Snouck

Snouck, zo heet de onlangs verschenen zeer leesbare en degelijke biografie van Christiaan Snouck Hurgronje (1857–1936), geschreven door Wim van den Doel. Ik heb er erg van genoten en veel van geleerd, en beveel hem dan ook graag aan iedereen aan, en vooral aan arabisten en geïnteresseerden in de islam en Indonesië. Snouck was jarenlang adviseur van de regeringen van Nederlands-Indië en Nederland, en later hoogleraar te Leiden, o.a. in Arabisch en islamwetenschap. De biografie portretteert de invloedrijke, wereldwijd bekende landgenoot in al zijn innerlijke tegenstrijdigheid en is ook een belangrijke bron van kennis over de Nederlandse koloniale politiek.
Ik ga niet het hele boek van ruim zeshonderd bladzijden bespreken, maar ik wil er enkele punten uitlichten.

Atjeh
In Noord-Sumatra ligt Atjeh (moderne spelling: Aceh), een gebied dat eind negentiende eeuw weigerde zich te onderwerpen aan het koloniale bestuur. Snouck was in belangrijke mate verantwoordelijk voor de laatste fase van wat als de Atjeh-oorlog bekend staat (1873–1903). Zijn (toen nog) vriend Generaal van Heutsz deed het grove werk, Snouck droeg de ideeën aan. De bedoeling was, de rebellie snoeihard neer te slaan om daarna met gulle hand de zegeningen van het koloniale bestuur over het land te doen neerdalen. Volgens Snouck ging het er om, de bevolking te beschermen tegen de uitbuiting en willekeur van plaatselijke potentaatjes en fanatieke godgeleerden, die hij aanried ‘zeer gevoelig te slaan’. De eerste fase, met veel wreedheid, bloedvergieten en vernietiging, werd inderdaad verwezenlijkt, het is bekend. Dat hier iets niet klopte kwam bij Snouck blijkbaar niet op. Van die zegeningen is niet veel meer vernomen — wat hij een kwart eeuw later zelf ook inzag.1

Ethisch kolonialisme
Snouck geloofde werkelijk dat het koloniale bestuur zegeningen bracht. Volkeren die lager stonden in beschaving konden immers veel leren van ontwikkelder volkeren, zodat ze op de (lange) duur op eigen benen konden staan. Dat Indië vooral een wingewest was dat goed was voor een flink percentage van de Nederlandse staatsinkomsten, moet Snouck hebben geweten, maar uit dit boek blijkt niet dat hij daar ooit over tobde of het niet vanzelfsprekend vond. Wel vond hij dat er meer en beter onderwijs moest komen voor intelligente inlanders uit de hogere standen, zodat dezen ook functies konden krijgen in het bestuur en de rechtspraak. Op den duur zou Indië zelfs door Nederlanders en inlanders te samen bestuurd moeten worden. Daarin was Snouck veel ‘ethischer’ dan de bestuurders in Indië en het ministerie in Den Haag, die zich daar heftig tegen verzetten en de inlander juist liever klein hielden.

De islam
Snouck was niet bang voor de islam, want hij kende hem van binnen en van buiten. Hij had in Mekka gezeten, presenteerde zich als moslim, verkeerde op voet van gelijkheid met islamitische geleerden, leefde zo veel mogelijk ‘inlands’ en sloot twee maal een islamitisch huwelijk met een Sundase vrouw. Hij had een hekel aan het panislamisme, dat volgens hem vooral door het Ottomaanse Rijk werd verbreid. Maar over de islam in Indië maakt hij zich geen zorgen; integendeel. In 1913 bij voorbeeld werd op Java de Sarekat Islam opgericht, een islamitische vereniging ter behartiging van de belangen van moslims. Toen deze al gauw een enorme aanhang kreeg schrokken ondernemers en koloniale bestuurders zich wezenloos en wilden die vereniging onderdrukken, maar Snouck vond het juist een goed idee. Geef ze de ruimte en wat zelfstandigheid, dan worden ze niet opstandig. Hij had niet die koloniale schrik voor moslims, die berust op onwetendheid. Voor de machtsovername in Arabië door de Wahhabieten in 1924 had hij wel waardering. Hj kon toen nog niet voorzien wat voor ellende die zouden aanrichten. Zij brachten in elk geval rust en orde, en dat was goed voor de pelgrims uit Indië.

