Alexander geen boekendief

AlexIlias

🇩🇪 In het Palazzo Te in Mantua zag ik op een plafondschildering een afbeelding van Alexander de Grote met een paar boekbanden in een kistje. Dat is een illustratie bij wat Plutarchus vertelt in zijn biografie van Alexander:

  • ‘Toen hem een kistje werd gebracht, waarvan degenen die de schatten en goederen van Darius hadden opgenomen zeiden dat dit het allerkostbaarste was, vroeg hij zijn vrienden welk waardevol ding volgens hen het best daarin bewaard kon worden. Toen veel mensen verschillende dingen opperden, zei hij zelf dat hij de Ilias erin zou doen om hem goed te bewaken.’ 1

Alexander heeft de Perzische koning Darius III (reg. 336–330 v.Chr.) in etappes verslagen, waarbij hij telkens rijke buit behaalde. De Ilias was een belangrijk boek voor hem; hij stelde zich graag voor dat hij een nieuwe Achilles was.
.
Zou dit misschien van invloed zijn geweest op de vroeg-Abbasidische, in wezen Perzische aanname dat Alexander alle boeken van de Perzen had gestolen, zodat ze later weer uit het Grieks in het Arabisch terugvertaald moesten worden? Daarover had ik hier al wat geschreven.
Waarom was dat kistje zo kostbaar? Misschien was het van massief goud of bezaaid met juwelen. Maar het kan ook zijn dat de inhoud kostbaar was. Van Darius III is bekend dat hij de oude Perzische Zand Avesta-teksten had laten uitgeven, vertalen en commentariëren. Ze vormden het middelpunt van zijn rijksideologie en werden bewaard in zijn schathuis, dat Alexander heeft geplunderd. Het kistje heeft hij ingepikt, maar die Perzische boeken zullen allicht het laatste zijn geweest dat hem interesseerde. Goed denkbaar dat hij de boeken toen heeft weggedaan en heeft vervangen door wat voor hem een schat was: Homerus’ Ilias, een zeer Grieks boek, dat veel voor hem betekende. En als het niet letterlijk zo gebeurd is, is het toch een mooie symboliek.
Het onderwerp kan nog wat nadere studie gebruiken.

NOOT:
1. κιβωτίου δέ τινος αὐτῷ προσενεχθέντος, οὗ πολυτελέστερον οὐδὲν ἐφάνη τοῖς τὰ Δαρείου χρήματα καὶ τὰς ἀποσκευὰς παραλαμβάνουσιν, ἠρώτα τοὺς φίλους ὅ τι δοκοίη μάλιστα τῶν ἀξίων σπουδῆς εἰς αὐτὸ καταθέσθαι: πολλὰ δὲ πολλῶν λεγόντων αὐτὸς ἔφη τὴν Ἰλιάδα φρουρήσειν ἐνταῦθα καταθέμενος. (Plut. Alex. 26, 1–2)

Terug naar Inhoud

Hoe de Oudheid overleefde bij de moslims

🇩🇪 Een bekende studie van Franz Rosenthal heet Das Fortleben der Antike im Islam. De traditionele, door wetenschappers allang niet meer verbreide opvatting in West-Europa was, dat de Oudheid vanaf de ondergang van het West-Romeinse Rijk in 476 niet langer voortleefde, maar abrupt ophield. Daarna begonnen de Middeleeuwen, de duistere Middeleeuwen, die heel lang nodig hadden om wat lichter te worden, de Oudheid te herontdekken en over te gaan in de Renaissance.
Hoe dit ook zij: het oostelijk deel van het Romeinse Rijk kende geen Middeleeuwen. Daar en in Perzië overleefde de wetenschap van de Oudheid, al dreigde zij een tijdlang in vergetelheid te geraken. Het was de verdienste van de vroege Abbasidische kaliefen, maar ook van de hele toenmalige maatschappij, dat de Oudheid voor de toekomst werd behouden. Dit wordt in Europa nog vaak over het hoofd gezien.
.
In de eerste twee eeuwen van het Abbasidische kalifaat (750–1258) liep er in Irak een enorm vertaalproject: uit het Grieks en Middelperzisch (Pahlavi) eerst in het Syrisch, daarna in het Arabisch. Alle Griekse teksten, behalve de poëzie en de geschiedschrijving, werden vertaald: d.w.z. alles wat er bekend was over aritmetika, geometrie, astronomie, muziektheorie,
en de meeste werken van Aristoteles en de commentaren daarop.
Dat was niet het werk van een kalief of een maecenas met een bizarre hobby, maar een breed gedragen lange-termijnproject, dat men voor noodzakelijk hield en dat wat mocht kosten.

De grootste bevorderaars van vertaalactiviteiten, de Banū Mūsā ibn Shākir, betaalden in 815 ongeveer 500 dinar per maand aan drie topvertalers, d.i. 2125 gram goud. Volgens de koers van 21 mei 2018 is dat bijna 75.000 Euro, maar zo mag je natuurlijk niet rekenen. In ieder geval was het heel veel.

Waarom juist in deze periode? De cultuur in het reusachtige rijk van Alexander de Grote en de rijken van zijn opvolgers was hellenistisch geweest. Deze hellenistische cultuur was volgens Dimitri Gutas geleidelijk door twee factoren verzwakt:
–––1. Door de lange oorlogen tussen Romeinen en Perzen (de laatste duurde van 602–628) stonden de centra van cultuur en geleerdheid niet langer met elkaar in contact.
–––2. Voor de christenen was profane voorchristelijke wetenschap ongewenst en was het Hellenisme eerder een vijand. Liever verdeed men zijn tijd—zeer veel tijd—met gehakketak over dogmatische problemen: of Maria God gebaard had, of God de Vader en zijn zoon Jezus Christus één natuur hadden of twee, of zij één wil hadden of twee, en of ikonen geoorloofd zijn. In het oostelijk deel van het Romeinse Rijk was ‘Griek’ een scheldwoord geworden en werd ‘heidense’ wetenschap als minderwaardig beschouwd.1 Wel was het heidendom omstreeks 500 definitief ten grave gedragen en werd de Oudheid in het Oost-Romeinse Rijk ofwel genegeerd of zij leefde voort in ongeïnspireerde samenvattingen (florilegia).
.
In het Arabische rijk van de Umayyaden, dat tot 750 bestond en zijn zwaartepunt had in Syrië, waren de Griekse taal en de Grieks-orthodoxe kerk nog zeer aanwezig. Kalief ‘Abd al-Malik voerde weliswaar omstreeks 700 het Arabisch in als officiële taal, maar nog decennia spraken en schreven veel inwoners van het rijk Grieks. Een belangrijke kerkvader als Johannes Damascenus schreef zijn werken omstreeks 750 in het Grieks, en dat deed hij midden in de Umayyadische hoofdstad Damascus. Het nog behoorlijk Romeinse karakter van het rijk der Umayyyaden schiep geen gunstige omgeving voor hellenistische wetenschap.
.
Toen de Abbasidische kaliefen echter het zwaartepunt van het rijk naar Irak verplaatsten en Baghdad stichtten, raakte de Griekse kerk met haar anti­hellenistische houding uit het zicht. Niets stond een hernieuwde bloei van de wetenschap van de Oudheid meer in de weg; integendeel: kaliefen, vizieren, alle overheidsorganen en vele privé-personen bevorderden ze als nooit tevoren. In het nieuwe grote rijk konden de centra van wetenschap weer onderlinge contacten onderhouden en elkaar beïnvloeden. Er werden vele talen gesproken; het nieuw gevormde rijk was multicultureel.

