Christenwappies in de Oudheid

Het christendom is een absurd geloof. De kerkvader Tertullianus (± 150–220) schreef het al: ‘De zoon van God is gestorven; het is geloofwaardig omdat het onzin is,’ en: ‘Het is zeker, omdat het onmogelijk is.’1 Maar andere geloven zijn niet minder absurd, en zeker niet de nieuwe geloven die na het wegebben van het christendom rondspoken. Daar is niets op tegen; kennelijk zijn sterke verhalen voor vele mensen een eerste levensbehoefte. Wel is het wenselijk dat de onzin gescheiden wordt gehouden van de redelijkheid. Gelovigen van allerlei couleur zijn op vele gebieden zeer wel in staat tot redelijkheid, ja zelfs tot wetenschappelijk onderzoek. Het komt aan op een goede partitioning van de harde schijf in de hersenpan. De dubbele waarheid is een ideaal middel om te overleven.

Door mijn werk als arabist kreeg ik te maken met twee christelijke auteurs uit de Oudheid wier onredelijkheid zo allesoverheersend was dat het mij ergerde.

Physiologus

De Physiologus is de anonieme auteur van een boek over dieren uit de tweede eeuw, dat onder christenen eeuwenlang een beschamend grote verbreiding heeft gehad, in vele talen. Hij neemt een of twee meestal volstrekt fictieve of fantastische details uit de beschrijving van de ‘natuur’ (physis) van een dier en komt dan met een vergelijking met Christus, christenen of de kerk op de proppen, veelal gelardeerd met bijbelverzen. Zijn teksten sluit hij dikwijls af met de woorden: ‘Mooi heeft de Physiologus gesproken over …’ — en dat maakt me echt kwaad. Een dieptepunt is wel wat hij over het wezeltje zegt:

  • De Wet zegt: Eet geen wezeltje of een dergelijk dier.2 De Physiologus zegt over het wezeltje, dat het zo een natuur heeft: de bek van het wijfje ontvangt van het mannetje,3 en als het drachtig is geworden baart het door de oren; kwalijk baren zij aldus door de oren.
    Er zijn mensen die in de kerk knabbelen aan het geestelijke brood, maar als zij er weer uit komen werpen zij het Woord uit hun oren en lijken op het onreine wezeltje. En zij worden als een dove slang, die zijn oren verstopt.
    Eet dus geen wezeltje of een dergelijk dier.4

Aristoteles, de grote geleerde uit de Oudheid (384-322 v.Chr.), wist niet alles en schreef ook wel eens onzin,5 maar over het geheel genomen is zijn kennis van het dierenrijk voor die tijd indrukwekkend groot en zijn behandeling ervan is systematisch. Diens werk is echter aan de Physiologus geheel voorbij gegaan; dat zal een vrome ziel zonder veel opleiding zijn geweest. Een kwezeltje, een ezeltje. Eerder heb ik al eens laten zien wat hij te zeggen heeft over het hert en de mierenleeuw. Dat is al even zot.

Kosmas Indikopleustes

Een andere irriterende oude christen is de zesde-eeuwse flat earther Kosmas Indikopleustes, ‘de Indiëvaarder’. Een koopman uit Alexandrië die zeeën bevaren heeft: de Rode Zee, de Perzische Golf en mogelijk ook de Indische Oceaan. Zijn boek Christelijke Topografie bevat zeker interessante stof: rijke hoofdstukken over de flora en fauna van India, over de handelsgoederen, over Ceylon en over het christendom in India en zelfs op het godverlaten Jemenitische eiland Socotra, waar volgens hem Grieks gesproken werd en dat toentertijd een handelshaven was (Schneider 88). Het boek had illustraties met onderschriften; helaas zijn in het proces van overlevering veel afbeeldingen verloren gegaan of door het copiëren verbasterd geraakt en zijn de bladen helemaal door de war geraakt.
Waar lees je anders over al die dingen, in een bron uit de zesde eeuw? Maar helaas, het staat niet vast dat Kosmas ooit zelf in Indië geweest is en er zijn aanwijzingen dat hij dat mooie materiaal van anderen heeft gepikt.
In elk geval contrasteren die teksten nogal met de modderige hoofdstukken, die zeker van zijn eigen hand zijn. Die had ik opengeslagen om eens te zien wat hij over het oude Arabië en de Rode Zee te vertellen had. Maar zijn reisindrukken zijn zeer beperkt en maar matig interessant. Bij Clysma, dat is bij het huidige Suez, heeft hij de wielafdrukken van de strijdwagens van Farao gezien, die de Israëlieten vervolgden door de Rode Zee (Schneider 108). Hij is naar de berg Sinai geweest, waar hij op de halteplaatsen van het volk Israël Hebreeuwse rotsinscripties gezien heeft, die door ‘enige Joden’ voor hem werden vertaald (117). (Hij zal de daar aanwezige Nabatese inscripties hebben gezien, en handige toeristengidsen hebben hem op de mouw gespeld wat hij wilde horen.) In Axum en Adulis, in het toenmalige Ethiopië, is hij als handelaar geweest. Hij heeft daar uit de verte levende rhinocerossen gezien, en in het paleis van de koning een opgezet exemplaar, dat hij ook getekend heeft. Giraffen waren er ook; de koning daar probeerde girafjes van kleins af aan te temmen. Als zij een schaal melk kregen moesten zij hun voorpoten wijd uit elkaar zetten, anders konden ze er niet bij (242–3). Een eenhoorn heeft Kosmas niet gezien, maar wel vier bronzen stèles ervan (243). Nijlpaarden heeft hij ook niet gezien, maar hij handelde wel in nijlpaardentanden (244). Wierook komt diep uit Ethiopië, en wordt verhandeld in Barbaria (het tegenwoordige Berbera in Somaliland), evenals kaneel, geurstoffen en nog meer (60). Het belangrijkste wat hij over Ethiopië te melden heeft, is dat hij in opdracht van koning Ella Asbeha in de haven Adulis een inscriptie van een monument heeft gecopieerd, dat daar was neergezet door koning Ptolemaeus III Euergetes (246–221 v.Chr.) Dat deed Kosmas ‘aan het begin van de regering van Justinus,’ die regeerde van 518–527. Voor zich zelf en voor zijn lezers heeft Kosmas ook een afschrift gemaakt, en dat is natuurlijk waardevol (61–63). Er was nog een tweede, tweetalige, inscriptie op dit Monumentum Adulitanum. Die was echter niet van Ptolemaeus, zoals hij beweert, maar van een Ethiopische koning; de inscriptie is belangrijk voor de geschiedenis van Ethiopië (63–64). Verder zijn het telkens maar snippers die Kosmas over Oost-Afrika mee te delen heeft. Weliswaar zijn voor de oudheidkunde ook snippers van belang, maar de totale oogst is toch wat mager.

