De eerste Arabische marine

In 640 veroverden de Arabieren de Romeinse provincie Egypte, maar in 646 werd Alexandrië alweer terugveroverd door een Romeinse vloot. Die bleef niet zo lang, maar het was een schok te beseffen hoe gemakkelijk het nieuwe Arabische rijk vanuit zee binnen te vallen was. De capabele Gouverneur van Syrië, Mu‘āwiya, die later kalief zou worden, overtuigde zijn wat passieve oudoom kalief ‘Uthmān van de noodzaak een marine op te bouwen. Hij kreeg toestemming en dwong talloze scheepsbouwers in Egypte en Syrië schepen te bouwen. Na drie jaar lag er een vloot van maar liefst 1700 schepen voor de Syrische kust: ‘de zee was niet meer te zien van de masten’.
.
Nu moest die vloot natuurlijk uitgeprobeerd worden. Men bracht soldaten aan boord, 12.000 naar men zegt, en voerde in het voorjaar van 649 een overval uit op het nog Romeinse eiland Cyprus. De bewoners daar lieten de soldaten gewoon aan land gaan omdat zij dachten dat het Romeinen waren. Men kon zich blijkbaar niet voorstellen dat er zoiets als een Arabische vloot bestond. De troepen konden gewoon doorlopen naar de hoofdstad Constantia (Grieks Σαλαμίνα, Salamina), niet ver van het huidige Famagusta, die zij bezetten en plunderden. Zeer grote hoeveelheden goud en zilver en talloze slaven en slavinnen werden buitgemaakt. Zo werden de kosten van de vlootbouw er aardig uitgehaald.
.
Een hadith vertelt dat er een vrouw was, die graag als soldaat met haar man mee wilde gaan op deze tocht naar Cyprus. Zij mocht mee, maar viel na terugkeer in Syrië van haar muildier/paard? en werd aldus martelares. Om haar te gedenken bouwde men van 1760–1816 een moskee rond haar graftombe op Cyprus.

[…] van Anas ibn Mālik, van zijn tante Umm Harām bint Milhān: De profeet sliep op een dag dicht bij mij en toen hij wakker werd glimlachte hij. Ik vroeg waarom hij lachte. Hij zei: [In de droom] zijn mij mensen uit mijn gemeente getoond terwijl zij de groene zee bevoeren als koningen op tronen. Zij zei: Bid tot God dat hij mij een van hen maakt! Toen bad [de Profeet] voor haar en sliep weer in; hetzelfde gebeurde nog een keer. Hij zei: Jij bent een van de eersten. Zij ging met met haar echtgenoot ‘Ubāda ibn al-Sāmit mee op krijgstocht toen de moslims voor het eerst de zee bevoeren met Mu‘āwiya. Toen zij terug waren van de tocht en in Syrië weer aan land gingen werd haar een rijdier gebracht om op te rijden, maar dat wierp haar af en daaraan stierf zij.1

Het varen en plunderen ging lekker, en Mu‘āwiya zette vervolgens koers naar Constantinopel, maar zijn vloot werd op de vlucht gejaagd. Dan maar naar Arwad, een klein eilandje voor de Syrische kust tegenover Tartūs, maar dat kon hij niet innemen omdat het zeer sterke vestingwerken had. Intussen werd het winter en de vloot keerde naar Syrië terug, maar in het voorjaar van 650 veroverde Muʿāwiya’s vloot Arwad en slechtte de vestingwerken. Daarna was Cyprus nog een keer aan de beurt, waar inmiddels Romeinse troepen gelegerd waren. Dezen spoorden de bewoners aan standvastig te blijven, maar bij de aanblik van de Arabische vloot sloegen zij op de vlucht en probeerden zich overal te verstoppen. Tevergeefs: de Arabieren ‘pulkten ze uit de spleten in de grond als eieren die in een nest waren achtergelaten.’ Wederom werden grote hoeveelheden edelmetaal buitgemaakt en maar liefst 50.000 slaven, al zal dat getal wel overdreven zijn. Constantia heeft zich nooit hersteld.
.
De scheepsbouwers en de zeelui waren allen christelijke Kopten en Syriërs; de soldaten waren Arabieren. Zowel de Syriërs als de Egyptenaren hadden een eeuwenoude traditie van scheepsbouw en zeevaart. Hoewel scheepvaart in de koran een niet onbelangrijk onderwerp is waren de Arabische veroveraars in Syrië bepaald huiverig voor de zee. Dat de matrozen en roeiers Christenen waren bleek nog in 716 een nadeel. Toen de vloot Constantinopel wilde aanvallen maar ergens bij het huidige Rumeli Hisarı aan de Bosporus moest overwinteren liepen velen van hen over, omdat zij bedachten dat zij christen waren en eigenlijk eerder in het Romeinse Rijk thuishoorden.

BIBLIOGRAFIE
– Robert G. Hoyland, In God’s Path: The Arab Conquests and the Creation of an Islamic Empire, Oxford 2015, blz. 90–3.
– Hugh Kennedy, De grote Arabische veroveringen. Vert. Guus Houtzager, Amsterdam/ Antwerpen 2008, hst. 10. Het Engelse origineel: The Great Arab Conquests. How the Spread of Islam Changed the World We Live In, London 2007, ch. 10.

NOOT
1. Bukhārī, Jihād 8, var. Jihād 3, 17.

حَدَّثَنَا عَبْدُ اللَّهِ بْنُ يُوسُفَ قَالَ حَدَّثَنِي اللَّيْثُ حَدَّثَنَا يَحْيَى عَنْ مُحَمَّدِ بْنِ يَحْيَى بْنِ حَبَّانَ عَنْ أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ عَنْ خَالَتِهِ أُمِّ حَرَامٍ بِنْتِ مِلْحَانَ قَالَتْ  نَامَ النَّبِيُّ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ يَوْمًا قَرِيبًا مِنِّي ثُمَّ اسْتَيْقَظَ يَتَبَسَّمُ فَقُلْتُ مَا أَضْحَكَكَ قَالَ أُنَاسٌ مِنْ أُمَّتِي عُرِضُوا عَلَيَّ يَرْكَبُونَ هَذَا الْبَحْرَ الْأَخْضَرَ كَالْمُلُوكِ عَلَى الْأَسِرَّةِ قَالَتْ فَادْعُ اللَّهَ أَنْ يَجْعَلَنِي مِنْهُمْ فَدَعَا لَهَا ثُمَّ نَامَ الثَّانِيَةَ فَفَعَلَ مِثْلَهَا فَقَالَتْ مِثْلَ قَوْلِهَا فَأَجَابَهَا مِثْلَهَا فَقَالَتْ ادْعُ اللَّهَ أَنْ يَجْعَلَنِي مِنْهُمْ فَقَالَ أَنْتِ مِنْ الْأَوَّلِينَ فَخَرَجَتْ مَعَ زَوْجِهَا عُبَادَةَ بْنِ الصَّامِتِ غَازِيًا أَوَّلَ مَا رَكِبَ الْمُسْلِمُونَ الْبَحْرَ مَعَ مُعَاوِيَةَ فَلَمَّا انْصَرَفُوا مِنْ غَزْوِهِمْ قَافِلِينَ فَنَزَلُوا الشَّأْمَ فَقُرِّبَتْ إِلَيْهَا دَابَّةٌ لِتَرْكَبَهَا فَصَرَعَتْهَا فَمَاتَتْ.

