Het begin van Mohammeds profeetschap

Er bestaan enkele oude teksten waarin zonder enig verband met monotheïstische godsdiensten op het aanstaande profeetschap van Mohammed wordt gezinspeeld.

Al-Zuhrī heeft gehoord van ‘Urwa ibn al-Zubayr, en deze had het van Aisja: Toen God Mohammed wilde eren en door middel van hem de mensheid ontferming wilde betonen, begon het profeetschap met een waarheidbrengende droom. Als de Profeet een droom had was die zo helder als de dagenraad. En God gaf hem een hang naar de eenzaamheid; hij was het liefst alleen.1

In de tijd dat God hem wilde eren en het profeetschap wilde laten beginnen was de Profeet gewoon, als hij uitging voor zijn behoefte, ver weg te gaan, tot hij de huizen achter zich had gelaten en terechtkwam in de rotskloven en rivierbeddingen buiten Mekka. De Profeet kon geen steen of boom passeren of deze sprak: ‘Wees gegroet, gezant van God!’ De Profeet keek naar links en naar rechts en achterom, maar hij zag enkel bomen en stenen.2

Toen Mohammed nog bij zijn voedster was werd er kennelijk een onderzoek ingesteld naar zijn geschiktheid voor het profeetschap.

Hij zei: ‘Er kwamen twee mannen in witte kleren naar me toe; ze legden me op de grond, spleten mijn buik open en zochten iets daarin, ik weet niet wat.’3

In een variant op dit verhaaltje wordt er niets gezocht, maar moet Mohammed eerst gereinigd worden voordat hij geschikt is voor zijn hoge roeping. Maar daarna is hij dan ook bij uitstek geschikt:

[…] toen ik eens met een broertje achter onze tenten lammetjes aan het weiden was kwamen er ineens twee mannen in witte kleren aan met een gouden schaal vol sneeuw. Ze pakten mij vast en spleten mijn buik open, haalden mijn hart eruit en spleten ook dat open, ze haalden daar een zwarte bloedklomp uit en gooiden die weg; toen wasten ze mijn hart en mijn buik met de sneeuw tot ze die schoon hadden. Toen zei de een tegen de ander: “Weeg hem af tegen tien man van zijn volk!” Dat deed hij, en ik was zwaarder. Toen zei hij: “Weeg hem af tegen honderd van zijn volk!” Dat deed hij, en ik was zwaarder. Toen zei hij: “Weeg hem af tegen duizend van zijn volk!” Dat deed hij, en ik was zwaarder. Toen zei hij: “Genoeg, want ook als je hem zou afwegen tegen heel zijn volk zou hij zeker zwaarder zijn.”’4

Dat element reiniging is misschien over komen waaien uit de bijbelse verhalen over roepingsvisioenen van profeten; vgl. Jesaja 6:5.

Maar dikwijls richtte men zich in de verhalen over Mohammeds profeetschap wel degelijk tot christenen en joden Men wilde hun bewijzen dat Mohammed een profeet was. Zijn komst was immers in de schriften voorzegd en zijn roeping tot profeet werd daar ook beschreven. In het vroege Arabische rijk waren christenen en joden veruit in de meerderheid en onder hen waren er genoeg die zich afvroegen of Mohammed überhaupt een profeet was. Moslims spanden zich in om hun positieve antwoorden te geven: ja, Mohammed was een profeet; kijk maar.

Dat er een profeet zou opstaan onder de Arabieren konden christenen en joden, volgens de moslims, lezen in hun schriften. Waar in het oude Testament sprake is van de Messias, of een nieuwe profeet, of in het Nieuwe Testament van de komst van de Heilige Geest, werd dit verondersteld te slaan op Mohammed.
Enkele voorbeelden slechts: In Deuteronomium 18:18 wordt er tegen Mozes gezegd: ‘Ik zal in hun midden profeten laten opstaan zoals jij.’ Natuurlijk is Mohammed een van hen.
In Johannes 15:26 voorspelt Jezus de komst van een pleitbezorger (paráklitos, παράκλητος ; vroeger vertaald als ‘trooster’). In het Syrisch is dat munaḥḥemānā. Voor wie dat zo wil zien en niet al te taalkundig is geschoold lijkt dat erg op muḥammad.5
Sommigen moslims suggereren dat er in plaats van paráklitos gelezen moest worden periklitós (περικλυτός), wat ‘beroemd, befaamd, voortreffelijk’ betekent. Dat kon gemakkelijk voor een vertaling van aḥmad of muḥammad ‘geprezen’ doorgaan en ziedaar, ook zo zag men de komst van de profeet Mohammed in het Evangelie voorspeld.
De jonge Mohammed werd ‘herkend’ door de christelijke monnik Baḥīrā’, die het ‘zegel van het profeetschap’ tussen zijn schouders ontdekte,6 en ook door bezoekende Ethiopiërs die de jongen in Mekka te zien kregen.7 Als christenen konden zij allen weten wie hij was, omdat zij hem in hun schriften beschreven hadden gezien.
Er zijn nog meer teksten van deze soort; dit waren maar enkele voorbeelden.

Ook wat Uri Rubin noemt de ‘Khadīdja-Waraqa-story’8 moest de christenen ervan overtuigen, dat Mohammed de in de Schriften voorzegde profeet was.
Dat verhaaltje gaat als volgt: vlak voor zijn roeping tot profeet ondervond Mohammed vreemde tekenen: hij zag lichtverschijnselen en hoorde een stem, wat hem beangstigde. Hij vertelde het zijn vrouw Khadīdja, die hem moed insprak. Zij ging naar haar neef Waraqa ibn Nawfal, die christen was en een gestudeerd man. Deze begreep dadelijk dat Mohammed degene was die in de Schrift beloofd was.

Waraqa ibn Nawfal was christen en had de Schriften bestudeerd. Hij zou zelfs Hebreeuws hebben gekend—wat een prestatie was geweest, omdat de toenmalige Joden die taal nauwelijks meer beheersten.
Toen Mohammed Khadīdja wilde huwen droeg Waraqa enkele verzen voor waarin hij blijk gaf van zijn geloof in Mohammed.
Waraqa’s zuster probeerde zwanger te worden van Mohammeds vader, toen ze deze ontmoette bij de Ka‘ba. ‘Zij had namelijk gehoord van haar broer Waraqa ibn Nawfal, die christen was en de Schriften had bestudeerd, dat er onder dit volk een profeet zou opstaan.’ (Ibn Isḥāq, Sīra (W) 101.)
“Het wachten begon Waraqa lang te vallen; dikwijls verzuchtte hij: ‘Hoe lang nog?’”
Waraqa zou Mohammed toen hij als kind eens verdwaald was hebben thuisbezorgd.

In de eerste tekst waar ik tegenaan liep kwam Khadīdja wel voor, maar Waraqa niet:

[…] van Ḥammād ibn Salama, van Hishām ibn ‘Urwa, van ‘Urwa: dat de profeet zei: ‘Khadīdja, ik zie een licht en ik hoor een stem, ik ben bang dat ik een sjamaan (kāhin) ben.’ Zij zei echter: ‘Dat zou God je niet aandoen, zoon van ‘Abdallāh, jij bent eerlijk, geeft terug wat aan je in bewaring gegeven is en je eerbiedigt de familiebanden.’9 

Het is vrijwel onmogelijk dit soort teksten te dateren en dus te zien welke eerder zijn en welke later. Is Waraqa een latere toevoeging en waren christenen dus nog niet dadelijk de doelgroep? Mogelijk, want de vrees kāhin te zijn zal christenen niet hebben aangesproken; die herinnert eerder aan de koran, waarin herhaaldelijk wordt verklaard dat de profeet geen kāhin en geen bezetene is.

Hoe dan ook, een tekst mét Waraqa, of zullen we het de basistekst met Waraqa noemen? ziet er zo uit:

… van Ḥammād ibn Salama, ik meen van Ibn ʿAbbās, dat de profeet zei: ‘Khadīdja, ik hoor een stem en ik zie een licht en ik vrees dat ik bezeten ben.’ Zij zei echter: ‘Dat zou God je niet aandoen, zoon van ‘Abdallāh.’ Daarop ging zij naar Waraqa ibn Nawfal en vertelde het hem. Hij zei: ‘Als hij de waarheid spreekt is dit de nāmūs zoals de nāmūs van Mozes. Als ik nog leef als hij gezonden wordt zal ik hem sterken en helpen en in hem geloven.’10 

Hier geen sjamaan (kāhin) maar bezetenheid: ook dat klinkt koranisch. Waraqa weet waar de stem en het licht vandaan komen: het is de nāmūs, het Griekse woord nómos (νόμος), ‘gewoonte’; ‘wet’; in de Septuaginta is het de vertaling van Hebr. thora, ‘onderricht’, bijv. in Deut. 33:4 ‘Mozes gaf ons zijn onderricht’. Onderrichting van boven, een openbaring zoals bij de eerdere profeet, is dus in aantocht.

Van het Khadīdja-Waraqa-verhaal bestaan varianten; het ziet ernaar uit dat het in de loop van de tijd steeds uitgebreider werd.

