Godsbewijzen bij Djibril ibn Nuh

Dit leestraject is amusanter dan de titel doet vermoeden. Kijkt u maar eens hieronder bij de links, welke onderwerpen u kunt verwachten.
Die godsbewijzen lopen meestal als volgt. De aandacht wordt gevestigd op iets in de schepping wat bijzonder mooi, complex of doelmatig is. Vervolgens wordt gezegd dat zoiets toch onmogelijk door toeval zou kunnen bestaan, en dat er dus een intelligente ontwerper achter moet zitten. In deze tekst wordt die niet God genoemd, maar de Schepper, de Ontwerper e.d. Soms is het betoog: wat fijn dat het is zoals het is; het had ook veel slechter, lelijker of onpraktischer kunnen uitpakken. Denkt u maar aan het moderne liedje: ‘Ik ben zo blij, ik ben zo blij, dat mijn neus van voren zit en niet opzij.’ Of het gaat volgens de uitspraak van Henry Monnier: ‘Wat is de natuur toch vooruitziend! Zij laat appels groeien in Normandië, wel wetend dat de inheemsen in die provincie alleen maar cider drinken’1– maar nog zonder het sarcasme.

Deze teleologische godsbewijzen (arguments from design) zijn bijeengebracht in het Arabische boekje, Kitāb al-i‘tibār fī al-malakūt, omstreeks 840 in Irak geschreven door de overigens onbekende christelijke auteur Djibrīl ibn Nūḥ al-Anbārī. Een bewerking ervan is bekender geworden onder de titel bekend als Dalā’il al-i‘tibār. Die versie wordt vaak toegeschreven aan al-Djāḥiẓ (gest. 868). De eerste (niet-kritische) uitgave verscheen in 1928 in Aleppo.

Is het godsbewijs niet allang uit de tijd? Jawel, maar in Amerika leeft het nog volop bij christenen die de evolutietheorie afwijzen, onder het etiket Intelligent Design. En in de islamitische wereld komt het conservatieven ook weer erg van pas, zodat het boekje steeds wordt herdrukt en ook in het internet zowel door Soennieten als door Sjiïeten in stukken en brokken wordt verbreid. De koran staat vol verwijzingen naar de tekenen Gods in de Schepping, zodat de ‘markt’ voor godsbewijzen nog heel lang gegeven zal zijn.

Waarom zit ik aan een boekje met zulke ouwe koek? Niet omdat ik alsnog het bestaan van God wil bewijzen, maar omdat het interessant is te zien hoe die teksten sinds de Oudheid hebben gecirculeerd en telkens herhaald en opnieuw bewerkt zijn. Deze christelijke tekst gaat terug op een traditie die nog bekend was met de Griekse Oudheid. Sporen van Xenophon en Cicero zijn erin terug te vinden, van de Presocraten en Aristoteles, maar ook betogen van een kerkvader als Theodoretus (393–±460). Het geheel is ooit in het Syrisch vertaald en in de taal van het pre-islamitische Iran, het Pahlavi, en van daaruit in het Arabisch. Er moeten mensen geweest zijn die het boekje in zijn oudste vorm te christelijk vonden, want er bestaan islamitische bewerkingen van, waarin de verwijzingen naar de Griekse Oudheid of het christendom zorgvuldig zijn verwijderd. Het werkje is ook interessant omdat het de mogelijkheid biedt om de overlevering van oude Griekse teksten in Arabische vertaling te volgen. Soms kan met behulp van een citaat in het Arabisch een gebrekkig overgeleverde Griekse tekst beter begrepen worden. En in elk geval wordt weer eens zichtbaar hoe de westerse cultuur in de loop der eeuwen een grote cirkel beschreven heeft: van Griekenland en Rome via Syrië en Irak naar Spanje en Sicilië, en vandaar naar het Middeleeuwse Europa. Waar de mensen vervolgens gingen doen alsof zij alles rechtstreeks van de Grieken overgenomen of zelf bedacht hadden; een euvel waar we nog niet helemaal van bevrijd zijn.

NOOT
1. Que la nature est prévoyante ! Elle fait pousser les pommes en Normandie sachant que les indigènes de cette province ne boivent que du cidre.

Leestraject: het teleologische godsbewijs bij Djibril ibn Nuh (Pseudo-Djahiz): De slurf. Het hijgend hert. De giraf. De mier op de zijderoute. De mierenleeuw. De draak en de wolken. De domheid van babies. De penis. De stem: van orgel naar doedelzak. Het nut van de bil. De Schepper voorkomt inflatie.

Terug naar Inhoud       Terug naar Inhoud (oud)

Het nut van de bil

Billen zijn vaak prettig om naar te kijken, maar dat is niet de belangrijkste reden voor de schepping ervan: ze zijn vooral heel handig bij het zitten. Als fraai staaltje scheppingskunst passen ze dan ook goed in de reeks teleologische godsbewijzen van Djibrīl ibn Nūḥ, aan de uitgave van wiens Kitāb al-i‘tibār fī al-malakūt ik nog steeds werk. Meer daarover hier. Hij schrijft over de bil:

  • Waarom zou dat zachte vlees op de dijen van een mens zijn aangebracht, als het niet was om hem te beschermen voor de harde grond, zodat hij geen pijn voelt als hij erop zit? Een dunne persoon met weinig vlees kan pijn hebben als er niets is tussen hem en de grond.1

De laatste zin lijkt de eerste enigszins te ontkrachten. Zou het een toevoeging zijn van een broodmagere student, die zich met het copiëren van handschriften maar nauwelijks in leven kon houden?

