De stem als godsbewijs. Van orgel naar doedelzak

Weer een fragment uit het Arabische, overwegend christelijke werkje Kitāb al-iʿtibār fī al-malakūt,1 een collectie van ongeveer honderd teleologische godsbewijzen (arguments from design), waarschijnlijk uit de negende eeuw. Zie over dat boekje hier. Uit dezelfde tekst had ik al eens een fragment gebracht over de slurf van de olifant, over de domheid van babies en zelfs de penis van de man.

Deze tekst gaat over de stem als godsbewijs. De precieze vindplaats houd ik nog maar even voor me.

  • Denk eens na over de spraakorganen en over de spraak van de mens. De keel is als een articulatiepijp waardoor de stem naar buiten treedt; de tong, de lippen en de tanden dienen om de spraakklanken en de melodie te vormen. Het is bekend dat mensen die hun tanden kwijt zijn de s niet kunnen produceren; iemand met een onvolledige lip kan de f niet correct vormen en wie een zware tong heeft kan de r niet duidelijk uitspreken.
    De Ouden vergeleken op fraaie wijze het naar buiten treden van de stem met het geluid van een doedelzak (al-mizmār al-a‘ẓam), namelijk de keel met het riet daarvan, de longen met de zak die van onderen wordt opgeblazen om er lucht in te brengen, en de spieren die de longen samendrukken om de stem via de keel te laten uittreden met de handen die de zak samendrukken om de lucht uit de doedelzak te persen. De lippen en tanden die de spraakklanken vormen vergeleken ze met de vingers die verschillende posities innemen op de melodiepijp (fam) van de doedelzak, zodat zijn toon melodieën kan vormen.
    Maar al kan het naar buiten treden van de stem ter verduidelijking en onderrichting worden vergeleken met een doedelzak, in werkelijkheid zou het omgekeerd moeten zijn. De doedelzak is kunstmatig, maar de stem is natuurlijk, en het is het kunstmatige dat het natuurlijke nabootst.2 Maar omdat het kunstmatige duidelijker zichtbaar is en beter bekend is bij het grote publiek dan het natuurlijke is men ertoe overgegaan de verrichtingen van de natuur te vergelijken met die van het kunstproduct, om ze begrijpelijker en bekender te maken.
    Als iets kunstmatigs al bewonderd kan worden om de subtiliteit en de wijsheid waarmee het de natuur nabootst, hoeveel meer bewondering verdienen dan de natuur zelf en haar verfijnde verrichtingen! En als het toeval niet eens de verrichtingen van het kunstmatige teweeg kan brengen, dan zeker niet die van de natuur.

Meestal staat bij zulke voorbeelden nog de retorische vraag: ‘Kan zoiets moois werkelijk teruggaan op toeval, of zit er toch een intelligente ontwerper achter?’ Hier wordt het godsbewijs niet uitgewerkt; de vermelding van het toeval in de laatste zin is het enige wat ernaar verwijst.

Van de ‘Ouden’, die de tekst als bronnen aanvoert, is er in dit geval één bekend. Het is de Nestoriaanse kerkvader Theodoretus van Cyrrhus (± 393–460). In zijn Over de voorzienigheid staat een voorloper van onze tekst. Wie deze webpagina leest zal ook wel Engels kennen; daarom ben ik lui en geef U de vertaling van Halton:3

  • 4. [Voice Production Has Affinities With Organ Playing] You, then, who have the gift of speech an dishonor the One who so honors you, consider how the lungs resemble bellows, which the muscles surrounding the thorax press upon, corresponding to the action of the feet in organ blowing, causing it to contract and expand. This transmits the breath through the windpipe, and when compressed, opens the epiglottis and is borne through the throat to the mouth. Speech, then, manipulates the teeth like so many bronze reeds with the tongue and makes them run up and down and glide without effort and with perfect ease.
    5. The salivary gland also helps to facilitate this movement, resembling, as it does, a fount gushing forth moisture. When the constant movement parches the tongue, it needs saliva in moderation to moisten it, make it smooth, and give it freedom of movement. This is how articulate voice comes about: When speech comes in contact with the teeth by means of the tongue, and breath is exhaled, as I have said, and the lips contract, and the air is smitten harmoniously by the emission of the breath, the exhaled breath becomes the vehicle of speech while nature expels the smoky substance as superfluous.

Bij Theodoretus wordt niet van een doedelzak gesproken, maar van een orgel! In Perzië, waar de Arabische tekst (of zijn Syrische of Pahlavi-voorganger) is ontstaan, waren orgels niet bekend, zodat de uitgever/vertaler er iets op moest verzinnen. Zijn poging tot adaptatie is geslaagd en bewonderenswaardig.

NOTEN
1. Ook bekend als Dalāʾil al-iʿtibār. Het werkje wordt vaak toegeschreven aan al-Djāḥiẓ (gest. 868). De eerste (niet-kritische) uitgave verscheen in 1928 in Aleppo.

فكر في‏ آلات الصوت والكلام في‏ الانسان‏. فالحنجرة كالأنبوب لخروج‏ الصوت واللسان والشفتان والأسنان لصياغة الحروف‏ والنغم‏. ألا ترى أنّ‏ من سقطت أسنانه لم‏ يقِم السين ومن نقصت شفته لم‏ يصحّح‏ الفاء،‏ ومن ثقل لسانه لم‏ يفصح‏ الراء. فما أحسن ما مثّل الأوّلون فانّهم شبّهوا مخرج الصوت بالمزمار‏ الأعظم فشبّهوا الحنجرة بقصبة المزمار،‏ وشبّهوا الرئه بالزق الذي‏ ينفخ به من تحته ليدخله الريح،‏ وشبّهوا‏ العضلات التي‏ تقبض على الرئة‏ ليخرج الصوت من الحنجرة‏ بالأكفّ‏ التي‏ تقبض على الزق حتى‏ تجري‏ الريح في‏ المزمار‏. وشبّهوا الشفتين والأسنان التي‏ تصوغ‏ الصوت حروفًا ونغمًا بالأصابع التي‏ تختلف على فم المزمار فيصوغ‏ صفيره ألحانًا‏. غير أنّه وان كان مخرج الصوت‏ يشبه‏ بالمزمار للدلالة والتعريف فانّ‏ المزمار بالحقيقة هو المشبّه بمخرج الصوت،‏ لأنّ‏ المزمار صناعي‏ والصوت طبيعي‏ والصناعة هي‏ التي‏ تحكي‏ الطبيعة‏. ولكنه لما كانت الصناعة أظهر وأعرف عند العامّة من الطبيعة‏‏ صارت أفعال الطبيعة تمثل بأفعال الصناعة‏ لتفهم ويوقف عليها‏. فاذا كانت الصناعة‏ التي‏ قد يتعجّب من اللطف‏ والحكمة فيما‏ تحكي الطبيعة‏ فبالحرى أن‏ يتعجّب من الطبيعة ولطف أفعالها‏. ولئن كان الاهمال‏ يضعف عمّا تأتي‏ به الصناعة لهو عمّا تأتي‏ به الطبيعة أضعف‏.

