Het islamitische verbod op afbeeldingen van levende wezens

Ze zijn er weer: etalagepoppen in Afghaanse kledingzaken waarvan het hoofd is afgehakt (afb.1). Maar de Taliban 2.0 beroven niet alleen afbeeldingen van vrouwen van hun hoofd, ook bij plaatjes van mannen worden de hoofden verwijderd of zwart gemaakt, bij voorbeeld op reclameposters voor bodybuilding-studios. Lichamelijkheid is blijkbaar geen probleem, want op een klein slipje na zijn zulke mannen geheel naakt—alleen hun hoofd ontbreekt, en daarmee het leven.

Dit gedrag berust op een streng vasthouden aan het vermeende verbod op afbeeldingen van levende wezens. In islamitische omgevingen bestonden van oudsher inderdaad reserves tegenover afbeeldingen van dieren en mensen. Tegenwoordig gelden die bij soennieten in de moskee altijd nog als ongewenst, en portretten van de profeet Mohammed en zijn gezellen vaak ook daarbuiten. Het algemene verbod, voor zover dat ooit bestond, is na de uitvinding van de fotografie vrijwel zonder verzet afgeschaft; ook de vroomste predikers gaan graag op de kiek (afb. 2).

In de koran komt zo’n algemeen verbod niet voor. Weliswaar gaat de schrift tekeer tegen afgodsbeelden (tamāthīl), maar dat is nog geen algemeen verbod op afbeeldingen. Waren er in de zevende eeuw überhaupt nog afgodsbeelden? → Hawting is van mening dat het met het heidendom in de vijfde eeuw wel gedaan was, en → Crone heeft laten zien dat afgoden in de koran alleen in historische contexten voorkomen, bij voorbeeld in de verhalen over de strijd van Ibrāhīm (Abraham) tegen de afgoden.

Het verbod op afbeeldingen (ṣūra/ṣuwar/taṣāwīr, ook wel tamāthīl) komt wel ter sprake in hadithen, gezaghebbende overleveringen van aan de profeet Mohammed toegeschreven uitspraken, of vertellingen over zijn handelen. Een overzicht van álle teksten over het onderwerp in heel veel hadithverzamelingen biedt → Van Reenen, The ‘Bilderverbot’. Hij heeft niet minder dan 325 hadithen bijeengebracht en voorbeeldig gerubriceerd en geanalyseerd. Daarin zijn dan wel alle doubletten en varianten begrepen; uiteindelijk zijn er maar een paar basis-hadithen. Enkele voorbeelden daarvan volgen hier, telkens in de kortste versie.

  • De Profeet heeft gezegd: Engelen gaan geen huis binnen waarin een hond is, of een afbeelding.1

Door de vermelding van de hond wordt duidelijk waar het om gaat: zo’n huis is onrein, je kunt er niet bidden.

  • Aisha heeft verteld: Op een dag, toen ik voor een alkoofje een gordijn had opgehangen met voorstellingen van levende wezens (tamāthīl), kwam de Profeet terug van een reis. Toen hij het zag verscheurde hij het en zei: ‘De mensen die op de Jongste Dag de zwaarste straf krijgen zijn degenen die de schepping Gods nabootsen!’ Daarop maakten we er een (of twee) kussens van.2

Zo zou het gebed nooit voor die afbeelding verricht kunnen worden, en kon men zijn verachting ervoor tot uitdrukking brengen door erop te gaan zitten.