Mijn teleurstelling omdat hij niets over Arabië vertelt kan ik de auteur niet aanrekenen. Hij is domweg langs de Afrikaanse kust naar het Zuiden gevaren; wel zo handig waarschijnlijk. Wel vind ik het ergerlijk dat hij, in plaats van veel meer informatie te bieden, het grootste deel van zijn boek vult met ‘bewijzen’ dat de aarde plat is en de vorm van een rechthoek heeft, terwijl de hemel er als een soort tent boven gespannen is. De kosmos als geheel zou ontworpen zijn naar analogie met de tabernakel van het oude Israël, of was het juist omgekeerd? Zijn argumenten bestaan vooral in talloze bijbelverzen. Grrr! ik heb geen zin om al die onzin door te lezen; dat moeten theologen en kosmologen maar doen — ik wens ze veel sterkte. En dat terwijl in zijn tijd al duizend jaar bekend was dat de aarde een bol is! Alle kennis, alle bewijsvoeringen van de grote Griekse denkers uit de Oudheid worden door Kosmas genegeerd, bestreden of voor nietig verklaard. Hij was overigens wel een grote uitzondering: een echte mafkees, die in eigen kring veel kritiek over zich heen kreeg. Er werd onder christenen vrijwel nooit getwijfeld aan de bolvormigheid van de aarde.
Wat een contrast met het werk van die andere koopman uit Alexandrië, de anonieme auteur van Omvaring van de Rode Zee (Periplus Erythraei Maris), die in de eerste eeuw leefde en gewoon nog heiden was. Glasheldere hoofdstukken, barstensvol informatie over de zeeroutes naar Indië en Oost-Afrika, de havens aldaar en wat iedere haven te bieden had.

Kosmas’ rechthoekige wereld, uit een negende-eeuws handschrift in het Vaticaan. De blauwe cirkel rechts onder is de Perzische Golf, waarin Eufraat en Tigris uitmonden. De blauwe cirkel rechts boven is de Kaspische Zee. De Rode Zee, de Nijl, Klein Azië, de Balkan en de Straat van Gibraltar herkent u zelf wel. Dat Italië, Spanje en de Zwarte Zee hier zo slecht uit de verf komen is Kosmas misschien niet aan te rekenen; deze kopie dateert immers van drie eeuwen na hem.
—————————–

Onder de christenen in de Oudheid waren er natuurlijk ook veel die wél wat te melden hadden en goed konden schrijven. Augustinus (354–430) bij voorbeeld, en Basilius (± 330–379). Laatstgenoemde biedt in zijn Preken over de zes scheppingsdagen veel wetenswaardigs aan, ook over dieren, waarbij hij steunt op oudere wetenschap. Maar welbeschouwd is ook hij besmet met het virus van de anti-wetenschappelijkheid, en van hem heeft Kosmas misschien het volgende ‘anti-Griekse’ betoogje overgenomen:

  • De wijze mannen der Grieken hebben vele werken over de natuur geschreven, maar geen ervan bleef onveranderd en stevig verankerd, want het latere heeft het vorige altijd omvergeworpen. Dientengevolge behoeven wij hun woorden niet te weerleggen; zij voorzien wederzijds in hun weerlegging.6

Dat wetenschap iets anders is dan allemaal altijd hetzelfde zeggen; dat (trachten te) weerleggen er een wezenlijk onderdeel van is; dat er een ontwikkeling in kennis is waardoor vroegere inzichten achterhaald raken, dat kwam niet bij hem op. Zijn soort betoog komt ook bij andere christenen voor. Theodoretus, de bisschop van Cyrrhus (± 393–460) schreef een heel boek vol over de ‘ziekten der Grieken’, waarmee hij de verkeerde, want niet christelijke gedachtengangen van de oude Grieken bedoelde. Die anti-wetenschappelijke houding, daar heb ik het land aan, ook bij hedendaagse wappies. Ik houd van steeds toenemende kennis en van voortschrijdend inzicht.

Gelukkig waren er in het Oost-Romeinse Rijk ook niet-religieuze wetenschappers, evenals in het ‘islamicate’7 Irak en Iran. Bij hen genoot de antieke wetenschap wél groot aanzien: het was de vanzelfsprekende basis voor hun eigen werk, waarop eeuwen later in West-Europa zou worden voortgebouwd.

NOTEN
1. Tertullianus, De Carne Christi v: Mortuus dei filius; credibile est, quia ineptum est. En een hoofdstukje later: Certum est, quia impossibile. Maar misschien meende hij het niet zo.
2. Het bijbelvers Leviticus 11:29 luidt in de Nieuwe Bijbelvertaling: ‘Van de kruipende dieren gelden voor jullie als onrein: blindmuizen, ratten en muizen, de verschillende soorten padden, gekko’s …’ enzovoort. Er is dus geen sprake van een wezel, maar dát kon de Physiologus niet weten. Hij was immers afhankelijk van de Griekse bijbelvertaling der Septuaginta en daar staat voor blindmuis γαλῆ, een kleine soort wezel, een fretje misschien? Voor zijn soort dierkunde maakt het echter weinig uit welk dier is bedoeld.
3. De Physiologus heeft wel een klok horen luiden. Volgens Aristoteles, De Generatione Animalium 756b15, 30 beweerde Anaxagoras dat bij raven, ibissen en wezels de paring oraal plaatsvindt. Aristoteles vond dat onzin; hij vermoedde dat het misverstand was ontstaan doordat wezels wel eens hun jongen in de bek nemen. Mijn naam is haas.
4. Physiologus (Schönberger) nr. 21.
5. Bij voorbeeld Aristoteles, Historia animalium 611b20: ‘Als herten door een giftige spin (φαλάγγιον) of iets dergelijks gebeten worden, gaan ze kreeften (καρκίνους) verzamelen en opvreten.’ Wel moeten we altijd de mogelijkheid open laten dat de overlevering gebrekkig is. Het zinnetje is ook terecht gekomen in Ibn Qutayba, ‘Uyûn al-akhbâr ii, 99 والأيل إذا نهشته الحية أكل السرطان.
6. Basilius, Homilia i , 7–8, vert 5.. In de Syrische vertaling van Homilia ix, uitgave Thomson, p. 156, trans. Thomson 124–5, wordt dit nog uitgewerkt: ‘I am not ashamed to accept the words of the scriptures as they were spoken, as the Apostle said: “I am not ashamed of the gospel” (Rom 1,16). Nor furthermore, because others who are of the race of the Greeks said many things and wrote about the description of the world and set down concerning the form of the earth as it pleased them, are we now led after them. Some of them said about the earth that it is like a sphere, and some affirmed it is a cylinder; and others said it is like a dish; and some again said that it is equal from all sides towards the middle like the form of a lathe; and some said it resembles a concave bowl; and others again said it is sunken in the middle. All these suppositions of the wise men of the Greeks were each unstable, because their arguments confuted each other. For each of them composed his own version in opposition to his fellow.’ Dit fragment heb ik (nog) niet in het Griekse origineel gevonden; heb de goede editie niet.
7. Wiktionary: Islamicate = Associated with regions in which Muslims are culturally dominant, but not specifically with the religion of Islam. Meer over deze term hier (Engels).

