AM: Abd al-Maliks geldhervorming

(Fragment. Ter verduidelijking kunt U eerst dit lezen)

Toen kalief ‘Abd al-Malik zijn tegenstander ‘Abdallāh ibn al-Zubayr in 692 had verslagen stond hij voor de taak, zijn rijk op te bouwen, d.w.z. de delen samen te smelten tot één staat. Dit moest op verschillende fronten gebeuren: ideologie, leger, bestuur, officiële taal, maar ook het geld.

Het Arabische Rijk had nog geen eenheidsmunt, maar gebruikte in het Westen Romeinse munten en in het Oosten Perzische. Op het Arabische schiereiland zal men naar oude gewoonte ook brokjes goud gebruikt hebben, die men in zijn kleding verstopte.

 

HET ROMEINSE RIJK EN DAARNA.
In Constantinopel had men de aureus solidus of kortweg solidus,1 een betrouwbare gouden munt van ± 4,5 gram, die in omloop was sinds 309 en het meer dan duizend jaar heeft uitgehouden. Natuurlijk waren er ook kleinere eenheden van zilver en koper. De solidus was de sleutelvaluta van Europa en het Middellandse Zee-gebied, die wel de ‘Euro van de Middeleeuwen’ is genoemd. Op de voorzijde stond een afbeelding van een keizer of keizerin, op de keerzijde een kruis op drie of vier treden@@;2 zie bij voorbeeld de munt van keizer Constans:

Constans II, Carthago 652–3. Foto Otto Nickl

Constans II, Carthago 652–3. De munt van Carthago sloeg dikkere munten, maar wel met hetzelfde gewicht. Foto Otto Nickl.

Van keizer Heraclius (575–641, reg. 610–641) bestaan er munten met twee personen op de voorzijde: de keizer en zijn zoon Constantinus III:

Heraclius en Constantinus III

Heraclius en Constantinus III

Tussen 638 en 641 werden er zelfs munten geslagen met drie personen erop: Heraclius en zijn twee zonen en medekeizers: 

Heraclius, Constantijn III en Heraklonas, ± 640. Foto Otto Nickl

Heraclius, Constantinus III en Heraklonas, ± 640. Foto Otto Nickl

De Umayyadenkalief Mu‘āwiya (661–680) liet solidi  slaan naar het voorbeeld van de late munten van Heraclius, met dezelfde drie keizers(!) op de voorzijde, maar zonder kruisen op hun kronen, en op de keerzijde dezelfde Griekse tekst als vanouds en een gekortwiekt kruis met alleen een dwarsbalk, zodat het niet op een christelijk kruis leek.

Solidus van Mu‘āwiya, 661–80. De drie kruisen op de kronen zijn vervangen door bollen. Het kruis op de avers is zodanig veranderd dat het geen christelijk kruis meer leek.

Solidus van Mu‘āwiya, 661–80. Foto Otto Nickl.

Blijkbaar was zijn solidus geen succes. In de Maronitische Chronieken wordt gezegd dat Mu‘āwiya ‘munten sloeg van goud en zilver, maar zij werden niet geaccepteerd, omdat er geen kruis op stond.’3 Men kon echter overal met elders in het Romeinse Rijk geslagen keizerlijke solidi terecht.

Van ‘Abd al-Malik is er een wat kleinere munt van dadelijk na zijn aantreden als kalief in 685, met op de voorzijde een afbeelding van zichzelf en zijn broer en gedoodverfde opvolger ‘Abd al-‘Azīz:

Abd al-Malik, 685. Keerzijde: Bismillāh. ‘Abd allāh ‘Abd al-Malik, amīr al-mu’minīn. ‘In naam van God, De knecht Gods, Abd al-Malik, bevelhebber der gelovigen’

‘Abd al-Malik, 685. Voorzijde: Twee staande figuren met lange gewaden en Arabische hoofdbedekking. De rechterhanden op de zwaarden. Tussen hen in op drie treden een staf met een bol. Keerzijde: Grote ‘M’ met een zespuntige ster erboven. In de marge: Bismillāh. ‘Abd allāh ‘Abd al-Malik, amīr al-mu’minīn. ‘In naam van God, de knecht Gods, ‘Abd al-Malik, bevelhebber der gelovigen’

Vervolgens zijn er gouden munten waarop de kalief en face staat afgebeeld met een zwaard en een zweep, en teksten die ik nog moet ontcijferen.

Voorzijde: Achterzijde:

Voorzijde: Kalief ‘Abd al-Malik met zwaard en zweep. (Vóór de geldhervorming.)
Keerzijde: Pilaar op drie treden (de restanten van het Romeinse kruis)

 

=================================

HET SASSANIDISCHE PERZIË EN DAARNA. In Perzië en het bijbehorende Irak hadden de Sassanidische vorsten de zilveren standaard: de drachme of dirham, hoewel er ook grotere munten van goud bestonden (dinar).

ardashir1-240

Voorzijde: buste van koning Ardashīr I (± 240), in het Pahlavi:@@. Keerzijde: Perzisch vuuraltaar.

Een van de laatste Perzische koningen, Khosrau II Parvīz (data) bracht nog ongelofelijke massa’s drachmen in omloop: een stevige zilveren munt van ongeveer 4 gram, die nog tot lang na de val van het Perzische Rijk algemeen vertrouwen genoot:

Khusrau II, 612–613, Meshan GDH apzwt | hwslwb Buste, gevleugelde kroon met ster en halve maan, sterren en halve manen sycwyst' Revers@@: Vuuraltaar met twee priesters, hand op zwaard, halve maan op het hoofd, halve manen met sterren 32mm x 33mm, 4.09g

Khusrau II, 612–613, Meshan
Voorzijde: Buste in Sassanidische stijl, hoofd naar rechts, gevleugelde kroon met ster en halve maan, astrologische symbolen GDH apzwt | hwslwb ycwyst’ @@
Keerzijde: Vuuraltaar met twee priesters, hand op zwaard, halve maan op het hoofd, astrologische symbolen. 32mm x 33mm, 4.09g

Toen Perzië onder Arabisch heerschappij was gekomen, veranderde er op het gebied van munten nog minder dan in het Westen. De bestaande munten behielden gewoon hun geldigheid. Op sommige munten werd het Arabische woord djayyid gezet: ‘goed, geldig’. Onder Mu‘āwiya (reg. 661–680) verschenen daar munten met nog steeds de buste van ex-koning Khosrau II, nog met Middelperzische (Pahlavi) tekst en alleen een bescheiden toevoeging aan de rand in het Arabisch:

Mu‘āwiya I, 661 Voorzijde: Keerzijde:

Mu‘āwiya I, 663–664
Voorzijde: Buste in Sassanidische stijl enz. Tekst in Pahlavi: Maawia amir i-wruishnikan, ‘Mu‘āwiya, bevelhebber der gelovigen’. In de marge: bism allāh, ‘In de  naam van God’.
Keerzijde: Perzisch vuuraltaar met twee priesters. [Munt te] Darabgird. 4.00 gram

 Ook Mu‘āwiya’s zoon Yazīd I (reg. 680–4) liet nog munten slaan met Pahlawi tekst, zonder iets wat op Arabisch of islam wees:

Drachme van Yazīd I.