De eerste nog bekende auteur die over de bil heeft geschreven is Aristoteles:

  • […] door de billen vlezig te maken heeft de natuur ze nuttig gemaakt voor de rest van het lichaam. Viervoeters hebben er geen probleem mee te blijven staan. Zij worden niet moe als zij voortdurend op hun voeten blijven staan – voor hen is het even goed als gaan liggen, want zij hebben vier steunen onder zich. Maar mensen kunnen niet voortdurend comfortabel rechtop blijven staan: hun lichaam heeft rust nodig, het moet zitten. Dat is de reden dat de mens billen heeft, vlezige benen en geen staart […]2

Djibrīl zou het vers vertaalde werk van Aristoteles zelf gelezen kunnen hebben, maar minstens zo waarschijnlijk is dat hij heeft geput uit de lange traditie die dat werk heeft herkauwd. Er is een hele keten van overlevering geweest: latere Grieken, artsen, kerkvaders, Syriërs, Perzen. Het is altijd interessant te ontdekken hoe een tekst heeft gereisd, maar in dit geval ben ik daarmee nog niet ver gekomen. Ik moet maar gauw eens in Galenus, De usu partium kijken. In ieder geval heeft ook de kerkvader Theodoretus (393–±460) deze gedachte over de bil overgenomen:

  • Let op een andere manifestatie van Zijn voorzienigheid. Het lichaam biedt een natuurlijk zitbank voor de billen, zodat je op de grond of op een steen kunt gaan zitten en geen pijn lijdt door het zitten op onbeschermde lichaamsdelen.3

NOTEN
1.

لم حمّل الانسان على فخذيه هذا اللحم الوثير الاّ ليقيه من الأرض فلا يألم من الجلوس عليها كما قد يألم من نحل جسمه وقلّ لحمه اذا لم يحل بينه وبين الأرض حائل؟ 

2. Aristoteles, De Partibus Animalium 689b; idem Arabisch (Kruk) p. 137.
3. Theodoretus, De providentia iii, 21.

Leestraject: het teleologische godsbewijs bij Jibril ibn Nuh (Pseudo-Djahiz): De slurf. Het hijgend hert. De giraf. De mier op de zijderoute. De mierenleeuw. De draak en de wolken. De domheid van babies. De penis. De stem: van orgel naar doedelzak. Het nut van de bil. De Schepper voorkomt inflatie.

Terug naar Inhoud       Terug naar Inhoud (oud)

Een mier op de Zijderoute

Bij het werken aan een christelijke Arabische tekst van Djibril ibn Nūḥ al-Anbārī (9e eeuw) werd ik regelrecht de Oudheid ingezogen. Wat zeg ik: in twee Oudheden: de Grieks-Romeinse en de Chinese! Het betreffende fragment was een beschrijving van de loop der sterren en planeten: 

  • Denk aan de sterren en het verschil in hun cirkelbaan. Een aantal verlaat zijn plaats aan het firmament niet en beweegt alleen als groep, maar een aantal verplaatst zich door de hele dierenriem en heeft eigen cirkelbanen. Dus elke ster van de laatste soort heeft twee verschillende banen: een algemene, samen met het hemelgewelf naar het Westen, en de andere van hemzelf naar het Oosten. De Ouden hebben zo’n losse ster vergeleken met een mier die krabbelt op een molensteen. De molensteen maakt een cirkel naar rechts en de mier beweegt naar links, zodat de mier in die situatie twee verschillende bewegingen maakt: een zelfstandige, recht vooruit, en de andere onvrijwillig, samen met de molensteen, die hem naar achteren dwingt.1

Wie zijn die ‘Ouden’? Ik begon te zoeken in Oudgriekse teksten en vond iets over de hemel als een molensteen of als een wiel. Ook over de tegengestelde beweging van de planeten was wel iets terug te vinden. Maar waar kwam die mier vandaan? Voor een niet-classicus is het vaak moeizaam, de toegang te vinden tot teksten uit de klassieke Oudheid. Daarom was ik blij dat Dr. Stefan Hagel uit Wenen mij attendeerde op enkele Griekse teksten waar de mier in voorkomt, waarvan een fragment van Cleomedes wel het belangrijkste is. Over hem is weinig bekend, maar hij citeert veel Posidonius, die leefde van ± 135–51 v.Chr en ook bekend was als vervaardiger van een mechanisch planetarium. Ook ongeveer uit die tijd stamt het Antikythera mechanisme,2 een astronomische rekenmachine, die onder andere(!) de stand van zon, maan, vaste sterren en planeten kon berekenen. In Cleomedes’ Caelestia (Over de circulaire bewegingen van hemellichamen) staat het volgende:

  • Daar de hemelen in een cirkel ronddraaien boven de lucht en de aarde en deze beweging teweeg brengen die voorziet in het behoud en de voortdurende stabiliteit van de hele kosmos, dragen zij noodzakelijkerwijs ook alle hemellichamen mee die zij bevatten. Van deze hebben sommige als beweging de eenvoudigste soort, omdat zij worden rondgedraaid door de hemelen en daarin altijd dezelfde plaats innemen. Maar andere bewegen zowel met de beweging die noodzakelijkerwijs met de hemelen meegaat (ze worden meegedragen omdat ze er door omvat worden) als met nog een andere beweging die gebaseerd is op een keuze, waardoor zij op verschillende tijdstippen verschillende plaatsen in de hemelen innemen. Die tweede beweging van hen is langzamer dan de beweging van de kosmos, en ze schijnen ook in de andere richting te gaan dan de hemelen, omdat zij bewegen van west naar oost. 
    De eerste [groep hemellichamen] wordt ‘vast,’ genoemd, maar de tweede ‘planeten,’ omdat zij op verschillende tijden in verschillende delen van de hemelen zichtbaar worden. De vaste lichamen zouden vergeleken kunnen worden met opvarenden die door een schip vervoerd worden, maar op hun toegewezen plaats blijven in relatie tot de totale ruimte. De planeten daarentegen zijn als opvarenden die bewegen in een richting tegengesteld aan die van het schip (naar het achterdek vanuit posities op het voordek) in een relatief langzamere beweging. Ze zijn ook met mieren te vergelijken, die uit eigen keus op een pottenbakkerswiel krabbelen in een beweging tegengesteld aan die van het wiel.