2. Nederlanders moeten hierbij misschien denken aan de spreuk Natura artis magistra, ‘De natuur is de leermeesteres van de kunst.’ Deze stamt echter niet uit de Oudheid, maar uit de negentiende eeuw.
3. Περί Πρόνοιας λόγοι δέκα = De providentia orationes decem. De Engelse vertaling: Theodoret of Cyrus On Divine Providence, translated and annotated by Thomas Halton, New York/Mawjah NJ, 1988, 34–35. Het loont de moeite, Theodoretus’ tekst eens in zijn geheel te lezen. Voor de liefhebbers hieronder de oorspronkelijke Griekse tekst, Migne, Patrologia Græca 83, col. 583:
Ἀρκεῖ δὲ καὶ τοῦτο μόνον τὸ μόριον δεῖξαι τοῦ πεποιηκότος, οὐ τὴν σοφίαν μόνον, ἀλλὰ καὶ τὴν ἄπλητον φιλανθρωπίαν. Ὀργάνῳ γὰρ ἔοικεν ἀπὸ χαλκῶν συγκειμένῳ καλάμων, καὶ ὑπ’ ἀσκῶν ἐκφυσουμένῳ, καὶ κινουμένῳ ὑπὸ τῶν τοῦ τεχνίτου δακτύλων, καὶ ἀποτελοῦντι τὴν ἐναρμόνιον ἐκείνην ἠχήν. Ἀλλ’ οὐχ ἡ φύσις παρὰ τῆς τέχνης, ἡ τέχνη δὲ παρὰ τῆς φύσεως ἐδιδάχθη τῆς τερπνῆς ἐκείνης ἠχῆς τὸ μηχάνημα· ἀρχέτυπον γὰρ τῆς τέχνης ἡ φύσις, ἴνδαλμα δὲ τῆς φύσεως ἡ τέχνη.
Ἄθρει τοιγαροῦν ὁ λόγου μὲν τετυχηκὼς, ἀτιμάζων δὲ τῇ τιμῇ τὸν τιμήσαντα, πῶς ὑπόκειται μὲν ὁ πνεύμων δίκην ἀσκοῦ, ἀποθλίβουσι δὲ αὐτὸν, οὐ πόδες ἀνθρώπου, ἀλλ’ οἱ περικείμενοι τῷ θώρακι μύες, συστέλλοντες αὐτὸν καὶ διαστέλλοντες. Ἀναπέμπει δὲ οὑτοσὶ διὰ τῆς τραχείας ἀρτηρίας τὸ πνεῦμα, τὸ δὲ συνωθούμενον, ἀνοίγει μὲν τὴν ἐπιγλωττίδα, φέρεται δὲ διὰ τοῦ φάρυγγος ἐπὶ τὸ στόμα. Ὁ δὲ λόγος, τῆς γλώττης οἷόν τινος δεξιᾶς ἐπειλημμένος, ταύτην τοῖς ὀδοῦσι καθάπερ τοῖς χαλκοῖς ἐκείνοις προσφέρει καλάμοις, καὶ ἄνω καὶ κάτω διαθέειν καὶ διολισθαίνειν εὐπετῶς καὶ μάλα ῥᾳδίως κατασκευάζει· […] κτλ

Terug naar Inhoud

De penis als godsbewijs

Weer een fragment uit het Arabische, overwegend christelijke werkje Kitāb al-i‘tibār fī al-malakūt,1 een collectie van ongeveer honderd teleologische godsbewijzen (arguments from design), waarschijnlijk uit de negende eeuw. Zie over dat boekje hier. Uit dezelfde tekst had ik al eens een fragment gebracht over de slurf van de olifant en een over de domheid van babies. Hier onder volgt een tekst over de penis van de man.

  • Vervloekt zijn Epicurus en zijn soortgenoten, want hun harten zijn zo blind voor deze wonderbaarlijke schepping dat zij het ontwerp en de doelmatigheid ervan ontkennen.
    Als het geslachtsdeel van de man altijd slap was, hoe zou het dan ooit de bodem van de baarmoeder kunnen bereiken waar de zaaddruppel terecht moet komen? Anderzijds, als het altijd geërigeerd was, hoe zou een man zich dan in bed kunnen omdraaien of op straat rondlopen met zo’n stijf ding voor zich? Afgezien daarvan dat het een lelijk gezicht zou zijn, het zou ook voortdurend lust opwekken bij zowel mannen als vrouwen. Dat zou hen ertoe aanzetten voortdurend met elkaar naar bed te gaan, wat op den duur tot hun ondergang zou leiden. Daarom is het zo ingericht dat de penis meestal slap afhangt, zodat hij niet steeds in het oog loopt en de man tot last wordt. Maar hij heeft ook het vermogen om bij behoefte stijf overeind te staan, namelijk voor de handeling die een continue voortplanting garandeert.

Zoals U ziet vallen die godsbewijzen soms nogal raar uit.
Dit fragment komt niet in alle handschriften voor. Ik vraag mij soms af of niet een afschrijver in een melige bui het heeft bedacht en in de tekst binnengesmokkeld. Als je namelijk twintig godsbewijzen uit deze verzameling achter elkaar leest kun je er zelf met gemak nog een paar bij verzinnen. Maar het is ook denkbaar dat de tekst toch origineel is, en dat juist andere afschrijvers de tekst niet hebben opgenomen omdat hij hun niet stichtelijk genoeg was. Voor de originaliteit spreekt ook de vermelding van de vloekwaardige Epicurus: een copiïst in een melige bui zou denkelijk niet zo veel algemene ontwikkeling en verontwaardiging aan de dag leggen.

NOOT
1. Ook bekend als Dalā’il al-i‘tibār. Het werkje wordt vaak toegeschreven aan al-Djāḥiẓ (gest. 868). De eerste (niet-kritische) uitgave verscheen in 1928 in Aleppo.