Diacritische tekens: Muʿawiya, Umm Ḥarām bint Milḥān, ʿUbāda ibn al-Ṣāmit, Ṭarṭūs

Terug naar Inhoud

De slag bij Mu’ta (vertaalde tekst)

Over de door Mohammed bevolen militaire expeditie naar het zeer noordelijk gelegen Mu’ta is vrijwel niets met zekerheid bekend. Stellig heeft de Romeinse keizer Heraclius niet, zoals de verhalen beweren, de moeite genomen met een leger van tweehonderdduizend man tegen drieduizend Arabieren te komen vechten. Op zijn hoogst is er ooit een schermutseling geweest met het Romeinse grensleger. Er zouden slechts acht of negen moslims zijn gesneuveld, onder wie drie aanvoerders, wat merkwaardig is. Zie over deze slag ook hier, onderaan.

“““Muhammad ibn Dja‘far heeft gehoord van ‘Urwa ibn al-Zubayr: In de maand djumādā al-ūlā van het jaar 8 [629] stuurde de Profeet een leger naar Mu’ta, onder commando van Zayd ibn Hāritha. Als Zayd zou sneuvelen zou het bevel overgaan op Dja‘far ibn abī Tālib; als ook deze zou vallen zou ‘Abdallāh ibn Rawāha het commando overnemen.
De moslims rustten zich uit, drieduizend man, en toen het ogenblik van vertrek was aangebroken namen de veldheren van de Profeet afscheid van hen die achterbleven in Medina. ‘Abdallāh ibn Rawāha brak daarbij in tranen uit en toen hem werd gevraagd waarom, zei hij: ‘Het is niet omdat ik aan deze wereld gehecht ben of jullie zo liefheb, maar omdat ik de Profeet een koranvers heb horen reciteren over het hellevuur: Er is niemand onder u die daarin niet afdaalt; dat is een vaststaand besluit bij uw Heer, (koran 19:71) en ik weet niet hoe ik kan terugkomen als ik eenmaal daarin ben afgedaald.’ De moslims zeiden: ‘Ga met God; moge Hij jullie beschermen en veilig terugbrengen.’ Toen zei ‘Abdallāh:

’k Vraag God vergiffenis, en een trefzeker zwaard,
dat brede wonden slaat, waar schuimend bloed uit spuit,
of van mijn lans een rake stoot, die boort met vaart
door ingewand en lever, en door de rug eruit!
Dat bidden zal wie later langs mijn graf mocht gaan:
“God, breng uw strijder thuis; hij heeft het goed gedaan!”

Het leger brak op en de Profeet trok een eindje mee, om afscheid te nemen. Toen hij terugkeerde naar Medina zei ‘Abdallāh:

Gegroet, geleider die ik achterlaat
bij deze palmen, vriend en toeverlaat!

Zij trokken voort tot Ma‘ān, in Syrië. Daar vernamen zij dat Heraclius naar Moab was gekomen, in de landstreek Balkā’, met honderdduizend Romeinen, bij wie zich nog eens honderdduizend man uit de stammen Lahm, Djudhām, Qain, Bahrā’ en Balī hadden aangesloten; dezen werden aangevoerd door een Baliet uit Irasha, die Malik ibn Zafila heette. Bij het horen van dat nieuws bleven de moslims twee dagen in Ma‘ān om zich te beraden over wat hun te doen stond. Sommigen wilden aan de Profeet schrijven hoe groot de overmacht van de vijand was; dan kon hij hun versterkingen sturen of anders zouden ze zijn bevel afwachten. Maar ‘Abdallāh ibn Rawāha sprak hun moed in: ‘Mannen, waar jullie nu voor terugdeinzen, dat is toch juist hetgeen waarvoor wij zijn uitgetrokken: de martelaarsdood! Wij strijden niet met ons aantal manschappen of onze gevechtssterkte, maar met deze godsdienst waarmee God ons heeft geëerd. Laten we dus verder trekken: van twee mooie zaken wacht ons er één: de overwinning of de martelaarsdood!’ Toen zeiden de mannen: ‘Bij God, hij heeft gelijk,’ en ze trokken verder.
Bij de grens van de Balkā’, bij het dorp Mashārif, stuitten zij op de troepen van de Romeinen en de bedoeïenen. Op de nadering van de vijand trokken de moslims zich terug op het dorpje Mu’ta, en daar kwam het tot een treffen. Zayd vocht met de vlag van de Profeet in zijn hand, tot hij onder de lansen van de vijand bezweek aan bloedverlies. De vlag werd overgenomen door Dja‘far, die zich ermee in de strijd stortte. Toen hij aan alle kanten was ingesloten sprong hij van zijn goudvos, sneed hem de pezen door en vocht tot hij werd gedood. Dja‘far was de eerste moslim die zijn paard de pezen doorsneed.
Yahyā ibn ‘Abbād ibn ‘Abdallāh ibn al-Zubayr heeft gehoord van zijn vader dat hij zijn pleegvader, die erbij was geweest in Mu’ta, had horen zeggen: Ik zie het nog voor me, hoe Dja‘far van zijn goudvos sprong, het dier de pezen doorsneed, vocht tot hij werd gedood en hoe hij toen nog zei:

Ja, Edens lusthof is nabij,
de drank der zaal’gen wacht op mij!
De Griek krijgt zijn gerechte straf.
Die heidenen, dat lage ras—
Als ik zo’n kop zie sla ’k hem af!

Nadat Dja’far was gevallen nam ‘Abdallāh ibn Rawāha de vlag over en stormde voorwaarts op zijn paard. Hij talmde echter een ogenblik en sprak zich moed in met de woorden:

Ik zweer, mijn ziel, je moet nu gaan!
Vecht, of ’t is met je gedaan!
Laat de vijand schreeuwen, razen,
wat zou je ’t paradijs versmaden?
Wil jij, een held’re druppel, leven
door een versleten zak omgeven?

Daarna steeg hij af. Een neef van hem kwam hem een kluif met vlees brengen en zei: ‘Hier, doe wat kracht op, want jij hebt het dezer dagen zwaar te verduren!’ ‘Abdallāh pakte hem aan en beet er wat vanaf. Maar bij het horen van het strijdgewoel dacht hij: ‘Je bent nog in déze wereld!’; hij gooide de kluif weg, greep zijn zwaard en ging erop af. Toen vocht hij tot hij werd gedood. Thābit ibn Akram, een broeder van de stam Adjlān, kreeg de vlag te pakken en riep: ‘Moslims! Wie moet nu de leiding nemen?’ ‘Jij!’ schreeuwden ze terug, maar hij weigerde, en daarop werden ze het eens over Khālid ibn al-Walīd. Deze nam de vlag en probeerde de vijand af te houden en een verder treffen te voorkomen. De partijen gingen uiteen en Khālid leidde het leger terug naar Medina.
‘Urwa’s overlevering vervolgt: Toen het leger dicht bij Medina was gekomen, kwam de Profeet het tegemoet gereden met de achtergebleven moslims. De kinderen renden ernaast. ‘Neem die jongens voorop,’ riep de Profeet, ‘en geef mij de zoon van Dja‘far!’ Ze brachten hem ‘Abdallāh ibn Dja‘far en hij zette de knaap voor zich op zijn rijdier. De mensen begonnen aarde te gooien naar het leger en riepen: ‘Lafaards! Op de weg van God zijn jullie hard weggelopen!’ De Profeet kwam tussenbeide met de woorden: ‘Als God het wil zijn het geen weglopers, maar hebben zij zich teruggetrokken om opnieuw in de aanval te gaan.’”””

Bron: Ibn Ishāq (704–767): Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 791–802. Hierboven een kleine keuze uit: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 201–205.

