De draak en de wolken: een godsbewijs

Weer een fragment uit het Arabische, overwegend christelijke werkje Kitāb al-i‘tibār fī al-malakūt van Djibrīl ibn Nūḥ, een collectie van ongeveer honderd teleologische godsbewijzen (arguments from design), vermoedelijk uit de negende eeuw. Zie over dat boekje hier. Uit dezelfde tekst had ik o.a. al fragmenten gebracht over de slurf van de olifant, de domheid van babies, de penis van de man, de menselijke stem en de giraf. In het gedeelte over de dieren wordt ook de draak (tinnīn) behandeld. Hier is niet het beest zelf godsbewijs, maar de wonderbaarlijke bescherming die God de mensen ertegen biedt:

  • ‘Hebt ge gehoord wat er verteld wordt over de draak (tinnīn) en de wolken? Er wordt gezegd dat de wolken als het ware de opdracht krijgen om hem vast te grijpen zodra ze het vinden, net zoals een magneetsteen (ḥajar al-maghnāṭīs) ijzer vastgrijpt. Daarom steekt een draak zijn kop niet uit de diepte van de aarde, uit angst voor de wolken, en hij komt slechts af en toe naar buiten, als de lucht helder en zonder een wolkje is.
    Waarom werd de wolken opgedragen op de loer te liggen voor de draak en hem te grijpen wanneer ze hem vinden, als het niet was om de mensheid te beschermen voor de schade die hij aanricht?
    Als ge nu vraagt waarom de draak überhaupt werd geschapen, is ons antwoord: om angst aan te jagen en te intimideren, en als voorbeeldige straf op het passende moment. Het is als een zweep die in een huis hangt om de bewoners bang te maken en af en toe van de muur wordt gehaald om te straffen en te vermanen.’1

De tinnīn is een groot beest uit het Midden Oosten kwam al in Ugaritische teksten voor. In de Hebreeuwse bijbel is תַּנִּין , תַּנִּינִים, tannīn, mv. tannīnīm, een kwaadaardig en bedreigend monster, groot en meestal voorkomend in het water, bij voorbeeld een veelkoppig zeemonster, dat soms Leviathan heet (bijv. Jesaja 27:1), maar het kan ook een slang zijn of zelfs een krokodil.2
In de Griekse bijbelvertaling der Septuaginta wordt het woord soms vertaald met κήτος, kètos, maar meestal met δράκων, drakōn, ‘draak’,
In het Syrisch heet hij ‫ܬܢܝܢܐ‬‎ tannīnā, mv. tannīnē, wat ‘draak’ betekent, maar ook ‘Draco’, d.w.z het sterrenbeeld van die naam. Ook in de Syrische bijbel staat tannīnā, maar ik heb niet alle plaatsen nagetrokken.

Bij Aristoteles (HA viii) vond ik δράκων, drakōn, alleen als naam voor een bepaalde soort slangen, niet voor iets groters. De tweede-eeuwse dierenschrijver Aelianus kende wel de ‘grote’ draak. In Ethiopië worden ze wel 180 voet lang, in Phrygië 60 voet. Ze happen hele vogels uit de lucht en liggen ze op de loer voor om de schapen te onderscheppen die ’s avonds terugkeren van de wei. Onder hen richten ze een bloedbad aan; soms pakken ze de herder ook nog mee. Aardig om te lezen, maar niet relevant voor onze tekst. (Ael. NA ii, 11)

Volgens de negende-eeuwse Arabische dierenschrijver al-Djāḥiẓ is de tinnīn het grootste dier dat er bestaat.3 Men heeft er waargenomen in Syrië en Bahrein. Al-Djāḥiẓ verteld dat er bij Anṭākiya (Antiochië) een uit zee was gekomen die een verwoestend spoor over de streek had getrokken en het bovenste derde van een minaret door een klap met zijn staart had vernield.4
Verder bericht al-Djāḥiẓ over een tamelijk heftig meningsverschil, dat opkwam over de vraag of de tinnīn wel echt bestond: sommigen ontkenden dat, anderen verzekerden dat ze er werkelijk een hadden gezien.5

De kosmograaf en encyclopedist al-Qazwīnī leefde in de de dertiende eeuw. Sinds al-Djāḥiẓ was er heel wat kennis over de draak bij gekomen. Hij schrijft: 

  • ‘De tinnīn is een dier van een geweldige omvang, vreeswekkend om te zien, lang en breed van lijf, met een grote kop, bliksemende ogen, een wijde bek en buik, met vele tanden, dat ontelbare andere dieren verslindt en waarvoor de waterdieren bang zijn vanwege zijn enorme kracht’… enz.6

Ook de in Anṭākiya aangerichte schade was in de loop de eeuwen heel wat groter geworden: volgens al-Qazwīnī zou het monster niet een derde deel van een minaret, maar tien torens van de stadsmuur hebben vernield! Deze auteur heeft nog meer sterke verhalen over de draak. Zo is er een lang verhaal over hoe die eerst een landdier was, maar de andere landdieren zich bij de Heer beklaagden omdat hij er zoveel van hen opvrat. Daarop zond God een engel die hem optilde en in zee smeet. Na een poosje hadden de zeedieren dezelfde reden tot klagen ‘en nu stuurt God andermaal een engel naar hem toe, om zijn kop uit de zee te trekken. Dan daalt er een wolkenmassa op hem neer, die hem wegsleept en naar Gog en Magog slingert.’7
Ook hier zijn het dus wolken waarmee het monster getemd wordt. En er is nog een ander fragment met wolken:

  • Er wordt gezegd dat de wolken die de opdracht krijgen om hem vast te grijpen zodra ze het zien, net zoals een magneetsteen ijzer vastgrijpt. Daarom steekt een draak zijn kop niet uit de diepte van de aarde, uit angst voor de wolken, maar hij komt in de zomer naar buiten, als de lucht helder en zonder een wolkje is.

