Ka‘ba verwoest, Koran verdwenen, Islam opgeheven

(Wird auch auf Deutsch erscheinen)

Kort voor de Jongste Dag, binnenkort dus, zullen er zowel volgens christelijke als islamitische overleveringen angstaanjagende creaturen verschijnen die de mensheid het leven schier ondraaglijk maken en weedom verbreiden over het aardrijk. Bij de christenen is de hoofdfiguur de Antichrist, bij de moslims de dadjdjāl, ook een soort Antichrist.1 Maar moslims kennen ook nog andere eindtijdfiguren: de Qahtānī, de Sufyānī en Dhū al-Suwayqatayn. Bovendien breken er twee gewelddadige volken los: Gog en Magog (Arabisch: Yādjūdj en Mādjūdj), en een beest uit de aarde, en er doen zich rampzalige natuurverschijnselen voor. Volgens beide religies wordt aan alle ellende een eind gemaakt door de wederkomende, triomferende Jezus, en in de islam ook nog door de Mahdī. Oude voorzeggingen, die in perioden van rust en welvaart niemand interesseren, maar in moeilijke tijden steeds weer mensen meeslepen.
De minst bekende islamitische eindtijdfiguur is misschien Dhū al-Suwayqatayn, ‘hij met de dunne benen,’ die de Ka‘ba zal vernielen. Hier volgen twee hadithen over hem, overgeleverd door Bukhāri (810–870) resp. Aḥmad ibn Hanbal (780–855):

  • Van ‘Abdallāh ibn ‘Umar: Ik heb de profeet horen zeggen: De Ka‘ba wordt gesloopt door Dhū al-Suwayqatayn uit Ethiopië, die haar van haar sieraad (hilya)2 berooft en het kleed (kiswa) eraf trekt. Het is alsof ik hem voor mij zie: een kaalhoofdig, krombenig mannetje; hij slaat erop met zijn schop en zijn pikhouweel.3
  • In een hadith van Hudhayfa [ibn al-Yaman] heet het: Het is alsof ik een Ethiopiër voor me zie, met rode benen en blauwe ogen, met een platgedrukte neus en een dikke buik. Hij heeft zijn voeten parallel op de Kaʿba gezet; hij en een stel kompanen van hem slopen haar steen voor steen en geven elkaar de stenen door, die zij tenslotte in zee gooien.4

Een rare vent is het: rode benen en blauwe ogen waren vanouds in Ethiopië zeldzaam en dikke buiken ook. Maar Ethiopisch staat in de hadith meestal voor ‘christelijk’.5 Het gevaar voor de Kaʿba komt uit christelijke hoek. Volgens een beroemd verhaal probeerde in de pre-islamitische tijd Abraha, de Ethiopische heerser van Jemen, met zijn krijgsolifant Mekka te veroveren. Dat is door goddelijk ingrijpen mislukt, maar aan het einde der tijden krijgen zij de kans om te doen wat zij blijkbaar altijd al wilden: de Ka‘ba slopen.

Hoe zit dat met die naam? Dhū al-suwayqatayn betekent letterlijk ‘hij met de kleine (onder)benen’. Een aantal Arabieren die ik het woord heb voorgelegd dacht daarbij spontaan aan wat ik zelf ook dacht: ‘korte beentjes’. De commentator al-Nawawī (1234–77) is echter van mening dat het dunne benen betreft. Hij voegt eraan toe: ‘Van de zwarten is bekend dat zij dunne benen hebben’. Dat kunnen we beamen, voor zover het de oorspronkelijke bewoners van Noordoost-­Afrika betreft, die inderdaad vaak lang en rank van gestalte zijn. En de oude Arabische poëzie bewijst dat hij gelijk heeft.

Enige duidelijkheid bracht mij namelijk de lectuur van een werk van Manfred Ullmann.6 Der Neger in der Bildersprache der arabischen Dichter, Wiesbaden 1998. Ullmann heeft honderden oude Arabische verzen verzameld waarin een ding, een dier of een mens met een Ethiopiër of een andere zwarte mens wordt vergeleken. In 23 poëziefragmenten wordt een struisvogel met een Ethiopiër of een Indiër vergeleken (blz. 30–44). Het tertium comparationis is meestal het zwarte van de huid, resp. de vleugels en de dekveren, maar het kunnen ook de benen/poten zijn.
Ullmann citeert op blz. 30 een fragment van de pre-islamitische dichter Ṣalā’a ibn ‘Amr, ook genaamd al-Afwah al-Awdī (gest. 570?). In vertaling luidt het::

  • ‘Een [struisvogelmannetje] met roodgekleurde poten […] Hij lijkt op een zwarte Ethiopiër met dunne benen, die achterna wordt gelopen door zwarte, onverstaanbaar brabbelende [kinderen] met ringen in hun oren.’ 

De hadith van Hudhayfa ibn al-Yamān wordt na lezing van dat vers een stuk begrijpelijker: de verteller wilde een Ethiopiër beschrijven, maar toen schoot hem de uit de poëzie bekende vergelijking met een struisvogel te binnen, zwart en met rode poten en toen sloeg hij op hol. Zowel struisvogels als Ethiopiërs zijn bekend om hun dunne benen/poten. En van sommige struisvogelsoorten worden gedurende de balts de poten inderdaad rood! De ‘dikke buik’ komt natuurlijk overeen met de dikke, donkere prop van het lichaam van de struisvogel, dat met zijn dunne poten en nek contrasteert. In de hadith wordt niet de vogel met een Ethiopiër vergeleken, zoals in de poëzie, maar juist omgekeerd.