„Hence the transfer of the caliphate from Damascus to central ‘Irāq — i.e., from a Greek-speaking to a non-Greek-speaking area — had the paradoxical consequence of allowing the preservation of the classical Greek heritage which the Byzantines had all but extirpated.“2

Kalief al-Mansūr (754–75)
Volgens al-Mas‘ūdī, een historicus uit de negende eeuw, was al-Mansūr

‘de eerste kalief, die astrologen in ere hield en handelde op grond van astrologische principes. Hij had Nawbakht de Zoroastriër aan zijn hof, die door zijn toedoen moslim werd, de voorvader van de familie Nawbakht; verder had hij bij zich Ibrāhīm al-Fazārī, de schrijver van een dichtwerk over de sterren en van andere astrologische und astronomische Werken, evenals de astroloog ‘Alī ibn ‘Īsā, de astrolabist.
Hij was de eerste kalief, die boeken uit vreemde talen in het Arabisch liet vertalen; daaronder Kalīla wa-Dimna en Sindhind. Ook werden voor hem de boeken van Aristoteles over logica en andere onderwerpen vertaald, de Almagest van Ptolemaeus, het boek van Euclides [over Geometrie], de Arithmetica [van Nicomachus van Gerasa], en andere oude boeken uit het klassieke Grieks, het Romeinse Grieks, Pahlavi, Nieuwperzisch en Syrisch. Deze raakten verbreid onder de mensen, die ze onderzochten en graag bestudeerden.’3

Al-Mansūr had het gevoel dat hij het nieuwe regime van de Abbasiden moest legitimeren. Bij de moslims van Arabische afkomst was dat niet zo moeilijk: de dynastie zou immers verwant zijn met de profeet Mohammed. Maar voor de Perzen en Arameërs—en die waren in de nieuwe omgeving sterk in de meerderheid— was die legitimiteit niet zo vanzelfsprekend: er vonden al dadelijk enige opstanden plaats. Al-Mansūr wilde hun laten zien dat de Abbasiden de legitieme opvolgers van de Perzische Sassaniden waren. Die hadden veel waarde gehecht aan astrologie; al hun handelen was daarvan doortrokken. Dat wilde al-Mansūr hen nadoen: zijn astrologen moesten bewijzen dat zijn regering ‘in de sterren stond geschreven’ en dus onherroepelijk de beste was. Daarom moesten er astrologische teksten komen, en wel Perzische en Griekse, want Arabische astrologie bestond niet, geen islamitische en geen pre-islamitische.
.
Astrologie is niet erg islamitisch, zegt misschien iemand. Maar wie bepaalt wat islamitisch is? Dat deed toen niemand minder dan de kalief zelf, de plaatsvervanger Gods (khalīfat allāh) op aarde. De ‘Mensen van de hadith en de soenna,’ voor wie de koran en de soenna van de profeet Mohammed het belangrijkst waren, speelden aanvankelijk nog geen rol.
.
Alexander, de boekendief
Maar waarom dan Oudgriekse teksten? Het is raar maar waar:4 volgens de opvatting der Sassaniden had Zoroaster van de goede god Ohrmazd (Ahuramazda) de Avesta ontvangen, die alle kennis en wijsheid van de hele wereld bevatte. De boosaardige Alexander [de Grote] had Perzië echter verwoest en de kennis over de hele wereld verstrooid. Hij had de teksten in het Grieks laten vertalen en de originelen vernietigd. Daarom kwam het er nu op aan, de kennis weer terug te vertalen. Dat had de Sassanidische koning Ardashīr ook gedaan en al-Mansūr wilde het voortzetten. Hij pakte het energiek aan, en zijn opvolgers deden hetzelfde.
Een volledig fact free verhaal had dus vérstrekkende, in dit geval positieve gevolgen. De vertaalbeweging was religieus verankerd in het Zoroastrisme.
(Zie hierover nu mijn Alexander geen boekendief.)
.
Kalif al-Mahdī (775–85)
Onder kalief al-Mahdī werd er rustig verder vertaald, zij het met een wat andere nadruk. Nu kwamen de Topica van de oude Griekse wijsgeer Aristoteles (384–322 v.Chr.) aan de beurt, het vijfde deel van het Organon. Dat is een moeilijk boek; het gaat over djadal, de kunst van het argumenteren op basis van gemeenschappelijke aannames (bijv. definities) over het voor en tegen van bepaalde stellingen. De methode werd aan de hand van 300 onderwerpen verduidelijkt. De kalief bestelde in 782 persoonlijk een vertaling bij de Nestoriaanse patriarch Timotheüs I. Later zou het boek overigens nog twee maal worden vertaald.
Wat bracht een drukbezet staatshoofd ertoe, voor zich zelf een vertaling van een zo moeilijk boek te bestellen? Het antwoord ligt in de godsdienstgesprekken, die in deze tijd gangbaar waren. Nu het rijk eenmaal islamitisch was moesten de onderdanen ook moslims zijn. De bezwaren van de Umayyaden tegen bekeerlingen (‘het zijn geen Arabieren,’ ‘ze brengen geen hoofdelijke belasting op’) waren verdwenen. Het Abbasidische rijk moest een staat van moslimse burgers met gelijke rechten en privileges worden. Ook niet-Arabische moslims konden nu banen krijgen; soms klaagden de Arabieren daar zelfs over.
De Islam moest in het rijk dus noodzakelijk een missionerende godsdienst worden. Het moest aantrekkelijk en overtuigend zijn om zich ertoe te bekeren—en dat niet alleen vanwege de dan wegvallende hoofdelijke belasting: het ging om de ware godsdienst. Voor de disputen met andersdenkenden waren de Topica nuttig. Godsdienstgesprekken vonden overal plaats; er bestaat een ongelooflijke hoeveelheid geschriften daarover, ook van christelijke zijde. De christenen hadden lange ervaring in disputeren en polemiseren en de moslims moesten erg hun best doen om op hetzelfde niveau te komen .