Diakritische tekens: Muʾta, Muḥammad ibn Djaʿfar,ʿUrwa, Zayd ibn Ḥāritha, Dja‘far ibn abī Ṭālib, ʿAbdallāh ibn Rawāḥa, Maʿān, Balqāʾ, Laḥm@, Djudhām@, Bahrāʾ@, Irasha@, Malik@ ibn Zafila@, Yaḥyā ibn ʿAbbād, Adjlān@

Terug naar Inhoud

AM: De Rotskoepel in Jeruzalem

800px-Dome_of_the_Rock_Jerusalem_Victor_2011_-1-7(Fragment. Ter verduidelijking kunt U eerst dit lezen)

Het mooiste bouwwerk tussen Damascus en Cairo is de zevende-eeuwse Rotskoepel in Jeruzalem. Het staat op het plateau waar ooit de Tempel van Salomo gestaan moet hebben. Hoewel niet groot is het een dominerend gebouw, dat je van vele plaatsen uit de verte ziet. Toen er nog geen hoogbouw was moet dat nog meer het geval geweest zijn. Hier kunt U er een virtuele wandeling langs en doorheen maken. Naar verluidt mogen alleen moslims er naar binnen; ik ben er twintig jaar geleden nog wel in geweest.

domerockinterior2Het is een achthoekig gebouw met een rond binnenwerk (rotunda). Een moskee is het niet; die stond en staat een eindje verder op dat plateau. In het midden van de koepel ligt een flink rotsblok met een balustrade eromheen. Bezoekers kunnen er rondjes omheen lopen. Waarom zouden ze dat doen, vraagt U zich misschien af, maar dat wordt bij de zwarte steen in de Ka‘ba te Mekka ook gedaan. Ook het christendom en vele andere godsdiensten kennen religieus betekenisvolle ‘ommegangen’.

Het was kalief ‘Abd al-Malik die de Rotskoepel heeft laten bouwen, zo tussen 688 en 692. Waarom? Vroege schriftelijke bronnen vermelden het gebouw met geen woord, maar er zijn verschillende theorieën over.

Eén verklaring is de nog woedende burgeroorlog: Syriërs zouden de bedevaart naar Mekka niet hebben kunnen of willen maken omdat daar kalief ‘Abdallāh ibn al-Zubayr heerste en onder de pelgrims anti-Umayyadische propaganda bedreef. Daarom moest er een alternatief heiligdom in Jerusalem gebouwd worden.
Maar de bouw duurde een jaar of drie, en ‘Abd al-Malik was toen toch al druk bezig het kalifaat van Ibn al-Zubayr op te rollen? Het had wel van heel weinig vertrouwen in zijn eigen militaire capaciteiten getuigd als hij zijn twijfel aan de eindoverwinning al bij voorbaat in steen had vastgelegd. Toen hij Mekka en Medina terugveroverde kwam het gebouw juist gereed, dus met betrekking tot de burgeroorlog was het van meet af aan overbodig.

Meer voor de hand ligt het gebouw te interpreteren als statement aan de monotheïsten. En dat nog wel op de tempelberg, een schitterende, strategische locatie waar ooit de tempel van de joden had gestaan, maar nu al eeuwen niet meer. Joden vormden blijkbaar geen probleem, want die mochten nu weer in Jerusalem wonen, wat eeuwen lang niet toegestaan was geweest. Door hun geringe aantal vormden ze geen factor van belang. Christenen daarentegen vormden bijna de gehele bevolking van het westelijk deel van het Arabische Rijk. En voor hen was Jerusalem een zeer centrale plaats, met zijn kerk van het Heilige Graf, een niet zo stralend gebouw omgeven door een web van smalle straatjes, en daarin het Heilige Kruis, dat pas in 630 door keizer Heraclius in de kerk was teruggebracht nadat het door de Perzische vijand geroofd was geweest. De rotskoepel stond vrij: een fris, nieuw gebouw, uitdagend door zijn ligging, zijn schoonheid en de teksten die erop en erin stonden. Duidelijk is wat er over Jezus te denken is:

Mensen van de Schrift! Overdrijft niet in jullie godsdienst en zegt niets over God dan de waarheid. De Messias Jezus, de zoon van Maria, is de gezant van God en Zijn woord, dat hij toevertrouwde aan Maria, en een geest van hem. Gelooft dan in God en zijn boodschappers, en zegt niet: ‘Drie’. Houdt daarmee op, dat is beter voor u. God is één God, geloofd zijn hij! Dat hij een kind zou hebben. Hem behoort wat in de hemelen en wat op aarde is, en God volstaat als bewindvoerder. (Koran 4:171)

Aan eeuwenlang dogmatisch gehakketak over de natuur van Christus moest met deze en andere teksten een einde gemaakt worden. Ook Mohammed wordt als dienaar en gezant van God genoemd; dat was tevoren nog nauwelijks zo in het openbaar gedaan.

Met dit afscheid van de christenheid werd de islam geboren. Arabisch, de taal van de inscripties op het gebouw, zou voortaan de rijkstaal zijn; niet meer Syrisch of Grieks. Met het gemak waarmee gelovigen bij christenen de kerk binnenwipten en daar soms hun gebeden verrichtten zou het langzamerhand afgelopen zijn. Koranexemplaren werden naar de provinciehoofdsteden gestuurd, zodat men wist welke tekst de juiste was.

Voor moslims zullen de Rotskoepel en Jeruzalem aanvankelijk niet van groot belang zijn geweest. Integendeel; na de beëindiging van de burgeroorlog kreeg het heroverde Mekka een veel grotere nadruk. Met het afscheid van het christendom werd Arabië pas echt belangrijk: in de nieuwe islam werd een ‘ontbijbeling’ ingeluid. De koppeling van het verhaal over Mohammeds hemelvaart aan het heiligdom in Jerusalem en de verering van Jeruzalem door moslims überhaupt dateren van veel later dan het gebouw zelf.

Bibliografie: een kleine keus
– K. A. C. Creswell, Early Muslim Architecture. Oxford 1932, i, 42–94.
– O. Grabar, The Dome of the Rock, Harvard University Press 2006 (vooral voor de kunsthistorische kant)
– H. Busse: ‘Zur Geschichte und Deutung der frühislamischen Ḥarambauten in Jerusalem,’ Zeitschrift des Deutschen Palästina-Vereins (ZDPV), 107 (1991), S. 144–154.
– En vele andere! Het Duitse Wikipedia-Artikel ‘Felsendom’ bevat veel informatie over de Rotskoepel en heeft goede foto’s en een uitgebreide bibliografie.

ABD AL-MALIK IBN MARWAN: startpagina. De eerste kaliefen. Mu‘awiya’s opvolgers. De Umayyaden uit Medina verjaagd. Abd al-Malik geeft strategisch advies. Abd al-Malik oefent zich in wreedheid en moord. As over Medina? Graanschepen voor Medina. Arbeidsloos inkomen.

Terug naar Inhoud

Verlicht en doorgebrand. Al-Turabi als romanfiguur? (1)