  • Ik heb Mohammed horen zeggen: Wie in deze wereld een afbeelding (ṣūra) maakt zal op de Jongste Dag de opdracht krijgen, die leven in te blazen, en dat zal hij niet kunnen.3

Volgens koran 59:24 is alleen God muṣawwir, d.w.z. degene die een beeld (ṣura) maakt. Ook hier gaat het erom, dat de mens niet moet proberen Gods scheppingskracht te evenaren.
Enkele hadithen berichten, dat de Profeet beelden die in of op de Ka‘ba waren liet vernietigen. Volgens sommige teksten mocht een Madonna met kind echter gespaard blijven.4

Onder de eerste kaliefen bestond het verbod op afbeeldingen blijkbaar nog niet. Munten kunnen niet liegen: in het Westen van het Arabische rijk werden nog steeds Romeinse munten gebruikt met een afbeelding van de keizer, soms zelfs van drie keizers. In Perzië waren er Perzische munten met de keizer erop, en op de achterkant een voorstelling van een vuuraltaar met twee priesters ernaast. Bij naslag werden er kruisen verwijderd en islamitische formules toegevoegd, maar de afbeeldingen van de keizers werden niet verwijderd. Kalief ‘Abd al-Malik (reg. 685–705) liet als eerste zichzelf op zijn munten afbeelden, met zwaard en zweep, zodat iedereen wist wat voor heerser hij was (afb.3). In 696 liet hij echter gouden munten slaan met alleen teksten: een koranvers, de geloofsbelijdenis en een jaartal (afb.4).
Vanwaar deze verandering? Was de kalief misschien geïrriteerd omdat de Romeinse keizer Justinianus II (reg. 685–695, 705–711) munten had laten slaan met zijn eigen beeltenis op de ene kant en Jezus Christus met kruis op de andere (afb.5)? En had Justinianus dat werkelijk gedaan om zijn Arabische rivaal te ergeren? Misschien speelde het mee, maar de keizer zal zijn eigen redenen gehad hebben, zowel binnenlands-politieke als persoonlijke. Ook de kalief kan zijn eigen redenen gehad hebben voor zíjn nieuwe munt: die paste goed bij de islamisering die hij juist in zijn gehele rijk doorvoerde.

Het islamitische beeldverbod moet in verband worden gebracht met de beeldcontroverse in de Oost-Romeinse staatskerk, maar hoe precies blijft onduidelijk. Het twistpunt in de kerk was of de verering van iconen in gebedshuizen was toegestaan. Nee, zei keizer Leo III in 726, en het staatsapparaat en leger volgden hem, terwijl de monniken, namelijk degenen die buiten het rijk woonden, de verering van de iconen verdedigden en bleven beoefenen. De bekende kerkvader Johannes van Damascus (ca. 675-750), die vlakbij Jeruzalem woonde, dus midden in het Arabische rijk, schreef drie traktaten ter verdediging van de verering van beelden. Keizer Leo sloeg munten met alleen tekst, wat suggereert dat hij ‘Abd al-Malik navolgde (Fig. @). Was het islamitische beeldverbod de oorzaak van de christelijke beeldcontroverse of was het andersom? Niemand weet het zeker; maar het is duidelijk dat in de islam het verbod op afbeeldingen niet zo’n belangrijk onderwerp was, terwijl de christelijke beeldcontroverse 30 jaar lang de gemoederen oplaaide en een eeuw later opnieuw oplaaide.@CHECK

Het zou fijn zijn als de hadithen te dateren waren, maar dat zijn ze helaas niet. Er kan alleen gezegd worden dat er veel tot stand kwamen in het midden van de achtste eeuw, dus juist tijdens de hete fase van de christelijke beeldenstrijd. Maar de beeldloosheid van de islam is ouder dan de hadithen. De Rotskoepel in Jerusalem (692) is geheel zonder afbeeldingen van mensen of dieren, en de grote moskee van Damascus (708–715) eveneens. Wat had men ook kunnen afbeelden? Voor de sterke symbolische beelden van het christendom (kruis, vis, apostelen, moeder Gods) had de islam geen tegenhangers.