BIBLIOGRAFIE
– Basilius, Homiliae in Hexaemeron, uitg. Migne, Patrologia Graeca xxix, Parijs 1859; er zijn nieuwere uitgaven, maar niet online. Saint Basil Exegetic Homilies, trans. Agnes Clare Way, Washington 1963. De Syrische vertaling: Basil of Caesarea, The Syriac version of the Hexaemeron, uitg. en vert. Robert W. Thomson, 2 dln. Leuven 1995 (CSCO 550–1).
– Kosmas Indikopleustes: Κοσμᾶς Ἰνδικοπλεύστης, Χριστιανικὴ Τοπογραφία. Griekse tekst: Cosmas Indicopleustès, Topographie chrétienne, uitg. W. Wolska-Conus, 3 dln. Paris, 1968, 1970, 1973 (Sources Chrétiennes 141,159,197); Vert. Horst Schneider, Kosmas Indikopleustes. Christliche Topographie – Textkritische Analysen Übersetzung Kommentar, Turnhout 2010. Een Engelse vertaling door Roger Pearse staat online.
Periplus Maris Erythraei, Περίπλους τῆς Ἐρυθράς Θαλάσσης, uitg. Lionel Casson, Princeton 1989. De oudere vertaling van W.H. Schoff (1912) hier.
– Physiologus, Φυσιολόγος, uitg. F. Sbordone, Rome 1936. Vertaling: Physiologus, Griechisch/Deutsch, vert. en uitg. Otto Schönberger, Ditzingen 2001, 2018 (Reclams Universal Bibliothek 18124).
– Theodoretus: Θεοδώρητος, Ελληνικών Θεραπευτική Παθημάτων: Theodoret, De Graecarum affectionum curatione – Heilung der griechischen Krankheiten, uitg. en vert. Clemens Scholten, Leiden 2015 (Vigiliae Christianae, Supplements, 126).

Terug naar Inhoud

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

De mierenleeuw

In een Arabische tekst kwam ik het woord layth, tegen, een vrij normaal woord voor ‘leeuw”. Maar dat paste niet in de context, het ging eerder om zoiets als een spin. In het Syrisch, dat stond erbij, heette het aryā dedēbābē, de ‘vliegenleeuw’. En inderdaad, dat moest het zijn. Wij kennen het echter als mierenleeuw.
In de Oudheid bestonden er vrij wat samengestelde dieren. Van de meeste horen we niet meer, maar de mierenleeuw is nog niet uitgestorven. Hij leeft voort als netvleugelig, nachtactief insect: Myrmeleon formicarius, uit de familie der mierenleeuwachtigen (Myrmeleontidae).
Als gevleugeld insect is het één onder velen. Uitzonderlijk is echter de larve van dit dier. Om prooidieren te bemachtigen graaft de kleine larve een trechtervormig kuiltje in zand of losse grond. Als er een spin of mier komt aangelopen en op de helling van het trechtertje belandt kan hij niet meer terug; de larve gooit met zijn pootjes nog wat zand omhoog, het prooidier zakt verder naar beneden en wordt vermorzeld tussen sterke larvenkaken.

Mij hield even de vraag bezig waar de naam ‘mierenleeuw’ resp. Ameisenlöwe, ant-lion, vandaan komt. Een leeuw is ook een roofdier, zeker, maar heeft verder toch weinig gemeen met dit diertje: niet in afmetingen en niet in gedrag.
Het diertje is niet zeldzaam en is overal de mensen opgevallen door zijn jachttechniek. De oude Grieken hebben het zeker gekend, maar bij Aristoteles1 heet het (misschien) λύκος, lykos, ‘wolf’, wat ook moeilijk te begrijpen is.

De naam ‘mierenleeuw’ blijkt terug te gaan op de bijbel, om precies te zijn op de Griekse vertaling der Septuaginta van Job 4:11, ± 100 voor Christus. In onze Nieuwe Bijbelvertaling luidt het vers:

  • ‘De leeuw gaat zonder prooi te gronde, de jonge leeuwen zwerven hongerend rond.’

De Hebreeuwse tekst2 heeft hier twee woorden die allebei ‘leeuw’ betekenen: layish en lavī. Het Nederlands heeft er maar één woord voor. Twee maal ‘leeuw’ in hetzelfde vers is niet zo mooi, maar gelukkig bieden de jonge dieren wat variatie. De Griekse bijbelvertalers vonden twee maal ‘leeuw’ blijkbaar ook niet mooi: zij hebben het eerste ‘leeuw’ vertaald met μυρμηκολέων (myrmēkoléōn), inderdaad letterlijk ‘mieren-leeuw,’ wat dat ook mag betekenen.3 (De Latijnse bijbelvertaling Vulgata zou er later helemaal een potje van maken: die vertaalt het met tigris, ‘tijger’. Leeuwen en tijgers doen het altijd goed samen in teksten; vandaar.)
.
Wat hebben die Grieken bij hun vertaling gedacht, wat voor beest hebben zij zich voorgesteld, en hoe is de benaming blijven hangen aan die gemene larve? Ik heb het (nog) niet kunnen vinden, u misschien? Een tekst die heel misschien wat verder helpt is Herodotus (± 485–425 v. Chr), Historiae iii, 102. Daar gaat het over een woestijn in Indië, waar de mensen gouddeeltjes winnen uit het zand dat door zeer grote mieren wordt opgeworpen:

  • In die woestijn komen mieren voor die wat kleiner zijn dan honden, maar groter dan vossen. Enkele stuks zijn gevangen en die leven in de diergaarde van de Perzische koning. Die mieren maken hun hol onder de grond en graven precies als de Griekse mieren, waar ze sprekend op lijken. (vert. Hein L. van Dolen.)4

Hier zijn tenminste reusachtige ’mieren’ (μύρμηκες, myrmikes), al bereiken ze lang niet het formaat van een leeuw. Van Dolen oppert dat er misschien aan de Tibetaanse marmot gedacht is, ‘maar het kan net zo goed een fantasiedier zijn.’ Dat laatste geldt eigenlijk ook voor de bijbelse mierenleeuw. Indiërs die goud afpakken van grote mieren worden overigens ook vermeld bij Timotheus van Gaza (± 500).5

De Griekse naam myrmēkoléōn komt voor zover ik kon nagaan niet voor in Griekse teksten die ouder zijn dan de bijbelvertaling, en daarna alleen mondjesmaat in christelijke of door het christendom beïnvloede teksten.
Het tweede-eeuwse, christelijke dierenboek Physiologus vertelt over dit dier:

  • Toen nam Elifaz, de koning der Temanieten, het woord: […]: ‘De mierenleeuw gaat zonder voedsel te gronde.’ De Physiologus zegt: De mierenleeuw is aan de voorkant als een leeuw, maar aan de achterkant als een mier. Het vaderdier vreet vlees, de moeder knabbelt peulvruchten. Wanneer zij nu een mierenleeuw ter wereld brengen doen zij dat als een wezen met een tweevoudige natuur: Het kan geen vlees eten wegens de natuur van zijn moeder en geen peulvruchten wegens de natuur van zijn vader; dus gaat het te gronde omdat het geen voedsel vindt.6

Zo is het bijbelvers ‘verklaard’. Hoe het verder moet met het voortbestaan van de soort interesseert de auteur blijkbaar niet. Wilt u de preek ook nog horen? Komt ie:

  • Zo is ook een man met twee zielen onbestendig op al zijn wegen (Jak. 1:7v). Met moet niet op twee paden wandelen, noch met dubbele tong spreken bij het gebed. Wee namelijk, zo heet het, een gespleten en zondig hart dat twee paden bewandelt (Sirach 2:12). Het is niet mooi, ‘ja, nee’ of ‘nee, ja’ te zeggen, maar laat jullie ja ja zijn en jullie nee nee, zoals onze Here Jezus Christus gesproken heeft (Matt 5:37).
    Mooi heeft de Physiologus dus over de mierenleeuw gesproken.