Hasan ‘Abdallāh al-Turābī (1932–2016) is gestorven, en ik treur niet om hem. Als leider van de Moslim Broederschap in Soedan was hij een van de voornaamste verwoesters van dat ooit zo gemoedelijke land.
Hij stamde uit Kassalā, een door islamitische mystiek gestempelde stad, studeerde rechten in Khartoem van 1951–55, in London van 1955–1959 en promoveerde in 1964 aan de Parijse Sorbonne. Hij moet dus behoorlijk briljant geweest zijn en twee Europese hoofdsteden en twee Europese talen grondig hebben gekend. Weer thuis werd hij een van de medeoprichters van de Moslim Broederschap, die actie voerde tegen de lakse moraal van de elite en ook tegen de communisten. Hij was partijleider en bekleedde verschillende hoge ambten. Zijn persoonlijke streven was een op de Sharī‘a gebaseerde grondwet voor zijn land, die in 1983 een feit werd. Naar verluidt verdiende al-Turābī goed aan het toen ingevoerde islamitische bankwezen. Hij gaf de nu nog steeds zittende dictator al-Bashīr zijn volledige steun, maar werd na enige tijd wel door hem uit de politiek gegooid. Als geestelijk leider bleef hij echter invloedrijk. Ook de Soedanese tak van al-Qā‘ida genoot zijn steun.
Als U meer over hem wilt weten kunt U hem naslaan in de Wikipedia, in de Engelse of de Duitse versie.
.
Men zegt soms dat het met ‘de islam’ veel beter zou gaan als die tenminste de Verlichting zou kennen. Al-Turābī was het levende bewijs — maar lang niet het enige — van het tegendeel. Hij was uitstekend bekend met het denken en de waarden van het Westen en kende de Verlichting zonder twijfel een stuk beter dan de columnisten die de islam er eentje toewensen. Maar zodra hij weer terug was in Khartoem schudde hij dat allemaal af, schoof ook de de easy going islam en de mystieke verlichting waarmee hij was opgegroeid terzijde en werd Moslim Broeder en duisterling. Hij zal zijn buik vol gehad hebben van de arrogantie van London en Parijs. Jaren geleden heb ik zelf eens ervaren hoe het is om naast een wat armelijk geklede Egyptenaar door Parijs te lopen. Het was schokkend de verachting te voelen die toen onze kant op woei.1 Voor mij tenminste; die Egyptenaar kende dat natuurlijk al.
.
Door al-Turābī’s dood moest ik terugdenken aan een Arabische roman. Want ik vond het altijd een beetje griezelig: het leek wel of hij model had gestaan voor Moestafa Sa‘ied, de hoofdpersoon van al-Tayyib Salih’s roman Seizoen van de trek naar het Noorden van 1966.2
De auteur moet al-Turābī hebben gekend. Soedan is een groot land, maar had in de vijftiger jaren heel weinig ‘westers’ gevormde intellectuelen. Lange tijd was deze briljante man de enige Soedanees met een buitenlandse doctorstitel. Ook de drie jaar oudere Salih heeft eerst in Khartoem en daarna in Engeland, in Exeter, gestudeerd, waarna hij vele jaren als medewerker verbonden was aan de Arabische afdeling van de BBC. Misschien heeft hij al-Turābī wel geinterviewd. Er waren toen zo weinig intellectuele Soedanezen in Engeland dat hij hem wel gekend móet hebben. Of Salih hem werkelijk in zijn achterhoofd had toen hij zijn roman schreef is echter niet te zeggen. In elk geval ging het met het leven van zowel de echte persoon als het romanpersonage na de studie noodlottig mis.
Over de roman een volgende keer.
.
WORDT VERVOLGD (maar voorlopig nog niet)

NOTEN
1. Ook bij personen uit heel andere culturen leidt het contact met de westerse waarden soms tot rampen; denk aan de Cambodjaanse massamoordenaar Pol Pot, die op een Franse school had gezeten en in Parijs mocht studeren.
2. al-Tayyib Salih, Mawsim al-hidjra ilā al-shimāl verscheen in het Arabisch voor het eerst in 1966 in het tijdschrift al-Hiwār en is dikwijls als boek herdrukt en in vele talen vertaald. De Nederlandse vertaling is van Kees Versteegh en verscheen bij Meulenhoff Amsterdam in 1985.

Diacritische tekens: Ḥasan ʿAbdallāh al-Turābī, Ṭayyib Ṣaliḥ, Muṣṭafā al-Sa‘īd, al-Ḥiwār

Terug naar Inhoud

AM: Graanschepen voor Medina. Umars diwan

(Fragment. AM = ‘Abd al-Malik. Ter verduidelijking kunt U eerst dit lezen)

Canal_des_PharaonsIn 640 werd Egypte voor de Arabieren veroverd door ‘Amr ibn al-‘Ās; Alexandrië iets later. Een van de eerste dingen die hij liet doen was het opknappen van het Bubastiskanaal, dat liep van het huidige Zagazig in de Nijldelta naar het huidige Ismā‘īlīya en dan naar het zuiden door het Krokodillenmeer en de Bittermeren naar Qulzum, ergens bij Suez. Het ging dus om een waterverbinding van de delta naar de Rode Zee. In een verbinding Rode Zee–Middellandse Zee was niemand geïnteresseerd. Alexandrië was immers de zeehaven, en de schepen waren klein genoeg om ook over de Nijl of door zo’n kanaal te varen. En anders werd er een keer verladen; alles was goedkoper dan transport over land. Bovendien waren handelscontacten met het Romeinse Rijk in deze periode niet aan de orde.
.
Dit of een soortgelijk kanaal bestond al in de tijd van de farao’s. Het kanaal dat ‘Amr daar aantrof was dat van de Perzische koning Darius (522–486 v. Chr.), die er inscripties achterliet. Na het vertrek van de Perzische bezetters wilde niemand meer met de boot naar Perzië en werd het kanaal verwaarloosd. Ptolemæus II (284–246 v. Chr.) had het opgeknapt, ten dele een andere bedding gegeven, en er met een sluis voor gezorgd dat er geen zout water in de Nijl kon stromen. Het eindpunt aan de Rode Zee heette Arsinoë, naar zijn zuster die tevens zijn echtgenote was. Het kanaal werd nog eens vernieuwd door de Romeinse keizer Trajanus (98–117). In zijn tijd beheerste het Romeinse Rijk de zeevaart in de Rode Zee en de Perzische Golf en dreef vlijtig handel met India. Zijn kanaal eindigde bij Clysma (‘Sluis’) of Cleopatris, het latere Arabische Qulzum. Misschien was de waterweg bij aankomst van de Arabieren niet eens in zo slechte toestand; hij schijnt bij hoogwater in de Nijl nog bevaarbaar geweest te zijn. Het is natuurlijk niet niks, in de Oudheid zoiets te bouwen zonder moderne technische hulpmiddelen. Maar het terrein werkte mee, want een groot deel van het traject ging door de zachte bedding van de wadi Tumīlāt. En natuurlijk werkten er talloze slaven mee, van wie er heel veel omgekomen zullen zijn.
.
Toen in de negentiende eeuw het moderne Suezkanaal werd gegraven is dit kanaal weer in gebruik genomen, om vanuit de delta drinkwater en allerlei goederen naar de bouwlocatie te brengen. Hier vindt U een mooie landkaart uit die tijd; door aanklikken kunt U hem vergroten. De dikke horizontale lijn is het bedoelde kanaal; het heet daar Canal de l’Ouadee Salsalamout resp. Canal des Ptolémé (spelling is nooit de sterkste kant van ingenieurs.)
.
In 640 of 641 was het kanaal weer bruikbaar en voeren de eerste schepen met graan naar al-Djār, de haven van Medina. Zulk vervoer was heel veel goedkoper en veiliger dan karavaantransport uit Syrië. Het graan zal in Egypte goedkoop zijn geweest, want de traditionele leveranties naar Constantinopel, dat nu vijandig gebied was, waren weggevallen. En als het niet betaald hoefde te worden omdat het afkomstig was van buitgemaakte staatslanderijen was het nog goedkoper. Voor Medina kon de benauwenis van het rampjaar 639 zich niet meer herhalen.