فتبّاًلافيقورس وأشباهه حين‏ عميت قلوبهم عن هذه الخلقة العجيبة حتّى أنكروا التدبير والعمد فيها‏. لو كان فرج‏ الرجل مسترخيًا أبدًا كيف كان يصل الى قعر الرحم حتى تقرّ النطفة فيه؟‏ ولو كان منعظًا أبدًا كيف كان الرجل يتقلب في الفراش ويمشي بين الناس وشيء شاخص أمامه؟ ثم كان في ذلك مع قبح‏ المنظر تحريك الشهوة في كلّ وقت من الرجال والنساء جميعًا فيدعوهم تحريكهما الى المباضعة، وهذا على الأوان يؤدّيهم الى الهلاك. فقُدّر أن‏ يكون في‏ أكثر ذلك مسترخيًا لكيلا‏ يبدو للبصر في كلّ وقت ولا يكون على الرجل منه مؤنة وجعلت فيه قوّة‏ علي الانتصاب عند الحاجة الى ذلك لما فيه من دوام النسل وبقاؤه‏.

Terug naar Inhoud

De domheid van babies als godsbewijs

Ik zat weer even te knutselen aan de  uitgave van een Arabische tekst, Kitāb al-i‘tibār fī al-malakūt,1 vermoedelijk uit de negende eeuw, dat ongeveer honderd teleologische godsbewijzen bevat (arguments from design).
Die godsbewijzen lopen meestal als volgt. De aandacht wordt gevestigd op iets in de schepping wat bijzonder mooi, ingewikkeld of doelmatig is. Vervolgens wordt gezegd dat zoiets ingewikkelds toch onmogelijk door toeval zou kunnen bestaan, en dat er dus een intelligente ontwerper achter moet zitten. In deze tekst wordt die niet God genoemd, maar de Schepper, de Ontwerper e.d.
Is het godsbewijs niet allang uit de tijd? Jawel, maar in Amerika leeft het onder christenen die de evolutietheorie afwijzen nog volop, onder het etiket Intelligent Design. En in de islamitische wereld komt het conservatieven ook weer erg van pas, zodat het boekje weer is herdrukt en ook in het internet in stukken en brokken wordt verbreid. De koran staat vol verwijzingen naar de tekenen Gods in de Schepping, zodat de ‘markt’ voor godsbewijzen nog heel lang gegeven zal zijn.

Waarom zit ik aan zo’n oud boekje met zulke ouwe koek? Niet omdat ik alsnog het bestaan van God wil bewijzen, maar omdat het interessant is te zien hoe die teksten sinds de Oudheid hebben gecirculeerd en telkens herhaald en opnieuw bewerkt zijn. Mijn tekst is namelijk helemaal geen islamitisch boekje; het is eerder christelijk, met een flinke scheut Griekse Oudheid. Sporen van Xenophon en Cicero zijn erin terug te vinden, maar ook teksten van een kerkvader als Theodoretus (393–±460). Het geheel is ooit in het Syrisch vertaald en in de taal van het preïslamitische Iran, het Pahlavi, en van daaruit in het Arabisch. Er moeten mensen geweest zijn die het boekje in zijn oudste vorm niet islamitisch genoeg vonden, want er bestaat een bewerking van, die wat meer geïslamiseerd is.
Het boekje is ook interessant omdat het de mogelijkheid biedt om de overlevering  van oude Griekse teksten in Arabische vertaling te volgen. Soms kan met behulp van het Arabisch een gebrekkig overgeleverde Griekse tekst beter begrepen worden. En in elk geval wordt weer eens zichtbaar hoe de westerse cultuur in de loop der  eeuwen een grote cirkel beschreven heeft: van Griekenland en Rome via Syrië en Irak naar Spanje en Sicilië, en vandaar naar het Middeleeuwse Europa. Waar de mensen tijdens de Renaissance gingen doen alsof zij alles rechtstreeks van de Grieken overgenomen of zelf bedacht hadden; een euvel waar we nog niet helemaal van bevrijd zijn.

Ik had al eerder een fragment gebracht over de slurf van de olifant. Hier volgt een tekst over de domheid van babies. Welke handschriften ik heb gebruikt verklap ik later wel eens.

  • Denk eens aan een ander aspect van de gesteldheid van de mens, namelijk het feit dat hij dom en zonder verstand of begrip geboren wordt. Als hij met verstand en begrip geboren zou worden, zou hij de wereld bij zijn geboorte zo vreemd vinden dat hij in verwarring zou geraken en volkomen de kluts kwijt zijn als hij zijn nieuwe omgeving zag en geconfronteerd werd met dingen als hij nog nooit had gezien. Neem bij voorbeeld een man die als gevangene wordt overgebracht van het ene land naar het andere als hij al wereldwijs is. Hij zal als een verwarde idioot zijn en niet zo vlug de taal leren en de manieren oppikken als iemand die op jonge leeftijd gevangen was genomen. Bovendien, als een zuigeling intelligent geboren werd zou hij eronder lijden zo rondgedragen te worden, en gezoogd en ingepakt in oude lappen en in de wieg te worden ingestopt, hoewel hij dat alles nodig heeft, omdat zijn lichaam bij zijn geboorte zo zacht en teer is. Verder zou hij niet meer zo lief zijn, en hij zou niet meer die speciale plaats in de harten innemen. Maar nu komt een kind dom op de wereld, zonder enig idee van de situatie van al die familieleden om hem heen, en hij treedt alles tegemoet met een zwakke intelligentie en gebrekkige kennis. Dan neemt zijn kennis geleidelijk toe, beetje bij beetje, tot hij vertrouwd raakt met de dingen en er ervaring mee opdoet; dan verlaat hij de fase van het verward overpeinzen ervan en begint hij zijn eigen zaken te regelen en actief zijn levensonderhoud te verdienen.
    Er zijn nog andere gezichtspunten. Als een mens met een volgroeid intellect en zelfstandig geboren werd, dan zou de aanleiding om kinderen op te voeden vervallen, evenals het belang dat in die bezigheid voor de ouders is voorzien, omdat het grootbrengen de ouders namelijk een aanspraak oplevert op zorg en genegenheid van hun kinderen wanneer zij die van hun kant nodig hebben. Bovendien zouden de kinderen geen band krijgen met hun ouders, en de ouders niet met de kinderen, omdat de kleinen de opvoeding en zorg van hun ouders niet nodig hadden. Zij zouden al op eigen benen staan zodra zij geboren waren, zodat niemand zijn vader of moeder zou leren kennen. Zo zou een jongen er ook niet van afgehouden worden, geslachtsverkeer met zijn moeder en zijn zuster te hebben, omdat hij die niet zou kennen. Het minste wat er op dit gebied zou gebeuren, als een kind met verstand begaafd uit zijn moeders buik kwam, is dat hij iets van haar te zien zou krijgen wat niet geoorloofd is, en wat hij beter niet had kunnen zien.

Meestal staat bij dit soort voorbeelden nog een retorische vraag: zou dit schitterende ontwerp op toeval kunnen berusten, of zit er toch intelligent design achter? Hier ontbreekt die vraag, maar U kunt hem er zelf bij denken en erkennen dat het in ieder geval mooi geregeld is zoals het is.