Vindt hij zelf! Er zijn ogenblikken dat ik het betreur dat het christendom de westelijke wereld heeft veroverd. Maar ja, daarvóór zaten ze met veel meer goden, keizerverering, bloedbaden in arena’s en een stuk minder naastenliefde.

NOTEN
1. Aristoteles, Historia Animalium 622b–623a: Τῶν δ’ ἀραχνίων καὶ τῶν φαλαγγίων ἔστι πολλὰ γένη, τῶν μὲν δηκτικῶν φαλαγγίων δύο, τὸ μὲν ἕτερον ὅμοιον τοῖς καλουμένοις λύκοις μικρὸν καὶ ποικίλον καὶ ὀξὺ καὶ πηδητικόν· καλεῖται δὲ ψύλλα· τὸ δ’ ἕτερον μεῖζον, τὸ μὲν χρῶμα μέλαν, τὰ δὲ σκέλη τὰ πρόσθια μακρὰ ἔχον, καὶ τῇ κινήσει νωθρὸν καὶ βαδίζον ἠρέμα καὶ οὐ κρατερὸν καὶ οὐ πηδῶν. Τὰ δ’ ἄλλα πάντα, ὅσα παρατίθενται οἱ φαρμακοπῶλαι, τὰ μὲν (623a.) οὐδεμίαν τὰ δ’ ἀσθενῆ ποιεῖ τὴν δῆξιν. Ἄλλο δ’ ἐστὶ τῶν καλουμένων λύκων γένος.
2. Job 4:11: לַיִשׁ אֹבֵד מִבְּלִי-טָרֶף וּבְנֵי לָבִיא יִתְפָּרָדוּ.
3. Job 4:11, LXX: μυρμηκολέων ὤλετο παρὰ τὸ μὴ ἔχειν βοράν, σκύμνοι δὲ λεόντων ἔλιπον ἀλλήλους.
4. De gebruikte vertaling is: Herodotos, Het verslag van mijn onderzoek, vertaald, ingeleid en geannoteerd door Hein L. van Dolen, Nijmegen 1995.
Griekse tekst: Hdt. Hist. iii, 102.2: ἐν δὴ ὦν τῇ ἐρημίῃ ταύτῃ καὶ τῇ ψάμμῳ γίνονται μύρμηκες μεγάθεα ἔχοντες κυνῶν μὲν ἐλάσσονα ἀλωπέκων δὲ μέζονα: εἰσὶ γὰρ αὐτῶν καὶ παρὰ βασιλέι τῷ Περσέων ἐνθεῦτεν θηρευθέντες. οὗτοι ὦν οἱ μύρμηκες ποιεύμενοι οἴκησιν ὑπὸ γῆν ἀναφορέουσι τὴν ψάμμον κατά περ οἱ ἐν τοῖσι Ἕλλησι μύρμηκες κατὰ τὸν αὐτὸν τρόπον, εἰσὶ δὲ καὶ αὐτοὶ τὸ εἶδος ὁμοιότατοι: ἡ δὲ ψάμμος ἡ ἀναφερομένη ἐστὶ χρυσῖτις.
5. Tim. Gaz., De animalibus (Περὶ ζῴων), xxxii, 2,3, uitg. Haupt 1869, 20; vert. Rabinowitz en Bodenheimer 1949, 37.
6. Physiologus (Φυσιολόγος) , Griechisch/Deutsch, ed. Otto Schönberger, Stuttgart 2001, no. 20, blz. 37: Ἐλιφὰζ ὁ Θαιμανῶν βασιλεὺς ἔλεξε· «μυρμηκολέων ὤλετο παρὰ τὸ μὴ ἔχειν βοράν». ὁ Φυσιολόγος ἔλεξε περὶ τοῦ μυρμηκολέοντος ὃτι τὰ μὲν ἐμπρόσθια ἔχει λέοντος, τὰ δὲ ὀπίσθια μύρμηκος. ὁ μὲν πάτηρ σαρκοφάγος ἐστίν, ἡ δὲ μήτηρ ὄσπρια τρώγει. ὃταν δὲ γεννῶσι τὸν μυρμηκολέοντα, γεννῶσιν αὐτὸν δύο φύσεις ἔχοντα, καὶ οὐ δύναται φαγεῖν κρέα διὰ τὴν φύσιν τῆς μητρός οὐδὲ ὄσπρια διὰ τὴν φύσιν τοῦ πατρός˙ απόλλυται οὔν διὰ τὸ μὴ ἔχειν τροφήν.
Οὓτω καὶ πᾶς ἀνὴρ δίψυχος ἀκατάστατος ἐν πάσαις ταῖς ὁδοῖς αὐτοῦ. οὐ χρὴ βαδίζειν δύο τρίβους οὐδὲ δισσὰ λέγειν ἐν τῃ προσευχῇ· οὐαὶ γάρ, φησί, καρδίᾳ δισσῇ καὶ ἁμαρτωλῷ ἐπιβαίνοντα ἐπὶ δύο τρίβους. οὐ καλὸν εἰπεῖν τὸ ναὶ οὖ, καὶ τὸ οὖ ναί, ἀλλὰ τὸ ναὶ ναί, καὶ τὸ οὖ οὖ, καθὼς εἶπεν ὁ Κύριος ἡμῶν Ἰησοῦς Χριστός.
Καλῶς οὖν ἔλεξεν ὁ Φυσιολόγος περὶ τοῦ μυρμηκολέοντος.