Joden en christenen hadden een beschermde positie, maar Manicheeërs en andere ongelovigen (Bardesanieten, Marcionieten) werden met harde hand vervolgd. Nog een citaat uit al-Mas‘ūdi:

[‘Al-Mahdī] spande zich zeer in om ketters en afvalligen ter dood te brengen. Die traden namelijk op in zijn tijd en verkondigden gedurende zijn kalifaat openlijk hun  geloofsovertuigingen, toen de boeken van Mani, Bardesanes und Marcion (o. a. overgeleverd door Ibn al-Muqaffa‘) en anderen wijd verbreid raakten, die uit het Perzisch en Pahlavi in het Arabisch vertaald werden; en verder de geschriften die het Manicheïsme, Bardesanisme en Marcionisme ondersteunden, die toentertijd geschreven werden door Ibn Abī al-‘Audjā’, Hammād ‘Adjrad, Yahyā ibn Ziyād en Mutī‘ ibn Iyās. Daardoor nam het aantal Manicheeërs toe en werden hun leermeningen openlijk bekend.
Al-Mahdī was de eerste [kalief], die dialectisch argumenterende theologen (djadaliyūn) opdracht gaf, boeken tegen de genoemde ketters en ander ongelovigen te schrijven. De theologen leverden bewijzen tegen de halsstarrigen, rekenden af met de schijnargumenten van de ketters en legden de twijfelaars in duidelijke bewoordingen de waarheid uit.’5

Al-Mahdī was een goede leerling, die met patriarch Timotheüs zelf de technieken van het argumenteren oefende. Deze technieken zouden ook in de wetenschap, filosofie, theologie (kalām) en in het recht heel nuttig blijken.
.
Kalief al-Ma’mūn (813–833)
kreeg te stellen met de ‘Mensen van de hadith en de soenna,’ de latere ’ulamā’, die zijn souvereiniteit aanvochten. Hij probeerde ze klein te houden en steunde daarbij op de Mu‘tazilieten, die zich intensief met de ‘Griekse’ wetenschap bezig hielden. Dat leidde tot nog veel meer vertaalwerk.

De beroemde Mu‘tazilitische schrijver al-Djāhiz (± 777–869) raakte in een soort dialectiek-roes. Hij had er plezier in, de voors en tegens van bepaalde zaken provocerend tegenover elkaar te stellen. Daarbij was het onbelangrijk, welke opvattingen uiteindelijk juist waren. Zo heeft hij een tractaat geschreven over de superioriteit van zwarten boven blanken,6 en een ander, waarin hij de voor- en nadelen van jonge slaven en slavinnen als sekspartners tegen elkaar afweegt.7

De beroemdste vertaler wil ik nog kort vermelden: Hunayn ibn Ishāq, 808–873. Hij was een Nestoriaanse christen uit Irak, hij studeerde natuurkunde en medicijnen en trok naar Alexandrië om Grieks te leren; daarna naar Basra om beter Arabisch te leren. Hij vertaalde Aristoteles, Galenus en vele anderen en vervaardigde een Grieks-Syrisch woordenboek.

Twee, drie eeuwen later kwam het gedachtengoed uit de Oudheid in Arabische, soms ook Hebreeuwse vertalingen naar Europa, via Sicilië en vooral via Spanje. Natuurlijk was het intussen verrijkt met wat er in het Midden-Oosten aan toe was gevoegd: de wetenschap had niet stil gestaan. Zonder de vroeg-Abbasidische tussenfase was hun klassieke Oudheid de Europeanen onbekend gebleven en was er nooit een Renaissance geweest.

NOTEN

1. D. Gutas, Greek Thought, 20.
2. Theodoretus von Cyrrhus (393–458) schreef bij voorbeeld Græcarum affectionum curatio, [Ελληνικών θεραπευτική παθημάτων], „Genezing der Griekse ziekten“. Hij bedoelt het voorchristelijke heidendom.
3. Al-Mas‘ūdī, Prairies, v, 3446:

وكان أول خليفة قرّب المنجمين وعمل بأحكام النجوم، وكان معه نوبخت المجوسي المنجم، وأسلم على يديه وهو أبو هؤلاء النوبختية، وإبراهيم الفزاري المنجم صاحب القصيدة في النجوم وغير ذلك من علم النجوم وهيآت الفلك، وعلي بن عيسى الأُسطُرلابي المنجم. وكان أول خليفة ترجمت له الكتب من اللغة العجمية إلى العربية، منها كتاب كليلة ودمنة وكتاب السند هند، ترجمت له كتب أرسطاطاليس من المنطقيات وغيرها، ترجم له كتب المجِسطي لبَطْلميوس وكتاب إقليدس وكتاب الأرِثماطقي وسائر الكتب القديمة من اليونانية والرومية والفهلوية والفارسية والسريانية، وأخرجت الى الناس، فنظروا فيها وتعلّقوا الى علمها.

4. D. Gutas, Greek Thought, 34–45 heeft de betreffende teksten verzameld en vertaald, deels uit het Perzisch.
5. Al-Mas‘ūdī, Prairies, v, 3447:

وأمعن [المهدي] في قتل الملحدين والذاهبين عن الدين لظهورهم في أيامه وإعلانهم باعتقاداتهم في خلافته، لمّا انتشر من كتب ماني وابن دَيْصان ومَرْقيون مما نقله عبد الله بن المقفَّع وغيره وترجمت من الفارسية والفَهْلوية الى العربية، وما صنّفه في ذلك الوقت ابن أبي العوجاء وحمّاد عَجْرَد ويحيى بن زياد ومطيع بن إياس تأييدًا لمذاهب المانية والديْصانية والمَرْقيونية. فكثر بذلك الزنادقة وظهرت آراءهم في الناس، وكان المهدي أول من أمر الجدليين من أهل البحث من المتكلمين بتصنيف الكتب على الملحدين ممن ذكرنا من الجاحدين وغيرهم، فأقاموا البراهين على المعاندين وأزالوا شُبَه الملحدين، فأوضحوا الحق للشاكّين.

6. „Kitāb fakhr as-sūdān ‘alā al-bīḍān,“ in Rasā’il al-Djāḥiẓ, uitg. ‘Abd al-Salām Muḥammad Hārūn, 2 dln. Cairo z.j. [1964], i, 173–226. Fragmenten in: Charles Pellat, Arabische Geisteswelt, ausgewählte und übersetzte Texte von al-Ǧāḥiẓ (777–869), vert. Walter Müller, Zürich/Stuttgart 1967, hst. 31: „Über den Ruhm der Schwarzen vor den Weißen,“ 315–318. „What Blacks may boast of to Whites,“ vert. T. Khalidi in Islamic Quarterly 25 (1981), 3–51 (niet gezien). Zie ook mijn tekst Negers.
7. „Kitāb Mufākharat al-djawārī wal-ghilmān,“ in Rasāʾil al-Ǧāḥiẓ, ii, 87–137; vert.: ‘De wedijver tussen deernen en knapen,’ in Rond voor rond of als een pikhouweel. Klassieke Arabische erotica vertaald door Hafid Bouazza, Amsterdam 2002, 14–79.

BIBLIOGRAFIE
– Dimitri Gutas, Greek Thought, Arabic Culture. The Graeco-Arabic Translation Movement in Baghdad and Early ‘Abbāsid Society (2nd–4th/8th–10th centuries), London 1998.
– Franz Rosenthal, Das Fortleben der Antike im Islam, Zürich 1965.
– Al-Mas‘ūdī, Les prairies d’or [Murūdj al-dhahab], Hg. […] Ch. Pellat, 7 dln., Beiroet 1966–1979.
– Hinrich Biesterfeldt, „Secular Graeco-Arabica — Fifty years after Franz Rosenthal’s Fortleben der Antike im Islam,” in: Intellectual History of the Islamicate World, 3 (2015), 125–157.