… dat de profeet tegen Khadīdja zei: ‘Telkens als ik alleen buiten loop word ik toegeroepen. Ik ben bang dat het je-weet–wel is.’ Zij zei echter: ‘O nee, dat zou God je niet aandoen, jij geeft terug wat aan je in bewaring gegeven is, jij eerbiedigt de familiebanden en jij bent eerlijk.’ Toen Abū Bakr langs kwam, op een ogenblik dat de profeet niet thuis was, vertelde Khadīdja hem wat er aan de hand was en zei: ‘Atīq, ga jij met Mohammed naar Waraqa.’ Toen de profeet thuiskwam nam Abū Bakr hem bij de hand en zei: ‘Kom, we gaan naar Waraqa.’ ‘Wie heeft het je verteld?’ vroeg hij. ‘Khadīdja,’ antwoordde hij. Ze gingen naar hem toe om het hem te vertellen. Mohammed zei: ‘Telkens als ik alleen buiten loop wordt er achter mij geroepen: Mohammed, Mohammed!’ en dan loop ik hard weg.’ Waraqa zei: ‘Doe dat niet; als hij weer komt, blijf dan staan tot je hoort wat hij zegt en kom dan naar mij toe en vertel het mij.
Toen hij weer alleen uitging riep [de stem] hem toe: ‘Mohammad! Zeg: In naam van God, de barmhartige […] (volgt de Fātiḥa, de eerste soera geheel)’ en zeg: ‘Er is geen god dan God.’
Daarop ging hij naar Waraqa en vertelde het hem. Hij zei: ‘Wees blij, wees blij: ik belijd dat jij degene bent die de zoon van Maria heeft aangekondigd, en dat jij zoiets als de nāmūs van Mozes [hebt ontmoet]. Je bent een profeet die gezonden is en jou zal na vandaag worden opgedragen djihād te voeren. Als ik die dag nog beleef zal ik met je strijden.’
Toen Waraqa stierf zei de profeet: ‘Ik heb de priester in het paradijs gezien, met zijden kleren aan, omdat hij mij voor waar gehouden heeft en in mij geloofd heeft.’11 

Het verhaal krijgt steeds meer trekken een roepingsvisioen, naar analogie van de visioenen van de oudtestamentische profeten. De profeet krijgt de openbaringstekst door een stem aangereikt. In dit geval is het soera 1, meestal is het soera 96:1–5, en er zijn nog andere koranfragmenten geweest die de rol van ‘eerste openbaring’ hebben gespeeld.12 De rol van Waraqa als bevestiger blijft overheersend; met het bijzondere eerbewijs dat God hem verleent wordt die zelfs nog meer benadrukt.
Secundair is het optreden Abū Bakr, de latere eerste kalief, die Mohammed introduceert bij Waraqa. Dat was nergens voor nodig: Khadīdja was een neef van Waraqa en had directe toegang tot hem. Een voorbeeld van opdringerige name dropping in het kader van ‘Verdiensten der Gezellen’: iemand moest nodig even de naam van een beroemde gezel van de profeet in een verhaal persen dat niet over hem gaat.
Wie de ‘hij’ is die Mohammed toeroept blijft ook hier oningevuld. De stem die Mohammed hoorde kon nu moeilijk meer uit een steen of boom komen: het moest een engel zijn, net als in de roepingsvisioenen van de oudere profeten.

Dat vinden we terug in een ander soort teksten, die zich op de chronologie van Mohammeds leven concentreren. Blijkbaar wilde men die engel niet Gabriël laten zijn: die wordt bewaard voor het echte roepingsvisioen, dus het was een andere engel en ook die moest een naam hebben, al was niet iedereen het erover eens welke dat was:

[…] van al-Sha‘bī: [De engel] Mīkāl (Michaël) werd opgedragen de profeet, toen deze veertig jaar oud was, drie jaar lang over de zaken van het profeetschap te onderrichten. Toen hij drieënveertig was werd Gabriël daarmee belast. De koran werd hem in Mekka gedurende tien jaar geopenbaard en in Medina ook tien jaar. […]13

Volgens een andere overlevering was het Isrāfīl:

[…] van Dāwūd ibn Abī Hind, van ‘Āmir: De profeet was veertig jaar oud toen het profeetschap hem werd geopenbaard en [de engel] Isrāfīl was drie jaar bij hem; daarop werd hij teruggetrokken en werd hem Djibrīl (Gabriël) toegevoegd, tien jaar in Mekka en tien jaar in Medina. […]14 

Michaël wordt elders nog hier en daar in dit verband genoemd; Isrāfīl niet, waarschijnlijk omdat hij niet in de koran voorkomt en Michaël wel (koran 2:98).

De ‘Khadīdja-Waraqa-story’ ontwikkelt zich tot een lang verhaal over de eerste koranopenbaring aan Mohammed. Misschien kent U het, het wordt dikwijls geciteerd. Dit zal aan de orde komen op bladzijde twee.

Wordt vervolgd

NOTEN
1. Ibn Isḥāq, Sīra (W) 151.
2. Ibn Isḥāq, Sīra (W) 151; Ibn Sa‘d, Ṭabaqāt i, 157.
3. Ibn Isḥāq, Sīra (W) 105.
4. Ibn Isḥāq, Sīra (W) 106.
5. Ibn Isḥāq, Sīra (W) 150; daar de gehele Johannesepisode, de teskt is echter corrupt.
6. Ibn Isḥāq, Sīra (W) 115–7; vgl. echter koran 33:40.
7. Ibn Isḥāq, Sīra (W) 107.
8. Rubin, Eye 103–12. Ik volg Rubin’s chronologische ordening van de teksten.
9. Ibn Sa‘d, Ṭabaqāt i, 195.
10. Ibn Sa‘d, Ṭabaqāt i, 195, infra.
11. Ibn Isḥāq, Sīra (Y) no. 157.
12. Rubin, Eye 104, noot 4.
13. ‘Abd al-Razzāq al-Ṣan‘ānī, Muṣannaf iii, 6785.
14. Ibn Sa‘d, Ṭabaqāt i, 191

BIBLIOGRAFIE
– Harris Birkeland, The legend of the opening of Muhammed’s breast, Oslo 1955.
– Ibn Isḥāq, Sīra (W): Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 444; gedeeltelijke Ned. vertaling: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000.
– Ibn Isḥāq, Sīra (Y), versie van Yūnus ibn Bukayr: Sīrat ibn Isḥāq, al-musammāt bi-kitāb al-mubtada’ wal-mab’ath wal-maghāzī, uitg. Muḥammad Ḥamīd Allāh, Rabat 1976.
– Ibn Sa’d, Al-Ṭabaqāt al-kubrā, uitg. Iḥsān ‘Abbās, 8 dln. Beiroet 1960.
– M. J. Kister, ‘God will Never Disgrace Thee,’ JRAS 1965, 27–32. Online hier.
– Uri Rubin, The Eye of the Beholder, Princeton 1995.

Terug naar Inhoud

De eerste Arabische marine

In 640 veroverden de Arabieren de Romeinse provincie Egypte, maar in 646 werd Alexandrië alweer terugveroverd door een Romeinse vloot. Die bleef niet zo lang, maar het was een schok te beseffen hoe gemakkelijk het nieuwe Arabische rijk vanuit zee binnen te vallen was. De capabele Gouverneur van Syrië, Mu‘āwiya, die later kalief zou worden, overtuigde zijn wat passieve oudoom kalief ‘Uthmān van de noodzaak een marine op te bouwen. Hij kreeg toestemming en dwong talloze scheepsbouwers in Egypte en Syrië schepen te bouwen. Na drie jaar lag er een vloot van maar liefst 1700 schepen voor de Syrische kust: ‘de zee was niet meer te zien van de masten’.
.
Nu moest die vloot natuurlijk uitgeprobeerd worden. Men bracht soldaten aan boord, 12.000 naar men zegt, en voerde in het voorjaar van 649 een overval uit op het nog Romeinse eiland Cyprus. De bewoners daar lieten de soldaten gewoon aan land gaan omdat zij dachten dat het Romeinen waren. Men kon zich blijkbaar niet voorstellen dat er zoiets als een Arabische vloot bestond. De troepen konden gewoon doorlopen naar de hoofdstad Constantia (Grieks Σαλαμίνα, Salamina), niet ver van het huidige Famagusta, die zij bezetten en plunderden. Zeer grote hoeveelheden goud en zilver en talloze slaven en slavinnen werden buitgemaakt. Zo werden de kosten van de vlootbouw er aardig uitgehaald.
.
Een hadith vertelt dat er een vrouw was, die graag als soldaat met haar man mee wilde gaan op deze tocht naar Cyprus. Zij mocht mee, maar viel na terugkeer in Syrië van haar muildier/paard? en werd aldus martelares. Om haar te gedenken bouwde men van 1760–1816 een moskee rond haar graftombe op Cyprus.