Er moet haast wel een verband zijn tussen het islamitische beeldverbod en de beeldenstrijd in de Oost-Romeinse staatskerk, maar hoe precies blijft onduidelijk. Voor de kerk was het twistpunt of en hoe de verering van iconen in gebedshuizen was toegestaan. Nee, niet, zei keizer Leo III in 726, en het staatsapparaat en het leger volgden hem, terwijl de monniken en de gewone gelovigen, vooral degenen die buiten zijn rijk woonden, de verering van de iconen bleven beoefenen en verdedigen. De bekende kerkvader Johannes van Damascus (ca. 675-750), die vlakbij Jeruzalem woonde, midden in het Arabische rijk, schreef drie traktaten ter verdediging van de verering van iconen. Keizer Leo sloeg munten met alleen tekst, wat suggereert dat hij ‘Abd al-Malik navolgde (afb. 6). Was het islamitische beeldverbod de oorzaak van de christelijke beeldcontroverse of was het andersom? Niemand weet het zeker; maar het is duidelijk dat in de islam het verbod op afbeeldingen niet zo’n belangrijk onderwerp was, terwijl de christelijke beeldenstrijd vijftig jaar lang de gemoederen verhitte en een eeuw later opnieuw oplaaide. In het christendom hebben de iconen gewonnen, in de islam juist niet.

Het verbod op afbeeldingen gold alleen in religieuze context en werd ook niet door alle schriftgeleerden gedeeld. In de jachtslotten van de Umayyadenkaliefen waren wel degelijk profane afbeeldingen te vinden, zelfs van naakte en halfnaakte vrouwen (afb. 7–8), en ze zullen elders niet ontbroken hebben. Vereenvoudigend kan men zeggen dat afbeeldingen die aan de wand hangen of overeind staan verboden zijn, omdat dan het gevaar van aanbidding bestaat; dat afbeeldingen niet gewenst zijn in openbare ruimten waar gebeden wordt, daar zij deze onrein maken, en dat men niet in Gods plaats iets mag willen scheppen—wat vooral het maken van standbeelden verhinderde. In de privé-sfeer daarentegen waren afbeeldingen van levende wezens heel gewoon. 

De kerken hebben door de eeuwen heen de schone kunsten zeer bevorderd, maar de moskee had zo’n functie niet. En de vorstenhoven bestelden niets groots voor aan de muur of in de tuin. Voor zover er een mecenaat bestond bevorderde het naast architectuur en arabesken alleen kleiner werk. Er bestaan vanouds veel afbeeldingen van dieren en mensen als decoratie op vaatwerk, als illustraties in biologie- en geschiedenisboeken, schilderingen op textiel en papier, portretten en groepstaferelen, zelfs met de Profeet erbij (afb. 9–11), veel miniaturen in boeken, poppen voor het poppentheater en ‘volkskunst’: stuiversprenten en muurschilderingen over de pelgrimstocht naar Mekka. Hoe later, des meer beeldende kunst, zo lijkt het; maar het kan ook zijn dat er veel verloren is gegaan. In latere eeuwen ontstonden er ook losse schilderijen, vooral in Turkije, Perzië en India (afb. 12–15).

In de negentiende eeuw maakte de lithografie en even later ook de fotografie het mogelijk afbeeldingen op grote schaal te verbreiden. De oudste foto’s uit Constantinopel en Caïro dateren van omstreeks 1850; de eerste portretfoto’s van het Arabisch Schiereiland zijn van 1861. Voortaan wilde iedereen op de foto en raakte het verbod op afbeeldingen op de achtergrond. Natuurlijk moest dat religieus verantwoord worden, maar dat bleek makkelijker dan gedacht: bij deze nieuwe soorten afbeeldingen bestond immers het gevaar van aanbidding niet, en de fotografen creëerden zelf ook niets: zij ‘gaven slechts weer’, waarbij de camera het eigenlijke werk deed. De televisie heeft de laatste remmingen weggenomen. Het verbod wordt alleen nog gehandhaafd in zwaar islamistische omgevingen, zoals tot voor kort bij extreme Wahhabieten en nu weer bij de Taliban.

