مثل هذه. قال رسول الله ص: إنما يفعل ذلك الذين لا يعلمون.

12. Eisenstein, o.c. 103.

Diakritische tekens: Ḥunayn, irbiḍī, Muḥammad ibn al-Ḥanafīya, Fiḍḍa, ʿAlī ibn abī Ṭālib

Terug naar Hadith: startpunt     Terug naar Inhoud

Haqqi’s ‘Maagd van Dinshaway’

(Doelgroep: mensen die Arabische literatuur in het Arabisch lezen)

Als attachment hier de Arabische tekst van Mahmud Tahir Haqqi’s korte roman ‘Adhrā’ Dinshawāy (De maagd van Dinshaway, Cairo 1964; de eerste druk was van 1906). Ik heb nu eenmaal dit pdf-bestand en het zou jammer zijn om het weg te gooien. Zo hoeft u niet nog een keer naar de UB te rennen.

Haqqi’s werk is een van de vroegste Egyptische romans, die een grote invloed heeft gehad op zowel het Egyptische nationalistme als op de ontluikende romankunst. In de woorden van Samah Selim, blz. 93:

  • The novel dramatizes the events that took place in the Delta village of Dinshaway in 1906. A party of British officers out pigeon hunting near the village was attacked by a group of peasants to whom the pigeons belonged. In the confrontation that followed, an officer was severely wounded and subsequently died of sun-stroke. The British reprisal was swift and brutal — a military trial ended in the execution of four villagers — and the popular outrage that ensued eventually led to Lord Cromer’s departure from Egypt.

Secundaire literatuur:
– Sa‘d al-Djabalāwī, Three pioneering Egyptian novels, Fredericton NB 1986.
– Roger Allen, ‘History of the Egyptian Novel. Its Rise and Early Beginnings,’ IJMES 1988, Vol. 20(3), 397-397.
– Samah Selim, The Novel and the Rural Imaginary in Egypt, 1880-1985, London/New York 2004, blz. 92ff.

Diakritische tekens: Maḥmūd Ṭāhir Ḥaqqī, ʿAdhrāʾ

Terug naar Inhoud           Mahmud Tahir Haqqi Dinshaway Dinschaway Dinsaway Dinsawai Dinsuway

Koptische Maria, slavin van de profeet

Het Koptische meisje Māriya was volgens de overlevering een slavin, die de Muqawqis van Alexandrië in 629 samen met haar zuster Sīrīn cadeau deed aan de profeet Mohammed. De geschenkzending bevatte verder nog goud en kostbare doeken, de muilezelin Duldul en een ezel die ‘Ufayr of Ya‘fūr heette.Māriya werd de moeder van Ibrāhīm, een zoon van de profeet. Het kind stierf terwijl het nog bij zijn voedster aan de borst was.

Maar deze Koptische slavin was geen historische figuur, en haar zoontje dus ook niet. Op minstens drie plaatsen duikt een christelijk vrouwenduo Māriya-Shirin op in Perzië, niet in Egypte:
1. In de Kroniek van Khuzistan, geschreven omstreeks 660 door een Syrisch-Aramese christen uit het Zuidperzische Khūzistān heet het:

  • Īshō‘yahb werd respectvol behandeld door de koning [Khosro II] zelf en door zijn beide christelijke vrouwen, de Aramese Shīrīn en de Romeinse Maria.2

2. In de Kroniek van Siirt (10. Jh.) is hoofdstuk 18 aan Khosro II gewijd. Daar staat te lezen:

  • […] uit dankbaarheid jegens Mauricius beval Khosro de kerken weer op te bouwen en de christenen te respecteren. Hij bouwde zelf twee kerken voor Maria (Maryam) en een grote kerk en een kasteel in het land van Beth Lashpar voor zijn Aramese vrouw Shīrīn.3

3. De Romeinse keizer Mauricius (reg. 582–602) heeft volgens een bericht bij al-Tabarī zijn Perzische collega Khosro II Parwīz (reg. 590–628) ‘een geliefde dochter van hem, die Maryam [=Maria] heette,’ tot vrouw gegeven.4 Dat deze al een christelijke vrouw had, die Shīrīn heette, is uit de literatuur bekend.