Dit komt verregaand overeen met enkele zinnen uit bovenstaande tekst van Gibril! Filologen zijn altijd blij zoiets te ontdekken, omdat het inzicht geeft in hoe een tekst is overgeleverd en hoe de ideeën zijn gereisd. Het is denkbaar dat al-Qazwīnī uit Gibrīls tekst heeft overgeschreven, maar dat hoeft natuurlijk niet: er kan nog een tussenschakel zijn, of beide auteurs hebben een gemeenschappelijke bron gehad.8

Natuurlijk twijfelden ook zeelui niet aan het bestaan van de tinnīn; zij hadden er soms beangstigende ervaringen mee. In een tekst uit de negende of tiende eeuw heet het:

  • ‘Naar men zegt zijn er in de zee enorme, angstaanjagende slangen die tinnīn heten. Als in hartje winter de wolken over het zeeoppervlak scheren, komt de tinnīn omhoog uit het water, omdat hij last heeft van de warmte van de zee, want in de winter is het zeewater zo warm als een kookpot. De tinnīn wordt in de koude van de wolken gevangen en als de wind dan opsteekt boven het zeeoppervlak stijgen de wolken omhoog en nemen hem mee. De zich opstapelende wolken trekken van de ene kant van de horizon naar de andere, en als zij hun regen kwijt zijn geraakt worden zij lichte stofwolken die in de lucht zweven en uiteenvallen door de wind. De tinnīn heeft niets meer dat hem ondersteunt en valt neer in zee of op het land. Als God het kwade voorheeft met een volk laat hij er een terecht komen op hun land, waar hij hun kamelen, paarden, runderen en schapen verslindt en hen te gronde richt. De tinnīn blijft daar tot hij niets meer te vreten vindt en sterft, of tot God de mensen van hem verlost.
    Zeelui en reizigers, kooplui en kapiteins hebben mij verteld dat zij hem meermalen over hun hoofden hebben zien passeren: zwart en langgerekt in de wolken. Als de wolken neerdalen daalt hij af naar de onderste laag ervan en laat soms het eind van zijn staart in de lucht hangen. Maar als hij de koude van de lucht voelt verwijdert hij zich, verheft hij zich in de wolk en wordt onzichtbaar. Gezegend zij God, de beste der scheppers!’9

Trombe

NOTEN
1.

هل سمعت ما يتحدث به عن التنّين والسحاب؟ فانّه يقال انّ السحاب كالموكل به يختطفه حيث ما ثڤفه كما يختطف حجر المغناطيس الحديد، حتّى صار لا يطلع رأسه من بطن الأرض خوفًا من السحاب، ولا يخرج في الفرط الاّ مرة اذا أصحت السماء فلم تكن فيها نكتة من غيم. فلِم وكِّل السحاب بالتنّين يرصده ويختطفه اذا وجده الاّ ليرفع عن الناس مضرته؟ فان قلت: ولم خُلق التنّين أصلاً؟ قلنا: للتخويف والترهيب والنكال في موضع ذلك. فهو كالسوط المعلَّق يخوّف به أهل البيت وينزل أحيانًا للتأديب والموعظة.

2. Michaela Bauks, Art. ‘Tannin’ van 2019 in Das Wissenschaftliche Bibellexikon im Internet (WiBiLex).
3. al-Djāḥiẓ, Ḥayawān vii: 105.
4. al-Djāḥiẓ, Ḥayawān iv: 154.

ومِمَّا عظَّمها وزادَ في فَزَع النَّاس منها الذي يرويه أهل الشام وأهْل اْلبَحْرَيْن وأهل أنطاكِيََة وذلك أنِّي رأيتُ الثلث الأعلى من منارة مسجد أنطاكِية أظهرَ جدًَّة من الثلثين الأسفلين فقلت لهم: ما بال هذا الثلثِ الأعلى أجدَّ وأطْرى؟ قالوا: لأنّ تِنِّينًا تَرَفّعَ مِنْ بَحْرنا هذا، فكان لا يمرُّ بشيءٍ إلاّ أهلكه. فمرَّ على المدينة في الهواء محاذيًا لرأس هذه المنارة وكان أعلى ممَّا هي عليه فضربه بذنبهِ ضَرْبًَة حَذفت من الجميع أكثرَ من هذا المقدار فأعادوه بعد ذلك ولذلك اختلفَ في المنْظر.

5. Al-Djāḥiẓ, Ḥayawān iv: 155:

الخلاف في التنين ولم يزل أهل البقاع يتدافعون أمْرَ التِّنِّين ومن العجب أنّكَ تكون في مجلس وفيه عِشروُن رَجُلا فيجري ذكرُ التِّنِّين فينكرهُ بعضهم وأصحاب التثبت يدَّعون العِيان والموضع قريب ومَنْ يعاينهُ كثير وهذا اختلافٌ شديد.

6. Al-Qazwīnī, ‘Adjā’ib 132:

تنين حيوان عظيم الخلقة هائل المنظر طويل الجثة عريضها كبير الرأس براق العينين واسع الفم والجوف كثير الأسنان يبلع من الحيوانات عددا لا يحصى تخافه حيوانات الماء لشدة قوّته … الخ.

7. Al-Qazwīnī, ‘Adjā’ib 132. Gog und Magog woonden ergens in de Kaukasus.

فيبعث الله اليها ملَكا ليخرج رأسها من البحر فيتدلى لها سحاب لها سحاب فيحتملها ويلقيها الى ياجوج وماجوج.

8. Al-Qazwīnī, ‘Adjā’ib 133. In de laatste zin is de tekst duidelijk corrupt (قيظ gelezen i.p.v. فرط)

ويقال انّ السحاب الموكل به يختطفه حيث ما رآه كما يختطف حجر المغناطيس الحديد، فهو لا يطلع رأسه من الماء خوفًا من السحاب، ولا يخرج في القيظ اذا أصحت السماء..

9. Al-Rāmhurmuzī, ‘Adjā’ib al-Hind, 41-42:

وحدثت أن في البحر حيات يقال له التنين عظيمة هايلة إذا مرت السحاب في كبد الشتاء على وجه الماء خرج هذا التنين من الماء ودخل فيه لِما يجد في البحر من حرارة الماء لان ماء البحر في الشتاء يسخن كالمرجل فيُسجَن هذا التنين ببرودة السحاب فيها وتهبّ الرياح على وجه الماء فترفع السحاب عن الماء ويستقلّ التنين في السحاب وتتراكم وتسير من أفق الى أفق فإذا استفرغت مما فيها من الماء خفّت وصارت كالهباء وتفرّقت وقطعتها الرياح فلا يجد التنين ما يتحامل عليه فيسقط إما في بحر وإما في البر فاذا أراد الله تعالى بقوم شرا أسقطه في أرضها فيبتلع جمالهم وخيلهم وأبقارهم ومواشيهم ويهلكهم ويبقى حتى لا يجد شيئا يأكله فيموت أو يهلكه الله سبحانه عنهم.

BIBLIOGRAFiE
– Al-Djāḥiẓ, Kitāb al-Ḥayawān, uitg. en commt. ʿAbd al-Salām Muḥammad Hārūn, 7 vols., Cairo 1938–47.
– Al-Qazwīnī, ‘Adjā’ib: Zakarija Ben Muhammed Ben Mahmud el-Cazwini’s Kosmographie, uitg. Ferdinand Wüstenfeld. Die Wunder der Schöpfung – aus den Handschriften der Bibliotheken zu Berlin, Gotha, Dresden und Hamburg, Göttingen, 1849.
– Bozorg ibn Shahriyār al-Rāmhurmuzī, ‘Adjā’ib al-Hind, uitg. P. A. van der Lith, Leiden 1883–86 (met Franse vertaling).