NOTEN
1. Bukhārī, Libās 88: قال النبي ص لا تدخل الملائكة بيتا فيه كلب ولا تصاوير (varianten: صور ، تماثيل )
2 Bukhārī, Libās 91: […] وعن عائشة ر قالت: قدم رسول الله ص من سفر وقد سترت بقرام لي على سهوة لي فيه تماثيل فلما رآه رسول الله ص هتكه وقال: أشد الناس عذابًا يوم القيامة الذين يضاهون بخلق الله. قالت: فجعلناه وسادة أو وسادتين.
3. Bukhārī, Libās 97: سمعت محمدا ص يقول : من صوّر صورة في الدنيا كُلّف يوم القيامة أن ينفخ فيها الروح وليس بنافخ.
4. Al-Azraqī, Akhbār Makka wa-mā djāʾa fīhā min al-āthār, Hrsg. Rushdī aṣ-Ṣāliḥ Malḥas, 2 dln., Madrid 1965, 165: لما كان يوم فتح مكة دخل رسول الله ص … وأمر بطمس تلك الصور فطمست. قال: ووضع كفيه على صورة عيسى بن مريم وأمه عس. وقال: امحوا جميع الصور الا ما تحت يدي، فرفع يديه عن عيسى بن مريم وأمه Ook blz. 168–169.

BIBLIOGRAFIE
– Patricia Crone, ‘The Religion of the Qurʾānic Pagans: God and the Lesser Deities,’ Arabica 57 (2010), 151–200.
– G. R Hawting, The Idea of Idolatry and the Emergence of Islam. From Polemic to History, Cambridge 1999.
– Silvia Naef, Y a-t-il une «question de l’image» en Islam?, Paris 2004. Duitse vertaling: BIlder und Bilderverbot im Islam, München 2007.
– Daan van Reenen, ‘The Bilderverbot, a new Survey,’ Der Islam 67(1), (1990), 27–77.

Terug naar Inhoud      Terug naar Inhoud (oud

Moderne islamitische biografieën van Mohammed

Onlangs publiceerde ik hier een tekst over het werk van niet-islamitische geleerden over de biografie van Mohammed. Maar de auteurs van de oudste biografieën (sira: de oudste bronnen) waren uiteraard moslims geweest, en de beoefening van het genre was nog eeuwen doorgegaan. Toenemende Europese invloed aan het eind van de negentiende eeuw leidde in de islamitische wereld tot de geleidelijke invoering van literaire biografieën in modern-Europese trant. Tot de kenmerken daarvan behoorden de weergave van het beschreven leven in een doorlopend verhaal, terwijl de oude werken veeleer verzamelingen van vertelfragmenten waren geweest. In moderne biografieën behoorde het tot de goede toon, ook een beoordeling van de behandelde persoon te geven en ook dat namen de moslims over. Natuurlijk waren alle beoordelingen positief. De Europese historische kritiek, die vaak een arrogante of zelfs hatelijke toon aansloeg ten opzichte van islamitisch geloofsgoed, gaf moslims bovendien aanleiding in hun biografieën de profeet te verdedigen en meer respect voor hem te verlangen.
Er verschenen vele moderne werken, onder welke de meest geleerde wellicht zijn die door Sir Sayyid Ahmad → Khan (1817–98), Muhammad → Hamidullah (1908–2002), Martin → Lings (1909–2005), Abdul Hameed Siddiqui en Hichem Djaït (Arab. Hishām Dju‘ayyit,
1935–2021). Een minder geleerd, maar onder moslims wel hoog aangeschreven werk is dat van → Mubārakpūrī (1942–). Er bestaan ook Arabische literaire werken waarin de biografie van de profeet herschreven of verwerkt wordt, door auteurs als Muḥammad Husayn → Haykal (1888–1956), Tāhā → Husayn (1889–1973), Tawfīq → al-Hakīm (1898–1987), ‘Abbās Mahmūd → al-‘Aqqād (1889–1964) and Nagieb → Mahfoez (1911–2006); nog afgezien van talloze populaire en stichtelijke werkjes. Van de Europese oriëntalistische werken namen moderne islamitische biografen veelal het chronologische raamwerk over, terwijl zij moderne literaire biografieën volgden in hun herschepping van de fragmentarische oude teksten tot langere, coherente verhalen, en in hun neiging een schets en beoordeling van het karakter van de profeet te geven. Met uitzondering misschien van Mahfoez hebben zij alles weggelaten wat eventueel twijfel of negatieve gevoelens te weeg zou brengen en hebben zij aldus weinig ruimte gelaten voor de menselijke, soms al te menselijke trekken van de profeet. Zo bangelijk waren de oudste sīra-werken niet geweest.

