Godsbewijzen bij Djibril ibn Nuh

Dit leestraject is amusanter dan de titel doet vermoeden. Kijkt u maar eens hieronder bij de links, welke onderwerpen u kunt verwachten.
Die godsbewijzen lopen meestal als volgt. De aandacht wordt gevestigd op iets in de schepping wat bijzonder mooi, complex of doelmatig is. Vervolgens wordt gezegd dat zoiets toch onmogelijk door toeval zou kunnen bestaan, en dat er dus een intelligente ontwerper achter moet zitten. In deze tekst wordt die niet God genoemd, maar de Schepper, de Ontwerper e.d. Soms is het betoog: wat fijn dat het is zoals het is; het had ook veel slechter, lelijker of onpraktischer kunnen uitpakken. Denkt u maar aan het moderne liedje: ‘Ik ben zo blij, ik ben zo blij, dat mijn neus van voren zit en niet opzij.’ Of het gaat volgens de uitspraak van Henry Monnier: ‘Wat is de natuur toch vooruitziend! Zij laat appels groeien in Normandië, wel wetend dat de inheemsen in die provincie alleen maar cider drinken’1– maar nog zonder het sarcasme.

Deze teleologische godsbewijzen (arguments from design) zijn bijeengebracht in het Arabische boekje, Kitāb al-i‘tibār fī al-malakūt, omstreeks 840 in Irak geschreven door de overigens onbekende christelijke auteur Djibrīl ibn Nūḥ al-Anbārī. Een bewerking ervan is bekender geworden onder de titel bekend als Dalā’il al-i‘tibār. Die versie wordt vaak toegeschreven aan al-Djāḥiẓ (gest. 868). De eerste (niet-kritische) uitgave verscheen in 1928 in Aleppo.

Is het godsbewijs niet allang uit de tijd? Jawel, maar in Amerika leeft het nog volop bij christenen die de evolutietheorie afwijzen, onder het etiket Intelligent Design. En in de islamitische wereld komt het conservatieven ook weer erg van pas, zodat het boekje steeds wordt herdrukt en ook in het internet zowel door Soennieten als door Sjiïeten in stukken en brokken wordt verbreid. De koran staat vol verwijzingen naar de tekenen Gods in de Schepping, zodat de ‘markt’ voor godsbewijzen nog heel lang gegeven zal zijn.

Waarom zit ik aan een boekje met zulke ouwe koek? Niet omdat ik alsnog het bestaan van God wil bewijzen, maar omdat het interessant is te zien hoe die teksten sinds de Oudheid hebben gecirculeerd en telkens herhaald en opnieuw bewerkt zijn. Deze christelijke tekst gaat terug op een traditie die nog bekend was met de Griekse Oudheid. Sporen van Xenophon en Cicero zijn erin terug te vinden, van de Presocraten en Aristoteles, maar ook betogen van een kerkvader als Theodoretus (393–±460). Het geheel is ooit in het Syrisch vertaald en in de taal van het pre-islamitische Iran, het Pahlavi, en van daaruit in het Arabisch. Er moeten mensen geweest zijn die het boekje in zijn oudste vorm te christelijk vonden, want er bestaan islamitische bewerkingen van, waarin de verwijzingen naar de Griekse Oudheid of het christendom zorgvuldig zijn verwijderd. Het werkje is ook interessant omdat het de mogelijkheid biedt om de overlevering van oude Griekse teksten in Arabische vertaling te volgen. Soms kan met behulp van een citaat in het Arabisch een gebrekkig overgeleverde Griekse tekst beter begrepen worden. En in elk geval wordt weer eens zichtbaar hoe de westerse cultuur in de loop der eeuwen een grote cirkel beschreven heeft: van Griekenland en Rome via Syrië en Irak naar Spanje en Sicilië, en vandaar naar het Middeleeuwse Europa. Waar de mensen vervolgens gingen doen alsof zij alles rechtstreeks van de Grieken overgenomen of zelf bedacht hadden; een euvel waar we nog niet helemaal van bevrijd zijn.

NOOT
1. Que la nature est prévoyante ! Elle fait pousser les pommes en Normandie sachant que les indigènes de cette province ne boivent que du cidre.

Leestraject: het teleologische godsbewijs bij Djibril ibn Nuh (Pseudo-Djahiz): De slurf. Het hijgend hert. De giraf. De mier op de zijderoute. De mierenleeuw. De draak en de wolken. De domheid van babies. De penis. De stem: van orgel naar doedelzak. Het nut van de bil. De Schepper voorkomt inflatie.

Terug naar Inhoud       Terug naar Inhoud (oud)

Het nut van de bil

Billen zijn vaak prettig om naar te kijken, maar dat is niet de belangrijkste reden voor de schepping ervan: ze zijn vooral heel handig bij het zitten. Als fraai staaltje scheppingskunst passen ze dan ook goed in de reeks teleologische godsbewijzen van Djibrīl ibn Nūḥ, aan de uitgave van wiens Kitāb al-i‘tibār fī al-malakūt ik nog steeds werk. Meer daarover hier. Hij schrijft over de bil:

  • Waarom zou dat zachte vlees op de dijen van een mens zijn aangebracht, als het niet was om hem te beschermen voor de harde grond, zodat hij geen pijn voelt als hij erop zit? Een dunne persoon met weinig vlees kan pijn hebben als er niets is tussen hem en de grond.1

De laatste zin lijkt de eerste enigszins te ontkrachten. Zou het een toevoeging zijn van een broodmagere student, die zich met het copiëren van handschriften maar nauwelijks in leven kon houden?

