De eerste Arabische marine

In 640 veroverden de Arabieren de Romeinse provincie Egypte, maar in 646 werd Alexandrië alweer terugveroverd door een Romeinse vloot. Die bleef niet zo lang, maar het was een schok te beseffen hoe gemakkelijk het nieuwe Arabische rijk vanuit zee binnen was te vallen. De capabele gouverneur van Syrië, Mu‘āwiya, die later kalief zou worden, overtuigde zijn wat passieve oudoom kalief ‘Uthmān van de noodzaak, een marine op te bouwen. Hij kreeg toestemming en dwong talloze scheepsbouwers in Egypte en Syrië schepen te bouwen. Na drie jaar lag er een vloot van maar liefst zeventienhonderd schepen voor de Syrische kust: ‘de zee was niet meer te zien van de masten’.

Nu moest die vloot natuurlijk uitgeprobeerd worden. Men bracht soldaten aan boord, 12.000 naar men zegt, en voerde in het voorjaar van 649 een overval uit op het nog Romeinse eiland Cyprus. De bewoners daar lieten de soldaten ongehinderd aan land gaan omdat zij dachten dat het Romeinen waren. Ze konden zich blijkbaar niet voorstellen dat er zoiets als een Arabische vloot bestond. De troepen konden gewoon doorlopen naar de hoofdstad Constantia (Grieks Σαλαμίνα, Salamina), niet ver van het huidige Famagusta, die zij bezetten en plunderden. Zeer grote hoeveelheden goud en zilver werden buitgemaakt en vele bewoners tot slaaf gemaakt. Zo werden de kosten van de vlootbouw er aardig uitgehaald.

Het varen en plunderen ging lekker, en Mu‘āwiya zette vervolgens koers naar Constantinopel, maar zijn vloot werd op de vlucht gejaagd. Dan maar naar Arwad, een klein eilandje voor de Syrische kust tegenover Tartūs, maar dat kon hij niet innemen omdat het zeer sterke vestingwerken had. Intussen werd het winter en de vloot keerde naar Syrië terug, maar in het voorjaar van 650 veroverde Muʿāwiya’s vloot alsnog Arwad en slechtte de vestingwerken. Daarna was Cyprus nog een keer aan de beurt, nu onder leiding van generaal Abū al-A‘war. Inmiddels waren daar Romeinse troepen gelegerd, die de bewoners aanspoorden standvastig te blijven, maar bij de aanblik van de Arabische vloot sloegen zij toch op de vlucht en probeerden zich overal te verstoppen. Tevergeefs: de Arabieren ‘pulkten ze uit de spleten in de grond als eieren die in een nest waren achtergelaten.’ Wederom werden grote hoeveelheden edelmetaal buitgemaakt en naar verluidt tienduizenden mensen slaaf gemaakt. Constantia kwam er nooit meer bovenop.

In 654 voer de vloot onder leiding van Abū al-A‘war naar Constantinopel, terwijl tegelijkertijd een leger onder Muʿāwiya over land daarheen marcheerde. Ten hoogte van Phoenix (Φοῖνιξ, het huidige Finike bij Antalya), stieten de Arabieren op een Romeinse vloot, waarop keizer Constans II en zijn broer persoonlijk aanwezig waren. Het kwam tot een zeeslag, de ‘Slag der Masten’ (ma‘rakat dhāt al-sawārī), die door de Arabieren gewonnen werd. Hun kracht schijnt vooral gelegen te hebben in de wendbaarheid van hun kleinere aanvalsschepen. De keizer moest verkleed als soldaat vluchten voor zijn leven. Vervolgens op naar het hoofddoel: Constantinopel! De Arabische schepen lagen al bijna in positie voor de stad toen er een zware storm opstak, die de hele vloot vernietigde, met belegeringswapens en al. Een ingrijpen Gods, naar men in Constantinopel zeker wist. Mu‘āwiya leidde zijn troepen over de landweg terug naar huis. Het zou nog decennia duren voordat men weer naar Constantinopel koers durfde te zetten, maar ook toen en in de eeuwen daarna is het nooit gelukt, die stad vanuit zee te veroveren. Desondanks was de Arabische marine voortaan een geduchte aanwezigheid in de oostelijke Middellandse Zee.

De scheepsbouwers en de zeelui waren allen christelijke Syriërs en Kopten; de soldaten waren Arabieren. Zowel de Syriërs als de Egyptenaren hadden een eeuwenoude traditie van scheepsbouw en zeevaart. Hoewel scheepvaart in de koran een niet onbelangrijk onderwerp is, waren de Arabische veroveraars in Syrië bepaald huiverig voor de zee. Dat de matrozen en roeiers christenen waren bleek nog in 717 een nadeel. Toen de vloot nog eens Constantinopel wilde aanvallen, maar ergens aan de Bosporus moest overwinteren, liepen velen van hen over, omdat zij bedachten dat zij als christenen eigenlijk eerder in het Romeinse Rijk thuishoorden. De keizer zal hun allicht bij hun beslissing behulpzaam zijn geweest.

—–

EXCURS: Een hadith vertelt dat er een vrouw was, die graag als soldaat met haar man mee wilde gaan op de expeditie naar Cyprus. De profeet stond het toe. Over haar krijgsverrichtingen is niets bekend, maar na terugkeer in Syrië viel zij van haar muildier/paard? en werd aldus martelares. Om haar te gedenken bouwde men van 1760–1816 een moskee rond haar graftombe op Cyprus.