Molensteen of pottenbakkerswiel? Ze komen beide voor. In de oude Griekse filosofie wordt de kosmos soms met een draaiende molensteen vergeleken (Anaximenes) en soms met een draaiend wiel, τροχός, dat ook een pottenbakkerswiel kan zijn (Anaximander). Dit wordt ook vermeld bij Theodoretus van Cyrrhus (± 393–458).4

Intussen had ik bij mijn zoektocht ook gebruik gemaakt van Google, en daar verscheen een tekst uit het oude China die verwantschap vertoonde en zelfs de mier bevatte. Hij is geschreven door Luo Xia Hóng (ca. 130–70 v.Chr.) :

  • Zowel de zon als de maan bewegen naar rechts en tegelijkertijd moeten zij de hemel volgen die naar links draait. Hoewel zowel de zon als de maan in werkelijkheid oostwaarts bewegen worden zij [door de rotatie van de hemel] meegesleept, zodat het lijkt alsof zij in het Westen ondergaan. Dit is analoog met een mier die krabbelt op een molensteen: terwijl de molensteen naar links roteert, probeert de mier naar rechts te bewegen. Maar de draaiing van de molensteen is veel sneller dan de beweging van de mier. We zien dan dat de mier gedwongen wordt de beweging van de molensteen te volgen en ogenschijnlijk naar links beweegt.5

Al gaat de Chinese tekst niet over de planeten, de overeenkomst met de Griekse tekst is veel te groot om toevallig te kunnen zijn. Het wiel en de fluit zijn misschien op meerdere plaatsen in de oude wereld uitgevonden, maar van zo’n specifieke tekst is dat niet denkbaar; die moet overgeleverd zijn. Er moest dus meer dan alleen handelscontact geweest zijn tussen de Grieks-Romeinse wereld en het oude China. Ook hierover wist Dr. Hagel een en ander te vertellen, maar Patrick Huang uit Londen schoot hier eveneens te hulp. Zij wezen op de intellectuele uitwisseling tussen het hof van de Chinese keizer Hàn Wǔdì (156–87 v.Chr.) en het hellenistische Grieks-Bactrische Rijk in de tijd van de bovengenoemde astronoom Luo Xia Hóng. In diezelfde tijd kwam ook het verkeer over de Zijderoute goed op gang, na verkennende reizen en twee militaire expedities vanaf de Chinese kant, en er werd niet alleen zijde vervoerd. Tenminste naar Perzië en Indië werd ook Chinese wetenschap geëxporteerd, dat was al bekend.

Natuurlijk waren er niet alleen de drie aangehaalde teksten; er moeten allerlei bewerkingen en tussenversies hebben bestaan. Maar die tegengestelde bewegingen, één gedwongen en één vrijwillig, én het kleine detail over die mier, komen steeds weer terug.

Wie was het eerst met die mier? Krabbelde het beestje van West naar Oost of juist omgekeerd? Dat is nog niet duidelijk.