De eerste nog bekende auteur die over de bil heeft geschreven is Aristoteles:

  • […] door de billen vlezig te maken heeft de natuur ze nuttig gemaakt voor de rest van het lichaam. Viervoeters hebben er geen probleem mee te blijven staan. Zij worden niet moe als zij voortdurend op hun voeten blijven staan – voor hen is het even goed als gaan liggen, want zij hebben vier steunen onder zich. Maar mensen kunnen niet voortdurend comfortabel rechtop blijven staan: hun lichaam heeft rust nodig, het moet zitten. Dat is de reden dat de mens billen heeft, vlezige benen en geen staart […]2

Djibrīl zou het vers vertaalde werk van Aristoteles zelf gelezen kunnen hebben, maar minstens zo waarschijnlijk is dat hij heeft geput uit de lange traditie die dat werk heeft herkauwd. Er is een hele keten van overlevering geweest: latere Grieken, artsen, kerkvaders, Syriërs, Perzen. Het is altijd interessant te ontdekken hoe een tekst heeft gereisd, maar in dit geval ben ik daarmee nog niet ver gekomen. Ik moet maar gauw eens in Galenus, De usu partium kijken. In ieder geval heeft ook de kerkvader Theodoretus (393–±460) deze gedachte over de bil overgenomen:

  • Let op een andere manifestatie van Zijn voorzienigheid. Het lichaam biedt een natuurlijk zitbank voor de billen, zodat je op de grond of op een steen kunt gaan zitten en geen pijn lijdt door het zitten op onbeschermde lichaamsdelen.3

NOTEN
1.

لم حمّل الانسان على فخذيه هذا اللحم الوثير الاّ ليقيه من الأرض فلا يألم من الجلوس عليها كما قد يألم من نحل جسمه وقلّ لحمه اذا لم يحل بينه وبين الأرض حائل؟ 

2. Aristoteles, De Partibus Animalium 689b; idem Arabisch (Kruk) p. 137.
3. Theodoretus, De providentia iii, 21.

Leestraject: het teleologische godsbewijs bij Jibril ibn Nuh (Pseudo-Djahiz): De slurf. Het hijgend hert. De giraf. De mier op de zijderoute. De mierenleeuw. De draak en de wolken. De domheid van babies. De penis. De stem: van orgel naar doedelzak. Het nut van de bil. De Schepper voorkomt inflatie.

Terug naar Inhoud       Terug naar Inhoud (oud)

Het hijgend hert

U kent waarschijnlijk het beroemde psalmvers, berijmd door Lucretia van Merken (1721–1789):

  • ‘t Hijgend hert, de jagt ontkomen, | schreeuwt niet sterker naar ‘t genot | van de frissche waterstroomen | dan mijn ziel verlangt naar God.

Hier wordt de dorst van het hert in verband gebracht met de vervolgingsjacht waaraan het dier juist is ontsnapt, maar dat is vrije fantasie. De bijbel verklaart de dorst van het hert in het geheel niet, van schreeuwen is geen sprake en zelfs hijgen doet het niet, volgens de Nieuwe Bijbelvertaling:

  • Zoals een hinde smacht | naar stromend water, | zo smacht mijn ziel | naar u, o God.1

Maar waarom heeft het hert dan zo’n dorst? Wel, omdat het een slang heeft gegeten natuurlijk. In de Oudheid zag men het heel anders dan mevrouw van Merken.
Herten zijn tegenwoordig bekend als plantenetende herkauwers, maar vroeger meenden sommige mensen werkelijk dat ze graag slangen aten en er zelfs op joegen. Zo bij voorbeeld de Romein Claudius Aelianus (± 170–222), die in het Grieks een vrij dik dierenboek schreef, waarin hij veel aandacht heeft voor vijandschappen tussen de diersoorten en de onwaarschijnlijke gevechten tussen dieren, zoals die tegenwoordig in Youtube opnieuw populair zijn. Hij weet te vertellen:

  • Een hert wint het van een slang door een buitengewone gave van de natuur. Ook de gemeenste slang in zijn hol ontsnapt hem niet: het hert zet zijn neusgaten tegen de ingang [van het hol] van de gevaarlijke slang en blaast erin uit alle macht, tot het hem als door toverkracht met zijn adem eruit trekt; zodra hij tevoorschijn komt begint het hem op te eten. Vooral in de winter doen [herten] dat.
    Het is zelfs voorgekomen dat iemand de hoorn van een hert heeft afgeschaafd en het poeder daarop in het vuur gegooid heeft, en dat de opstijgende rook de slangen uit de hele omgeving heeft verdreven; zelfs de geur is ondraaglijk voor hen.2

Bij die winter kan ik me iets voorstellen, omdat slangen dan vanwege de kou erg passief zijn of zelfs een winterslaap houden; de rest komt niet overeen met wat de moderne biologie weet over het hert.