[…] van Anas ibn Mālik, van zijn tante Umm Harām bint Milhān: De profeet sliep op een dag dicht bij mij en toen hij wakker werd glimlachte hij. Ik vroeg waarom hij lachte. Hij zei: [In de droom] zijn mij mensen uit mijn gemeente getoond terwijl zij de groene zee bevoeren als koningen op tronen. Zij zei: Bid tot God dat hij mij een van hen maakt! Toen bad [de Profeet] voor haar en sliep weer in; hetzelfde gebeurde nog een keer. Hij zei: Jij bent een van de eersten. Zij ging met met haar echtgenoot ‘Ubāda ibn al-Sāmit mee op krijgstocht toen de moslims voor het eerst de zee bevoeren met Mu‘āwiya. Toen zij terug waren van de tocht en in Syrië weer aan land gingen werd haar een rijdier gebracht om op te rijden, maar dat wierp haar af en daaraan stierf zij.
Bukhārī, Jihād 8, var. Jihād 3, 17: حَدَّثَنَا عَبْدُ اللَّهِ بْنُ يُوسُفَ قَالَ حَدَّثَنِي اللَّيْثُ حَدَّثَنَا يَحْيَى عَنْ مُحَمَّدِ بْنِ يَحْيَى بْنِ حَبَّانَ عَنْ أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ عَنْ خَالَتِهِ أُمِّ حَرَامٍ بِنْتِ مِلْحَانَ قَالَتْ  نَامَ النَّبِيُّ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ يَوْمًا قَرِيبًا مِنِّي ثُمَّ اسْتَيْقَظَ يَتَبَسَّمُ فَقُلْتُ مَا أَضْحَكَكَ قَالَ أُنَاسٌ مِنْ أُمَّتِي عُرِضُوا عَلَيَّ يَرْكَبُونَ هَذَا الْبَحْرَ الْأَخْضَرَ كَالْمُلُوكِ عَلَى الْأَسِرَّةِ قَالَتْ فَادْعُ اللَّهَ أَنْ يَجْعَلَنِي مِنْهُمْ فَدَعَا لَهَا ثُمَّ نَامَ الثَّانِيَةَ فَفَعَلَ مِثْلَهَا فَقَالَتْ مِثْلَ قَوْلِهَا فَأَجَابَهَا مِثْلَهَا فَقَالَتْ ادْعُ اللَّهَ أَنْ يَجْعَلَنِي مِنْهُمْ فَقَالَ أَنْتِ مِنْ الْأَوَّلِينَ فَخَرَجَتْ مَعَ زَوْجِهَا عُبَادَةَ بْنِ الصَّامِتِ غَازِيًا أَوَّلَ مَا رَكِبَ الْمُسْلِمُونَ الْبَحْرَ مَعَ مُعَاوِيَةَ فَلَمَّا انْصَرَفُوا مِنْ غَزْوِهِمْ قَافِلِينَ فَنَزَلُوا الشَّأْمَ فَقُرِّبَتْ إِلَيْهَا دَابَّةٌ لِتَرْكَبَهَا فَصَرَعَتْهَا فَمَاتَتْ.

BIBLIOGRAFIE
– Robert G. Hoyland, In God’s Path: The Arab Conquests and the Creation of an Islamic Empire, Oxford 2015, blz. 90–93, 103–110.
– Hugh Kennedy, De grote Arabische veroveringen. Vert. Guus Houtzager, Amsterdam/ Antwerpen 2008, hst. 10. Het origineel: The Great Arab Conquests. How the Spread of Islam Changed the World We Live In, London 2007, ch. 10.

Diacritische tekens: Muʿawiya, Umm Ḥarām bint Milḥān, ʿUbāda ibn al-Ṣāmit, Ṭarṭūs, Ṣawārī

Terug naar Inhoud        Voor de Duitse vertaling click hier.

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

De vermeende ziekte van Mohammed – 3: acromegalie

Vervolg op: De vermeende ziekte van Mohammed – 2: hysterie

Herman Somers (1921–2004)
De biografische informatie die ik over deze auteur heb gevonden is niet erg solide; ik presenteer ze dus onder voorbehoud. Somers was geen arts, maar een gepromoveerd psycholoog, werkzaam in Leuven, maar niet aan de universiteit. Hij was aanvankelijk een Jezuïet, gepromoveerd als psycholoog, maar werd later scepticus en publiceerde veel over psychopathologische elementen in de uitingen van diverse profeten en godsdienststichters. Aan zijn geschriften te zien was een van zijn voornaamste doelstellingen het ontmaskeren van godsdiensten.
.
Ook Somers heeft zich verstout, een patiënt te diagnostiseren die hij niet had gezien en die al heel lang dood was: Mohammed. Ook hij kon zijn beeld van de profeet slechts opbouwen op grond van teksten, en daarvan had hij er heel wat minder ter beschikking dan Sprenger, omdat hij geen Arabisch kende en dus op vertalingen was aangewezen. Gezegd moet echter worden dat hij zich zeer heeft ingespannen, vertalingen te vinden.
.
Niet zijn hele boekje gaat over de ziekte van Mohammed. Hij maakt zijn eigen keuze uit de vertalingen van de bronnen en begint met diens biografie samen te vatten met veel aandacht voor de psychologie. Mohammeds vader is al voor zijn geboorte gestorven, zijn moeder toen hij nog een baby was; wat had dat voor psychische gevolgen? Aandacht voor de hechting aan voedster, voor de grootvader die de rol van vader vervulde, maar ook voor Abraham, die in plaats van de afwezige vader kwam. Mohammeds veel oudere echtgenote Khadidja vervulde de rol van een moeder. Ik hecht niet veel waarde aan dit soort psychologisch denkwerk, dat stoelt op de aanname dat de biografische teksten woordelijk weergeven hoe alles werkelijk gebeurde en in elkaar zat.
.
En dat tegen beter weten in. Hij volgt het principe dat men aldus kan samenvatten: ‘We weten bijna niets, maar toch weten we heel veel.’ Dit is een strategie van modern geschoolden met horror vacui: zeg eerst dat de bronnen onbetrouwbaar zijn en dat we bijna niets weten en schrijf daarna een gedetailleerde biografie. Rodinson (Mahomet, 1961) was zich reeds terdege bewust van het karakter van de bronnen en schreef vervolgens een dikke biografie, alsof dat nog mogelijk was! Bij F. E. Peters (Muhammad and the origins of Islam, 1994) is het niet anders, om van Tilman Nagel (Mohammed. Leben und Legende, 2008) maar te zwijgen. Somers doet iets dergelijks: ‘Als we heel streng willen zijn kunnen we zeggen dat we alles wat we […] weten rustig op een kleine briefkaart kunnen schrijven’ (p. 12). Maar als hij hadithen leest heeft hij ‘sterk de indruk dat ze voor een groot deel authentiek zijn,’ namelijk omdat ze zo gedetailleerd zijn—een oude valstrik. De teksten waarin hij Mohammeds ziektebeeld meent te ontwaren móeten wel echt zijn, want zij bevestigen wat de (serieuze, medische) wetenschap leert (p. 18–19).
.
Hoe zit het nu met die ziekte? Welnu, de ‘andere Mohammed’ is niet anders, dat valt dadelijk op. Eeuwenlang is Mohammed afgeschilderd als een geestelijk gestoorde bedrieger en seksmaniak. Even leek het of dat voorbij was, maar bij Somers zijn de hoofdlijnen weer als vanouds:
Mohammed was geestesziek. Daaruit vloeide voort dat hij impotent en (daarom) bezeten van seks. Ook zijn leugenachtigheid, wreedheid en wraakzucht zijn vanuit zijn ziekte te verklaren.
Maar epilepsie of hysterie als oorzaak van dit alles, dat wilde er bij Somers niet in. Volgens hem leed Mohammed aan acromegalie, een ziekte die voortkomt uit een tumor van de hypofyse. ‘Wanneer deze in de hersenen overdruk veroorzaakt gaan mensen dingen zien en horen die er niet zijn.’ Ik vat nog wat symptomen samen: grote oren, neus, kin, handen en voeten; mals aanvoelende handpalmen en dikke vingers; een diepe stem; rugpijn door vergroeide wervels; sterk zweten; sterke beharing; een geelachtige huidskleur, vraatzucht, een kippenborst; impotentie; neiging tot hallucinaties en hallucinosen; bij apoplexie hevige hoofdpijn en bewustzijnsstoringen. De aandoening komt vooral voor na het veertigste levensjaar, de meeste patiënten sterven rond hun zestigste. (Somers 70–79).
Genoemde symptomen en nog meer heeft Somers in de bronnen over de profeet bevestigd menen te vinden.
.
Om Mohammed acromegaal te krijgen moest Somers nogal aanrommelen met zijn bronnen. Acromegalie-patiënten hebben een zeer grote kin en een grove huid. Deze symptomen heeft Somers nergens teruggevonden: de teksten zwijgen over die kin en noemen Mohammeds huid juist mooi. Maar geen nood: de symptomen gingen natuurlijk schuil onder zware baardgroei (p. 75–6)! De huid van acromegalen schijnt gelig te zijn. Volgens een overlevering was Mohammed ‘niet licht en niet donker, eerder iets rossig.’ Maar gelig of rossig, voor Somers is dat blijkbaar hetzelfde. Zo drukte hij teksten in model. Bovendien heeft hij niet alle beschikbare teksten kunnen of willen zien. Er zijn namelijk nog andere beschrijvingen van Mohammed. Om maar iets te noemen: de Profeet zou brede schouders gehad hebben; hoe past dat bij een kippenborst?
.
Somers’ drijfveer is duidelijk niet een streven naar wetenschap, maar een hartgrondige hekel aan godsdienst en vooral aan de islam, waarvan ‘wij’ — wie bedoelt hij? — een natuurlijke afkeer hebben. De ziekte van Mohammed heeft hij nodig, omdat volgens hem de koran in elkaar is gezet door Mohammed en de hele islam aan diens zieke brein ontsproten is, en van de islam is niets goeds te verwachten. Geen wonder dan ook, dat de Nederlandse politicus Geert Wilders erg over dit boekje te spreken was.
.
Op Somers’ misvattingen, denkfouten en zijn omgang met de bronteksten hoop ik nog terug te komen nadat ik ook Armin Geus behandeld heb, die Mohammed voor schizofreen hield.