Diacritische tekens: al-Manṣūr, Ḥammād, Yaḥyā, Muṭīʿ, al-Djāḥiẓ, Ḥunayn ibn Isḥāq

Terug naar Inhoud

De stem als godsbewijs. Van orgel naar doedelzak

Weer een fragment uit het Arabische, overwegend christelijke werkje Kitāb al-iʿtibār fī al-malakūt,1 een collectie van ongeveer honderd teleologische godsbewijzen (arguments from design), waarschijnlijk uit de negende eeuw. Zie over dat boekje hier. Uit dezelfde tekst had ik al eens een fragment gebracht over de slurf van de olifant, over de domheid van babies en zelfs de penis van de man.

Deze tekst gaat over de stem als godsbewijs. De precieze vindplaats houd ik nog maar even voor me.

  • Denk eens na over de spraakorganen en over de spraak van de mens. De keel is als een articulatiepijp waardoor de stem naar buiten treedt; de tong, de lippen en de tanden dienen om de spraakklanken en de melodie te vormen. Het is bekend dat mensen die hun tanden kwijt zijn de s niet kunnen produceren; iemand met een onvolledige lip kan de f niet correct vormen en wie een zware tong heeft kan de r niet duidelijk uitspreken.
    De Ouden vergeleken op fraaie wijze het naar buiten treden van de stem met het geluid van een doedelzak (al-mizmār al-a‘ẓam), namelijk de keel met het riet daarvan, de longen met de zak die van onderen wordt opgeblazen om er lucht in te brengen, en de spieren die de longen samendrukken om de stem via de keel te laten uittreden met de handen die de zak samendrukken om de lucht uit de doedelzak te persen. De lippen en tanden die de spraakklanken vormen vergeleken ze met de vingers die verschillende posities innemen op de melodiepijp (fam) van de doedelzak, zodat zijn toon melodieën kan vormen.
    Maar al kan het naar buiten treden van de stem ter verduidelijking en onderrichting worden vergeleken met een doedelzak, in werkelijkheid zou het omgekeerd moeten zijn. De doedelzak is kunstmatig, maar de stem is natuurlijk, en het is het kunstmatige dat het natuurlijke nabootst.2 Maar omdat het kunstmatige duidelijker zichtbaar is en beter bekend is bij het grote publiek dan het natuurlijke is men ertoe overgegaan de verrichtingen van de natuur te vergelijken met die van het kunstproduct, om ze begrijpelijker en bekender te maken.
    Als iets kunstmatigs al bewonderd kan worden om de subtiliteit en de wijsheid waarmee het de natuur nabootst, hoeveel meer bewondering verdienen dan de natuur zelf en haar verfijnde verrichtingen! En als het toeval niet eens de verrichtingen van het kunstmatige teweeg kan brengen, dan zeker niet die van de natuur.

Meestal staat bij zulke voorbeelden nog de retorische vraag: ‘Kan zoiets moois werkelijk teruggaan op toeval, of zit er toch een intelligente ontwerper achter?’ Hier wordt het godsbewijs niet uitgewerkt; de vermelding van het toeval in de laatste zin is het enige wat ernaar verwijst.

Van de ‘Ouden’, die de tekst als bronnen aanvoert, is er in dit geval één bekend. Het is de Nestoriaanse kerkvader Theodoretus van Cyrrhus (± 393–460). In zijn Over de voorzienigheid staat een voorloper van onze tekst. Wie deze webpagina leest zal ook wel Engels kennen; daarom ben ik lui en geef U de vertaling van Halton:3

  • 4. [Voice Production Has Affinities With Organ Playing] You, then, who have the gift of speech an dishonor the One who so honors you, consider how the lungs resemble bellows, which the muscles surrounding the thorax press upon, corresponding to the action of the feet in organ blowing, causing it to contract and expand. This transmits the breath through the windpipe, and when compressed, opens the epiglottis and is borne through the throat to the mouth. Speech, then, manipulates the teeth like so many bronze reeds with the tongue and makes them run up and down and glide without effort and with perfect ease.
    5. The salivary gland also helps to facilitate this movement, resembling, as it does, a fount gushing forth moisture. When the constant movement parches the tongue, it needs saliva in moderation to moisten it, make it smooth, and give it freedom of movement. This is how articulate voice comes about: When speech comes in contact with the teeth by means of the tongue, and breath is exhaled, as I have said, and the lips contract, and the air is smitten harmoniously by the emission of the breath, the exhaled breath becomes the vehicle of speech while nature expels the smoky substance as superfluous.

Bij Theodoretus wordt niet van een doedelzak gesproken, maar van een orgel! In Perzië, waar de Arabische tekst (of zijn Syrische of Pahlavi-voorganger) is ontstaan, waren orgels niet bekend, zodat de uitgever/vertaler er iets op moest verzinnen. Zijn poging tot adaptatie is geslaagd en bewonderenswaardig.

NOTEN
1. Ook bekend als Dalāʾil al-iʿtibār. Het werkje wordt vaak toegeschreven aan al-Djāḥiẓ (gest. 868). De eerste (niet-kritische) uitgave verscheen in 1928 in Aleppo.

فكر في‏ آلات الصوت والكلام في‏ الانسان‏. فالحنجرة كالأنبوب لخروج‏ الصوت واللسان والشفتان والأسنان لصياغة الحروف‏ والنغم‏. ألا ترى أنّ‏ من سقطت أسنانه لم‏ يقِم السين ومن نقصت شفته لم‏ يصحّح‏ الفاء،‏ ومن ثقل لسانه لم‏ يفصح‏ الراء. فما أحسن ما مثّل الأوّلون فانّهم شبّهوا مخرج الصوت بالمزمار‏ الأعظم فشبّهوا الحنجرة بقصبة المزمار،‏ وشبّهوا الرئه بالزق الذي‏ ينفخ به من تحته ليدخله الريح،‏ وشبّهوا‏ العضلات التي‏ تقبض على الرئة‏ ليخرج الصوت من الحنجرة‏ بالأكفّ‏ التي‏ تقبض على الزق حتى‏ تجري‏ الريح في‏ المزمار‏. وشبّهوا الشفتين والأسنان التي‏ تصوغ‏ الصوت حروفًا ونغمًا بالأصابع التي‏ تختلف على فم المزمار فيصوغ‏ صفيره ألحانًا‏. غير أنّه وان كان مخرج الصوت‏ يشبه‏ بالمزمار للدلالة والتعريف فانّ‏ المزمار بالحقيقة هو المشبّه بمخرج الصوت،‏ لأنّ‏ المزمار صناعي‏ والصوت طبيعي‏ والصناعة هي‏ التي‏ تحكي‏ الطبيعة‏. ولكنه لما كانت الصناعة أظهر وأعرف عند العامّة من الطبيعة‏‏ صارت أفعال الطبيعة تمثل بأفعال الصناعة‏ لتفهم ويوقف عليها‏. فاذا كانت الصناعة‏ التي‏ قد يتعجّب من اللطف‏ والحكمة فيما‏ تحكي الطبيعة‏ فبالحرى أن‏ يتعجّب من الطبيعة ولطف أفعالها‏. ولئن كان الاهمال‏ يضعف عمّا تأتي‏ به الصناعة لهو عمّا تأتي‏ به الطبيعة أضعف‏.