[…] van Anas ibn Mālik, van zijn tante Umm Harām bint Milhān: De profeet sliep op een dag dicht bij mij en toen hij wakker werd glimlachte hij. Ik vroeg waarom hij lachte. Hij zei: [In de droom] zijn mij mensen uit mijn gemeente getoond terwijl zij de groene zee bevoeren als koningen op tronen. Zij zei: Bid tot God dat hij mij een van hen maakt! Toen bad [de Profeet] voor haar en sliep weer in; hetzelfde gebeurde nog een keer. Hij zei: Jij bent een van de eersten. Zij ging met met haar echtgenoot ‘Ubāda ibn al-Sāmit mee op krijgstocht toen de moslims voor het eerst de zee bevoeren met Mu‘āwiya. Toen zij terug waren van de tocht en in Syrië weer aan land gingen werd haar een rijdier gebracht om op te rijden, maar dat wierp haar af en daaraan stierf zij.1

Het varen en plunderen ging lekker, en Mu‘āwiya zette vervolgens koers naar Constantinopel, maar zijn vloot werd op de vlucht gejaagd. Dan maar naar Arwad, een klein eilandje voor de Syrische kust tegenover Tartūs, maar dat kon hij niet innemen omdat het zeer sterke vestingwerken had. Intussen werd het winter en de vloot keerde naar Syrië terug, maar in het voorjaar van 650 veroverde Muʿāwiya’s vloot Arwad en slechtte de vestingwerken. Daarna was Cyprus nog een keer aan de beurt, waar inmiddels Romeinse troepen gelegerd waren. Dezen spoorden de bewoners aan standvastig te blijven, maar bij de aanblik van de Arabische vloot sloegen zij op de vlucht en probeerden zich overal te verstoppen. Tevergeefs: de Arabieren ‘pulkten ze uit de spleten in de grond als eieren die in een nest waren achtergelaten.’ Wederom werden grote hoeveelheden edelmetaal buitgemaakt en maar liefst 50.000 slaven, al zal dat getal wel overdreven zijn. Constantia heeft zich nooit hersteld.
.
De scheepsbouwers en de zeelui waren allen christelijke Kopten en Syriërs; de soldaten waren Arabieren. Zowel de Syriërs als de Egyptenaren hadden een eeuwenoude traditie van scheepsbouw en zeevaart. Hoewel scheepvaart in de koran een niet onbelangrijk onderwerp is waren de Arabische veroveraars in Syrië bepaald huiverig voor de zee. Dat de matrozen en roeiers Christenen waren bleek nog in 716 een nadeel. Toen de vloot Constantinopel wilde aanvallen maar ergens bij het huidige Rumeli Hisarı aan de Bosporus moest overwinteren liepen velen van hen over, omdat zij bedachten dat zij christen waren en eigenlijk eerder in het Romeinse Rijk thuishoorden.

BIBLIOGRAFIE
– Robert G. Hoyland, In God’s Path: The Arab Conquests and the Creation of an Islamic Empire, Oxford 2015, blz. 90–3.
– Hugh Kennedy, De grote Arabische veroveringen. Vert. Guus Houtzager, Amsterdam/ Antwerpen 2008, hst. 10. Het Engelse origineel: The Great Arab Conquests. How the Spread of Islam Changed the World We Live In, London 2007, ch. 10.

NOOT
1. Bukhārī, Jihād 8, var. Jihād 3, 17.

حَدَّثَنَا عَبْدُ اللَّهِ بْنُ يُوسُفَ قَالَ حَدَّثَنِي اللَّيْثُ حَدَّثَنَا يَحْيَى عَنْ مُحَمَّدِ بْنِ يَحْيَى بْنِ حَبَّانَ عَنْ أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ عَنْ خَالَتِهِ أُمِّ حَرَامٍ بِنْتِ مِلْحَانَ قَالَتْ  نَامَ النَّبِيُّ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ يَوْمًا قَرِيبًا مِنِّي ثُمَّ اسْتَيْقَظَ يَتَبَسَّمُ فَقُلْتُ مَا أَضْحَكَكَ قَالَ أُنَاسٌ مِنْ أُمَّتِي عُرِضُوا عَلَيَّ يَرْكَبُونَ هَذَا الْبَحْرَ الْأَخْضَرَ كَالْمُلُوكِ عَلَى الْأَسِرَّةِ قَالَتْ فَادْعُ اللَّهَ أَنْ يَجْعَلَنِي مِنْهُمْ فَدَعَا لَهَا ثُمَّ نَامَ الثَّانِيَةَ فَفَعَلَ مِثْلَهَا فَقَالَتْ مِثْلَ قَوْلِهَا فَأَجَابَهَا مِثْلَهَا فَقَالَتْ ادْعُ اللَّهَ أَنْ يَجْعَلَنِي مِنْهُمْ فَقَالَ أَنْتِ مِنْ الْأَوَّلِينَ فَخَرَجَتْ مَعَ زَوْجِهَا عُبَادَةَ بْنِ الصَّامِتِ غَازِيًا أَوَّلَ مَا رَكِبَ الْمُسْلِمُونَ الْبَحْرَ مَعَ مُعَاوِيَةَ فَلَمَّا انْصَرَفُوا مِنْ غَزْوِهِمْ قَافِلِينَ فَنَزَلُوا الشَّأْمَ فَقُرِّبَتْ إِلَيْهَا دَابَّةٌ لِتَرْكَبَهَا فَصَرَعَتْهَا فَمَاتَتْ.

Diacritische tekens: Muʿawiya, Umm Ḥarām bint Milḥān, ʿUbāda ibn al-Ṣāmit, Ṭarṭūs

Terug naar Inhoud

Mogen vrouwen naar de moskee?

Er was iemand die erop wees dat de profeet Mohammed vrouwen weliswaar had toegestaan naar de moskee te gaan, maar toch liever had dat ze thuis bleven. Dat werd onderbouwd met één (wat knullig vertaalde) hadith: ‘Houd jullie vrouwen niet tegen om in de moskeeën te bidden, maar hun huizen zijn beter voor hun.’
Ik heb geantwoord, dat er ook andere hadithen bestaan en dat je nooit slechts één hadith moet citeren. Pas als je alle hadithen over een onderwerp bij elkaar hebt zie je waar het in die teksten om gaat. Maar dat zal vaak een ideaal blijven, want dat is werk ter grootte van een doctoraalscriptie of zelfs een proefschrift. Daar kan ik nu niet aan beginnen, dus ik blijf maar aan de oppervlakte. In de gauwigheid heb ik 22 hadithen over de kwestie bij elkaar gesprokkeld in de meest gezaghebbende hadithverzamelingen, de zog. Negen Boeken. Er zijn er zonder twijfel véél meer. Zij behoeven nog nadere analyse; sommige zijn echt tricky! Het is eigenlijk hoog tijd dat de hadith-literatuur, die iedereen zo belangrijk vindt, eens grondig geanalyseerd wordt, in plaats van dat er steeds een willekeurig citaat uit wordt aangeboden. Maar wie gaat die studie doen?

Een niet-moslim hoeft niet te geloven dat die ene, of al deze 22 hadithen werkelijk op Mohammed teruggaan. Gelukkig maar, want dan zou de profeet wel erg veel meningen over het onderwerp gehad hebben. Wat zulke teksten laten zien is dat het uitgaan van vrouwen naar de moskee kennelijk ooit ergens een onderwerp van discussie was. Duidelijk is ook dat in deze teksten de profeet als voorstander wordt neergezet en dat het verzet ertegen vooral bij kalief ‘Umar en diens nageslacht te vinden was (hadith 4–6). Dat is vaak het geval in deze literatuur. Maar ook (Ibn) Umars verzet is niet historisch. “Umar” staat voor de rechtsschool van Medina, die heel wat strenger was dan de scholen van Irak, waar de meeste hadithen vandaan kwamen. Zie over dat onderwerp mijn Terugwerkende kracht.

Ik ga er voorlopig maar vanuit dat deze discussie omstreeks 720–750 heeft plaatsgehad, ofschoon ik het niet kan bewijzen (zie Datering van hadithen).

De hadith waarin de profeet vrouwen toestond naar de moskee te gaan was blijkbaar overal stevig gevestigd. Tegenstanders konden die tekst niet wegwerken, maar ze probeerden wel hun standpunt door te zetten door eraan te knutselen of toe te voegen. Ook dat gebeurt heel vaak in de wereld van de hadith; een echte bestudering van die literatuur zou dat aan het licht brengen.

Wat zou er eventueel kunnen pleiten tegen de aanwezigheid van vrouwen in de moskee? Zij zouden storend of verleidend kunnen zijn, of mannen in een kwetsbare positie zien. De vrouwen bidden immers achter de mannen; als zij opkijken hebben zij uitzicht op een hele rij mannenachterwerken. Dit kan tot ongewenste toestanden leiden (hadith 19). Daarom moeten ze het gebed maar wat eerder verlaten, of althans wat later opkijken.

Verwante onderwerpen die men ook zou kunnen bestuderen: Het uitgaan van vrouwen ’s avonds naar het toilet. De vrouw als afleiding van het het gebed.

In die 22 hadithen onderscheid ik – voorlopig — de volgende motieven: Mogen vrouwen naar de moskee?
– Vrouwen mogen van de profeet naar de moskee (variant: als hun man het goed vindt).
– Ze mogen, maar het is beter dat ze thuisblijven.
– Ze mogen/moeten op feestdagen, alleen menstruerende vrouwen met beperking.
– Ze mogen, maar niet opgedirkt en in sjieke kleren.
– Ze mogen, maar alleen ’s nachts. [In het donker storen of verleiden ze niemand.]
– Natuurlijk mogen vrouwen in de moskee; ze zíjn er gewoon.
– Vrouwen zijn in de moskee, maar ze moeten eerder weg [om confrontaties met mannen te voorkomen].

Hier volgen de teksten in mijn vertalingen; deze zullen nog iets verbeterd worden. Daarna volgen de Arabische teksten met bronverwijzingen.

Vrouwen mogen van de profeet naar de moskee
1.  De profeet heeft gezegd: “Verbiedt Gods dienstmaagden niet naar Gods moskeeën te gaan!”
2. De profeet heeft gezegd: “Als jullie vrouwen je toestemming vragen om naar de moskee te gaan, geeft haar die dan!”
3. De profeet heeft gezegd: “Als de vrouw van een van jullie om toestemming vraagt [om naar de moskee te gaan], verbiedt het haar dan niet!”