De vermeende ziekte van Mohammed – 4: schizofrenie

BIBLIOGRAFIE
– Herman Somers, Een andere Mohammed, Antwerpen/Baarn 1993. Online hier.

Terug naar Inhoud

Racisme bij de vroegste moslims? Het geval Bilal

Als er racisme bestond bij de oude Arabieren en/of de eerste moslims zou daar iets van kunnen blijken in de verhalen over Bilāl ibn Rabāḥ al-Ḥabashī, de eerste moëddzin, die een zwarte moeder had.
Maar het blijft de vraag of daar iets te halen is, want de verhalen over de vroegste islam vormen een onontwarbare kluwen van historische feiten, legenden, idealisering, wetsregels en ideologie. Veel van de teksten over hem zijn pas een eeuw na hem of nog later geschreven en bevatten dus geen informatie over eventueel racisme in de vroegste tijd. Toch wil ik hier even wat teksten over hem bekijken.
.
Bilāl was in Mekka geboren als slaaf van een man uit de stam Djumaḥ. Zijn moeder Ḥamāma was een Ethiopische slavin. Hij zal dus een donkere huid hebben gehad en misschien kroeshaar.
Volgens de Wikipedia werd hij geboren op 5 maart 581 en stierf hij op 2 maart 640; nu ja, voor wie dat soort dingen gelooft. Meestal weet de Wiki minder dan er geweten kan worden, maar soms meer.
.
Er wordt verteld dat hij de slaaf was van Umayya ibn Khalaf al-Djumaḥī, een lid van  de pre-islamitische elite van Mekka, of van iemand anders uit dezelfde stam. Zodra de naam Umayya valt moet de historicus extra op zijn hoede zijn. Deze Umayya is immers de stamvader van de dynastie der Umayyaden (661–750), en die hadden bij de latere islamitische geschiedschrijvers een slechte pers, zodat er aan de teksten over hen heel wat gemanipuleerd is .
Bilāl was blijkbaar een prima slaaf, want we krijgen te horen dat hem het beheer over de sleutels tot de afgoden werd toevertrouwd.1 Wat dat precies betekent is niet duidelijk, maar het klinkt als een verantwoordelijke en eervolle taak. Hier dus alvast geen spoor van racisme: een zwarte slaaf werd blijkbaar geacht deze in die omgeving belangrijke functie te kunnen vervullen. Volgens de islamitische regels kan een slaaf géén religieuze functie vervullen; in de pre-islamitische barbarij was dat anders, wil deze tekst misschien vooral benadrukken.
.
Vanuit heidens gezichtspunt liep het echter fout, want Bilāl sloot zich aan bij de beweging van Mohammed. Traditioneel uitgedrukt: hij werd moslim, en wel als een van de allereersten. De islam wordt vaak afgeschilderd als aantrekkelijk voor sociaal zwakkeren, en dus ook voor slaven. Toen Umayya lucht kreeg van zijn overgang was hij razend en liet hem folteren:

  • Bilāl, de vrijgelatene van Abū Bakr, was geboren als slaaf van iemand uit de stam Djumaḥ. Zijn vader heette Rabāḥ en zijn moeder Ḥamāma. Hij was een oprecht moslim en rein van hart. Umayya ibn Khalaf de Djumaḥiet nam hem soms mee naar de open vlakte bij Mekka, op het heetst van de dag; dan gooide hij hem op zijn rug, liet een groot rotsblok op zijn borst leggen en zei tegen hem: ‘Zo blijf je liggen tot je sterft, tenzij je Mohammed afzweert en Lāt en ‘Uzza aanbidt.’ Maar tijdens die marteling bleef Bilāl roepen: ‘Eén God! Eén God!’
    Hishām ibn ‘Urwa heeft gehoord van zijn vader: Op een keer, terwijl Bilāl zo gemarteld werd, kwam Waraqa ibn Nawfal daar langs. ‘Ja, Bilāl: zo is het, één God!’ zei hij; vervolgens wendde hij zich tot Umayya en de andere Djumaḥieten die hem dat aandeden: ‘Ik zweer bij God, als jullie hem op deze manier ombrengen zal ik van zijn graf een bedevaartplaats maken.’
    Ook Abū Bakr kwam op een dag langs de plaats waar ze hem martelden, want zijn huis lag in de wijk van de stam Djumaḥ. Hij vroeg Umayya:
    ‘Vrees jij God niet, dat je deze stakker zo behandelt? Hoe lang moet dat nog doorgaan?’
    ‘Je hebt hem toch zelf bedorven?’ antwoordde Umayya, ‘dus zie nu ook maar dat je hem hieruit helpt.’
    ‘Dat doe ik!’ zei Abū Bakr, ‘ik heb een zwarte slaaf die forser en sterker is dan hij, en die jouw geloof is toegedaan. Die geef ik je, in ruil voor Bilāl.’
    Daarmee ging Umayya akkoord. Abū Bakr gaf hem die slaaf en liet Bilāl vrij.2

Een volkomen geïslamiseerd martelarenverhaal dus. Maar werd Bilāl mishandeld omdat hij zwart was? Geen spoor daarvan in de overlevering: de reden was dat hij zich bij Mohammed had aangesloten, dát was erg. Wel werd volgens deze tekst een zwarte slaaf ingeruild voor een andere zwarte slaaf; het was voor deze auteur dus inderdaad een aparte categorie. Maar volgens een andere versie werd Bilāl ingeruild voor een ongespecificeerde slaaf, of voor een slavengezinnetje van drie personen.
.
Voortaan geen slavenwerk meer voor Bilāl, maar wat moest hij nu eens gaan doen? Hij had geen stamverband waarop hij kon terugvallen. Een tijdje werkte hij als herder voor zijn weldoener Abū Bakr. Maar hij had een mooie, krachtige stem en Mohammed benoemde hem kort na de hidjra tot zijn adjudant, beheerder van de schatkist en tot moëddzin, de oproeper tot de dagelijkse gebeden. Een hadith over dat laatste gaat als volgt:

  • … van ‘Abdallāh ibn ‘Umar: Toen de moslims in Medina waren gekomen kwamen ze altijd samen om de tijden van het gebed vast te stellen; in die tijd riep nog niemand ertoe op. Toen zij daar op een dag over spraken zeiden sommigen: ‘Laten we kleppers gebruiken, net als de christenen.’ Anderen zeiden: ‘Nee, een hoorn, net als de joden. ‘Umar zei: ‘Waarom sturen we niet een man om tot het gebed af te roepen.’ Toen zei de profeet: ‘Bilāl, sta op en roep op tot het gebed!’ 3 

.

Bilal

Bilals oproep tot het gebed vanaf de Ka‘ba

Bij deze benoeming door de profeet werden er geen racistische commentaren gehoord. Maar er wordt verteld dat hij Bilāl bij de verovering van Mekka opdroeg, de oproep tot het gebed vanaf het dak van de Ka‘ba te verrichten, en bij die gelegenheid waren er wél racistische geluiden: 

  • [Het vers 49:13] werd geopenbaard over Bilāl, de moëddzin (maar er werd ook gezegd over Salmān de Pers), en over vier mannen uit Quraysh, namelijk ‘Attāb ibn Asīd ibn abī al-‘Īṣ, al-Ḥārith ibn Hishām, Suhayl ibn ‘Amr en Abū Sufyān ibn Ḥarb, allen uit Quraysh. Het was zo, dat de profeet na de verovering van Mekka Bilāl opdracht gaf bovenop de Ka‘ba te klimmen en daar de oproep tot het gebed te doen. Zo wilde hij de heidenen vernederen. Toen Bilāl erop geklommen was en de oproep verrichtte zei ‘Attāb: ‘God zei geprezen, dat hij [mijn vader] Asīd vóór deze dag tot zich heeft genomen.’ En Ḥārith zei: ‘Ik ben verbaasd over deze Ethiopische slaaf; kon de profeet niets anders vinden dan deze zwarte raaf[, deze ongeluksvogel]?’ Suhayl zei: ‘Als God een hekel aan iets heeft verandert hij het.’ En Abū Sufyān zei: ‘Ik zeg maar niets, want als ik iets zou zeggen zou de hemel tegen mij getuigen en de aarde over mij berichten.’
    Toen daalde Gabriël af tot de profeet en vertelde hem wat zij gezegd hadden. De profeet liet hen komen en zei: Wat zei jij daar, ‘Attāb? Je hebt gelijk. En jij, Ḥārith? Je hebt gelijk. En jij, Suhayl? Je hebt gelijk. En jij, Abū Sufyān? Je hebt gelijk.
    Toen openbaarde God: ‘O Mensen! Wij hebben jullie …’ enz. [koran 49:13], over Bilāl en die vier mannen […]4

In varianten op dit verhaal komen nog deze uitingen voor: ‘Kijk toch eens, die Ethiopiër!’, ‘die zwarte,’ ‘die slaaf’ en ‘die zoon van een zwarte vrouw. Hier is dus wel racisme te onderkennen, zij het van de kant van enkele inwoners van het nog heidense Mekka, die de nieuwe tijd nog niet hadden begrepen. Dit incident zou de ‘aanleiding tot de openbaring’ van koran 49:13 zijn geweest—hoewel voor dat vers ook andere ‘aanleidingen’ worden aangegeven:

  • ‘O Mensen, Wij hebben jullie uit een man en een vrouw geschapen en Wij hebben jullie tot volkeren en stammen gemaakt opdat jullie elkaar zouden kennen. De voortreffelijkste van jullie is bij God de godvrezendste.’5

Het is goed mogelijk dat het verhaal over Bilāl op de Ka‘ba is verzonnen naar aanleiding van dat koranvers. In dat geval is het dus waardeloos voor de geschiedschrijving, maar het laat wel zien dat de (latere) auteurs op racistische ideeën konden komen. Van moslimzijde echter geen racisme in verband met Bilāl. Hoe zou het ook? Hij stond in hoog aanzien: hij was moëddzin, adjudant en schatbewaarder van de profeet en nam aan al diens veldtochten deel en later nog in Syrië aan de djihad. De vroege moslims hebben zijn verschijning juist tot aanleiding genomen om via de verbinding met een koranvers ieder racisme of stam-chauvinisme te bestrijden. Dat was ook wel zo praktisch, want er waren vele zwarten en buitenlanders die, toen ze moslim geworden waren, recht hadden op gelijkwaardige behandeling.