2. Nederlanders moeten hierbij misschien denken aan de spreuk Natura artis magistra, ‘De natuur is de leermeesteres van de kunst.’ Deze stamt echter niet uit de Oudheid, maar uit de negentiende eeuw.
3. Περί Πρόνοιας λόγοι δέκα = De providentia orationes decem. De Engelse vertaling: Theodoret of Cyrus On Divine Providence, translated and annotated by Thomas Halton, New York/Mawjah NJ, 1988, 34–35. Het loont de moeite, Theodoretus’ tekst eens in zijn geheel te lezen. Voor de liefhebbers hieronder de oorspronkelijke Griekse tekst, Migne, Patrologia Græca 83, col. 583:
Ἀρκεῖ δὲ καὶ τοῦτο μόνον τὸ μόριον δεῖξαι τοῦ πεποιηκότος, οὐ τὴν σοφίαν μόνον, ἀλλὰ καὶ τὴν ἄπλητον φιλανθρωπίαν. Ὀργάνῳ γὰρ ἔοικεν ἀπὸ χαλκῶν συγκειμένῳ καλάμων, καὶ ὑπ’ ἀσκῶν ἐκφυσουμένῳ, καὶ κινουμένῳ ὑπὸ τῶν τοῦ τεχνίτου δακτύλων, καὶ ἀποτελοῦντι τὴν ἐναρμόνιον ἐκείνην ἠχήν. Ἀλλ’ οὐχ ἡ φύσις παρὰ τῆς τέχνης, ἡ τέχνη δὲ παρὰ τῆς φύσεως ἐδιδάχθη τῆς τερπνῆς ἐκείνης ἠχῆς τὸ μηχάνημα· ἀρχέτυπον γὰρ τῆς τέχνης ἡ φύσις, ἴνδαλμα δὲ τῆς φύσεως ἡ τέχνη.
Ἄθρει τοιγαροῦν ὁ λόγου μὲν τετυχηκὼς, ἀτιμάζων δὲ τῇ τιμῇ τὸν τιμήσαντα, πῶς ὑπόκειται μὲν ὁ πνεύμων δίκην ἀσκοῦ, ἀποθλίβουσι δὲ αὐτὸν, οὐ πόδες ἀνθρώπου, ἀλλ’ οἱ περικείμενοι τῷ θώρακι μύες, συστέλλοντες αὐτὸν καὶ διαστέλλοντες. Ἀναπέμπει δὲ οὑτοσὶ διὰ τῆς τραχείας ἀρτηρίας τὸ πνεῦμα, τὸ δὲ συνωθούμενον, ἀνοίγει μὲν τὴν ἐπιγλωττίδα, φέρεται δὲ διὰ τοῦ φάρυγγος ἐπὶ τὸ στόμα. Ὁ δὲ λόγος, τῆς γλώττης οἷόν τινος δεξιᾶς ἐπειλημμένος, ταύτην τοῖς ὀδοῦσι καθάπερ τοῖς χαλκοῖς ἐκείνοις προσφέρει καλάμοις, καὶ ἄνω καὶ κάτω διαθέειν καὶ διολισθαίνειν εὐπετῶς καὶ μάλα ῥᾳδίως κατασκευάζει· […] κτλ

Terug naar Inhoud

De penis als godsbewijs

Weer een fragment uit het Arabische, overwegend christelijke werkje Kitāb al-i‘tibār fī al-malakūt,1 een collectie van ongeveer honderd teleologische godsbewijzen (arguments from design), waarschijnlijk uit de negende eeuw. Zie over dat boekje hier. Uit dezelfde tekst had ik al eens een fragment gebracht over de slurf van de olifant en een over de domheid van babies. Hier onder volgt een tekst over de penis van de man.

  • Vervloekt zijn Epicurus en zijn soortgenoten, want hun harten zijn zo blind voor deze wonderbaarlijke schepping dat zij het ontwerp en de doelmatigheid ervan ontkennen.
    Als het geslachtsdeel van de man altijd slap was, hoe zou het dan ooit de bodem van de baarmoeder kunnen bereiken waar de zaaddruppel terecht moet komen? Anderzijds, als het altijd geërigeerd was, hoe zou een man zich dan in bed kunnen omdraaien of op straat rondlopen met zo’n stijf ding voor zich? Afgezien daarvan dat het een lelijk gezicht zou zijn, het zou ook voortdurend lust opwekken bij zowel mannen als vrouwen. Dat zou hen ertoe aanzetten voortdurend met elkaar naar bed te gaan, wat op den duur tot hun ondergang zou leiden. Daarom is het zo ingericht dat de penis meestal slap afhangt, zodat hij niet steeds in het oog loopt en de man tot last wordt. Maar hij heeft ook het vermogen om bij behoefte stijf overeind te staan, namelijk voor de handeling die een continue voortplanting garandeert.

Zoals U ziet vallen die godsbewijzen soms nogal raar uit.
Dit fragment komt niet in alle handschriften voor. Ik vraag mij soms af of niet een afschrijver in een melige bui het heeft bedacht en in de tekst binnengesmokkeld. Als je namelijk twintig godsbewijzen uit deze verzameling achter elkaar leest kun je er zelf met gemak nog een paar bij verzinnen. Maar het is ook denkbaar dat de tekst toch origineel is, en dat juist andere afschrijvers de tekst niet hebben opgenomen omdat hij hun niet stichtelijk genoeg was. Voor de originaliteit spreekt ook de vermelding van de vloekwaardige Epicurus: een copiïst in een melige bui zou denkelijk niet zo veel algemene ontwikkeling en verontwaardiging aan de dag leggen.

NOOT
1. Ook bekend als Dalā’il al-i‘tibār. Het werkje wordt vaak toegeschreven aan al-Djāḥiẓ (gest. 868). De eerste (niet-kritische) uitgave verscheen in 1928 in Aleppo.

فتبّاًلافيقورس وأشباهه حين‏ عميت قلوبهم عن هذه الخلقة العجيبة حتّى أنكروا التدبير والعمد فيها‏. لو كان فرج‏ الرجل مسترخيًا أبدًا كيف كان يصل الى قعر الرحم حتى تقرّ النطفة فيه؟‏ ولو كان منعظًا أبدًا كيف كان الرجل يتقلب في الفراش ويمشي بين الناس وشيء شاخص أمامه؟ ثم كان في ذلك مع قبح‏ المنظر تحريك الشهوة في كلّ وقت من الرجال والنساء جميعًا فيدعوهم تحريكهما الى المباضعة، وهذا على الأوان يؤدّيهم الى الهلاك. فقُدّر أن‏ يكون في‏ أكثر ذلك مسترخيًا لكيلا‏ يبدو للبصر في كلّ وقت ولا يكون على الرجل منه مؤنة وجعلت فيه قوّة‏ علي الانتصاب عند الحاجة الى ذلك لما فيه من دوام النسل وبقاؤه‏.

