Ibn Khaldun bij Timur Lenk

Ibn Khaldūn (Tunis 1332—Cairo 1406) is een van de beroemdste Arabieren ter wereld. Hij was een rechtsgeleerde van de Malikitische school, maar zijn roem dankt hij aan een groot geschiedwerk over Noord-Afrika, het Kitāb al-‘Ibar, of liever gezegd aan de inleiding daartoe, de Muqaddima. Waarom dat boek zo beroemd geworden is vertel ik graag een andere keer.
Ibn Khaldūn heeft echter ook een autobiografie nagelaten, een zeldzaamheid in de wereld van toen. Die is niet te vergelijken met moderne werken in dat genre. Hij blijft aan de buitenkant, doet niet aan zelfkritiek en wel aan eigenroem. Maar hij geeft een mooi overzicht van zijn levensloop, van de talloze heren die hij gediend op vele plaatsen in Noord-Afrika en vanaf 1382 in Egypte, van mensen die hij heeft gekend en van zijn functies als rechter, hoogleraar of adviseur; bovendien citeert hij hele toespraken die hij heeft gehouden. In zijn ziel laat hij zich niet kijken. In Egypte aangekomen stelde hij alles in het werk om zijn gezin uit Tunis te laten overkomen; toen dit eindelijk scheep was gegaan zonk het schip in een storm voor de rede van Alexandrië. Over deze tragedie, die hem zeer moet hebben aangegrepen, schreef hij slechts twee regels: ‘Het schip verging met man en muis; groot was mijn verdriet en ik raakte geheel in de war. De sultan onthief mij van mijn ambt en bood mij een rustperiode aan, zodat ik mij kon wijden aan de wetenschap, zowel in onderwijs als in geschrifte.’Pas enige tijd later aanvaardde hij weer een professoraat voor Malikitisch recht. 

.
Toen Ibn Khaldūn tegen de zeventig liep en zich uit al zijn ambten had teruggetrokken beleefde hij nog iets bijzonders. De Mongolen waren namelijk Syrië binnen gevallen, een gebied waarvan het zuidelijke deel onder Egypte viel, terwijl het noordoostelijk deel tot het rijk behoorde van de krijgshaftige en wrede Mongoolse heerser Tīmūr Lenk (1336–1405).De Mongolen deden soms invallen in Zuid-Syrië en dan moest de sultan in Cairo in actie komen. Ibn Taymīya had een eeuw tevoren al geklaagd dat de sultans vaak laks waren met de djihaad tegen de Mongolen, en ook toen Tīmūr Aleppo bedreigde ondernam Cairo aanvankelijk niets. Pas toen Aleppo inderdaad werd verwoest en Tīmūr naar Damascus oprukte werd er een leger samengesteld. Sultan Faradj (reg. 1399–1405) voerde het aan en begaf zich in november 1400 met talloze emirs en soldaten op weg. Als gewoonlijk nam hij ook de leiders van de vier rechtsscholen mee. Ibn Khaldūn had lang de Malikitische rechtsschool in Cairo geleid, maar was niet meer in functie. Toch stond men erop dat hij meeging, misschien omdat hij met een vorige sultan al eens in Syrië was geweest. Maar eenmaal bij Damascus aangekomen kreeg de sultan lucht van een complot dat tegen hem in de hoofdstad werd gesmeed. Hij haastte zich naar huis om dat de kop in te drukken, met achterlating van de meeste soldaten en de rechtsgeleerden.
Deze situatie was hachelijk voor Ibn Khaldūn en zijn collega’s, maar vooral voor Damascus, dat nu niet meer te verdedigen was. Het wilde zich overgeven en de verwoesting en plundering afkopen, zoals dat toen gebruikelijk was. Tīmūr bood aan de stad te sparen; een nieuwe gouverneur had hij ook al klaarstaan. Ibn Khaldūn kon nu een rol spelen als raadgever voor de Damascenen en als diplomaat in het contact met Tīmūr. Ook over deze episode is in zijn autobiografie te lezen.
.
Misschien dikt Ibn Khaldūn hier zijn eigen rol wat aan. ’Rechter Burhān al-Dīn vertelde me dat hij naar mij gevraagd had, en of ik met de Egyptische legers was vertrokken of nog in de stad was.’3 Volgens een andere bron was het eerder een toeval dat hij bij Tīmūr terecht kwam. Hoe dan ook, op een dag werd de bejaarde geleerde in een mand over de stadsmuur naar beneden gelaten en opgehaald door mannen van Tīmūr.
De ontvangst in diens kamp was vriendelijk, het gesprek vond plaats via een tolk. Ibn Khaldūn droeg als altijd Maghribijnse kleding en liet zich voorstellen als Maghribijnse, Malikitische rechtsgeleerde, waarmee hij wellicht wilde benadrukken dat hij niet bij Tīmūrs vijand Egypte behoorde. De heerser vroeg dadelijk verder over de Maghrib en wilde van alles weten over de ligging van bepaalde plaatsen als Tanger en Ceuta. Hij was niet tevreden met een mondelinge beschrijving en verlangde een uitvoerige beschrijving van heel Noord-Afrika. Hier wordt ons nogmaals een blik vergund in de ziel van de geleerde: ‘De angst had mij overvallen, vanwege de ramp die de shafi‘itische opperrechter Sadr al-Dīn al-Munāwī was overkomen. De achtervolgers van het Egyptische leger hadden hem gevangen genomen in Shahqab en hem meegenomen. Hij werd bij hen gevangen gehouden en er werd een losgeld verlangd, wat mij bang maakte …’4
Geen wonder dus dat hij zich dadelijk aan het schrijven zette van dat rapport: het werden twaalf katernen (240 bladzijden) met de geografische en historische informatie over Noord-West-Afrika die Tīmūr wilde hebben. Toen het af was werd het in het Mongools vertaald.
.
Behalve dat hij gewillig de gevraagde informatie verstrekte besloot Ibn Khaldūn zijn angst te bezweren door de heerser ook te vleien: ‘Moge God U bijstaan: al dertig of veertig jaar heb ik ernaar verlangd, U te ontmoeten, […] omdat U de sultan van het universum en de heerser van de wereld bent; ik geloof niet dat er van Adam tot heden in de schepping een heerser is opgestaan is als U!’6 En dit, zo benadrukte hij, zei hij niet zomaar, want als geleerde was hij zeer wel in staat zijn grootheid te vergelijken met die van de Perzische en Romeinse keizers, met Alexander de Grote of Nebukadnezar, en Tīmūr was beslist de grootste. Deze bedacht ineens dat hij van moederskant verwant was met Nebukadnezar, wat Ibn Khaldūn tegenover de tolk haastig beaamde: ‘Nog een reden waarom ik ernaar verlangde hem te ontmoeten.’7 Een andere belangrijke reden om naar Tīmūr uit te zien was, zo zei hij, dat astrologen de komst van een machtig heerser hadden voorspeld. Weliswaar werd dit meestal met een heel andere heerser in verband gebracht, maar Ibn Khaldūn nam de gelegenheid te baat deze voorspelling op Tīmūr te laten slaan.
.
Vleien en slijmen hoorde toen gewoon bij het leven. Ibn Khaldūn, die vaak genoeg in ongenade was gevallen, zal het bij al zijn werkgevers hebben gedaan, net als ieder ander, en nu deed hij er uit angst nog een flinke schep bovenop.
Pleegde hij verraad, collaboreerde hij met de vijand door hem die strategisch belangrijke informatie over Noord-Afrika ter beschikking te stellen? Inderdaad. Maar kon hij anders, gezien de hachelijke situatie waarin hij daar verkeerde, moederziel alleen en bekend met Tīmūrs losse manier van omgaan met mensenlevens? Wie zou  voor hem ooit losgeld betalen?
.
Blijkbaar had Tīmūr wel sympathie voor Ibn Khaldūn. Eens wilde hij een muildier van hem kopen. Ibn Khaldūn antwoordde: ‘Mensen als wij verkopen elkaar toch geen muildier?’ en schonk hem het dier—wat kon hij anders? Later kreeg hij echter de geldswaarde van het dier door een tussenpersoon overhandigd, wat erg correct was, maar ook te denken geeft over de verhouding tussen de beide mannen; was die toch tamelijk hartelijk?8
.
Na vijfendertig dagen kon Ibn Khaldūn op 10 januari 1401 ongehinderd terugkeren naar Cairo—niet dan nadat hij nog de inname en plundering van Damascus door Tīmūr had meegemaakt. Zijn schaamte over het rapport dat hij had geschreven overwon hij door thuis voor de sultan van Marokko een tegenhanger te schrijven: een rapport over Tīmūr en de Mongolen.

