Dhu al-Suwayqatayn: een aanvulling

Aan het einde der tijden komt een raar mannetje uit Ethiopië de Ka‘ba vernietigen. Zijn naam is Dhū al-Suwayqatayn, hij heeft rode beentjes, een dikke buik en dreigend flikkerende ogen. Zeven jaar geleden schreef ik hier over deze figuur en verbaasde mij over zijn uiterlijk. Waar hebben de vertellers dat vandaan?
Enige duidelijkheid bracht mij nu de lectuur van Manfred Ullmann, Der Neger in der Bildersprache der arabischen Dichter, Wiesbaden 1998. Ullmann heeft honderden Oudarabische verzen verzameld waarin een ding, een dier of een mens met een Ethiopiër of een andere zwarte mens wordt vergeleken. In 23 poëziefragmenten wordt een struisvogel met een Ethiopiër of een Indiër vergeleken (blz. 30–44). Het tertium comparationis is meestal het zwarte van de huid, resp. de vleugels en de dekveren, maar het kunnen ook de benen/poten zijn.
Ullmann citeert op blz. 30 een fragment van de pre-islamitische dichter Ṣalā’a ibn ‘Amr, ook genaamd al-Afwah al-Awdī (gest. 570?). In vertaling luidt het:

  • ‘Een [struisvogelmannetje] met roodgekleurde poten1 … Hij lijkt op een zwarte Ethiopiër met dunne benen, die achterna wordt gelopen door zwarte, onverstaanbaar brabbelende [kinderen] met ringen in hun oren.’ 2

De hadith van Hudhayfa ibn al-Yamān:

  • ‘Het is alsof ik een Ethiopiër voor me zie met rode benen en dreigend flikkerende ogen, met een platte neus en een dikke buik. Hij heeft zijn voeten parallel op de Ka‘ba gezet; hij en een stel kompanen van hem slopen haar steen voor steen en geven elkaar de stenen door, die zij tenslotte in zee gooien.’ 3

wordt na lezing van dat vers een stuk begrijpelijker: de verteller wilde een Ethiopiër beschrijven, maar toen schoot hem de uit de poëzie bekende vergelijking met een struisvogel te binnen, zwart en met rode poten. Bij hem wordt niet de vogel met een Ethiopiër vergeleken, maar juist omgekeerd. 

Vroeger dacht ik dat Dhū al-Suwayqatayn ‘hij met de korte beentjes’ betekende, maar het moet toch betrekking hebben op dunne benen: zowel struisvogels als Ethiopiërs zijn bekend om hun dunne poten/benen. De ‘dikke buik’ herinnert aan het bolle, donkere lijf van de struisvogel, dat contrasteert met zijn lange, dunne poten en nek. De vervaarlijk flikkerende ogen zijn geleend van een andere eindtijdfiguur, de dadjdjāl (± Antichrist), die ze ook heeft.

Ik zal dus mijn tekst over Dhū al-Suwayqatayn moeten herschrijven; dat kan nog wat duren.

ANMERKUNGEN
1. Sommige struisvogelsoorten krijgen gedurende de balts rode poten.
2. خَاضِبٌ … كَالأسْوَدِ الحَبَشِيِّ الحَمْشِ يَتْبَعَهُ سُودٌ طَمَاطِمُ فِي آذَانِهَا
3. كما ورد في حديث حذيفة مرفوعًا، كأني أنظر الى حبشي أحمر الساقين أزرق العينين أفطس الأنف كبير البطن وقد صف قدميه على الكعبة هو وأصحاب له ينقضونه حجرًا حجرًا يتداولونها حتى يطرحوها في البحر.

Terug naar Inhoud

Allah Rahman

Over de pre-islamitische tijd kan ik nauwelijks meepraten, zo snel gaat het nieuwe onderzoek. Hoogstens kan ik af en toe iets aanstippen en aldus verwijzen naar wat er gevonden wordt.
In een mooi Twitter-‘draadje’ laat Ahmad al-Jallad een interessante inscriptie zien, geschreven in de zesde eeuw in Jemen, in het Oudzuidarabische zabur-schrift. Invloed van de ‘islam’ of het noordelijker Arabisch is er dus niet.
Al-Jallads transcriptie in het ons vertrouwde Arabische schrift luidt:

بسم له رحمن رحمن رب سموت
رزقن م فضلك وأثرن مخه شكمت ايمن

bsmlh rḥmn rḥmn rb smwt
rzq-n m-fḍl-k w ʾṯr-n mḫh škmt ’ymn
.
Over de vertaling wordt nog wat gekibbeld, maar het moet zoiets zijn:
‘In de naam van Allāh, Raḥmān, de barmhartige, de Heer der hemelen. Zegen ons met Uw gunst en verleen ons het beste daarvan: de gave van het geloof(?).’