Met deze Maria schijnt dus een christelijke Romeinse bedoeld te zijn, die in Perzië was beland. Een islamitische verteller heeft haar samen met Shīrīn naar Egypte en van daaruit weer naar Medina versleept. Ook bij hem wordt een zekere Maria door een hooggeplaatste persoon aan een andere, namelijk Mohammed, ‘geschonken’. De naam Shīrīn hoort overigens duidelijk in Perzië thuis, niet in Egypte.
.
Māriya en de sharia
Hoewel ze niet heeft bestaan, heeft Māriya wel haar sporen in de sharia achtergelaten. De profeet heeft haar aangenomen en liet zo zien dat moslims een geschenk van christenen mogen aannemen. Hij had legale seks met haar als slavin. Haar zuster Shīrīn gaf hij dadelijk door aan een ander: het is niet geoorloofd met twee zusters in dezelfde tijd omgang te hebben. Door Ibrāhīm ter wereld te brengen werd Māriya een voorbeeld van een umm walad. De dood van haar zoontje bood de profeet gelegenheid te laten zien hoe moslims bij de dood zelfs van een innig geliefd wezen zeer bescheiden dienen te rouwen.
.
Geschenk
Volgens de overlevering ontving Mohammed geschenken van verscheidene christelijke heersers: van de negus van Ethiopië, de Muqawqis van Alexandrië en de Romeinse keizer. Daarenboven nog van Dihya al-Kalbī, een moslim die meermaals met een diplomatieke missie het Romeinse Rijk bereisd zou hebben. In de teksten word de volgende formule gebruikt: ahdā fulān lin-nabī, of passief: uhdiya lin-nabī. Waarom wordt ons over deze schenkingen verteld? De berichten willen laten zien dat Mohammed zo zeer op een zelfde niveau verkeerde als de heersers van de wereld, dat zij hem geschenken stuurden.5
.
Christelijke herkomst
Blijkbaar mogen moslims geschenken van christenen aannemen, want de profeet heeft het ook gedaan. Maar mogen zij ze ook gebruiken? Volgens hadithen kreeg de profeet o.a. het volgende cadeau: schoenen, een zegelring, slavinnen, rijdieren, textiel en een kostbare bontjas. Het meeste nam hij zonder problemen in gebruik, en dankzij zijn voorbeeld is dat ook de moslims toegestaan. Alleen als een geschenk te extravagant was, of het gebruik ervan anderszins in strijd was met islamitische regels, gaf de profeet een geringschattend commentaar, schonk hij het aan iemand anders, gaf hij het een andere bestemming of liet hij het stuksnijden. De bontjas met brokaat uit Constantinopel was voor islamitisch gebruik beslist te extravagant; het prachtstuk werd dus doorgegeven aan de negus van Ethiopië.6 Gewaden van zijdebrokaat werden veracht; zelfs de servetten in het paradijs zijn nog mooier dan zij.7 Ze konden worden verscheurd en als hoofddoek8 of als onderhemd hergebruikt worden.9 Koptische doeken met afbeeldingen van levende wezens konden tot zitkussen worden verwerkt – zodat de verachting voor die afbeeldingen met het achterwerk kon worden uitgedrukt.10 Maar een paar eenvoudige zwarte11 schoenen trok de profeet wel aan, en hij liet tegelijkertijd zien dat het verplichte wassen van de voeten bij de rituele reiniging ook over die gesloten schoenen kon plaatsvinden.12 Christelijke slavinnen aannemen of bezitten en voor zich laten werken leverde blijkbaar geen problemen op.
.
Slavin
Māriya is bekend geworden als slavin. Sommige moderne moslims schamen zich met terugwerkende kracht voor de slavernij en doen alsof Mohammed met haar getrouwd was. Maar op een of twee uitzonderingen na zeggen alle bronnen dat zij een slavin was. Māriya komt niet voor in de lijsten van de vrouwen van de profeet, maar wel in een lijst van Mohammeds concubines.13 Ze zou niet bij de andere vrouwen gewoond hebben en kreeg niet de titel ‘Moeder der Gelovigen’ zoals de officiële echtgenotes.
.
Seks met slavinnen
In de Oudheid sprak het vanzelf dat een man seks kon hebben met zijn slavinnen als hij daar zin in had. Ook in de koran wordt dat als normaal beschouwd; de koranische uitdrukking voor slavin is: ‘wat uw rechter hand bezit’. Volgens islamitisch recht mag een man vier echtgenotes hebben, als hij ze kan onderhouden. Daarenboven mag hij met een onbegrensd aantal slavinnen (bijvrouwen, Arab. surrīya, mv. sarārīy) geslachtsverkeer hebben – als hij ze kan betalen.14 Ook bij de omgang met slavinnen moest Mohammed het voorbeeld gegeven hebben, en hier kwam Māriya goed van pas. Alleen al de aankomst van een waardevolle slavin als geschenk uit het buitenland vooronderstelt geslachtsverkeer. Om te melken, hout te sprokkelen en te weven waren er genoeg andere. Maar blijkbaar werd de behoefte gevoeld, de omgang van de profeet met een slavin uitdrukkelijk ter sprake te brengen, en dat gebeurde o.a. in een sabab al nuzūl-verhaal bij koran 66:1:

  • […] Zayd ibn Aslam vertelde mij dat de profeet seks had met [Māriya,] de moeder van Ibrāhīm, in de woning van een van zijn vrouwen. Die reageerde: ‘Wat, profeet! In mijn woning en op mijn bed?’ Daarop verklaarde hij [Māriya] voor zich zelf verboden [harām]. Ze zei: Hoe kun je iets wat geoorloofd is voor je zelf verboden verklaren? Maar hij zwoer bij God dat hij geen seks meer met haar zou hebben. Daarop openbaarde God: „Profeet! Waarom verklaar jij om je vrouwen tevreden te stellen verboden wat God je heeft toegestaan?“
    Zayd zei nog: Zijn woorden ‘Jij bent voor mij verboden’ waren dus zonder inhoud.15

.
Als een slavin een kind krijgt
Volgens islamitisch recht wordt een umm walad, een slavin die haar meester een kind schenkt, na diens dood vrij, zoals wordt verwoord in een uitspraak die aan kalief ‘Umar is toegeschreven:

  • Haar kind maakt haar [een umm walad] vrij – zelfs als zij een miskraam had. 16

en ook in een hadith van de profeet:

  • De profeet zei over een umm walad: ‘Haar kind maakt haar vrij. Haar wachttijd is even lang als die van een vrije vrouw.’ 17

Ter concretisering verscheen iets later Māriya in de teksten:

  • […] van Ibn ‘Abbās: In het bijzijn van de profeet werd over de moeder van Ibrāhīm gesproken. Toen zei hij: ‘Haar zoon heeft haar vrij gemaakt.’ 18

In de islamitische rechtspraktijk wordt zo’n slavin pas vrij als haar meester sterft, maar in de hadithen klinkt het alsof haar vrijlating nog bij diens leven plaatsvindt—al is het na een wachttijd.19 Dat is het onderwerp van hevige discussies geweest, die hier echter niet besproken hoeven te worden.
.
Geen seks met twee zusters
Māriya en haar zuster Sīrīn konden als precedent dienen voor de regel dat een man in dezelfde tijdspanne niet met twee zusters seks mag hebben. De profeet zou dus de aantrekkelijke Māriya zelf tot concubine hebben genomen (tasarrā bihā) en Sīrīn aan Hassān ibn Thābit hebben doorgegeven: een normale manier van doen bij niet passende geschenken (zie hierboven). Sīrīn zou Hassān aan zijn zoon ‘Abd al-Rahmān hebben geschonken.20
.
Normen voor de rouw
Door de dood van Māriya’s zoon Ibrāhīm konden enige rouwgebruiken tot sunna van de profeet worden. Over Ibrāhīm staat hier al een aparte bijdrage.
.
Wie mijn manier van kijken deelt heeft intussen allang gemerkt dat in de teksten de rechtsgeleerdheid de overhand heeft, niet het biografische en historische. Māriya dankt haar papieren bestaan en haar status als slavin aan het feit dat zij zo bruikbaar was als precedent bij shariakwesties. Natuurlijk zijn er mensen die precies haar woonplaats kennen, haar sterfdatum, die van haar zoon en de juiste ligging van zijn graf. Zelfs het origineel van de brief van de profeet aan de muqawqis is bewaard gebleven. Alles voor degenen die aan zulke dingen geloven.