NOTEN
1. Djibril ibn Nūḥ, Al-Iʿtibār: فكِّر في النجوم واختلاف سيرها. ففرقة منها لا تريم مراكزها من الفلك ولا تسير الاّ مجتمعة، وفرقة مطلقة تتنقل في البروج وتفترق في مسيرها. فكل واحد منها يسير مسيرين مختلفين: أحدهما عام مع الفلك نحو المغرب والآخر خاص لنفسه نحو المشرق. وقد شبه الأولون هذه المطلقة بنملة تدب على رحى. فالرحى تدور ذات اليمين والنملة تدور ذات اليسار، فان النملة على تلك الحال تتحرّك حركتين مختلفتين: احداهما بنفسها متوجّهة أمامها والأخرى مستكرهة مع الرحى تجذبها الى خلفها.
2. Dank aan Hans Rottier, die mij op dit mechanisme heeft geattendeerd.
3. Zowel Hagel als de Cleomedesvertalers Bowen en Todd verwijzen nog naar andere Griekse teksten waar die mier in voorkomt.
Mijn bovenstaande vertaling is niet uit het moeilijke Grieks, maar uit de Engelse vertaling van Bowen en Todd, die hier volgt:
II, 1: As the heavens revolve in a circle above the air and the Earth, and effect this motion as providential for the preservation and continuing stability of the whole cosmos, they also necessarily carry round all the heavenly bodies that they encompass. Of these, then, some have as their motion the simplest kind, since they are revolved by the heavens, and always occupy the same places in the heavens. But others move both with the motion that necessarily accompanies the heavens (they are carried round by them because they are encompassed), and with still another motion based on choice through which they occupy different parts of the heavens at different times. This second motion of theirs is slower than the motion of the cosmos, and they also seem to go in the opposite direction to the heavens, since they move from west to east. 
12: The first [set of bodies] is called “fixed,” but the second “planets,” since these appear at different times in different parts of the heavens. The fixed bodies might be likened to passengers who are borne along by a ship, yet remain in their assigned places in relation to the overall space. The planets, by contrast, are like passengers who move in an opposite direction to the ship (toward the stern from positions at the prow) with a relatively slower motion. They could also be likened to ants creeping on the basis of choice on a potter’s wheel in a motion opposite to [that of ] the wheel. 
Het originele Grieks voor de liefhebbers: Cleomedes, Caelestia 28.18-30.15/ii, 1-20: Ὁ τοίνυν οὐρανός, κύκλῳ εἰλούμενος ὑπὲρ τὸν ἀέρα καὶ τὴν γῆν καὶ ταύτην τὴν κίνησιν προνοητικὴν οὖσαν ἐπὶ σωτηρίᾳ καὶ διαμονῇ τῶν ὅλων ποιούμενος, ἀναγκαίως καὶ πάντα τὰ ἐμπεριεχόμενα αὐτῷ τῶν ἄστρων περιάγει. τούτων τοίνυν τὰ μὲν ἁπλουστάτην ἔχει τὴν κίνησιν, ὑπὸ τοῦ κόσμου στρεφόμενα καὶ διὰ παντὸς τοὺς αὐτοὺς τόπους τοῦ οὐρανοῦ κατέχοντα· τὰ δὲ κινεῖται μὲν καὶ τὴν σὺν τῷ κόσμῳ κίνησιν ἀναγκαίως, περιαγόμενά γε ὑπ᾿ αὐτοῦ διὰ τὴν ἐμπεριοχήν, κινεῖται δὲ καὶ ἑτέραν προαιρετικήν, καθ᾿ ἣν [καὶ] ἄλλοτε ἄλλα μέρη τοῦ οὐρανοῦ καταλαμβάνει. αὕτη δὲ ἡ κίνησις αὐτῶν σχολαιοτέρα ἐστὶ τῆς τοῦ κόσμου κινήσεως· δοκεῖ δὲ καὶ τὴν ἐναντίαν κινεῖσθαι τῷ οὐρανῷ, ὡς ἀπὸ τῆς δύσεως ἐπὶ τὴν ἀνατολὴν φερόμενα. τὰ μὲν οὖν πρῶτα αὐτῶν καλεῖται ἀπλανῆ, ταῦτα δὲ πλανώμενα, ἐπειδὴ ἄλλοτε ἐν ἄλλοις μέρεσι τοῦ κόσμου φαντάζεται. τὰ μὲν οὖν ἀπλανῆ ἀπεικάσειεν ἄν τις ἐπιβάταις ἐπὶ νεὼς φερομένοις, ἐν τόποις οἰκείοις κατὰ χώραν μένουσι, τὰ δὲ πλανώμενα τὴν ἐναντίαν τῇ νηῒ φερομένοις ἀνθρώποις ὡς ἐπὶ τὴν πρύμναν ἀπὸ τῶν κατὰ τὴν πρώραν τόπων, ταύτης τῆς κινήσεως σχολαιοτέρας γινομένης. εἰκασθείη δ᾿ ἂν καὶ μύρμηξιν ἐπὶ κεραμεικοῦ τροχοῦ τὴν ἐναντίαν τῷ τροχῷ προαιρετικῶς ἕρπουσιν.
4. Diels/Kranz, Fragmente i, 93: καὶ οἱ μὲν μυλοειδῶς, οἱ δὲ τροχοῦ δίκην περιδινεισθαι, sc. τὸν κόσμον. Theodoretus, Graec. aff. cur. iv, 16 (Scholten)@
5. Ho Peng Yoke, Li, Qi and Shu, 127: ‘Both the sun and the moon move towards the right, and at the same time they have to follow the heavens, which rotate towards the left. Hence, although in reality both the sun and the moon are moving eastwards, they are being dragged along by (the rotation of the heavens) so that they appear to set in the west. This is analogous to an ant crawling on a mill-stone, such that while the millstone is rotating towards the left (clockwise), the ant is attempting to move to the right (anti-clockwise). But the rotation of the mill-stone is much faster than the motion of the ant. It can be seen that the ant is compelled to follow the motion of the mill-stone, and that apparently it is moving towards the left (clockwise).’
Mijn bovenstaande vertaling is vanuit dit Engels. Patrick Huang uit Londen stuurde mij de originele Chinese tekst. Ik kan hem zelf niet lezen, maar een van mijn lezers misschien wel:

又《周髀》家云:「天圓如張蓋,地方如棋局。#天旁轉如推磨而左行,日月右行,隨天左轉,故日月實東行,而天牽之以西沒。譬之於蟻行磨石之上,磨左旋而蟻右去,磨疾而蟻遲,故不得不隨磨以左迴焉#。天形南高而北下,日出高,故見;日入下,故不見。天之居如倚蓋,故極在人北,是其證也。極在天之中,而今在人北,所以知天之形如倚蓋也。日朝出陽中,暮入陰中,陰氣暗冥,故沒不見也。夏時陽氣多,陰氣少,陽氣光明,與日同輝,故日出即見,無蔽之者,故夏日長也。冬天陰氣多,陽氣少,陰氣暗冥,掩日之光,雖出猶隱不見,故冬日短也。」

BIBLIOGRAFIE
– Cleomedes, Caelestia (Μετέωρα), de Teubner editie 1990 van het Grieks heb ik momenteel niet ter beschikking.
Cleomedes’ Lectures on Astronomy. A Translation of The heavens. With an Introduction and Commentary by Alan C,. Bowen and Robert B. Todd, Berkely/Los Angeles/London (University of California Press) 2004. Bevat ook een boeiende inleiding en zeer lezenswaardige voetnoten bij bovenstaand fragment.
– Djibril ibn Nūḥ al-Anbārī, Kitāb al-iʿtibār fī al-malakūt: ik werk aan een uitgave uit de handschriften.
– Hermann Diels en Walther Kranz (uitg., vert.), Fragmente der Vorsokratiker, Griechisch und Deutsch, 3 dln., Zürich/Hildesheim 1951–52 (reprint 1989-90).
– Ho Peng Yoke, Li, Qi and Shu. An Introduction to Science and Civilization in China, Mineola NY (Dover) 1985.