NOTEN
1. Ibn Khaldūn, Ta‘rīf 320: فعصف بهم الرياح وغرق المركب بمن فيه وما فيه وذهب الموجرد والمولود فعظم الأسف واختلط الفكر وأعفاني السلطان من هذه الوظيفة وأراحني وفرغت لشأني من الاشتغال بالعلم تدريبًا وتأليفًا.
2. In het Engels ook bekend als Tamerlane. Je zou hem beter Tamerlame kunnen noemen, want lenk is Perzisch voor ‘lam’. Hij kon zijn rechterbeen nauwelijks gebruiken; over langere afstanden werd hij gedragen of reed hij te paard. Volgens de Sovjetartsen die in 1941 zijn lijk onderzochten leed hij aan bottuberculose; Tīmūr zelf zei dat het kwam door een pijlschot dat hij ooit in zijn knie had gekregen.
3. Ibn Khaldūn, Ta‘rīf 403: وأخبرني القاضي برهان الدين أنه سأل عني وهل سافرت مع عساكر مصر أو أقمت بالمدينة. Ibn ‘Arabshāh @
4. Ibn Khaldūn, Ta‘rīf 405–6: وقد غلبني الوجل بما وقع من نكبة قاضي القضاة الشافعية صدر الدين المناوي أسره التابعون لعسكر مصر بشحقب وردوه فحبس عندهم في طلب الفدية منه فأصابنا من ذلك وجل
5. De Arabische tekst is niet bewaard. Er schijnt nog wel een Ottomaans-Turkse vertaling in handschrift te bestaan.
6. Ibn Khaldūn, Ta‘rīf 407: أيدك الله لي اليوم ثلاثون أو أربعون سنة أتمنى لقاءك […] انك سلطان العالم وملك الدنيا وما أعتقد أنه ظهر في الخليقة مند آدم لهذا العهد ملك مثلك
7. Ibn Khaldūn, Ta‘rīf 408: وهذا مما يجعلني على تمني لقاءه

BIBLIOGRAFIE
–  ‘Abd-ar-Raḥmān Ibn-Khaldūn: Kitāb al-ʿIbar wa-dīwān al-mubtadaʾ wal-khabar fī ayyām al-‘arab wal-ʿadjam wal-barbar wa-man ‘āṣarahum min dhawī as-sulṭān al-akbar, eerste uitgave door Étienne Quatremere, Prolégomènes d’Ebn-Khaldoun, texte arabe publié d’après les manuscrits de la Bibliothèque Impériale, 3 dln., Parijs 1858. Uitg. Ibrāhīm Shabbūḥ, 14 delen, Tūnis 2006-2013. Andere editie: Beirut 2000-2001, ook online. Het hoofdwerk, inclusief de Muqaddima en een korte versie van de autobiografie (at-Taʿrīf).
– idem, The Muqaddimah. An Introduction to History, vert. door Franz Rosenthal, 3 dln., New York 1958, 1986, ook online.  Duits: Ibn Khaldun, Die Muqaddima, Betrachtungen zur Weltgeschichte. Übertragen und mit einer Einführung von Alma Giese unter Mitwirkung von Wolfhart Heinrichs, München 2011.
– idem, al-Ta‘rīf bi-ibn Khaldūn wa-riḥlatuhu gharban wa-sharqan, uitg. Muḥammad ibn Tāwīt al-Tandjī, Cairo 1951, 2003. Franse vertaling: Le Voyage d’Occident et d’Orient, vert. Abdesselam Cheddadi, Paris 1980, 1995. De autobiografie.

Secundair:
– M. Talbi, ‘Ibn Khaldūn,’ in EI2.
– Walter J. Fischel, Ibn Khaldūn and Tamerlane, Berkeley/Los Angeles 1952.

Diacritische tekens: Ṣadr al-Dīn, Shaḥqab

Terug naar Inhoud

Abd al-Malik als stichter van de islam

Aan het begin van de islam staan de profeet Mohammed en de koran. Maar wat was dat voor een islam? De koran werd pas in de loop van de zevende eeuw tot een boek en stond als zodanig maar weinig mensen ter beschikking. De soenna (=handelwijze, overgeleverde norm) van de profeet werd pas later uitgewerkt; in de zevende eeuw was de belangrijkste soenna die van de kaliefen. De sharia bestond ook nog niet. Waren er al moslims? Zelf noemden zij zich in het begin ‘de gelovigen’, en het woord islam was ook nog niet gangbaar als aanduiding van de godsdienst.
De islam was nog niet uitgekristalliseerd; hij moest nog worden vormgegeven en daartoe heeft de Umayyadische kalief ‘Abd al-Malik (reg. 685–705) veel bijgedragen. Zo veel zelfs, dat hij als stichter of tweede stichter van de islam kan worden opgevat.

  • Een Umayyade als stichter van de islam? Menig moslim zal dat boos ontkennen: de Umayyaden waren immers moordenaars, zuipers, usurpators en nog veel meer! Kan zijn, maar ‘Abd al-Malik heeft een islam gesticht en die aan de openbaarheid gepresenteerd. Dat zijn islam afwijkt van het islamontwerp van latere schriftgeleerden, daar kon hij niets aan doen.

Toen ‘Abd al-Malik als kalief aantrad had hij met vele vijanden te kampen. Hij had van zijn vader weliswaar een reusachtig rijk geërfd, dat heel Perzië en de helft van het Oostromeinse rijk omvatte, maar dat rijk was er beroerd aan toe. Het oostelijk deel wilde niet vanuit de hoofdstad Damascus geregeerd worden, Sjiïeten en Kharidjieten rebelleerden en in zijn eerste regeringsjaren moest hij nog met een ander kalifaat afrekenen: dat van ‘Abdallāh ibn al-Zubayr (reg. 680–992). Die resideerde in Mekka; zijn broer Mus‘ab heerste als stadhouder over grote delen van Irak en Iran, terwijl de Umayyaden soms niet veel meer over hadden dan Damascus en Syrië. ‘Abdallāh en zijn broer klein te krijgen lukte ‘Abd al-Malik in 692: beiden werden gedood, de burgeroorlog was voorbij. De kalief moet geschrokken zijn van de kloof die er gaapte tussen Syrië en het Arabische schiereiland, waar de gewoontes van de profeet en de vroegste gelovigen in ere werden gehouden. Nu kwam het erop aan, de eenheid te herstellen.