  • In het jaar 21 schreef ‘Umar aan ‘Amr ibn al-‘Ās en deelde hem mee in welke nood de mensen van Medina verkeerden en beval hem voedsel uit de belastingopbrengst over zee naar Medina te verschepen, en daarbij ook olie. Toen het in al-Djār aankwam voerde Sa‘d daar het bewind. Vervolgens werd het naar een gebouw in Medina gebracht en onder de mensen verdeeld.1

Een variant op hetzelfde verhaal:

  • ‘Umar reed uit met de voornaamste gezellen van de profeet, tot hij in al-Djār kwam, waar hij de schepen zag. Hij gaf opdracht dat graan in ontvangst te nemen en hij liet op die plek twee vestingen bouwen, waarin hij het kon opslaan. Vervolgens gaf hij Zayd ibn Thābit opdracht de mensen op te schrijven volgens hun woonplaatsen en beval hem cheques (sikāk, mv. van sakk) op papyrus te schrijven, die hij onderaan verzegelde.2

Dit zijn teksten over een eerste goederenverdeling; er zijn er meer en ze sluiten niet erg op elkaar aan. Een ander bericht vertelt dat ‘Umar een proef nam omdat hij wilde weten hoeveel graan er per persoon nodig was:

  • ‘Umar beval een djarīb (22,715 kg) tarwe klaar te zetten. Die werd gemalen, dan gebakken en in olie geweekt. Daarop liet hij dertig mannen uitnodigen, die daarvan hun middagmaal gebruikten […] en ’s avonds nog eens hetzelfde, en hij stelde vast: voor een man is per maand 2 djarīb genoeg. En dus gaf hij iedere man, iedere vrouw en iedere slaaf 2 djarīb per maand.3

Maar die graanverdeling was al spoedig achterhaald, want er was nog veel meer te verdelen. Er kwamen ook allerlei andere goederen en geld uit de veroverde gebieden. In dezelfde tijd werden immers Syrië, Iraq en Iran veroverd, wat voor een niet aflatende stroom van buit zorgde. Medina werd rijk, en de regering zorgde ervoor dat de meeste spullen eerst in de staatskas resp. de staatsmagazijnen terecht kwamen en vandaaruit op gecontroleerde wijze verdeeld werden. Terugkerende soldaten hadden ook nog eens geld in hun zak.
.
Omstreeks het jaar ± 642, dat is pakweg een jaar na de eerste graanzendingen uit Egypte, zette kalief ‘Umar daarom een registratie op van alle vroege gelovigen, de zog. Dīwān al-djund.4 Daarin werden alle Emigranten uit Mekka, maar ook die naar Ethiopië waren geëmigreerd en teruggekomen, en de zog. ‘Helpers’ in Medina, en allen die eervol hadden deelgenomen aan Mohammeds militaire expedities of anderszins verdiensten hadden voor zijn zaak; kortom alle vrije inwoners van Medina! Achter hun naam werden hun daden vermeld.
Al deze mensen kregen voortaan ieder jaar een uitkering uit de staatskas, en hun kinderen vaak ook nog. En denkt U daarbij niet aan zoiets als de Bijstand. De uitkeringen die indertijd aan de armen onder de Emigranten (ahl al-suffa) gedaan werden, dát was bijstand geweest, maar nu ging het om forse bedragen. Dit was ongekend. Als mensen in de Oudheid geregistreerd werden was dat om effectief belastingen van hen te heffen. Hier ging het om de verstrekking van een basisinkomen, of eregeld, of zo U wilt een gecontroleerde verdeling van oorlogsbuit.
.
Er was een hiërarchie in uitkeringsgerechtigden naar hun verdienstelijkheid. Puin onderscheidt vier groepen:4

  • Klasse 1: Deelnemers slag bij Badr; vrouwen van de profeet 4000 DH (=dirham), later 5000 of 6000
    Klasse 2: Overige Emigranten en Helpers (ansār) 1000 DH minder dan Kl. 1
    Klasse 3: Deelname aan Ḥudaybiya en de zg. Ridda-oorlogen 1000/2000 DH minder dan Kl. 2
    Klasse 4: Alle overige inwoners van Medina 250–400 DH

Puin zet weliswaar bij al zijn data een vraagteken, maar het geeft een indruk. Vooral is onzeker hoeveel de nakomelingen van de oorspronkelijke uitkeringsgerechtigden kregen.
Het was dus van groot belang hoe een man geregistreerd stond. Zonen en kleinzonen zullen hun best hebben gedaan opa’s goede daden nog wat aan te dikken, niet alleen voor het prestige, maar ook voor een royalere uitkering. Dat heeft zijn uitwerking gehad op de biografische literatuur (genre: de Verdiensten der Gezellen).
De Mekkanen kregen overigens niets—tenzij ze zich na hun late bekering in 630 alsnog hadden ingezet voor de goede zaak, door bij voorbeeld als soldaat naar Syrië of Iraq te trekken; dat gold ook als hidjra (Emigratie).

Wat heeft dit alles met ‘Abd al-Malik te maken? Het ging mij erom, het Medina te beschrijven waarin hij is opgegroeid. Maar bovendien was hij ooit een tijd lang directeur van die dīwān. Ook daarom moet ik vertellen wat dat was.

Dit is natuurlijk maar een schets, die naar believen aangevuld kan worden.

NOTEN
1. Al-Balādhurī, Futūḥ al-buldan (Liber expugantionis regum), uitg. M.J. de Goeje, Leiden 1866, 216. وكتب عمر بن الخطاب في سنة ٢١ الى عمرو بن العاصي يعلمه ما فيه أهل المدينة من الجهد ويأمره أن يحمل ما يقبض من الطعام في الخراج الى المدينة في البحر فكان ذلك يُحمل ويحمل معه الزيت فإذا ورد الجار تولّى قبضه سعد الحار ثم جُعل في دار بالمدينة وقسم بين الناس بمكيال.
2. Al-Ya‘qūbī, Ta’rīkh ii, 154 @nog controleren@@
3. G.-R. Puin,
Der Dīwān von ʿUmar ibn al-Ḫaṭṭāb. Ein Beitrag zur frühislamischen Verwaltungsgeschichte, Ph. D. Diss. Bonn 1970, 90; al-Balādhurī, Futūḥ al-buldān, Cairo ed. 363 @nog controleren@@
4. Puin,
o.c., 94–5
5. Puin, o.c., 113–4. Puins boek bevat een weelde aan bronnen en verwijzingen.

Diacritische tekens: ʿAmr ibn al-ʿĀṣ, ṣikāk, mv. van ṣakk, ahl al-ṣuffa, anṣār

ABD AL-MALIK IBN MARWAN: startpagina. De eerste kaliefen. Mu‘awiya’s opvolgers. De Umayyaden uit Medina verjaagd. Abd al-Malik geeft strategisch advies. Abd al-Malik oefent zich in wreedheid en moord. As over Medina? De Rotskoepel in Jeruzalem.

Terug naar Inhoud

Abd al-Malik: As over Medina?

(Fragment. Ter verduidelijking kunt U eerst dit lezen)