Mozaiekmuseum Istanbul Foto Dick Osseman

Tweede-eeuws, en dus iets ouder, is de Griekse Physiologus: een christelijk dierenboek, dat de voorname heiden Aelianus, als hij het al kende, beneden zich zal hebben geacht. Maar blijkbaar waren dierenteksten, graag ook over vechtende dieren, in die tijd overal  gangbaar. Hier het fragment over het hert:

  • David zegt: ‘Zoals een hert naar de waterbronnen smacht, zo verlangt mijn ziel naar U, o Heer.’ De Physiologus zegt: Het hert is een aartsvijand van de slang. Als de slang voor hem in de spleten van de aardbodem vlucht komt het hert en neemt zijn bek vol water uit een bron, spuugt het in de spleten, drijft zo de slang naar buiten en vertrapt en doodt hem.
    Zo heeft ook onze Heer de grote slang, de duivel, met het de hemelse wateren gedood, die hij als goddelijk woord vol voortreffelijke wijsheid in zich droeg. En zoals een slang geen water verdraagt, zo verdraagt de duivel geen hemels woord. [Er volgt nog meer stichtelijks, en dan:]
    Wanneer er haren van een hert in huis zijn of wanneer iemand een bot ervan verbrandt zult ge [daar] nooit een geur of spoor van een slang aantreffen: als de vreze van Christus in uw hart is zal geen vreselijk gif in uw hart opkomen.3

Als altijd geeft de Physiologus een vrome draai aan zijn dierenverhalen. Algemene ontwikkeling of interessante informatie is voor hem pas van belang wanneer hij er een christelijke lading aan kan meegeven.
In deze laatste tekst komt er dus al bronwater bij te pas, maar eten doet het hert de slang niet, en ook het verband tussen slangen en dorst wordt niet gelegd. Dat is wél het geval in de meer dramatische, Syrische versie van de Physiologus (5e–6e eeuw). Die heeft in grote lijnen dezelfde tekst als die hierboven, inclusief de slangenverjagende werking van verbrande hertshoorn, maar heeft nog een interessant extra weetje:

  • Als een hert een slang opvreet, begint het bij de staart en neemt hem helemaal in zijn keelgat. De kop laat het in zijn bek liggen en dan bijt het hem kapot en verslindt hem. Maar omdat de kop nog in de mondholte steekt spuugt die veel gal uit in zijn bek en zo, om deze reden, krijgt het dorst en schreeuwt4 naar de waterpoel.5

Ziedaar de dorst, en uiteraard een verwijzing naar het psalmvers. De christelijke Arabische auteur Djibrīl ibn Nūḥ al-Anbārī maakt het nog iets mooier. Voor hem is de zelfbeheersing van het dorstige hert een godsbewijs:: 

  • Er wordt wel gezegd dat een hert slangen eet en daarna heel dorstig is, maar toch geen water drinkt, uit vrees dat het gif in zijn lichaam zou kruipen en het zou doden. Dus staat het bij de poel, gekweld door dorst en luid schreeuwend,4 maar zonder te drinken, tot het weet dat het gif zich heeft verspreid en dat hetgeen het net gegeten had is verteerd; pas dan drinkt het. Zie eens wat in de natuur van dit dier is aangebracht: hoe het een alles overheersende dorst uithoudt uit vrees zich door drinken te schaden. Daartoe kan zelfs een met verstand begaafde mens zich maar nauwelijks dwingen.6

Het hert is een godsbewijs omdat het zich kan beheersen, en zijn zelfbeheersing heeft hij van een intelligente schepper ingeplant gekregen. Dat is de eigen gedachtengang van de auteur; voor de ‘feiten’ omtrent het hert kon hij terecht bij de oudere Griekse en Syrische bronnen.

Waar komt die vijandschap tussen herten en slangen vandaan, al in de tweede eeuw? Ligt er een corrupt overgeleverde of verkeerd begrepen tekst uit de Oudheid aan ten grondslag? Of een rare bijbelexegese? Nee, dat laatste kan niet, want dan was de heiden Aelianus er niet mee aangekomen. Heeft iemand het hert misschien met een andere diersoort verward? Of is de fantasie gewoon op hol geslagen, net als over de basilisk en de eenhoorn?