Racisme
Al tijdens zijn jaren in Indië (1888–1906) verkondigde Snouck steeds de mening dat vermeende raciale verschillen geen enkele rechtvaardiging boden om inlanders onderwijs en functies in bestuur of rechtspraak te onthouden. En na de barbarij van de Eerste Wereldoorlog in Europa kon zeker niemand meer in ernst beweren dat het blanke ras superieur was. Maar hier sprak Snouck met dubbele tong. Hij had vijf kinderen van zijn twee achtereenvolgende Sundase echtgenotes, die hij niet erkende. Hij stuurde af en toe wat geld en een briefje, maar wenste verder geen contact, en wilde zeker niet dat ze naar Nederland zouden komen. In Nederland trouwde hij opnieuw en kreeg een dochter. Hij had dus maar één kind.

De vloek van Snouck
Snouck was al in 1936 gestorven, maar toen ik na mijn kandidaatsexamen in 1968 aankwam in Leiden waarde zijn geest er nog rond. Om te beginnen werden de colleges Arabisch gegeven in zijn ruim bemeten huis aan het Rapenburg. De hoogleraar las voor uit het collegedictaat van Snouck. Als je boven naar de WC moest, belandde je in diens badkamer, waar nog zijn badkuip met leeuwenpoten stond. In de gang hing een portret van de illustere bewoner. Ja, die ogen: zelfs in het schemerdonker van het trappenhuis doorboorden ze je nog.
Snouck heeft met zeer harde hand een stel leerlingen gevormd, die hij veel bijbracht, maar die hij ook voortdurend kleineerde. Bij sommigen leidde dit tot blijvend geestelijk letsel, dat zij nog doorgaven aan de volgende generatie. De lamheid van de Leidse arabistiek in de jaren zestig en de verpeste sfeer waren zonder twijfel een gevolg van de ‘vloek van Snouck’. Wie kon na hem nog bestaan?

Als ik me aan een korte karakterisering mag wagen: Snouck was een groot geleerde, een harde man, ook voor zich zelf, die niet door innerlijke twijfels werd geplaagd en weinig geduld had met minder getalenteerden.

.

  1. In een bespreking van J.C. Lamster, J.B. van Heutsz als G.G., afgedrukt in Oost en West, 6 juni 1947 staat echter nog te lezen: ‘Zonder twijfel zou het werk van Van Heutsz als landvoogd [=Gouverneur Generaal, WR] niet mogelijk zijn geweest zonder het werk van Van Heutsz als generaal. Trouwens: alle arbeid, sinds 1904 in Indië tot zegen der Indische volken verricht was slechts mogelijk door die zelfde arbeid van de zelfde Van Heutsz als generaal.’

Terug naar Inhoud

Hormat. Nederlanders imiteren Javaanse vorsten

De Javaanse vorsten hadden vanouds aanspraak op hormat: eerbiedig, ja letterlijk kruiperig gedrag van hun onderdanen. Er werd een vergulde parasol (payong, oude spelling: pajong) boven hen opgehouden, zij werden toegesproken in een taal die speciaal voor communicatie van laag naar hoog diende, en de onderdanen stonden of zaten niet in het bijzijn van de vorst, maar hurkten of knielden neer en bewogen zich eveneens laag over de grond.
Wie ooit een Aziatische vechtsport heeft beoefend weet dat knielopen en loophurken niet zo makkelijk is. Het moet moeizaam geleerd worden, het beste van jongs af aan. En achteruit kruipen moet je ook kunnen; het zou immers geen pas geven je om te draaien en de Hooggeplaatste Persoon je rug en achterwerk toe te keren. 

In Couperus’ roman De stille kracht (1901) is heel wat terug te vinden over hormat in Nederlands-Indië. Bij het serveren van spijs en drank ten huize van de regent ging het zo:

  • De Raden-Ajoe Pangéran […] zeide niets, maar zij wenkte een volgeling. En op nieuw verschenen kruiphurkend de vier bedienden, bereidden een tweede glas whiskey-soda.1

Er is minstens twee maal zoveel personeel nodig wanneer het in zo’n onpraktische houding moet werken.
Op de rijke plantage Patjaram, waar een prinses was ingetrouwd en veel ‘Solosche manieren’ waren ingeslopen, heersen hof-achtige tradities:

  • […] en verwant voelde zij [Doddy] zich aan al die kleine tradities: de sambal, gestampt en gewreven door een hurkende baboe achter haar stoel, terwijl zij rijsttafelde, was haar het hoogste van verhemelte-genot; de races te Ngadjiwa, bijgewoond door de loome lengang-lengang-stoet van al die vrouwen, met de baboes achter zich, dragende zakdoek, flacon, binocle, was haar het non-plus-ultra van elegance.2

Zelf zou ik mijn eten juist minder lekker vinden als er achter mijn stoel personeel op de grond hurkte.