Biografie en fiqh
Uit islamitisch oogpunt is de sunna (soenna) van de profeet niet alleen te vinden in de hadith-literatuur, maar ook in de sīra. Wel wordt de hadith als de betere bron beschouwd, omdat daar zorg is gedragen voor controle van de bronnen middels overleveringsketens (isnad). Men heeft heel wat sira-materiaal als het ware upgraded en voor de toekomst gered door het in de hadith-verzamelingen onder te brengen. Vaak is het dan wat verkort en toegesneden op de behoeften van de sharia-geleerden.
In hoeverre de biografie bruikbaar is voor de islamitische fiqh en geloofsleer was onder andere besproken door Ibn Taymīya (1263–1328), die op het standpunt stond dat veel van het biografische materiaal voor het recht niet als argument bruikbaar is, tenzij het onderwerp van groot belang is en de tekst met meerdere overleveringsketens wordt overgeleverd. In zijn geest zijn er in onze tijd boeken verschenen met de titel Fiqh al-sīra, die niet veel meer doen dan een keuze uit de oude bronnen nog eens af te drukken, voorzover zij correct zijn overgeleverd, en met stichtelijke gedachten te omspelen (→ Albānī, Ghaḍbān).

Bibliografie:
– ʿAbbās Maḥmūd al-ʿAqqād, ʿAbqarīyat Muḥammad, Cairo 1941.
– Muḥammad Nāṣir al-Dīn al-Albānī, Fiqh al-sīra, bewerkt door Muḥammad al-Ghazālī, Cairo 19888.
– Hishām Djuʿayyiṭ, Fī al-sīra al-nabawīya, Beirut, 2 dln., 2001, 2007; vert. Hichem Djaït, La vie de Mahomet, 3 dln. Paris 2001, 2008, 2020.
– Munīr Muḥammad al-Ghaḍbān, Fiqh al-sīra al-nabawīya, Cairo 1997.
– Tawfīq al-Ḥakīm, Muḥammad, Cairo 1936.
– Muhammad Hamidullah, Muhammad Rasulullah: A concise survey of the life and work of the founder of Islam, Hyderabad 1974.
– idem, Le prophète de l’Islam. 1. Sa vie, 2. Son œuvre, Paris 1959.
– idem, Battlefields of the Prophet Muhammad, Hyderabad 19732.
– idem, The prophet of Islam: Prophet of migration, n.p. 1989.
– idem, The Prophet’s establishing a state and his succession, Islamabad 1988
– Muḥammad Ḥusayn Haykal, Ḥayāt Muḥammad, Cairo 1933 (The life of Muḥammad, vert. Ismāʿīl Rādjī A. al-Fārūqī, [Chicago] 1976).
– Ṭāhā Ḥusayn, ʿAla hāmish as­-sīra, Cairo 1933.
– Sir Sayyid Ahmad Khan, A Series of essays on the life of Muhammad and subjects subsidiary thereto, London 1870.
– Martin Lings, Muhammad. His life based on the earliest sources, London 19832, herziene uitg. Cambridge 1991.
– Nadjīb Maḥfūz, Awlād ḥāratinā, Beirut 1967; Nagieb Mahfoez, Kinderen van Gabalawi, 1999.
– Mubarakpuri, Safi-ur Rahman al-, Biografie van de Profeet Mohammed (oorspr. titel Al-raḥīq al-makhtūm), vert. H. Bennebas, Uitg. Noer, Rotterdam, z.j.
– Abdul Hameed Siddiqui, The life of Muhammad (PBUH), Lahore 1969, 199310.
– Antonie Wessels, A modern biografie of Muḥammad. A critical study of Muḥammad Ḥusayn Haykal’s “Ḥayāt Muḥammad, Leiden 1972.
– idem, ‘Modern biographies of the life of the Prophet Muhammad in Arabic,’ Islamic Culture 49 (1975), 99–105.