4. Ik heb de profeet horen zeggen: “Verbiedt jullie vrouwen niet , naar de moskee te gaan, als zij jullie om toestemming daarvoor vragen!”
‘Abdallāh [ibn ‘Umar]s zoon Bilāl zei: Bij God, maar natuurlijk verbieden wij hun dat! Daarop liep ‘Abdallāh op hem af en schold hem zo vreselijk uit als ik het hem nog nooit had horen doen, en hij zei: Ik lever jou iets over van de profeet en dan zeg jij: Bij God, wij verbieden ze dat!
5. De profeet heeft gezegd: “Verbiedt de vrouwen niet ’s nachts naar de moskeeën te gaan!”
Een zoon van ‘Abdallāh ibn ‘Umar zei: … wij laten hen niet uitgaan, zodat ze er geen aanleiding tot slechtheid van maken. Maar zijn vader gaf hem een standje en zei: Ik zeg: De profeet heeft gezegd: Verbiedt ze niet …! en jij zegt: We laten hen niet uitgaan … !
6. Een vrouw van ‘Umar nam deel aan het gemeenschappelijke ochtendgebed en het avondgebed in de moskee. Iemand vroeg haar: Waarom ga jij uit? Je weet toch dat ‘Umar daar een hekel aan heeft en dat hij jaloers is?
– En wat zou hem beletten het mij te verbieden?
– De hadith van de profeet: “Verbiedt Gods dienstmaagden niet naar Gods moskeeën te gaan,” die belet hem dat.

Vrouwen mogen, maar thuisblijven is beter
7. De profeet heeft gezegd: Verbiedt jullie vrouwen niet naar de moskeeën te gaan, maar hun huizen zijn beter voor hen.

Vrouwen mogen op feestdagen, moeten zelfs, alleen menstruerende vrouwen niet of beperkt.
8. De porfeet beval ons, [op feestdagen] huwbar emeisjes, die in afzondering leven, [naar de moskee] te laten gaan. En hij beval menstruerende vrouwen van de gebedsplaats der moslims verre te houden.
9. Ons werd bevolen naar buiten te gaan op de feestdagen: de vrouwen die binnengehouden worden en de maagden. Menstruerende vrouwen gaan met jullie naar buiten ná de andere mensen en zeggen de takbīr samen met de andere mensen.

Ze mogen, maar niet opgetut
10. Als de Profeet had geweten hoe vrouwen er tegenwoordig uitzien dan had hij hun verboden naar de moskee te gaan, zoals dat ook de vrouwen van de Israëlieten verboden was. (Ik vroeg ‘Amra: Was het de vrouwen van de Israëlieten dan verboden naar de moskee te gaan? Ja, zei ze.)
11. “Verbiedt Gods dienstmaagden niet naar Gods moskeeën te gaan, maar laat ze ongeparfumeerd uitgaan!” Aisha zei: Als de Profeet had gezien hoe ze er tegenwoordig bijlopen had hij het hun verboden.
12. De Profeet zat eens in de moskee toen er een vrouw uit Muzayna in een prachtig gewaad kwam binnenparaderen. Toen zei de Profeet: “Mensen, verbiedt jullie vrouwen prachtige gewaden te dragen en in de moskee te lopen pronken!  Want de Israëlieten werden pas vervloekt toen hun vrouwen prachtgewaden gingen dragen en liepen te pronken in de moskeeën.”

Ze mogen ’s nachts
5. De profeet heeft gezegd: “Verbiedt de vrouwen niet ’s nachts naar de moskeeën te gaan!”
Een zoon van ‘Abdallāh ibn ‘Umar zei:Wij laten hen niet uitgaan, zodat ze er geen aanleiding tot slechtheid van maken. Maar zijn vader gaf hem een standje en zei: Ik zeg: De profeet heeft gezegd: Verbiedt ze niet …! en jij zegt: We laten hen niet uitgaan … !
13. De profeet heeft gezegd: “Jullie moeten de vrouwen toestaan, ’s nachts naar de moskeeën te gaan.”
14. De profeet heeft gezegd: “Als jullie vrouwen je toestemming vragen ’s nachts naar de moskee te gaan, geef haar die dan!”
15. Als de profeet het ochtendgebed verrichtte gingen de vrouwen weg, gehuld in hun wollen gewaden, onherkenbaar in het nachtelijk duister.
16. De profeet [bleef wachten] in het eerste derde van de nacht, tot ‘Umar tegen hem riep: De vrouwen en kinderen zijn gaan slapen. Dan ging de profeet naar buiten en zei: “Niemand ter wereld wacht hierop behalve jullie.” (In die tijd werd alleen in Medina het gebed verricht, en men deed dat in het eerste derde van de nacht, tussen het moment dat het avondrood was verdwenen tot een derde van de nacht.)
17. De profeet verrichtte het vroege ochtendgebed in de morgenschemering en dan gingen de vrouwen der gelovigen weg, onherkenbaar in de ochtendschemer (variant: elkaar niet herkennend).

Vrouwen zijn normaal in de moskee
18. De profeet heeft gezegd: Als ik het gebed ga verrichten en ik wil het lang maken en als ik dan het huilen van een klein kind hoor dan raffel ik mijn gebed af, omdat ik er een hekel aan heb, de moeder te storen.
19. Ik heb mannen gezien die hun lendendoek om hun nek hadden geknoopt, als kleine jongens, omdat hun lendendoek niet groot genoeg was, en zo achter de profeet het gebed verrichtten. Iemand zei: Vrouwen! Jullie moeten je hoofd niet opheffen voordat de mannen dat doen!”

Vrouwen normaal in de moskee, maar moeten eerder weg o.i.d.
20. De profeet was gewoon, als hij de taslīm uitsprak, een weinig te dralen. Men was van mening dat dat was om de vrouwen vóór de mannen weg te laten gaan.
21. Als de profeet de taslīma uitsprak stonden de vrouwen op als hij deze beëindigde, terwijl hij nog een beetje op zijn plek bleef alvorens op te staan. Wij denken, maar God weet het het best, dat dat was om de vrouwen weg te laten gaan vóór de mannen hen zouden inhalen.
22. In de tijd van de profeet stonden de vrouwen op als ze klaar waren met de voorgeschreven taslīma, terwijl de profeet en degenen die met hem het gebed verrichtten nog bleven. En als de profeet opstond stonden ook de andere mannen op.