In één versie van de afscheidsrede van de profeet bij zijn laatste bedevaart staat het nog duidelijker:

  • ‘Mensen! Jullie Heer is één, en jullie vader is één. Een Arabier staat niet boven een niet-Arabier, en een niet-Arabier niet boven een Arabier. Een rode (aḥmar) staat niet boven een zwarte, en een zwarte niet boven een rode, tenzij in godsvrucht.’6

Volgende te onderzoeken onderwerpen:
Racisme in de Oudheid
De zwarte dichter ‘Anṭara
Racisme in de oude Arabische poëzie?
De latere poëzie
De racistische theorieën, o.a. van al-Djāḥiẓ

NOTEN
1. Is een beetje vaag verhaal, moet nog een solide bron zoeken.@
2. Ibn Isḥāq, 205:

وكان بلال، مولى أبي بكر ر لبعض بني جمح، مولَّدا من مولديهم، وهو بلال بن رباح وكان اسم أمه حمامة وكان صادق الاسلام طاهر القلب. وكان أمية بن خلف بن وهب بن حذافة بن جمح يخرجه إذا حميت الظَهيرة فيطرحه على ظهره في بطحاء مكة، ثم يأمر بالصخرة عظيمة فتتوضع على ظهره ثم يقول: لا والله لا تزال هكذا حتى تموت، أو تكفر بمحمد وتعبد اللات والعزى، فيقول في ذلك البلاء: أَحَد أحد.
قال ابن إسحاق: وحدثني هشام بن عروة عن أبيه، قال: كان ورقة بن نوفل يمر به وهو يعذَّب بذلك وهو يقول: أَحَد أحد. فيقول٬ أحد أحد والله يا بلال. ثم يقبل على أمية بن خلف ومن يصنع ذلك به من بني جمح فيقول: أحلف بالله لئن قتلتموه على هذا لأتخذنّه حنانا، حتى مر به أبو بكر الصديق ر يوما وهم يصنعون ذلك به، وكانت دار أبي بكر في بني جمح، فقال لأميّة بن خلف: ألا تتقى الله في هذا المسكين؟ حتى متى؟ قال: أنت الذي أفسدته فأنقِذْه مما ترى. فقال أبو بكر: أفعلُ، عندي غلام أسود أجلد منه وأقوى، على دينك، أُعطيكه به. قال: قد قبلت فقال: هو لك. فأعطاه أبو بكر الصديق ر غلامه ذلك وأخذه فأعتقه.

3. Muslim, Ṣaḥīḥ, Ṣalāt 1: حَدَّثَنَا إِسْحَاقُ بْنُ إِبْرَاهِيمَ الْحَنْظَلِيُّ، حَدَّثَنَا مُحَمَّدُ بْنُ بَكْرٍ، ح وَحَدَّثَنَا مُحَمَّدُ بْنُ رَافِعٍ، حَدَّثَنَا عَبْدُ الرَّزَّاقِ، قَالاَ أَخْبَرَنَا ابْنُ جُرَيْجٍ، ح وَحَدَّثَنِي هَارُونُ بْنُ عَبْدِ اللَّهِ، – وَاللَّفْظُ لَهُ – قَالَ حَدَّثَنَا حَجَّاجُ بْنُ مُحَمَّدٍ، قَالَ قَالَ ابْنُ جُرَيْجٍ أَخْبَرَنِي نَافِعٌ، مَوْلَى ابْنِ عُمَرَ عَنْ عَبْدِ اللَّهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّهُ قَالَ كَانَ الْمُسْلِمُونَ حِينَ قَدِمُوا الْمَدِينَةَ يَجْتَمِعُونَ فَيَتَحَيَّنُونَ الصَّلَوَاتِ وَلَيْسَ يُنَادِي بِهَا أَحَدٌ فَتَكَلَّمُوا يَوْمًا فِي ذَلِكَ فَقَالَ بَعْضُهُمُ اتَّخِذُوا نَاقُوسًا مِثْلَ نَاقُوسِ النَّصَارَى وَقَالَ بَعْضُهُمْ قَرْنًا مِثْلَ قَرْنِ الْيَهُودِ فَقَالَ عُمَرُ أَوَلاَ تَبْعَثُونَ رَجُلاً يُنَادِي بِالصَّلاَةِ قَالَ رَسُولُ اللَّهِ ص يَا بِلاَلُ قُمْ فَنَادِ بِالصَّلاَةِ ‏

4. Muqātil ibn Sulaymān, Tafsīr iv, 96–7:

نزلت في بلال المؤذن وقالوا في سلمان الفارسي وفي أربعة نفر من قريش، في عتاب بن أسيد بن أبي العيص، والحارث بن هشام، وسهيل بن عمرو، وأبي سفيان بن حرب، كلهم من قريش. وذلك أن النبي ص لما فتح مكة أمر بلالا فصعد ظهر الكعبة وأذّن، وأراد أن يذل المشركين بذلك. فلما صعد بلال وأذّن قال عتاب بن أسيد: الحمد لله الذي قبض أسيد قبل هذا اليوم. وقال الحارث بن هشام: عجبت لهذا العبد الحبشي أما وجد رسول الله ص الا هذا الغراب الأسود؟ وقال سهيل بن عمرو: إن يكرهْ الله شيئا يغيّره، وقال أبو سفيان: أما أنا فلا أقول، فإني لو قلت شيئا لتشهدنّ عليّ السماء وتخبر عني الأرض.
فنرل جبريل على النبي ص فأحبره بقولهم فدعاهم النبي ص فقال: كيف قلت يا عتاب؟ قال قلت: الحمد لله الذي قبض أسيد قبل هذا اليوم. قال: صدقت. ثم قال للحارث بن هشام: كيف قلت؟ قال قلت: عجبت لهذا العبد الحبشي أما وجد رسول الله ص الا هذا الغراب الأسود؟ قال: صدقت. ثم قال لسهيل بن عمرو: كيف قلت؟ قال قلت: إن يكرهْ الله شيئا يغيّره. قال: صدقت. ثم قال لأبي سفيان: كيف قلت؟ قال قلت: أما أنا فلا أقول، فإني لو قلت شيئا لتشهدنّ عليّ السماء وتخبر عني الأرض. قال: صدقت.
فأنرل الله ت فيهم {يا أيها الناس} يعني بلالا وهؤلاء الأربعة … الخ