Terug naar Inhoud

De giraf als godsbewijs

Weer een fragment uit het Arabische, overwegend christelijke werkje Kitāb al-iʿtibār fī al-malakūt van Djibrīl ibn Nūḥ, een collectie van ongeveer honderd teleologische godsbewijzen (arguments from design), waarschijnlijk uit de negende eeuw. Zie over dat boekje hier. Uit dezelfde tekst had ik o.a. al fragmenten gebracht over de slurf van de olifant, de domheid van babies, de penis van de man en de menselijke stem. Nu de giraf.

““Denk eens aan hoe de giraffe (zarāfa) geschapen is, en hoe zijn lichaamsdelen onderling verschillen en lijken op die van andere soorten. Zijn kop is het hoofd van een paard, zijn nek is die van een kameel, zijn hoeven zijn die van een koe en zijn huid is die van een luipaard. De mensen hebben zelfs beweerd dat ze voortkomen uit meerdere mannetjes van verschillende soorten. Dat komt dan, zoals ze zeggen, omdat bepaalde soorten wilde dieren, wanneer ze naar een drinkplaats gaan, copuleren met vrij weidend vee, wat resulteert in een individueel dier als dit, dat als het ware een mengeling is van verschillende soorten. Maar dat is een verkeerde conclusie, want niet elke soort kan elke [andere] soort bevruchten. Een paard kan geen kameel bezwangeren en een kameel geen koe. Het gebeurt echter wel bij sommige dieren die op elkaar lijken en op dezelfde manier gevormd zijn. Een paard doet het met een ezel, en het resultaat is een muilezel, een wolf doet het met een hyena en het resultaat is een lycaon (sim‘), maar het resultaat van zulke verbintenissen is niet dat er, zoals bij de giraffe, een lichaamsdeel van een paard en een lichaamsdeel van een kameel zou zijn. Nee, het is er ergens tussenin, een mengsel van beide, zoals je kunt zien aan een muilezel, want daar zie je dat zijn kop, oren, kroep, staart en hoeven tussendingen zijn tussen de lichaamsdelen van een paard en een ezel. Zelfs het geluid van een muildier is als een mengeling van het gehinnik van een paard en het gebalk van een ezel. Dit bewijst dat de giraf niet het resultaat is van bevruchting door verschillende soorten, zoals sommigen beweren. Nee, het is een van Gods wonderbaarlijke creaturen, om te wijzen op Zijn almacht, voor welke niets onmogelijk is, en om te verkonden dat Hij de Schepper is van alle dieren en combineert en scheidt wat Hij wil en in welke soort Hij wil.
Wat betreft de lengte van de nek van een giraf en het gebruik ervan, dat is omdat hij volgens deskundigen opgroeit en graast in bosjes van hoog oprijzende bomen, zodat hij een lange nek nodig heeft om de toppen van die bomen te bereiken en de vruchten ervan te eten.””1
.
Onze auteur verzet zich tegen de gedachte dat één vrouwtjesdier door mannetjes van verschillende soorten gedekt zou kunnen worden, zodat deze alle een bepaalde lichamelijke eigenschap in het nieuwe dier zouden achterlaten. De giraf is ook geen kruising; nee, de Schepper heeft de giraf uit één stuk geschapen, prachtig en met een heel praktische lange nek.
.
De beroemde Arabische prozaschrijver al-Djāḥiẓ (776–868), die o.a. een groot dierenboek op zijn naam heeft staan, vond die meervoudige inseminatie ook flauwekul: ‘Sommige mensen zeggen dat de giraf een schepsel is dat is samengesteld uit de wilde kameel, een wilde koe en de dhīkh, d.w.z. het mannetje van een hyena. Dat zeggen ze omdat het woord voor giraf in het Perzisch اشتر گاو پلنگ , ushtur gāw palang is, “kameel-koe-luipaard”
. […] Ze hebben een hoop onzin verteld om de naam giraffe te verklaren […] en er zijn zelfs mensen die het voor compleet onmogelijk houden dat een vrouwtjesgiraf ooit door een mannetje gedekt wordt! […] Als ze enig bewijs konden aandragen voor die onzin en een beetje beter zouden opletten, zouden de boeken van een hoop fouten verschoond blijven.’2

Maar ook in het Grieks is de naam van het dier samengesteld. Daar heet hij namelijk καμηλοπάρδαλις, camelopardalis, ‘kameel-luipaard’. Hoe de oude Grieken dat verklaarden moet ik nog uitzoeken als de bibliotheken weer opengaan. Aristoteles kende de giraf nog niet; kennelijk is het dier pas laat uit Afrika in de Grieks-Romeinse wereld geïmporteerd.

NOTEN
1. Mijn eigen tekstuitgave op grond van drie handschriften. Over het fijne daarvan zal ik later elders berichten.

فكر في خلق الزرافة واختلاف أعضائها وشبهها بأعضاء أصناف من الحيوان. فرأسها رأس فرس وعنقها عنق جمل وأظلافها أظلاف بقر وجلدها جلد نمر، حتّى أنّ ناسًا زعموا أنّ نتاجها من فحول شتّى. وسبب ذلك فيما ذكروا أنّ أصنافًا من حيوان البرّ اذا وردت الماء تنزو على بعض السائمة فتنتج مثل هذا الشخص الذي هو كالملتقط من أصناف شتّى. وهذا مما لا يصحّ في القياس لأنه ليس كل صنف من الحيوان يلقح كل صنف. فلا الفرس يلقح الجمل ولا الجمل يلقح البقرة وانّما يكون هذا من بعض الحيوان فيما يشاكله ويقرب من خلقه كما يلقح الفرس الحمار فيخرج من بينهما البغل، ويلقح الذئب الضبع فيخرج من بينهما السِمْع، على أنّه ليس يكون الذي يخرج من بينهما عضوا من كل واحد منهما كما يكون في الزرافة عضو من الفرس وعضو من الجمل. بل يكون كالمتوسط بينهما الممتزج منهما كالذي تراه في البغل، فانّك ترى رأسه وأذنيه وكفله وذنبه وحوافره وسطًا بين هذه الأعضاء من الفرس والحمار حتّى أن شحيجه أيضًا كالممتزج من صهيل الفرس ونهيق الحمار. فهذا دليل على أنّه ليست الزرافة من لقاح أصناف شتّى من الحيوان كما زعم زاعمون، بل هي خلق عجيب من خلق الله للدلالة على قدرته التي لا يعجزها شيء، وليعلم أنه خالق أصناف الحيوان كلّها فيجمع ما شاء منها في أيّها شاء ويفرق بين ما شاء منها في أيّها شاء. فأمّا طول عنقها والمنفعة لها في ذلك فلأنّ منشأها ومرعاها كما يذكر أهل الخبرة بها في غياطل ذوات اشجار سامقة ذاهبة طولاً فهي تحتاج الى طول العنق لتتناول أطراف تلك الأشجار فتقمّ من ثمارها.