Over zijn blauwe ogen is ook iets te zeggen. Dat is hierboven domweg een foute vertaling van mij, die zonder twijfel door vele tijdgenoten ook gemaakt zal worden. Azraq betekent tegenwoordig ‘blauw’, maar bij kleuren in oude teksten is het aan te bevelen de grote studie van Wolfdietrich Fischer daarover te raadplegen.7 Ullmann und Fischer hebben allebei monumentale bijdragen tot de kennis van het oude Arabisch geleverd, die door moderne arabisten helaas te weinig opgeslagen worden. Over azraq heeft Fischer maar liefst acht bladzijden (blz. 47–55)! Daaruit blijkt al spoedig, dat de ogen van het mannetje helemaal niet blauw zijn. In het oude Arabisch betekende azraq zoiets als ‘van kleur wisselend, glinsterend, changeant’. Denkt u aan de flikkerende ogen van een roofdier. En deze vervaarlijk flikkerende ogen heeft de verteller geleend van een andere eindtijdfiguur, de dadjdjāl (± Antichrist), die net zulke heeft.  

In de eerste hierboven geciteerde hadith is Dhū al-Suwayqatayn ‘kaalhoofdig, krombenig’. Daarmee kan ik (nog) niet veel beginnen. Misschien wil er alleen mee gezegd zijn dat hij uitgesproken lelijk is?

De Ka‘ba wordt dus verwoest, maar het wordt nog erger: ook de koran zal in de Eindtijd niet meer bestaan, volgens een hadith die bij al-Dārimī (797–869) bewaard gebleven is:

  • Van Abdallah ibn Mas‘ūd: ‘Reciteert de koran dikwijls, voordat hij wordt weggenomen.’ Men zei: ‘Deze boeken zullen dus worden weggenomen. Maar hoe is het met hetgeen in de harten van de mensen is [— d.w.z uit het hoofd geleerd]?’ Hij antwoordde: Op een nacht zal iets het komen wegnemen, en ’s morgens zullen ze daarzonder wakker worden. Zelfs de zin “Er is geen God dan Allah” zullen ze vergeten en ze zullen de gezegden en de gedichten uit de heidentijd weer gaan reciteren. Dat is als het vonnis over hen gewezen wordt (Koran 27:82).“8

Waarom werden zulke teksten verteld? Blijkbaar om de gelovigen ertoe aan te sporen, hun geloof te onderhouden: de bedevaart te maken en de koran te reciteren zolang het nog kan. Het oordeel is immers ophanden! Maar desgewenst kan men er ook troost uit putten: hoe vreselijk de tijden ook mogen zijn, de Ka‘ba en de koran zijn nu nog aanwezig.

NOTEN
1. Ontleend aan Bijbel, Mattheüs 24:24. In de Syrische vertaling: mesīḥē daggālē, ‘valse messiassen’. Ook in het Arabisch komt de woordcombinatie al-masīḥ al-dadjdjāl vaak voor. Te onderscheiden zijn: de ‘gewone’ dadjdjāl, de op een eiland in het Westen vastgebonden daddjāl, en Ibn Ṣayyād. Over de laatste zie Wim Raven, ‘Ibn Ṣayyād as an Islamic “Antichrist”. A reappraisal of the texts,’ in Wolfram Brandes en Felicitas Schmieder (uitg.), Endzeiten. Eschatologie in den monotheistischen Weltreligionen, Berlin 2008, blz. 261–291; hier te downloaden. Over andere dadjdjāl-varianten zie David Cook, Studies in Muslim Apocalyptic, Princeton (NJ) 2002.
2. Tekstvariant: ‘haar schat (kanz)’. Wat daaronder te verstaan moet worden is onduidelijk. De Ka‘ba is tegenwoordig leeg.
3. Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad ii, 220:

حدثنا عبد الله حدثني‮ ‬أبي‮ ‬ثنا أحمد بن عبد الملك وهو الحراني‮ ‬ثنا محمد بن سلمة عم محمد بن إسحق عن ابن أبي‮ ‬نجيح عن مجاهد عن عبد الله‮ ‬بن عمر،‮ ‬وقال سمعت‮ ‬رسول الله ص يقول‭:‬‮ ‬يخرب الكعبة ذو السويقتين من الحبشة‮ ‬ويسلبها حليتها،‮ ‬ويجرّدها من كسوتها،‮ ‬ولكأني‮ ‬أنظر إليه أصيلع أفيدع‮ ‬يضرب عليها بمسحاته ومعوله‮.

4.  Al-Qasṭallānī, Irshād al-Sarī fī Sharḥ al-Bukhārī, dl. iii, Bulaaq 1304, p. 161:

كأني‮ ‬أنظر إلى حبشي‮ ‬أحمر الساقين‮ ‬،‮ ‬أزرق العينين،‮ ‬أفطس الأنف،‮ ‬كبير البطن‮ ‬،‮ ‬وقد صف قدميه على الكعبة هو وأصحاب له‮ ‬ينقضونها حجرا حجرا‮ ‬ويتداولونها حتى‮ ‬يطرحوها في‮ ‬البحر‮.