NOTEN:
1. Psalm 42:1: כְּאַיָּל תַּעֲרֹג עַל-אֲפִיקֵי-מָיִם כֵּן נַפְשִׁי תַעֲרֹג אֵלֶיךָ אֱלֹהִים. Ook in de Griekse vertaling schreeuwt en hijgt het dier niet: ῝Ον τρόπον ἐπιποθεῖ ἡ ἔλαφος ἐπὶ τὰς πηγὰς τῶν ὑδάτων, οὕτως ἐπιποθεῖ ἡ ψυχή μου πρὸς σέ, ὁ θεός. In de LXX en de Vulgata is het overigens Psalm 41:1.
2. Aelianus, Nat. anim. ii, 9: Ἒλαφος ὂφιν νικᾷ, κατά τινα φύσεως δωρεὰν θαυμαστήν· καὶ οὐκ αὐτὸν διαλάθοι ἐν τῷ φωλεῷ ὤν ὁ ἔχθιστος, αλλὰ προσερείσας τῇ καταδρομῇ τοῦ δακετοῦ τοὺς ἑαυτοῦ μυκτῆρας βιαιότατα ἐσπνεῖ, καὶ ἓλκει ὡς ἴυγγι τῷ πνεύματι, καὶ ἂκοντα προάγει, καὶ προκύπτοντα ἀυτὸν ἐσθίειν ἂρχεται· καὶ μάλιστά γε διὰ χειμῶνος δρᾷ τοῦτο. ἢδη μέντοι τις καὶ κέρας ἐλάφου ξέσας, εἶτα το ξέσμα ἐς πῦρ ἐνέβαλε, καὶ ὁ καπνὸς ἀνιὼν διώκει τοὺς ὂφεις πανταχόθεν, μηδὲ τὴν ὀσμὴν ὑπομένοντας.
Ook Hildegard van Bingen meende nog dat met wierook verbrand schaafsel van een hertengewei slangen weg hield.
3. Physiologus, nr. 30, blz. 48: Ὁ μὲν Δαυὶδ λέγει· «ὃν τρόπον ἐπιποθεῖ ἡ ἒλαφος ἐπὶ τὰς πηγὰς τῶν ὑδάτων, οὓτως ἐπιποθεῖ ἡ ψυχή μου πρὸς σέ, ὁ Θεός». ὁ Φυσιολόγος ἒλεξε περὶ τῆς ἐλάφου ὃτι ἐχθρὰ τοῦ δράκοντός ἐστι πάνυ. ἐὰν φύγῃ ὁ δράκων ἀπὸ τῆς ἐλάφου εἰς τὰς ῥαγάδας τῆς γῆς, πορεύεται ἡ ἒλαφος καὶ ἐμπιπλᾷ τὰ ἀγγεῖα αὑτῆς πηγαίου ὓδατος καὶ ἐξεμεῖ ἐπὶ τὰς ῥαγάδας τῆς γῆς, καὶ ἀναφέρει τὸν δράκοντα καὶ κατακόπτει αὐτὀν καὶ ἀποκτείνει.
4. Het Syrische en Arabische hert schreeuwt dus wél, maar daar kan Lucretia van Merken geen weet van gehad hebben.
5. Physiologus Syrus, nr. 17. De Arabische Physiologus (uitg. Wentker) heeft dit detail niet.
6. Mijn uitgave van het fragment uit de handschriften:

فقد‏ يقال انّ‏ الأيّل يأكل‏ الحيّات،‏‏ فيعطش‏ عطشًا شديدًا ويمتنع من شرب الماء خوفًا من أن‏ يدبّ‏ السم في جسمه فيقتله‏. وانه‏ ليقف على الغدير وهو مجهود عطشًا فيعجّ‏ عجيجًا‏ عاليًا ولا‏ يشرب منه‏ حتّى‏ يعلم أنّ‏ السمّ‏ قد تفرق‏ ‏ وانّ‏ الذي‏ أكل قد انهضم وحينئذ‏ يشرب‏. ‏ فانظر الى ما جُعل‏ ‏ في‏ طباع هذه البهيمة من الصبر على الظمأ الغالب خوفًا من المضرّة في‏ الشرب‏. وذلك‏ ما لا‏ يكاد الانسان العاقل أن‏ يضبطه من نفسه‏.

BIBLIOGRAFIE:
– Claudius Aelianus, Περὶ ζῴων ἰδιότητος – De natura animalium: On animals, 3 dln., vert. A.F. Scholfield, Harvard 1958–9 (Loeb Classical Library 446, 448, 449).
Physiologus, Griechisch/Deutsch, uitg. en vert. Otto Schönberger, Reclam Buch 18124, 2018.
Physiologus syrus: Ketobó dakjonojotó. Das ‘Buch der Naturgegenstände’, uitg. en vert. K. Ahrens, Kiel 1892.

Leestraject: het teleologische godsbewijs bij Jibril ibn Nuh (Pseudo-Djahiz): De slurf. Het hijgend hert. De giraf. De mier op de zijderoute. De mierenleeuw. De draak en de wolken. De domheid van babies. De penis. De stem: van orgel naar doedelzak. Het nut van de bil. De Schepper voorkomt inflatie.

Terug naar Inhoud       Terug naar Inhoud (oud)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Godsbewijs: de Schepper voorkomt inflatie

🇩🇪 Een fragment uit het Arabische, overwegend christelijke werkje Kitāb al-i‘tibār fī al-malakūt van Djibrīl ibn Nūh, een collectie van ongeveer honderd teleologische godsbewijzen (arguments from design), van midden negende eeuw. Zie voor meer over dat boekje hier.