Terug naar Inhoud       

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Een mier op de Zijderoute

Bij het werken aan een christelijke Arabische tekst van Djibril ibn Nūḥ al-Anbārī (9e eeuw) werd ik regelrecht de Oudheid ingezogen. Wat zeg ik: in twee Oudheden: de Grieks-Romeinse en de Chinese! Het betreffende fragment was een beschrijving van de loop der sterren en planeten: 

  • Denk aan de sterren en het verschil in hun cirkelbaan. Een aantal verlaat zijn plaats aan het firmament niet en beweegt alleen als groep, maar een aantal verplaatst zich door de hele dierenriem en heeft eigen cirkelbanen. Dus elke ster van de laatste soort heeft twee verschillende banen: een algemene, samen met het hemelgewelf naar het Westen, en de andere van hemzelf naar het Oosten. De Ouden hebben zo’n losse ster vergeleken met een mier die krabbelt op een molensteen. De molensteen maakt een cirkel naar rechts en de mier beweegt naar links, zodat de mier in die situatie twee verschillende bewegingen maakt: een zelfstandige, recht vooruit, en de andere onvrijwillig, samen met de molensteen, die hem naar achteren dwingt.1

Wie zijn die ‘Ouden’? Ik begon te zoeken in Oudgriekse teksten en vond iets over de hemel als een molensteen of als een wiel. Ook over de tegengestelde beweging van de planeten was wel iets terug te vinden. Maar waar kwam die mier vandaan? Voor een niet-classicus is het vaak moeizaam, de toegang te vinden tot teksten uit de klassieke Oudheid. Daarom was ik blij dat Dr. Stefan Hagel uit Wenen mij attendeerde op enkele Griekse teksten waar de mier in voorkomt, waarvan een fragment van Cleomedes wel het belangrijkste is. Over hem is weinig bekend, maar hij citeert veel Posidonius, die leefde van ± 135–51 v.Chr en ook bekend was als vervaardiger van een mechanisch planetarium. Ook ongeveer uit die tijd stamt het Antikythera mechanisme,2 een astronomische rekenmachine, die onder andere(!) de stand van zon, maan, vaste sterren en planeten kon berekenen. In Cleomedes’ Caelestia (Over de circulaire bewegingen van hemellichamen) staat het volgende:

  • Daar de hemelen in een cirkel ronddraaien boven de lucht en de aarde en deze beweging teweeg brengen die voorziet in het behoud en de voortdurende stabiliteit van de hele kosmos, dragen zij noodzakelijkerwijs ook alle hemellichamen mee die zij bevatten. Van deze hebben sommige als beweging de eenvoudigste soort, omdat zij worden rondgedraaid door de hemelen en daarin altijd dezelfde plaats innemen. Maar andere bewegen zowel met de beweging die noodzakelijkerwijs met de hemelen meegaat (ze worden meegedragen omdat ze er door omvat worden) als met nog een andere beweging die gebaseerd is op een keuze, waardoor zij op verschillende tijdstippen verschillende plaatsen in de hemelen innemen. Die tweede beweging van hen is langzamer dan de beweging van de kosmos, en ze schijnen ook in de andere richting te gaan dan de hemelen, omdat zij bewegen van west naar oost. 
    De eerste [groep hemellichamen] wordt ‘vast,’ genoemd, maar de tweede ‘planeten,’ omdat zij op verschillende tijden in verschillende delen van de hemelen zichtbaar worden. De vaste lichamen zouden vergeleken kunnen worden met opvarenden die door een schip vervoerd worden, maar op hun toegewezen plaats blijven in relatie tot de totale ruimte. De planeten daarentegen zijn als opvarenden die bewegen in een richting tegengesteld aan die van het schip (naar het achterdek vanuit posities op het voordek) in een relatief langzamere beweging. Ze zijn ook met mieren te vergelijken, die uit eigen keus op een pottenbakkerswiel krabbelen in een beweging tegengesteld aan die van het wiel.

Molensteen of pottenbakkerswiel? Ze komen beide voor. In de oude Griekse filosofie wordt de kosmos soms met een draaiende molensteen vergeleken (Anaximenes) en soms met een draaiend wiel, τροχός, dat ook een pottenbakkerswiel kan zijn (Anaximander). Dit wordt ook vermeld bij Theodoretus van Cyrrhus (± 393–458).4

Intussen had ik bij mijn zoektocht ook gebruik gemaakt van Google, en daar verscheen een tekst uit het oude China die verwantschap vertoonde en zelfs de mier bevatte. Hij is geschreven door Luo Xia Hóng (ca. 130–70 v.Chr.) :

  • Zowel de zon als de maan bewegen naar rechts en tegelijkertijd moeten zij de hemel volgen die naar links draait. Hoewel zowel de zon als de maan in werkelijkheid oostwaarts bewegen worden zij [door de rotatie van de hemel] meegesleept, zodat het lijkt alsof zij in het Westen ondergaan. Dit is analoog met een mier die krabbelt op een molensteen: terwijl de molensteen naar links roteert, probeert de mier naar rechts te bewegen. Maar de draaiing van de molensteen is veel sneller dan de beweging van de mier. We zien dan dat de mier gedwongen wordt de beweging van de molensteen te volgen en ogenschijnlijk naar links beweegt.5

Al gaat de Chinese tekst niet over de planeten, de overeenkomst met de Griekse tekst is veel te groot om toevallig te kunnen zijn. Het wiel en de fluit zijn misschien op meerdere plaatsen in de oude wereld uitgevonden, maar van zo’n specifieke tekst is dat niet denkbaar; die moet overgeleverd zijn. Er moest dus meer dan alleen handelscontact geweest zijn tussen de Grieks-Romeinse wereld en het oude China. Ook hierover wist Dr. Hagel een en ander te vertellen, maar Patrick Huang uit Londen schoot hier eveneens te hulp. Zij wezen op de intellectuele uitwisseling tussen het hof van de Chinese keizer Hàn Wǔdì (156–87 v.Chr.) en het hellenistische Grieks-Bactrische Rijk in de tijd van de bovengenoemde astronoom Luo Xia Hóng. In diezelfde tijd kwam ook het verkeer over de Zijderoute goed op gang, na verkennende reizen en twee militaire expedities vanaf de Chinese kant, en er werd niet alleen zijde vervoerd. Tenminste naar Perzië en Indië werd ook Chinese wetenschap geëxporteerd, dat was al bekend.

Natuurlijk waren er niet alleen de drie aangehaalde teksten; er moeten allerlei bewerkingen en tussenversies hebben bestaan. Maar die tegengestelde bewegingen, één gedwongen en één vrijwillig, én het kleine detail over die mier, komen steeds weer terug.

Wie was het eerst met die mier? Krabbelde het beestje van West naar Oost of juist omgekeerd? Dat is nog niet duidelijk.