Verwante teksten in Ibn Sa‘d, Ṭabaqāt iii, 234-5:  أن رسول الله ص أمر بلالًا أن يؤذّن يوم الفتح على ظهر الكعبة، فأذّن على ظهرها والحارث بن هشام وصفوان بن أميّة قاعدان فقال أحدهما للآخر: أنظر الى هذا الحبشي، فقال الآخر: إنْ يكرهه الله يغيّره ; ‘Abd al-Razzāq al-Ṣan‘ānī, Muṣannaf 19464; Ibn abī Shayba, Muṣannaf xiv:487 (@niet gezien); al-Ya‘qūbī, Historiae ii, 62.
5. Koran 49:13, vertaling Leemhuis. In de huidige Arabische wereld is wel veel racisme. Men is het koranvers blijkbaar vergeten.
6. Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad v, 411; nr. 22391 حدثنا إسماعيل، حدثنا سعيد الجريري، عن أبي نضرة، حدثني من، سمع خطبة، رسول الله ص في وسط أيام التشريق فقال يا أيها الناس ألا إن ربكم واحد وإن أباكم واحد ألا لا فضل لعربي على أعجمي ولا لعجمي على عربي ولا لأحمر على أسود ولا أسود على أحمر إلا بالتقوى. De ‘zwarten’ zijn in deze tekst de Arabieren, de ‘roden’ de Perzen, die een wat lichtere huid hadden.

BIBLIOGRAFIE
– Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen, 2 dln., 1858–60 [editio princeps van de Arabische tekst]. Ook online ter beschikking.
– Ibn Sa‘d, aṭ-Ṭabaqāt al-kubrā, uitg. Iḥsān ‘Abbās, 9 dln., Beiroet (Dār Ṣādir), z.j., vooral iii 232–239.
– Muqātil ibn Sulaymān, Tafsīr, uitg. ‘Abdallāh Maḥmūd Shiḥāta, 5 dln. Cairo 1979-89.
– Muslim ibn Ḥadjdjādj, Ṣaḥīḥ, uitg. Fu’ād ʿAbd al-Bāqī, 5 dln., Cairo 1955. Ook online.

Terug naar Inhoud

Besmetting: sprak de profeet zich zelf tegen?

🇩🇪  Uit het internet woei mij een artikel aan over besmetting in de hadith van de profeet.1 Het is door twee Pakistaanse moslims geschreven en het lijkt een degelijk artikel binnen het kader van de islamitische hadithwetenschap. Aan Europese universiteiten zou het gebruikt kunnen worden om te laten zien hoe deze functioneert. Mij persoonlijk heeft het weer eens duidelijk gemaakt waarom islamitische wetenschap me zo verveelt en ik er niets mee te maken wil hebben.
.
Bestaat er besmetting? In hadithen van de profeet wordt die vraag soms met ja, soms met nee beantwoord. Had de profeet dan twee meningen over hetzelfde onderwerp, of is hij in de loop van zijn leven zo drastisch van mening veranderd?De doelstelling van de auteurs staat meteen in de korte samenvatting vooraan: Both categories of ahādīth seem contrary to each other and demand a detailed insight into this matter in order to remove the apparent contradiction between them. De ‘schijnbare tegenstrijdigheid’ wegwerken, dat is het doel. Ze gaan aantonen dat de uitspraken van de profeet elkaar niet tegenspreken, en wel met behulp van de eeuwenoude hadithwetenschap. 

Hun vooronderstellingen zijn:
1. Correct overgeleverde hadithen gaan terug op de profeet. Er staan uitspraken in die hij werkelijk heeft gedaan, en de daar beschreven handelingen heeft hij werkelijk verricht. Correcte hadithen zijn dus een geschiedbron van jewelste.
2. De profeet had altijd gelijk en sprak zich zelf nooit tegen. Wel kan eventueel een latere uitspraak van hem een eerdere afschaffen. Niet dat hij zich ooit vergist had, maar de omstandigheden veranderden steeds, zodat soms een andere uitspraak nodig werd.
3. De eeuwenoude hadithwetenschap (bloeitijd ± 770–1500) is nog geldig, wat in de oude boeken over de overleveraars geschreven staat is meestal betrouwbaar en de methoden om vast te  stellen of een overleveringsketen (isnād) correct is, zijn onverminderd dezelfde.
4. Een vooronderstelling van de auteurs over dit specifieke onderwerp: Ja, besmetting bestaat. Ze zijn modern en levenswijs genoeg om dat in te zien en dat deden ze al voordat ze aan dit artikel begonnen.
.
Nu die besmetting. De meeste mensen hadden en hebben wel een besef dat er zoiets bestaat, en er zijn hadithen waarin daarvan wordt uitgaan. Maar er is ook de uitspraak van de profeet: lā ‘adwā, ‘Er is geen besmetting,’ en er is een verslag over de profeet die eet met een melaatse en zijn hand met hem in dezelfde schotel doopt, aldus tonend dat hij geen besmetting vreesde.  Daar moesten de auteurs, en moeten moslims in het algemeen iets op vinden, want zo’n tegenstrijdigheid is onverdraaglijk.
De auteurs hebben een aantal hadithen over het onderwerp verzameld. Ik vertaal hier hun vertalingen uit hun Engels. Mijn eigen, wat vlottere vertalingen komen op blz. 2.