Terug naar Inhoud

De domheid van babies als godsbewijs

Ik zat weer even te knutselen aan de  uitgave van een Arabische tekst, Kitāb al-i‘tibār fī al-malakūt,1 vermoedelijk uit de negende eeuw, dat ongeveer honderd teleologische godsbewijzen bevat (arguments from design).
Die godsbewijzen lopen meestal als volgt. De aandacht wordt gevestigd op iets in de schepping wat bijzonder mooi, ingewikkeld of doelmatig is. Vervolgens wordt gezegd dat zoiets ingewikkelds toch onmogelijk door toeval zou kunnen bestaan, en dat er dus een intelligente ontwerper achter moet zitten. In deze tekst wordt die niet God genoemd, maar de Schepper, de Ontwerper e.d.
Is het godsbewijs niet allang uit de tijd? Jawel, maar in Amerika leeft het onder christenen die de evolutietheorie afwijzen nog volop, onder het etiket Intelligent Design. En in de islamitische wereld komt het conservatieven ook weer erg van pas, zodat het boekje weer is herdrukt en ook in het internet in stukken en brokken wordt verbreid. De koran staat vol verwijzingen naar de tekenen Gods in de Schepping, zodat de ‘markt’ voor godsbewijzen nog heel lang gegeven zal zijn.

Waarom zit ik aan zo’n oud boekje met zulke ouwe koek? Niet omdat ik alsnog het bestaan van God wil bewijzen, maar omdat het interessant is te zien hoe die teksten sinds de Oudheid hebben gecirculeerd en telkens herhaald en opnieuw bewerkt zijn. Mijn tekst is namelijk helemaal geen islamitisch boekje; het is eerder christelijk, met een flinke scheut Griekse Oudheid. Sporen van Xenophon en Cicero zijn erin terug te vinden, maar ook teksten van een kerkvader als Theodoretus (393–±460). Het geheel is ooit in het Syrisch vertaald en in de taal van het preïslamitische Iran, het Pahlavi, en van daaruit in het Arabisch. Er moeten mensen geweest zijn die het boekje in zijn oudste vorm niet islamitisch genoeg vonden, want er bestaat een bewerking van, die wat meer geïslamiseerd is.
Het boekje is ook interessant omdat het de mogelijkheid biedt om de overlevering  van oude Griekse teksten in Arabische vertaling te volgen. Soms kan met behulp van het Arabisch een gebrekkig overgeleverde Griekse tekst beter begrepen worden. En in elk geval wordt weer eens zichtbaar hoe de westerse cultuur in de loop der  eeuwen een grote cirkel beschreven heeft: van Griekenland en Rome via Syrië en Irak naar Spanje en Sicilië, en vandaar naar het Middeleeuwse Europa. Waar de mensen tijdens de Renaissance gingen doen alsof zij alles rechtstreeks van de Grieken overgenomen of zelf bedacht hadden; een euvel waar we nog niet helemaal van bevrijd zijn.

Ik had al eerder een fragment gebracht over de slurf van de olifant. Hier volgt een tekst over de domheid van babies. Welke handschriften ik heb gebruikt verklap ik later wel eens.

  • Denk eens aan een ander aspect van de gesteldheid van de mens, namelijk het feit dat hij dom en zonder verstand of begrip geboren wordt. Als hij met verstand en begrip geboren zou worden, zou hij de wereld bij zijn geboorte zo vreemd vinden dat hij in verwarring zou geraken en volkomen de kluts kwijt zijn als hij zijn nieuwe omgeving zag en geconfronteerd werd met dingen als hij nog nooit had gezien. Neem bij voorbeeld een man die als gevangene wordt overgebracht van het ene land naar het andere als hij al wereldwijs is. Hij zal als een verwarde idioot zijn en niet zo vlug de taal leren en de manieren oppikken als iemand die op jonge leeftijd gevangen was genomen. Bovendien, als een zuigeling intelligent geboren werd zou hij eronder lijden zo rondgedragen te worden, en gezoogd en ingepakt in oude lappen en in de wieg te worden ingestopt, hoewel hij dat alles nodig heeft, omdat zijn lichaam bij zijn geboorte zo zacht en teer is. Verder zou hij niet meer zo lief zijn, en hij zou niet meer die speciale plaats in de harten innemen. Maar nu komt een kind dom op de wereld, zonder enig idee van de situatie van al die familieleden om hem heen, en hij treedt alles tegemoet met een zwakke intelligentie en gebrekkige kennis. Dan neemt zijn kennis geleidelijk toe, beetje bij beetje, tot hij vertrouwd raakt met de dingen en er ervaring mee opdoet; dan verlaat hij de fase van het verward overpeinzen ervan en begint hij zijn eigen zaken te regelen en actief zijn levensonderhoud te verdienen.
    Er zijn nog andere gezichtspunten. Als een mens met een volgroeid intellect en zelfstandig geboren werd, dan zou de aanleiding om kinderen op te voeden vervallen, evenals het belang dat in die bezigheid voor de ouders is voorzien, omdat het grootbrengen de ouders namelijk een aanspraak oplevert op zorg en genegenheid van hun kinderen wanneer zij die van hun kant nodig hebben. Bovendien zouden de kinderen geen band krijgen met hun ouders, en de ouders niet met de kinderen, omdat de kleinen de opvoeding en zorg van hun ouders niet nodig hadden. Zij zouden al op eigen benen staan zodra zij geboren waren, zodat niemand zijn vader of moeder zou leren kennen. Zo zou een jongen er ook niet van afgehouden worden, geslachtsverkeer met zijn moeder en zijn zuster te hebben, omdat hij die niet zou kennen. Het minste wat er op dit gebied zou gebeuren, als een kind met verstand begaafd uit zijn moeders buik kwam, is dat hij iets van haar te zien zou krijgen wat niet geoorloofd is, en wat hij beter niet had kunnen zien.

Meestal staat bij dit soort voorbeelden nog een retorische vraag: zou dit schitterende ontwerp op toeval kunnen berusten, of zit er toch intelligent design achter? Hier ontbreekt die vraag, maar U kunt hem er zelf bij denken en erkennen dat het in ieder geval mooi geregeld is zoals het is.

NOOT
1. Ook bekend als Dalā’il al-i‘tibār. Het werkje wordt vaak toegeschreven aan al-Djāhiz (gest. 868). De eerste (niet-kritische) uitgave verscheen in 1928 in Aleppo.