Als ik over ‘Abd al-Malik ga schrijven moet er ook een stuk over Medina in, waar hij is opgegroeid en jaren heeft gewoond. Medina was een oase van 50 km2 , dus half zo groot als de gemeente Utrecht. (Cijfer erg onzeker; natrekken!@) In de oudheid stond het vol dadelpalmen. Oases konden altijd een maximaal aantal inwoners voeden. Werden het er meer, dan moesten de boventalligen vertrekken, of er moesten levensmiddelen van buiten worden ingevoerd. Viel de oogst tegen dan werd er honger geleden.
.
Het was niet zo dat de inwoners van Medina alleen de dadels aten die er groeiden. Ze ruilden een deel daarvan tegen kamelen- en schapenvlees dat de halfnomaden rond de oase leverden. Zelf hadden ze ook schapen, die melk gaven, en ze gingen vast ook wel op jacht. Uit Syrië importeerden ze graan, dat ze betaalden met goederen of met stukjes goud.
.
Toen de profeet Mohammed na de hidjra in 622 met naar verluidt achtentachtig mannen en hun gezinnen in Medina kwam wonen oefende dat druk uit op de beschikbare levensmiddelen van de oasebewoners. Ze compenseerden dat door rooftochten naar buiten te ondernemen. De armere Emigranten, de ahl al-suffa,1 mochten in de moskee wonen en werden gevoed uit de grote pot.
.
Tijdens de Arabische veroveringen na Mohammeds dood behaalden de soldaten rijke buit. Er kwamen veel mannen naar Medina om daar, na gedane militaire dienst, van hun rust te genieten. De oase werd steeds rijker. Er werd ook geïnvesteerd in irrigatiewerken, o.a. door kalief Mu‘āwiya. Importen deden de rest. Later in de zevende eeuw was Medina een luxe plaats. De bon vivant Hasan ibn Ali woonde er, en de grande dame Sukayna, maar ook Aisha en veel intellectuelen. Daarover een andere keer.
.
Het liep echter niet dadelijk zo fantastisch. Het jaar 18 van de islamitische jaartelling, dat is 639,2 was een jaar van rampspoed en hongersnood. ‘Ām al-ramāda, werd het genoemd, het ‘Jaar van …’ ja, van wat eigenlijk? Het woord ramāda laat ik nog maar even onvertaald; zie daarover onder.
.
De eerste bron die ik daarover lees is het geschiedwerk van al-Tabarī (gest. 923; inderdaad bijna drie eeuwen later!).3
.
‘De mensen,’ zo begint hij, ‘werden in dat jaar getroffen door een grote hongersnood, uitblijvende oogst en droogte; het was het jaar dat ‘ām al-ramāda genoemd wordt.’ Welke mensen; die van Medina? Maar hij heeft het vervolgens over ‘Amwās in Palestina, waar de pest uitbrak (25.000 doden).4 Dat kwam, zo wordt gesuggereerd, omdat de mensen daar aan het wijndrinken waren geslagen. De boosdoeners werden gegeseld en kalief ‘Umar slaakte de vervloeking: ‘“Volk van Syrië, moge jullie iets ongehoords overkomen!”, waarop de ramāda uitbrak.’ Vreemd dat een staatshoofd zoiets zijn eigen onderdanen toewenst; maar goed, hij zal het wel niet werkelijk gezegd hebben. Al deze verhalen bevatten veel fictie.
.
De ramāda was echter in Medina, en daarover gaat al-Ṭabarī’s verdere tekst. Het zou natuurlijk kunnen zijn dat er ook in Syrië werd gehongerd, maar dan is het onwaarschijnlijk dat er vandaar maar liefst 40004 kameelladingen graan als voedselhulp naar Medina zijn overgebracht, zoals we nog zullen zien.
.
‘Tijdens de regering van ‘Umar werden de inwoners van Medina en het ommeland geteisterd door een onvruchtbaar jaar (sana), waarin het stof opwoei, als er wind stond, alsof het as (ramād) regende. Daarom wordt dat jaar het Jaar van de ramāda genoemd.’
.
‘De ramāda was een hongersnood, die de inwoners van Medina en het ommeland trof en zoveel dood met zich bracht dat de wilde dieren in de woonplaatsen van de mensen toevlucht zochten. De mensen gingen er zelfs toe over hun schapen te slachten, maar zij walgden ervan, zo afschuwelijk als het eruit zag, en dat voor mensen die honger hadden.’ In een andere tekst wordt een verklaring gegeven: omdat de dieren vel over been waren en er nauwelijks vlees aan te zien was.’
.
De kalief aarzelde lang voordat hij besloot de garnizoenssteden in Syrië om hulp te vragen. Uiteindelijk kwam er een karavaan van 40004 kamelen, beladen met graan. Dat was een grote opluchting, maar het was aan de late kant: eerst aarzelen, dan een koerier uitsturen, dan moest het voedsel bij elkaar gezocht en opgeladen worden en die karavaan deed er ook nog weken over; kortom, er zullen nog heel wat mensen verhongerd zijn. Een paar jaar later zou er regelmatig graan per schip uit het pas veroverde Egypte komen, maar daar had men in 639 nog niets aan.
.
119005VOLCANIC_11_57415Nog even over deze woorden: ‘…waarin het stof opwoei, als er wind stond, alsof het as (ramād) regende.’ Die stofdeeltjes in de lucht werden dus niet door regen of vocht vastgehouden; maar was dat iets bijzonders? Kijkt U even naar het (moderne) weeroverzicht van Medina. Maandenlang geen regen, zeer geringe luchtvochtigheid; allicht dat daar stofdeeltjes in de lucht zijn. Dit waren echter stofdeeltjes ‘als as’, volgens de bron. En als het nu eens werkelijk as was? De omgeving van Medina is zeer vulkanisch. Meermalen hebben erupties in de naaste omgeving de oase bedreigd; aan de rand van de moderne stad zijn al lavavelden te zien. De Harrat ‘Uwayrid, 300 km ten noordwesten van Medina, had een eruptie ‘omstreeks 640’; de veel nabijere Harrat Khaybar in 650. Zeggen vulkanologen, en hun kennis berust niet op teksten. Daar vlakbij is al-Djabal al-Baydā’, de ‘witte berg’, die zo heet omdat hij de askrater is van een vulkaan. Zou een vulkaaneruptie soms de oorzaak van het rampjaar 639 geweest zijn? Hier ben ik aan het eind van mijn Latijn. Regent het (nog) minder dan anders, als er een eind verderop een vulkaan uitbarst? Had de ondergrondse watervoorraad van de oase zich onder invloed van het natuurgeweld tijdelijk teruggetrokken? Sterven schapen als er allerlei troep op hen valt, of als hun voer met as is bedekt? Was de handelsroute naar Syrië een tijd versperd? Dat alles moet maar door geo-, bio- en vulkanologen uitgezocht worden.

‘Het jaar van de ramāda’: nu nog dat lastige woord. ‘Year of Drought’, schrijft G.H.A. Juynboll in zijn vertaling van al-Tabarī. Maar ‘droogte’ betekent het woord van huis uit niet. Wat kan een arabist doen om een woordbetekenis na te gaan? Hij kan in de eeuwenoude Arabische woordenboeken duiken, die veel interessants te melden hebben, maar geen moderne lexicografie. Hij kan ook het eveneens zeer oude woordenboek van Lane4 ter hand nemen. Lane nam al die oude Arabische woordenboeken en schreef af wat daarin stond, vandaar dat bij hem vaak tegenstrijdige en ‘middeleeuws’ aandoende omschrijvingen staan opgesomd. Ook een treurig hulpmiddel, maar we hebben niet veel anders. Ik ga nu eerst Lane gebruiken, dan kunt U dadelijk meelezen. Als er kleuraanduidende woorden langskomen is het altijd goed, nog even bij Fischer5 te kijken. Zijn Duits gooi ik er even tussendoor. Het onderstaande is dus alleen voor die enkele arabist die misschien nog klassiek Arabisch studeert. Het ‘algemene publiek’ (komt dat hier ooit?) kan dan de laatste alinea weer lezen.