  • T1: De profeet heeft gezegd: ‘Er is geen ‘adwā (geen besmettelijke ziekte wordt overgebracht zonder God’s toestemming), geen ṣafar (geen slecht voorteken de maand ṣafar) en geen hāmma (geen slecht voorteken i.v.m een uil).’ Toen stond er een bedoeïen op die vroeg: ‘Hoe is het dan met kamelen, die er in het zand zo prachtig bijstaan als herten? Als daar een schurftig dier bij komt krijgen zij ook schurft.’ Toen zei de profeet: ‘Maar wie heeft dan de eerste besmet?’3
  • T2: De profeet nam bij een maaltijd de hand van een melaatse en doopte die te samen met zijn eigen hand in de schotel. Hij zei: „Zeg: in hoop en vertrouwen op God!’ 4
  • T3: De profeet heeft gezegd: ‘Er is geen ‘adwā (geen besmettelijke ziekte die wordt overgebracht zonder God’s toestemming), geen ṣafar (geen slecht voorteken de maand ṣafar) en geen hāmma (geen slecht voorteken i.v.m een uil) en voor een melaatse moet je wegvluchten als voor een leeuw.’5 
  • T4: De profeet heeft gezegd: ‘Kijk niet voortdurend naar melaatsen!’6
  • T5: De profeet heeft gezegd: De pest is een ramp die gezonden werd over de Kinderen Israëls of over mensen die vóór jullie leefden. Als jullie horen dat in een gebied de pest heerst, ga daar dan niet heen. Maar als hij uitbreekt in een gebied waar jullie al zijn, ga er dan niet voor op de vlucht.’7 

De beide Pakistaanse auteurs geven vervolgens weer wat zij in oude commentaren en andere bronnen uit vele eeuwen over deze hadithen hebben gevonden. Zij stellen vast dat de oude geleerden twee methoden gebruiken: tardjīḥ, het tegen elkaar afwegen van hadithen, meestal op grond van de isnād; en taṭbīq of djam‘, waarvan ik niet precies weet wat het is, maar dat het meest lijkt op harmoniseren en weginterpreteren.
.
Ontkenning van besmetting
Volgen we eerst de geciteerde personen die het bestaan van besmetting ontkennen. Zij vinden steun in de duidelijke uitspraak van de profeet in T1: ‘Er is geen besmetting,’ en een bevestiging in een handeling van hem in T2, waar de profeet eet met een melaatse—als hij bang geweest was voor besmetting had hij dat niet gedaan. Er blijken nog vier teksten te bestaan, die vertellen hoe vooraanstaande gezellen van de profeet uitdrukkelijk met melaatsen aten en aldus diens handelen bevestigden. Soms gaven ze zelfs complete leprozendiners!8 Aisja, de vrouw van de profeet, maakte het ook heel bont: zij zou een melaatse slaaf gehad hebben die van haar schotel at, uit haar beker dronk en vaak op haar slaapplek sliep—waarbij zij zich om besmetting niet de minste zorgen maakte.
Een tekst als T4: ‘niet voortdurend kijken naar melaatsen,’ die waarschijnlijk uitgaat van besmetting, wordt door de ontkenners geëlimineerd omdat de isnād zwak is. Hetzelfde geldt voor nog twee niet-profetische overleveringen, die aanbevelen een melaatse op een, resp. twee speerlengten afstand van zich vandaan te houden. Aantonen dat een isnad zwak is is een klassieke islamitische manier om een ongewenste hadith te elimineren. Een andere manier is een tekst door een latere tekst als afgeschaft te beschouwen. Van T3: ‘Vlucht voor een melaatse…’ wordt wel gezegd dat deze is afgeschaft door T2, waarin de profeet zijn hand met een melaatse in de schotel doopt.
De geleerden die T3 niet meteen verwerpen hebben in de loop der eeuwen verschillende andere manieren gevonden om hem onschadelijk te maken. Ze zeggen bij voorbeeld: je vlucht niet omdat je bang bent voor besmetting, maar om die arme melaatse niet te kwetsen. Met dat niet kijken naar een melaatse is het net zo: het gaat daar niet om vrees voor besmetting, maar om discretie, consideratie met de melaatse.
Of als je meent, schade te ondervinden door een melaatse, als zijn geur je niet bevalt of je zijn nabijheid slecht verdraagt, of als je afkeer ondervindt, ja dan moet je weggaan. Je blijft bij een melaatse uit de buurt zoals je ook een overhellende muur of een kapot schip vermijdt.
Of, heel ingewikkeld: je moet weglopen van een melaatse omdat je anders als je ziek wordt misschien zou denken dat het door besmetting komt, wat de profeet heeft uitgesloten. Dit argument komt vaak voor; reeds Abū ‘Ubayd (gest. 838) zegt dat je gezonde dieren niet samen met zieke dieren moet laten drinken, want als ze dan ziek worden zou je in de verleiding kunnen komen te denken dat er besmetting is. In werkelijkheid worden die andere dieren ziek door de wil van God en niets anders.
Dat is inderdaad de reden waarom besmetting überhaupt wordt ontkend: het is telkens opnieuw een goddelijk raadsbesluit dat maakt dat iemand ziek wordt of juist niet.