2. Al-Djāḥiẓ, Kitāb al-Ḥayawān, uitg. en commt. ‘Abd al-Salām Muḥammad Hārūn, 7 dln., Cairo 1938–47; i, 142–44.

زعم في الزرافة زعموا أنَّ الزرافة خلقٌ مركب من بين الناقة الوحشية وبين البقرة الوحشية وبين الذِّيخ وهو ذكر الضباع وذلك أنّهم لَّما رأََوا أنَّ اسمها بالفارسية أشتر كاو بلنك […]
فمنهم من حجر البتََّة أن تكون الزرافة الأنثى تلقَح من الزرافة الذكر […]
ولو أُعطُوا مع هذا الاستهتار نصيبًا من التثبُّتِ وحظًّا من التوقي لسَلِمت الكتبُ من كثير من الفساد.

Terug naar Inhoud

Alexander geen boekendief

AlexIlias

🇩🇪 In het Palazzo Te in Mantua zag ik op een plafondschildering een afbeelding van Alexander de Grote met een paar boekbanden in een kistje. Dat is een illustratie bij wat Plutarchus vertelt in zijn biografie van Alexander:

  • ‘Toen hem een kistje werd gebracht, waarvan degenen die de schatten en goederen van Darius hadden opgenomen zeiden dat dit het allerkostbaarste was, vroeg hij zijn vrienden welk waardevol ding volgens hen het best daarin bewaard kon worden. Toen veel mensen verschillende dingen opperden, zei hij zelf dat hij de Ilias erin zou doen om hem goed te bewaken.’ 1

Alexander heeft de Perzische koning Darius III (reg. 336–330 v.Chr.) in etappes verslagen, waarbij hij telkens rijke buit behaalde. De Ilias was een belangrijk boek voor hem; hij stelde zich graag voor dat hij een nieuwe Achilles was.
.
Zou dit misschien van invloed zijn geweest op de vroeg-Abbasidische, in wezen Perzische aanname dat Alexander alle boeken van de Perzen had gestolen, zodat ze later weer uit het Grieks in het Arabisch terugvertaald moesten worden? Daarover had ik hier al wat geschreven.
Waarom was dat kistje zo kostbaar? Misschien was het van massief goud of bezaaid met juwelen. Maar het kan ook zijn dat de inhoud kostbaar was. Van Darius III is bekend dat hij de oude Perzische Zand Avesta-teksten had laten uitgeven, vertalen en commentariëren. Ze vormden het middelpunt van zijn rijksideologie en werden bewaard in zijn schathuis, dat Alexander heeft geplunderd. Het kistje heeft hij ingepikt, maar die Perzische boeken zullen allicht het laatste zijn geweest dat hem interesseerde. Goed denkbaar dat hij de boeken toen heeft weggedaan en heeft vervangen door wat voor hem een schat was: Homerus’ Ilias, een zeer Grieks boek, dat veel voor hem betekende. En als het niet letterlijk zo gebeurd is, is het toch een mooie symboliek.
Het onderwerp kan nog wat nadere studie gebruiken.

NOOT:
1. κιβωτίου δέ τινος αὐτῷ προσενεχθέντος, οὗ πολυτελέστερον οὐδὲν ἐφάνη τοῖς τὰ Δαρείου χρήματα καὶ τὰς ἀποσκευὰς παραλαμβάνουσιν, ἠρώτα τοὺς φίλους ὅ τι δοκοίη μάλιστα τῶν ἀξίων σπουδῆς εἰς αὐτὸ καταθέσθαι: πολλὰ δὲ πολλῶν λεγόντων αὐτὸς ἔφη τὴν Ἰλιάδα φρουρήσειν ἐνταῦθα καταθέμενος. (Plut. Alex. 26, 1–2)

Terug naar Inhoud

Hoe de Oudheid overleefde bij de moslims

🇩🇪 Een bekende studie van Franz Rosenthal heet Das Fortleben der Antike im Islam. De traditionele, door wetenschappers allang niet meer verbreide opvatting in West-Europa was, dat de Oudheid vanaf de ondergang van het West-Romeinse Rijk in 476 niet langer voortleefde, maar abrupt ophield. Daarna begonnen de Middeleeuwen, de duistere Middeleeuwen, die heel lang nodig hadden om wat lichter te worden, de Oudheid te herontdekken en over te gaan in de Renaissance.
Hoe dit ook zij: het oostelijk deel van het Romeinse Rijk kende geen Middeleeuwen. Daar en in Perzië overleefde de wetenschap van de Oudheid, al dreigde zij een tijdlang in vergetelheid te geraken. Het was de verdienste van de vroege Abbasidische kaliefen, maar ook van de hele toenmalige maatschappij, dat de Oudheid voor de toekomst werd behouden. Dit wordt in Europa nog vaak over het hoofd gezien.
.
In de eerste twee eeuwen van het Abbasidische kalifaat (750–1258) liep er in Irak een enorm vertaalproject: uit het Grieks en Middelperzisch (Pahlavi) eerst in het Syrisch, daarna in het Arabisch. Alle Griekse teksten, behalve de poëzie en de geschiedschrijving, werden vertaald: d.w.z. alles wat er bekend was over aritmetika, geometrie, astronomie, muziektheorie,
en de meeste werken van Aristoteles en de commentaren daarop.
Dat was niet het werk van een kalief of een maecenas met een bizarre hobby, maar een breed gedragen lange-termijnproject, dat men voor noodzakelijk hield en dat wat mocht kosten.

De grootste bevorderaars van vertaalactiviteiten, de Banū Mūsā ibn Shākir, betaalden in 815 ongeveer 500 dinar per maand aan drie topvertalers, d.i. 2125 gram goud. Volgens de koers van 21 mei 2018 is dat bijna 75.000 Euro, maar zo mag je natuurlijk niet rekenen. In ieder geval was het heel veel.