NOTEN BIJ DE HADITHEN

1.  حدثنا محمد بن عبد الله بن نمير حدثنا أبي وابن إدريس قالا حدثنا عبيد الله عن نافع عن ابن عمر أن رسول الله ص قال لا تمنعوا إماء الله مساجد الله. Muslim, Ṣalāt 136
2. حدثنا عبد الله حدثني أبي ثنا ابن نمير ثنا حنظلة سمعت سالما يقول سمعت ابن عمر يقول سمعت رسول الله ص يقول: إذا استأذنكم نساؤكم الى المساجد فأذنوا لهن. Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad ii, 143
3. حدثنا مسدد حدثنا يزيد بن زريع عن معمر عن الزهري عن سالم بن عبد الله عن أبيه عن النبي صلى الله عليه وسلم إذا استأذنت امرأة أحدكم فلا يمنعها. Bukhārī, Ādhān 166 = ± Muslim, Ṣalāt 134
4. حدثني حرملة بن يحيى أخبرنا ابن وهب أخبرني يونس عن ابن شهاب قال أخبرني سالم بن عبد الله أن عبد الله بن عمر قال سمعت رسول الله ص يقول لا تمنعوا نساءكم المساجد إذا استأذنكم إليها قال فقال بلال بن عبد الله والله لنمنعهن قال فأقبل عليه عبد الله فسبه سبا سيئا ما سمعته سبه مثله قط وقال أخبرك عن رسول الله ص وتقول والله لنمنعهن. Muslim, Ṣalāt 135
5=13. حدثنا أبو كريب حدثنا أبو معاوية عن الأعمش عن مجاهد عن ابن عمر قال قال رسول الله ص لا تمنعوا النساء من الخروج إلى المساجد بالليل فقال ابن لعبد الله بن عمر لا ندعهن يخرجن فيتخذنه دغلا قال فزبره ابن عمر وقال أقول قال رسول الله ص وتقول لا ندعهن. Muslim, Ṣalāt 138, ± 139; = ± Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad ii, 143
6. حدثنا يوسف بن موسى حدثنا أبو أسامة حدثنا عبيد الله بن عمر عن نافع عن ابن عمر قال كانت امرأة لعمر تشهد صلاة الصبح والعشاء في الجماعة في المسجد فقيل لها لم تخرجين وقد تعلمين أن عمر يكره ذلك ويغار قالت وما يمنعه أن ينهاني قال يمنعه قول رسول الله ص لا تمنعوا إماء الله مساجد الله. Bukhārī, Djum‘a 13 
7.  حدثنا عثمان بن أبي شيبة حدثنا يزيد بن هارون أخبرنا العوام بن حوشب حدثني حبيب بن أبي ثابت عن ابن عمر قال: قال رسول الله ص لا تمنعوا نساءكم المساجد وبيوتهن خير لهن. Abū Dāwūd, Ṣalāt 52
8.  حدثني إبو الربيع الزهراني حدثنا حماد حدثنا أيوب عن محمد عن أم عطية قالت: أُمرنا (تعني النبي ص) أن نخرج في العيدين العواتق وذوات الخدور وإمرالحيض أن يعتزلن مصلى المسلمين. , Muslim, ‘Īdain 10
9. حدثنا يحيى بن يحيى أخبرنا أبو خيثمة عن عاصم الأحول عن حفصة بنت سيرين عن أم عطية قالت كنا نؤمر بالخروج في العيدين والمخبأة والبكر قالت الحيض يخرجن فيكن خلف الناس يكبرن مع الناس. Muslim, ‘Īdayn 11
10.  حدثنا عبد الله بن يوسف قال أخبرنا مالك عن يحيى بن سعيد عن عمرة عن عائشة رضي الله عنها قالت لو أدرك رسول الله صلى الله عليه وسلم ما أحدث النساء لمنعهن كما منعت نساء بني إسرائيل قلت لعمرة أومنعن قالت نعم. Bukhārī, Ādhān 163d = Muslim, Ṣalāt 144
11. حدثنا عبد الله حدثني أبي ثنا الحكم ثنا عبد الرحمن بن أبي الرجال فقال أبي يذكره عن أمه عن عائشة عن النبي ص قال: لا تمنعوا إماء الله مساجد الله وليخرجن تفلات. قالت: عائشة: ولو رأى حالهن اليوم منعهن.  Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad vi, 69–70
12.  حدثنا أبو بكر بن أبي شيبة وعلي بن محمد قالا حدثنا عبيد الله بن موسى عن موسى بن عبيدة عن داود بن مدرك عن عروة بن الزبير عن عائشة قالت بينما رسول الله ص جالس في المسجد إذ دخلت امرأة من مزينة ترفل في زينة لها في المسجد فقال النبي ص يا أيها الناس انهوا نساءكم عن لبس الزينة والتبختر في المسجد فإن بني إسرائيل لم يلعنوا حتى لبس نساؤهم الزينة وتبخترن في المساجد. Ibn Mādja, Fitan 19
13=5. حدثنا أبو كريب حدثنا أبو معاوية عن الأعمش عن مجاهد عن ابن عمر قال قال رسول الله ص لا تمنعوا النساء من الخروج إلى المساجد بالليل فقال ابن لعبد الله بن عمر لا ندعهن يخرجن فيتخذنه دغلا قال فزبره ابن عمر وقال أقول قال رسول الله ص وتقول لا ندعهن. Muslim, Ṣalāt 138, ± 139; = ± Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad ii, 143
14. حدثنا عبد الله بن محمد حدثنا شبابة حدثنا ورقاء عن عمرو بن دينار عن مجاهد عن ابن عمر عن النبي ص قال ائذنوا للنساء بالليل إلى المساجد. Bukhārî, Djum‘a 13
15.  حدثنا عبيد الله بن موسى عن حنظلة عن سالم بن عبد الله عن ابن عمر ر عن النبي ص قال إذا استأذنكم نساؤكم بالليل إلى المسجد فأذنوا لهن. Bukhārī, Ādhān 162b, Muslim, Ṣalāt 137
16. حدثنا عبد الله بن مسلمة عن مالك ح وحدثنا عبد الله بن يوسف قال أخبرنا مالك عن يحيى بن سعيد عن عمرة بنت عبد الرحمن عن عائشة قالت إن كان رسول الله ص ليصلي الصبح فينصرف النساء متلفعات بمروطهن ما يعرفن من الغلس. Bukhārī, Ādhān 163b
17.  حدثنا أبو اليمان قال أخبرنا شعيب عن الزهري قال أخبرني عروة بن الزبير عن عائشة رضي الله عنها قالت أعتم رسول الله ص بالعتمة حتى ناداه عمر نام النساء والصبيان فخرج النبي صلى الله عليه وسلم فقال ما ينتظرها أحد غيركم من أهل الأرض ولا يصلى يومئذ إلا بالمدينة وكانوا يصلون العتمة فيما بين أن يغيب الشفق إلى ثلث الليل الأول. Bukhārī, Ādhān 162a
18.  حدثنا يحيى بن موسى حدثنا سعيد بن منصور حدثنا فليح عن عبد الرحمن بن القاسم عن أبيه عن عائشة رضي الله عنها أن رسول الله ص كان يصلي الصبح بغلس فينصرفن نساء المؤمنين لا يعرفن من الغلس أو لا يعرف بعضهن بعضا. Bukhārī, Ādhān 165
19. حدثنا محمد بن مسكين قال حدثنا بشر بن بكر أخبرنا الأوزاعي حدثني يحيى بن أبي كثير عن عبد الله بن أبي قتادة الأنصاري عن أبيه قال قال رسول الله صلى الله عليه وسلم إني لأقوم إلى الصلاة وأنا أريد أن أطول فيها فأسمع بكاء الصبي فأتجوز في صلاتي كراهية أن أشق على أمه. Bukhārī, Ādhān 163c
20. حدثنا أبو بكر بن أبي شيبة حدثنا وكيع عن سفيان عن أبي حازم عن سهل بن سعد قال لقد رأيت الرجال عاقدي أزرهم في أعناقهم مثل الصبيان من ضيق الأزر خلف النبي ص فقال قائل يا معشر النساء لا ترفعن رءوسكن حتى يرفع الرجال. Muslim, Ṣalāt 133
21.  حدثنا محمد بن يحيى ومحمد بن رافع قالا حدثنا عبد الرزاق أخبرنا معمر عن الزهري عن هند بنت الحارث عن أم سلمة قالت كان رسول الله ص إذا سلم مكث قليلا وكانوا يرون أن ذلك كيما ينفذ النساء قبل الرجال. Abū Dāwūd, Ṣalāt 196
22.  حدثنا يحيى بن قزعة قال حدثنا إبراهيم بن سعد عن الزهري عن هند بنت الحارث عن أم سلمة رضي الله عنها قالت كان رسول الله ص إذا سلم قام النساء حين يقضي تسليمه ويمكث هو في مقامه يسيرا قبل أن يقوم قال نرى والله أعلم أن ذلك كان لكي ينصرف النساء قبل أن يدركهن أحد من الرجال. Bukhārī, Ādhān 164a, 166b
23. حدثنا عبد الله بن محمد حدثنا عثمان بن عمر أخبرنا يونس عن الزهري قال حدثتني هند بنت الحارث أن أم سلمة زوج النبي صلى الله عليه وسلم أخبرتها أن النساء في عهد رسول الله صلى الله عليه وسلم كن إذا سلمن من المكتوبة قمن وثبت رسول الله صلى الله عليه وسلم ومن صلى من الرجال ما شاء الله فإذا قام رسول الله صلى الله عليه وسلم قام الرجال. Bukhārī, Ādhān 163a

Terug naar Inhoud

Kapper bij ISIS

Een kapper in Daesh (‘Islamic State’) deelt aan zijn klanten mee:

  • Geachte klanten
  • In gehoorzaamheid aan God en Zijn gezant:
    knippen wij geen enkele snit die lijkt op die van de ongelovigen, naar het woord van de Profeet: ‘Wie op mensen gelijkt behoort tot hen.’
    .
    In gehoorzaamheid aan God en Zijn gezant:
    scheren wij geen baarden, naar het woord van de Profeet: ‘Laat de baard vrij groeien, maar knip de snor bij.’ En: ‘Doe het anders dan de heidenen: laat de baard volop groeien maar maak de snor korter.’
    .
    In gehoorzaamheid aan God en Zijn gezant:
    scheren wij de wenkbrauwen niet en trekken wij ze niet uit, wat namṣ genoemd wordt, naar het woord ‘Abdallāh ibn Mas‘ūd: ‘De Profeet vervloekte vrouwen die hun wenkbrauwen schoren of uittrokken.‘ Dit geldt voor vrouwen; dus hoeveel te meer voor mannen?
    .
    In gehoorzaamheid aan God en Zijn gezant:
    scheren wij niet een deel van het haar en laten enkele lokken staan, wat qaza‘ genoemd wordt; naar het woord van Ibn ‘Amr: ‘De Profeet heeft qaza‘ verboden.’

Qaza‘ werd in de preïslamitische tijd vooral bij kleine jongens toegepast, die met kale hoofdjes en voorhoofdslokken (dhu’āba, mv. dhawā’ib) rondliepen. Voor deze archäische mode zal er in het afgelopen millennium weinig klandizie zijn geweest—behalve misschien in kringen van punks. Maar tegenwoordig wordt de term ook op allerlei kapsels met ‘matjes’ toegepast. In ieder geval ging en gaat het er bij dit verbod eveneens om, een andere haardracht te hebben dan de heidenen.

Kappers lijken in de ‘Islamic State’ dus niet zo veel te doen te hebben, want zelfs het bloempotmodel, de crew cut en de kale kop hebben allemaal hun voorbeelden in het goddeloze Westen. Maar misschien komen ze door de winter met het geel verven van baarden. Er is immers een hadith:

  • ‘De Profeet verfde zijn baard met wars en saffraan.’1

Islamistenbaarden zouden dus geel of oranje moeten zijn. Van ‘Abdallāh ibn ‘Umar en andere gezellen van de profeet wordt inderdaad verteld dat zij hun baard geel verfden. Maar dat na te volgen gaat de vermeende vromen van tegenwoordig blijkbaar te ver.

Denkt U niet dat de profeet zijn baard verfde omdat hij oud en grijs werd:

  • De profeet had op zijn hoofd en in zijn baard nog geen twintig grijze haren.2

Inwoners van de ‘Islamic State’ die graag wat meer haar op hun hoofd zouden hebben om er krijgshaftiger uit te zien, moeten voor een haargroeibehandeling of extensions naar het buitenland, bij voorbeeld naar Turkije.