Leestraject: het teleologische godsbewijs bij Jibril ibn Nuh (Pseudo-Djahiz): De slurf. Het hijgend hert. De giraf. De mier op de zijderoute. De mierenleeuw. De draak en de wolken. De domheid van babies. De penis. De stem: van orgel naar doedelzak. Het nut van de bil. De Schepper voorkomt inflatie.

Terug naar Inhoud       Terug naar Inhoud (oud)   

Meer over de China-connectie: Mohammeds kat Made in China?

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

De draak en de wolken: een godsbewijs

In het hoofdstuk over de dieren in Kitāb al-i‘tibār fī al-malakūt wordt ook de draak (tinnīn) behandeld. Hier is niet het beest zelf godsbewijs, maar de wonderbaarlijke bescherming, die God de mensen ertegen biedt:

  • ‘Hebt ge gehoord wat er verteld wordt over de draak (tinnīn) en de wolken? Er wordt gezegd dat de wolken als het ware de opdracht krijgen om hem vast te grijpen zodra ze het vinden, net zoals een magneetsteen (ḥajar al-maghnāṭīs) ijzer vastgrijpt. Daarom steekt een draak zijn kop niet uit de diepte van de aarde, uit angst voor de wolken, en hij komt slechts af en toe naar buiten, als de lucht helder en zonder een wolkje is.
    Waarom werd de wolken opgedragen op de loer te liggen voor de draak en hem te grijpen wanneer ze hem vinden, als het niet was om de mensheid te beschermen voor de schade die hij aanricht?
    Als ge nu vraagt waarom de draak überhaupt werd geschapen, is ons antwoord: om angst aan te jagen en te intimideren, en als voorbeeldige straf op het passende moment. Het is als een zweep die in een huis hangt om de bewoners bang te maken en af en toe van de muur wordt gehaald om te straffen en te vermanen.’1

De tinnīn is een groot beest uit het Midden Oosten; het kwam al in Ugaritische teksten voor. In de Hebreeuwse bijbel is תַּנִּין , תַּנִּינִים, tannīn, mv. tannīnīm, een kwaadaardig en bedreigend monster, groot en meestal voorkomend in het water, bij voorbeeld een veelkoppig zeemonster, dat soms Leviathan heet (bijv. Jesaja 27:1), maar het kan ook een slang zijn of zelfs een krokodil.2
In de Griekse bijbelvertaling der Septuaginta wordt het woord soms vertaald met κήτος, kètos, maar meestal met δράκων, drákōn, ‘draak’,
In het Syrisch heet hij ‫ܬܢܝܢܐ‬‎ tannīnā, mv. tannīnē, wat ‘draak’ betekent, maar ook ‘Draco’, d.w.z het sterrenbeeld van die naam. Ook in de Syrische bijbel staat tannīnā, maar ik heb niet alle plaatsen nagetrokken.

Bij Aristoteles (Historia Animalium viii) vond ik δράκων, drakōn, alleen als naam voor een bepaalde soort slangen, niet voor iets groters. De tweede-eeuwse dierenschrijver Aelianus kende wel de ‘grote’ draak. In Ethiopië worden ze wel 180 voet lang, in Phrygië 60 voet. Ze happen hele vogels uit de lucht en liggen ze op de loer voor om de schapen te onderscheppen die ’s avonds terugkeren van de wei. Onder hen richten ze een bloedbad aan; soms pakken ze de herder ook nog mee. Aardig om te lezen, maar niet relevant voor onze tekst. (Ael. NA ii, 11)

Volgens de negende-eeuwse Arabische dierenschrijver al-Djāḥiẓ is de tinnīn het grootste dier dat er bestaat.3 Men heeft er waargenomen in Syrië en Bahrein. Al-Djāḥiẓ vertelt dat er bij Anṭākiya (Antiochië) een uit zee was gekomen die een verwoestend spoor over de streek had getrokken en het bovenste derde van een minaret door een klap met zijn staart had vernield.4
Verder bericht al-Djāḥiẓ over een tamelijk heftig meningsverschil, dat opkwam over de vraag of de tinnīn wel echt bestond: sommigen ontkenden dat, anderen verzekerden dat ze er werkelijk een hadden gezien.5

De kosmograaf en encyclopedist al-Qazwīnī leefde in de de dertiende eeuw. Sinds al-Djāḥiẓ was er heel wat kennis over de draak bij gekomen. Hij schrijft: 

  • ‘De tinnīn is een dier van een geweldige omvang, vreeswekkend om te zien, lang en breed van lijf, met een grote kop, bliksemende ogen, een wijde bek en buik, met vele tanden, dat ontelbare andere dieren verslindt en waarvoor de waterdieren bang zijn vanwege zijn enorme kracht’… enz.6

Ook de in Anṭākiya aangerichte schade was in de loop de eeuwen heel wat groter geworden: volgens al-Qazwīnī zou het monster niet een derde deel van een minaret, maar tien torens van de stadsmuur hebben vernield! Deze auteur heeft nog meer sterke verhalen over de draak. Zo is er een lang verhaal over hoe die eerst een landdier was, maar de andere landdieren zich bij de Heer beklaagden omdat hij er zoveel van hen opvrat. Daarop zond God een engel die hem optilde en in zee smeet. Na een poosje hadden de zeedieren dezelfde reden tot klagen ‘en nu stuurt God andermaal een engel naar hem toe, om zijn kop uit de zee te trekken. Dan daalt er een wolkenmassa op hem neer, die hem wegsleept en naar Gog en Magog slingert.’7
Ook hier zijn het dus wolken waarmee het monster getemd wordt. En er is nog een ander fragment met wolken:

  • Er wordt gezegd dat de wolken die de opdracht krijgen om hem vast te grijpen zodra ze het zien, net zoals een magneetsteen ijzer vastgrijpt. Daarom steekt een draak zijn kop niet uit de diepte van de aarde, uit angst voor de wolken, maar hij komt in de zomer naar buiten, als de lucht helder en zonder een wolkje is.