Waarom juist in deze periode? De cultuur in het reusachtige rijk van Alexander de Grote en de rijken van zijn opvolgers was hellenistisch geweest. Deze hellenistische cultuur was volgens Dimitri Gutas geleidelijk door twee factoren verzwakt:
–––1. Door de lange oorlogen tussen Romeinen en Perzen (de laatste duurde van 602–628) stonden de centra van cultuur en geleerdheid niet langer met elkaar in contact.
–––2. Voor de christenen was profane voorchristelijke wetenschap ongewenst en was het Hellenisme eerder een vijand. Liever verdeed men zijn tijd—zeer veel tijd—met gehakketak over dogmatische problemen: of Maria God gebaard had, of God de Vader en zijn zoon Jezus Christus één natuur hadden of twee, of zij één wil hadden of twee, en of ikonen geoorloofd zijn. In het oostelijk deel van het Romeinse Rijk was ‘Griek’ een scheldwoord geworden en werd ‘heidense’ wetenschap als minderwaardig beschouwd.1 Wel was het heidendom omstreeks 500 definitief ten grave gedragen en werd de Oudheid in het Oost-Romeinse Rijk ofwel genegeerd of zij leefde voort in ongeïnspireerde samenvattingen (florilegia).
.
In het Arabische rijk van de Umayyaden, dat tot 750 bestond en zijn zwaartepunt had in Syrië, waren de Griekse taal en de Grieks-orthodoxe kerk nog zeer aanwezig. Kalief ‘Abd al-Malik voerde weliswaar omstreeks 700 het Arabisch in als officiële taal, maar nog decennia spraken en schreven veel inwoners van het rijk Grieks. Een belangrijke kerkvader als Johannes Damascenus schreef zijn werken omstreeks 750 in het Grieks, en dat deed hij midden in de Umayyadische hoofdstad Damascus. Het nog behoorlijk Romeinse karakter van het rijk der Umayyyaden schiep geen gunstige omgeving voor hellenistische wetenschap.
.
Toen de Abbasidische kaliefen echter het zwaartepunt van het rijk naar Irak verplaatsten en Baghdad stichtten, raakte de Griekse kerk met haar anti­hellenistische houding uit het zicht. Niets stond een hernieuwde bloei van de wetenschap van de Oudheid meer in de weg; integendeel: kaliefen, vizieren, alle overheidsorganen en vele privé-personen bevorderden ze als nooit tevoren. In het nieuwe grote rijk konden de centra van wetenschap weer onderlinge contacten onderhouden en elkaar beïnvloeden. Er werden vele talen gesproken; het nieuw gevormde rijk was multicultureel.

„Hence the transfer of the caliphate from Damascus to central ‘Irāq — i.e., from a Greek-speaking to a non-Greek-speaking area — had the paradoxical consequence of allowing the preservation of the classical Greek heritage which the Byzantines had all but extirpated.“2

Kalief al-Mansūr (754–75)
Volgens al-Mas‘ūdī, een historicus uit de negende eeuw, was al-Mansūr

‘de eerste kalief, die astrologen in ere hield en handelde op grond van astrologische principes. Hij had Nawbakht de Zoroastriër aan zijn hof, die door zijn toedoen moslim werd, de voorvader van de familie Nawbakht; verder had hij bij zich Ibrāhīm al-Fazārī, de schrijver van een dichtwerk over de sterren en van andere astrologische und astronomische Werken, evenals de astroloog ‘Alī ibn ‘Īsā, de astrolabist.
Hij was de eerste kalief, die boeken uit vreemde talen in het Arabisch liet vertalen; daaronder Kalīla wa-Dimna en Sindhind. Ook werden voor hem de boeken van Aristoteles over logica en andere onderwerpen vertaald, de Almagest van Ptolemaeus, het boek van Euclides [over Geometrie], de Arithmetica [van Nicomachus van Gerasa], en andere oude boeken uit het klassieke Grieks, het Romeinse Grieks, Pahlavi, Nieuwperzisch en Syrisch. Deze raakten verbreid onder de mensen, die ze onderzochten en graag bestudeerden.’3

Al-Mansūr had het gevoel dat hij het nieuwe regime van de Abbasiden moest legitimeren. Bij de moslims van Arabische afkomst was dat niet zo moeilijk: de dynastie zou immers verwant zijn met de profeet Mohammed. Maar voor de Perzen en Arameërs—en die waren in de nieuwe omgeving sterk in de meerderheid— was die legitimiteit niet zo vanzelfsprekend: er vonden al dadelijk enige opstanden plaats. Al-Mansūr wilde hun laten zien dat de Abbasiden de legitieme opvolgers van de Perzische Sassaniden waren. Die hadden veel waarde gehecht aan astrologie; al hun handelen was daarvan doortrokken. Dat wilde al-Mansūr hen nadoen: zijn astrologen moesten bewijzen dat zijn regering ‘in de sterren stond geschreven’ en dus onherroepelijk de beste was. Daarom moesten er astrologische teksten komen, en wel Perzische en Griekse, want Arabische astrologie bestond niet, geen islamitische en geen pre-islamitische.
.
Astrologie is niet erg islamitisch, zegt misschien iemand. Maar wie bepaalt wat islamitisch is? Dat deed toen niemand minder dan de kalief zelf, de plaatsvervanger Gods (khalīfat allāh) op aarde. De ‘Mensen van de hadith en de soenna,’ voor wie de koran en de soenna van de profeet Mohammed het belangrijkst waren, speelden aanvankelijk nog geen rol.
.
Alexander, de boekendief
Maar waarom dan Oudgriekse teksten? Het is raar maar waar:4 volgens de opvatting der Sassaniden had Zoroaster van de goede god Ohrmazd (Ahuramazda) de Avesta ontvangen, die alle kennis en wijsheid van de hele wereld bevatte. De boosaardige Alexander [de Grote] had Perzië echter verwoest en de kennis over de hele wereld verstrooid. Hij had de teksten in het Grieks laten vertalen en de originelen vernietigd. Daarom kwam het er nu op aan, de kennis weer terug te vertalen. Dat had de Sassanidische koning Ardashīr ook gedaan en al-Mansūr wilde het voortzetten. Hij pakte het energiek aan, en zijn opvolgers deden hetzelfde.
Een volledig fact free verhaal had dus vérstrekkende, in dit geval positieve gevolgen. De vertaalbeweging was religieus verankerd in het Zoroastrisme.
(Zie hierover nu mijn Alexander geen boekendief.)
.
Kalif al-Mahdī (775–85)
Onder kalief al-Mahdī werd er rustig verder vertaald, zij het met een wat andere nadruk. Nu kwamen de Topica van de oude Griekse wijsgeer Aristoteles (384–322 v.Chr.) aan de beurt, het vijfde deel van het Organon. Dat is een moeilijk boek; het gaat over djadal, de kunst van het argumenteren op basis van gemeenschappelijke aannames (bijv. definities) over het voor en tegen van bepaalde stellingen. De methode werd aan de hand van 300 onderwerpen verduidelijkt. De kalief bestelde in 782 persoonlijk een vertaling bij de Nestoriaanse patriarch Timotheüs I. Later zou het boek overigens nog twee maal worden vertaald.
Wat bracht een drukbezet staatshoofd ertoe, voor zich zelf een vertaling van een zo moeilijk boek te bestellen? Het antwoord ligt in de godsdienstgesprekken, die in deze tijd gangbaar waren. Nu het rijk eenmaal islamitisch was moesten de onderdanen ook moslims zijn. De bezwaren van de Umayyaden tegen bekeerlingen (‘het zijn geen Arabieren,’ ‘ze brengen geen hoofdelijke belasting op’) waren verdwenen. Het Abbasidische rijk moest een staat van moslimse burgers met gelijke rechten en privileges worden. Ook niet-Arabische moslims konden nu banen krijgen; soms klaagden de Arabieren daar zelfs over.
De Islam moest in het rijk dus noodzakelijk een missionerende godsdienst worden. Het moest aantrekkelijk en overtuigend zijn om zich ertoe te bekeren—en dat niet alleen vanwege de dan wegvallende hoofdelijke belasting: het ging om de ware godsdienst. Voor de disputen met andersdenkenden waren de Topica nuttig. Godsdienstgesprekken vonden overal plaats; er bestaat een ongelooflijke hoeveelheid geschriften daarover, ook van christelijke zijde. De christenen hadden lange ervaring in disputeren en polemiseren en de moslims moesten erg hun best doen om op hetzelfde niveau te komen .