Geschiedsschrijving
De herenigde staat had behoefte aan een algemeen aanvaarde ideologie en stichtingsmythe, waarin Mekka en Medina een hoofdrol zouden spelen. Nu kwam ‘Urwa ibn al-Zubair (643–712) goed van pas. Nadat ‘Abd al-Malik diens broers ‘Abdallāh en Mus‘ab had laten doden spoedde de veel jongere ‘Urwa zich naar Damascus om zijn huid te redden door trouw te zweren aan de winnende kalief. Dat was een gewaagde stap, maar hij had succes. De kalief, die reeds om strategische redenen offciële rouw had afgekondigd voor Mus‘ab, zag af van de terechtstelling van ‘Urwa en besloot hem liever te gebruiken. ‘Urwa was de intellectueel van de familie, die nooit militair actief was geweest, maar zich in Medina in alle rust had gewijd aan de studie van de hadith, het recht en de profetenbiografie. De kalief liet hem terugkeren naar Medina en verzocht hem, de ware geschiedenis van de islam voor hem op te schrijven. Dat deed ‘Urwa: hij schreef een hele reeks ‘brieven’ (rasā’il) aan de kalief en later nog aan diens zoon al-Walīd. Deze teksten zijn van groot belang, want zij bevatten de kern van de profetenbiografie en van de vroegste geschiedenis van de beweging die sinds ‘Abd al-Malik ‘Islam’ heet. Latere auteurs grijpen vrijwel allemaal op ‘Urwa’s teksten terug. Die zijn beknopt, want fantastische verhalen stelde ‘Abd al-Malik niet op prijs. Later werden ze aangedikt en verrijkt.
‘Urwa was niet alleen de zoon van de vooraanstaande profetengezel al-Zubayr, maar ook van Asmā’, de dochter van de eerste kalief Abū Bakr. Diens jongere dochter Aisja was de weduwe van de profeet en ‘Urwa’s tante. Zo stamde hij van vaders- en van moederskant van de ‘vroege elite’ . Zijn geschriften ademen Arabië en zijn uitgesproken pro-Abū Bakr en diens familie. De vroegste islam, met zijn oriëntering (qibla) op Jeruzalem, was misschien toch een overwegend syrisch-palestijnse aangelegenheid geweest. De Rotskoepel was eindpunt en hoogtepunt van die ‘syrische islam’. Door ‘Urwa’s werk kregen de Arabische erfenis en de ‘vroege elite’ een ereplaats in de offciële leer. Mekka, de Ka‘ba en Medina werden nu belangrijker dan ooit; het Arabische schiereiland speelde voortaan weer volledig mee en zo werd potentiële rebellen, althans op het schiereiland, de wind uit de zeilen genomen.

De Rotskoepel
Toen de burgeroorlog nog woedde liet ‘Abd al-Malik op de voormalige tempelberg in Jerusalem de Rotskoepel bouwen, die in 692 gereed kwam. In het midden daarvan bevindt zich een groot rotsblok, waaromheen de pelgrims hun ronden konden draaien, net als in Mekka. Daarbij zagen ze inscripties, waarin enkele duidelijke uitspraken de triomf van de islam verkondigden, zoals bij voorbeeld: ‘De godsdienst bij God is islam’ (koran 3:19).
Waarom liet de kalief die Rotskoepel bouwen? Het ligt voor de hand het gebouw te interpreteren als een statement aan de christenen. Christenen vormden immers de overgrote meerderheid in het Westen van het rijk, en voor hen was Jeruzalem met zijn Grafkerk een plaats van uitnemend belang. In de kerk werd het Heilige Kruis bewaard, dat keizer Heraclius er pas in 630 had teruggebracht nadat het door de Perzen geroofd geweest was. De Rotskoepel was een vrijstaand nieuw gebouw, uitdagend door zijn ligging en zijn schoonheid, en door de inscripties erop en erin. Uit één daarvan wordt duidelijk wat over Jezus te denken is:

  • Christus Jezus, de zoon van Maria, is [slechts] Gods gezant en zijn Woord, dat Hij richtte tot Maria, en een geest van Hem. Gelooft dan in God en Zijn gezanten en zegt niet: ‘Drie’! Houdt daarmee op, dat is beter voor jullie. God is [slechts] één God, geprezen zij Hij! Dat hij een kind zou hebben! (koran 4:171)

Aan eeuwen van christelijk gehakketak over de natuur van Christus werd door deze en andere koranteksten een eind gemaakt. Ook Mohammed, dienaar en gezant van God, wordt in de inscripties vermeld; dat was tevoren in de openbaarheid nauwelijks ooit gedaan.
Met dit afscheid van het christendom werd de islam geboren, de Arabische islam. Geleidelijk verdween steeds meer joods en christelijk materiaal (isrā’īlīyāt) uit de verhalen en de genealogieën; er vond een duidelijke ‘ontbijbeling’ plaats. 

‘Abd al-Malik had grote verdiensten voor het rijk. Hij heeft de eenheid hersteld, binnenlandse vijanden klein gehouden en de keizer in Constantinopel zijn plaats gewezen. Hij heeft het bestuur en het belastingstelsel herzien en een monetaire hervorming uitgevoerd, waarbij hij uitstapte uit de Romeinse solidus, de Euro van die tijd. Arabisch maakte hij tot de officiële rijkstaal. Dat waren allemaal belangrijke prestaties, maar van blijvender invloed waren zijn benadrukking van een islamitische identiteit en zijn initiatief tot een islamitische geschiedsschrijving.

BIBLIOGRAFIE
– A. Görke und G. Schoeler, Die ältesten Berichte über das Leben Muḥammads. Das Korpus ‘Urwa ibn az-Zubair, Princeton 2008. (‘Urwa’s ‘brieven’ gebundeld in het Duitse vertaling en geanalyseerd.)
– Chase Robinson, Abd al-Malik, Oxford 2005.