‬5. Zie Wim Raven, ‘Some early Islamic texts on the negus of Abyssinia,’ JSS 33 (1988), 197–218, vooral blz. 216–18; hier te downloaden.
6. Manfred Ullmann, Der Neger in der Bildersprache der arabischen Dichter, Wiesbaden 1998.
7. Wolfdietrich Fischer, Farb- und Formbezeichnungen in der Sprache der altarabischen Dichtung, Wiesbaden 1965.
8. Al-Dārimī, Sunan, Faḍā’il al-Qur‘ān 4:

عَبْدِ اللَّهِ بن مسعود قَالَ : ” أَكْثِرُوا تِلاوَةَ الْقُرْآنِ قَبْلَ أَنْ يُرْفَعَ ” قَالُوا : هَذِهِ الْمَصَاحِفُ تُرْفَعُ ! فَكَيْفَ بِمَا فِي صُدُورِ الرِّجَالِ ؟ قَالَ : ” يُسْرَى عَلَيْهِ لَيْلا فَيُصْبِحُونَ مِنْهُ فُقَرَاءَ ، وَيَنْسَوْنَ قَوْلَ لا إِلَهَ إِلا اللَّهُ ، وَيَقَعُونَ فِي قَوْلِ الْجَاهِلِيَّةِ وَأَشْعَارِهِمْ ، وَذَلِكَ حِينَ يَقَعُ عَلَيْهِمْ الْقَوْلُ “

Diakritische tekens: Qaḥtānī, Aḥmad, Ḥanbal, ḥilya, Ḥudhayfa,

Terug naar Hadith: startpunt          Terug naar Inhoud

De dadjdjaal op het eiland (vertaalde hadith)

[…] van Fātima bint Qays, de zuster van al-Dahhāk ibn Qays, een vrouw van de eerste Emigranten: […] Ik hoorde de roeper van de profeet omroepen dat het tijd was voor het gezamenlijk gebed. Dus ging ik naar de moskee en verrichtte het gebed met de profeet, in de eerste vrouwenrij achter de mannen. Toen de profeet zijn gebed had beëindigd ging hij lachend op de preekstoel zitten en zei: Laat iedereen nog op zijn plek blijven zitten! Vervolgens zei hij:
– Weten jullie waarom ik jullie bijeen heb gehouden?
– Dat weten God en zijn gezant het beste, zeiden ze.
– Ik heb jullie niet hier gehouden, zei hij, om jullie te vermanen of schrik aan te jagen, maar omdat Tamīm al-Dārī, een christen die moslim is geworden, mij iets heeft verteld dat overeenstemt met wat ik jullie verteld heb over de masīh al-dadjdjāl.1
.
Hij vertelde dat hij zich met dertig man uit de Banū Lakhm en de Banū Djudhām had ingescheept en zij een maand lang op zee een speelbal van de golven waren. Toen waren ze voor anker gegaan op een eiland in de richting waar de zon ondergaat, en ze waren met een sloep op dat eiland aan wal gegaan. Daar kwamen ze een harig beest tegen, zo zwaar behaard dat ze zijn voorkant niet van de achterkant konden onderscheiden.
– O wee, wat ben jij voor iets? vroegen ze.
– Ik ben de djassāsa, antwoordde het dier, waarop zij vroegen wat dat was.
– Mensen, zei het beest, jullie moeten naar die man in het klooster gaan, want hij verlangt er erg naar, bepaalde zaken van jullie te horen.
Toen hij een van ons bij name noemde werden we bang dat het een duivelin was. We haasten ons dus naar dat klooster en vonden daar de grootste man die we ooit gezien hadden, met zijn handen geboeid in zijn nek en ijzeren boeien tussen zijn onderbenen tot aan zijn enkels.
– O wee, wie bent u?
– Van mij zouden jullie vlug genoeg gehoord hebben, maar vertel eens, wie zijn jullie?
– Wij zijn Arabieren, wij zijn aan boord van een schip gegaan, maar wij troffen een zeer onstuimige zee en bleven een maand lang een speelbal van de golven. Toen wierpen wij het anker bij uw eiland, we gingen in de sloep en gingen op het eiland aan wal, waar wij een harig beest ontmoetten, met zo veel haar dat de voorkant niet van de achterkant te onderscheiden was.
– O wee, wat ben jij voor iets? vroegen we.
– Ik ben de djassāsa, zei het beest, waarop wij vroegen wat dat was.
– Jullie moeten je naar die man in het klooster begeven, zei het, want hij verlangt er erg naar, bepaalde zaken van jullie te horen.
We haastten ons dus naar u toe want we waren bang voor dat beest en waren niet zeker dat het geen duivelin was.
[De geboeide man] zei:
– Vertel me over de dadelpalmen van Baysān.
– Wat wilt u precies weten?
– Ik vraag jullie of die bomen vrucht dragen of niet.
– Ja, zeiden we. Daarop vroeg hij:
– Ik denk dat ze binnenkort geen vrucht meer zullen dragen. Vervolgens zei hij:
-Vertel me over het meer van Tiberias.
– Wat wilt u precies weten?
– Staat er water in?
– Er staat heel veel water in. Daarop zei hij:
– Weldra zal het droogvallen. Vervolgens zei hij:
– Vertel me over de bron Zughar.
– Wat wilt u precies weten?
– Staat er water in, waarmee de bewoners hun land bevloeien?
– Ja, zeiden we, er staat veel water in en de bewoners bevloeien daarmee hun land. Vervolgens zei hij:
– Vertel me over de profeet der heidenen;2 wat heeft hij gedaan?
– Hij heeft Mekka verlaten en heeft zich in Yathrib [=Medina] gevestigd.
– Hebben de Arabieren hem bevochten?
– Ja.
– Wat heeft hij met hen gedaan?
Daarop vertelden wij hem, dat hij over de aangrenzende Arabieren de overwinning had behaald en zij hem gehoorzaamden.
– Is dat echt [al] gebeurd?
– Ja.
– Dat is beter voor hen, dat zij hem gehoorzamen. Nu zal ik iets over mijzelf vertellen. Ik ben de Messias (masīh);1 mij zal weldra worden toegestaan uit te breken, dus ik zal uitbreken en door het land reizen, en er zal geen stad zijn waar ik niet veertig dagen vertoef, behalve Mekka en Ṭayba, want die beide zijn mij verboden. Telkens als ik een van die twee wil betreden, komt een engel mij met getrokken zwaard tegemoet en verspert mij de weg; iedere andere doorgang wordt door engelen bewaakt.
.
Toen zei de profeet, terwijl hij met zijn stok op de preekstoel sloeg: Het is Ṭayba, het is Ṭayba, het is Ṭayba—dat wil zeggen Medina—had ik het jullie niet verteld?
– Ja, zeiden de mensen.
– Mij bevalt het verhaal van Tamīm, vervolgde de profeet, omdat het overeenstemt met wat ik jullie over [de dadjdjāl] en over Mekka en Medina verteld heb. Kijk, hij is in de Syrische Zee of in de Jemenitische Zee.3 Nee, toch niet: hij is in het Oosten, in het Oosten, in het Oosten! en hij gebaarde in de richting van het Oosten.
.
[Fātima bint Qays] zei: Dit verhaal heb ik van de profeet onthouden.4