NOTEN
1. Djibril ibn Nūḥ, Al-Iʿtibār: فكِّر في النجوم واختلاف سيرها. ففرقة منها لا تريم مراكزها من الفلك ولا تسير الاّ مجتمعة، وفرقة مطلقة تتنقل في البروج وتفترق في مسيرها. فكل واحد منها يسير مسيرين مختلفين: أحدهما عام مع الفلك نحو المغرب والآخر خاص لنفسه نحو المشرق. وقد شبه الأولون هذه المطلقة بنملة تدب على رحى. فالرحى تدور ذات اليمين والنملة تدور ذات اليسار، فان النملة على تلك الحال تتحرّك حركتين مختلفتين: احداهما بنفسها متوجّهة أمامها والأخرى مستكرهة مع الرحى تجذبها الى خلفها.
2. Dank aan Hans Rottier, die mij op dit mechanisme heeft geattendeerd.
3. Zowel Hagel als de Cleomedesvertalers Bowen en Todd verwijzen nog naar andere Griekse teksten waar die mier in voorkomt.
Mijn bovenstaande vertaling is niet uit het moeilijke Grieks, maar uit de Engelse vertaling van Bowen en Todd, die hier volgt:
II, 1: As the heavens revolve in a circle above the air and the Earth, and effect this motion as providential for the preservation and continuing stability of the whole cosmos, they also necessarily carry round all the heavenly bodies that they encompass. Of these, then, some have as their motion the simplest kind, since they are revolved by the heavens, and always occupy the same places in the heavens. But others move both with the motion that necessarily accompanies the heavens (they are carried round by them because they are encompassed), and with still another motion based on choice through which they occupy different parts of the heavens at different times. This second motion of theirs is slower than the motion of the cosmos, and they also seem to go in the opposite direction to the heavens, since they move from west to east. 
12: The first [set of bodies] is called “fixed,” but the second “planets,” since these appear at different times in different parts of the heavens. The fixed bodies might be likened to passengers who are borne along by a ship, yet remain in their assigned places in relation to the overall space. The planets, by contrast, are like passengers who move in an opposite direction to the ship (toward the stern from positions at the prow) with a relatively slower motion. They could also be likened to ants creeping on the basis of choice on a potter’s wheel in a motion opposite to [that of ] the wheel. 
Het originele Grieks voor de liefhebbers: Cleomedes, Caelestia 28.18-30.15/ii, 1-20: Ὁ τοίνυν οὐρανός, κύκλῳ εἰλούμενος ὑπὲρ τὸν ἀέρα καὶ τὴν γῆν καὶ ταύτην τὴν κίνησιν προνοητικὴν οὖσαν ἐπὶ σωτηρίᾳ καὶ διαμονῇ τῶν ὅλων ποιούμενος, ἀναγκαίως καὶ πάντα τὰ ἐμπεριεχόμενα αὐτῷ τῶν ἄστρων περιάγει. τούτων τοίνυν τὰ μὲν ἁπλουστάτην ἔχει τὴν κίνησιν, ὑπὸ τοῦ κόσμου στρεφόμενα καὶ διὰ παντὸς τοὺς αὐτοὺς τόπους τοῦ οὐρανοῦ κατέχοντα· τὰ δὲ κινεῖται μὲν καὶ τὴν σὺν τῷ κόσμῳ κίνησιν ἀναγκαίως, περιαγόμενά γε ὑπ᾿ αὐτοῦ διὰ τὴν ἐμπεριοχήν, κινεῖται δὲ καὶ ἑτέραν προαιρετικήν, καθ᾿ ἣν [καὶ] ἄλλοτε ἄλλα μέρη τοῦ οὐρανοῦ καταλαμβάνει. αὕτη δὲ ἡ κίνησις αὐτῶν σχολαιοτέρα ἐστὶ τῆς τοῦ κόσμου κινήσεως· δοκεῖ δὲ καὶ τὴν ἐναντίαν κινεῖσθαι τῷ οὐρανῷ, ὡς ἀπὸ τῆς δύσεως ἐπὶ τὴν ἀνατολὴν φερόμενα. τὰ μὲν οὖν πρῶτα αὐτῶν καλεῖται ἀπλανῆ, ταῦτα δὲ πλανώμενα, ἐπειδὴ ἄλλοτε ἐν ἄλλοις μέρεσι τοῦ κόσμου φαντάζεται. τὰ μὲν οὖν ἀπλανῆ ἀπεικάσειεν ἄν τις ἐπιβάταις ἐπὶ νεὼς φερομένοις, ἐν τόποις οἰκείοις κατὰ χώραν μένουσι, τὰ δὲ πλανώμενα τὴν ἐναντίαν τῇ νηῒ φερομένοις ἀνθρώποις ὡς ἐπὶ τὴν πρύμναν ἀπὸ τῶν κατὰ τὴν πρώραν τόπων, ταύτης τῆς κινήσεως σχολαιοτέρας γινομένης. εἰκασθείη δ᾿ ἂν καὶ μύρμηξιν ἐπὶ κεραμεικοῦ τροχοῦ τὴν ἐναντίαν τῷ τροχῷ προαιρετικῶς ἕρπουσιν.
4. Diels/Kranz, Fragmente i, 93: καὶ οἱ μὲν μυλοειδῶς, οἱ δὲ τροχοῦ δίκην περιδινεισθαι, sc. τὸν κόσμον. Theodoretus, Graec. aff. cur. iv, 16 (Scholten)@
5. Ho Peng Yoke, Li, Qi and Shu, 127: ‘Both the sun and the moon move towards the right, and at the same time they have to follow the heavens, which rotate towards the left. Hence, although in reality both the sun and the moon are moving eastwards, they are being dragged along by (the rotation of the heavens) so that they appear to set in the west. This is analogous to an ant crawling on a mill-stone, such that while the millstone is rotating towards the left (clockwise), the ant is attempting to move to the right (anti-clockwise). But the rotation of the mill-stone is much faster than the motion of the ant. It can be seen that the ant is compelled to follow the motion of the mill-stone, and that apparently it is moving towards the left (clockwise).’
Mijn bovenstaande vertaling is vanuit dit Engels. Patrick Huang uit Londen stuurde mij de originele Chinese tekst. Ik kan hem zelf niet lezen, maar een van mijn lezers misschien wel:

又《周髀》家云:「天圓如張蓋,地方如棋局。#天旁轉如推磨而左行,日月右行,隨天左轉,故日月實東行,而天牽之以西沒。譬之於蟻行磨石之上,磨左旋而蟻右去,磨疾而蟻遲,故不得不隨磨以左迴焉#。天形南高而北下,日出高,故見;日入下,故不見。天之居如倚蓋,故極在人北,是其證也。極在天之中,而今在人北,所以知天之形如倚蓋也。日朝出陽中,暮入陰中,陰氣暗冥,故沒不見也。夏時陽氣多,陰氣少,陽氣光明,與日同輝,故日出即見,無蔽之者,故夏日長也。冬天陰氣多,陽氣少,陰氣暗冥,掩日之光,雖出猶隱不見,故冬日短也。」

BIBLIOGRAFIE
– Cleomedes, Caelestia (Μετέωρα), de Teubner editie 1990 van het Grieks heb ik momenteel niet ter beschikking.
Cleomedes’ Lectures on Astronomy. A Translation of The heavens. With an Introduction and Commentary by Alan C,. Bowen and Robert B. Todd, Berkely/Los Angeles/London (University of California Press) 2004. Bevat ook een boeiende inleiding en zeer lezenswaardige voetnoten bij bovenstaand fragment.
– Djibril ibn Nūḥ al-Anbārī, Kitāb al-iʿtibār fī al-malakūt: ik werk aan een uitgave uit de handschriften.
– Hermann Diels en Walther Kranz (uitg., vert.), Fragmente der Vorsokratiker, Griechisch und Deutsch, 3 dln., Zürich/Hildesheim 1951–52 (reprint 1989-90).
– Ho Peng Yoke, Li, Qi and Shu. An Introduction to Science and Civilization in China, Mineola NY (Dover) 1985.

Terug naar Inhoud      Terug naar Inhoud (oud)       

Meer over de China-connection: Mohammeds kat Made in China?