Drachme van Yazīd I, 681. Voorzijde: Buste in Sassanidische stijl, hoofd naar rechts, gevkleugelde kroon met ster en halve maan. Astrologische symbolen. In Pahlavi GDH ’FZWT, ‘tot meerdere glorie’. Rechts tegenover het hoofd in Pahlavi ḤWSLWY, ‘Khosrau’. Keerzijde: Vuuraltaar met twee priesters, hand op zwaard, halve maan op het hoofd, astrologische synmbolen. ŠNT ’YWK, ‘jaar één’, Y YZYT, ‘van Yazīd’/

PERZIË ONDER DE ZUBAYRIDEN: Zuid-Perzië werd van 680–692 bestuurd door Mus‘ab ibn al-Zubayr, de broer van de rivaliserende kalief ‘Abdallāh ibn al-Zubayr. In dit deel van het land werden er duidelijk stappen ondernomen om de munten te islamiseren. Weliswaar bleven het nog steeds dezelfde drachmen van koning Khusrau, maar nu met een islamitische tekst:

Drachme, in 685 gemunt in het Zubayridisch geregeerde Bishapur. Obvers; bust in Sassanidische stijl met de naam van kalief ‘Abd al-Malik in het Pahlavi. Marge in het Arabisch: bism Allāh Muḥammad rasūl Allāh , ‘In naam van God. Mohammed is de gezant van God.’ Revers: Sassanidisch vuuraltaar.

Drachme, in 685-6 gemunt in het Zubayridisch geregeerde Bishapur. Voorzijde: buste in Sassanidische stijl, hoofd naar rechts, de naam van kalief ‘Abd al-Malik in het Pahlavi. Marge in het Arabisch: bism Allāh Muḥammad rasūl Allāh, ‘In naam van God. Mohammed (is) de gezant van God.’ Keerzijde: Sassanidisch vuuraltaar met aan weerszijden een priester. [Datum:] 67

 Dit is de oudste bewaarde munt, waarop de naam Mohammed in het openbaar verschijnt. Van kort daarna is er ook een met de naam van Mohammed in het Pahlavi, eveneens uit het gebied van het Zubayridische kalifaat:

 

Drachme uit Kirman, 689. Obvers: MHMT PGTAMI Y DAT, Mohammed is d eboodschapper van God. In de marge Arabisch: bismillāh walī al-amr, in naam van God, de heer der dingen

Drachme uit Kirmān, 689. Voorzijde: buste in Sassanidische stijl, hoofd naar rechts; in het Pahlavi: MHMT PGTAMI Y DAT, ‘Mohammed is de boodschapper van God’. In de marge Arabisch: bismillāh walī al-amr, ‘in naam van God, de heerser over alles’. Astrologische symbolen. Keerzijde: Sassanidisch vuuraltaar met aan beide zijden een priester, astrologische symbolen. GRM KRMAN 70. 3,94 gram.

 

GELDHERVORMING. In 696 voerde ‘Abd al-Malik de geldhervorming door en voerde de dubbele standaard (bimetallisme) in. De gouden Romeinse munten werden in zijn rijk vervangen door de dīnār, de zilveren Perzische door de dirham. Hij had edelmetaal genoeg om beide munten in enorme hoeveelheden in omloop te brengen en ze sloegen goed aan. Eeuwen lang zou de dīnār een van de belangrijkste munteenheden ter wereld zijn. Waarom deze nieuwe munt? Hij wilde natuurlijk een uniforme valuta voor zijn gehele nog samen te smeden rijk en wenste in een zo belangrijke zaak niet afhankelijk zijn van de keizer in Constantinopel, met wie hij op meer dan een front overhoop lag. Extra irriterend moet een actie van de Romeinse keizer Justinianus II zijn geweest. Justinianus regeerde tegelijk met kalief ‘Abd al-Malik van 685–695 en later nog een periode van 705 tot zijn dood. Hij veranderde het uiterlijk van de solidus: op de ene kant—is dat nu de voorzijde?—liet hij een afbeelding van Jezus Christus zetten en op de andere kant een afbeelding van hemzelf, staande met een kruis in zijn hand:4

Justinianus II, 692–5. Dumbarton Oaks Museum

Justinianus II, 692–5. Dumbarton Oaks Museum

Deed hij dat om zijn rivaal de kalief te ergeren? Misschien speelde het op de achtergrond mee, maar het zal eerder een zet geweest zijn in het smeulende intern-christelijke conflict over de iconen, de ‘beeldenstrijd’ die de kerk meer dan een eeuw heeft geteisterd. Hoe dan ook, ‘Abd al-Malik creëerde in 696 een eigen gouden munt, die de solidus in zijn rijk geheel overbodig zou maken. Hij stapte dus als het ware ‘uit de Euro’. Op de nieuwe munten stonden helemaal geen afbeeldingen meer, maar alleen Arabische teksten: een koranvers, de geloofsbelijdenis e.d, een jaartal, en daarmee werd een trend gezet voor toekomstige eeuwen. Deze munten behoren ook tot de oudste getuigen van de Arabische tekst van de koran überhaupt. Het was echt een islamitische munt; die paste natuurlijk bij de islamisering die nu overal in het rijk werd doorgevoerd. Dinars zonder afbeeldingen zouden nog eeuwen worden geslagen en verdrongen geleidelijk de solidus, vooral toen deze aan goudgehalte inboette. Natuurlijk moest de munt ook in het oostelijke deel het zijn rijk gelden; ook met de Sassanidische munten was het vanaf ± 700 afgelopen. Die hadden het toch nog zestig jaar na de verovering door de Arabieren uitgehouden. Een tijdlang werden er nog belastingen geïnd in de alomtegenwoordige zware Sassanidische drachmen—mogelijk om ze ter omsmelting te verzamelen.

 

Nieuwe Dinar van AM 697–8, 4.25 gr.

Gouden dinar van ‘Abd al-Malik, Damascus 697–8, 4.25 gr. Voorzijde: Lā ilāha illā allāh waḥdahu lā sharīk lahu, ‘Er is geen God dan God alleen, hij heeft geen partner’. Marge: Muḥammad rasūl allāh. Arsalahu bil-hudā wa-dīn al-ḥaqq li-yuzḥirahu ‘alā al-dīn kullihi. Mohammed is de gezant van God. Hij heeft hem gezonden met de rechte leiding en de godsdienst om die te laten zegevieren over de gehele godsdienst (Koran 9:33 e.a. ) Keerzijde: Allāḥ aḥad allāhu al-ṣamad lam yalid wa-lam yūlad, ‘God is éen, God is  de stabiele, hij heeft niet verwekt en is niet verwekt [Koran, soera 112]. Marge: Bism allāh …? hādhā al-dīnār fī sanat tis‘a wa-sab‘īn ‘In naam van God werd deze dīnār [geslagen?] in het jaar 79.’