Lane heeft ruim een bladzijde, tesamen vier kolommen over de wortel r-m-d.
ramada – perished by becoming old and worn-out, and had no goodness and lastingness; the sheep or goats perished by reason of cold or of hoar frost or rhyme. Of overgankelijk: destroyed or destroyed like ashes.
rammada – he put ashes into it; he put a thing into ashes en verwante betekenissen. Als zo vaak is de werkwoordvorm met verdubbelde middenconsonant afgeleid van een naamwoord, in dit geval ramād, ‘as’.
armada – he was, or became, poor, needy or indigent.
armada al-qawm – the people were, or became, afflicted with drought, barrenness, or dearth, and their cattle perished in consequence thereof.
irmadda – it became like the colour of ashes. Dit werkwoordsmodel is altijd in gebruik voor kleuren.
irmadda – (said of a camel) he ran vehemently or heedlessly, headling, random and quickly; niet relevant.
irma’adda: the going, or acting, vigourouly or with energy; ook niet relevant.
ramad – applied to water, turbid or altered for the worse in taste and colour, though still drinkable; applied to a garment, or piece of cloth, faded; ophtalmia, dat kan natuurlijk oorspronkelijk met turbid te maken hebben.
rumda – a colour like wurqa, inclining to blackness; a colour inclining to that of dust.
ramād – ashes, i.e. charcoal reduced to particles by being burnt … en nog zowat, betekenis duidelijk.
ramād rimdid – ashes perishing or coming to nought; or much in quantity and very fine or minute; or reduced to the finest, or most minute, state.
ramāda – perdition, destruction, or state of destruction. Hence, ‘ām al-ramāda, the year of perdition or destruction, or of drought in the days of  ‘Omar, the seventeenth or eighteenth year of the Flight, in which men perished in great numbers, and cattle also, in consequence of drought long continuing, wherefore it was thus called, because the earth became like ashes by reason of the drought, or, as some say, because the drought continued so as to render the earth and the trees like the colour of ashes: but the first reason assigned above, for its being thus called, is preferable.
rāmid – [participium van ramada] perishing: or becoming like ashes, or perishing by becoming old and worn-out, and having no goodness and lastingness.
armad – [typisch kleuren-adjectief:] of the colour of ashes; ash coloured, ashy, of a dusty colour in which is duskiness or dinginess. Said of ostriches, gnats, garments or pieces of cloth. Aschgrau. Gewöhnlich wird armad vom Auge gebraucht und bezeichnet dann ein krankhaftes Grau werden, eine krankhafte Trübung der Augen (grauer Star). Sekundär bedeutet armad dann ‘krank (und schmerzend)’ (vom Auge), bzw. augenkrank’, en dat gaat nog een bladzij zo door.

  • murmid – A she-camel, and a cow, and a ewe, or she-goat, secreting milk in her udder a little before her bringing forth, or both signify a she-camel having her udder shining, and infused with milk. Troebele drupjes melk misschien? Dit heeft gegarandeerd niets met onze teksten te maken; ik citeer het even ter bevestiging van de regel dat ieder oud Arabisch woord óók iets met een kameel of ander vee betekent.

Tot zover het lexicon, of wat ik daarvan momenteel wil zien. Nu zegt U misschien: onder ramāda staat toch precies wat het is, dat slaat toch op onze tekst? Ja, dat is juist de ellende: die verklaring is geheel afhankelijk van onze tekst, heeft onze tekst nagenoeg overgeschreven en maakt ons daarom niet wijzer.

De wortel r-m-d heeft dus twee voor de Tabarī-teksten relevante basisbetekenissen:

  1. ‘ondergaan, eraan gaan’, door verschillende ooorzaken: slijtage, kou, nachtvorst, droogte, onvruchtbaarheid of schaarste. Dat ‘ondergaan’ is primair; de oorzaak ervan, dus ook die droogte, is secundair. ramāda moet hiervan de infinitief zijn: ‘het ondergaan, de ondergang’.
  2. het kleurwoord: niet effen gekleurd, wit-en-zwart, grauw, grijs. Vandaar ‘as’, troebel’, ‘grauwe staar’.  Ook ramād ‘as’ is volgens Fischer afgeleid van het kleurwoord, maar dat hoeft ons niet bezig te houden; de bron van al-Tabarī heeft natuurlijk alleen aan ‘as’ gedacht.

Die beide basisbetekenissen hebben denk ik niets met elkaar te maken, al laten zich zowel de tekst als de oude woordenboekenmakers zich soms meeslepen door de bijna-gelijkluidendheid van ramāda en ramād. Volksetymologie; wij hoeven hen daar niet in na te volgen.
.
Dus ramāda = ‘ondergang’. Het Jaar van de Ondergang, niet het jaar van de droogte en ook niet dat van de as, zoals ik even dacht. Een eventuele vulkaanuitbarsting is met behulp van het lexicon niet hard te maken.
.
Blijft over mijn verwondering over de melding van opwaaiend stof ‘als as’ in de tekst. In het grootste deel van het Nabije Oosten regent het toch altijd stof?

 

NOTEN
1. Zeker, dat is ons woord sofa, rustbank.
2. Volgens anderen was het eind 17 tot begin 18. Voor de vroege periode kloppen die jaartallen nooit helemaal.
3. al-Tabarī, Ta’rīkh i, 2570–8.
4. Bij grote getallen in de Oudheid helpt vaak deze vuistregel: deel het eerst maar eens door tien.
5. Edward William Lane, Al-madd al-qamoos. An Arabic-Eglish Lexicon, 8 vols. London/Edinburgh 1863.
6. Wolfdietrich Fischer, Farb- und Formbezeichnugen in der Sprache der altarabischen Dichtung, Wiesbaden 1965.

Diacritische tekens: ṣuffa, Ḥarrat, al-Bayḍāʾ, al-Ṭabarī

ABD AL-MALIK IBN MARWAN: startpagina. De eerste kaliefen. Mu‘awiya’s opvolgers. De Umayyaden uit Medina verjaagd. Abd al-Malik geeft strategisch advies. Abd al-Malik oefent zich in wreedheid en moord. Graanschepen voor Medina. Arbeidsloos inkomen. De Rotskoepel in Jeruzalem.

Terug naar Inhoud

De hidjra van de profeet volgens ‘Urwa ibn al-Zubayr

BEHOEFT NOG REVISIE@@

De vroege biograaf van de Profeet ‘Urwa ibn al-Zubayr (± 643–712) stelde op verzoek van kalief ‘Abd al-Malik het verhaal over de hidjra van de profeet van Mekka naar Medina op schrift:

… dat ‘Urwa aan ‘Abd al-Malik schreef: Toen hij–de profeet–zijn mensen had opgeroepen tot de leiding en het licht dat God hem geopenbaard had, gingen zij hem eerst niet uit de weg en hadden bijna naar hem geluisterd. Maar toen hij over hun afgoden begon kwamen er vermogende Qurayshieten uit Tā’if die hem dat kwalijk namen en heftig tegen hem uitvielen, omdat zij een grote afkeer hadden van wat hij had gezegd. Zij zetten degenen die hen gehoorzaamden tegen hem op en de meeste mensen wendden zich nu van hem af en lieten hem in de steek. De mensen die God daarvoor behoedde deden dat niet, maar dat waren er niet veel. Zo bleef het zolang God beschikte dat het blijven zou. Toen beraamden hun hoofdmannen dat zij hun zonen, hun broeders en stamgenoten die Mohammed volgden zouden proberen af te brengen  van Gods religie. Het was een verzoeking (fitna) die een zware schok teweeg bracht onder de mensen van de islam, die de profeet volgden. Sommigen werden verleid [tot geloofsafval] en ongehoorzaamheid jegens God. Toen dat de moslims werd aangedaan droeg de profeet hen op naar Ethiopië te vertrekken. Daar heerste een rechtschapen koning, genaamd de Negus. In zijn land werd er niemand onderdrukt en hij werd geprezen om zijn rechtschapenheid. Ethiopië was een land waar de Qurayshieten handel dreven en waar zij royaal levensonderhoud en een goede markt vonden. Dat droeg de profeet hen dus op en de meesten  die in Mekka onderdrukt werden gingen daarheen, want hij was bang dat men hen van hun geloof zou afbrengen. Hij zelf bleef in Mekka. Zo gingen enkele jaren voorbij, waarin de gelovigen het zwaar te verduren hadden.
Daarna verbreidde de islam zich in Mekka en een aantal edelen trad toe.    (Al-Ṭabarī, Ta’rīkh i, 1180–1.)
Toen er emigranten uit Ethiopië terugkeerden, vóór de emigratie van de profeet naar Medina, maakten [de Qurayshieten] het de mensen van de islam nog moeilijker en vielen hen vaker lastig. Veel van de Helpers (anṣār) in Medina waren moslim geworden en de islam verbreidde zich ook in Medina en er begonnen mensen vandaar naar de profeet in Mekka te komen. Toen de Qurayshieten dat zagen spoorden ze elkaar aan om hen van hun geloof af te brengen en hen hard te behandelen en dat deden ze.
Dat was de tweede verzoeking (fitna). Er waren er dus twee: de verzoeking die de aanleiding was tot de emigratie naar Ethiopië, toen de profeet hun daartoe opdracht en toestemming gaf, en een verzoeking na terugkeer van die emigranten, toen [de Qurayshieten] zagen wie er allemaal uit Medina naar hem toe kwamen.
Toen kwamen er zeventig afgevaardigden uit Medina bij de profeet, de hoofdmannen van degenen die de islam hadden aangenomen. Zij ontmoetten hem tijdens de pelgrimstocht en zwoeren hem trouw in al-‘Aqaba. In hun eed van trouw heette het: ‘Wij zijn van u en u bent van ons,’ en: ‘Als er iemand van uw gezellen bij ons komt, of u zelf komt, zullen we u verdedigen zoals we onszelf verdedigen.’
Quraysh verhoogde nu de druk op hen en de profeet beval zijn gezellen naar Medina te vetrekken. Dit was de tweede verzoeking, gedurende welke de profeet zijn gezellen opdroeg naar Medina te gaan en zelf ook ging. Dit is de verzoeking waarover God heeft geopenbaard: Strijdt tegen hen tot er geen verzoeking meer is en de gehele godsdienst alleen God toebehoort (koran 8:39).