Waarom is deze inscriptie zo belangwekkend:
1. Zij biedt een pre-islamitische variant van de formule waarmee iedere koransoera begint: بسم الله الرحمن الرحيمن , bism allāh al-raḥmān al-raḥīm, wat meestal vertaald wordt als: ‘In naam van God, de barmhartige erbarmer.’
2. Zij toont dat reeds vóór de koran de goden Allāh en Raḥmān aan elkaar gelijkgesteld werden.
De inscriptie laat dus iets zien van de omgeving waarin de islam ontstond.

Bron:

Terug naar Inhoud

Besmetting: sprak de profeet zich zelf tegen?

🇩🇪  Uit het internet woei mij een artikel aan over besmetting in de hadith van de profeet.1 Het is door twee Pakistaanse moslims geschreven en het lijkt een degelijk artikel binnen het kader van de islamitische hadithwetenschap. Aan Europese universiteiten zou het gebruikt kunnen worden om te laten zien hoe deze functioneert. Mij persoonlijk heeft het weer eens duidelijk gemaakt waarom islamitische wetenschap me zo verveelt en ik er niets mee te maken wil hebben.
.
Bestaat er besmetting? In hadithen van de profeet wordt die vraag soms met ja, soms met nee beantwoord. Had de profeet dan twee meningen over hetzelfde onderwerp, of is hij in de loop van zijn leven zo drastisch van mening veranderd?De doelstelling van de auteurs staat meteen in de korte samenvatting vooraan: Both categories of ahādīth seem contrary to each other and demand a detailed insight into this matter in order to remove the apparent contradiction between them. De schijnbare tegenstrijdigheid wegwerken, dat is het doel. Ze gaan aantonen dat de uitspraken van de profeet elkaar niet tegenspreken, en wel met behulp van de eeuwenoude hadithwetenschap. 

Hun vooronderstellingen zijn:
1. Correct overgeleverde hadithen gaan terug op de profeet. Er staan uitspraken in die hij werkelijk heeft gedaan, en de daar beschreven handelingen heeft hij werkelijk verricht. Correcte hadithen zijn dus een geschiedbron van jewelste.
2. De profeet had altijd gelijk en sprak zich zelf nooit tegen. Wel kan eventueel een latere uitspraak van hem een eerdere afschaffen. Niet dat hij zich vergist had, maar de omstandigheden veranderden, zodat soms een andere uitspraak nodig werd.
3. De eeuwenoude hadithwetenschap (bloeitijd ± 770–1500) is nog geldig, wat in de oude boeken over de overleveraars geschreven staat is meestal betrouwbaar en de methoden om vast te  stellen of een overleveringsketen (isnād) correct is, zijn onverminderd dezelfde.
4. Een vooronderstelling van de auteurs over dit specifieke onderwerp: Ja, besmetting bestaat. Ze zijn modern en levenswijs genoeg om dat in te zien en dat deden ze al voordat ze aan dit artikel begonnen.
.
Nu die besmetting. De meeste mensen hadden en hebben wel een besef hebben dat er zoiets bestaat, en er zijn hadithen waarin daarvan wordt uitgaan. Maar er is ook de uitspraak van de profeet: lā ‘adwā, ‘Er is geen besmetting,’ en er is een verslag over de profeet die eet met een melaatse en zijn hand met hem in dezelfde schotel doopt, aldus tonend dat hij geen besmetting vreesde.  Daar moesten de auteurs, en moeten moslims in het algemeen iets op vinden, want zo’n tegenstrijdigheid is onverdraaglijk.
De auteurs hebben een aantal hadithen over het onderwerp verzameld. Ik vertaal hier hun vertalingen uit hun Engels. Mijn eigen, wat vlottere vertalingen komen op blz. 2.