Dit komt verregaand overeen met enkele zinnen uit bovenstaande tekst van Djibrīl! Filologen zijn altijd blij zoiets te ontdekken, omdat het inzicht geeft in hoe een tekst is overgeleverd en hoe de ideeën zijn gereisd. Het is denkbaar dat al-Qazwīnī uit Djibrīls tekst heeft overgeschreven, maar dat hoeft natuurlijk niet: er kan nog een tussenschakel zijn, of beide auteurs hebben een gemeenschappelijke bron gehad.8

Natuurlijk twijfelden ook zeelui niet aan het bestaan van de tinnīn; zij hadden er soms beangstigende ervaringen mee. In een tekst uit de negende of tiende eeuw heet het:

  • ‘Naar men zegt zijn er in de zee enorme, angstaanjagende slangen die tinnīn heten. Als in hartje winter de wolken over het zeeoppervlak scheren, komt de tinnīn omhoog uit het water, omdat hij last heeft van de warmte van de zee, want in de winter is het zeewater zo warm als een kookpot. De tinnīn wordt in de koude van de wolken gevangen en als de wind dan opsteekt boven het zeeoppervlak stijgen de wolken omhoog en nemen hem mee. De zich opstapelende wolken trekken van de ene kant van de horizon naar de andere, en als zij hun regen kwijt zijn geraakt worden zij lichte stofwolken die in de lucht zweven en uiteenvallen door de wind. De tinnīn heeft niets meer dat hem ondersteunt en valt neer in zee of op het land. Als God het kwade voorheeft met een volk laat hij er een terecht komen op hun land, waar hij hun kamelen, paarden, runderen en schapen verslindt en hen te gronde richt. De tinnīn blijft daar tot hij niets meer te vreten vindt en sterft, of tot God de mensen van hem verlost.
    Zeelui en reizigers, kooplui en kapiteins hebben mij verteld dat zij hem meermalen over hun hoofden hebben zien passeren: zwart en langgerekt in de wolken. Als de wolken neerdalen daalt hij af naar de onderste laag ervan en laat soms het eind van zijn staart in de lucht hangen. Maar als hij de koude van de lucht voelt verwijdert hij zich, verheft hij zich in de wolk en wordt onzichtbaar. Gezegend zij God, de beste der scheppers!’9

Trombe

NOTEN
1.

هل سمعت ما يتحدث به عن التنّين والسحاب؟ فانّه يقال انّ السحاب كالموكل به يختطفه حيث ما ثڤفه كما يختطف حجر المغناطيس الحديد، حتّى صار لا يطلع رأسه من بطن الأرض خوفًا من السحاب، ولا يخرج في الفرط الاّ مرة اذا أصحت السماء فلم تكن فيها نكتة من غيم. فلِم وكِّل السحاب بالتنّين يرصده ويختطفه اذا وجده الاّ ليرفع عن الناس مضرته؟ فان قلت: ولم خُلق التنّين أصلاً؟ قلنا: للتخويف والترهيب والنكال في موضع ذلك. فهو كالسوط المعلَّق يخوّف به أهل البيت وينزل أحيانًا للتأديب والموعظة.

2. Michaela Bauks, Art. ‘Tannin’ van 2019 in Das Wissenschaftliche Bibellexikon im Internet (WiBiLex).
3. al-Djāḥiẓ, Ḥayawān vii: 105.
4. al-Djāḥiẓ, Ḥayawān iv: 154.

ومِمَّا عظَّمها وزادَ في فَزَع النَّاس منها الذي يرويه أهل الشام وأهْل اْلبَحْرَيْن وأهل أنطاكِيََة وذلك أنِّي رأيتُ الثلث الأعلى من منارة مسجد أنطاكِية أظهرَ جدًَّة من الثلثين الأسفلين فقلت لهم: ما بال هذا الثلثِ الأعلى أجدَّ وأطْرى؟ قالوا: لأنّ تِنِّينًا تَرَفّعَ مِنْ بَحْرنا هذا، فكان لا يمرُّ بشيءٍ إلاّ أهلكه. فمرَّ على المدينة في الهواء محاذيًا لرأس هذه المنارة وكان أعلى ممَّا هي عليه فضربه بذنبهِ ضَرْبًَة حَذفت من الجميع أكثرَ من هذا المقدار فأعادوه بعد ذلك ولذلك اختلفَ في المنْظر.

5. Al-Djāḥiẓ, Ḥayawān iv: 155:

الخلاف في التنين ولم يزل أهل البقاع يتدافعون أمْرَ التِّنِّين ومن العجب أنّكَ تكون في مجلس وفيه عِشروُن رَجُلا فيجري ذكرُ التِّنِّين فينكرهُ بعضهم وأصحاب التثبت يدَّعون العِيان والموضع قريب ومَنْ يعاينهُ كثير وهذا اختلافٌ شديد.