فكر‏ في‏ أمر الانسان‏ في‏ باب‏ آخر وهو‏ ولاده‏‏ حين‏ يولد‏ غبيّاً‏ غير ذي‏ عقل وفهم‏. فانّه لو كان‏ يولد‏ عاقلاً‏ فاهمًا‏‏ لأنكر العالَم عند ولاده‏ حتّى‏ يبقى حيرانًا تائه العقل اذا رأى ما‏‏‏ لم‏ يعرف وورد عليه‏ ما لم‏ ير مثله‏. واعتبر‏‏ ذلك بأن من سبي‏ من بلد الى بلد وهو‏ محتنك يكون كالواله الحيران ولا يسرع‏ في‏ تعلم‏ الكلام‏  وقبول الأدب كما يسرع‏ الذي‏ سبي صغيرًا. ثم كان لو ولد‏ عاقلًا وجد‏ غضاضة أن‏ يرى نفسه محمولاً‏ ومرضعًا معصّبًا بالخرق ومسجىً في المهد،‏ على أنّه كان لا‏ يستغني‏ عن هذا كلّه لرقّة بدنه ورطوبته حين‏ يولد‏. ثم كان لا‏ يوجد له من الحلاوة والموقع في‏ القلوب‏ ما‏ يوجد للطفل.‏ فصار يدخل‏ العالم‏ غبيّاً غافلاً‏ عمّا فيه أهله فيلقي‏ الأشياء بذهن ضعيف ومعرفة ناقصة‏. ثم لا‏ يزال‏ يتزيّد في‏ المعرفة قليلاً‏ قليلاً‏ وشيئًا بعد شيء حتى‏ يألف الأشياء ويتمرّن‏ عليها فيخرج من حد التأمّل لها والحيرة‏ فيها‏ الى التصرّف في‏ الأمور‏ والاضطراب في‏ المعاش‏.

‏وفي هذا أيضًا‏ وجوه أخر،‏ فأنّه لو كان‏ يولد‏ تام العقل مستقلاً‏ بنفسه لذهب موضع تربية الأولاد وما دبّر‏ أن‏ يكون للوالدين في‏ الاشتغال به من المصلحة وما توجب التربية للآباء على البنين‏ من المكافأبة بالبرّ‏ والعطف عند حاجتهم الى ذلك منهم‏. ثم كان الأولاد لا‏ يألفون آباءهم ولا الآباء‏ يألفون‏ أبناءهم لأنّه كان‏ الأولاد‏ يستغنون عن تربية الأباء وحياطتهم فيتفرّقون عنهم حين‏ يولدون‏ حتّى لا‏ يعرف الرجل أباه وأمّه. ولا‏ يمتنع من نكاح أمّه وأخته إذ كان لا‏ يعرفها‏. وأقلّ‏ ما كان‏ يكون في‏ ذلك أن يخرج‏‏ من بطن أمّه‏ وهو يعقل فيرى منها ما‏ لا‏ يحلّ‏ له‏ ولا‏ يحسن به أن‏ يراه‏.

Terug naar Inhoud

De slurf als godsbewijs

Soms werk ik aan de uitgave van een Arabische tekst, Kitāb al-i‘tibār fī al-malakūt,1 vermoedelijk uit de negende eeuw, dat ongeveer honderd teleologische godsbewijzen bevat (arguments from design).
Die godsbewijzen lopen meestal als volgt. De aandacht wordt gevestigd op iets in de schepping wat bijzonder mooi, ingewikkeld of doelmatig is. Vervolgens wordt gezegd dat zoiets ingewikkelds toch onmogelijk door toeval zou kunnen bestaan, en dat er dus een intelligente ontwerper achter moet zitten. In deze tekst wordt die niet God genoemd, maar de Schepper, de Ontwerper e.d..
Is het godsbewijs niet allang uit de tijd? Jawel, maar in Amerika leeft het onder christenen die de evolutietheorie afwijzen nog volop, onder het etiket Intelligent Design. En in de islamitische wereld komt het conservatieven ook weer erg van pas, zodat het boekje weer is herdrukt en ook in het internet in stukken en brokken wordt verbreid. De koran staat vol verwijzingen naar de tekenen Gods in de Schepping, zodat de ‘markt’ voor godsbewijzen nog heel lang gegeven zal zijn.

Waarom zit ik aan zo’n oud boekje met zulke ouwe koek? Niet omdat ik alsnog het bestaan van God wil bewijzen, maar omdat het interessant is te zien hoe die teksten sinds de Oudheid hebben gecirculeerd en telkens herhaald en opnieuw bewerkt zijn. Mijn tekst is namelijk helemaal geen islamitisch boekje; het is eerder christelijk, met een flinke scheut Griekse Oudheid. Sporen van Xenophon en Cicero zijn erin terug te vinden, maar ook teksten van een kerkvader als Theodoretus (393–±460). Het geheel is ooit in het Syrisch vertaald en in de taal van het preïslamitische Iran, het Pahlavi, en van daaruit in het Arabisch. Er moeten mensen geweest zijn die het boekje in zijn oudste vorm niet islamitisch genoeg vonden, want er bestaat een bewerking van, die wat meer geïslamiseerd is.
Het boekje is ook interessant omdat het de mogelijkheid biedt om de overlevering  van oude Griekse teksten in Arabische vertaling te volgen. Soms kan met behulp van het Arabisch een gebrekkig overgeleverde Griekse tekst beter begrepen worden. En in elk geval wordt weer eens zichtbaar hoe de westerse cultuur in de loop der  eeuwen een grote cirkel beschreven heeft: van Griekenland en Rome via Syrië en Irak naar Spanje en Sicilië, en vandaar naar het Middeleeuwse Europa. Waar de mensen vervolgens gingen doen alsof zij alles rechtstreeks van de Grieken overgenomen of zelf bedacht hadden; een euvel waar we nog niet helemaal van bevrijd zijn.

Hier volgt een proeve uit de oudste versie, en wel een over de slurf van de olifant. Welke handschriften ik heb gebruikt verklap ik later wel eens.

  • Kijk eens naar de slurf van de olifant, hoe subtiel die is ontworpen. Voor dit dier vervangt deze een hand om voer en water mee op te pakken en het naar zijn maag over te brengen. Daarzonder had hij niets van de grond kunnen oppakken, want hij heeft geen nek die hij had kunnen uitstrekken, zoals de andere grazers. Maar omdat hij geen nek had gekregen werd hem in plaats daarvan die lange slurf gegeven, die hij kan laten afhangen om te pakken wat hij nodig heeft. Zij is hol gemaakt, omdat daardoor het voedsel en water naar zijn maag wordt getransporteerd. Bovendien is het zijn wapen, waarmee hij kan geven en nemen, zich verdedigen en aanvallen.
    En wie is degene die hem iets ter vervanging van het ontbrekende lichaamsdeel heeft gegeven als het niet de goedgunstige Schepper is? Hoe had zoiets tot stand kunnen komen door toeval, zoals de zondaren zeggen?
    Wanneer je nu zegt: Waarom heeft hij hem niet met een nek geschapen, zoals de andere grazers? dan antwoorden wij naar de mate van onze kennis en zeggen: De kop en de oren van een olifant zijn enorm en erg zwaar. Als die op een nek zouden rusten zou die ze niet kunnen dragen en breken. De kop is direct aan het lijf bevestigd om dat te voorkomen, en in plaats van een nek is voor hem dus die slurf geschapen, waarmee hij zijn voedsel kan oppakken en ook zonder nek in al zijn behoeften kan voorzien.

NOOT
1. Ook bekend als Dalā’il al-i‘tibār. Het werkje wordt vaak toegeschreven aan al-Djāhiz (gest. 868). De eerste (niet-kritische) uitgave verscheen in 1928 in Aleppo.