De zorg van de Schepper voor zijn schepselen is ook te zien aan de schaarste van de edelmetalen. Hij heeft het de mensen onmogelijk gemaakt, deze metalen zelf te maken. Als zij dat wel konden en dus onbegrensd goud en zilver ter beschikking hadden, zou het geld waardeloos worden en de handel daarmee onmogelijk worden. Daarvoor heeft de Grote Ontwerper de mensheid willen behoeden. In de woorden van Djibrīl: 

  • Overweeg hoe kostbaar goud en zilver zijn, en hoe het vernuft van de mensen te kort schiet wanner zij proberen het te vervaardigen, hoewel zij dat zielsgraag willen en zich er erg voor inspannen. Als zij de kennis die zij nastreven zouden verkrijgen, zou deze onvermijdelijk zo algemeen bekend worden in de wereld dat er veel te veel goud en zilver zou komen en de koers ervan zou kelderen en ze zouden waardeloos worden, zodat ze geen nut meer zouden hebben bij kopen en verkopen, transacties, belastingen die geheven worden voor de sultan, en als spaarpot voor het nageslacht. Het is de mens echter wel gegeven om messing te vervaardigen uit koper, glas uit zand en meer van dergelijke dingen die geen kwaad kunnen. Je ziet dus dat mensen hun gang mogen gaan met zaken die onschadelijk voor hen zijn en hun dat onmogelijk gemaakt wordt bij stoffen die schadelijk voor hen zouden zijn als ze die verkregen.1

Niet alleen het zelf maken van edelmetalen is de mens ontzegd, ook de winning ervan in mijnen e.d. blijft beperkt, hoewel de voorkomens enorm zijn:

  • Mijnwerkers hebben ons verteld dat zij eens zeer diep in een bepaalde mijn doordrongen en terecht kwamen op een plek waar zij iets zagen als bergen van zilver. Maar vóór die plek liep er een enorme, onpeilbaar diepe rivier met een sterke stroming, zonder enige mogelijkheid om die over te steken. Later gingen zij terug om die plek te zoeken, maar ze konden hem niet meer vinden en gingen teleurgesteld heen.
    Overweeg nu hoe de schepper het ontworpen heeft. Hij wilde zijn knechten zijn almacht en de omvang van zijn schatten tonen om hun te laten weten dat hij, als hij hun bergen zilver wilde schenken, dat kon doen. Maar dat zou niet goed voor hen zijn, want het zou zijn zoals we al zeiden: het metaal zou in waarde dalen onder de mensen en van weinig nut zijn. Stel bij voorbeeld dat er onder de potten of andere voorwerpen die mensen kunnen maken iets buitengewoons verschijnt. Zo lang het bijzonder en zeldzaam blijft zal het duur zijn en zijn prijs houden, maar als het in overvloed ter beschikking komt zal de waarde dalen en de prijs zal kelderen. Hierin ligt de bevestiging van wat iemand eens heeft gezegd: ‘De kostbaarheid van dingen hangt af van hun schaarste.’ 2

De auteur, die uit Irak stamde, had er blijkbaar nog niet van gehoord dat in het Westafrikaanse Ghāna 3 goud helemaal niet schaars was. Dat land stond namelijk bekend om zijn legendarische voorkomens van goud; het was als het ware het Eldorado van Afrika. Het goud groeide daar, naar men beweerde, als planten: ‘Goud groeit in het zand van dat land als peentjes; het wordt geplukt bij zonsopgang.’ 4 Welnu, in Ghāna was het niet de Schepper, maar een wijze koning die inflatie voorkwam: ‘De goudklompjes die worden gevonden in alle mijnen van zijn land zijn gereserveerd voor de koning. Hij laat ze niet uit zijn land naar een ander land gaan. Die klompjes kunnen van een ons tot een pond wegen. Zij laten alleen stofgoud het land uit. Als zij alles wat er in de mijnen gevonden werd het land uit zouden laten, zou er te veel goud in handen van de mensen komen en zou het zijn waarde verliezen.’5

Deze koning was niet de enige: vele vorsten hebben hun schatkamers volgeladen, en later deed de kerk hetzelfde, bij voorbeeld in Spanje, waar veel van het nieuwe goud uit Amerika niet op de markt kwam, maar ‘onschadelijk werd gemaakt’ in dure kerkelijke kunst. Alles indachtig de basisregel van de economie: ‘De kostbaarheid van dingen hangt af van hun schaarste.’

NOTEN:
1. Ik heb de tekst uit handschriften vastgesteld; nadere gegevens houd ik nog even voor me.

ثم فكر‏ في‏ عزة الذهب والفضّة‏ وقصور حيلة‏ الانس عمّا حاولوا من‏ صنعتهما على حرصهم واجتهادهم في‏ ذلك‏. ‏ فإنهم لو ظفزوا بما حاولوا من هذا العلم‏ كان لا محالة‏ سيظهر ويستفيض في‏ العالم حتّى‏ يكثر‏ الذهب والفضة‏ ويسقط عند الناس فلا تكون لهما قيمة ويبطل الانتفاع بهما في‏ الشراء والبيع والمعاملات والاتاوة‏ التي‏ تُجبَى الى السلطان والذخر‏ الذي‏ يذخر للأعقاب‏. وقد أعطي‏ الناس مع هذا صنعة‏ الشبه من النحاس والزجاج من الرمل وما أشبه ذلك مما لا مضرّة فيه‏. فانظر كيف أعطوا ارادتهم فيما لا‏ ضرر عليهم فيه ومنعوا ذلك فيما كان ضارّاً‏ ‏ لهم لو نالوه‏.