Diakritische Zeichen: ‘Abd al-Malik, Muṣʿab, ʿAbdallāh, ʿUrwa, ʿĀisha

Zurück zum Inhalt

De eerste Arabische marine

In 640 veroverden de Arabieren de Romeinse provincie Egypte, maar in 646 werd Alexandrië alweer terugveroverd door een Romeinse vloot. Die bleef niet zo lang, maar het was een schok te beseffen hoe gemakkelijk het nieuwe Arabische rijk vanuit zee binnen te vallen was. De capabele Gouverneur van Syrië, Mu‘āwiya, die later kalief zou worden, overtuigde zijn wat passieve oudoom kalief ‘Uthmān van de noodzaak een marine op te bouwen. Hij kreeg toestemming en dwong talloze scheepsbouwers in Egypte en Syrië schepen te bouwen. Na drie jaar lag er een vloot van maar liefst 1700 schepen voor de Syrische kust: ‘de zee was niet meer te zien van de masten’.
.
Nu moest die vloot natuurlijk uitgeprobeerd worden. Men bracht soldaten aan boord, 12.000 naar men zegt, en voerde in het voorjaar van 649 een overval uit op het nog Romeinse eiland Cyprus. De bewoners daar lieten de soldaten gewoon aan land gaan omdat zij dachten dat het Romeinen waren. Men kon zich blijkbaar niet voorstellen dat er zoiets als een Arabische vloot bestond. De troepen konden gewoon doorlopen naar de hoofdstad Constantia (Grieks Σαλαμίνα, Salamina), niet ver van het huidige Famagusta, die zij bezetten en plunderden. Zeer grote hoeveelheden goud en zilver en talloze slaven en slavinnen werden buitgemaakt. Zo werden de kosten van de vlootbouw er aardig uitgehaald.
.
Een hadith vertelt dat er een vrouw was, die graag als soldaat met haar man mee wilde gaan op deze tocht naar Cyprus. Zij mocht mee, maar viel na terugkeer in Syrië van haar muildier/paard? en werd aldus martelares. Om haar te gedenken bouwde men van 1760–1816 een moskee rond haar graftombe op Cyprus.

[…] van Anas ibn Mālik, van zijn tante Umm Harām bint Milhān: De profeet sliep op een dag dicht bij mij en toen hij wakker werd glimlachte hij. Ik vroeg waarom hij lachte. Hij zei: [In de droom] zijn mij mensen uit mijn gemeente getoond terwijl zij de groene zee bevoeren als koningen op tronen. Zij zei: Bid tot God dat hij mij een van hen maakt! Toen bad [de Profeet] voor haar en sliep weer in; hetzelfde gebeurde nog een keer. Hij zei: Jij bent een van de eersten. Zij ging met met haar echtgenoot ‘Ubāda ibn al-Sāmit mee op krijgstocht toen de moslims voor het eerst de zee bevoeren met Mu‘āwiya. Toen zij terug waren van de tocht en in Syrië weer aan land gingen werd haar een rijdier gebracht om op te rijden, maar dat wierp haar af en daaraan stierf zij.1

Het varen en plunderen ging lekker, en Mu‘āwiya zette vervolgens koers naar Constantinopel, maar zijn vloot werd op de vlucht gejaagd. Dan maar naar Arwad, een klein eilandje voor de Syrische kust tegenover Tartūs, maar dat kon hij niet innemen omdat het zeer sterke vestingwerken had. Intussen werd het winter en de vloot keerde naar Syrië terug, maar in het voorjaar van 650 veroverde Muʿāwiya’s vloot Arwad en slechtte de vestingwerken. Daarna was Cyprus nog een keer aan de beurt, waar inmiddels Romeinse troepen gelegerd waren. Dezen spoorden de bewoners aan standvastig te blijven, maar bij de aanblik van de Arabische vloot sloegen zij op de vlucht en probeerden zich overal te verstoppen. Tevergeefs: de Arabieren ‘pulkten ze uit de spleten in de grond als eieren die in een nest waren achtergelaten.’ Wederom werden grote hoeveelheden edelmetaal buitgemaakt en maar liefst 50.000 slaven, al zal dat getal wel overdreven zijn. Constantia heeft zich nooit hersteld.
.
De scheepsbouwers en de zeelui waren allen christelijke Kopten en Syriërs; de soldaten waren Arabieren. Zowel de Syriërs als de Egyptenaren hadden een eeuwenoude traditie van scheepsbouw en zeevaart. Hoewel scheepvaart in de koran een niet onbelangrijk onderwerp is waren de Arabische veroveraars in Syrië bepaald huiverig voor de zee. Dat de matrozen en roeiers Christenen waren bleek nog in 716 een nadeel. Toen de vloot Constantinopel wilde aanvallen maar ergens bij het huidige Rumeli Hisarı aan de Bosporus moest overwinteren liepen velen van hen over, omdat zij bedachten dat zij christen waren en eigenlijk eerder in het Romeinse Rijk thuishoorden.

BIBLIOGRAFIE
– Robert G. Hoyland, In God’s Path: The Arab Conquests and the Creation of an Islamic Empire, Oxford 2015, blz. 90–3.
– Hugh Kennedy, De grote Arabische veroveringen. Vert. Guus Houtzager, Amsterdam/ Antwerpen 2008, hst. 10. Het Engelse origineel: The Great Arab Conquests. How the Spread of Islam Changed the World We Live In, London 2007, ch. 10.

NOOT
1. Bukhārī, Jihād 8, var. Jihād 3, 17.

حَدَّثَنَا عَبْدُ اللَّهِ بْنُ يُوسُفَ قَالَ حَدَّثَنِي اللَّيْثُ حَدَّثَنَا يَحْيَى عَنْ مُحَمَّدِ بْنِ يَحْيَى بْنِ حَبَّانَ عَنْ أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ عَنْ خَالَتِهِ أُمِّ حَرَامٍ بِنْتِ مِلْحَانَ قَالَتْ  نَامَ النَّبِيُّ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ يَوْمًا قَرِيبًا مِنِّي ثُمَّ اسْتَيْقَظَ يَتَبَسَّمُ فَقُلْتُ مَا أَضْحَكَكَ قَالَ أُنَاسٌ مِنْ أُمَّتِي عُرِضُوا عَلَيَّ يَرْكَبُونَ هَذَا الْبَحْرَ الْأَخْضَرَ كَالْمُلُوكِ عَلَى الْأَسِرَّةِ قَالَتْ فَادْعُ اللَّهَ أَنْ يَجْعَلَنِي مِنْهُمْ فَدَعَا لَهَا ثُمَّ نَامَ الثَّانِيَةَ فَفَعَلَ مِثْلَهَا فَقَالَتْ مِثْلَ قَوْلِهَا فَأَجَابَهَا مِثْلَهَا فَقَالَتْ ادْعُ اللَّهَ أَنْ يَجْعَلَنِي مِنْهُمْ فَقَالَ أَنْتِ مِنْ الْأَوَّلِينَ فَخَرَجَتْ مَعَ زَوْجِهَا عُبَادَةَ بْنِ الصَّامِتِ غَازِيًا أَوَّلَ مَا رَكِبَ الْمُسْلِمُونَ الْبَحْرَ مَعَ مُعَاوِيَةَ فَلَمَّا انْصَرَفُوا مِنْ غَزْوِهِمْ قَافِلِينَ فَنَزَلُوا الشَّأْمَ فَقُرِّبَتْ إِلَيْهَا دَابَّةٌ لِتَرْكَبَهَا فَصَرَعَتْهَا فَمَاتَتْ.

Diacritische tekens: Muʿawiya, Umm Ḥarām bint Milḥān, ʿUbāda ibn al-Ṣāmit, Ṭarṭūs

Terug naar Inhoud

De slag bij Mu’ta (vertaalde tekst)

Over de door Mohammed bevolen militaire expeditie naar het zeer noordelijk gelegen Mu’ta is vrijwel niets met zekerheid bekend. Stellig heeft de Romeinse keizer Heraclius niet, zoals de verhalen beweren, de moeite genomen met een leger van tweehonderdduizend man tegen drieduizend Arabieren te komen vechten. Op zijn hoogst is er ooit een schermutseling geweest met het Romeinse grensleger. Er zouden slechts acht of negen moslims zijn gesneuveld, onder wie drie aanvoerders, wat merkwaardig is. Zie over deze slag ook hier, onderaan.