NOOT
1. Ook bekend als Dalā’il al-i‘tibār. Het werkje wordt vaak toegeschreven aan al-Djāhiz (gest. 868). De eerste (niet-kritische) uitgave verscheen in 1928 in Aleppo.

فكر‏ في‏ أمر الانسان‏ في‏ باب‏ آخر وهو‏ ولاده‏‏ حين‏ يولد‏ غبيّاً‏ غير ذي‏ عقل وفهم‏. فانّه لو كان‏ يولد‏ عاقلاً‏ فاهمًا‏‏ لأنكر العالَم عند ولاده‏ حتّى‏ يبقى حيرانًا تائه العقل اذا رأى ما‏‏‏ لم‏ يعرف وورد عليه‏ ما لم‏ ير مثله‏. واعتبر‏‏ ذلك بأن من سبي‏ من بلد الى بلد وهو‏ محتنك يكون كالواله الحيران ولا يسرع‏ في‏ تعلم‏ الكلام‏  وقبول الأدب كما يسرع‏ الذي‏ سبي صغيرًا. ثم كان لو ولد‏ عاقلًا وجد‏ غضاضة أن‏ يرى نفسه محمولاً‏ ومرضعًا معصّبًا بالخرق ومسجىً في المهد،‏ على أنّه كان لا‏ يستغني‏ عن هذا كلّه لرقّة بدنه ورطوبته حين‏ يولد‏. ثم كان لا‏ يوجد له من الحلاوة والموقع في‏ القلوب‏ ما‏ يوجد للطفل.‏ فصار يدخل‏ العالم‏ غبيّاً غافلاً‏ عمّا فيه أهله فيلقي‏ الأشياء بذهن ضعيف ومعرفة ناقصة‏. ثم لا‏ يزال‏ يتزيّد في‏ المعرفة قليلاً‏ قليلاً‏ وشيئًا بعد شيء حتى‏ يألف الأشياء ويتمرّن‏ عليها فيخرج من حد التأمّل لها والحيرة‏ فيها‏ الى التصرّف في‏ الأمور‏ والاضطراب في‏ المعاش‏.

‏وفي هذا أيضًا‏ وجوه أخر،‏ فأنّه لو كان‏ يولد‏ تام العقل مستقلاً‏ بنفسه لذهب موضع تربية الأولاد وما دبّر‏ أن‏ يكون للوالدين في‏ الاشتغال به من المصلحة وما توجب التربية للآباء على البنين‏ من المكافأبة بالبرّ‏ والعطف عند حاجتهم الى ذلك منهم‏. ثم كان الأولاد لا‏ يألفون آباءهم ولا الآباء‏ يألفون‏ أبناءهم لأنّه كان‏ الأولاد‏ يستغنون عن تربية الأباء وحياطتهم فيتفرّقون عنهم حين‏ يولدون‏ حتّى لا‏ يعرف الرجل أباه وأمّه. ولا‏ يمتنع من نكاح أمّه وأخته إذ كان لا‏ يعرفها‏. وأقلّ‏ ما كان‏ يكون في‏ ذلك أن يخرج‏‏ من بطن أمّه‏ وهو يعقل فيرى منها ما‏ لا‏ يحلّ‏ له‏ ولا‏ يحسن به أن‏ يراه‏.

Terug naar Inhoud

De slurf als godsbewijs

Soms werk ik aan de uitgave van een Arabische tekst, Kitāb al-i‘tibār fī al-malakūt,1 vermoedelijk uit de negende eeuw, dat ongeveer honderd teleologische godsbewijzen bevat (arguments from design).
Die godsbewijzen lopen meestal als volgt. De aandacht wordt gevestigd op iets in de schepping wat bijzonder mooi, ingewikkeld of doelmatig is. Vervolgens wordt gezegd dat zoiets ingewikkelds toch onmogelijk door toeval zou kunnen bestaan, en dat er dus een intelligente ontwerper achter moet zitten. In deze tekst wordt die niet God genoemd, maar de Schepper, de Ontwerper e.d..
Is het godsbewijs niet allang uit de tijd? Jawel, maar in Amerika leeft het onder christenen die de evolutietheorie afwijzen nog volop, onder het etiket Intelligent Design. En in de islamitische wereld komt het conservatieven ook weer erg van pas, zodat het boekje weer is herdrukt en ook in het internet in stukken en brokken wordt verbreid. De koran staat vol verwijzingen naar de tekenen Gods in de Schepping, zodat de ‘markt’ voor godsbewijzen nog heel lang gegeven zal zijn.

Waarom zit ik aan zo’n oud boekje met zulke ouwe koek? Niet omdat ik alsnog het bestaan van God wil bewijzen, maar omdat het interessant is te zien hoe die teksten sinds de Oudheid hebben gecirculeerd en telkens herhaald en opnieuw bewerkt zijn. Mijn tekst is namelijk helemaal geen islamitisch boekje; het is eerder christelijk, met een flinke scheut Griekse Oudheid. Sporen van Xenophon en Cicero zijn erin terug te vinden, maar ook teksten van een kerkvader als Theodoretus (393–±460). Het geheel is ooit in het Syrisch vertaald en in de taal van het preïslamitische Iran, het Pahlavi, en van daaruit in het Arabisch. Er moeten mensen geweest zijn die het boekje in zijn oudste vorm niet islamitisch genoeg vonden, want er bestaat een bewerking van, die wat meer geïslamiseerd is.
Het boekje is ook interessant omdat het de mogelijkheid biedt om de overlevering  van oude Griekse teksten in Arabische vertaling te volgen. Soms kan met behulp van het Arabisch een gebrekkig overgeleverde Griekse tekst beter begrepen worden. En in elk geval wordt weer eens zichtbaar hoe de westerse cultuur in de loop der  eeuwen een grote cirkel beschreven heeft: van Griekenland en Rome via Syrië en Irak naar Spanje en Sicilië, en vandaar naar het Middeleeuwse Europa. Waar de mensen vervolgens gingen doen alsof zij alles rechtstreeks van de Grieken overgenomen of zelf bedacht hadden; een euvel waar we nog niet helemaal van bevrijd zijn.

Hier volgt een proeve uit de oudste versie, en wel een over de slurf van de olifant. Welke handschriften ik heb gebruikt verklap ik later wel eens.