Terug naar Inhoud         Bijgewerkte versie; eerst verschenen 2011

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Snouck

Snouck, zo heet de onlangs verschenen zeer leesbare en degelijke biografie van Christiaan Snouck Hurgronje (1857–1936), geschreven door Wim van den Doel. Ik heb er erg van genoten en veel van geleerd, en beveel hem dan ook graag aan iedereen aan, en vooral aan arabisten en geïnteresseerden in de islam en Indonesië. Snouck was jarenlang adviseur van de regeringen van Nederlands-Indië en Nederland, en later hoogleraar te Leiden, o.a. in Arabisch en islamwetenschap. De biografie portretteert de invloedrijke, wereldwijd bekende landgenoot in al zijn innerlijke tegenstrijdigheid en is ook een belangrijke bron van kennis over de Nederlandse koloniale politiek.
Ik ga niet het hele boek van ruim zeshonderd bladzijden bespreken, maar ik wil er enkele punten uitlichten.

Atjeh
In Noord-Sumatra ligt Atjeh (moderne spelling: Aceh), een gebied dat eind negentiende eeuw weigerde zich te onderwerpen aan het koloniale bestuur. Snouck was in belangrijke mate verantwoordelijk voor de laatste fase van wat als de Atjeh-oorlog bekend staat (1873–1903). Zijn (toen nog) vriend Generaal van Heutsz deed het grove werk, Snouck droeg de ideeën aan. De bedoeling was, de rebellie snoeihard neer te slaan om daarna met gulle hand de zegeningen van het koloniale bestuur over het land te doen neerdalen. Volgens Snouck ging het er om, de bevolking te beschermen tegen de uitbuiting en willekeur van plaatselijke potentaatjes en fanatieke godgeleerden, die hij aanried ‘zeer gevoelig te slaan’. De eerste fase, met veel wreedheid, bloedvergieten en vernietiging, werd inderdaad verwezenlijkt, het is bekend. Dat hier iets niet klopte kwam bij Snouck blijkbaar niet op. Van die zegeningen is niet veel meer vernomen — wat hij een kwart eeuw later zelf ook inzag.1

Ethisch kolonialisme
Snouck geloofde werkelijk dat het koloniale bestuur zegeningen bracht. Volkeren die lager stonden in beschaving konden immers veel leren van ontwikkelder volkeren, zodat ze op de (lange) duur op eigen benen konden staan. Dat Indië vooral een wingewest was dat goed was voor een flink percentage van de Nederlandse staatsinkomsten, moet Snouck hebben geweten, maar uit dit boek blijkt niet dat hij daar ooit over tobde of het niet vanzelfsprekend vond. Wel vond hij dat er meer en beter onderwijs moest komen voor intelligente inlanders uit de hogere standen, zodat dezen ook functies konden krijgen in het bestuur en de rechtspraak. Op den duur zou Indië zelfs door Nederlanders en inlanders te samen bestuurd moeten worden. Daarin was Snouck veel ‘ethischer’ dan de bestuurders in Indië en het ministerie in Den Haag, die zich daar heftig tegen verzetten en de inlander juist liever klein hielden.