Toen de Gezellen van de profeet naar Medina waren gegaan, maar voordat hij zelf Mekka verliet en voordat het vers was geopenbaard waarin hun werd opgedragen te vechten [koran 8:39], vroeg Abū Bakr, die geen opdracht had gekregen te gaan, Mohammeds toestemming om met de rest van de Gezellen te vertrekken. Maar de profeet hield hem tegen en zei: ‘Geef me wat tijd; ik weet het niet; misschien zal ik toestemming krijgen te vertrekken.’ Abū Bakr had twee rijkamelen gekocht en die voorbereid voor het vertrek naar Medina met de Gezellen. Toen de profeet hem vroeg te wachten en hem vertelde dat hij goede hoop had dat God hem toestemming zou geven te verrtrekken, hield hij die twee kamelen aan, in de verwachting de profeet te mogen vergezellen; hij voedde ze goed en mestte ze vet. Toen het vertrek van de profeet uitgesteld werd vroeg Abū Bakr hem: ‘Hoop je dat je toestemming zult krijgen? ‘Ja,’ antwoordde hij, ‘wacht tot die komt.’ Daarna wachtte hij geduldig.
Aisha vertelde me dat op zekere dag, terwijl zij binnen in huis waren omstreeks het middaguur, terwijl daar niemand  was behalve Abū Bakr en zijn dochters Aisha en Asmā’, de profeet plotseling verscheen, terwijl de middagzon op zijn hoogst stond. Het was zijn gewoonte iedere dag zonder mankeren naar  Abū Bakrs huis te komen aan het begin en het eind van de dag. Dus toen Abū Bakr hem ’s middags zag komen zei hij: ‘Profeet, alleen iets bijzonders kan je hierheen gevoerd hebben. Toen hij binnenkwam zei de profeet tegen Abū Bakr: ‘Vraag degenen die bij je zijn weg te gaan.’ Hij antwoorde: ‘Er zijn hier geen spionnen, dit zijn alleen mijn twee dochters. Toen zei de profeet: ‘God heeft mij toestemming gegeven naar Medina te vetrekken. Abū Bakr vroeg: ‘Profeet, mag ik je vergezellen?’ ‘Ja,’ antwoordde hij. Abū Bakr zei: ‘Neem een van de rijkamelen.’ Dat waren de rijkamelen die hij bij wijze van voorbereiding had gevoederd toen de profeet toestemming kreeg. Hij gaf hem een van de twee dieren en zei: ‘Neem het, profeet, en rijd erop.’ De profeet antwoordde: ‘Ik neem het aan, voor de prijs die het waard is.’
‘Āmir ibn Fuhayra was een …@ van de stam Azd, die behoorde tot/aan al-Ṭufayl ibn ‘Abdallāh ibn Sakhbara, die dezelfde moeder had als Abū Bakrs dochter Aisha en zijn zoon ‘Abd al-Raḥmān. ‘Āmir werd moslim toen  hij hun slaaf was, en Abū Bakr kocht hem en liet hem vrij. Hij was een goede moslim. In de tijd dat de profeet en Abū Bakr zich op weg begaven had Abū Bakr de rechten@ op de melk van een kudde schapen die ’s avonds naar zijn huis placht te komen. Abū Bakr stuurde ‘Āmir met de schapen naar Thawr, en hij bracht ze ’s avonds naar de profeet in de grot daar, en dat is de grot die door God in de koran genoemd wordt [koran 9:40].
Met de rijdieren vooruit stuurden ze een man uit de stam ‘Abd ibn ‘Adī, een … van de familie van al-‘Āṣ ibn Wā’il van de stam Sahm van Quraysh. In die tijd was die man uit ‘Adī een heiden, maar zij huurden hem als gids voor de reis. De tijd dat zij in de grot doorbrachten kwam Abū Bakrs zoon ‘Abdallāh iedere avond om hun het nieuws uit Mekka te brengen; dan keerde hij ’s ochtends naar Mekka terug. ‘Āmir bracht iedere avond de schapen, zodat ze die konden melken, en bracht ze dan bij het aanbreken van de dageraad/@voor dag en dauw terug naar hun weidegrond, waar hij de ochtend doorbracht met de herders van anderen, zodat niemand in de gaten had wat hij deed. Toen de geruchten over Mohammed en Abū Bakr afzwakten en zij vernamen dat er neit meer over hen gesprokene werd bracht de gids hun de kamelen en gingen ze op weg. ’Āmir ibn Fuhayra namen ze mee, als dienaar en hulpkracht. Abū Bakr nam hem achterop en wisselde op het zadel met hem af. Er was niemand bij hen behalve ’Āmir en die man uit ‘Adī die hun als gids diende. Hij voerde hen door de laaglanden van Mekka, vervolgens over een weg parallel aan de kust, onder ‘Usfān langs, dan dwars door het land, weer op de weg komend bij Qudayd, vervolgens langs het al-Kharrār-pad, dan over de pas van al-Marah en dan langs een weg genaamd al-Mudjidja, tussenm de ‘Amq en de Rawḥā’-weg. Toen kwam hij op de ‘Ardj-weg, en bij een bron genaamd al-Ghabīr rechts van Rakūba en toen de Batḥ Ri’m omhoog, om tenslotte op een middag aan te komen bij het kwartier van de stam ‘Amr ibn ‘Awf in [het zuiden van] Medina. Mij is verteld dat de profeet slechts twee dagen bij hen vertoefde, hoewel de ‘Amr ibn ‘Awf verzekeren dat hij langer bij hen bleef. Vervolgens leidde hij zijn kameel, die hem volgde naar de kwartier van de stam Najdjdār. Daar toonde de profeet hem een droogvloer midden tussen hun woonsteden.

Bron: Al-Ṭabarī, Ta’rīkh i, i, 1224–5 en 1234–7.

BEHOEFT NOG REVISIE@

Nog doen: Het verhaal bij Ma‘mar ibn Rashåd

Ga naar De hidjra in de koran    De hidjra volgens Ibn Ishāq

Terug naar Inhoud