  • Kijk eens naar de slurf van de olifant, hoe subtiel die is ontworpen. Voor dit dier vervangt deze een hand om voer en water mee op te pakken en het naar zijn maag over te brengen. Daarzonder had hij niets van de grond kunnen oppakken, want hij heeft geen nek die hij had kunnen uitstrekken, zoals de andere grazers. Maar omdat hij geen nek had gekregen werd hem in plaats daarvan die lange slurf gegeven, die hij kan laten afhangen om te pakken wat hij nodig heeft. Zij is hol gemaakt, omdat daardoor het voedsel en water naar zijn maag wordt getransporteerd. Bovendien is het zijn wapen, waarmee hij kan geven en nemen, zich verdedigen en aanvallen.
    En wie is degene die hem iets ter vervanging van het ontbrekende lichaamsdeel heeft gegeven als het niet de goedgunstige Schepper is? Hoe had zoiets tot stand kunnen komen door toeval, zoals de zondaren zeggen?
    Wanneer je nu zegt: Waarom heeft hij hem niet met een nek geschapen, zoals de andere grazers? dan antwoorden wij naar de mate van onze kennis en zeggen: De kop en de oren van een olifant zijn enorm en erg zwaar. Als die op een nek zouden rusten zou die ze niet kunnen dragen en breken. De kop is direct aan het lijf bevestigd om dat te voorkomen, en in plaats van een nek is voor hem dus die slurf geschapen, waarmee hij zijn voedsel kan oppakken en ook zonder nek in al zijn behoeften kan voorzien.

NOOT
1. Ook bekend als Dalā’il al-i‘tibār. Het werkje wordt vaak toegeschreven aan al-Djāhiz (gest. 868). De eerste (niet-kritische) uitgave verscheen in 1928 in Aleppo.

أنظر الى مشفر الفيل وما فيه من لطف التدبير فانّه صار يقوم له مقام اليد في تناول العلف والماء وايرادهما جوفه. فلولا ذلك لما استطاع أن يتناول شيئًا من الأرض، فانّه ليست له عنق يمدّها كسائر الأنعام. فلمّا عدم العنق أخلف عليه مكان العنق ذلك الخرطوم الطويل ليسدله ويتناول به حاجته. وجُعل أجوف لأنّه وعاء لما يحمل الى صدره من طعامه وشرابه وأيضًا فهو سلاحه وبه يعطي ويتناول ويقابل ويصول . فمن الذي عوّضه مكان العضو الذي عدمه ما يقوم له مقامه الاّ الرؤوف بخلقه؟ وكيف يأتي مثل هذا بالاهمال كما قال الظلمة؟ فان قلت: ما باله لم يخلق ذا عنق كسائر الأنعام؟ أجبنا بمبلغ علمنا فقلنا: انّ رأس الفيل وأذنيه أمر عظيم وثقل ثقيل، فلو كان ذلك على عنق لهدّها وأوهنها. فجعل رأسه ملصقًا بجسمه لكيلا يناله منه شيء مما وصفنا وخلق له مكان العنق هذا المشفر يتناول به غذاءه فصار مع عدمه العنق مستوفيًا ما فيه بلوغ حاجته.

Terug naar Inhoud

‘Platonische liefde’

Ibn Dāwūd al-Isbahāni (Baghdad, 868-909) was bekend met de ‘platonische liefde’—maar natuurlijk niet zoals die uitdrukking tegenwoordig wordt opgevat. In zijn Kitāb al-Zahra heeft hij twee teksten die oorspronkelijk teruggaan op Plato. In de kortste tekst wordt Plato als de auteur genoemd:

  • Er wordt verteld dat Plato gezegd heeft: ‘Ik weet niet wat liefde is, maar ik weet wel dat het een goddelijke waanzin is, die te prijzen noch te laken is.’ 1

In de andere wordt de Griekse wijsgeer niet genoemd, maar we moeten onweerstaanbaar denken aan diens gehalveerde mensen en hun verlangen naar hun oorspronkelijke wederhelft:2

  • Een filosoof beweert dat God iedere ziel rond heeft geschapen, in de vorm van een bol, en haar dan in tweeën heeft gesneden en een helft in ieder lichaam heeft gedaan. [Wanneer nu] een lichaam het lichaam ontmoet waarin zich de helft bevindt die was afgesneden van de helft die hij zelf bij zich heeft, dan ontstaat tussen hen hartstochtelijke liefde op grond van hun vroegere samenpassen. Die aantrekkingskracht is bij mensen sterker of zwakker naar gelang de fijnheid van hun natuur.3

Bekend is de kritiek van Ibn Hazm (994–1064) op de halve-bollentheorie:

  • Men is het niet eens over het wezen van de liefde, daar zijn lange betogen over gehouden. Ik hang de mening aan dat liefde de vereniging is van delen van de ziel, die in deze schepping gescheiden zijn, in hun oorspronkelijke verheven substantie. Dit moet niet opgevat worden, zoals Muhammed ibn Dawud het voorstelt, die zich baseert op filosofen die zeggen dat de zielen halve bollen zijn, maar in die zin, meen ik, dat de zielekrachten in hun hogere bestaansvorm aan elkaar verwant zijn en qua samenstelling op elkaar lijken.4

Maar ook het Kitāb al-Zahra zelf heeft in één van de drie handschriften een kritisch commentaar daarop, dat Ibn Hazm blijkbaar niet kende. Het is niet duidelijk of het van de auteur stamt of van een afschrijver.

  • Tegen hem is in te brengen: Als we iemand vinden die een ander hartstochtelijk liefheeft, en de minnaar sterft dan aan liefde, maar die ander sterft uit haat jegens die minnaar, hoe was zijn helft dan afgesneden? En als we een man vinden die twintig personen liefheeft, hoeveel helften heeft zijn ziel dan? 5

NOTEN
1. Ibn Dāwūd al-Iṣbahāni, Kitāb al-Zahra (The Book of the Flower), The first half, uitg. A.R. Nykl en Ibrāhīm Ṭūqān, Chicago 1933, p. 15.

وحكي عن افلاطرن أنه قال: ما أدري ما الهوى غير أني أعلم أنه جنون الاهي لا محمود ولا مذموم.

Deze zin komt zo niet bij Plato voor, maar de inhoud gaat terug op diens Phaedrus 244a-245b.
2. Plato, Symposion 189d–193d; vert. Gerard Koolschijn, Amsterdam, 1985, p. 31vv.
3. Ibn Dāwūd al-Iṣbahāni, Kitāb al-Zahra (The Book of the Flower), The first half, uitg. A.R. Nykl en Ibrāhīm Ṭūqān, Chicago 1933, p. 15.

وزعم بعض المتفلسفين أن الله جل ثناؤه خلق كل روح مدوّرة على هيئة الكرة، ثم قطعها أنصافًا، فجعل في كل جسد نصفًا وكل جسد لقي الجسد الذي فيه النصف الذي قطع من النصف الذي معه كان بينهما عشق للمناسبة القديمة وتتفاوت أحوال الناس في ذلك بين القوة والضعف على حسب رقة طبائعهم.