De islam
Snouck was niet bang voor de islam, want hij kende hem van binnen en van buiten. Hij had in Mekka gezeten, presenteerde zich als moslim, verkeerde op voet van gelijkheid met islamitische geleerden, leefde zo veel mogelijk ‘inlands’ en sloot twee maal een islamitisch huwelijk met een Sundase vrouw. Hij had een hekel aan het panislamisme, dat volgens hem vooral door het Ottomaanse Rijk werd verbreid. Maar over de islam in Indië maakt hij zich geen zorgen; integendeel. In 1913 bij voorbeeld werd op Java de Sarekat Islam opgericht, een islamitische vereniging ter behartiging van de belangen van moslims. Toen deze al gauw een enorme aanhang kreeg schrokken ondernemers en koloniale bestuurders zich wezenloos en wilden die vereniging onderdrukken, maar Snouck vond het juist een goed idee. Geef ze de ruimte en wat zelfstandigheid, dan worden ze niet opstandig. Hij had niet die koloniale schrik voor moslims, die berust op onwetendheid. Voor de machtsovername in Arabië door de Wahhabieten in 1924 had hij wel waardering. Hj kon toen nog niet voorzien wat voor ellende die zouden aanrichten. Zij brachten in elk geval rust en orde, en dat was goed voor de pelgrims uit Indië.

Racisme
Al tijdens zijn jaren in Indië (1888–1906) verkondigde Snouck steeds de mening dat vermeende raciale verschillen geen enkele rechtvaardiging boden om inlanders onderwijs en functies in bestuur of rechtspraak te onthouden. En na de barbarij van de Eerste Wereldoorlog in Europa kon zeker niemand meer in ernst beweren dat het blanke ras superieur was. Maar hier sprak Snouck met dubbele tong. Hij had vijf kinderen van zijn twee achtereenvolgende Sundase echtgenotes, die hij niet erkende. Hij stuurde af en toe wat geld en een briefje, maar wenste verder geen contact, en wilde zeker niet dat ze naar Nederland zouden komen. In Nederland trouwde hij opnieuw en kreeg een dochter. Hij had dus maar één kind.

De vloek van Snouck
Snouck was al in 1936 gestorven, maar toen ik na mijn kandidaatsexamen in 1968 aankwam in Leiden waarde zijn geest er nog rond. Om te beginnen werden de colleges Arabisch gegeven in zijn ruim bemeten huis aan het Rapenburg. De hoogleraar las voor uit het collegedictaat van Snouck. Als je boven naar de WC moest, belandde je in diens badkamer, waar nog zijn badkuip met leeuwenpoten stond. In de gang hing een portret van de illustere bewoner. Ja, die ogen: zelfs in het schemerdonker van het trappenhuis doorboorden ze je nog.
Snouck heeft met zeer harde hand een stel leerlingen gevormd, die hij veel bijbracht, maar die hij ook voortdurend kleineerde. Bij sommigen leidde dit tot blijvend geestelijk letsel, dat zij nog doorgaven aan de volgende generatie. De lamheid van de Leidse arabistiek in de jaren zestig en de verpeste sfeer waren zonder twijfel een gevolg van de ‘vloek van Snouck’. Wie kon na hem nog bestaan?

Als ik me aan een korte karakterisering mag wagen: Snouck was een groot geleerde, een harde man, ook voor zich zelf, die niet door innerlijke twijfels werd geplaagd en weinig geduld had met minder getalenteerden.

.

  1. In een bespreking van J.C. Lamster, J.B. van Heutsz als G.G., afgedrukt in Oost en West, 6 juni 1947 staat echter nog te lezen: ‘Zonder twijfel zou het werk van Van Heutsz als landvoogd [=Gouverneur Generaal, WR] niet mogelijk zijn geweest zonder het werk van Van Heutsz als generaal. Trouwens: alle arbeid, sinds 1904 in Indië tot zegen der Indische volken verricht was slechts mogelijk door die zelfde arbeid van de zelfde Van Heutsz als generaal.’