—————————–
Tot zover de vertaling van dit wonderlijke verhaal. Weggelaten heb ik een groot stuk vooraf, waar de overleveraarster Fātima bint Qays over haar persoonlijke zaken spreekt. Op dit moment kan ik niet overzien in hoeverre dat invloed zou hebben op de interpretatie. Er zijn overigens ook tekstvarianten die meteen ter zake komen.
De stammen Lakhm en Djudhām zijn christelijke stammen; ook de verteller Tamīm was tot voor kort nog christen; bovendien is er sprake van een klooster. Maar verwantschap met wat voor christelijk verhaal dan ook is nog niet ontdekt.
De vraag wat de djassāsa is blijft in het verhaal nadrukkelijk onbeantwoord. Ook ik heb geen antwoord gevonden; een blik in het Syrische woordenboek heeft niets opgeleverd. Natuurlijk kunnen we aan het apokalyptische beest denken, dat volgens de christelijke overlevering uit de zee opkomt,5 en volgens de islamitische overlevering uit de aarde.6 Maar dat beest geldt niet als bijzonder behaard.
De zeevarenden zouden de dadjdjāl hebben ontmoet kort nadat de profeet zich in Medina had gevestigd. Zeer binnenkort zou hij uit zijn boeien bevrijd worden en op de wereld losgelaten worden. De komst van de dadjdjāl is dus ophanden; christelijke theologen spreken in zo’n geval van Näheerwartung. Het einde der tijden wordt niet in een verre toekomst verwacht, maar nu, binnenkort.
David Cook wijst erop dat de plaatsen waarnaar de dadjdjāl informeert (Baysān, Tiberias en Zughar) alle in Noord-Palestina resp. Zuid-Syrië liggen, en dat de vragen betrekking hebben op de waterstand. Cook vermoedt daarom, dat het verhaal ontstaan kan zijn na een rampzalige droogte in dat gebied, zoals er bij voorbeeld een was in het jaar 747. Dat bij het ontstaan van de voorspellende vertelling de voorspelde droogte al achter de rug was heeft men niet storend gevonden. Apocalyptische voorspellingen zijn immers altijd recyclebaar. Denkt u maar aan de mensen die op grond van de Maya-kalender geloofden dat op 21 december 2012 de wereld zou vergaan. Als de wereld dan toch niet vergaat wordt er doodleuk een nieuwe datum geprikt of ‘gevonden’. Echte apocalyptici laten zich niet tegenhouden.

NOTEN
1. Het woord dadjdjāl is ontleend aan de Syrische vertaling van de Bijbel, Matthaeus 24:24: mesīḥē daggālē, ‘valse messiassen’. Ook in het Arabisch komt de woordcombinatie al-masīh al-dadjdjāl vaak voor.
Er zijn drie dadjdjāl-overleveringen te onderscheiden: de ‘klassieke’ dadjdjāl, de op een eiland in het Westen vastgebonden daddjāl, die hier wordt behandeld, en Ibn Ṣayyād.
Over alle dadjdjāl-varianten zie David Cook, Studies in Muslim Apocalyptic, Princeton (NJ) 2002; over de onderhavige zie aldaar 117–120.
Over Ibn Sayyād zie ook Wim Raven, ‘Ibn Sayyād as an Islamic “Antichrist”. A reappraisal of the texts,’ in Wolfram Brandes en Felicitas Schmieder (uitg.), Endzeiten. Eschatologie in den monotheistischen Weltreligionen, Berlin 2008, blz. 261–291; hier te downloaden.
2. Traditionele moslims zullen waarschijnlijk willen vertalen: ‘de profeet der ongeletterden’, maar dat betekent niet zo veel. Hier is ummī misschien nog ἐθνικός, gentilis, niet-joods; dus ‘de profeet der heidenen,’ zoals Paulus de apostel der heidenen was.
3. De Middellandse Zee resp. de Rode Zee.
4. Muslim, Sahīh, Fitan 119 (2942):