In De stille kracht wordt duidelijk dat de Javaanse vorsten en regenten zekere gedragingen en uiterlijkheden hadden overgenomen van de Nederlanders, maar het omgekeerde was zeker ook het geval. Resident Van Oudijck liet zijn tuin doen door twaalf dwangarbeiders—wat misschien niet toevallig herinnert aan Multatuli’s regent, die zijn gazon geheel onbezoldigd door onderdanen liet bijknippen.

Maar ook de vorstelijke gouden payong behoorde tot de kentekenen der residentiële waardigheid:

psijthoffresidentsemarang1904

  • De hoofdoppasser zat op den bok naast den koetsier en hield tegen zijn heup de groote gouden pajong, symbool van het gezag.3

En gekropen worden moest er voor de blanke heer eveneens:

  • De hoofdoppasser, steeds in krommende knieën van zich eerbiedig krimpen in elkaâr, scharrelde even door de kamer en bood hurkende aan de klein-uniformpet, en een wandelstok.4

Probeert u dat zelf maar eens!

  • De rezident ontmoette niemand; nu en dan kwam echter een enkele Javaan, zich donker bewegende, even uit de schaduw, en dan zwaaide de oppasser achter zijn heer met veel ostentatie de gloeiende punt van zijn vuurtouw. Meestal begreep de Javaan, en maakte zich klein, en kromp in-een aan den rand van den weg, en ging als loophurkende voorbij. Een enkelen keer, onwetend, pas uit zijn dessa, begreep hij niet, liep angstig voorbij, zag angstig naar den oppasser, die maar zwaaide en zwaaide, en hem, in het voorbijgaan, achter den rug van zijn meester een vloek toeduwde, omdat hij – de dessa-kerel – geen manieren had.5

Het moet een koddig gezicht geweest zijn: zo’n plompe man, zwetend in een uniformjas tussen de nietswaardige aardwormen. R. A. Kartini, die de dochter van een regent was, schreef daarover:

  • O, godheid, wist gij maar, hoe de menigte, die nu eerbiedig voor de schitterende zonnescherm terzijde blijft, u straks achter uw rug uitlacht.6

De hormat-circulaire van 16 april 1904 maakte er een eind aan. Aan het hormat-gedoe jegens Nederlandse bestuursambtenaren bedoel ik; niet aan het uitlachen natuurlijk.

NOTEN
SK = Louis Couperus, De stille kracht (Volledige Werken Louis Couperus 17), Utrecht/Antwerpen 1989. De roman is ook online te lezen.
1. SK 131.
2. SK 203.
3. SK 37.
4. SK 7.
5. SK 8.
6. Geciteerd in Insulinde. Schetsen van Land en volk van Nederlandsch O.-Indië enz., Groningen 1924, blz. 21.