Waarom wilde ‘Abd al-Malik geen afbeeldingen meer en zag hij af van reclame voor zichzelf? Was het een bruuske reactie op de dubbel bebeelde munten van Justiananus II? Of was het islamitische verbod op afbeeldingen van dieren en mensende aanleiding tot de beeldloze munten? Dat laatste kan het geval geweest zijn, maar dat is geen gemakkelijk onderwerp. Bestond dat verbod überhaupt wel? De Rotskoepel in Jeruzalem bevat geen afbeeldingen. De Umayyadenmoskee in Damascus heeft mozaïeken in de beste Romeinse traditie, maar alleen van planten; niet van mensen of dieren. Anderzijds hadden Umayyadenkaliefen  geen enkel bezwaar tegen afbeeldingen van mensen en dieren op mozaïeken en aan de wand van hun paleizen. Zij hadden mozaïeken van jachtdieren, fresco’s van naakte vrouwen in hun badkamers en pornografisch aandoende beelden van halfnaakte vrouwen in hun feestzalen. Maar munten waren een soort visitekaartje van de staat, evenals die openbare gebouwen; mogelijk golden daarvoor andere normen. Het verbod op afbeeldingen krijgt een apart artikeltje.

Tot zover over de buitenkant van de nieuwe munten. De munten zouden beeldloos blijven tot aan de Eerste Wereldoorlog. Aan de beschrijvingen hapert nog van alles. En er moet natuurlijk nog iets komen over de monetaire betekenis van dit alles, maar dat zal nog duren.

 

BIBLIOGRAFIE
– Andreas N. Stratos, Byzantium in the Seventh Century, dl. 5, Amsterdam 1980.
– Constance Head, Justinian II of Byzantium. Madison 1972. https://opac.ub.uni-marburg.de/DB=1/SET=1/TTL=1/SHW?FRST=2   @@
– Robert Gobl,<e,> Sasanian Numismatics, Braunschweig 1971.
– Malek Iradj Mochiri, Étude de numismatique iranienne sous les Sassanides et Arabe-Sassanides, Tome II, Teheran 1983.
Geen van deze boeken heb ik al gezien. U zult het hebben gemerkt, ik ben in bovenstaande tekst niet zo welbeslagen ten ijs als anders. Munten is niet mijn ding.

NOTEN
1. De moderne woorden soldij, soldaat, Söldner en sou stammen van de muntnaam solidus. Solide, solidair en consolideren niet; die komen regelrecht van het Latijnse adjectief solidus, ‘stevig, betrouwbaar’. Het woord solden, ‘uitverkoop’ heeft er ook niets mee te maken.
2. Julianus de Afvallige (331–63) had het kruis er weer afgehaald, maar dat was maar een korte episode.
3. Andrew Palmer, The Seventh Century in the West-Syrian Chronicles, Liverpool 1993, 32.
4. En met neus. Toen hij in 695 hij uit de macht werd ontzet werd hem naar oud gebruik de neus afgesneden. Vandaar dat zijn bijnaam is: ῾Ρινότμητος, Rhinótmitos, ‘die met de afgesneden neus’. Hij wist de macht echter na enkele jaren terug te veroveren. Op de munten uit zijn tweede regeringsperiode staat hij eveneens mét neus.

ABD AL-MALIK IBN MARWAN: startpagina. De eerste kaliefen. Mu‘awiya’s opvolgers. De Umayyaden uit Medina verjaagd. Abd al-Malik geeft strategisch advies. As over Medina? Graanschepen voor Medina. Arbeidsloos inkomen. De Rotskoepel in Jeruzalem.

Terug naar Inhoud

De hete hel en de koude hel

Uit bijbel en koran kennen wij de Hel als een extreem hete plek, een voortdurend laaiend vuur. In de Arabische tekst Kitāb al-‘Azama (anonym, nog ongedateerd) trof ik naast een uitvoerige beschrijving van de ‘gewone’ hel echter ook een fragment aan over hevige koude in de hel. De auteur kon hier, als altijd onder dekmantel van godsvrucht, zijn sadistische kant weer eens helemaal uitleven.

Mālik is de wachter van de islamitische hel. In koran 43:77 komt hij kort ter sprake, wanneer de gefolterden hem vragen of de Heer hen niet dood kan maken. Hij antwoordt dan: Nee, jullie blijven hier! Het onderstaande uit ‘Azama is een vrije fantasie van een jaar of duizend geleden en maakt geen deel uit van het gebruikelijke islamitische gedachtengoed.

  • […] Dan komen de hellewachters (zabāniya; Koran 96:18) naar voren om de poorten weer te sluiten. De bewoners van de hel het Hellevuur gaan luid tekeer, wenen bitter en zeggen: Mālik, waarom heb je besloten de poorten weer te sluiten? Hij antwoordt: Het is noodzakelijk ze te sluiten en te vernagelen, want in Gehenna is er alleen benauwdheid en bestraffing; zij is pikdonker en vol bestraffingen en verschrikkingen. 
Dan gaan zij luid tekeer en zeggen: Mālik, wijs ons toch iets wat de foltering kan verlichten. Hij antwoordt: Bidt tot jullie Heer, dat hij de boeien niet nog strakker maakt. Dat doen zij, maar telkens als zij bidden wordt het hellekooksel (hamīm) heter voor hen, en de hellewachters worden toornig en tongen van vuur halen uit naar hen tot zij er ellendig aan toe zijn. Dan roepen zij alle samen om hulp: Heer, folter ons met wat Gij wilt en hoe Gij wilt, maar wees niet toornig op ons!
 Dan zeggen zij: Mālik, geef ons iets te drinken, waarmee wij onze ingewanden kunnen verkoelen. Maar hij zegt: Hoop ellendigen, in Gehenna zijn er alleen hellekooksel, kokende olie (muhl) en walgelijk voedsel (ghislīn). Zij zeggen: Dit houden wij niet uit! Hij zegt: Of jullie het uithouden of niet maakt geen verschil; jullie wordt slechts vergolden wat je hebt gedaan. Zij rumoeren allen door elkaar en roepen uit: Mālik, Mālik! – honderd jaar lang. Daarna antwoordt hij: Wat is er, ellendigen? Dan zeggen zij: Mālik, breng ons in de Koude (zamharīr)!
 De hellewachters brengen hen in de koude, die bestaat uit putten, dalen, grotten en holen, …[?] en kloven. Zij slepen hen uit de zeeën van Hellevuur en voeren hen naar de Koude. Verheugd komen zij aan bij de bergen sneeuw en het ijs van de Koude, bij de putten in de Koude en de heuvels van de Koude, die alle van de toorn Gods zijn. 
In die Koude is er een wind genaamd Ṣarṣar, die hen meevoert en hen verstrooit over die heuvels en hun vlees uitspreidt, het afsnijdt en het in de Koude werpt.
    ‘Abdallāh ibn Salām zei: Bij Hem in wiens hand mijn ziel is, de hellewachters laten niet af hun vlees af te snijden met messen van Gods toorn, terwijl het bloed uit hun lichamen stroomt en zij naakt en barrevoets in de Koude zijn. De foltering door de hellewachters die over hen gesteld zijn eindigt nooit.
 Honderd jaar lang roepen zij: Mālik, Mālik! maar hij zegt tot de hellewachters: Giet water uit de Koude over hun hoofden! Zij doen zoals hij bevolen had en het bevriest op hun lichamen. 
Zij schreeuwen en gaan luid tekeer en roepen weer honderd jaar lang: Mālik, Mālik! Dan zegt Mālik: Hoe gaat het nu met jullie, ellendigen? En zij zeggen: Wij hadden gehoopt dat onze foltering door de Koude verlicht zou worden, maar zij is nog erger geworden, dus breng ons weer terug naar het Hellevuur! Dan zegt Mālik tot de hellewachters: Brengt hen terug naar het Hellevuur, en dat doen zij. Wanneer zij in hun verblijven in het Hellevuur aankomen merken zij dat het zeventig maal heter is dan tevoren. 
Zij roepen honderd jaar lang: Mālik! Dan zegt Mālik tot hen: Hoe gaat het nu met jullie, ellendigen? En zij zeggen: Breng ons terug naar de Koude.
    ‘Abdallāh ibn Salām zei: Zij worden afwisselend honderd jaar op de ene plaats gefolterd en honderd jaar op de andere.