“““Muhammad ibn Dja‘far heeft gehoord van ‘Urwa ibn al-Zubayr: In de maand djumādā al-ūlā van het jaar 8 [629] stuurde de Profeet een leger naar Mu’ta, onder commando van Zayd ibn Hāritha. Als Zayd zou sneuvelen zou het bevel overgaan op Dja‘far ibn abī Tālib; als ook deze zou vallen zou ‘Abdallāh ibn Rawāha het commando overnemen.
De moslims rustten zich uit, drieduizend man, en toen het ogenblik van vertrek was aangebroken namen de veldheren van de Profeet afscheid van hen die achterbleven in Medina. ‘Abdallāh ibn Rawāha brak daarbij in tranen uit en toen hem werd gevraagd waarom, zei hij: ‘Het is niet omdat ik aan deze wereld gehecht ben of jullie zo liefheb, maar omdat ik de Profeet een koranvers heb horen reciteren over het hellevuur: Er is niemand onder u die daarin niet afdaalt; dat is een vaststaand besluit bij uw Heer, (koran 19:71) en ik weet niet hoe ik kan terugkomen als ik eenmaal daarin ben afgedaald.’ De moslims zeiden: ‘Ga met God; moge Hij jullie beschermen en veilig terugbrengen.’ Toen zei ‘Abdallāh:

’k Vraag God vergiffenis, en een trefzeker zwaard,
dat brede wonden slaat, waar schuimend bloed uit spuit,
of van mijn lans een rake stoot, die boort met vaart
door ingewand en lever, en door de rug eruit!
Dat bidden zal wie later langs mijn graf mocht gaan:
“God, breng uw strijder thuis; hij heeft het goed gedaan!”

Het leger brak op en de Profeet trok een eindje mee, om afscheid te nemen. Toen hij terugkeerde naar Medina zei ‘Abdallāh:

Gegroet, geleider die ik achterlaat
bij deze palmen, vriend en toeverlaat!

Zij trokken voort tot Ma‘ān, in Syrië. Daar vernamen zij dat Heraclius naar Moab was gekomen, in de landstreek Balkā’, met honderdduizend Romeinen, bij wie zich nog eens honderdduizend man uit de stammen Lahm, Djudhām, Qain, Bahrā’ en Balī hadden aangesloten; dezen werden aangevoerd door een Baliet uit Irasha, die Malik ibn Zafila heette. Bij het horen van dat nieuws bleven de moslims twee dagen in Ma‘ān om zich te beraden over wat hun te doen stond. Sommigen wilden aan de Profeet schrijven hoe groot de overmacht van de vijand was; dan kon hij hun versterkingen sturen of anders zouden ze zijn bevel afwachten. Maar ‘Abdallāh ibn Rawāha sprak hun moed in: ‘Mannen, waar jullie nu voor terugdeinzen, dat is toch juist hetgeen waarvoor wij zijn uitgetrokken: de martelaarsdood! Wij strijden niet met ons aantal manschappen of onze gevechtssterkte, maar met deze godsdienst waarmee God ons heeft geëerd. Laten we dus verder trekken: van twee mooie zaken wacht ons er één: de overwinning of de martelaarsdood!’ Toen zeiden de mannen: ‘Bij God, hij heeft gelijk,’ en ze trokken verder.
Bij de grens van de Balkā’, bij het dorp Mashārif, stuitten zij op de troepen van de Romeinen en de bedoeïenen. Op de nadering van de vijand trokken de moslims zich terug op het dorpje Mu’ta, en daar kwam het tot een treffen. Zayd vocht met de vlag van de Profeet in zijn hand, tot hij onder de lansen van de vijand bezweek aan bloedverlies. De vlag werd overgenomen door Dja‘far, die zich ermee in de strijd stortte. Toen hij aan alle kanten was ingesloten sprong hij van zijn goudvos, sneed hem de pezen door en vocht tot hij werd gedood. Dja‘far was de eerste moslim die zijn paard de pezen doorsneed.
Yahyā ibn ‘Abbād ibn ‘Abdallāh ibn al-Zubayr heeft gehoord van zijn vader dat hij zijn pleegvader, die erbij was geweest in Mu’ta, had horen zeggen: Ik zie het nog voor me, hoe Dja‘far van zijn goudvos sprong, het dier de pezen doorsneed, vocht tot hij werd gedood en hoe hij toen nog zei:

Ja, Edens lusthof is nabij,
de drank der zaal’gen wacht op mij!
De Griek krijgt zijn gerechte straf.
Die heidenen, dat lage ras—
Als ik zo’n kop zie sla ’k hem af!

Nadat Dja’far was gevallen nam ‘Abdallāh ibn Rawāha de vlag over en stormde voorwaarts op zijn paard. Hij talmde echter een ogenblik en sprak zich moed in met de woorden:

Ik zweer, mijn ziel, je moet nu gaan!
Vecht, of ’t is met je gedaan!
Laat de vijand schreeuwen, razen,
wat zou je ’t paradijs versmaden?
Wil jij, een held’re druppel, leven
door een versleten zak omgeven?

Daarna steeg hij af. Een neef van hem kwam hem een kluif met vlees brengen en zei: ‘Hier, doe wat kracht op, want jij hebt het dezer dagen zwaar te verduren!’ ‘Abdallāh pakte hem aan en beet er wat vanaf. Maar bij het horen van het strijdgewoel dacht hij: ‘Je bent nog in déze wereld!’; hij gooide de kluif weg, greep zijn zwaard en ging erop af. Toen vocht hij tot hij werd gedood. Thābit ibn Akram, een broeder van de stam Adjlān, kreeg de vlag te pakken en riep: ‘Moslims! Wie moet nu de leiding nemen?’ ‘Jij!’ schreeuwden ze terug, maar hij weigerde, en daarop werden ze het eens over Khālid ibn al-Walīd. Deze nam de vlag en probeerde de vijand af te houden en een verder treffen te voorkomen. De partijen gingen uiteen en Khālid leidde het leger terug naar Medina.
‘Urwa’s overlevering vervolgt: Toen het leger dicht bij Medina was gekomen, kwam de Profeet het tegemoet gereden met de achtergebleven moslims. De kinderen renden ernaast. ‘Neem die jongens voorop,’ riep de Profeet, ‘en geef mij de zoon van Dja‘far!’ Ze brachten hem ‘Abdallāh ibn Dja‘far en hij zette de knaap voor zich op zijn rijdier. De mensen begonnen aarde te gooien naar het leger en riepen: ‘Lafaards! Op de weg van God zijn jullie hard weggelopen!’ De Profeet kwam tussenbeide met de woorden: ‘Als God het wil zijn het geen weglopers, maar hebben zij zich teruggetrokken om opnieuw in de aanval te gaan.’”””

Bron: Ibn Ishāq (704–767): Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 791–802. Hierboven een kleine keuze uit: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 201–205.