Joden en christenen hadden een beschermde positie, maar Manicheeërs en andere ongelovigen (Bardesanieten, Marcionieten) werden met harde hand vervolgd. Nog een citaat uit al-Mas‘ūdi:

[‘Al-Mahdī] spande zich zeer in om ketters en afvalligen ter dood te brengen. Die traden namelijk op in zijn tijd en verkondigden gedurende zijn kalifaat openlijk hun  geloofsovertuigingen, toen de boeken van Mani, Bardesanes und Marcion (o. a. overgeleverd door Ibn al-Muqaffa‘) en anderen wijd verbreid raakten, die uit het Perzisch en Pahlavi in het Arabisch vertaald werden; en verder de geschriften die het Manicheïsme, Bardesanisme en Marcionisme ondersteunden, die toentertijd geschreven werden door Ibn Abī al-‘Audjā’, Hammād ‘Adjrad, Yahyā ibn Ziyād en Mutī‘ ibn Iyās. Daardoor nam het aantal Manicheeërs toe en werden hun leermeningen openlijk bekend.
Al-Mahdī was de eerste [kalief], die dialectisch argumenterende theologen (djadaliyūn) opdracht gaf, boeken tegen de genoemde ketters en ander ongelovigen te schrijven. De theologen leverden bewijzen tegen de halsstarrigen, rekenden af met de schijnargumenten van de ketters en legden de twijfelaars in duidelijke bewoordingen de waarheid uit.’5

Al-Mahdī was een goede leerling, die met patriarch Timotheüs zelf de technieken van het argumenteren oefende. Deze technieken zouden ook in de wetenschap, filosofie, theologie (kalām) en in het recht heel nuttig blijken.
.
Kalief al-Ma’mūn (813–833)
kreeg te stellen met de ‘Mensen van de hadith en de soenna,’ de latere ’ulamā’, die zijn souvereiniteit aanvochten. Hij probeerde ze klein te houden en steunde daarbij op de Mu‘tazilieten, die zich intensief met de ‘Griekse’ wetenschap bezig hielden. Dat leidde tot nog veel meer vertaalwerk.

De beroemde Mu‘tazilitische schrijver al-Djāhiz (± 777–869) raakte in een soort dialectiek-roes. Hij had er plezier in, de voors en tegens van bepaalde zaken provocerend tegenover elkaar te stellen. Daarbij was het onbelangrijk, welke opvattingen uiteindelijk juist waren. Zo heeft hij een tractaat geschreven over de superioriteit van zwarten boven blanken,6 en een ander, waarin hij de voor- en nadelen van jonge slaven en slavinnen als sekspartners tegen elkaar afweegt.7

De beroemdste vertaler wil ik nog kort vermelden: Hunayn ibn Ishāq, 808–873. Hij was een Nestoriaanse christen uit Irak, hij studeerde natuurkunde en medicijnen en trok naar Alexandrië om Grieks te leren; daarna naar Basra om beter Arabisch te leren. Hij vertaalde Aristoteles, Galenus en vele anderen en vervaardigde een Grieks-Syrisch woordenboek.

Twee, drie eeuwen later kwam het gedachtengoed uit de Oudheid in Arabische, soms ook Hebreeuwse vertalingen naar Europa, via Sicilië en vooral via Spanje. Natuurlijk was het intussen verrijkt met wat er in het Midden-Oosten aan toe was gevoegd: de wetenschap had niet stil gestaan. Zonder de vroeg-Abbasidische tussenfase was hun klassieke Oudheid de Europeanen onbekend gebleven en was er nooit een Renaissance geweest.

NOTEN

1. D. Gutas, Greek Thought, 20.
2. Theodoretus von Cyrrhus (393–458) schreef bij voorbeeld Græcarum affectionum curatio, [Ελληνικών θεραπευτική παθημάτων], „Genezing der Griekse ziekten“. Hij bedoelt het voorchristelijke heidendom.
3. Al-Mas‘ūdī, Prairies, v, 3446:

وكان أول خليفة قرّب المنجمين وعمل بأحكام النجوم، وكان معه نوبخت المجوسي المنجم، وأسلم على يديه وهو أبو هؤلاء النوبختية، وإبراهيم الفزاري المنجم صاحب القصيدة في النجوم وغير ذلك من علم النجوم وهيآت الفلك، وعلي بن عيسى الأُسطُرلابي المنجم. وكان أول خليفة ترجمت له الكتب من اللغة العجمية إلى العربية، منها كتاب كليلة ودمنة وكتاب السند هند، ترجمت له كتب أرسطاطاليس من المنطقيات وغيرها، ترجم له كتب المجِسطي لبَطْلميوس وكتاب إقليدس وكتاب الأرِثماطقي وسائر الكتب القديمة من اليونانية والرومية والفهلوية والفارسية والسريانية، وأخرجت الى الناس، فنظروا فيها وتعلّقوا الى علمها.