LITERATUUR
– Kaj Öhrnberg, ‘Māriya al-qibṭiyya unveiled,’ Studia Orientalia (Helsinki) 14 (1984), 297–303.
– N.N., ‘Maria al-Qibtiyya,’ in de Duitse Wikipedia. Een goed geïnformeerd artikel, dat echter in het geloof aan de historiciteit gevangen blijft zitten.
– F. Buhl, ‘Māriya,’ in EI2. Idem.

NOTEN
1. Ibn Saʿd, Al-Ṭabaqāt al-kubrā, uitg. Iḥsān ʿAbbās, Beiroet z.j., viii, 212. بعث المقوقس صاحب الاسكندرية الى رسول الله ص في سنة سبع من الهجرة بمارية وبأختها سيرين وألف مثقال ذهبًا وعشرين ثوبًا لينًا وبغلته الدلدل وحماره عفير ويقال يعقور […] De Muqawqis is een fantasieheerser uit Egypte. In werkelijkheid was dat land toen een deel van het Romeinse Rijk. De beide meisjes werden begeleid door een oude eunuch, die Mābūr heette. Over de dieren zie H. Eisenstein, ‘Die Maultiere und Esel des Propheten,’ Der Islam, 62 (1985), 98–131. Van Duldul bestaat er zelfs zoiets als een biografie. Eisenstein schijnt te menen dat die dieren werkelijk hebben bestaan.
2. ‘Die von Guidi herausgegebene syrische Chronik, übersetzt und commentiert von Prof. Dr. Th. Nöldeke,’ in Sitzungsberichte der kaiserlichen Akademie der Wissenschaften, phil.-hist. Kl. 128, 9, Wien 1893, 1–48; hier S. 10; Sebastian P. Brock, ‘Guidi’s Chronicle,’ in Encyclopaedia Iranica, online hier; Robert G. Hoyland, Seeing Islam as Others Saw it. A Survey and Evaluation of Christian, Jewish and Zoroastrian Writings on Early Islam, Princeton 1997, 182–89.
3. Histoire nestorienneChronique de Séert, II, 1, uitg. & vert. Addai Scher, Paris 1911, repr. 1950@check@, 467. (Patrologia Orientalis, vii, 2); Robert Hoyland, o.c., 443–6. Is in deze tekst met Maria niet eenvoudig de moeder Gods bedoeld?
4. Al-Ṭabarī, Taʾrīkh i, 994, 999: v وزوّجه ابنة له كانت عزيزة عليه يقال لها مريم ; Kaj Öhrnberg, ‘Māriya al-qibṭiyya unveiled,’ Studia orientalia (Helsinki), xi/14 (1984), 297–303, vooral S. 298.
5. Van zijn kant had de profeet hun alleen brieven gestuurd, waarin hij hen tot de islam opriep.
6. Abū Dāwūd, Libās 8.
7. Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad iii, 229; vgl. Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 903.
8. Muslim, Libās 18; Abū Dāwūd, Libās 8.
9. Abū Dāwūd, Libās 35.
10. Bukhārī, Libās 91. […] وعن عائشة وقالت: قدم رسول الله ص من سفر وقد سترت بقرام لي على سهوة لي فيه تماثيل فلما رآه رسول الله ص هتكه وقال: أشد الناس عذابًا يوم القيامة الذين يضاهئون بخلق الله. قالت فجعلناه وسادة أو وسادتين.
11. Rode schoenen zouden bijv. te extravagant zijn geweest; Lane, Arabic Lexicon 770.
12. Koran 5:6; Ibn Abī Shayba, Muṣannaf 1, 117; Abū Dāwūd, Ṭahāra 60, Tirmidhī, Adab 55, Ibn Mādja, Ṭahāra 84, Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad v, 352. Het wassen, resp het afwissen van de geschoeide voeten (al-masḥ ʿalā al-khuffain) is het onderwerp geweest van ongelooflijk uitvoerige discussies; zie R. Strothmann, Der Kultus der Zaiditen, Straatsburg 1912, 21–46; vgl. Ch. Pellat, ‘al-Masḥ ‘alā ’l-khuffayn,’ in EI2 en J. Schacht, The Origins of Muhammadan Jurisprudence, Oxford 1950, 263f.; Wim Raven, ‘Some early Islamic Texts on the Negus of Abyssinia,’ JSS 33 (1988), 197–218. Online hier.
13. Aṭ-Ṭabarī, Taʾrīkh i, 1778. Bij de vermelding van haar dood noemt al-Ṭabarī, Taʾrīkh i, 2480 haar een umm walad.
14. Tegenwoordig is de slavernij weliswaar afgeschaft, maar streng-islamitisch beschouwd kan zij niet afgeschaft worden, omdat zij in koran en hadith als vanzelfsprekend geldt. In landen die de slavernij pas laat hebben afgeschaft (o.a. Saoedi-Arabië in 1962, de Emiraten in 1963, Mauritanië laatstelijk in 2007) bestaat zij in de praktijk vaak nog voort.
15. Deze versie komt uit al-Ṭabarī, Tafsīr bij koran 66:1. Er zijn verscheidene, ook langere versies van het verhaal, met en zonder vermelding van Māriya’s naam, met en zonder specificering van de vrouw van de profeet. De pijnlijk verraste vrouw van de profeet zou Ḥafṣa bint ‘Umar zijn geweest.