Diakritische tekens: Muʾta, Muḥammad ibn Djaʿfar,ʿUrwa, Zayd ibn Ḥāritha, Dja‘far ibn abī Ṭālib, ʿAbdallāh ibn Rawāḥa, Maʿān, Balqāʾ, Laḥm@, Djudhām@, Bahrāʾ@, Irasha@, Malik@ ibn Zafila@, Yaḥyā ibn ʿAbbād, Adjlān@

Terug naar Inhoud

AM: De Rotskoepel in Jeruzalem

800px-Dome_of_the_Rock_Jerusalem_Victor_2011_-1-7(Fragment. Ter verduidelijking kunt U eerst dit lezen)

Het mooiste bouwwerk tussen Damascus en Cairo is de zevende-eeuwse Rotskoepel in Jeruzalem. Het staat op het plateau waar ooit de Tempel van Salomo gestaan moet hebben. Hoewel niet groot is het een dominerend gebouw, dat je van vele plaatsen uit de verte ziet. Toen er nog geen hoogbouw was moet dat nog meer het geval geweest zijn. Hier kunt U er een virtuele wandeling langs en doorheen maken. Naar verluidt mogen alleen moslims er naar binnen; ik ben er twintig jaar geleden nog wel in geweest.

domerockinterior2Het is een achthoekig gebouw met een rond binnenwerk (rotunda). Een moskee is het niet; die stond en staat een eindje verder op dat plateau. In het midden van de koepel ligt een flink rotsblok met een balustrade eromheen. Bezoekers kunnen er rondjes omheen lopen. Waarom zouden ze dat doen, vraagt U zich misschien af, maar dat wordt bij de zwarte steen in de Ka‘ba te Mekka ook gedaan. Ook het christendom en vele andere godsdiensten kennen religieus betekenisvolle ‘ommegangen’.

Het was kalief ‘Abd al-Malik die de Rotskoepel heeft laten bouwen, zo tussen 688 en 692. Waarom? Vroege schriftelijke bronnen vermelden het gebouw met geen woord, maar er zijn verschillende theorieën over.

Eén verklaring is de nog woedende burgeroorlog: Syriërs zouden de bedevaart naar Mekka niet hebben kunnen of willen maken omdat daar kalief ‘Abdallāh ibn al-Zubayr heerste en onder de pelgrims anti-Umayyadische propaganda bedreef. Daarom moest er een alternatief heiligdom in Jerusalem gebouwd worden.
Maar de bouw duurde een jaar of drie, en ‘Abd al-Malik was toen toch al druk bezig het kalifaat van Ibn al-Zubayr op te rollen? Het had wel van heel weinig vertrouwen in zijn eigen militaire capaciteiten getuigd als hij zijn twijfel aan de eindoverwinning al bij voorbaat in steen had vastgelegd. Toen hij Mekka en Medina terugveroverde kwam het gebouw juist gereed, dus met betrekking tot de burgeroorlog was het van meet af aan overbodig.

Meer voor de hand ligt het gebouw te interpreteren als statement aan de monotheïsten. En dat nog wel op de tempelberg, een schitterende, strategische locatie waar ooit de tempel van de joden had gestaan, maar nu al eeuwen niet meer. Joden vormden blijkbaar geen probleem, want die mochten nu weer in Jerusalem wonen, wat eeuwen lang niet toegestaan was geweest. Door hun geringe aantal vormden ze geen factor van belang. Christenen daarentegen vormden bijna de gehele bevolking van het westelijk deel van het Arabische Rijk. En voor hen was Jerusalem een zeer centrale plaats, met zijn kerk van het Heilige Graf, een niet zo stralend gebouw omgeven door een web van smalle straatjes, en daarin het Heilige Kruis, dat pas in 630 door keizer Heraclius in de kerk was teruggebracht nadat het door de Perzische vijand geroofd was geweest. De rotskoepel stond vrij: een fris, nieuw gebouw, uitdagend door zijn ligging, zijn schoonheid en de teksten die erop en erin stonden. Duidelijk is wat er over Jezus te denken is:

Mensen van de Schrift! Overdrijft niet in jullie godsdienst en zegt niets over God dan de waarheid. De Messias Jezus, de zoon van Maria, is de gezant van God en Zijn woord, dat hij toevertrouwde aan Maria, en een geest van hem. Gelooft dan in God en zijn boodschappers, en zegt niet: ‘Drie’. Houdt daarmee op, dat is beter voor u. God is één God, geloofd zijn hij! Dat hij een kind zou hebben. Hem behoort wat in de hemelen en wat op aarde is, en God volstaat als bewindvoerder. (Koran 4:171)

Aan eeuwenlang dogmatisch gehakketak over de natuur van Christus moest met deze en andere teksten een einde gemaakt worden. Ook Mohammed wordt als dienaar en gezant van God genoemd; dat was tevoren nog nauwelijks zo in het openbaar gedaan.

Met dit afscheid van de christenheid werd de islam geboren. Arabisch, de taal van de inscripties op het gebouw, zou voortaan de rijkstaal zijn; niet meer Syrisch of Grieks. Met het gemak waarmee gelovigen bij christenen de kerk binnenwipten en daar soms hun gebeden verrichtten zou het langzamerhand afgelopen zijn. Koranexemplaren werden naar de provinciehoofdsteden gestuurd, zodat men wist welke tekst de juiste was.

Voor moslims zullen de Rotskoepel en Jeruzalem aanvankelijk niet van groot belang zijn geweest. Integendeel; na de beëindiging van de burgeroorlog kreeg het heroverde Mekka een veel grotere nadruk. Met het afscheid van het christendom werd Arabië pas echt belangrijk: in de nieuwe islam werd een ‘ontbijbeling’ ingeluid. De koppeling van het verhaal over Mohammeds hemelvaart aan het heiligdom in Jerusalem en de verering van Jeruzalem door moslims überhaupt dateren van veel later dan het gebouw zelf.

Bibliografie: een kleine keus
– K. A. C. Creswell, Early Muslim Architecture. Oxford 1932, i, 42–94.
– O. Grabar, The Dome of the Rock, Harvard University Press 2006 (vooral voor de kunsthistorische kant)
– H. Busse: ‘Zur Geschichte und Deutung der frühislamischen Ḥarambauten in Jerusalem,’ Zeitschrift des Deutschen Palästina-Vereins (ZDPV), 107 (1991), S. 144–154.
– En vele andere! Het Duitse Wikipedia-Artikel ‘Felsendom’ bevat veel informatie over de Rotskoepel en heeft goede foto’s en een uitgebreide bibliografie.

ABD AL-MALIK IBN MARWAN: startpagina. De eerste kaliefen. Mu‘awiya’s opvolgers. De Umayyaden uit Medina verjaagd. Abd al-Malik geeft strategisch advies. Abd al-Malik oefent zich in wreedheid en moord. As over Medina? Graanschepen voor Medina. Arbeidsloos inkomen.