LEZEN:
G.H.A. Juynboll, „Dyeing the Hair and Beard in Early Islam | A Ḥadīth-analytical Study,“ Arabica 33 (1986), 49–75.

NOTEN
1. An-Nasā’ī, Zīna 66. ويصفّر لحيته بالورس والزعفران Wars (Memecylon tinctorium) is een plant waaruit een gele kleurstof gewonnen werd.
2. Mālik, Ṣifat an-Nabī 1 u.a.: وليس في رأسه ولحيته عشورن شعرة يبضاء

CN0YVC7WIAACTMg-1

Terug naar Inhoud

De islamistische steniging: een modern fenomeen

Waar stenen zijn wordt ermee gegooid, ook naar mensen. In een mindere buurt van Tetuan in Marokko ben ik ooit door jongetjes met stenen bekogeld. De jongens waren klein en de stenen gelukkig ook; bovendien riep een oudere man hen tot de orde; toen hielden ze op en kwam ik er zonder kleerscheuren vanaf. In oorlogjes tussen groepen straatjongens in bij voorbeeld Jemen werd er serieus met stenen gegooid; daarbij vielen ook wel eens ernstig gewonden. Ze hadden daar nog geen moorddadige computerspelletjes.1
 Uit het Noorden herinner ik me alleen sneeuwballengevechten, die van spel in ernst kunnen ontaarden als er met keiharde ‘bommen’ gegooid wordt van samengeperste sneeuw met een steen erin.

Door volwassenen worden er soms mensen doelbewust dood gestenigd bij wijze van volksgericht. Dat heeft voor de daders een voordeel: omdat het door een groep gebeurt is het niet mogelijk vast te stellen wie uiteindelijk de dodelijke steen gegooid heeft. In omgevingen waar steniging als moord geldt en de dader zich voor een gerecht moet verantwoorden kan deze niet worden vervolgd, omdat hij onbekend is. En in omgevingen waar bloedwraak heerst wordt zo voorkomen dat er bloedwraak op gang komt, die dan weer wraak van de andere kant oproept, enzovoort. Dat is eens te meer het geval wanneer verwanten van de gestenigde de dodelijke stenen gooien: zij zijn identiek met de rechthebbenden op bloedwraak, dus die vindt niet plaats.

Wél te onderscheiden zijn spontane steniging, een vorm van lynchjustitie, en steniging op grond van een doodvonnis na een rechtsgang, op grond van wetgeving. Hieronder ga ik het uitsluitend hebben over het laatstgenoemde: steniging op grond van een gerechtelijk vonnis.

Mij zijn twee rechtssystemen bekend waarin de doodstraf door steniging is voorzien: dat van het Oude Testament en dus van het jodendom, en dat van de islam.

Joden stenigen niet. Hoe ze het hebben klaargespeeld de betreffende zeer harde rechtsregels uit hun Heilige Schrift ongeldig te verklaren is mij onbekend. Een Oudtestamenticus die ik ernaar vroeg zei me, dat de wetten van het Oude Testament tot stand zijn gekomen na de ondergang van het oude Israël en Juda en dus nooit zijn toegepast. Hij vond geen aanwijzing dat er in die staatjes ooit door steniging was terechtgesteld. Na 586 v.Chr. leefden de joden als minderheid in andere staten en waren ze niet bevoegd zelf doodvonnissen uit te voeren. Dat is bekend uit het oude Perzië, waar veel joden woonden, en ook van het geval van Jezus, waar joden vonnis velden, maar Romeinen in hogere instantie het vonnis moesten bekrachtigen en ten uitvoer brengen. Dezen kozen zoals bekend voor een strafvoltrekking in Romeinse, niet in oudtestamentische stijl.

Moslims stenigden vroeger ook niet, hoewel het in enkele rechtsbronnen van de sharia ondubbelzinnig wordt aanbevolen. In andere rechtsbronnen vonden zij echter de juridische middelen om daaronder uit te komen; daarover op bladzijde twee. Maar sinds enkele decennia stenigen zij soms wél. In alle gevallen is het de straf voor buitenechtelijk geslachtsverkeer, tussen man en vrouw of tussen personen van het mannelijk geslacht.

– In Iran bijvoorbeeld werden tussen 1980-1989 76 personen op grond van een gerechtelijk vonnis gestenigd (bron: Amnesty International), en 74 over de periode van 1990–2009 (bron: International Committee Against Execution). In de laatste pakweg tien jaar zijn er pogingen gedaan de steniging uit het de Iraanse wetgeving te verwijderen; dat is maar ten dele gelukt. Maar in de praktijk wordt sinds 2009 de steniging in Iran omgezet in andere vormen van executie.
– In Saoedi-Arabië, dat sinds 1932 bestaat, wordt meestal onthoofd en met de kogel geëxecuteerd, maar ook wel eens gestenigd. Cijfers zijn mij niet bekend.
– In de Verenigde Arabische Emiraten zijn er tussen 2006 en 2014 ongeveer tien gevallen van steniging bekend.
– In Afghanistan werd er gestenigd tijdens het Taliban-regime, en daarna nog wel eens door de Taliban. Hoewel dat laatste geen spontane volksgerichten betrof kun je het ook geen rechtspleging noemen, want sinds 2004 is in Afghanistan steniging verboden en gelden de Taliban als rebellen.
– In de ‘Islamic State’ wordt gestenigd; cijfers zijn mij onbekend.
– Uit Sudan zijn er uit 2012 twee gevallen bekend waarin iemand tot dood door steniging werd veroordeeld, maar de vonnissen zijn niet uitgevoerd.
– In Noord-Nigeria (zonder Boko Haram) zijn er sinds 2000 meer dan twaalf personen tot steniging veroordeeld, maar de vonnissen zijn niet uitgevoerd.
– Mauretanië? Vast wel.
– In Pakistan wordt er niet gestenigd door de overheid; die veroordeelt stenigers juist als moordenaars. Wel vinden stenigingen plaats na vonnissen door stamrechtbanken – welke bevoegdheid deze hebben en hoe groot het verschil is met lynchjustitie is me niet duidelijk.
– In Somalië wordt gestenigd na vonniswijzing door zelfbenoemde zg. shariarechtbanken van terroristengroepen zonder legitimiteit (2009–2014).
– In de Indonesische deelstaat Aceh (Atjeh) en in Brunei (2013) was men voornemens steniging op te nemen in het wetboek, maar het is er bij mijn weten niet van gekomen.

Deze gegevens zijn onvolledig en niet waterdicht; ik heb ze ontleend aan het Wikipedia-artikel ‘Stoning’. Dat is natuurlijk onbevredigend, maar ik ga er niet verder naar speuren. Het artikel maakt geen onderscheid tussen lynchjustitie en steniging op grond van een gerechtelijk vonnis. Een grote lijn wordt toch wel zichtbaar. Opvallend is dat vrijwel al die stenigingen uit de jongste tijd dateren. In de late twintigste eeuw is er in een aantal islamitische landen een tendens, steniging in de wetgeving op te nemen en toe te passen, en in onze eeuw zien we een streven, stenigingen niet door te laten gaan, hoewel men vindt dat ze ‘eigenlijk’ zouden moeten worden uitgevoerd. Voor autoriteiten is stenigen zonder twijfel een hoop gedoe: er moet een groep mensen worden samengesteld die de stenen gaat gooien; die moet niet zelden tot die rotklus worden gedwongen en iedereen houdt er een vieze smaak aan over. Bovendien komt het buitengewoon onmodern over. Voor een overheid is het eenvoudiger andere vormen van executie toe te passen: door een beul die ambtenaar is, dan weet je wat je hebt en je bent meteen van het gezeur in de media af, die zich geweldig opwinden over stenigingen, maar over modernere vormen van terechtstelling veel minder.

Maar hoe was het dan vóór 1980, of evt. vóór 1932? Toen werd er NIET gestenigd op basis van een gerechtelijk vonnis. Steniging is in de islamitische wereld een modern fenomeen, dat ten onrechte ‘middeleeuws’ wordt genoemd.

De Duitse hoogleraar Th. Bauer heeft vele geschiedwerken over de oude tijd in het Midden Oosten doorgeploegd en stiet daarbij op talrijke met verve vertelde berichten over folteringen en executies, maar hij kwam slechts één geval van steniging tegen, en dat zorgde voor grote consternatie:

  • ‘Er waren opstandelingen en rovers die gekruisigd werden – de dichters stortten zich erop en schreven spectaculaire gedichten – sensatielust is immers geen modern verschijnsel. Er waren machthebbers die folterden en lieten terechtstellen – de kroniekschrijvers berichten het in alle uitvoerigheid – maar nergens wordt over een steniging bericht. Met één enkele uitzondering. Bij mijn weten was er in de periode tussen 800 en de twintigste eeuw maar één enkel met zekerheid aantoonbaar geval van een steniging wegens echtbreuk in het kerngebied van de islam. Deze vond plaats omstreeks 1670 in het Ottomaanse Rijk, was evenals de tegenwoordige gevallen politiek gemotiveerd en zorgde voor een daverend schandaal. De verantwoordelijke rechter werd uit zijn ambt ontzet. De kroniekschrijver die over het geval vertelt betoont zich eveneens verontwaardigd. Hij houdt stenigingen in het geheel niet voor islamitisch. Zoiets is sinds de vroegste tijd van de islam niet meer voorgekomen, constateert hij verontrust. Ook voor hem waren stenigingen iets atavistisch en onmenselijks.’ 2

– Waar halen moderne moslims dat stenigen dan vandaan? Uit hadithen en een nep-koranvers. En waarom werd er vroeger dan niet gestenigd? Op grond van twee echte koranverzen, bepaalde interpretaties van de rechtsbronnen, toepassing van het bewijsrecht en een aantal knepen. Dat staat op bladzij 2. En vooral op grond van een onmoderne, niet-verwesterste omgang met de oude teksten, die nu verloren is gegaan. Zie daarover bladzij 3.