Het woord voor heftige koude, zamharīr, is zuiver Arabisch; er hoeft niet aan een Perzische oorsprong te worden gedacht. Het komt één maal in de koran voor (K. 76:13). Daar gaat het niet over de Hel, maar over het Paradijs, waar de bewoners zich ontspannen in een gematigd klimaat en geen last hebben van ‘zon of zamharīr’ — zoals dat op aarde wél het geval is, kan men erbij denken.
Ik heb slechts één hadith gevonden waarin een verband wordt gelegd tussen de Hel en hevige koude:

  • De profeet heeft gezegd: ‘De Hel klaagde bij haar Heer: ”Heer, delen van mij hebben andere verteerd.” Toen kreeg zij toestemming twee maal uit te blazen: eenmaal in de winter en eenmaal in de zomer. Dat is de extreme hitte die je ’s zomers ondergaat en de hevige koude (zamharīr) ’s winters.’ 1

Vervolgens heb ik het woord zamharīr opgezocht in de korancommentaren van Muqātil ibn Sulaymān, al-Tabarī, Ibn Kathīr en al-Qurtubī. Daar werden hoofdzakelijk lexicale verklaringen aangeboden. Al-Tabarī en al-Qurtubī citeerden de zoëven aangehaalde hadith; bovendien verwees al-Qurtubī nog naar een dichtregel van al-A‘shā (± 570–625) die sterk herinnerde aan de bewoordingen van Koran 76:13.2

Kortom, zowel de koranexegese als de hadith over het onderwerp zijn uiterst mager en kunnen niet de bron van inspiratie geweest zijn voor de levendige beschrijving in al-‘Azama. De auteur moet dus wel toegang gehad hebben tot ander gedachtenwerelden. Ik heb een joodse, een christelijke en een voorislamitische Perzische tekst gevonden waar het koud is in de Hel. Vast te stellen hoe deze zich tot elkaar verhouden gaat mijn vermogen te boven; ik vertaal ze alleen:

In de joodse legende over Mozes’ reis door de Hel is er een duidelijk contrast tussen hitte en koude:

  • Mozes gaf toe en hij zag hoe de zondaren verbrand werden, de helft van hun lichamen in vuur gedoopt en de andere helft in sneeuw, terwijl wormen die in hun eigen lichaam waren uitgebroed over hen heenkropen […]. 3

In de Hel zoals die beschreven wordt in de christelijke Apocalypse van Paulus (± 400) is er tenminste één koude plek:

  • En andermaal zag ik daar mannen en vrouwen met afgehakte handen en voeten en naakt, op een plaats vol ijs en sneeuw, terwijl wormen hen verteerden.4

In de Hel van Ardā Wirāz Nāmag (Perzisch, ± 600) ontbreekt de kou evenmin. Ook hier wordt het contrast tussen koud en heet als martelmethode gebruikt:

  •  […] boven de zielen van de zondaren die eeuwig straffen ondergingen, zoals sneeuw, natte sneeuw, heftige koude en de hitte van een fel brandend vuur, en stank en stenen en as, hagel en regen en vele andere kwaden […].De zielen dergenen die de Hel in gevallen waren; rook en hitte werden op hen geblazen van beneden en een koude wind van boven.6

En er is een gebied in de Hel dat alleen maar koud is:

  • Ik zag de ziel van een man die een berg op zijn rug droeg, en hij droeg die berg in sneeuw en koude.7

De notie van een koude Hel was in de Oudheid dus voldoende aanwezig om ‘Azama te inspireren. Maar in geen van de drie bovengenoemde bronnen wordt de koude, en het contrast van koud en heet zo uitgewerkt als in ‘Azama. Zolang ik geen andere bron ontdek ga ik er maar vanuit dat deze tekst daarin uniek is.

Arabische tekst, ontleend aan mijn ‘Azamawebpagina:

فتقدم الزبانية لترد الأبواب فيضجون أهل النار ضجّة عظيمة ويبكون بكاءً شديدًا ويقولون: يا مالك ما بال الأبواب قد عزمت على أن تردها، فيقول: لا بدّ من ردّها وتسميرها فليس في جهنم الاّ الضيق والنكال وهي سوداء مظلمة شديدة الأنكال والأهوال. فيضجون ضجة عظيمة. ويقولون: يا مالك ما تدلنا على شيء يخفف عنّا العذاب! فيقول: ادعوا ربّكم حتى لا يضيق عليكم القيود! فيدعوا فكلما دعوا يشتد عليهم الحميم وغضب الزبانية وتطاولت ألسنة النار حتى يكونوا في جهد جهيد فيستغيثون بأجمعهم: يا ربنا عذبنا بما شئت وكيف شئت ولا تغضب علينا! ثم يقولون: يا مالك اسقنا ما نبرد به أكبادنا! فيقول: يا معاشر الأشقياء ليس في جهنم الاّ الحَمِيم والمُهْل والغِسْلِين. فيقولون: ليس نصبر على هذا. فيقول: أصبروا أو لا تصبروا سواء عليكم انما تجزون ما كنتم تعملون. فيضجون باجمعهم وهم يقولون: يا مالك، مائة سنة فيجيبهم بعد مائة سنة: أي شيء بكم يا أيها الأشقياء؟ فيقولون: يا مالك، أخرجنا الى الزمهرير! فتخرجهم الزبانية الى الزمهرير من الجباب والأودية والكهوف والمغاير والتوابيت والفجاج ويشيلوهم من بحار النار، ثم يسوقوهم الى الزمهرير. فيحضروا وهم فرحين الى جبال من الثلج وأيضا زمهرير من الثلج وإلى جباب من الزمهرير وإلى آجام من الزمهرير وذلك كله من غضب الله تعالى. وفي ذلك الزمهرير ريح يقال له صرصر فتحملهم وتنسفهم في تلك الآجام فتنثر لحومهم وتقطعها وتطرحها في الزمهرير.
قال عبد الله بن سلام: والذي نفس عبد الله بيده لا تزال الزبانية تقطع لحومهم بسكاكين من غضب الله الجبار والدم يسيل من أجسامهم وهم عراة حفاة في الزمهرير. والزبانية موكلين عليهم لا يفنى عذابهم أبدًا. ينادون : يا مالك مائة سنة. فيقول للزبانية: صبّوا فوق رؤوسهم من ماء الزمهرير! فيفعلون ما أمرهم به مالك فيجمد على أبدانهم فيصرخون ويضجّون ضجّة عظيمة، ثم ينادون: يا مالك، مائة سنة. فيقول مالك: ما حالكم يا أشقياء؟ فيقولون: إنما رجونا أن يخفف عنا العذاب بالزمهرير فلقد زاد عذابنا فردونا إلى النار! فيقول مالك للزبانية: ردوهم الى النار! فيردوهم، فاذا وصلوا الى منازلهم في النار وجدوا النار قد زادت سبعين ضعفًا عما كانت. فينادون: يا مالك، مائة سنة. فيقول لهم مالك: ما حالكم يا أشقياء؟ فيقولون: أخرجنا الى الزمهرير!
قال عبد الله بن سلام ر يعذبون هاهنا مائة سنة وهاهنا مائة سنة.

NOTEN
1. Muslim, Masādjid 185; Bukhārī, Mawāqīt 9 en enige andere plaatsen.

وَحَدَّثَنِي عَمْرُو بْنُ سَوَّادٍ وَحَرْمَلَةُ بْنُ يَحْيَى وَاللَّفْظُ لِحَرْمَلَةَ أَخْبَرَنَا ابْنُ وَهْبٍ أَخْبَرَنِي يُونُسُ عَنْ ابْنِ شِهَابٍ قَالَ حَدَّثَنِي أَبُو سَلَمَةَ بْنُ عَبْدِ الرَّحْمَنِ أَنَّهُ سَمِعَ أَبَا هُرَيْرَةَ يَقُولُ قَالَ رَسُولُ اللَّهِ ص اشْتَكَتْ النَّارُ إِلَى رَبِّهَا فَقَالَتْ يَا رَبِّ أَكَلَ بَعْضِي بَعْضًا. فَأَذِنَ لَهَا بِنَفَسَيْنِ نَفَسٍ فِي الشِّتَاءِ وَنَفَسٍ فِي الصَّيْفِ. فَهْوَ أَشَدُّ مَا تَجِدُونَ مِنْ الْحَرِّ وَأَشَدُّ مَا تَجِدُونَ مِنْ الزَّمْهَرِيرِ.

2.  .مُنَعَّمَةٌ طَفْلَةٌ كَالْمَهَاةِ لَمْ تَرَ شَمْسًا وَلَا زَمْهَرِيرَ
3. Louis Ginzberg, The Legends of the Jews, 6 dln., Philadelphia 1955, ii, 313; verdere verwijzingen v, 418.
4. Apocalypse of Paul 39, vert.. M.R. James. Online hier.
5. Ardā Wirāz Nāmag: the Iranian ‘Divina commedia’, uitg. vert. en commt. Fereydun Vahman, London/Malmö 1986, 209. Een oudere, minder goede vertaling staat online.
6. ibid. 217. Andere plaatsen ibid. 202, 210.
7. ibid. 206.