Terug naar Inhoud

Verlicht en doorgebrand. Al-Turabi als romanfiguur? (1)

Hasan ‘Abdallāh al-Turābī (1932–2016) is gestorven, en ik treur niet om hem. Als leider van de Moslim Broederschap in Soedan was hij een van de voornaamste verwoesters van dat ooit zo gemoedelijke land.
Hij stamde uit Kassalā, een door islamitische mystiek gestempelde stad, studeerde rechten in Khartoem van 1951–55, in London van 1955–1959 en promoveerde in 1964 aan de Parijse Sorbonne. Hij moet dus behoorlijk briljant geweest zijn en twee Europese hoofdsteden en twee Europese talen grondig hebben gekend. Weer thuis werd hij een van de medeoprichters van de Moslim Broederschap, die actie voerde tegen de lakse moraal van de elite en ook tegen de communisten. Hij was partijleider en bekleedde verschillende hoge ambten. Zijn persoonlijke streven was een op de Sharī‘a gebaseerde grondwet voor zijn land, die in 1983 een feit werd. Naar verluidt verdiende al-Turābī goed aan het toen ingevoerde islamitische bankwezen. Hij gaf de nu nog steeds zittende dictator al-Bashīr zijn volledige steun, maar werd na enige tijd wel door hem uit de politiek gegooid. Als geestelijk leider bleef hij echter invloedrijk. Ook de Soedanese tak van al-Qā‘ida genoot zijn steun.
Als U meer over hem wilt weten kunt U hem naslaan in de Wikipedia, in de Engelse of de Duitse versie.
.
Men zegt soms dat het met ‘de islam’ veel beter zou gaan als die tenminste de Verlichting zou kennen. Al-Turābī was het levende bewijs — maar lang niet het enige — van het tegendeel. Hij was uitstekend bekend met het denken en de waarden van het Westen en kende de Verlichting zonder twijfel een stuk beter dan de columnisten die de islam er eentje toewensen. Maar zodra hij weer terug was in Khartoem schudde hij dat allemaal af, schoof ook de de easy going islam en de mystieke verlichting waarmee hij was opgegroeid terzijde en werd Moslim Broeder en duisterling. Hij zal zijn buik vol gehad hebben van de arrogantie van London en Parijs. Jaren geleden heb ik zelf eens ervaren hoe het is om naast een wat armelijk geklede Egyptenaar door Parijs te lopen. Het was schokkend de verachting te voelen die toen onze kant op woei.1 Voor mij tenminste; die Egyptenaar kende dat natuurlijk al.
.
Door al-Turābī’s dood moest ik terugdenken aan een Arabische roman. Want ik vond het altijd een beetje griezelig: het leek wel of hij model had gestaan voor Moestafa Sa‘ied, de hoofdpersoon van al-Tayyib Salih’s roman Seizoen van de trek naar het Noorden van 1966.2
De auteur moet al-Turābī hebben gekend. Soedan is een groot land, maar had in de vijftiger jaren heel weinig ‘westers’ gevormde intellectuelen. Lange tijd was deze briljante man de enige Soedanees met een buitenlandse doctorstitel. Ook de drie jaar oudere Salih heeft eerst in Khartoem en daarna in Engeland, in Exeter, gestudeerd, waarna hij vele jaren als medewerker verbonden was aan de Arabische afdeling van de BBC. Misschien heeft hij al-Turābī wel geinterviewd. Er waren toen zo weinig intellectuele Soedanezen in Engeland dat hij hem wel gekend móet hebben. Of Salih hem werkelijk in zijn achterhoofd had toen hij zijn roman schreef is echter niet te zeggen. In elk geval ging het met het leven van zowel de echte persoon als het romanpersonage na de studie noodlottig mis.
Over de roman een volgende keer.
.
WORDT VERVOLGD (maar voorlopig nog niet)

NOTEN
1. Ook bij personen uit heel andere culturen leidt het contact met de westerse waarden soms tot rampen; denk aan de Cambodjaanse massamoordenaar Pol Pot, die op een Franse school had gezeten en in Parijs mocht studeren.
2. al-Tayyib Salih, Mawsim al-hidjra ilā al-shimāl verscheen in het Arabisch voor het eerst in 1966 in het tijdschrift al-Hiwār en is dikwijls als boek herdrukt en in vele talen vertaald. De Nederlandse vertaling is van Kees Versteegh en verscheen bij Meulenhoff Amsterdam in 1985.

Diacritische tekens: Ḥasan ʿAbdallāh al-Turābī, Ṭayyib Ṣaliḥ, Muṣṭafā al-Sa‘īd, al-Ḥiwār

Terug naar Inhoud

AM: Graanschepen voor Medina. Umars diwan

(Fragment. AM = ‘Abd al-Malik. Ter verduidelijking kunt U eerst dit lezen)

Canal_des_PharaonsIn 640 werd Egypte voor de Arabieren veroverd door ‘Amr ibn al-‘Ās; Alexandrië iets later. Een van de eerste dingen die hij liet doen was het opknappen van het Bubastiskanaal, dat liep van het huidige Zagazig in de Nijldelta naar het huidige Ismā‘īlīya en dan naar het zuiden door het Krokodillenmeer en de Bittermeren naar Qulzum, ergens bij Suez. Het ging dus om een waterverbinding van de delta naar de Rode Zee. In een verbinding Rode Zee–Middellandse Zee was niemand geïnteresseerd. Alexandrië was immers de zeehaven, en de schepen waren klein genoeg om ook over de Nijl of door zo’n kanaal te varen. En anders werd er een keer verladen; alles was goedkoper dan transport over land. Bovendien waren handelscontacten met het Romeinse Rijk in deze periode niet aan de orde.
.
Dit of een soortgelijk kanaal bestond al in de tijd van de farao’s. Het kanaal dat ‘Amr daar aantrof was dat van de Perzische koning Darius (522–486 v. Chr.), die er inscripties achterliet. Na het vertrek van de Perzische bezetters wilde niemand meer met de boot naar Perzië en werd het kanaal verwaarloosd. Ptolemæus II (284–246 v. Chr.) had het opgeknapt, ten dele een andere bedding gegeven, en er met een sluis voor gezorgd dat er geen zout water in de Nijl kon stromen. Het eindpunt aan de Rode Zee heette Arsinoë, naar zijn zuster die tevens zijn echtgenote was. Het kanaal werd nog eens vernieuwd door de Romeinse keizer Trajanus (98–117). In zijn tijd beheerste het Romeinse Rijk de zeevaart in de Rode Zee en de Perzische Golf en dreef vlijtig handel met India. Zijn kanaal eindigde bij Clysma (‘Sluis’) of Cleopatris, het latere Arabische Qulzum. Misschien was de waterweg bij aankomst van de Arabieren niet eens in zo slechte toestand; hij schijnt bij hoogwater in de Nijl nog bevaarbaar geweest te zijn. Het was in de Oudheid natuurlijk niet niks, zoiets te bouwen zonder moderne technische hulpmiddelen. Maar het terrein werkte mee, want een groot deel van het traject ging door de zachte bedding van de wadi Tumīlāt. En natuurlijk werkten er talloze slaven mee, van wie er heel veel omgekomen zullen zijn.
.
Toen in de negentiende eeuw het moderne Suezkanaal werd gegraven is dit kanaal weer in gebruik genomen, om vanuit de delta drinkwater en allerlei goederen naar de bouwlocatie te brengen. Hier vindt U een mooie landkaart uit die tijd; door aanklikken kunt U hem vergroten. De dikke horizontale lijn is het bedoelde kanaal; het heet daar Canal de l’Ouadee Salsalamout resp. Canal des Ptolémé (spelling is nooit de sterkste kant van ingenieurs.)
.
In 640 of 641 was het kanaal weer bruikbaar en voeren de eerste schepen met graan naar al-Djār, de haven van Medina. Zulk vervoer was heel veel goedkoper en veiliger dan karavaantransport uit Syrië. Het graan zal in Egypte goedkoop zijn geweest, want de traditionele leveranties naar Constantinopel, dat nu vijandig gebied was, waren weggevallen. En als het niet betaald hoefde te worden omdat het afkomstig was van buitgemaakte staatslanderijen was het nog goedkoper. Voor Medina kon de benauwenis van het rampjaar 639 zich niet meer herhalen.