Terug naar Inhoud

Droom van Oriënt

Ten grondslag aan zowel de oriëntalistiek als het oriëntalisme ligt dikwijls de oosterse droom. Al word ik in deze pagina’s nooit persoonlijk, voor éénmaal wil ik het toch zijn. U hebt er recht op, te weten hoe ik ertoe gekomen ben oriëntalist te worden.
.
Mijn ouderlijk huis stond op loopafstand van het Tropenmuseum in Amsterdam. Na de verplichte kerkgang op zondagochtend ging ik ’s middags graag naar dat museum. Daar was vaak iets te doen: Indra Kamajoyo danste er bij voorbeeld, of er werden Javaanse sprookjes voorgedragen, over Kancil het guitige dwerghert, of iets uit de Mahabharata. Het mooiste was als een enkele keer het gamelanorkest speelde, eventueel met wayangspel. Toen ik wat ouder was zoog ik mij vol aan de oriëntalistische boekhandel die daar was.
.
Na verloop van tijd wist ik het: ik wilde naar Java om iedere nacht de gamelan te horen spelen. Dat er ook brood op de plank moest hield me niet bezig. De beste manier om ernaar toe te werken leek me Indonesische Taal- en Letterkunde te gaan studeren. Dat zou in Leiden moeten gebeuren en ik wilde niet uit Amsterdam weg. Maar om Indonesisch te studeren moest je vroeger eerst Arabisch en Sanskriet gedaan hebben, en Arabisch kon in Amsterdam, dus als ik daar dan eens mee begon … . In dat Arabisch bleef ik hangen, hoewel het Midden-Oosten helemaal niet mijn droomwereld was. Maar bij Arabisch hoorde voor het kandidaatsexamen Semitische Talen ook Hebreeuws; dat lag me ook wel, dus ik vond het goed zo. Later kwam ik toch in Leiden terecht, waar ik nog drie jaar Indonesisch en klassiek Maleis gestudeerd heb. Sanskriet was inmiddels geloof ik afgeschaft, Javaans was me te lastig en mijn hoofdvak werd en bleef Arabisch. Egypte, waar ik terecht kwam, was allesbehalve een oosterse droom, eerder een obsessie. Na Egypte heb ik nooit meer aan Nederland kunnen wennen en ik ging nog vaak ‘terug’.
.
Waarom dat gedroom? Het was heel eenvoudig: ik was niet gelukkig met mijn werkelijke omgeving en wilde dus weg. Van koloniale verlangens was helemaal geen sprake. Ik wist best dat we Indië niet meer ‘hadden’ en hoorde om mij heen genoeg praten over het onaangename heerschap Soekarno, dat daar de scepter zwaaide. Maar dat doorbrak de droom niet.
.
Dromen was niet het enige wat ik deed: ik ging ook gewoon naar school, luisterde naar Europese muziek en leidde een normaal leven. Maar die oosterse droom was sterk genoeg om een groot deel van mijn verdere leven te bepalen, al was hij niet gericht genoeg om mij naar Indonesië te brengen.
.
Er waren ook Nederlanders die gerichter droomden en het gewoon deden. Bernard IJzerdraat (1926–1986) slaagde er gedurende de oorlog in met grote volharding zelf gamelaninstrumenten te bouwen, waarop hij met zijn groep Babar Layar o.a. in het Tropenmuseum uitvoeringen gaf. In 1956 vertrok hij naar Indonesië, waar hij onder de naam Suryabrata verder leefde als hoogleraar in de musicologie. De huidige hoogleraar Javaans in Leiden Ben Arps liet zich in Surakarta opleiden tot dalang (wayangpoppenspeler).
===============
Natuurlijk waren er talloze mensen die zich niet op grond van dromen met ‘de Oriënt’ bezighielden, maar bij voorbeeld om handel te drijven, te veroveren of te heersen. Toch kregen ook zij te maken met een Oriënt die door de dromers bij elkaar werd gedroomd.
===============
Er bestond in het Midden Oosten ook een droom van het Westen. De studenten in Egypte wisten het indertijd zeker: in Europa hoef je maar een bar binnen te lopen of je wordt aangeklampt door bereidwillige jonge vrouwen.