Terug naar Inhoud

Het kalifaat van Medina, of: het eerste Arabische Rijk, 622–661

Het standaardverhaal over de eerste Arabische staat is algemeen bekend. In 622 verliet de profeet Mohammed zijn geboortestad Mekka en emigreerde naar Medina, waar hij een staat stichtte. Na zijn dood behielden drie van zijn opvolgers, gewoonlijk bekend als de ‘rechtgeleide kaliefen’, Medina als hun hoofdstad, dat zij als basis gebruikten voor immense veroveringen. De vierde kalief ʿAlī regeerde de facto in Kūfa, in Irak. Na zijn dood in 661 verplaatste het zwaartepunt zich naar Damascus in Syrië, waar de Umayyade Muʿāwiya, die al sinds 642 als stadhouder had geregeerd, nu kalief werd.
.
Dit zeer korte overzicht is aanvaardbaar voor zowel moslimse geschiedschrijvers als voor traditionele oriëntalisten in het Westen. Maar is het in onze tijd nog wel te handhaven? Ik wil mij hier niet bezighouden met de vraag of dit Rijk al dan niet islamitisch genoemd kan worden,1 maar liever met de vraag of Medina, een oase diep in het Arabische schiereiland, werkelijk de hoofdstad kon zijn van een centralistisch en zich snel uitbreidend wereldrijk. Er had in die landstreek om duidelijke geografische redenen nog nooit een onafhankelijke staat bestaan, en zou dat nu ineens wel het geval geweest zijn?
.
In Jemen (Arabia Felix) waren er al sinds tweeduizend jaar staten geweest. Dit deel van het schiereiland heeft een betrekkelijk vochtig klimaat, zodat er geregelde landbouw mogelijk is. Irrigatie en terrasbouw vereisen een centrale organisatie, een staat.
.
In het noordelijk deel van Arabië (Arabia Petraea) waren er gedurende langere of kortere perioden staten geweest. Ik noem slechts Thamūd (ca. 715 vChr-600 nChr), de Nabateërs (110 vChr–106 nChr) en de korte machtsontplooiing van Koningin Zenobia in Palmyra (268–272). Daarna waren er twee Arabische dynastieën in vazalstaten geweest: de Ghassāniden (500–630), vazallen van het Oostromeinse Rijk, en de Lakhmiden (266–602), vazallen van Perzië. Beide rijken waren regelmatig geteisterd door binnenvallende bedoeïenen. Geen van beide superstaten hadden met succes deze kameelnomaden kunnen bestrijden, omdat die zich snel met hun buit konden terugtrekken in de woestijn, waar geregelde legers met paarden en wagens geen toegang hadden. Daarom hadden de rijken liever vriendschap gesloten met de bedoeïenen. Ze benoemden een nomadenleider tot koning, hij kreeg een kroon, een koningsmantel en een paleis en bovendien een zak met geld om zijn soldaten te betalen, die in ruil daarvoor hun weldoeners niet langer uitplunderden. Maar Ghassān en Lakhm hielden op te bestaan zodra het Oostromeinse Rijk en Perzië, uitgeput als zij waren door hun eindeloze onderlinge oorlogen, ophielden hun vazallen te financieren.
.
In Midden-Arabië (Arabia Deserta) was er maar één entiteit geweest die op een staat leek: Kinda (425–528). Ook dit was een vazalstaat, afhankelijk van de Jemenitische staat Ḥimyar. Het raakte in vergetelheid toen Ḥimyar in elkaar stortte. Er bleef alleen een vage herinnering aan de koningen ervan, van wie de beroemdste Imru’u l-Qays was. Er was in Midden-Arabië dus wel een soort staat geweest, maar geen onafhankelijke staat. Deze situatie veranderde in de zevende eeuw met de onverwacht succesvolle poging enkele stammen rond de oase Yathrib (Medina) te verenigen. Laten we voor het ogenblik bij het standaardverhaal blijven: het was Mohammed die in zijn jaren te Medina (622–632) de stammen onder zijn banier verenigde. Toen hij stierf liet hij iets achter wat inderdaad een staat genoemd kan worden.
.
Over wat er direct na zijn dood gebeurde verschilt het standaardverhaal van de moslims enigszins van dat van de moderne historici. De oude islamitische geschiedschrijvers zeggen het in religieuze termen: Mohammed had het hele schiereiland verenigd onder de banier van de islam. Na zijn dood werden vele stammen afvallig en verzaakten de islam. In de zogenaamde Ridda-oorlogen (632–634) islamiseerden de generaals van kalief Abū Bakr het schiereiland opnieuw. Niet-islamitische historici daarentegen hebben geen boodschap aan die religieuze interpretatie. Zij denken dat Mohammeds kernstaat nogal klein was, maar dat in de jaren na zijn dood allerlei Arabische stammen succesvol in het nieuwe bestel geïntegreerd werden; niet voor de tweede, maar voor de eerste maal.
.
Tot zover is het verhaal van de nieuwe staat min of meer plausibel. Alle oases moeten in zekere zin staten zijn, al was het alleen al om de toegang tot en de verdeling van water te regelen. Stammen langs handelswegen moeten onder contrôle worden gebracht en gehouden, om te voorkomen dat een karavaan zich plotseling beroofd zou zien van water, voedsel en voer. Geleidelijke uitbreiding van die eerste staat op de rest van het schiereiland is ook niet geheel onvoorstelbaar, hoewel het nooit eerder vertoond was. Maar tegelijk met de vereniging van het schiereiland begon er een geweldige snelle vergroting van de nieuwe staat. In 635 werd Syrië geannexeerd; in 634–642 werden Irak en West-Iran veroverd, in 639–642 Egypte, in 640 Palestina en in 640–660 heel Iran, tot diep in Centraal-Azië. Met andere woorden: binnen dertig jaar werden het hele Perzische en het halve Oostromeinse Rijk deel van het nieuwe Arabische Rijk. Is het werkelijk aannemelijk dat dit laatste dertig jaar lang het ongelukkig gelegen Medina als hoofdstad had? Om deze vraag te beantwoorden moeten we eerst kijken naar wat een rijk zoal nodig heeft:
– Een groot territorium
– Een bevolking
– Een centraal gezag, stadhouders, ambtenaren, belastinggaarders, rechters
– Snelle en betrouwbare communicatielijnen
– Landbouwoverschotten
– Regelmatige inkomsten uit belastingen
– Een staand leger onder een centraal commando en het geld om het te betalen.
– Legitimiteit van de regering

Click hieronder verder naar blz. 2. De bibliografie staat op blz. 4.

NOOT
1. De islam was natuurlijk niet ‘af’ bij de dood van de profeet. Er begint dan een ontwikkelingsproces. Moderne geleerden beginnen aarzelend van ‘islam’ te spreken in verband met de voltooiing van de Rotskoepel van Jerusalem in 691. En zelfs dan: het Umayyadische islamontwerp verschilt aanzienlijk van de latere islam van de ‘ulamā’, die vaak onbescheiden wordt aangeduid als ‘de islam zoals wij die kennen’.

Oproer in de hemel

Op het gebied van Iran ben ik een groentje; ik heb er nooit iets aan gedaan. Maar ik volg nu wel een tweedejaars cursus Perzisch, om de gederfde vreugde nog in te halen. Op de les is er net een lied van Parvin behandeld; mijn (voorlopige) vertaling daarvan staat hieronder. Poëzie poëtisch vertalen kan ik niet, maar ik ben al blij als er niet te veel begripsfouten in zitten. Als iemand een voorstel tot verbetering heeft, reageer!
Het is duidelijk dat de inhoud aanknoopt bij de klassieke poëzie, die ik tenminste in haar Arabische versie ken. Liefdesroes en drank, een bijna-vereniging met het Zijn zelf. Eventueel is alles mystiek uit te leggen, maar dat hoeft niet eens; de dichter heeft het gewoon over een opwindende avond, hij is on top of the world.
Parvin heeft dit lied als eerste gezongen, maar de tekstdichter is ene Karim Fakour (1926–1996). De opname dateert ergens uit de jaren zestig.
Natuurlijk kunt U het lied ook horen; klik hier. Ik was meteen weg van die stem; Anouk kan wel inpakken.
———–
Oproer der sterren

Vanavond ben ik in de war in mijn hoofd, vanavond heb ik een licht in mijn hart.
Vanavond ben ik weer in de hoogste hemel, laat het mijn geheim zijn met de sterren.
Vanavond ben ik een en al verlangen en verwarring, alsof ik niet meer van de wereld ben.

Van vrolijkheid krijg ik vleugels waarmee ik opstijg in het firmament.
Bij de huri’s en de engelen zing ik het lied van het Zijn.
In de hemelen trap ik een rel.
Een kruik ga ik uitgieten, een drinkglas kapotslaan.

Vanavond ben ik een en al verwarring en licht, alsof ik niet meer van de wereld ben.
Met de maan en de Pleiaden voer ik gesprekken, op het gezicht van de maan zoek ik een spoor [van mijn lief(?)].
Ik probeer levensvreugde te vinden deze avonden en de kommer terug te dringen.
De maan en Venus breng ik in verrukking, van mijzelf heb ik geen weet meer.

Van verrukking heb ik een lied op mijn lippen, een lied op mijn lippen
Vanavond ben ik een en al verlangen en verwarring, alsof ik niet meer van de wereld ben.