NOTEN:
1. Roes, Leeg kwartier, bijv. 433–4, 581.
2. Bauer, Musterschüler, 10; ; vertaling van mij. Ook in Bauer, Ambiguität, 280–282 en Rohe, Recht, 135–6.

Zonsverduistering

Enkele hadithen over zonsverduistering:

  • […] van al-Mughīra ibn Shu‘ba: Toen de profeet nog leefde had er een zonsverduistering plaats op de dag dat zijn zoontje Ibrāhīm stierf. De mensen zeiden: ‘De zon is verduisterd omdat Ibrāhīm is gestorven,’ maar de profeet zei: ‘De zon en de maan worden niet verduisterd omdat er iemand gestorven is of nog leeft. Als jullie een verduistering zien, verricht dan het gebed en bidt tot God.1
  • […] van ‘Abdallāh ibn ‘Amr: Toen er een zonsverduistering intrad tijdens het leven van de profeet werd er opgeroepen tot een gemeenschappelijk gebed.2
  • […] van Djābir ibn ‘Abdallāh: In de tijd van de profeet was er een zonsverduistering op een zeer warme dag. De profeet ging voor in het gebed en bleef zo lang staan dat zijn gezellen erbij neervielen. Toen deed hij twee buigingen en hield die lang aan, en ook zijn hoofd hield hij lang opgeheven. Vervolgens deed hij twee teraardewerpingen; daarna stond hij op en deed nog eens hetzelfde. Het waren vier buigingen en vier teraardewerpingen. Toen zei hij: ‘Al hetgeen waarin jullie terecht zullen komen is mij getoond. Het paradijs werd mij getoond tot ik zo dicht bij was dat ik een tros had kunnen pakken als ik ernaar gereikt had’ (of hij zei: ‘ik reikte naar een tros maar kon er net niet bij.’) ‘Ook de hel werd mij getoond. Ik zag daarin een vrouw uit de Israëlieten die werd gestraft om een kat die zij had vastgebonden en niet te eten had gegeven, en die zij ook niet had laten eten van de kleine dieren van het land. En ik zag Abū Thumāma ‘Amr ibn Mālik die zijn ingewanden voortsleepte in de hel.’
    Ze dachten toen dat de zon en de maan alleen verduisterd werden om de dood van een belangrijk man. Maar het zijn twee van Gods tekenen, die Hij jullie toont. Als zij verduisterd worden, verricht dan het gebed tot zijn weer zichtbaar zijn.3

Deze hadithen rekenen af met een geloof, dat blijkbaar bestond, dat zonsverduisteringen te maken hadden met de dood van een belangrijke persoon.4 Ter illustratie is het overlijden van Ibrāhīm, het (fictieve) zoontje van de profeet gebruikt.5 Naar islamitisch inzicht heeft God de loop van zon, maan en sterren stevig in handen en een zonsverduistering is dus niets bijzonders of verontrustends. Anderzijds moet er wel de hele tijd gebeden worden. Maar er staat net niet dat de zonsverduistering weggaat omdat er gebeden wordt. Het betreft in principe gewoon de dagelijkse rituele gebeden (salāt). Je kunt dit bidden interpreteren zoals je wilt. Het geschiedt in erkenning van Gods heerschappij over de hemellichamen. Het leidt af van eventuele angst of bijgeloof en het voorkomt oogbeschadigingen door te lang staren naar de zon. In de eerste geciteerde hadith is er echter ook sprake van smeekgebeden (du‘ā’).

NOTEN
1. Bukhārī, Kusūf 1:

حدثنا عبد الله بن محمد قال حدثنا هاشم بن القاسم قال حدثنا شيبان أبو معاوية عن زياد بن علاقة عن المغيرة بن شعبة قال  كسفت الشمس على عهد رسول الله ص يوم مات إبراهيم فقال الناس كسفت الشمس لموت إبراهيم فقال رسول الله ص إن الشمس والقمر لا ينكسفان لموت أحد ولا لحياته فإذا رأيتم فصلوا وادعوا الله.

2. Bukhārī, Kusūf 3:

حدثنا إسحاق قال أخبرنا يحيى بن صالح قال حدثنا معاوية بن سلام بن أبي سلام الحبشي الدمشقي قال حدثنا يحيى بن أبي كثير قال أخبرني أبو سلمة بن عبد الرحمن بن عوف الزهري عن عبد الله بن عمرو ر قال: لما كسفت الشمس على عهد رسول الله ص نودي إن الصلاة جامعة.

3. Muslim, Kusūf 9:

وحدثني يعقوب بن إبراهيم الدورقي حدثنا إسمعيل ابن علية عن هشام الدستوائي قال حدثنا أبو الزبير عن جابر بن عبد الله قال  كسفت الشمس على عهد رسول الله ص في يوم شديد الحر فصلى رسول الله ص بأصحابه فأطال القيام حتى جعلوا يخرون ثم ركع فأطال ثم رفع فأطال ثم ركع ثم رفع فأطال ثم سجد سجدتين ثم قام فصنع نحوا من ذاك فكانت أربع ركعات وأربع سجدات ثم قال إنه عرض علي كل شيء تولجونه فعرضت علي الجنة حتى لو تناولت منها قطفا أخذته أو قال تناولت منها قطفا فقصرت يدي عنه وعرضت علي النار فرأيت فيها امرأة من بني إسرائيل تعذب في هرة لها ربطتها فلم تطعمها ولم تدعها تأكل من خشاش الأرض ورأيت أبا ثمامة عمرو بن مالك يجر قصبه في النار وإنهم كانوا يقولون إن الشمس والقمر لا يخسفان إلا لموت عظيم وإنهما آيتان من آيات الله يريكموهما فإذا خسفا فصلوا حتى تنجلي.

4. Van het oude geloof dat er bij de geboorte van een belangrijk personen een bijzondere ster straalde (bijv. bij Jezus: Bijbel, Matteüs 2,2) is in de sīra wél iets blijven hangen: over Mohammed, bij voorbeeld Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 102, حدثني من شئت من رجال قومي عن حسان بن ثابت ، قال : والله إني لغلام يفعة ، ابن سبع سنين أو ثمان ، أعقل كل ما سمعت ، إذ سمعت يهوديا يصرخ بأعلى صوته على أطمة بيثرب : يا معشر يهود ، حتى إذا اجتمعوا إليه ، قالوا له : ويلك ما لك ؟ قال : طلع الليلة نجم أحمد الذي ولد به.; mijn vertaling: […] dat Ḥassān ibn Thābit heeft gezegd: Ik was al een grote jongen van zeven of acht jaar, die alles begreep wat hij hoorde. Ik hoorde een jood vanaf een fort in Yathrib roepen, zo hard hij kon: ‘Alle joden hierheen!’ Ze verzamelden zich bij hem en riepen: ‘Hé, wat is er?’ Hij antwoordde: ‘Vannacht is de ster opgegaan waaronder Aḥmad is geboren.’
5. Over hem heb ik hier een apart artikeltje geschreven.