حدثني محمد بن عبد الرحيم البرقي، قال: ثني ابن أبي مريم، قال: ثنا أبو غسان، قال: ثني زيد بن أسلم أن رسول الله ص أصاب أمَّ إبراهيم في بيت بعض نسائه قال: فقالت: أي رسول الله في بيتي وعلى فراشي؟، فجعلها عليه حراماً فقالت: يا رسول الله كيف تحرّم عليك الحلال؟، فحلف لها بالله لا يصيبها، فأنزل الله عزّ وجلّ: { يا أيُّها النَّبِيُّ لِمَ تُحَرّمُ ما أحَلَّ اللَّهُ لَكَ تَبْتَغِي مَرْضَاةَ أزْوَاجِكَ } قال زيد: فقوله أنت عليّ حرام لغو.

16. Ibn Abī Shayba (gest. 849), Muṣannaf, xi, 184/21894.@check@
17. ʿAbd al-Razzāq al-Ṣan‘ānī (gest. 826), Muṣannaf, vii, 12937: v عبد الرزاق عن الن عيينة عن أبي أنعم عن راشد بن الحارث عن ابن المسيّب أن النبي ص قال في أم الولد: أعتقها ولدها، فتعتدّ عدة الحرة.
18. Ibn Mādja (gest. 887),ʿItq, 2:‎ ‎حدثنا أحمد بن يوسف حدثنا أبو عاصم حدثنا أبو بكر يعني النهشلي عن الحسين بن عبد الله عن عكرمة عن ابن عباس قال: ذكرت أم إبراهيم عند رسول الله ص فقال: أعتقها ولدها.
19. Om te zien of zij niet zwanger is. Eenzelfde wachttijd is vereist wanneer een vrouw verstoten wordt.
20. Al-Ṭabarī, Ta’rīkh i, 1528, 1591, 1781.

Terug naar Hadith: startpunt     Terug naar Inhoud

Woordenboeken, gesproken Arabische talen/dialecten

Van de dialectwoordenboeken noem ik er maar twee. De rest is knudde, voor zover ik weet. Graag aanvullingen uwerzijds, maar ik neem alleen echt goede woordenboeken op.

  • Roel Otten en Jan Hoogland, Basiswoordenboek van het Marokkaans Arabisch. Marokkaans/Nederlands, Nederlands/Marokkaans, Muiderberg 1983. [Klein maar fijn; 8+934 smalle bladzijden. Past in de mouw van uw boernoes.]
  • El-Said Badawi & Martin Hinds, A Dictionary of Egyptian Arabic, Beirut 1986. [alleen Egyptisch-Engels]

Terug naar Inhoud