Oriëntalisme in de Oriënt

🇩🇪 Ik beken: ik ben oriëntalist. Maar wat is dat precies? De spellingcorrector van MS Word kent het woord niet, dus enige uitleg kan misschien geen kwaad.
.
Oriëntalisme is (of was) een richting in de kunst, die vooral in de negentiende eeuw gebloeid heeft en als bron van inspiratie had wat vroeger ‘de Oriënt’ heette, het mysterieuze Oosten: de schoonheid, de rijkdom, de kleurenpracht, de wreedheid en de zinnelijkheid die men daar ontwaarde of zich althans voorstelde. Een schilder of architect die aan oriëntalisme doet heet een oriëntalist of een oriëntalistische schilder.
.
Oriëntalistiek is (of was) de wetenschappelijke bestudering van de talen en beschavingen van wat vroeger ‘de Oriënt’ heette: een gebied dat bij de Turkse grens begon en ergens in Oost-Azië ophield. Een bedrijver van oriëntalistiek heet(te) ook oriëntalist. Zo eentje ben ik; meer specifiek: een arabist. Schilderen kan ik niet.
.
Zo is het ook in het Duits en Engels:
– Ned.: oriëntalistiek — oriëntalisme — oriëntalist(isch)
– Duits: Orientalistik — Orientalismus — Orientalist
– Engels: oriental studies — orientalism — orientalist, orientalist painter
.
De begrippen oriëntalistiek en oriëntalisme zijn met behulp van bovenstaande definities wel uit elkaar te houden; alleen bij het woord oriëntalist is verwarring mogelijk.
In het Frans daarentegen lijkt de verwarring te zijn ingebakken. Daar heet oriëntalistiek études orientales,  maar ook wel orientalisme. De term orientologie is waarschijnlijk gecreëerd om duidelijkheid te scheppen, maar wordt niet veel gebruikt.
.
De verwarring werd pas internationaal toen in 1978 het beroemd-beruchte boek Orientalism van Edward Said verscheen. Deze auteur haalde de twee begrippen door elkaar. Dat deed hij opzettelijk, want hij wilde de nadruk leggen op wat beide bezigheden volgens hem gemeen hadden, namelijk een vertrokken beeld van ‘de Oriënt’ te creëren met de bedoeling deze te onderwerpen en overheersen. Daarbij had Said vooral de kwade bedoeling, de oriëntalistiek in diskrediet te brengen.
.
Er zijn (tenminste) twee mooie moderne romans waarin oriëntalistiek een belangrijke rol speelt:
– Ilija Trojanow, Der Weltensammler, München 2006 (Ndl. De wereldverzamelaar, vertaald door Jose Rijnaarts, 2011).
– Mathias Énard, Boussole, Paris 2015 (Ndl. Kompas, vertaald door Katrien Vandenberghe, 2016).
.
Het beeld dat het westen zich vormde van ‘de Oriënt’ werd in de koloniale tijd daarginds vaak overgenomen. Het Westen maakte immers uit hoe het Oosten eruit had te zien en zich te gedragen had. Dit zet kwaad bloed sinds de verschijning van Saids boek, waarin het fenomeen voor het eerst aan de kaak gesteld wordt. In Saoedi-Arabië en Irak werden er leerstoelen ‘Oriëntalistiek’ ingericht, die veelal door haat of afkeer jegens westerse oriëntalistiek werden gedreven. Maar van ± 1800 tot 1980 werd het westerse oriëntbeeld in de oriënt alleronderdanigst geslikt en overgenomen; er zal ook niet veel anders hebben opgezeten. Zelfs in religieuze zaken liet men zich een oor aannaaien: de vorm die de islam heeft aangenomen heeft heel wat aan het westen te wijten (zie ook hier 
en hier).
.
Hier volgen enkele voorbeelden van Orient made in Europe.
.
Aan het eind van de negentiende eeuw dicteerden Europese handelsfirma’s (Ziegler, Hotz) hoe Perzische tapijten eruit moesten zien. Niet te wild, decent gekleurd naar Europese smaak; wel met merinowol die werd geïmporteerd uit Manchester en met kunstmatige kleurstoffen. Natuurlijk gehoorzaamden de tapijtwevers: ze moesten er immers van leven?
===
Zachte of harde dwang was er ook in Nederlands Indië. Over de oriëntalistische uitdossing  van de sultan van Solo had ik het elders al eens. De Maleise taal werd in Nederlands-Indië door Nederlanders beter gekend dan door Indonesiërs, vooral die op Java. Den Javanen en Soendanezen konden het alsnog leren, bij voorbeeld door vlijtig de boekjes van het Kantoor voor Volkslectuur (later Balai Poestaka; 1908–1942) te lezen, dat vanaf 1920 Indonesische literatuur uitgaf die voor inlanders passend werd geacht.1
Elders zal de westerse versie van wat ‘oosters’ was zijn nagevolgd uit een behoefte om modern te zijn. Ooit heb ik eens een Indonesiër de inrichting van een koloniale tropische woonkamer ‘echt oosters’ (cara timur benar) horen noemen. Die kamer bevatte westerse meubeltjes, enkele Indische kunstvoorwerpen en een schilderij van een rokende vulkaan met sawah’s en twee ploegende karbouwen op de voorgrond, dat erg aan een schoolplaat herinnerde.
===
De Sheikh Zayed moskee in Abu Dhabi is een reusachtig gevaarte: een koepel van 75 meter, minaretten van 107 meter, plek voor 40.000 gelovigen en van alles veel te veel. Het gebouw heeft enerzijds de saaiheid van computergegenereerde, steriele massawaar, anderzijds doet het denken aan een oriëntaalse fantasie uit Duizend-en-één-nacht.  Deze moskee is onverhuld oriëntalistisch, een oosterse droom. De gewezen parelvissers van de Golf hadden zelf nauwelijks een traditie van grote gebouwen. Ze hebben dus mensen uit het buitenland2 ingehuurd die voor hen dit oosterse sprookjespaleis bedachten, waaruit ieder ogenblik een vliegend tapijt kan opstijgen. Stijlelementen van verschillende bestaande gebouwen, van Marokko tot India, zijn samengevoegd tot een oriëntaals geheel in het kwadraat. Blijkbaar was de bouwheer er tevreden mee. En dat terwijl er de laatste tijd in de Arabische landen flink op oriëntalisme wordt gescholden.