Terug naar Hadith: startpunt     Terug naar Inhoud

Datering van hadithen

For the happy few 1

Het gros van de niet-islamitische geleerden gaat ervan uit dat weinig tot geen van de hadithen op Mohammed teruggaan. Maar als dat zo is, van wanneer dateren ze dan?
Als veellezer van hadithen heb ik in grote lijnen het gevoel dat het gros tussen 700 en 750 tot stand kwam, en dat er nog tot ± 900 steeds bijkwamen.
De ahl al-djamā‘a wal-sunna, de mensen die de soenna van de profeet tegenover de verfoeide soenna’s van de Umayyadische kaliefen wilden stellen, werden immers actief in die periode van 700–750, vooral na 717.
En om een concreet voorbeeld te noemen: zouden de teksten over het beeldenverbod niet zijn ontstaan nadat men in Constantinopel in 695 een Christuskop op de munten had gezet en de Umayyadische kalief ‘Abd al-Malik dus voortaan van iedere kop afzag? Of toen het lang smeulende debat over ikonen in de Grieks-Orthodoxe kerk tot eruptie kwam in de jaren na 730, terwijl de kerkvader Johannes Damascenus midden in Damascus, de hoofdstad van de Umayyaden, zijn tractaat over die ikonen schreef?
.
Maar een ‘indruk,’ een ‘gevoel’ is voor wetenschap natuurlijk niet genoeg. Er zou voor iedere hadith een harde datering moeten komen. Dateren op grond van de inhoud van de hadithen lijkt onmogelijk. Daarom heeft men getracht tot dateringen te komen via analyse van de overleveringsketens, de isnāds, en wel via de common link-theorie, of beter gezegd de common link– methode. Deze werd voor het eerst gepresenteerd door Joseph Schacht in 1950, uitgewerkt door Gauthier Juynboll in 1983, daarna overgenomen onder de lelijke naam isnad-cum-matn-analyse door Harald Motzki en zijn school.
.
Om die methode toe te kunnen passen is een hadith nodig die tenminste vijf, maar liever tien of twintig maal voorkomt in de hadithcollecties en eventuele andere bronnen.
Het moet steeds dezelfde tekst zijn, dat wil zeggen: een groot deel van de woordelijke tekst moet overeenstemmen.2 Bij kennelijk doelgerichte tekstwijzigingen, zoals een extra frase of een toegevoegde ontkenning, moeten deze nauwkeurig in het oog gehouden worden. Die bieden namelijk een inzicht in de ontwikkeling van de hadith. Met een beetje geluk komen ze overeen met een ontwikkeling van de isnād, zodat we kunnen weten wie voor welke variant verantwoordelijk is.
Veel hadithen voldoen niet aan de basisvoorwaarden. Maar als we er een gevonden hebben, schrijven we alle isnads neer op een groot vel. (Naarmate de ervaring toeneemt kan het ook vlugger.) De profeet komt telkens onder aan de bladzijde te staan; boven hem komt de gezel van de profeet (ṣāḥib) die de hadith van hem overlevert; daarboven de volgende generatie (tābi‘) enzovoort. Bovenaan staan meestal de auteurs van de hadithcollecties: Muslim, Bukhārī, Aḥmad ibn Ḥanbal enzovoort. Zo worden er twee of drie eeuwen (vermeende) mondelinge overlevering gedocumenteerd.
Nu hebben we naast elkaar vijf of tien of nog meer kolommetjes met namen staan. De profeet, helemaal onderaan, hebben ze allemaal gemeen.
De volgende opgave is vast te stellen wie al die overleveraars waren. Ze zijn na te slaan in een biografisch lexicon, bij voorbeeld Tahdhīb al-tahdhīb van Ibn Ḥadjar al-‘Asqalānī (1372–1449) en we kunnen hun een identiteit geven, bij voorbeeld door er het ‘persoonsnummer’ uit Ibn Ḥadjars lexicon bij te schrijven. Vaak is die identificatie even puzzelen: omdat de isnāds vaak slechts delen van de naam vermelden. Zo blijkt Ibn Shihāb in de ene isnād dan bij voorbeeld identiek te zijn met al-Zuhrī in een andere, Abū Fulān met Ḥasan ibn Muḥammad e.d.

  • Bij het naslaan van die personen kunnen we meteen even registreren waar ze vandaan komen. De oudste overleveraars, de profeet en de gezel, stammen natuurlijk uit Arabië, maar wanneer de gezel bij voorbeeld naar Basra is getrokken en de latere overleveraars daar ook allemaal thuishoren, dan is het duidelijk dat de hadith in Basra in omloop is gebracht.

Bij vergelijking van de verticale lijstjes met overleveraars blijken deze misschien behalve de profeet nauwelijks gemeenschappelijke personen te bevatten. Dat is pech: zo’n hadith is dan niet bruikbaar voor de common link-methode. Bij Aḥmad ibn Ḥanbal (780–855) komt dat nogal eens voor; Aḥmad grossierde namelijk in fantasie-isnāds. Maar als we geluk hebben zien alle lijstjes er aan de onderkant hetzelfde uit, bij voorbeeld zo:

Hishām ibn ‘Urwa (± 667–± 772)
|
‘Urwa ibn al-Zubayr (± 643–712)
|
‘Ā’isha († 678)
|
De Profeet

En als dan de namen boven Hishām verschillend zijn, en de isnāds dus ‘uitwaaieren’, dan is Hishām de zg. common link, de oudste overleveraar die alle versies nog gemeenschappelijk hebben. Die common link zal degene zijn die de betreffende hadith in omloop heeft gebracht resp. gecreëerd en eventueel de oudste schakels van de isnād erbij hebben bedacht. (Joseph Schacht: ‘Isnāds tend to grow backward.’)
Al die isnads die we naast elkaar hadden gezet kunnen we ook in een ‘boompje’ onderbrengen, waarbij de takken soms behoorlijk door elkaar lopen:

Juynboll, Encyclopedia, xxi

Juynboll, Encyclopedia, xxi

Nu kunnen zich verschillende omstandigheden voordoen waardoor het toch niet zo mooi klopt met die common link. Dat wordt te ingewikkeld voor deze bladzijde; zie daarvoor de uitleggingen van → Juynboll en →Motzki. Liever wijs ik hier nog even op het bestaan van de partial common link. Dat is, als we bij het boompje blijven, de overleveraar die ergens halverwege of bovenin de boom zit (zoals Mālik en Ḥammād ibn Zayd op de afbeelding hierboven) en van wie zelf ook weer overleveraars uitwaaieren. Het kan zijn dat al degenen die van zo iemand hebben overgeleverd in hun tekstversie een bepaalde variant of toevoeging gemeen hebben; die heeft de partial common link dan in de wereld gezet.
.
Juynboll en Motzki hebben elkaar flink in de haren gezeten over dateringen (→Juynboll 1993, Motzki 1996). In grote lijnen dateert Motzki meestal een of twee generaties vroeger dan Juynboll. Dat zulks überhaupt mogelijk is vergroot natuurlijk niet het vertrouwen in de methode.
.
Het geleerde wereldje (50 personen wereldwijd misschien?) reageerde laat en behoudend op de common link-theorie. Het boek van Schacht werd pas dertig jaar na verschijnen behoorlijk gerecipieerd. Daarvoor, en ten dele nog daarna, schudden de geleerden hun hoofd en vonden het onzin. In de jaren tachtig werd er druk over de datering van hadithen gediscussieerd. Het was een zaak van vooruitstrevende jonge geleerden. Later werd de methode echter ook door degenen toegepast die er aanvankelijk tegen waren geweest, en nu is het de gewoonste zaak van de wereld om ermee te werken. Of liever gezegd: van het wereldje, dat door ouderdom, overlijden en het algemene verval der geleerdheid nog aanzienlijk kleiner is geworden dan vroeger.
.
Hoe dan ook, de methode is alleen toepasbaar op een beperkt aantal hadithen. Er moeten immers verschillende overleveringsketens met elkaar vergeleken worden, en als er niet genoeg verschillende zijn lukt het niet. Ik heb zelf ooit over de tandenborstel van de profeet gewerkt, een complex van ongeveer 80 hadithen. Daarvan bleken er maar vier geschikt te zijn om er de common link methode op los te laten. Dat heb ik gedaan—helaas met een fout erin—en toen was ik nog niet veel wijzer. Meer baat had ik bij vergelijking van de hadithcollectie van ‘Abd al-Razzāq al-Ṣan‘ānī (744–827) met die van de ‘canonieke’ collecties, die een halve eeuw jonger zijn. Zo kreeg ik een aardig beeld van wat de mensen aanvankelijk had beziggehouden en wat later; ook werd zichtbaar hoe een issue die al is uitgewoed nog heel lang doorzeurt omdat die teksten nu eenmaal bestaan. Datering van de hadithen onderling leek mogelijk. Die blijft echter altijd hachelijk, want weer zo’n zaak van dat onwetenschappelijke ‘gevoel’. Ik stel mij echter voor dat er meer duidelijkheid zou ontstaan, wanneer men tien of twintig van zulke hadithcomplexen zou behandelen en het mogelijk wordt, de boel in stereo te zien. Dit zal echter niet gebeuren: personeelsgebrek, veranderde tijden, boekoe haraam: hadith is weer helemaal uit de belangstelling.

NOTEN
1. Wie de begrippen hadith en isnad niet kent zij verwezen naar het startartikeltje en de daar aangegeven verdere lectuur.
2. Honderd procent is niet nodig. Oude teksten werden immers met de hand afgeschreven en daarbij ontstaan altijd varianten.

BIBLIOGRAFIE
– Joseph Schacht, The origins of Muhammadan Jursiprudence, Oxford 1950.
– G.H.A. Juynboll, Muslim Tradition, Studies in chronology, provenance and authorship of early ḥadīth, Cambridge 1983.
– G.H.A. Juynboll, ‘Some Isnād-Analytical Methods Illustrated on the Basis of Several Women-Demeaning Sayings from Ḥadīth Literature,’ Al-Qanṭara 10 (1989), 345–84. [Juynboll heeft talloze publicaties over de common link-methode; dit is een van de duidelijkste.]
– G.H.A. Juynboll, ‘Nāfiʿ the Mawlā of Ibn ʿUmar, and his Position in Muslim Ḥadīth Literature,’ Der Islam 70 (1993), 207–244.
– G.H.A. Juynboll, Encyclopedia of Canonical Ḥadīth, Leiden/Boston 2007.
– Harald Motzki, “Quo vadis Ḥadīṯ-Forschung? Eine kritische Untersuchung von G.H.A. Juynboll, ‘Nāfiʿ the mawlā of Ibn ʿUmar, and his position in Muslim ḥadīth literature’,” Der Islam 73 (1996), 40–80, 193–231. Engelse vertaling in Motzki, Analysing, 47–124.
– Harald Motzki, ‘Dating Muslim Traditions: a Survey,’ Arabica 52 (2005), 204–253.
– Harald Motzki et al., Analysing Muslim Traditions. Studies in Legal, Exegetical and Maghāzī Ḥadīth, Leiden 2013.
– Wim Raven, ‘The Chewstick of the Prophet in Sīra and ḥadīth,’ in: Islamic Thought in the Middle Ages. Studies in Text, Transmission and Translation, in Honour of Hans Daiber, Edited by Anna Akasoy and Wim Raven, Leiden/Boston 2008, 593–611. Hier online.

Terug naar Hadith: startpunt     Terug naar Inhoud