4. Ibn Hazm, De ring van de duif. Over minnaars en liefde, vert. Remke Kruk en J.J. Witkam, Amsterdam 1977, 41. Het originele Arabisch staat in Abû-Muhammed-Alî-Ibn-Hazm al-Andalusî, Ṭauḳ-al-Ḥamâma, uitg. D.K. Pétrof, St. Petersburg/Leiden 1914, 7.

وقد اختلف الناس في مائيته وقالوا وأطالوا والذي أذهب اليه انّه اتّصال بين أجزاء النفوس المقسومة في هذه الخليقة في أصل عنصرها الرفيع، لا على ما حكاه محمد بن داود رحمه الله عن بعض أهل الفلسفة: الأرواح أُكَر مقسومة لكن على سبيل مناسبة قواها في مقرّ عالمها العلوى ومجاورتها في هيئة تركيبها.

5. Ibn Dāwūd al-Iṣbahāni, Kitāb al-Zahra I, Ms. Torino 68, fol 11 a/b.

يقال له فهو [إ]ذا [كنا] نجد واحدًا يعشق واحدًا فيموت العاشق من حبّه وذلك الآخر يموت من بغض من يعشقه، فأنّى قَصّة هذا النصف؟ ونجد الرجل أيضًا يعشق عشرين فكم نصف لروح هذا؟

Diakritische Zeichen: Muḥammad ibn Dāwūd al-Iṣbahāni,Ibn Ḥazm

MUHAMMAD IBN DAWUD AL-ISBAHANI: Startpunt:
Hadith bij Ibn Dawud: Hadith.
Islamitisch recht bij Ibn Dawud. De wijn in het paradijs
Graeco-Arabica bij Ibn Dawud: Verliefdheid als ziekte. Liefde als doodsoorzaak. .
Ibn Dawuds liefdestheorie: Verliefdheid als ziekte. Liefde als doodsoorzaak.
Anecdotes over zijn leven: Zijn liefdesdood.             Terug naar Inhoud

Het sperma van de vrouw

Niet alleen de man heeft sperma, ook de vrouw. Althans volgens deze hadith van de profeet:

  • Anas ibn Malik vertelde dat Umm Sulaym Gods profeet had gevraagd over een vrouw die een natte droom heeft, net als een man. De profeet zei: ‘Als een vrouw zo’n droom heeft moet ze een grote wassing verrichten.’ Umm Sulaym zei: Ik schaamde mij ervoor en vroeg: Bestaat dat wel? ‘Jawel,’ zei de profeet, ‘want hoe zou anders een kind op zijn moeder kunnen lijken? Het vocht van de man is dik en wit, het vocht van de vrouw is dun en geel. Welk van beide de overhand heeft of het eerste is, dat is bepalend voor de gelijkenis.’1

Maar heeft de profeet dit werkelijk gezegd? Dat hangt van uw geloof af. Het eenvoudige islamitische antwoord is: ‘Ja, want de hadith is overgeleverd met een betrouwbare overlevingsketen in een hoog geprezen hadith collectie.’ Meer ontwikkelde mensen zien echter dat deze ideeën teruggaan op het Corpus Hippocraticum, een verzameling geschriften die aan de Griekse ‘vader der geneeskunde’ Hippocrates (± 460–375 v. Chr.) werden toegeschreven, en op bewerkingen daarvan door Galenus (129–199). Daar zal de profeet niet mee bekend zijn geweest, dus dan moet de tekst een andere auteur hebben.
In Περὶ γονῆς (Over het zaad) van ‘Hippocrates’ lezen we bij voorbeeld:

  • 4. Ook de vrouw ejaculeert uit het lichaam […]
    7. Men kan echter ook uit in het oog lopende feiten afleiden dat de man en de vrouw zowel vrouwelijk als mannelijk zaad hebben […] .
    8. Het zaad van de man en dat van de vrouw komt uit het gehele lichaam, uit de zwakkere (delen) zwakker en uit de sterkere sterker, en het is noodzakelijk dat zich dat bij het kind dienovereenkomstig weerspiegelt. In het lichaamsdeel waar meer uit het lichaam van de man in het zaad zit dan uit dat van de vrouw lijkt het kind meer op de vader, maar in het lichaamsdeel waar meer van de vrouw in zit, lijkt het kind meer op de moeder. […] 2

De overeenkomst in opvattingen over dit onderwerp laat weer eens zien dat de opkomst van de Arabieren niet betekende dat de Oudheid nu was afgelopen. In het Nabije Oosten ging die gewoon door. De inval van de Middeleeuwen, die in West-Europa tamelijk plotseling kwam, was er in het Nabije Oosten niet. Van Galenus ging het ononderbroken door tot de bloeitijd van de medicijnen, met grootheden als Rhazes en Avicenna.

Tegenwoordig zijn deze Oudgriekse inzichten verouderd. Moderne kenners van het menselijk lichaam weten dat de vaginale afscheiding geen zaad is. (Ik zeg het nog maar even; je weet nooit wie dit leest.)

NOTEN
1. Muslim, Ṣaḥīḥ, Ḥayḍ 30: ‎

حدثنا عباس بن الوليد حدثنا يزيد بن زريع حدثنا سعيد عن قتادة أن أنس بن مالك حدثهم أن أم سليم حدثت أنها سألت نبي الله ص عن المرأة ترى في منامها ما يرى الرجل فقال رسول الله صلعم إذا رأت ذلك المرأة فلتغتسل فقالت أم سليم واستحييت من ذلك قالت وهل يكون هذا فقال نبي الله صلعم نعم فمن أين يكون الشبه إن ماء الرجل غليظ أبيض وماء المرأة رقيق أصفر فمن أيهما علا أو سبق يكون منه الشبه.

2. Hippocrate, Tome xi, De la génération etc. Texte établi et traduit par Robert Loly, Paris 1970, 4: Μεθίει δὲ καὶ ἡ γυνὴ ἀπὸ τοῦ σώματος […].
Hippocrates, ibid. 7: Συμβάλλεσθαι δὲ παρέχει ὅτι καὶ ἐν τῇ γυναικὶ καὶ ἐν τῷ ἀνδρὶ ἔστι γόνος καὶ θήλυς καὶ ἄρσην τοῖσιν ἐμφανέσι γινομένοισι […].
Hippocrates, ibid. 8: Καὶ ἐν αὐτῇφι τῇ γονῇ ἐξέρχεται καὶ τῆς γυναικὸς καὶ τοῦ ἀνδρὸς ἀπὸ παντὸς τοῦ σώματος, καὶ ἀπὸ τῶν ἀσθενέων ἀσθενὴς καὶ ἀπὸ τῶν ἰσχυρῶν ἰσχυρή· καὶ τῷ τέκνῳ οὕτως ἐστὶν ἀνάγκη ἀποδίδοσθαι. Καὶ ὁκόθεν ἂν τοῦ σώματος τοῦ ἀνδρὸς πλέον ἔλθῃ ἐς τὴν γονὴν ἢ τῆς γυναικὸς, κεῖνο κάλλιον ἔοικε τῷ πατρί· ὁκόθεν ἂν δὲ πλέον ἔλθῃ ἀπὸ τῆς γυναικὸς τοῦ σώματος, κεῖνο κάλλιον ἔοικε τῇ μητρί.