حدثنا عبد الوارث بن عبد الصمد بن عبد الوارث وحجاج بن الشاعر كلاهما عن عبد الصمد (واللفظ لعبد الوارث بن عبد الصمد) حدثنا أبي عن جدي عن الحسين بن ذكوان حدثنا ابن بريدة حدثني عامر بن شراحيل الشعبي شعب همدان أنه سأل فاطمة بنت قيس أخت الضحاك بن قيس وكانت من المهاجرات الأول […] سمعت نداء المنادي منادي رسول الله ص ينادي الصلاة جامعة. فخرجت إلى المسجد فصليت مع رسول الله ص فكنت في صف النساء التي تلي ظهور القوم. فلما قضى رسول الله ص صلاته جلس على المنبر وهو يضحك فقال ليلزم كل إنسان مصلاه. ثم قال أتدرون لم جمعتكم قالوا الله ورسوله أعلم قال إني والله ما جمعتكم لرغبة ولا لرهبة ولكن جمعتكم لأن تميما الداري كان رجلا نصرانيا فجاء فبايع وأسلم وحدثني حديثا وافق الذي كنت أحدثكم عن مسيح الدجال حدثني أنه ركب في سفينة بحرية مع ثلاثين رجلا من لخم وجذام فلعب بهم الموج شهرا في البحر. ثم أرفئوا إلى جزيرة في البحر حتى مغرب الشمس فجلسوا في أقرب السفينة فدخلوا الجزيرة فلقيتهم دابة أهلب كثير الشعر لا يدرون ما قبله من دبره من كثرة الشعر. فقالوا ويلك ما أنت فقالت أنا الجساسة قالوا وما الجساسة قالت: ”أيها القوم انطلقوا إلى هذا الرجل في الدير فإنه إلى خبركم بالأشواق. قال لما سمت لنا رجلا فرقنا منها أن تكون شيطانة. قال فانطلقنا سراعا حتى دخلنا الدير فإذا فيه أعظم إنسان رأيناه قط خلقا وأشده وثاقا مجموعة يداه إلى عنقه ما بين ركبتيه إلى كعبيه بالحديد. قلنا ويلك ما أنت قال قد قدرتم على خبري فأخبروني ما أنتم قالوا نحن أناس من العرب ركبنا في سفينة بحرية فصادفنا البحر حين اغتلم فلعب بنا الموج شهرا ثم أرفأنا إلى جزيرتك هذه فجلسنا في أقربها فدخلنا الجزيرة فلقيتنا دابة أهلب كثير الشعر لا يدرى ما قبله من دبره من كثرة الشعر فقلنا ويلك ما أنت. فقالت أنا الجساسة قلنا وما الجساسة قالت اعمدوا إلى هذا الرجل في الدير فإنه إلى خبركم بالأشواق فأقبلنا إليك سراعا وفزعنا منها ولم نأمن أن تكون شيطانة. فقال أخبِروني عن نخل بيسان. قلنا عن أي شأنها تستخبر قال أسألكم عن نخلها هل يثمر؟ قلنا له: نعم قال أما إنه يوشك أن لا تثمر. قال: أخبِروني عن بحيرة الطبرية. قلنا عن أي شأنها تستخبر قال هل فيها ماء؟ قالوا هي كثيرة الماء قال أما إن ماءها يوشك أن يذهب. قال أخبروني عن عين زُغَرَ. قالوا عن أي شأنها تستخبر؟ قال هل في العين ماء وهل يزرع أهلها بماء العين؟ قلنا له: نعم هي كثيرة الماء وأهلها يزرعون من مائها قال أخبروني عن نبي الأميين ما فعل قالوا قد خرج من مكة ونزل يثرب قال: أَقاتله العرب؟ قلنا: نعم. قال كيف صنع بهم فأخبرناه أنه قد ظهر على من يليه من العرب وأطاعوه قال لهم قد كان ذلك قلنا نعم قال أما إن ذاك خير لهم أن يطيعوه وإني مخبركم عني إني أنا المسيح وإني أوشك أن يؤذن لي في الخروج فأخرج فأسير في الأرض فلا أدع قرية إلا هبطتها في أربعين ليلة غير مكة وطيبة فهما محرمتان علي كلتاهما كلما أردت أن أدخل واحدة أو واحدا منهما استقبلني ملك بيده السيف صلتا يصدني عنها وإن على كل نقب منها ملائكة يحرسونها قالت قال رسول الله ص وطعن بمخصرته في المنبر هذه طيبة هذه طيبة هذه طيبة يعني المدينة ألا هل كنت حدثتكم ذلك. فقال الناس: نعم. فإنه أعجبني حديث تميم أنه وافق الذي كنت أُحدّثكم عنه وعن المدينة ومكة أَلاَ إنه في بحر الشأم أو بحر اليمن، لا بل من قِبل المشرق، ما هو من قبل المشرق ما هو من قبل المشرق ما هو وأومأ بيده إلى المشرق.
قالت: فحفِظت هذا من رسول الله ص.