4. D. Gutas, Greek Thought, 34–45 heeft de betreffende teksten verzameld en vertaald, deels uit het Perzisch.
5. Al-Mas‘ūdī, Prairies, v, 3447:

وأمعن [المهدي] في قتل الملحدين والذاهبين عن الدين لظهورهم في أيامه وإعلانهم باعتقاداتهم في خلافته، لمّا انتشر من كتب ماني وابن دَيْصان ومَرْقيون مما نقله عبد الله بن المقفَّع وغيره وترجمت من الفارسية والفَهْلوية الى العربية، وما صنّفه في ذلك الوقت ابن أبي العوجاء وحمّاد عَجْرَد ويحيى بن زياد ومطيع بن إياس تأييدًا لمذاهب المانية والديْصانية والمَرْقيونية. فكثر بذلك الزنادقة وظهرت آراءهم في الناس، وكان المهدي أول من أمر الجدليين من أهل البحث من المتكلمين بتصنيف الكتب على الملحدين ممن ذكرنا من الجاحدين وغيرهم، فأقاموا البراهين على المعاندين وأزالوا شُبَه الملحدين، فأوضحوا الحق للشاكّين.

6. „Kitāb fakhr as-sūdān ‘alā al-bīḍān,“ in Rasā’il al-Djāḥiẓ, uitg. ‘Abd al-Salām Muḥammad Hārūn, 2 dln. Cairo z.j. [1964], i, 173–226. Fragmenten in: Charles Pellat, Arabische Geisteswelt, ausgewählte und übersetzte Texte von al-Ǧāḥiẓ (777–869), vert. Walter Müller, Zürich/Stuttgart 1967, hst. 31: „Über den Ruhm der Schwarzen vor den Weißen,“ 315–318. „What Blacks may boast of to Whites,“ vert. T. Khalidi in Islamic Quarterly 25 (1981), 3–51 (niet gezien). Zie ook mijn tekst Negers.
7. „Kitāb Mufākharat al-djawārī wal-ghilmān,“ in Rasāʾil al-Ǧāḥiẓ, ii, 87–137; vert.: ‘De wedijver tussen deernen en knapen,’ in Rond voor rond of als een pikhouweel. Klassieke Arabische erotica vertaald door Hafid Bouazza, Amsterdam 2002, 14–79.

BIBLIOGRAFIE
– Dimitri Gutas, Greek Thought, Arabic Culture. The Graeco-Arabic Translation Movement in Baghdad and Early ‘Abbāsid Society (2nd–4th/8th–10th centuries), London 1998.
– Franz Rosenthal, Das Fortleben der Antike im Islam, Zürich 1965.
– Al-Mas‘ūdī, Les prairies d’or [Murūdj al-dhahab], Hg. […] Ch. Pellat, 7 dln., Beiroet 1966–1979.
– Hinrich Biesterfeldt, „Secular Graeco-Arabica — Fifty years after Franz Rosenthal’s Fortleben der Antike im Islam,” in: Intellectual History of the Islamicate World, 3 (2015), 125–157.

Diacritische tekens: al-Manṣūr, Ḥammād, Yaḥyā, Muṭīʿ, al-Djāḥiẓ, Ḥunayn ibn Isḥāq

Terug naar Inhoud

De stem als godsbewijs. Van orgel naar doedelzak

Weer een fragment uit het Arabische, overwegend christelijke werkje Kitāb al-iʿtibār fī al-malakūt,1 een collectie van ongeveer honderd teleologische godsbewijzen (arguments from design), waarschijnlijk uit de negende eeuw. Zie over dat boekje hier. Uit dezelfde tekst had ik al eens een fragment gebracht over de slurf van de olifant, over de domheid van babies en zelfs de penis van de man.

Deze tekst gaat over de stem als godsbewijs. De precieze vindplaats houd ik nog maar even voor me.

  • Denk eens na over de spraakorganen en over de spraak van de mens. De keel is als een articulatiepijp waardoor de stem naar buiten treedt; de tong, de lippen en de tanden dienen om de spraakklanken en de melodie te vormen. Het is bekend dat mensen die hun tanden kwijt zijn de s niet kunnen produceren; iemand met een onvolledige lip kan de f niet correct vormen en wie een zware tong heeft kan de r niet duidelijk uitspreken.
    De Ouden vergeleken op fraaie wijze het naar buiten treden van de stem met het geluid van een doedelzak (al-mizmār al-a‘ẓam), namelijk de keel met het riet daarvan, de longen met de zak die van onderen wordt opgeblazen om er lucht in te brengen, en de spieren die de longen samendrukken om de stem via de keel te laten uittreden met de handen die de zak samendrukken om de lucht uit de doedelzak te persen. De lippen en tanden die de spraakklanken vormen vergeleken ze met de vingers die verschillende posities innemen op de melodiepijp (fam) van de doedelzak, zodat zijn toon melodieën kan vormen.
    Maar al kan het naar buiten treden van de stem ter verduidelijking en onderrichting worden vergeleken met een doedelzak, in werkelijkheid zou het omgekeerd moeten zijn. De doedelzak is kunstmatig, maar de stem is natuurlijk, en het is het kunstmatige dat het natuurlijke nabootst.2 Maar omdat het kunstmatige duidelijker zichtbaar is en beter bekend is bij het grote publiek dan het natuurlijke is men ertoe overgegaan de verrichtingen van de natuur te vergelijken met die van het kunstproduct, om ze begrijpelijker en bekender te maken.
    Als iets kunstmatigs al bewonderd kan worden om de subtiliteit en de wijsheid waarmee het de natuur nabootst, hoeveel meer bewondering verdienen dan de natuur zelf en haar verfijnde verrichtingen! En als het toeval niet eens de verrichtingen van het kunstmatige teweeg kan brengen, dan zeker niet die van de natuur.

Meestal staat bij zulke voorbeelden nog de retorische vraag: ‘Kan zoiets moois werkelijk teruggaan op toeval, of zit er toch een intelligente ontwerper achter?’ Hier wordt het godsbewijs niet uitgewerkt; de vermelding van het toeval in de laatste zin is het enige wat ernaar verwijst.

Van de ‘Ouden’, die de tekst als bronnen aanvoert, is er in dit geval één bekend. Het is de Nestoriaanse kerkvader Theodoretus van Cyrrhus (± 393–460). In zijn Over de voorzienigheid staat een voorloper van onze tekst. Wie deze webpagina leest zal ook wel Engels kennen; daarom ben ik lui en geef U de vertaling van Halton:3

  • 4. [Voice Production Has Affinities With Organ Playing] You, then, who have the gift of speech an dishonor the One who so honors you, consider how the lungs resemble bellows, which the muscles surrounding the thorax press upon, corresponding to the action of the feet in organ blowing, causing it to contract and expand. This transmits the breath through the windpipe, and when compressed, opens the epiglottis and is borne through the throat to the mouth. Speech, then, manipulates the teeth like so many bronze reeds with the tongue and makes them run up and down and glide without effort and with perfect ease.
    5. The salivary gland also helps to facilitate this movement, resembling, as it does, a fount gushing forth moisture. When the constant movement parches the tongue, it needs saliva in moderation to moisten it, make it smooth, and give it freedom of movement. This is how articulate voice comes about: When speech comes in contact with the teeth by means of the tongue, and breath is exhaled, as I have said, and the lips contract, and the air is smitten harmoniously by the emission of the breath, the exhaled breath becomes the vehicle of speech while nature expels the smoky substance as superfluous.