Erkenning van besmetting
Maar ook degenen die wel geloofden dat er besmetting is moesten aan de slag. Weliswaar hadden zij hun eigen waarneming van het optreden van besmetting, en enkele meervoudig en correct overgeleverde hadithen (T3, T5 en eventueel T4) die deze bevestigden, maar zij moesten enkele andere profetische hadithen onschadelijk maken, die besmetting duidelijk loochenen: T2, ‘de profeet eet met een melaatse,’ wordt beschouwd als niet correct overgeleverd; die tekst kan dus niet zo veel kwaad meer. Nadrukkelijk overeind staat nog de correct overgeleverde overduidelijke uitspraak en van de profeet: ‘Er is geen besmetting’ (T1/3), maar daar hebben de diverse erkenners van besmetting een oplossing voor gevonden.
– Men maakt die uitspraak bij voorbeeld verteerbaar door er iets bij te denken. Natuurlijk is er besmetting, dat weet iedereen; met zijn uitspraak bedoelde de profeet uiteraard: ‘Er is geen besmetting, behalve door melaatsheid, bars en andere ziekten.’ Vandaar dat je wel degelijk voor een melaatse moet vluchten.9
– Anderen denken er iets anders bij: ‘Er vindt geen besmetting van nature plaats,’ m.a.w. het is God die beslist of er besmetting optreedt of niet; ten bewijze daarvan kon de profeet rustig zijn hand met die van een melaatse in een schotel dopen. Een zekere al-Turbushtī, een geleerde uit de dertiende eeuw, vond deze opvatting de juiste, ‘omdat zij overeenstemming tussen de hadithen over dit onderwerp mogelijk maakt.’10
– Weer anderen meenden dat ‘Er is geen besmetting,’ niet de besmetting wil loochenen, maar het geloof dat er besmetting bestaat door iets anders dan God.11 De retorische vraag van de profeet in T1: ‘Maar wie heeft dan de eerste besmet?’ past goed bij deze opvatting.
– Ibn Qutayba (± 828–889) was een literaat, geen medicus, maar hij begreep best hoe besmetting werkt: door aanraking (mulāmasa) of door druppeltjesinfectie via de ingeademde lucht (al-shamm al-rā’iḥa), vooral via huisgenoten (mukhālaṭa). Toch heeft hij geen moeite met de uitspraak van de profeet: ‘Er is geen besmetting (‘adwā),’ want de door hem beschreven overdracht van ziekten ís domweg geen ‘adwā. Wat dat dan wél is zegt hij niet; het blijkt althans niet uit het Pakistaanse artikel. Onder andere Ibn Ḥadjar al-‘Asqalānī (1372–1449) volgt dezelfde gedachtengang, maar hij zegt wél wat ‘adwā is: dat is dat een ziekte heerst op een zekere plaats, zoals de pest in T5 hierboven. Van zulk een plaats weg te vluchten is niet geoorloofd omdat je dan zou willen ontsnappen aan het raadsbesluit Gods.12
.
Ik heb niet het gehele, lange artikel van de beide auteurs hier samengevat, maar geprobeerd het belangrijkste eruit te halen en naar beste vermogen weer te geven wat de beide auteurs bedoeld hebben. Op enkele punten heb ik hen domweg niet begrepen.
De auteurs zijn te prijzen om hun ijver en hun acribie bij het bijeenzoeken van de vele commentaarteksten. Waar ik echter bezwaar tegen maak is dat hun eigen gedachtengangen in het verlengde verlopen van die eeuwenoude commentaren, die naar de huidige inzichten intellectueel duidelijk te kort schieten. Alle respect, bij voorbeeld, voor een Ibn Qutayba, die in de negende eeuw al behoorlijk goed wist wat besmetting was, maar doodzonde dat hij zich dan in kromme bochten draait om de profeet te sauveren en uiteindelijk beweert dat besmetting vooral geen besmetting is. Ik kan het hem en zijn soortgenoten echter niet kwalijk nemen: eeuwen geleden was men nog niet tot andere gedachtengangen in staat. Anders zou dat kunnen of moeten zijn bij de beide moderne Pakistaanse auteurs; die hebben toch wel eens een middelbare school van binnen gezien? Maar helaas, zij nemen die stokoude drogredenen serieus, koken er hun eigen soepje van en baseren er hun eigen conclusie op: Er is wel besmetting, maar ‘geen besmettelijke ziekte wordt overgebracht zonder God’s toestemming.’ Dat is wat mij zo aan dit soort werk verveelt. Je zou ook kunnen zeggen: Ik neem het ze kwalijk dat ze theologie bedrijven, en geen tekstwetenschap. Verkeerd is ook dat zij hun conclusie in hun vertaling van een hadith zetten; dat is echt geknoei. Lā ‘adwā betekent: ‘er is geen besmetting,’ en niet: ‘no contagious disease is conveyed without Allāh’s permission.’ Bij de weergave van een tekst in een andere taal moet er vertaald worden, niet getheologiseerd.
.
Wat mijn eigen vooronderstellingen zijn en wat ik zelf doe met deze elkaar tegensprekende hadithen staat op blz. 2.

NOTEN
1. Muhammad Qasim Butt en Muhammad Sultan Shah, ‘The Concept of Contagiousness in the Ahādīth,’ Pakistan Journal of Islamic Research, 19/1 (2018), 59–75. In het net zag ik het hier, laatstelijk op 6 november 2018.  Een pdf vindt U hier: Butt_Shah, Contagiousness in ahadith.
2. En dit is nog maar één onderwerp; er zijn er talloze waarover de uitspraken van de profeet met elkaar strijdig zijn of lijken.
3. Ik vertaal hier de Engelse vertalingen van de auteurs. Met sommige daarvan ben ik het niet eens en ze kunnen vlotter; zie voor mijn eigen vertalingen blz. 2.
O.a. Bukhārī, Ṭibb 25; Muslim, Salām 101 en vele andere, met diverse profetengezellen als overleveraar: قال رسول الله ص: لا عدوى ولا صفر ولا هامة فقال أعرابي: يا رسول الله فما بال الإبل تكون في الرمل كأنها الظباء فيجيء البعير الأجرب فيدخل فيها فيجربها كلها؟ قال: فمن أعدى الأول
4. Abū Dāwūd, Ṭibb, 24/3925; Tirmidhī, Aṭ‘ima 19a e.a.: أن رسول الله ص أخذ بيد مجذوم فوضعها معه في القصعة وقال: كل ثقة بالله وتوكلا عليه
5. Bukhārī, Ṭibb 19:  قال رسول الله ص: لا عدوى ولا طيرة ولا هامة ولا صفر وفر من المجذوم كما تفر من الأسد.
6. Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad i, 233: قال رسول الله ص: لا تديموا الى المجذومين النظر 
7. Bukhārī, Anbiyā’ 54 (vgl. ook Muslim, Salām 100): … فقال أسامة قال رسول الله ص: الطاعون رجس أُرسل على طائفة من بني إسرائيل أو على من كان قبلكم فإذا سمعتم به بأرض فلا تقدموا عليه، وإذا وقع بأرض وأنتم بها فلا تخرجوا فرارًا منه. قال أبو النضر: لا يخرجكم الاّ فرارا منه  
8. Butt/Shah, Concept 62.
9. لا عدوى ألّا من الجُذام والبرس وغيرها . Wat bars is weet ik (nog) niet; het moet ook een ziekte zijn. Butt/Shah, Concept 70.
10. لا تقع عدوى بطبعها. Butt/Shah, Concept 71.
11. Butt/Shah, Concept 72.
12. Butt/Shah, Concept 72–73.

Terug naar Inhoud