Vanavond ben ik in de war in mijn hoofd, vanavond heb ik een licht in mijn hart.
Vanavond ben ik weer in de hoogste hemel, laat het mijn geheim zijn met de sterren.
Vanavond ben ik een en al verlangen en verwarring, alsof ik niet meer van de wereld ben.
———–

غوغاي ستارگان

امشب در سر شوری دارم، امشب در دل نوری دارم
باز امشب در اوج آسمانم ، رازی باشد با ستارگانم
امشب يكسر شوق وشورم، از اين عالم گويى دورم

از شادی پَر گيرم كه رسم به فلك
سرود هستي خوانم در بر حور و ملك
در آسمان ها غوغا فكنم
سبو بريزم ساغر شكنم

امشب يكسر شوق وشورم، از اين عالم گويى دورم
با ماه وپروين سخني گويم، و ز روي مه خود اثرى جويم
جان يابم زين شبها، مى كاهم از غم ها
ماه و زهره را به طرب آرم، از خود بى خبرم

ز شعف دارم نغمه اى بر لب ها، نغمه اى بر لب ها
امشب يكسر شوق وشورم، از اين عالم گويى دورم

امشب در سر شوری دارم، امشب در دل نوری دارم
باز امشب در اوج آسمانم ، رازی باشد با ستارگانم
امشب يكسر شوق وشورم، از اين عالم گويي دورم

Terug naar Inhoud

Arabische veroveringen

Nadat de nomadische Arabieren zich eeuwen lang tevreden hadden gesteld met incidentele rooftochten en invallen in de landbouwgebieden kwamen zij omstreeks 630 plotseling in beweging en werden sterk expansief. Eerst werd het Arabisch Schiereiland in een staat verenigd (de Ridda-oorlogen; 632–34), wat daarvoor nooit was gelukt; daarna volgden de veroveringen (futūh) van het halve Romeinse en het hele Perzische Rijk. Vooral in het begin is het verbazend snel verlopen. In een vloek en een zucht kwamen het Nabije en Midden-Oosten onder Arabische heerschappij.

  • Enige data, voor wat ze waard zijn
    632–634 Arabië verenigd. Ridda-­oorlogen
    635 Damascus, Syrië veroverd
    634–642 Irak en West-­Iran veroverd
    639–642 Egypte
    640 Caesarea (Palestina)
    640–660 Oost­-Iran
    670 Qayrawān (Tunesië)
    672 Aanval op Constantinopel
    711 Tot aan de Indus (het huidige Pakistan)
    711–732 Iberisch Schiereiland, raids in Frankrijk
    tot 750 Afghanistan, delen van India, Centraal-Azië

De jaartallen staan niet zo vast als ze lijken; de verhalen kloppen niet altijd. Van de beroemde Slag bij Qādisīya (± 640) bij voorbeeld blijft in het moderne onderzoek niet zoveel over.

Hoe kon een handjevol Arabieren in korte tijd twee wereldrijken wegvagen?
Hieronder vat ik een aantal van de pogingen samen die gedaan zijn om die buitengewoon snelle veroveringen te verklaren.
.
-­ ‘De Arabieren stormden voorwaarts met de koran in de ene hand en het zwaard in de andere.’ Dat is werkelijk lastig vechten! Deze dwaze voorstelling stamt van Edward Gibbon (1737–94).
.
-­ De moslims waren door hun geloof bevleugeld. Zij volgden het gebod van de koran, djihad te voeren. Het snelle en overweldigende succes is te danken aan Gods bijstand. (moderne islamitische voorstelling)
.
-­ De moslims hadden door hun geloof een grote discipline en een ijzeren moraal. (oude islamitische voorstelling)

  • [Een Romeinse spion met Arabische achtergrond werd in het vijandelijk kamp gestuurd en kwam met de volgen de beschrijving van de moslims terug:]
    ‘’s Nachts zijn het monniken, overdag ridders! Zelfs als de zoon van hun koning iets zou stelen zouden ze zijn hand afhakken; als hij ontucht zou bedrijven zou hij gestenigd worden om het recht onder hen te handhaven.’
    ‘Als het zo is,’ zei de cubicularius, ‘dan is het binnenste der aarde beter dan hen op de aardoppervlakte te ontmoeten!’ 1

-­ Daarentegen was de vijand laf, decadent en gedemoraliseerd. Het ‘Belsazars-Feest’-motief 2 (oude islamitische voorstelling)

  • Toen Khālid naar Suwā kwam overviel hij de bewoners toen ze net wijn aan het drinken waren uit een drinknap, waaromheen zij bij elkaar zaten, terwijl een zanger zong:
    ‘Ja, geef me nog een slok, voordat Abū Bakrs leger verschijnt!
    Misschien is ons doodslot nabij zonder dat wij het weten.
    ‘Ja, geef me nog een slok… enz@ 3

-­ De inwoners van de bezette gebieden stonden juichend langs de weg toen de Arabische troepen binnenmarcheerden. De veroveraars waren eigenlijk bevrijders. De soldaten gedroegen zich correct en gevoelvol jegens de mensen. (moderne islamitische voorstelling. Waar hebben we dat meer gehoord?)
.
– De bevolking van Syrië wilde haar eigen  Syrische kerk(en) en niet de Griekstalige staatskerk van Constantinopel; ze waren dus erg blij dat de Romeinen vertrokken. De Arabieren waren sowieso niet in kerken geïnteresseerd. (oudere oriëntalistische variant van de ‘bevrijdingstheorie’)
.
– Het Oost-Romeinse Rijk en het Perzische Rijk  hadden elkaar in lange oorlogen militair geheel uitgeput en boden nog maar weinig weerwerk. Jeruzalem was juist in 622, Egypte in 629, Palestina in 630 door de Romeinen op Perzië terugveroverd. (oudere oriëntalistiek)
.
– De beide grote rijken hadden tijdens hun onderlinge oorlogen hun Arabische vazallen financieel verwaarloosd. Dezen werden nu opstandig en waren bereid tegen hun vroegere heren te vechten. (nieuwere oriëntalistiek)
.
– Het Oost-Romeinse Rijk had zich militair al vrijwillig uit Syrië teruggetrokken; daar hoefde dus niet meer gevochten te worden. Keizer Heraclius had in 628 het Perzische leger bij Ctesiphon definitief verslagen; toen de Arabieren dan naar Perzië kwamen stieten ze daar niet op veel weerstand.  (→ Koren & Nevo; moderne ‘oriëntalistiek’)
.
– Het succes is te danken aan de unieke en superieure militaire strategie van de Arabieren. Flexibiliteit tegen moeizaam beweegbare troepen, die braaf in het gelid stonden; snelle terugtocht en dan verrassend terugkomen (karr wa-farr). Het toevluchtsoord woestijn was voor de Romeinse en Perzische troepen met hun paarden en wagens ontoegankelijk. (islamitisch én oriëntalistiek).
.
– De Arabieren hadden altijd al rooftochten in de landbouwgebieden gemaakt. 4 Dat was lastig, maar de inwoners hadden geleerd ermee te leven. Daarom zullen ze gedacht hebben dat deze aanvallen ook weer een incident waren. Wie had kunnen denken dat het deze keer anders zou aflopen? (oriëntalistiek)
.
– Het Arabisch Schiereiland was overbevolkt; de Arabieren waren eenvoudig gedwongen ergens anders Lebensraum te vinden (oriëntalistisch, eind 19e eeuw).
.
– Syrië werd eigenlijk al voor een groot deel door Arabieren bewoond; het ging alleen nog maar om de dominantie onder hen. (moderne oriëntalistiek)
.
– De Arabieren moeten door de koran en de nieuwe religie wel een sterke geestelijke impuls en aanmoediging hebben gekregen; anders is deze plotselinge explosie van energie niet verklaarbaar. (oudere oriëntalistiek)
.
– Veel van al die veroveringen hebben domweg niet plaatsgehad. Mu‘āwiya was der eerste Arabier die over Damascus regeerde, vanaf ± 640. De eerste, zogenaamde rechtgeleide kaliefen en hadden over Syrië geen zeggenschap en zijn er nooit geweest. (moderne ‘oriëntalistiek’)
.
En hoe was het nu echt? Wie zal het zeggen; het zal in ieder geval zeer complex geweest zijn. Het bovenstaande bevat naast onzin ook enkele interessante overwegingen, maar natuurlijk was er niet maar één factor. Wetenschappers zoeken verder, maar zitten momenteel een beetje in het  slop, met name de zog. Inârah-Groep.
.
Hoe kan het onderzoek verder gaan? Echt schot zit er niet in, maar er kan op de volgende fronten verder gewerkt worden:
.
Teksten anders lezen
De islamitische bronnen, die oud zijn maar helaas niet oud genoeg, en die vaak een ideologische, patriottische of religieuze bias hebben, zijn vaak teleurstellend. Toch zou men ze nog eens met nieuwe ogen kunnen bekijken.