6. Al-Qazwīnī, ‘Adjā’ib 132:

تنين حيوان عظيم الخلقة هائل المنظر طويل الجثة عريضها كبير الرأس براق العينين واسع الفم والجوف كثير الأسنان يبلع من الحيوانات عددا لا يحصى تخافه حيوانات الماء لشدة قوّته … الخ.

7. Al-Qazwīnī, ‘Adjā’ib 132. Gog und Magog woonden ergens in de Kaukasus.

فيبعث الله اليها ملَكا ليخرج رأسها من البحر فيتدلى لها سحاب لها سحاب فيحتملها ويلقيها الى ياجوج وماجوج.

8. Al-Qazwīnī, ‘Adjā’ib 133. In de laatste zin is de tekst duidelijk corrupt (قيظ gelezen i.p.v. فرط)

ويقال انّ السحاب الموكل به يختطفه حيث ما رآه كما يختطف حجر المغناطيس الحديد، فهو لا يطلع رأسه من الماء خوفًا من السحاب، ولا يخرج في القيظ اذا أصحت السماء..

9. Al-Rāmhurmuzī, ‘Adjā’ib al-Hind, 41-42:

وحدثت أن في البحر حيات يقال له التنين عظيمة هايلة إذا مرت السحاب في كبد الشتاء على وجه الماء خرج هذا التنين من الماء ودخل فيه لِما يجد في البحر من حرارة الماء لان ماء البحر في الشتاء يسخن كالمرجل فيُسجَن هذا التنين ببرودة السحاب فيها وتهبّ الرياح على وجه الماء فترفع السحاب عن الماء ويستقلّ التنين في السحاب وتتراكم وتسير من أفق الى أفق فإذا استفرغت مما فيها من الماء خفّت وصارت كالهباء وتفرّقت وقطعتها الرياح فلا يجد التنين ما يتحامل عليه فيسقط إما في بحر وإما في البر فاذا أراد الله تعالى بقوم شرا أسقطه في أرضها فيبتلع جمالهم وخيلهم وأبقارهم ومواشيهم ويهلكهم ويبقى حتى لا يجد شيئا يأكله فيموت أو يهلكه الله سبحانه عنهم.

BIBLIOGRAFiE
– Al-Djāḥiẓ, Kitāb al-Ḥayawān, uitg. en commt. ʿAbd al-Salām Muḥammad Hārūn, 7 vols., Cairo 1938–47.
– Al-Qazwīnī, ‘Adjā’ib: Zakarija Ben Muhammed Ben Mahmud el-Cazwini’s Kosmographie, uitg. Ferdinand Wüstenfeld. Die Wunder der Schöpfung – aus den Handschriften der Bibliotheken zu Berlin, Gotha, Dresden und Hamburg, Göttingen, 1849.
– Bozorg ibn Shahriyār al-Rāmhurmuzī, ‘Adjā’ib al-Hind, uitg. P. A. van der Lith, Leiden 1883–86 (met Franse vertaling).

Leestraject: het teleologische godsbewijs bij Jibril ibn Nuh (Pseudo-Djahiz): De slurf. Het hijgend hert. De giraf. De mier op de zijderoute. De mierenleeuw. De draak en de wolken. De domheid van babies. De penis. De stem: van orgel naar doedelzak. Het nut van de bil. De Schepper voorkomt inflatie.

Terug naar Inhoud       Terug naar Inhoud (oud)

De giraf als godsbewijs

Weer een fragment uit het Arabische, overwegend christelijke werkje Kitāb al-iʿtibār fī al-malakūt van Djibrīl ibn Nūḥ, een collectie van ongeveer honderd teleologische godsbewijzen (arguments from design), uit het midden van negende eeuw. Zie over dat boekje hier.

““Denk eens aan hoe de giraffe (zarāfa) geschapen is, en hoe zijn lichaamsdelen onderling verschillen en lijken op die van andere soorten. Zijn kop is het hoofd van een paard, zijn nek is die van een kameel, zijn hoeven zijn die van een koe en zijn huid is die van een luipaard. De mensen hebben zelfs beweerd dat ze voortkomen uit meerdere mannetjes van verschillende soorten. Dat komt dan, zoals ze zeggen, omdat bepaalde soorten wilde dieren, wanneer ze naar een drinkplaats gaan, copuleren met vrij weidend vee, wat resulteert in een individueel dier als dit, dat als het ware een mengeling is van verschillende soorten. Maar dat is een verkeerde conclusie, want niet elke soort kan elke [andere] soort bevruchten. Een paard kan geen kameel bezwangeren en een kameel geen koe. Het gebeurt echter wel bij sommige dieren die op elkaar lijken en op dezelfde manier gevormd zijn. Een paard doet het met een ezel, en het resultaat is een muilezel, een wolf doet het met een hyena en het resultaat is een lycaon (sim‘), maar het resultaat van zulke verbintenissen is niet dat er, zoals bij de giraffe, een lichaamsdeel van een paard en een lichaamsdeel van een kameel zou zijn. Nee, het is er ergens tussenin, een mengsel van beide, zoals je kunt zien aan een muilezel, want daar zie je dat zijn kop, oren, kroep, staart en hoeven tussendingen zijn tussen de lichaamsdelen van een paard en een ezel. Zelfs het geluid van een muildier is als een mengeling van het gehinnik van een paard en het gebalk van een ezel. Dit bewijst dat de giraf niet het resultaat is van bevruchting door verschillende soorten, zoals sommigen beweren. Nee, het is een van Gods wonderbaarlijke creaturen, om te wijzen op Zijn almacht, voor welke niets onmogelijk is, en om te verkonden dat Hij de Schepper is van alle dieren en combineert en scheidt wat Hij wil en in welke soort Hij wil.
Wat betreft de lengte van de nek van een giraf en het gebruik ervan, dat is omdat hij volgens deskundigen opgroeit en graast in bosjes van hoog oprijzende bomen, zodat hij een lange nek nodig heeft om de toppen van die bomen te bereiken en de vruchten ervan te eten.””1
.
Onze auteur verzet zich tegen de gedachte dat één vrouwtjesdier door mannetjes van verschillende soorten gedekt zou kunnen worden, zodat deze alle een bepaalde lichamelijke eigenschap in het nieuwe dier zouden achterlaten. De giraf is ook geen kruising; nee, de Schepper heeft de giraf uit één stuk geschapen, prachtig en met een heel praktische lange nek.
.
De beroemde Arabische prozaschrijver al-Djāḥiẓ (776–868), die o.a. een groot dierenboek op zijn naam heeft staan, vond die meervoudige inseminatie ook flauwekul: ‘Sommige mensen zeggen dat de giraf een schepsel is dat is samengesteld uit de wilde kameel, een wilde koe en de dhīkh, d.w.z. het mannetje van een hyena. Dat zeggen ze omdat het woord voor giraf in het Perzisch اشتر گاو پلنگ , ushtur gāw palang is, “kameel-koe-luipaard”
. […] Ze hebben een hoop onzin verteld om de naam giraffe te verklaren […] en er zijn zelfs mensen die het voor compleet onmogelijk houden dat een vrouwtjesgiraf ooit door een mannetje gedekt wordt! […] Als ze enig bewijs konden aandragen voor die onzin en een beetje beter zouden opletten, zouden de boeken van een hoop fouten verschoond blijven.’2