===
Maar die hele Duizend-en-één-nacht was overwegend een westerse constructie, die na een succesverhaal van twee eeuwen vanuit Europa zijn weg naar het Midden-Oosten heeft gevonden. Die verhalen werden vroeger door Arabische geletterden zelden gelezen en niet gewaardeerd. Niet omdat er vrijmoedig over seks wordt gesproken, zoals men in het preutse Europa misschien denkt, maar omdat ze in eenvoudige (‘kinderachtige’) taal geschreven waren en ook verder niet aan literaire maatstaven voldeden. Ze hoorden thuis bij de verhalenvertellers, die de teksten uit het hoofd leerden uit schriftjes die ze hadden en door het land trokken om in café’s en op pleinen hun verhalen te vertellen. Andere verhalen waren echter veel populairder. Uit de negentiende eeuw zijn er wel enkele toneelbewerkingen van verhalen uit Duizend-en-één-nacht bekend, maar het toneel gold eveneens als iets voor de lagere standen. Pas vanaf ± 1900 begonnen Arabische geletterden Duizend-en-één-nacht te waarderen, nadat het werk dus door Europa was ‘goedgekeurd’. Dan staan er schrijvers op die verklaren dat Duizend-en-één-nacht zo’n belangrijke invloed voor hen was: ‘Abd al-Qādir al-Māzinī, Mahmūd Taymūr, Tawfīq al-Hakīm, Tāhā Husayn, Nagieb Mahfoez, om er maar enkele te noemen. Zij en nog vele anderen reageren er ook op: ze bewerken zo’n verhaal of spelen ermee, ze schrijven boeken als De dromen van Sheherazade, of De duizendtweede nacht. De eerste Arabische dissertatie over de verhalencyclus verscheen in 1943: een bewijs van acceptatie.
Dat moderne Arabische auteurs teruggrijpen op hun eigen erfgoed lijkt doodnormaal, maar het gebeurde wel nadat dit eeuwenlang ondergestoft was geweest, en nadat Europa het had opgepakt, goedgekeurd, door de mangel gehaald en opnieuw toebereid.
.
Later was er nog meer oriëntalistische invloed op de receptie van Duizend-en-één-nacht, zij het indirect. Een nieuwe Arabische uitgave van het werk werd regelmatig verboden (o.a. in Egypte, 1985), omdat het in strijd met de goede zeden zou zijn. Met de zeden namelijk van de fundamentalistische moslims, die zich intussen breed hadden gemaakt en die hun preutsheid voor minstens de helft danken aan oriëntalistisch Europa en aan koningin Victoria; zie hier.
===
Nog zo’n geval is naar mijn mening de receptie van Ibn Khaldūn: een van de beroemdste oude Arabieren überhaupt, die echter via Europa in het Midden Oosten is beland. Daarover hopelijk binnenkort.

NOTEN
1. Mocht U dit willen naslaan in de Wikipedia zult U geen Nederlandstalig artikel vinden. Als zo vaak zwijgt de Nederlandse Wiki over Indië stille. U kunt echter deze tekst van Doris Jedamski lezen.
2. Als architect wordt genoemd Yousef Abdelky, maar ook Mohammad Ali Al-Ameri en verder firma’s als Spatium, Halcrow en Speirs and Major Associates.

Terug naar Inhoud

De islam in Couperus’ roman ‘De stille kracht’

Louis Couperus’ meesterwerk De stille kracht verscheen in 1900. Hij toont onder andere hoe het nuchtere en welmenende vooruitgangsgeloof van het Nederlandse koloniale bestuur, belichaamd door de stoere resident Van Oudijck, op de klippen loopt tegen de stille kracht van Indië, een bovennatuurlijk mysterie, dat Nederlanders nooit zullen kunnen begrijpen. Ofschoon Couperus uit de hoogste bestuurskringen van Nederlands-Indië stamde, was hij inderdaad van mening dat Nederlanders in dat land niets te zoeken hadden.

Naast de Nederlandse bestuurders stonden op Java de inheemse vorsten en ex-vorsten, de regenten, die na hun onderwerping als een soort medebestuurders en uiteindelijk als Nederlandse ambtenaren functioneerden. De residenten gaven aanbevelingen die gehoorzaamd dienden te worden. Met de oude regent van het fictieve stadje Laboewangi—denkt U maar aan Pasuruan, Oost-Java—had Couperus’ resident Van Oudijck goed samengewerkt, maar diens wrokkende zoon was een raadsel voor hem, evenals diens speel- en drankzuchtige moeder en broer. In het boek escaleert het steeds onuitgesproken blijvende conflict, tot de resident zich gedwongen ziet vervroegd pensioen aan te vragen.