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Verdrongen Oudheid: Perzië

Vandaag eens niet over een Arabisch of islamitisch onderwerp, maar over het oude Perzië, dat echter niet zonder belang is voor arabisten en islamologen. Wie enige belangstelling heeft voor Oude Geschiedenis heeft ook iets over Perzië gehoord of gelezen. Een enorm en machtig rijk: Achaemeniden, Cyrus, Persepolis, Ahasverus, Darius, slag bij Thermopylae, Xerxes’ mislukte poging Zuid-Griekenland te veroveren. Een rijk dat Alexander der Grote tenslotte in etappes heeft verslagen en door zijn eigen wereldrijk heeft vervangen: de slag bij Issus 333, bij Gaugamela 331 v. Chr. Maar over wat er daarna kwam is er meestal maar heel weinig bekend. Seleuciden, Arsaciden, Sassaniden, Gondishapur, anyone? In de Oude Geschiedenis, die traditioneel vooral de Grieks-Romeinse wereld behandelt, kwam allicht de naam Parthen nog kort ter sprake, de Perzen die eeuwig oorlog voerden met de Romeinen. Daarna doemde Perzië weer even op bij de Arabische verovering in ± 640, maar dat was maar heel kort, want de Arabieren maakten voorgoed een eind aan dat rijk. Perzië, ofwel Iran, viel voortaan onder ‘de Islam’, en dat is een ander hoofdstuk.

Over de behandeling van Perzië in onze Oude Geschiedenis heb ik onlangs veel belangwekkends gevonden in twee boeken, die ik allebei aanbeveel en vertaling in het Engels toewens:

– Jona Lendering, Xerxes in Griekenland. De mythische oorlog tussen Oost en West, Utrecht (Omniboek) 2019. 208 blzz.
– Thomas Bauer, Warum es kein islamisches Mittelalter gab. Das Erbe der Antike und der Orient, München (Beck) 2018, paperback 2020. 175 blzz.

Ik begin maar met Bauer. De vraag van zijn titel: waarom er geen islamitische middeleeuwen waren, is ook heel belangrijk en moet een andere keer ter sprake komen, maar ik wil het nu hebben over het vergeten Perzië. Hij heeft (blz. 90–99) een onderzoekje gedaan in twee gezaghebbende en wijd verbreide Duitse algemene geschiedwerken,1 en moest constateren dat Perzië tussen de val van het rijk in 331 v. Chr. en de verovering door de Arabieren ± 640 na Chr. in die boeken straal genegeerd wordt. Een kleine duizend jaar worden dus niet behandeld. Hier daar een halve bladzij over handelscontacten en over de oorlogen tussen de Parthen en het Romeinse Rijk, maar verder niets! Alsof het Perzische Rijk helemaal niet bestond, of nooit iets anders deed dan Romeinen dwarszitten. Natuurlijk zijn er specialisten die beter weten, maar dit zijn twee algemene inleidingen in de wereldgeschiedenis en daarin verdienden duizend jaar Perzische geschiedenis blijkbaar geen plaats. Tussen de Mediterrane wereld en India lag kennelijk een vacuum, en niet zo’n kleintje ook. Perzië besloeg immers ook Irak, Pakistan, Afghanistan en delen van Centraal-Azië.
.
Om te begrijpen hoe dat zo gekomen kunnen we bij Jona Lendering terecht. Die vertelt in zijn Xerxes gedetailleerd over diens veldtocht tegen de Zuidgriekse stadstaten, over zijn enorme leger en vloot, over de slag bij Thermopylae (480 v. Chr.; jubileumjaar?), over zijn plundering van Athene en hoe hij bijna vaste voet had gekregen in Zuid-Griekenland, maar toch onverrichterzake terug moest keren, waarna enige Griekstalige gebieden en eilanden zich uit zijn rijk wisten los te maken. Maar let op de ondertitel van zijn boek: de mythische oorlog tussen Oost en West.
.
In de negentiende, eigenlijk al in de achttiende eeuw, zag men de strijd van de oude Grieken tegen de Perzen als een clash of civilisations, al heette het nog niet zo. Perzië was het verachtelijke oosten, pervers en verwijfd, een akelige despotie met een zwemmerige religie, terwijl onze marmerblanke Griekse voorvaderen stonden voor alles wat goed en mooi was: vrijheidszin, democratie, rationaliteit, wetenschap. In extreemrechtse kringen, die minder in democratie en wetenschap geïnteresseerd zijn, worden de Griekse deugden tegenwoordig soms samengevat als moed, eer en trouw—het lijken wel Vikingen! Terwijl de Grieken als leeuwen vochten uit liefde voor de vrijheid en het vaderland, waren de Perzische soldaten alleen met zweepslagen vooruit te branden—voor wie het gelooft.
Onze cultuur, zo dacht men, had nooit bestaan als Xerxes met zijn Perzen toen Zuid-Griekenland hadden ingelijfd. Dan hadden we geen democratie, geen Olympische spelen en geen schoolvak wiskunde gehad. Onze beschaving is maar op het nippertje gered, want in een door Perzië bezet Athene was het zowel met vrijheid als met rationaliteit en wetenschap gedaan geweest. Geen wonder dat deze mythe bloeide in de negentiende eeuw, de tijd van het oriëntalisme, toen het beschaafde Europa zich in contrast zag met een verachtelijke en te onderwerpen ‘despotische’ Oriënt.
.
Maar de oorlog tegen Xerxes was geen Oost-West conflict. De Griekse strijdbond die uit verschillende stadstaatjes bestond, was maar moeilijk bij elkaar te houden. Verschillende staatjes wilden niet mee doen, andere deden wel mee, maar hadden in hun hart veel sympathie voor Perzië; verraad was er ook en toen Xerxes weer weg was kregen ze het onderling weer aan de stok. En hoe meer we over de Oudheid leren, des te beter begrijpen we, dat die clash of civilisations helemaal niet bestond. De Grieken hebben in de oudste Oudheid enorm veel geleerd van Egypte en Babylonië, waar de wetenschap op een zeer hoog niveau stond. Het Griekse schrift stamt af van het Phoenicische. De Griekstalige steden in Klein-Azië en op Cyprus die onder Perzisch gezag vielen hadden directe toegang tot de Perzische cultuur. Wat later waren het weer de Grieken die hun beschaving en wetenschap naar Egypte en het Oosten brachten. In het algemeen kan men spreken van een grote mengcultuur, waarin er nauwelijks grenzen waren.
.
Die mythe van de oorlog tussen Oost en West is al honderd jaar onttakeld, maar duikt in half-ontwikkelde kringen toch telkens weer op, en daarom is het goed dat Lendering, met name in zijn slothoofdstuk, naar de oorsprong daarvan heeft gespeurd.
Hij begint bij de Spartaanse koning Leonidas, die bij Thermopylae gesneuveld was. Dat was pijnlijk: de aanvoerder van een soldatenvolk, die bovendien een afstammeling van de halfgod Heracles was. Herodotus meldt echter een orakel uit Delphi, dat kort na deze ramp moet zijn bedacht. Daarin werd de koning voorzegd dat hij óf zelf het leven zou laten óf zijn stad vernietigd zou zien. Leonidas had dus niets eervollers kunnen doen dan zich opofferen om zijn stad te redden. Zo werd de eer postuum gered en de bitterheid van zijn dood enigszins verzoet. Herodotus bericht echter ook over een gesprek van een Spartaan in Perzische dienst, die aan de koning uitlegt hoe het zit met de Spartanen. ‘In een tweegevecht weren zij zich even goed al ieder ander, maar als totale strijdmacht zijn zij onverslaanbaar. Ze zijn wel vrij, dat is waar, maar niet in elk opzicht, want zij gehoorzamen aan een heer. En die heer is de wet!’2 De gesneuvelde Leonidas had dus die wet gevolgd, wat ook heel nobel was. Die wet heeft ook volgens het grafschrift van de gesneuvelde Spartanen de hoofdrol gespeeld: ‘Vreemdeling, meld de Spartanen dat wij hier liggen, overtuigd van hun woorden.’3 Dat laatste kan ook worden begrepen als: ‘gehoorzaamd hebbend aan hun wetten’. In de vertaling van Cicero klinkt het meteen een stuk pathetischer: ‘… terwijl wij de heilige wetten van het vaderland gehoorzaamden.’4 De Griekse dichter Pindaros riep uit over een ander slagveld in deze oorlog: ‘Dit is waar de zonen der Atheners het roemrijke fundament van de vrijheid legden.’5 Die oorlog werd dus steeds mythischer, en dat ging nog door in de achttiende en negentiende eeuw, toen dit werd opgepakt in Europa. Het contrast tussen het dappere, vrijheidslievende, democratische Griekenland en het verachte Perzië werd steeds groter.
.
Die afkeer en verachting zullen ervoor hebben gezorgd dat Perzië uit de populaire geschiedschrijving verdween. In de tijd van Xerxes en van Alexander de Grote mocht Perzië een rol spelen, namelijk als de vijand die nederlagen leed. Maar in de volgende duizend jaar, onder de Seleuciden, Parthen, Arsaciden en Sassaniden, was Perzië wederom een sterk rijk met een bloeiende economie en beroemde centra van wetenschap, bij voorbeeld in de Academies van Nisibis en Gondishapur, waar de grondslagen voor de moderne geneeskunde werden gelegd. Sterke, succesvolle Perzische rijken pasten echter niet bij de Europese visie op de Oudheid; daarom moesten zij vergeten worden. Van de bestudering van de vroege islam komt echter niets terecht wanneer niet ook het Perzië der Sassaniden erin betrokken wordt. Gelukkig wordt dat steeds meer ingezien.