2.

أخبرنا أناس ممن يزاول المعادن أنّهم‏ أوغلوا في‏ بعضها فانتهوا الى موضع رأوا فيه أمثال الجبال من الفضّة،‏ ومن دون ذلك وادٍ‏ عظيم‏ يجري‏ منصلتًا بماء‏ غزير لا يدرك‏ غوره‏ ولا حيلة في‏ عبوره‏. ثم عادوا‏ يطلبونه فلم‏ يقفوا عليه فانصرفوا آسفين‏.
‏ ففكِّر الآن في هذا من تدبير الخالق‏. فانّه‏ جل ثناؤه أراد أن‏ يري‏ العباد قدرته وسعة خزائنه ليعلموا أنّه لو شاء أن‏ يمنحهم كالجبال من الفضّة لفعل،‏ ولكنه لا صلاح لهم في‏ ذلك،‏ لأنّه كان‏ يكون كما ذكرنا‏ بسقوط هذا الجوهر عند الناس وقلّة انتفاعهم به‏. واعتبر ذلك بأنّه قد‏ يظهر الشيء الطريف مما يُحدثه الناس من الأواني‏ والأمتعة‏. فما دام عزيزًا قليلاً‏ فهو نفيس جليل‏ آخذ للثمن،‏ فاذا فشا وكثر في‏ أيدي‏ الناس سقط عندهم وخست‏ ‏ قيمته‏. وفي‏ هذا مصداق قول القائل‏ انّ‏ نفاسة الأشياء من عزتها‏.

3. Dit historische Ghāna lag een flink stuk ten Noordwesten van de moderne staat Ghana, ongeveer in het huidige Mali; het moet een groot en machtig rijk zijn geweest.
4. Yāqūt ibn ‘Abdallāh al-Ḥamawī, Mu‘djam al-buldān, uitg. Ferdinand Wüstenfeld, 6 dln., Leipzig 1866–73, i, 822:  قال اين الفقيه: والذهب ينبت في رمل هذه البلاد كما ينبت الجزر وإنه يقطف عند بروغ الشمس . Dat deze goudplanten nu niet meer te vinden zijn ligt merkwaardigerwijze aan de islamisering van het gebied. Shihāb al-Dīn Ibn Faḍl Allāh al ‘Umarī, Al-ta‘rīf bil-muṣṭalaḥ al-sharīf, Cairo 1894, 27,6, wschl. beter in al-Droubi, A critical edition; beide niet ter beschikking, voor het ogenblik vertaald uit Corpus of early Arabic sources, 276:  ‘… for in Ghana and beyond it to the south are the places where gold grows and it has been found by experience that whenever the gold-plant land is taken and Islam and the call to prayer become widespread there the gold plant disappears from it.’
5. K. al-istibṣār 221:

أخبرنا أناس ممن يزاول المعادن أنّهم‏ أوغلوا في‏ بعضها فانتهوا الى موضع رأوا فيه أمثال الجبال من الفضّة،وإذا وجد في جميع معادن بلاد هذا الملك الندرة من الذهب اصطفاها الملك لنفسه ولم يتركها تخرج من بللده لغيره. و الندرة تكون من أوقية إلى رطل وإنما يتركون أن يخرج من بلادهم من الذهب ما كان رقيقًا، ولو تركوا كل ما يوجد في المعادن يخرج من بلادهم لكثر الذهب بأيدي الناس ولهان.

BIBLIOGRAFIE:
Corpus of early Arabic sources for West African History, vert. en uitg. J.F.P Hopkins & N. Levtzion, Cambridge [1981].
Kitāb al-istibṣār fī ‘aǧāʾib al-amṣār: waṣf Makka wa-‘l-Madina wa-Miṣr wa- bilād al-Maghrib / li-kātib marrākušī min kuttāb al-qarn as-sādis al-hiǧrī (12 m.), uitg. en commt. Sa‘d Zaghlūl ‘Abd al-Ḥamīd, Alexandrië 1958.
– Al-‘Umarī: Al-Droubi, Samīr, A critical edition of and study on Ibn Faḍl Allāh’s manual of secretaryship “al-Ta‘rīf bil-muṣṭalaḥ al-sharīf”, al-Karak 1992.

Leestraject: het teleologische godsbewijs bij Jibril ibn Nuh (Pseudo-Djahiz): De slurf. Het hijgend hert. De giraf. De mier op de zijderoute. De mierenleeuw. De draak en de wolken. De domheid van babies. De penis. De stem: van orgel naar doedelzak. Het nut van de bil. De Schepper voorkomt inflatie.