5. Bijbel, Openbaring 13:1.
6. Koran 27:82: دابة من الأرض .

Diacritische tekens en tags: Tamim al-Dari Tamim ad-Dari Dajjal  ad-dajjal  Deccal Djassasa Jassasa Masīḥ, al masih al dajjal, Faṭima, al-Ḍaḥḥāk, Ṭayba, mesīḥē daggālē, Ibn Ṣayyād, Ṣaḥīḥ

Terug naar Hadith: startpunt     Terug naar Inhoud

Turken

Hier geen volkenkundige verhandeling over of geschiedenis van. Alleen enkele verwijzingen naar de Turken in het grijze verleden, met de Arabieren in het achterhoofd.

1. Oudheid: In het Oost-Romeinse Rijk was de naam Turken (Τοῦρκοι) al bekend en verwees naar volkeren in Centraal-Azië. Dat is een reusachtig gebied, dat in de preïndustriële tijd voornamelijk werd bewoond door ruiternomaden en hun paarden. Van oudsher kwamen er golven migranten uit dat gebied naar de door boeren bewoonde wereld: naar Europa, maar ook naar India en China: Hunnen, Chazaren, Magyaren, Turken en Mongolen, en waarschijnlijk vergeet ik er nog een stel. De Lebensraum, die ons onafzienbaar voorkomt was voor de bewoners blijkbaar niet voldoende. Of ze hadden gewoon zin in the high life.
In de Wolga-delta zaten in ieder geval al vroeg Turken. Er schijnen ook oude Griekse bronnen te zijn volgens welke er in de Kaukasus woonden, ongeveer in het huidige Armenië. Bij de historici Priskos en Prokopios moet er wat te vinden zijn. Dit soort uitstapjes buiten mijn eigen vak is moeilijk en tijdrovend; dat kan dus nog wat duren.
Het gebied ten Noorden van de Kaukasus had in de Oudheid in ieder geval een slechte naam. Men geloofde dat de wilde volkeren Gog en Magog (Yādjūdj en Mādjūdj)1 daar woonden. De ‘man met de horens’ (Alexander de Grote?) heeft volgens de koran een dam gebouwd waarachter deze kwaadwillige volken veilig waren opgeborgen. Te denken is misschien aan de vier meter dikke en achttien meter hoge muur van de stad Derbent, die op een landengte in Zuid-Dagestan ligt. In de Eindtijd, kort voor de Jongste Dag, verwacht men dat de Yādjūdj en Mādjūdj van achter die dam uitbreken. Er waren koranexegeten die hen tot de Turken rekenden.Waarschijnlijk hebben de preïslamitische Arabieren op het schiereiland nauwelijks Turken te zien gekregen. In de door Arabieren bewoonde delen van Syrië kunnen er best een paar zijn langsgekomen, maar dat heeft niet tot historische ontmoetingen geleid.

2. Vroege islam. Toen de Arabieren Perzië hadden veroverd leerden zij aan de (noord-)oostgrens van het rijk zeker ook Turken kennen. Dezen moeten een krijgshaftige en bedreigende indruk hebben gemaakt, zoals een aan de profeet toegeschreven hadith ons duidelijk maakt, in twee versies:

  • … van Abū Hurayra, dat de profeet hem verteld heeft: ‘De Jongste Dag zal niet aanbreken, voordat jullie tegen mensen gevochten hebben, wier schoenen uit haar bestaan. En de Jongste Dag zal niet aanbreken, voordat jullie tegen mensen gevochten hebben met kleine ogen en korte neuzen.’ 3
  • … van Abū Hurayra: De profeet heeft gezegd: ‘De Jongste Dag zal niet aanbreken, voordat de moslims tegen de Turken gevochten hebben, mensen wier gezichten eruit zien als dubbel genaaide leren schilden, die haren kleding dragen en op haren schoenen lopen.’ 4

Turkse ruiter3. Huursoldaten. Afgezien van Turkse migranten en  krijgsgevangenen uit het Oosten kwamen de eerste Turken naar Baghdad omdat de eerste Abbasidische kaliefen behoefte hadden aan soldaten als lijfwacht en voor de kalifale garde. Ze hebben Turkse huurlingen in dienst genomen, ten eerste omdat de Turken de naam hadden uitstekende soldaten te zijn—ze konden bij voorbeeld vanaf een galopperend paard trefzeker pijlen afschieten, ook naar achteren!—, ten tweede omdat deze vreemdelingen geen wortels in Irak hadden, zodat zij (althans aanvankelijk) weinig vatbaar waren voor ‘verkeerde’ loyaliteiten, kliekvorming en corruptie. Kalief al-Mu‘tasim (833–842) ging veel verder: hij importeerde 25.000 tot 30.000 man, en weldra bestond het hele leger alleen nog uit ‘Turken’ (d.w.z. migranten uit Centraal-Azië, waarvan ongeveer de helft een Turkse taal sprak). Islamitische staten hebben nog tot in de negentiende eeuw slaven, soldaten en soms zelfs heersers van ver gehaald: Mamelukken, Janitsaren enzovoort.
Al-Djāhiz (781–868) schrijft over hen:

  • Een Khāridjiet vertrouwt in de aanval vooral op zijn lans. De Turken beheersen die net zo goed, maar als er duizend Turkse ruiters aanvallen en ieder één pijl afschieten maaien zij duizend ruiters neer. Tegen dit soort aanvallen vermag  geen leger stand te houden.
    Khāridjieten en bedoeïenen hebben geen noemenswaardig talent om vanaf de rug van een paard pijlen af te schieten. Maar een Turk kan zo een stuk wild of een vogel raken, een schietschijf, een mens, een liggend dier of een opstaande grenssteen. Hij hitst zijn rijdier op voorwaarts en achterwaarts, naar links en naar rechts, bergop en bergaf en hij schiet tien pijlen af voordat een Khāridjiet ook maar één pijl aanlegt. Bij het afdalen van een heuvel  of in de diepte van een rivierdal zet hij zijn rijdier tot een snellere galop aan dan een Khāridjiet op een vlak stuk land. Een Turk heeft vier ogen: twee in zijn gezicht en twee in zijn nek.5
  • Zo zijn de Turken tentnomaden, steppenbewoners en herders van kudden; zij zijn de bedoeïenen van de niet-Arabieren […]. Met handvaardigheid of handel, geneeskunst, akkerbouw of geometrie houden zij zich niet bezig, evenmin als met bomen planten, bouwen, kanalen aanleggen en belasting heffen. Ze hebben geen ander streven dan plunderen en roven, jagen en paardrijden, vechten tegen kampioenen, zoeken naar buit en onderwerpen van vreemde landen.6

4. Migranten. Vanaf ± 1000 kwam er echter ook een grote, spontane volksverhuizing op gang; vanaf ± 800 had het al gedruppeld. Er kwamen steeds meer Turken; hele stammen trokken naar het Westen. Ik noem hier slechts de Seldsjoeken (Selçuklular, Saldjūq), die omstreeks 960 tot de islam overgingen, in 1055 Baghdad veroverden en in 1071 bij Manzikert (Malazgirt) een beslissende slag met het Oost-Romeinse Rijk leverden. Daarna lag het binnenland van Klein-Azië voor hen open. Konya, hun hoofdstad in Klein-Azië, kwam tot aanzienlijke bloei. Na een eeuw van sjiïetische machtsontplooing (Būyiden, Fatimiden) vertegenwoordigden de Seldsjoeken een stoere soennitische islam van hanafitische kleuring. Veel Turkse stammen struinden aanvankelijk nog als nomaden door Klein-Azië en lieten zich bij voorbeeld door het passerende leger van de Kruisvaarders (1097) nog tamelijk verrassen. Bij de Tweede Kruistocht waren zij al beter georganiseerd en hebben zij zich verdedigd. Maar het beeld van golven ‘woeste nomaden’ die naar het Westen kwamen is veel te eenzijdig. Er kwamen nomaden, zeker, maar de Seldsjoeken brachten ook herstel en nieuw leven in het nogal versleten Abbasidische rijk, in Irak en in Syrië: infrastructuur, geldstelsel, staatsinrichting, stedenbouw e.v.a. Kennis van de urbane cultuur en van staatsinrichting hadden zij opgedaan in het eveneens Turkse rijk der Ghaznawiden in en om het huidige Afghanistan (977–1186)
Na de Seldsjoeken kwamen de Turkse Ottomanen of Osmanen: Constantinopel viel in 1453. Daarvoor hadden zij al de Balkan veroverd, waarvan delen nog tot in de twintigste eeuw Ottomaans bleven.

5. Ottomanen. Het Ottomaanse Rijk was tot ± 1700 een zeer sterke, moderne, ook Europa bedreigende militaire macht. Daarna werd het geleidelijk zwakker—en daardoor cultureel aantrekkelijker—tot het eindigde als de ‘zieke man van Europa’. Omstreeks 1500 had het Ottomaanse Rijk het modernste rechtsstelsel van Europa – en dat was niet de Sharia.
De Turken hadden ook de Arabische wereld veroverd, met uitzondering van Marokko. In 1517 maakte zij een eind aan de heerschappij van de Mamelukken in Egypte. Voortaan woonden dus de meeste Arabieren in het Ottomaanse Rijk, en dat heeft tot na de Eerste Wereldoorlog geduurd. Ottomaans-Turks was nu de taal van de macht en het prestige geworden, terwijl het Arabisch werd teruggedreven naar de gebieden van godsdienst, handel en het leven van alledag. De beste schrijvers, geleerden en vaklui werden vanuit Cairo naar İstanbul overgebracht; anderen gingen vrijwillig, want de carrièrekansen lagen in de nieuwe hoofdstad.
Hebben de Arabieren onder de Turken geleden, zich onderworpen gevoeld? Ik weet het niet, ik zou denken: tot diep in de negentiende eeuw niet. Het nationalisme en de vrijheidsdrang van bij voorbeeld de Grieken, die zich in 1822 afscheidden, was nog niet in het Midden-Oosten aangekomen. Een beetje rancune vond ik wel bij ‘Alī Mubārak, later ‘Alī Pāshā Mubārak (1823–1893), een Egyptische jongen die in 1844 aan een militaire academie in Frankrijk mocht gaan studeren. Zijn medestudenten uit Egypte waren allemaal Turkstalig, kregen veel meer zakgeld en waren vaak nogal dom; ze hadden die beurs alleen maar gekregen omdat zij uit de bovenlaag kwamen. Een mengsel van etnische en standendiscriminatie dus.6 Vanaf 1850 geraakten zowel Turken als Arabieren volop besmet met het virus van het nationalisme. Sindsdien voelden de Arabieren zich minder thuis in het Ottomaanse Rijk en begonnen te mokken en in opstand te komen, terwijl de Turken hunnerzijds arroganter werden. In de tweede helft van de negentiende eeuw emigreerden veel Arabische intellectuelen uit het nog Ottomaanse Syrië naar Egypte, dat onafhankelijker was. In 1920 waren de Arabieren van de Turken ‘bevrijd’.
De Arabische cultuur, die eeuwenlang op het tweede plan stond, begon omstreeks 1850 aan de zogenaamde nahda (‘renaissance’). Weer aan te knopen bij de eigen Hochkultur van vroeger bleek na zoveel eeuwen niet gemakkelijk. De meer volkse cultuuruitingen, inclusief de poëzie, waren wel gewoon doorgegaan.
Tegenwoordig spreken de Arabieren soms (net als overigens de Grieken) over de Turkse bezetting, en daarmee bedoelen ze niets goeds. Bij vier eeuwen Turkse aanwezigheid is ‘bezetting’ echter niet het juiste woord. En toen het Ottomaanse Rijk en het kalifaat werden opgeheven bleken veel Arabieren het toch te missen en er erg aan gehecht te zijn. En huwa aslu turki, ‘hij is van Turkse komaf’ wees in Egypte tot voor kort op prestige; zo werd de oude elite aangeduid, ook wel aristūqrātīya genoemd. Die elite sprak Turks en Frans en luisterde nog heel lang via een eigen radiozender naar Ottomaanse schlagers en klassieke muziek. Zij zal nu wel uitgestorven zijn, of alleen nog maar Frans spreken. Nagieb Mahfoez heeft in zijn roman al-Qāhira al-djadīda (1945; vert. Nieuw Cairo, 1998) een prinses voor gek gezet, die een korte toespraak in het Arabisch moest houden maar die alleen uit een Franse transcriptie kon voorlezen, waardoor zij goeddeels onverstaanbaar werd.
Het Ottomaanse Rijk was officieel islamitisch, maar bood religieuze minderheden veel ruimte. Welbeschouwd vormden die minderheden samen zo’n 30% van de bevolking, zo niet nog meer—het hangt er vanaf wie je erbij rekent. Grieken, Joden en Armeniërs waren onmisbaar in de sectoren scheepvaart, handel en internationale contacten.