Noth en Conrad 5 zijn begonnen met de analyse van de vroegste bronnen, bij voorbeeld in het geschiedwerk van al-Tabarī. Zij hebben bevonden dat deze voor de geschiedschrijving slechts ten dele bruikbaar zijn. Enkele van hun overwegingen:

  • Dat de kalief in zijn hoofdstad Medina het hele rijk middels brieven aan zijn generaals en agenten centralistisch geregeerd heeft is fictie. Een brief naar Syrië duurde een maand; het antwoord eveneens. In plaats van een centrale strategie te volgen zullen de krijgsheren eerder zelfstandig gehandeld hebben.
  • De beschrijvingen van de veldslagen met olifanten, poëzie-intermezzo’s en spannende tweegevechten is veel te literair om betrouwbaar te zijn.
  • Er zijn veel topoi, bij voorbeeld: voortdurend overleg van de kalief met zijn omgeving; als teken voor de aanval wordt steeds Allāhu akbar geroepen; individuele moslims zoeken de martelaarsdood, en vele meer.

Al lang bekende feiten en teksten raken soms in vergetelheid.  Bij voorbeeld het zog. ‘tegenkalifaat’ van ‘Abdallāh ibn al-Zubayr in Mekka (680-692) en de geschriften van zijn broer ‘Urwa zouden een belangrijke rol gespeeld kunnen hebben in de ‘Mekkaïsering’ van de vroege islamitische geschiedenis. Toen de burgeroorlog ten einde was heeft de tot verzoening geneigde kalief Kalif ‘Abd al-Malik voor het Arabische Schiereiland in de officiële geschiedenis misschien meer plaats ingeruimd dan het ooit gehad had; zie verder hier.

Andere teksten lezen
1. Teksten op papyrus. Naast geschiedenisboeken worden er tegenwoordig ook papyri bestudeerd, die vaak ouder zijn dan die boeken en niet kunnen ‘liegen’. Het betreft dan vooral handelsverdragen, correspondentie enzovoort, die een inkijk bieden in het reële leven van die tijd.
2. We hebben tegenwoordig getuigenissen van de onderworpen volkeren, die deels ouder zijn dan de oudste Arabische bronnen en een heel ander beeld geven van de veroveringen. 6

Archeologie
Er worden mondjesmaat archeologische gegevens bekend. Ik zelf ben niet in staat archeologische gegevens te interpreteren; er moet maar eens iemand voor gaan zitten om dat voor niet-vakmensen te doen.
Er zijn en worden ook inscripties gevonden (zie bijv. deze) en ook vroege munten gevonden (zie bijv. deze). Tot nu toe is er een hoop onzin naar aanleiding van die munten beweerd; daar moeten meer echte numismaten naar kijken.

NOTEN
1. Al­-Tabarī, Ta’rīkh i, 2126.
2. Zie Bijbel, Daniel 5.
3. Al­-Tabarī, Ta’rīkh i, 2124.
4. Bijbel, Rechters 8:11.
5. Noth & Conrad, Historical Tradition
6. Hoyland, Seeing Islam

Bibliografie
– Robert G. Hoyland, In God’s Path: The Arab Conquests and the Creation of an Islamic Empire (Ancient Warfare and Civilization), Oxford University Press 2015.
– Hugh Kennedy, De grote Arabische veroveringen. Het ontstaan van het islamitische rijk, van Afghanistan tot Spanje (632-750), vert. Guus Houtzager, Bulaaq/Epo 2008. Oorspr. titel: The Great Arab Conquests. How the spread of Islam changed the world we live in – 2007.
– M. G. Morony, Iraq after the Muslim Conquest, Princeton 1984.
– Albrecht Noth & Lawrence I. Conrad, The Early Arabic Historical Tradition: A Source-Critical Study (Studies in Late Antiquity and Early Islam, Vol. 3), Princeton 1994. [Het boek is ook nuttig als ogenopener voor de biografie van de profeet.]
– R. G. Hoyland, Seeing Islam as Others Saw It, Princeton 1997.
– Al-Tabarī, [Ta’rīkh al-mulūk wal-rusul] Annales, uitg.. M.J. de Goeje et al., 14?@ dln., Leiden 1879–1901; Vert. Ehsan Yarshater (uitg.), The History of al-Ṭabarī. An annotated translation, Albany 1985—.
– G.-R. Puin, Der Dīwān von ‘Umar ibn al-Haṭṭāb, Ph. D. Diss. Bonn 1970.
– Y.D. Nevo & J. Koren, Crossroads to Islam. The Origins of the Arab Religion and the Arab State, Amherst NY 2003 [beveel ik niet aan].
– K.H. Ohlig und G.R. Puin (hg.), Die dunklen Anfänge: Neue Forschung zur Entstehung und frühen Geschichte des Islam, Berlin 2005 [beveel ik niet aan].

Diakritische Zeichen: futūḥ, al-Ṭabarī, taʾrīḫ, ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb

Terug naar Inhoud