أنظر الى مشفر الفيل وما فيه من لطف التدبير فانّه صار يقوم له مقام اليد في تناول العلف والماء وايرادهما جوفه. فلولا ذلك لما استطاع أن يتناول شيئًا من الأرض، فانّه ليست له عنق يمدّها كسائر الأنعام. فلمّا عدم العنق أخلف عليه مكان العنق ذلك الخرطوم الطويل ليسدله ويتناول به حاجته. وجُعل أجوف لأنّه وعاء لما يحمل الى صدره من طعامه وشرابه وأيضًا فهو سلاحه وبه يعطي ويتناول ويقابل ويصول . فمن الذي عوّضه مكان العضو الذي عدمه ما يقوم له مقامه الاّ الرؤوف بخلقه؟ وكيف يأتي مثل هذا بالاهمال كما قال الظلمة؟ فان قلت: ما باله لم يخلق ذا عنق كسائر الأنعام؟ أجبنا بمبلغ علمنا فقلنا: انّ رأس الفيل وأذنيه أمر عظيم وثقل ثقيل، فلو كان ذلك على عنق لهدّها وأوهنها. فجعل رأسه ملصقًا بجسمه لكيلا يناله منه شيء مما وصفنا وخلق له مكان العنق هذا المشفر يتناول به غذاءه فصار مع عدمه العنق مستوفيًا ما فيه بلوغ حاجته.

Terug naar Inhoud

‘Platonische liefde’

Ibn Dāwūd al-Isbahāni (Baghdad, 868-909) was bekend met de ‘platonische liefde’—maar natuurlijk niet zoals die uitdrukking tegenwoordig wordt opgevat. In zijn Kitāb al-Zahra heeft hij twee teksten die oorspronkelijk teruggaan op Plato. In de kortste tekst wordt Plato als de auteur genoemd:

  • Er wordt verteld dat Plato gezegd heeft: ‘Ik weet niet wat liefde is, maar ik weet wel dat het een goddelijke waanzin is, die te prijzen noch te laken is.’ 1

In de andere wordt de Griekse wijsgeer niet genoemd, maar we moeten onweerstaanbaar denken aan diens gehalveerde mensen en hun verlangen naar hun oorspronkelijke wederhelft:2

  • Een filosoof beweert dat God iedere ziel rond heeft geschapen, in de vorm van een bol, en haar dan in tweeën heeft gesneden en een helft in ieder lichaam heeft gedaan. [Wanneer nu] een lichaam het lichaam ontmoet waarin zich de helft bevindt die was afgesneden van de helft die hij zelf bij zich heeft, dan ontstaat tussen hen hartstochtelijke liefde op grond van hun vroegere samenpassen. Die aantrekkingskracht is bij mensen sterker of zwakker naar gelang de fijnheid van hun natuur.3

Bekend is de kritiek van Ibn Hazm (994–1064) op de halve-bollentheorie:

  • Men is het niet eens over het wezen van de liefde, daar zijn lange betogen over gehouden. Ik hang de mening aan dat liefde de vereniging is van delen van de ziel, die in deze schepping gescheiden zijn, in hun oorspronkelijke verheven substantie. Dit moet niet opgevat worden, zoals Muhammed ibn Dawud het voorstelt, die zich baseert op filosofen die zeggen dat de zielen halve bollen zijn, maar in die zin, meen ik, dat de zielekrachten in hun hogere bestaansvorm aan elkaar verwant zijn en qua samenstelling op elkaar lijken.4

Maar ook het Kitāb al-Zahra zelf heeft in één van de drie handschriften een kritisch commentaar daarop, dat Ibn Hazm blijkbaar niet kende. Het is niet duidelijk of het van de auteur stamt of van een afschrijver.

  • Tegen hem is in te brengen: Als we iemand vinden die een ander hartstochtelijk liefheeft, en de minnaar sterft dan aan liefde, maar die ander sterft uit haat jegens die minnaar, hoe was zijn helft dan afgesneden? En als we een man vinden die twintig personen liefheeft, hoeveel helften heeft zijn ziel dan? 5

NOTEN
1. Ibn Dāwūd al-Iṣbahāni, Kitāb al-Zahra (The Book of the Flower), The first half, uitg. A.R. Nykl en Ibrāhīm Ṭūqān, Chicago 1933, p. 15.

وحكي عن افلاطرن أنه قال: ما أدري ما الهوى غير أني أعلم أنه جنون الاهي لا محمود ولا مذموم.

Deze zin komt zo niet bij Plato voor, maar de inhoud gaat terug op diens Phaedrus 244a-245b.
2. Plato, Symposion 189d–193d; vert. Gerard Koolschijn, Amsterdam, 1985, p. 31vv.
3. Ibn Dāwūd al-Iṣbahāni, Kitāb al-Zahra (The Book of the Flower), The first half, uitg. A.R. Nykl en Ibrāhīm Ṭūqān, Chicago 1933, p. 15.

وزعم بعض المتفلسفين أن الله جل ثناؤه خلق كل روح مدوّرة على هيئة الكرة، ثم قطعها أنصافًا، فجعل في كل جسد نصفًا وكل جسد لقي الجسد الذي فيه النصف الذي قطع من النصف الذي معه كان بينهما عشق للمناسبة القديمة وتتفاوت أحوال الناس في ذلك بين القوة والضعف على حسب رقة طبائعهم.

4. Ibn Hazm, De ring van de duif. Over minnaars en liefde, vert. Remke Kruk en J.J. Witkam, Amsterdam 1977, 41. Het originele Arabisch staat in Abû-Muhammed-Alî-Ibn-Hazm al-Andalusî, Ṭauḳ-al-Ḥamâma, uitg. D.K. Pétrof, St. Petersburg/Leiden 1914, 7.

وقد اختلف الناس في مائيته وقالوا وأطالوا والذي أذهب اليه انّه اتّصال بين أجزاء النفوس المقسومة في هذه الخليقة في أصل عنصرها الرفيع، لا على ما حكاه محمد بن داود رحمه الله عن بعض أهل الفلسفة: الأرواح أُكَر مقسومة لكن على سبيل مناسبة قواها في مقرّ عالمها العلوى ومجاورتها في هيئة تركيبها.

5. Ibn Dāwūd al-Iṣbahāni, Kitāb al-Zahra I, Ms. Torino 68, fol 11 a/b.

يقال له فهو [إ]ذا [كنا] نجد واحدًا يعشق واحدًا فيموت العاشق من حبّه وذلك الآخر يموت من بغض من يعشقه، فأنّى قَصّة هذا النصف؟ ونجد الرجل أيضًا يعشق عشرين فكم نصف لروح هذا؟

Diakritische Zeichen: Muḥammad ibn Dāwūd al-Iṣbahāni,Ibn Ḥazm

MUHAMMAD IBN DAWUD AL-ISBAHANI: Startpunt:
Hadith bij Ibn Dawud: Hadith.
Islamitisch recht bij Ibn Dawud. De wijn in het paradijs
Graeco-Arabica bij Ibn Dawud: Verliefdheid als ziekte. Liefde als doodsoorzaak. .
Ibn Dawuds liefdestheorie: Verliefdheid als ziekte. Liefde als doodsoorzaak.
Anecdotes over zijn leven: Zijn liefdesdood.             Terug naar Inhoud