6. Moderne Turken. Tegenwoordig heeft Turkije voor vele Arabieren een voorbeeldfunctie: zie je wel dat het mogelijk is een modern en bloeiend land te hebben mét de islam? Anderzijds wordt Turkse bemoeienis met de toestanden in de Arabische wereld niet op prijs gesteld.

NOTEN
1. Koran 18:83–98, 21:95–97.
2. Keith Lewinstein, „Gog and Magog,“ in EQ.
3. Muslim, Ṣaḥīḥ, Fitan 64:

وحدثنا أبو بكر بن أبي شيبة حدثنا سفيان بن عيينة عن أبي الزناد عن .الأعرج عن أبي هريرة يبلغ به النبي ص قال لا تقوم الساعة حتى تقاتلوا قوما نعالهم الشعر ولا تقوم الساعة حتى تقاتلوا قوما صغار الأعين ذلف الآنف.

4. Muslim, Ṣaḥīḥ, Fitan 65:

حدثنا قتيبة بن سعيد حدثنا يعقوب يعني ابن عبد الرحمن عن سهيل عن أبيه عن أبي هريرة أن رسول الله ص قال لا تقوم الساعة حتى يقاتل المسلمون الترك قوما وجوههم كالمجان المطرقة يلبسون الشعر ويمشون في  الشعر.

5. Al-Djāḥiẓ, ‘Manāqib al-turk,’ in: Rasāʾil al-Djāḥiẓ, uitg. ʿAbd al-Salām Hārūn, Cairo z.j., 45.

وقال: الخارجي عند الشِدة إنما يعتمد على الطِعان، رالأتراك يطعن طعنَ الخوارج وإن شدّ منهم ألف فارس فرموا رِشقًا واحدًا صرعوا ألف فارس، فما بقاء على هذا النوع من الشدّة.
والخوارج والأعراب ليست لهم رماية ومذكورة على ظهور الخيل، والتركي يرمي الوحش والطير والبرجاس والناس والمجثَّمة والمُثل الموضوعة، و يرمي وقد ملأ فروجَ دابّته مدبرًِا ومقبلاً ويَمنة ويسرة وصُعُدًا وسُفْلاً، ويرمي يعشرة أسهم قب أن يفوّق الخارجي سهمًا واحدًا، ويركض دابّته منحدرًا من جبل أو مستفلاً إلى بطن واد بأكثر مما يمكن الخارجي على بسيط الأرض.

6. Al-Djāḥiẓ, ibid. i, 70–71.

وكذلك الترك أصحاب عمد وسكَّان فيافٍ وأرباب مواشٍ، وهم أعراب العَجَم كما أنّ هُذيلًا أكراد العرب. فحين لم تشغلهم الصناعات والتجارات والطب والفلاحة والهندسة ولا غرس ولا بنيان ولا شقّ أنهار ولا جباية غلاّت، ولم يكن همّهم غير الغزو والغارة والصيد وركوب الخيل ومقارعة الأبطال وطلب الغنائم وتدويخ البلدان.

7. ʿAlī Pāshā Mubārak, al-Khiṭaṭ at-tawfīqīya, ix, 41. @Tekst en controle@

Diakritische Zeichen: al-Muʿtaṣim, al-Djāḥiẓ, ʿAlī Mubārak, nahḍa, huwa aṣlu turkī, arisṭūqrāṭīya, Naǧīb Maḥfūẓ

Terug naar Inhoud