Maar ook in het Grieks is de naam van het dier samengesteld. Daar heet hij namelijk καμηλοπάρδαλις, camelopardalis, ‘kameel-luipaard’. Hoe de oude Grieken dat verklaarden moet ik nog uitzoeken als de bibliotheken weer opengaan. Aristoteles kende de giraf nog niet; kennelijk is het dier pas laat uit Afrika in de Grieks-Romeinse wereld geïmporteerd.

NOTEN
1. Mijn eigen tekstuitgave op grond van drie handschriften. Over het fijne daarvan zal ik later elders berichten.

فكر في خلق الزرافة واختلاف أعضائها وشبهها بأعضاء أصناف من الحيوان. فرأسها رأس فرس وعنقها عنق جمل وأظلافها أظلاف بقر وجلدها جلد نمر، حتّى أنّ ناسًا زعموا أنّ نتاجها من فحول شتّى. وسبب ذلك فيما ذكروا أنّ أصنافًا من حيوان البرّ اذا وردت الماء تنزو على بعض السائمة فتنتج مثل هذا الشخص الذي هو كالملتقط من أصناف شتّى. وهذا مما لا يصحّ في القياس لأنه ليس كل صنف من الحيوان يلقح كل صنف. فلا الفرس يلقح الجمل ولا الجمل يلقح البقرة وانّما يكون هذا من بعض الحيوان فيما يشاكله ويقرب من خلقه كما يلقح الفرس الحمار فيخرج من بينهما البغل، ويلقح الذئب الضبع فيخرج من بينهما السِمْع، على أنّه ليس يكون الذي يخرج من بينهما عضوا من كل واحد منهما كما يكون في الزرافة عضو من الفرس وعضو من الجمل. بل يكون كالمتوسط بينهما الممتزج منهما كالذي تراه في البغل، فانّك ترى رأسه وأذنيه وكفله وذنبه وحوافره وسطًا بين هذه الأعضاء من الفرس والحمار حتّى أن شحيجه أيضًا كالممتزج من صهيل الفرس ونهيق الحمار. فهذا دليل على أنّه ليست الزرافة من لقاح أصناف شتّى من الحيوان كما زعم زاعمون، بل هي خلق عجيب من خلق الله للدلالة على قدرته التي لا يعجزها شيء، وليعلم أنه خالق أصناف الحيوان كلّها فيجمع ما شاء منها في أيّها شاء ويفرق بين ما شاء منها في أيّها شاء. فأمّا طول عنقها والمنفعة لها في ذلك فلأنّ منشأها ومرعاها كما يذكر أهل الخبرة بها في غياطل ذوات اشجار سامقة ذاهبة طولاً فهي تحتاج الى طول العنق لتتناول أطراف تلك الأشجار فتقمّ من ثمارها.

2. Al-Djāḥiẓ, Kitāb al-Ḥayawān, uitg. en commt. ‘Abd al-Salām Muḥammad Hārūn, 7 dln., Cairo 1938–47; i, 142–44.

زعم في الزرافة زعموا أنَّ الزرافة خلقٌ مركب من بين الناقة الوحشية وبين البقرة الوحشية وبين الذِّيخ وهو ذكر الضباع وذلك أنّهم لَّما رأََوا أنَّ اسمها بالفارسية أشتر كاو بلنك […]
فمنهم من حجر البتََّة أن تكون الزرافة الأنثى تلقَح من الزرافة الذكر […]
ولو أُعطُوا مع هذا الاستهتار نصيبًا من التثبُّتِ وحظًّا من التوقي لسَلِمت الكتبُ من كثير من الفساد.

Leestraject: het teleologische godsbewijs bij Jibril ibn Nuh (Pseudo-Djahiz): De slurf. Het hijgend hert. De giraf. De mier op de zijderoute. De mierenleeuw. De draak en de wolken. De domheid van babies. De penis. De stem: van orgel naar doedelzak. Het nut van de bil. De Schepper voorkomt inflatie.

Terug naar Inhoud       Terug naar Inhoud (oud)