Over de regent wordt in één fragment maar liefst drie maal het woord ‘fanatiek’ gebruikt (cursiveringen van mij):

  • Maar Soenario, zijn zoon, de jonge Regent nu, hèm kon hij niet vatten, niet doorpeilen – dit bekende hij zich slechts stilzwijgend -; hem zag hij alleen raadselachtig, dien wajangpop, zooals hij hem noemde, altijd stijf, op een afstand tegenover hém, den rezident, alsof hij – prins – neêrzag op hem – Hollandschen burgerman; en daarbij fanatiek, zonder oog voor de belangen zijner Javaansche bevolking, en alleen maar verloren in allerlei bijgeloovige praktijken en fanatieke bespiegelingen. Hij zeide het niet ronduit, maar iets ontsnapte hem in den Regent. Hij kon die fijne figuur, met zijn strakke koolzwarte oogen, niet neêrzetten als mensch in het praktische leven, zooals hij steeds den ouden Pangéran had kunnen doen. Die was hem altijd geweest, volgens den leeftijd, zijn vaderlijke vriend; volgens de etiquette zijn ‘jongere broeder’, maar altijd medebestuurder van zijn gewest. Maar Soenario vond hij oneigenlijk, geen ambtenaar, geen Regent, alleen maar een fanatieke Javaan, die zich hulde in iets van geheim: allemaal nonsens, dacht Van Oudijck. Hij lachte om Soenario’s faam van hoogheiligheid, die de bevolking hem gaf. Hij vond hem onpractisch: een gedegenereerde Javaan, een gedetraqueerde Javaansche gommeux! (SK 34-5)

Fanatiek betekent volgens van Dale’s Groot woordenboek der Nederlandse taal: door een blinde ijver (voor een geloof of idee) gedreven. Het is een cliché dat Europeanen graag gebruikten en nog steeds gebruiken wanneer het over moslims gaat: ‘fanatieke moslims’. Het betekent niet veel, en op het Java van toen was het buitengewoon slecht van toepassing. Dat eiland was honderd jaar geleden wel islamitisch, maar juist niet fanatiek. Het was eigenlijk maar half geïslamiseerd; veel moslims van elders zouden in die tijd de godsdienst ter plaatse ternauwernood als islamitisch hebben erkend. Zelfs over de Madoerezen, die in de koloniale tijd als ‘fanatieker’ golden dan de Javanen, lezen we bij Couperus dat ze zoiets onislamitisch deden als kleine offers brengen aan de geesten:

  • De zeegeesten waren nu om… Er zijn kaaimannen onder het water, en iedere kaaiman is een geest… Zie, daar heeft men aan ze geofferd, pisang en rijst en dèng-dèng en een hard ei op een vlotje van bamboe; onderaan bij het voetstuk van den vuurtoren… (SK 11)

Zo er al fanatieke moslims waren op Java dan waren het er maar weinig, en de adel behoorde daar zeker niet toe. Als overal was fanatisme eerder een kenmerk van de lagere standen.
Langs de Noordkust van Java woonden wel wat Arabieren, oorspronkelijk afkomstig uit Hadramawt. Over hun graad van ‘fanatisme’ is mij niets bekend, maar zij zullen in elk geval een stoere Arabische islam gepractiseerd hebben:

  • […] want toen het rijtuig de Arabische wijk inreed – huizen als andere, maar somber, maar stijlloos, maar fortuin en existentie verborgen achter dichte deuren; in de voorgalerij wel stoelen, maar de heer des huizes somber gehurkt op den grond, onbewegelijk, met zwarten blik het rijtuig achtervolgende – scheen dit stadsgedeelte nog tragischer geheimzinnig dan het notabele Laboewangi en scheen het onuitzegbare mysterie uit te donzen als iets van den Islâm, dat zich verspreidde over de héele stad, of het de Islâm was, die de fatale melancholie van levensgelatenheid uitduisterde in den huiverenden, geluideloozen avond… (SK 39)

Hier zien we meteen het andere cliché dat altijd in verband wordt gebracht met de islam: fataal, levensgelatenheid, fatalisme. Bovendien merken we op dat het voor nuchtere Nederlanders ondoorgrondelijke mysterie van Indonesië voor Couperus nauw verwant is, zo niet samenvalt met de islam.

Vroom was op Java het ‘witte volkske’, de wong putihan, zeg maar de zwarte-kousen-moslims, die de regels nauwgezet vervulden. Vaak waren zij naar Mekka geweest en dus hadji. De stoomvaart maakte het mogelijk dat er meer pelgrims naar Mekka trokken dan ooit tevoren. Die bleven daar maanden, soms jaren hangen; sommigen van hen leerden goed Arabisch en bestudeerden Arabische werken over godgeleerdheid en sharia. In Arabië hadden in die tijd niet de Wahhabieten het voor het zeggen, maar het Ottomaanse rijk, dat in religieus opzicht erg ontspannen was. Toch waren er in Mekka natuurlijk wel milieus waar een ‘zware’ islam bestudeerd en gepraktiseerd werd. In ieder geval kwamen de hadji’s min of meer gearabiseerd terug; bovendien waren zij in contact gekomen met moslims uit heel andere gebieden. Er bestond toentertijd het idee van een soort globale islam: het panislamisme, dat door koloniale ambtenaren, inclusief van Ouddijck, met enige bezorgdheid werd gadegeslagen.
Hadji’s genoten een geweldig prestige bij degenen die de reis naar Mekka niet hadden kunnen maken:

  • – Dat is een trein met nieuwe hadji’s, zei Van Oudijck. Allemaal versche Mekka-gangers…
    De trein hield stil, en uit de lange wagens der derde klasse, plechtig, langzaam, vol wijding en bewust van hunne waarde, stegen de hadji’s uit, rijk geel en wit getulband het hoofd, waarin trotsch de oogen glansden, laatdunkend de lippen zich dicht trokken, in nieuwe glanzende jassen, goudgele en purperen samaren, die vielen aanzienlijk bijna neêr tot de voeten. En, gonzend van verrukking, soms met een opstijgenden kreet van onderdrukte extaze, drong nader de uitziende menigte, bestormde de nauwe uitgangen van de lange wagons… De hadji’s, plechtig, stegen uit. En hun broeders en hun vrienden grepen om strijd hunne handen, de zoomen van hunne goudgele en purperen samaren, en kusten die heilige hand, dat heilig gewaad, omdat het hun bracht iets van het heilige Mekka. Zij vochten, zij verdrongen elkaâr om de hadji’s, om het allereerst den kus te geven. En de hadji’s, laatdunkend, zelfbewust, schenen den strijd niet te zien, waren als voornaam rustig en plechtig aanzienlijk te midden van den strijd, te midden van de golvende en gonzende menigte, en overlieten hun hand, overlieten hun tabbaardzoom aan den dweepkus van al wie hen nakwam. (SK 224)

In De stille kracht verschijnt meermaals een witte hadji als een verwijzing naar het dreigende, zacht aandonzende mysterie en alles wat Nederlanders niet begrijpen, en zeker ook naar schuld, in de Nederlands-protestantse zin. Het jonge meisje Doddy heeft twee maal een witte hadji menen te zien lopen; niet toevallig toen zij met de vrouwengek Addy wandelde en haar maagdelijkheid gevaar liep. Leonie’s inlandse lijfmeid Oerip begrijpt wel dat de witte hadji die Doddy heeft gezien geen ‘goede hadji’ is, maar een spook. Ook de tot occultisme geneigde Ida meent een hadji te zien, maar zij herstelt zich: ‘Het is niets: de maneschijn …’. Het lijkt wel of de hadji zich vooral dan vertoont wanneer de Hollanders aan het zondigen zijn of op het punt staan dat te gaan doen. Een aardig motief, maar met echte hadji’s heeft het natuurlijk niets te maken. Die zullen zich niet voor de privé-zonden van de koloniale dames en heren hebben geïnteresseerd. Dat ze met hun witte kleding door sommigen in slecht verlichte tropennachten als spoken werden opgevat, daar konden zij zelf niets aan doen. Occulte krachten, bovennatuurlijke gebeurtenissen, de geest die zich meldt in spiritistische seances: dat heeft allemaal niets met de islam te maken, maar voor Couperus is het één pot nat. Dat is een zwakte in de roman.

Een Javaanse regent zal misschien fanatiek zijn geweest in zijn afkeer van Nederlanders. Maar misschien ook niet: hij werd toch vorstelijk door hen betaald, hij collaboreerde toch? Mocht hij een dubbele agenda gehad hebben: dat kun je niet fanatiek noemen. De instrumentalisering van de godsdienst bij het verzet tegen de koloniale machthebbers, die in Noord-Sumatra in de tijd van de Atjehoorlog (1873–1903) juist actueel was, behoorde op Java al driekwart eeuw tot het verleden. De Atjehers waren hoe dan ook een stuk vromer dan de Javanen, die men toentertijd met de beste wil niet fanatiek religieus kon noemen.

Couperus’ islam stelt niet veel voor in dit boek, hij heeft er weinig over geweten en van begrepen. Kennelijk heeft hij de bestuursambtenaren, waarvan het in zijn familie wemelde, gewoon nagepraat en op grond van hun cliché’s een vage islam een plekje gegeven als één van de geheimzinnige krachten die de Nederlanders uit Indië wilden verdrijven. De stille kracht blijft een meesterwerk, maar de behandeling van de islam is niet de sterkste kant ervan.

SK = Louis Couperus, De stille kracht (Volledige Werken Louis Couperus 17), Utrecht/Antwerpen 1989. De roman is ook online te lezen.

Terug naar Inhoud