Terug naar Inhoud       Terug naar Inhoud (oud)

De stem als godsbewijs. Van orgel naar doedelzak

Weer een fragment uit het Arabische, overwegend christelijke werkje Kitāb al-iʿtibār fī al-malakūt,1 een collectie van ongeveer honderd teleologische godsbewijzen (arguments from design), waarschijnlijk uit de negende eeuw. Zie over dat boekje hier

  • Denk eens na over de spraakorganen en over de spraak van de mens. De keel is als een articulatiepijp waardoor de stem naar buiten treedt; de tong, de lippen en de tanden dienen om de spraakklanken en de melodie te vormen. Het is bekend dat mensen die hun tanden kwijt zijn de s niet kunnen produceren; iemand met een onvolledige lip kan de f niet correct vormen en wie een zware tong heeft kan de r niet duidelijk uitspreken.
    De Ouden vergeleken op fraaie wijze het naar buiten treden van de stem met het geluid van een doedelzak (al-mizmār al-a‘ẓam), namelijk de keel met het riet daarvan, de longen met de zak die van onderen wordt opgeblazen om er lucht in te brengen, en de spieren die de longen samendrukken om de stem via de keel te laten uittreden met de handen die de zak samendrukken om de lucht uit de doedelzak te persen. De lippen en tanden die de spraakklanken vormen vergeleken ze met de vingers die verschillende posities innemen op de melodiepijp (fam) van de doedelzak, zodat zijn toon melodieën kan vormen.
    Maar al kan het naar buiten treden van de stem ter verduidelijking en onderrichting worden vergeleken met een doedelzak, in werkelijkheid zou het omgekeerd moeten zijn. De doedelzak is kunstmatig, maar de stem is natuurlijk, en het is het kunstmatige dat het natuurlijke nabootst.2 Maar omdat het kunstmatige duidelijker zichtbaar is en beter bekend is bij het grote publiek dan het natuurlijke is men ertoe overgegaan de verrichtingen van de natuur te vergelijken met die van het kunstproduct, om ze begrijpelijker en bekender te maken.
    Als iets kunstmatigs al bewonderd kan worden om de subtiliteit en de wijsheid waarmee het de natuur nabootst, hoeveel meer bewondering verdienen dan de natuur zelf en haar verfijnde verrichtingen! En als het toeval niet eens de verrichtingen van het kunstmatige teweeg kan brengen, dan zeker niet die van de natuur.

Meestal staat bij zulke voorbeelden nog de retorische vraag: ‘Kan zoiets moois werkelijk teruggaan op toeval, of zit er toch een intelligente ontwerper achter?’ Hier wordt het godsbewijs niet uitgewerkt; de vermelding van het toeval in de laatste zin is het enige wat ernaar verwijst.

Van de ‘Ouden’, die de tekst als bronnen aanvoert, is er in dit geval één bekend. Het is de Nestoriaanse kerkvader Theodoretus van Cyrrhus (± 393–460). In zijn Over de voorzienigheid staat een voorloper van onze tekst. Wie deze webpagina leest zal ook wel Engels kennen; daarom ben ik lui en geef U de vertaling van Halton:3

  • 4. [Voice Production Has Affinities With Organ Playing] You, then, who have the gift of speech an dishonor the One who so honors you, consider how the lungs resemble bellows, which the muscles surrounding the thorax press upon, corresponding to the action of the feet in organ blowing, causing it to contract and expand. This transmits the breath through the windpipe, and when compressed, opens the epiglottis and is borne through the throat to the mouth. Speech, then, manipulates the teeth like so many bronze reeds with the tongue and makes them run up and down and glide without effort and with perfect ease.
    5. The salivary gland also helps to facilitate this movement, resembling, as it does, a fount gushing forth moisture. When the constant movement parches the tongue, it needs saliva in moderation to moisten it, make it smooth, and give it freedom of movement. This is how articulate voice comes about: When speech comes in contact with the teeth by means of the tongue, and breath is exhaled, as I have said, and the lips contract, and the air is smitten harmoniously by the emission of the breath, the exhaled breath becomes the vehicle of speech while nature expels the smoky substance as superfluous.

Bij Theodoretus wordt niet van een doedelzak gesproken, maar van een orgel! In Perzië, waar de Arabische tekst (of zijn Syrische of Pahlavi-voorganger) is ontstaan, waren orgels niet bekend, zodat de uitgever/vertaler er iets op moest verzinnen. Zijn poging tot adaptatie is geslaagd en bewonderenswaardig.

NOTEN
1. Ook bekend als Dalāʾil al-iʿtibār. Het werkje wordt vaak toegeschreven aan al-Djāḥiẓ (gest. 868). De eerste (niet-kritische) uitgave verscheen in 1928 in Aleppo.