Bij Theodoretus wordt niet van een doedelzak gesproken, maar van een orgel! In Perzië, waar de Arabische tekst (of zijn Syrische of Pahlavi-voorganger) is ontstaan, waren orgels niet bekend, zodat de uitgever/vertaler er iets op moest verzinnen. Zijn poging tot adaptatie is geslaagd en bewonderenswaardig.

NOTEN
1. Ook bekend als Dalāʾil al-iʿtibār. Het werkje wordt vaak toegeschreven aan al-Djāḥiẓ (gest. 868). De eerste (niet-kritische) uitgave verscheen in 1928 in Aleppo.

فكر في‏ آلات الصوت والكلام في‏ الانسان‏. فالحنجرة كالأنبوب لخروج‏ الصوت واللسان والشفتان والأسنان لصياغة الحروف‏ والنغم‏. ألا ترى أنّ‏ من سقطت أسنانه لم‏ يقِم السين ومن نقصت شفته لم‏ يصحّح‏ الفاء،‏ ومن ثقل لسانه لم‏ يفصح‏ الراء. فما أحسن ما مثّل الأوّلون فانّهم شبّهوا مخرج الصوت بالمزمار‏ الأعظم فشبّهوا الحنجرة بقصبة المزمار،‏ وشبّهوا الرئه بالزق الذي‏ ينفخ به من تحته ليدخله الريح،‏ وشبّهوا‏ العضلات التي‏ تقبض على الرئة‏ ليخرج الصوت من الحنجرة‏ بالأكفّ‏ التي‏ تقبض على الزق حتى‏ تجري‏ الريح في‏ المزمار‏. وشبّهوا الشفتين والأسنان التي‏ تصوغ‏ الصوت حروفًا ونغمًا بالأصابع التي‏ تختلف على فم المزمار فيصوغ‏ صفيره ألحانًا‏. غير أنّه وان كان مخرج الصوت‏ يشبه‏ بالمزمار للدلالة والتعريف فانّ‏ المزمار بالحقيقة هو المشبّه بمخرج الصوت،‏ لأنّ‏ المزمار صناعي‏ والصوت طبيعي‏ والصناعة هي‏ التي‏ تحكي‏ الطبيعة‏. ولكنه لما كانت الصناعة أظهر وأعرف عند العامّة من الطبيعة‏‏ صارت أفعال الطبيعة تمثل بأفعال الصناعة‏ لتفهم ويوقف عليها‏. فاذا كانت الصناعة‏ التي‏ قد يتعجّب من اللطف‏ والحكمة فيما‏ تحكي الطبيعة‏ فبالحرى أن‏ يتعجّب من الطبيعة ولطف أفعالها‏. ولئن كان الاهمال‏ يضعف عمّا تأتي‏ به الصناعة لهو عمّا تأتي‏ به الطبيعة أضعف‏.

2. Nederlanders moeten hierbij misschien denken aan de spreuk Natura artis magistra, ‘De natuur is de leermeesteres van de kunst.’ Deze stamt echter niet uit de Oudheid, maar uit de negentiende eeuw.
3. Περί Πρόνοιας λόγοι δέκα = De providentia orationes decem. De Engelse vertaling: Theodoret of Cyrus On Divine Providence, translated and annotated by Thomas Halton, New York/Mawjah NJ, 1988, 34–35. Het loont de moeite, Theodoretus’ tekst eens in zijn geheel te lezen. Voor de liefhebbers hieronder de oorspronkelijke Griekse tekst, Migne, Patrologia Græca 83, col. 583:
Ἀρκεῖ δὲ καὶ τοῦτο μόνον τὸ μόριον δεῖξαι τοῦ πεποιηκότος, οὐ τὴν σοφίαν μόνον, ἀλλὰ καὶ τὴν ἄπλητον φιλανθρωπίαν. Ὀργάνῳ γὰρ ἔοικεν ἀπὸ χαλκῶν συγκειμένῳ καλάμων, καὶ ὑπ’ ἀσκῶν ἐκφυσουμένῳ, καὶ κινουμένῳ ὑπὸ τῶν τοῦ τεχνίτου δακτύλων, καὶ ἀποτελοῦντι τὴν ἐναρμόνιον ἐκείνην ἠχήν. Ἀλλ’ οὐχ ἡ φύσις παρὰ τῆς τέχνης, ἡ τέχνη δὲ παρὰ τῆς φύσεως ἐδιδάχθη τῆς τερπνῆς ἐκείνης ἠχῆς τὸ μηχάνημα· ἀρχέτυπον γὰρ τῆς τέχνης ἡ φύσις, ἴνδαλμα δὲ τῆς φύσεως ἡ τέχνη.
Ἄθρει τοιγαροῦν ὁ λόγου μὲν τετυχηκὼς, ἀτιμάζων δὲ τῇ τιμῇ τὸν τιμήσαντα, πῶς ὑπόκειται μὲν ὁ πνεύμων δίκην ἀσκοῦ, ἀποθλίβουσι δὲ αὐτὸν, οὐ πόδες ἀνθρώπου, ἀλλ’ οἱ περικείμενοι τῷ θώρακι μύες, συστέλλοντες αὐτὸν καὶ διαστέλλοντες. Ἀναπέμπει δὲ οὑτοσὶ διὰ τῆς τραχείας ἀρτηρίας τὸ πνεῦμα, τὸ δὲ συνωθούμενον, ἀνοίγει μὲν τὴν ἐπιγλωττίδα, φέρεται δὲ διὰ τοῦ φάρυγγος ἐπὶ τὸ στόμα. Ὁ δὲ λόγος, τῆς γλώττης οἷόν τινος δεξιᾶς ἐπειλημμένος, ταύτην τοῖς ὀδοῦσι καθάπερ τοῖς χαλκοῖς ἐκείνοις προσφέρει καλάμοις, καὶ ἄνω καὶ κάτω διαθέειν καὶ διολισθαίνειν εὐπετῶς καὶ μάλα ῥᾳδίως κατασκευάζει· […] κτλ

Terug naar Inhoud