Terug naar Inhoud

Ongewenste burgers

Algemeen bekend is dat de Joden in Duitsland in de dertiger jaren van hun rechten beroofd werden en een vette J in hun pas gestempeld kregen. Ze waren ineens geen Duitsers meer, zelfs als ze in de Eerste Wereldoorlog een lintje hadden gekregen. Waar dat toe leidde is ook bekend. Nie wieder! riep iedereen na afloop, maar blijkbaar was het pas een begin.
.
In Groot-Brittannië waren er onlangs aanzetten tot een dergelijke handelwijze. Britse onderdanen afkomstig uit West-Indië, indertijd als arbeidskrachten gehaald, werden ineens van hun baan, woning en zorgverzekering beroofd, gevangengezet, bedreigd, en een aantal van hen werd het land uitgezet. Dat was Theresa May’s ‘hostile environment policy’. Illegalen wegpesten, illegalen die geen speciale verblijfsvergunning hadden, omdat ze eerst gewoon legaal waren geweest. Onder Johnson zal dit zeker nog veelvuldiger gebeuren.
.
In Nederland wordt in sommige kringen ook hardop gedacht over dit soort regels. Er zijn incidentele wreedheden bij uitzettingen, ook jegens kinderen. De toeslagenaffaire bij de belastingen had systeem; die raakte erkende burgers.
.
In China zijn er al een miljoen islamitische inwoners van Xinjiang verdwenen in ‘heropvoedingskampen’, zeg maar concentratiekampen. Als (als!) mensen daaruit terugkomen zijn ze vaak geheel gebroken. Er zijn in Xinjiang nog tien miljoen Oeigoeren te gaan, en in de rest van China nog talloze andere moslims.
.
In Myanmar is er een miljoen Rohingya gepest, verkracht, uit hun huizen gezet en domweg over de grens gejaagd, omdat zij een andere taal en een andere godsdienst hebben dan de meerderheid. In het arme, toch al propvolle Bangladesh proberen die nu te overleven in vluchtelingenkampen.
.
In het Indiase Assam zijn er bij wijze van proefballonnetje twee miljoen moslims van hun burgerrechten beroofd, nadat eerst al het islamitische deel van Kashmir te grazen was genomen. Ze waren arm en analfabeet en hadden, zoals veel Indiërs, geen papieren. Nu worden ze geacht niet meer te bestaan en worden ze voortaan niet meer tot de Indiërs gerekend. Aan interneringskampen wordt gebouwd.
Als het aan Modi en zijn soortgenoten ligt worden álle moslims in India tot tweederangsburger verklaard. Al in de dertiger en veertiger jaren vonden extreme Hindoes de manier waarop Nazi’s met de Joden omsprongen inspirerend.
India heeft een stuk of 180.000.000 moslim-inwoners. U leest het goed: honderdtachtig miljoen. Als het zo doorgaat zal India nog decennia bezig zijn hen te ontrechten, te interneren (maar dat is duur), te verjagen (maar waarheen?)—of worden ze gewoon vergast? De media interesseert dit blijkbaar niet zo; bovendien, hoeveel Europeanen zijn er niet die graag hetzelfde zouden doen met die schamele zestien miljoen moslims in de EU? Vermoedelijk schrikt de buitenwereld pas wakker als Modi de Taj Mahal laat slopen of tot een heilige koeienstal ombouwt.
Nu moet gezegd worden dat er in India ook veel weerstand tegen Modi’s plannen bestaat. Maar als eenmaal de verkeerde vent is gekozen is het heel moeilijk hem nog kwijt te raken; dat zien we ook bij ons in de buurt.