Terug naar Inhoud

Liefde als doodsoorzaak (vertaling)

Muhammad ibn Dāwūd al-Isbahāni (Baghdad, 869-910) was jurist en de zoon van een beroemde, maar nogal omstreden jurist. Het enige boek dat van hem bewaard is gebleven is Kitāb al-Zahra (De bloem). Dit is een bloemlezing uit de Arabische poëzie, waaronder de liefdespoëzie een belangrijke plaats inneemt. Het boek bevat ook theoretische teksten over liefde, daarvan heb ik er een aantal vertaald. Ibn Dāwūd wilde graag weten wat de liefde precies is en hoe zij ontstaat, niet alleen uit algemene belangstelling, maar ook omdat hij de islamitische wet serieus nam. Volgens deze is alleen omgang van een man met maximaal vier wettige echtgenotes of met slavinnen geoorloofd. Wanneer de liefde iets is wat de mens niet zelf gekozen heeft, maar waarmee hij door de natuur, door de stand der sterren of door onvermijdelijke lichamelijke reacties, met andere woorden: door God wordt opgezadeld, dan kan de mens er niets aan doen en is hij niet zondig als hij verliefd wordt. Tobben blijft het in de liefde in ieder geval. Het is een slopende ziekte, die niet zelden tot de dood leidt. De auteur had toegang tot uit het Grieks vertaalde populair-medische teksten die hij op zijn onderwerp toepaste. Vertaalde teksten:

‘Tranen kunnen een leven redden; niet kunnen huilen kan dodelijk zijn.’ Hitte die voortkomt uit droefheid komt uit alle lichaamsdelen samen naar het hart en stijgt dan op naar de hersenen, waar kwade dampen ontstaan. Als de natuur, door zijn aangeboren krachten, daartegen is opgewassen maakt zij deze kwade dampen vloeibaar en laat ze uit het lichaam vloeien in de vorm van tranen. Soms beschadigt de grote tranenvloed de traanklieren en veroorzaakt bloedingen. In dat geval wordt er bloed geweend. Genoemde krachten maken eveneens de dampen vloeibaar, die ontstaan in de hersenen door de latente hitte, vanwege de temperatuurwisselingen die zich aan het hoofd voordoen, en laten ze uit de neus stromen in de vorm van neusvocht. Dan is het gevaar geweken. Maar als zij niet vloeibaar worden en niet via de neus uitgescheiden kunnen worden, worden zij een dikke vloeistof en een substantie die naar de voornaamste lichaamsdelen stroomt; dan treedt de dood in of ontstaat er een ernstige ziekte. Zo is het ook met tranen: als de natuurlijke krachten er niet in slagen de tranen vloeibaar te maken en te zeer bezig zijn met het bestrijden van zaken die voor de ziel nog meer te vrezen zijn, dan gaan deze dampen over in een dikke vloeistof, die een ernstige toestand te weeg brengt. Als deze in de hersenen blijft kan zij deze ofwel geheel aantasten: zij schakelt dan het geheugen uit, tast het verstandelijk denken aan en brengt absurde waanvoorstellingen te weeg. Of soms tast zij slechts één, twee deeltjes van de hersenen aan; dan worden alleen die delen aangetast die in goede toestand waren toen zij nog gezond waren. Soms daalt die vloeistof uit de hersenen af naar het hart en scheurt een of alle membranen. Dan is de afloop onvermijdelijk fataal; maar God weet het het beste. Soms daalt zij af in de lever en remt de eetlust en de dorst. In dat geval treden sterke vermagering op en vermindering van krachten. Soms wordt het uitstromen van tranen verhinderd door factoren van verschillende aard, bij voorbeeld door de excessieve droogte van de hersenen, die de dampen die er samenkomen absorberen, zodat ze alleen in vloeibare vorm uitstromen als er een overweldigende hoeveelheid van is; of door diepe smart, zoals wij eerder hebben vermeld. Liefde heeft kenmerken die duidelijk waarneembaar zijn, in zuchten, gelaatskleur, blikken en gebaren. Wie ernaar zoekt kan ze nauwelijks over het hoofd zien, en wie er niet naar zoekt ziet ze ook, hoewel hij de oorzaak ervan niet kent, in het bijzonder als twee geliefden elkaar ontmoeten. Iemand heeft eens gezegd: ‘Je geheim is je gevangene, en als je het uitspreekt wordt jij zijn gevangene.’ Over het onthullen van het liefdesgeheim door een minnaar aan zijn geliefde hebben we al eerder gezegd dat het soms wel doeltreffend is. Maar dat een minnaar andere mensen op de hoogte brengt van zijn gevoelens voor de geliefde is in meer dan één opzicht verkeerd. Ten eerste wordt daardoor de geliefde blootgesteld aan ongewenste praatjes en verdachtmakingen. Vervolgens wordt de minnaar zelf blootgesteld aan laster en zal men hem in de gaten houden. Wij bevelen hem dringend aan, zijn zaak geheim te houden. Maar iemand aan wie zijn geheim is ontglipt door de toestand waarin hij verkeert, die kan er niets aan doen en hem valt niets te verwijten. Geheimen die de geliefde zijn minnaar heeft toevertrouwd, over tijden voor het rendez-vous, bezoeken, zijn tegemoetkomen aan hem bij wat hij begeert, verwijten over en weer, ja zelfs alle ruzies, dat zijn zaken die zo gevoelig liggen dat niet het openbaar maken daarvan, maar juist het bewaren en verbergen ervan vereist is. Wie dergelijke dingen openbaar maakt staat erg zwak. De noodzaak, zulke dingen te verbergen is zo evident dat wij er niet meer woorden aan vuil hoeven te maken. Iemand die in staat is zijn geheim te bewaren behoort zelfs het enkele feit dat hij van de geliefde houdt niet aan iemand anders dan deze zelf te onthullen. Wie dat niet kan en buiten staat is, zich te beheersen en zijn plicht te doen en het niet op kan brengen, zijn geheim te bewaren, die moet het een ander niet kwalijk nemen als die het verder vertelt. Al is dat op zich zelf inderdaad laakbaar, want het komt een man toe, zelf en uit vrije wil zijn geheim te openbaren, en iemand die een geheim van een ander toevertrouwd heeft gekregen moet dat niet verder vertellen.