  • In het jaar 21 schreef ‘Umar aan ‘Amr ibn al-‘Ās en deelde hem mee in welke nood de mensen van Medina verkeerden en beval hem voedsel uit de belastingopbrengst over zee naar Medina te verschepen, en daarbij ook olie. Toen het in al-Djār aankwam voerde Sa‘d daar het bewind. Vervolgens werd het naar een gebouw in Medina gebracht en onder de mensen verdeeld.1

Een variant op hetzelfde verhaal:

  • ‘Umar reed uit met de voornaamste gezellen van de profeet, tot hij in al-Djār kwam, waar hij de schepen zag. Hij gaf opdracht dat graan in ontvangst te nemen en hij liet op die plek twee vestingen bouwen, waarin hij het kon opslaan. Vervolgens gaf hij Zayd ibn Thābit opdracht de mensen op te schrijven volgens hun woonplaatsen en beval hem cheques (sikāk, mv. van sakk) op papyrus te schrijven, die hij onderaan verzegelde.2

Dit zijn teksten over een eerste goederenverdeling; er zijn er meer en ze sluiten niet erg op elkaar aan. Een ander bericht vertelt dat ‘Umar een proef nam omdat hij wilde weten hoeveel graan er per persoon nodig was:

  • ‘Umar beval een djarīb (22,715 kg) tarwe klaar te zetten. Die werd gemalen, dan gebakken en in olie geweekt. Daarop liet hij dertig mannen uitnodigen, die daarvan hun middagmaal gebruikten […] en ’s avonds nog eens hetzelfde, en hij stelde vast: voor een man is per maand 2 djarīb genoeg. En dus gaf hij iedere man, iedere vrouw en iedere slaaf 2 djarīb per maand.3

Maar die graanverdeling was al spoedig achterhaald, want er was nog veel meer te verdelen. Er kwamen ook allerlei andere goederen en geld uit de veroverde gebieden. In dezelfde tijd werden immers Syrië, Iraq en Iran veroverd, wat voor een niet aflatende stroom van buit zorgde. Medina werd rijk, en de regering zorgde er zo goed zij kon voor dat de meeste spullen eerst in de staatskas resp. de staatsmagazijnen terecht kwamen en vandaaruit op gecontroleerde wijze verdeeld werden. Terugkerende soldaten hadden ook nog eens geld in hun zak.
.
Omstreeks het jaar ± 642, dat is pakweg een jaar na de eerste graanzendingen uit Egypte, zette kalief ‘Umar daarom een registratie op van alle vroege gelovigen, de zog. Dīwān al-djund.4 Daarin werden alle Emigranten uit Mekka, maar ook die naar Ethiopië waren geëmigreerd en teruggekomen, en de zog. ‘Helpers’ in Medina, en allen die eervol hadden deelgenomen aan Mohammeds militaire expedities of anderszins verdiensten hadden voor zijn zaak; kortom alle vrije inwoners van Medina! Achter hun naam werden hun daden vermeld.
Al deze mensen kregen voortaan ieder jaar een uitkering uit de staatskas, en hun kinderen vaak ook nog. En denkt U daarbij niet aan zoiets als de Bijstand. De uitkeringen die indertijd aan de armen onder de Emigranten (ahl al-suffa) gedaan werden, dát was bijstand geweest, maar nu ging het om forse bedragen. Dit was ongekend. Als mensen in de Oudheid geregistreerd werden was dat om effectief belastingen van hen te heffen. Hier ging het om de verstrekking van een basisinkomen, of eregeld, of zo U wilt een gecontroleerde verdeling van oorlogsbuit.
.
Er was een hiërarchie in uitkeringsgerechtigden naar hun verdienstelijkheid. Puin onderscheidt vier groepen:4

  • Klasse 1: Deelnemers slag bij Badr; vrouwen van de profeet 4000 DH (=dirham), later 5000 of 6000
    Klasse 2: Overige Emigranten en Helpers (ansār) 1000 DH minder dan Kl. 1
    Klasse 3: Deelname aan Ḥudaybiya en de zg. Ridda-oorlogen 1000/2000 DH minder dan Kl. 2
    Klasse 4: Alle overige inwoners van Medina 250–400 DH

Puin zet weliswaar bij al zijn data een vraagteken, maar het geeft een indruk. Vooral is onzeker hoeveel de nakomelingen van de oorspronkelijke uitkeringsgerechtigden kregen.
Het was dus van groot belang hoe een man geregistreerd stond. Zonen en kleinzonen zullen hun best hebben gedaan opa’s goede daden nog wat aan te dikken, niet alleen voor het prestige, maar ook voor een royalere uitkering. Dat heeft zijn uitwerking gehad op de biografische literatuur (genre: de Verdiensten der Gezellen).
De Mekkanen kregen overigens niets—tenzij ze zich na hun late bekering in 630 alsnog hadden ingezet voor de goede zaak, door bij voorbeeld als soldaat naar Syrië of Iraq te trekken; dat gold ook als hidjra (Emigratie).

Wat heeft dit alles met ‘Abd al-Malik te maken? Het ging mij erom, het Medina te beschrijven waarin hij is opgegroeid. Maar bovendien was hij ooit een tijd lang directeur van die dīwān. Ook daarom moet ik vertellen wat dat was.

Dit is natuurlijk maar een schets, die naar believen aangevuld kan worden.

NOTEN
1. Al-Balādhurī, Futūḥ al-buldan (Liber expugantionis regum), uitg. M.J. de Goeje, Leiden 1866, 216. وكتب عمر بن الخطاب في سنة ٢١ الى عمرو بن العاصي يعلمه ما فيه أهل المدينة من الجهد ويأمره أن يحمل ما يقبض من الطعام في الخراج الى المدينة في البحر فكان ذلك يُحمل ويحمل معه الزيت فإذا ورد الجار تولّى قبضه سعد الحار ثم جُعل في دار بالمدينة وقسم بين الناس بمكيال.
2. Al-Ya‘qūbī, Ta’rīkh ii, 154 @nog controleren@@
3. G.-R. Puin,
Der Dīwān von ʿUmar ibn al-Ḫaṭṭāb. Ein Beitrag zur frühislamischen Verwaltungsgeschichte, Ph. D. Diss. Bonn 1970, 90; al-Balādhurī, Futūḥ al-buldān, Cairo ed. 363 @nog controleren@@
4. Puin,
o.c., 94–5
5. Puin, o.c., 113–4. Puins boek bevat een weelde aan bronnen en verwijzingen.

Diacritische tekens: ʿAmr ibn al-ʿĀṣ, ṣikāk, mv. van ṣakk, ahl al-ṣuffa, anṣār

ABD AL-MALIK IBN MARWAN: startpagina. De eerste kaliefen. Mu‘awiya’s opvolgers. De Umayyaden uit Medina verjaagd. Abd al-Malik geeft strategisch advies. Abd al-Malik oefent zich in wreedheid en moord. As over Medina? De Rotskoepel in Jeruzalem.

Terug naar Inhoud