فكر في‏ آلات الصوت والكلام في‏ الانسان‏. فالحنجرة كالأنبوب لخروج‏ الصوت واللسان والشفتان والأسنان لصياغة الحروف‏ والنغم‏. ألا ترى أنّ‏ من سقطت أسنانه لم‏ يقِم السين ومن نقصت شفته لم‏ يصحّح‏ الفاء،‏ ومن ثقل لسانه لم‏ يفصح‏ الراء. فما أحسن ما مثّل الأوّلون فانّهم شبّهوا مخرج الصوت بالمزمار‏ الأعظم فشبّهوا الحنجرة بقصبة المزمار،‏ وشبّهوا الرئه بالزق الذي‏ ينفخ به من تحته ليدخله الريح،‏ وشبّهوا‏ العضلات التي‏ تقبض على الرئة‏ ليخرج الصوت من الحنجرة‏ بالأكفّ‏ التي‏ تقبض على الزق حتى‏ تجري‏ الريح في‏ المزمار‏. وشبّهوا الشفتين والأسنان التي‏ تصوغ‏ الصوت حروفًا ونغمًا بالأصابع التي‏ تختلف على فم المزمار فيصوغ‏ صفيره ألحانًا‏. غير أنّه وان كان مخرج الصوت‏ يشبه‏ بالمزمار للدلالة والتعريف فانّ‏ المزمار بالحقيقة هو المشبّه بمخرج الصوت،‏ لأنّ‏ المزمار صناعي‏ والصوت طبيعي‏ والصناعة هي‏ التي‏ تحكي‏ الطبيعة‏. ولكنه لما كانت الصناعة أظهر وأعرف عند العامّة من الطبيعة‏‏ صارت أفعال الطبيعة تمثل بأفعال الصناعة‏ لتفهم ويوقف عليها‏. فاذا كانت الصناعة‏ التي‏ قد يتعجّب من اللطف‏ والحكمة فيما‏ تحكي الطبيعة‏ فبالحرى أن‏ يتعجّب من الطبيعة ولطف أفعالها‏. ولئن كان الاهمال‏ يضعف عمّا تأتي‏ به الصناعة لهو عمّا تأتي‏ به الطبيعة أضعف‏.

2. Nederlanders moeten hierbij misschien denken aan de spreuk Natura artis magistra, ‘De natuur is de leermeesteres van de kunst.’ Deze stamt echter niet uit de Oudheid, maar uit de negentiende eeuw.
3. Περί Πρόνοιας λόγοι δέκα = De providentia orationes decem. De Engelse vertaling: Theodoret of Cyrus On Divine Providence, translated and annotated by Thomas Halton, New York/Mawjah NJ, 1988, 34–35. Het loont de moeite, Theodoretus’ tekst eens in zijn geheel te lezen. Voor de liefhebbers hieronder de oorspronkelijke Griekse tekst, Migne, Patrologia Græca 83, col. 583:
Ἀρκεῖ δὲ καὶ τοῦτο μόνον τὸ μόριον δεῖξαι τοῦ πεποιηκότος, οὐ τὴν σοφίαν μόνον, ἀλλὰ καὶ τὴν ἄπλητον φιλανθρωπίαν. Ὀργάνῳ γὰρ ἔοικεν ἀπὸ χαλκῶν συγκειμένῳ καλάμων, καὶ ὑπ’ ἀσκῶν ἐκφυσουμένῳ, καὶ κινουμένῳ ὑπὸ τῶν τοῦ τεχνίτου δακτύλων, καὶ ἀποτελοῦντι τὴν ἐναρμόνιον ἐκείνην ἠχήν. Ἀλλ’ οὐχ ἡ φύσις παρὰ τῆς τέχνης, ἡ τέχνη δὲ παρὰ τῆς φύσεως ἐδιδάχθη τῆς τερπνῆς ἐκείνης ἠχῆς τὸ μηχάνημα· ἀρχέτυπον γὰρ τῆς τέχνης ἡ φύσις, ἴνδαλμα δὲ τῆς φύσεως ἡ τέχνη.
Ἄθρει τοιγαροῦν ὁ λόγου μὲν τετυχηκὼς, ἀτιμάζων δὲ τῇ τιμῇ τὸν τιμήσαντα, πῶς ὑπόκειται μὲν ὁ πνεύμων δίκην ἀσκοῦ, ἀποθλίβουσι δὲ αὐτὸν, οὐ πόδες ἀνθρώπου, ἀλλ’ οἱ περικείμενοι τῷ θώρακι μύες, συστέλλοντες αὐτὸν καὶ διαστέλλοντες. Ἀναπέμπει δὲ οὑτοσὶ διὰ τῆς τραχείας ἀρτηρίας τὸ πνεῦμα, τὸ δὲ συνωθούμενον, ἀνοίγει μὲν τὴν ἐπιγλωττίδα, φέρεται δὲ διὰ τοῦ φάρυγγος ἐπὶ τὸ στόμα. Ὁ δὲ λόγος, τῆς γλώττης οἷόν τινος δεξιᾶς ἐπειλημμένος, ταύτην τοῖς ὀδοῦσι καθάπερ τοῖς χαλκοῖς ἐκείνοις προσφέρει καλάμοις, καὶ ἄνω καὶ κάτω διαθέειν καὶ διολισθαίνειν εὐπετῶς καὶ μάλα ῥᾳδίως κατασκευάζει· […] κτλ

Leestraject: het teleologische godsbewijs bij Jibril ibn Nuh (Pseudo-Djahiz): De slurf. Het hijgend hert. De giraf. De mier op de zijderoute. De mierenleeuw. De draak en de wolken. De domheid van babies. De penis. De stem: van orgel naar doedelzak. Het nut van de bil. De Schepper voorkomt inflatie.

Terug naar Inhoud       Terug naar Inhoud (oud)