‘Wie wanhoopt aan zijn geliefde maar daar niet aan sterft, zal hem na verloop van tijd vergeten.’ De reden daarvan is de volgende: Wanhoop is, dat de ziel de hoop opgeeft die zij als substituut had genomen voor de ongestoorde staat, en met hulp waarvan zij staande was gebleven bij het intreden van de scheiding waaronder zij te lijden kreeg. De eerste verrassingsaanval van de wanhoop treft het hart wanneer het er niet op voorbereid is zich te weer te stellen, en niet gewend zoiets mee te maken, zodat het hart in één klap van de gewone in een ongewone toestand wordt gebracht. De tweede aanval komt nadat de eerste het hart al murw geslagen had. De tweede aanval veroorzaakt de pijn van de herhaling, niet de pijn van het moeten opgeven van een toestand waaraan het gewend is, terwijl de eerste de pijn met zich mee had gebracht van de confrontatie met iets vreselijks en het moeten afzien van de gunsten die men gewend was van de geliefde te verkrijgen. Wanneer nu de eerste aanval niet dodelijk was, hoewel hij twee verschrikkingen behelsde, dan zal de tweede, die er slechts één inhoudt, zeker niet dodelijk zijn. Zo zal iedere aanval van wanhoop die het gevolg is van tobben en terugdenken minder ernstig zijn dan de voorafgaande, omdat die al gewaarschuwd had voor de volgende en de weg ervoor had geëffend, en tenslotte zal iedere hoop geleidelijk verdwijnen uit de ziel. Want deze aanvallen kunnen alleen door blijven gaan doordat vrees en hoop met elkaar strijden. Wanneer de wanhoop intreedt houdt de vrees op, omdat wat gevreesd werd een feit is geworden, en hoop is er ook niet meer, omdat er niets meer is om op te hopen. Als het gemoed niet langer door iets in beweging wordt gehouden, verdwijnt de kwelling van de pijn die het overkomt. Immers, als er water wordt gegoten op iets dat brandt zal het water één plek aantasten en het vuur een andere, zolang beide blijven bestaan. Wanneer beide niet langer bestaan blijven er droge, hete plekken over door de invloed van het vuur en koude, natte door de invloed van het water, die na verloop van tijd alle verdwijnen. De reden dat de eerste aanval van wanhoop fataal kan zijn is dat het hart heet wordt, omdat het door verschrikkingen wordt bedreigd. In zulke gevallen is het de functie van de rest van het lichaam, het hart te hulp te schieten met een overeenkomstige hoeveelheid hitte of koude. Als dat echter te veel wordt, scheurt het septum en treedt de dood in, want geen enkele pijn (met uitzondering van de pijnen door denken) kan het hart bereiken zonder de dood tot gevolg te hebben. De volksmond zegt: ‘Die-en-die zit zo hevig te snikken; ik hoop dat zijn galblaas niet zal barsten!’ Inderdaad, de galblaas kan heet worden, en als hij te heet wordt kan hij barsten en dat is fataal. Maar voor het zover is zou het hart te heet worden en barsten; ja, dat zou helemaal kapot gaan. Vergelijk het hiermee: stel, we hebben een pot die is gemaakt van was en pek, we gieten er water in en steken er een vuur onder aan. Natuurlijk, in dat geval zou het vuur de pek laten smelten, en daardoor zou het water uit de pot stromen. Maar al vóórdat de pek smelt wordt de was vloeibaar en door het vuur vernietigd. Zo is het ook met het hart: het septum scheurt door de hitte, die het bereikt lang voordat de galblaas scheurt. De gewone mensen, maar ook vele intellectuelen, veronderstellen dat het zuchten de doodsoorzaak is, maar dat is niet juist. Integendeel: met Gods hulp kan zuchten een factor zijn die de exitus voorkomt. Want als de hitte teveel wordt voor het hart, zorgen de aangeboren krachten voor een pneuma dat beschadiging voorkomt. Zij brengen dat naar het hart door een luchtstroom van buitenaf. Soms slaagt de luchtstroom er inderdaad in, beschadiging door die hitte af te wenden. Dan treedt er alleen zuchten op en blijft de fatale afloop uit. Maar in andere gevallen is de aangevoerde luchtstroom te zwak en wordt hij heet in de luchtwegen, omdat de hem tegemoet slaande hitte te hevig is. Dan kan de koude van die luchtstroom beschadiging door de hitte rondom het hart niet voorkomen en scheurt het septum door de hitte, wat de dood tot gevolg heeft. Omdat de gewone mensen de dood onmiddellijk na het zuchten zien intreden, denken zij dat hij door dat zuchten veroorzaakt wordt. Maar in werkelijkheid treedt de dood in door precies de tegengestelde oorzaak. De eerste verrassingsaanval van een overweldigende vreugde kan eveneens letaal zijn, door een overmaat van koude, juist zoals de eerste plotselinge confrontatie met droefheid letaal kan zijn door een overmaat van hitte. Want bij het hart komt uit de andere lichaamsdelen een koude samen waarvoor de aangeboren hitte niet voldoende is. Het hartenbloed wordt dikker en de ondergang is een feit, maar in dit geval gaat deze niet gepaard met inademing of uitademing, omdat de adem geen hitte kan aanvoeren van buiten het lichaam zoals het dat kan met koude. De gangbare uitdrukkingen: ‘Moge God uw oog verkwikken (d.w.z. u blij maken),’ of ‘Moge God het oog van die-en-die heet maken (d.w.z. hem laten huilen van droefheid en smart)’ zijn te verklaren uit het feit dat tranen van droefheid heet zijn en vreugdetranen koud. Als hetzij vreugde, hetzij droefheid zich vestigt in de ziel, raakt de ziel er geleidelijk aan gewend en wordt die emotie tenslotte zoiets als haar normale dispositie en permanente natuur.

Vertaling van een tekst van Muḥammad ibn Dāwūd al-Iṣbahāni, Kitāb al-Zahra, uitg. A. R. Nykl en Ibrāhīm Ṭūqān, Chicago 1932, blz. 343–346.

MUHAMMAD IBN DAWUD AL-ISBAHANI: Startpunt:
Hadith bij Ibn Dawud: Hadith.
Islamitisch recht bij Ibn Dawud. De wijn in het paradijs
Graeco-Arabica bij Ibn Dawud: Verliefdheid als ziekte. Platonische liefde.
Ibn Dawuds liefdestheorie: Verliefdheid als ziekte. Platonische liefde.
Anecdotes over zijn leven: Zijn liefdesdood.             Terug naar Inhoud