Het zou me niet verbazen als die oude houding ten opzichte van Perzië ook in onze tijd een rol speelt. Het land, nu meestal op zijn Perzisch Iran genoemd, wordt als vijand gezien en moet bestraft worden, waarvoor dan ook, en het liefst vernietigd.

NOTEN
1. H.J. Gehrke, Geschichte der Welt. Die Welt vor 600, en dtv-Atlas Weltgeschichte.
2. Lendering, Xerxes, 173. Herod. Hist.7.104.4: ὣς δὲ καὶ Λακεδαιμόνιοι κατὰ μὲν ἕνα μαχόμενοι οὐδαμῶν εἰσι κακίονες ἀνδρῶν, ἁλέες δὲ ἄριστοι ἀνδρῶν ἁπάντων. ἐλεύθεροι γὰρ ἐόντες οὐ πάντα ἐλεύθεροι εἰσί: ἔπεστι γάρ σφι δεσπότης νόμος, τὸν ὑποδειμαίνουσι πολλῷ ἔτι μᾶλλον ἢ οἱ σοὶ σέ.
3. Lendering, Xerxes, 174: Ὦ ξεῖν᾿, ἀγγέλλειν Λακεδαιμονίοις ὅτι τῇδε κείμεθα τοῖς κείνων ῥήμασι πειθόμενοι.
4. Cicero, Tusc. Disp. (I, xlii, 101): Dic, hospes, Spartæ nos te hic vidisse iacentes, dum sanctis patriæ legibus obsequimur.
5. Plut. de Herod. 34: ὅθι παῖδες Ἀθαναίων ἐβάλοντο φαεννὰν κρηπῖδ᾽ ἐλευθερίας.

Terug naar Inhoud      Terug naar Inhoud (oud)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Alexander geen boekendief

AlexIlias

🇩🇪 In het Palazzo Te in Mantua zag ik op een plafondschildering een afbeelding van Alexander de Grote met een paar boekbanden in een kistje. Dat is een illustratie bij wat Plutarchus vertelt in zijn biografie van Alexander:

  • ‘Toen hem een kistje werd gebracht, waarvan degenen die de schatten en goederen van Darius hadden opgenomen zeiden dat dit het allerkostbaarste was, vroeg hij zijn vrienden welk waardevol ding volgens hen het best daarin bewaard kon worden. Toen veel mensen verschillende dingen opperden, zei hij zelf dat hij de Ilias erin zou doen om hem goed te bewaken.’ 1

Alexander heeft de Perzische koning Darius III (reg. 336–330 v.Chr.) in etappes verslagen, waarbij hij telkens rijke buit behaalde. De Ilias was een belangrijk boek voor hem; hij stelde zich graag voor dat hij een nieuwe Achilles was.
.
Zou dit misschien van invloed zijn geweest op de vroeg-Abbasidische, in wezen Perzische aanname dat Alexander alle boeken van de Perzen had gestolen, zodat ze later weer uit het Grieks in het Arabisch terugvertaald moesten worden? Daarover had ik hier al wat geschreven.
Waarom was dat kistje zo kostbaar? Misschien was het van massief goud of bezaaid met juwelen. Maar het kan ook zijn dat de inhoud kostbaar was. Van Darius III is bekend dat hij de oude Perzische Zand Avesta-teksten had laten uitgeven, vertalen en commentariëren. Ze vormden het middelpunt van zijn rijksideologie en werden bewaard in zijn schathuis, dat Alexander heeft geplunderd. Het kistje heeft hij ingepikt, maar die Perzische boeken zullen allicht het laatste zijn geweest dat hem interesseerde. Goed denkbaar dat hij de boeken toen heeft weggedaan en heeft vervangen door wat voor hem een schat was: Homerus’ Ilias, een zeer Grieks boek, dat veel voor hem betekende. En als het niet letterlijk zo gebeurd is, is het toch een mooie symboliek.
Het onderwerp kan nog wat nadere studie gebruiken.

NOOT:
1. κιβωτίου δέ τινος αὐτῷ προσενεχθέντος, οὗ πολυτελέστερον οὐδὲν ἐφάνη τοῖς τὰ Δαρείου χρήματα καὶ τὰς ἀποσκευὰς παραλαμβάνουσιν, ἠρώτα τοὺς φίλους ὅ τι δοκοίη μάλιστα τῶν ἀξίων σπουδῆς εἰς αὐτὸ καταθέσθαι: πολλὰ δὲ πολλῶν λεγόντων αὐτὸς ἔφη τὴν Ἰλιάδα φρουρήσειν ἐνταῦθα καταθέμενος. (Plut. Alex. 26, 1–2)

Terug naar Inhoud