  • T1: De profeet heeft gezegd: ‘Er is geen ‘adwā (geen besmettelijke ziekte wordt overgebracht zonder God’s toestemming), geen ṣafar (geen slecht voorteken de maand ṣafar) en geen hāmma (geen slecht voorteken i.v.m een uil).’ Toen stond er een bedoeïen op die vroeg: ‘Hoe is het dan met kamelen, die er in het zand zo prachtig bijstaan als herten? Als daar een schurftig dier bij komt krijgen zij ook schurft.’ Toen zei de profeet: ‘Maar wie heeft dan de eerste besmet?’3
  • T2: De profeet nam bij een maaltijd de hand van een melaatse en doopte die te samen met zijn eigen hand in de schotel. Hij zei: „Zeg: in hoop en vertrouwen op God!’ 4
  • T3: De profeet heeft gezegd: ‘Er is geen ‘adwā (geen besmettelijke ziekte die wordt overgebracht zonder God’s toestemming), geen ṣafar (geen slecht voorteken de maand ṣafar) en geen hāmma (geen slecht voorteken i.v.m een uil) en voor een melaatse moet je wegvluchten als voor een leeuw.’5 
  • T4: De profeet heeft gezegd: ‘Kijk niet voortdurend naar melaatsen!’6
  • T5: De profeet heeft gezegd: De pest is een ramp die gezonden werd over de Kinderen Israëls of over mensen die vóór jullie leefden. Als jullie horen dat in een gebied de pest heerst, ga daar dan niet heen. Maar als hij uitbreekt in een gebied waar jullie al zijn, ga er dan niet voor op de vlucht.’7 

De beide Pakistaanse auteurs geven vervolgens weer wat zij in oude commentaren en andere bronnen uit vele eeuwen over deze hadithen hebben gevonden. Zij stellen vast dat de oude geleerden twee methoden gebruiken: tardjīḥ, het tegen elkaar afwegen van hadithen, meestal op grond van de isnād; en taṭbīq of djam‘, waarvan ik niet precies weet wat het is, maar dat het meest lijkt op harmoniseren en weginterpreteren.
.
Ontkenning van besmetting
Volgen we eerst de geciteerde personen die het bestaan van besmetting ontkennen. Zij vinden steun in de duidelijke uitspraak van de profeet in T1: ‘Er is geen besmetting,’ en een bevestiging in een handeling van hem in T2, waar de profeet eet met een melaatse—als hij bang geweest was voor besmetting had hij dat niet gedaan. Er blijken nog vier teksten te bestaan, die vertellen hoe vooraanstaande gezellen van de profeet uitdrukkelijk met melaatsen aten en aldus diens handelen bevestigden. Soms gaven ze zelfs complete leprozendiners!8 Aisja, de vrouw van de profeet, maakte het ook heel bont: zij zou een melaatse slaaf gehad hebben die van haar schotel at, uit haar beker dronk en vaak op haar slaapplek sliep—waarbij zij zich om besmetting uiteraard geen zorgen maakte.
Een tekst als T4: ‘niet voortdurend kijken naar melaatsen,’ die waarschijnlijk uitgaat van besmetting, wordt door de ontkenners geëlimineerd omdat de isnād zwak is. Hetzelfde geldt voor nog twee niet-profetische overleveringen, die aanbevelen een melaatse op een, resp. twee speerlengten afstand van zich vandaan te houden. Aantonen dat een isnad zwak is is een klassieke islamitische manier om een ongewenste hadith te elimineren. Een andere manier is een tekst door een latere tekst als afgeschaft te beschouwen. Van T3: ‘Vlucht voor een melaatse…’ wordt wel gezegd dat deze is afgeschaft door T2, waarin de profeet zijn hand met een melaatse in de schotel doopt.
De geleerden die T3 niet meteen verwerpen hebben in de loop der eeuwen verschillende andere manieren gevonden om hem onschadelijk te maken. Ze zeggen bij voorbeeld: je vlucht niet omdat je bang bent voor besmetting, maar om die arme melaatse niet te kwetsen. Met dat niet kijken naar een melaatse is het net zo: het gaat daar niet om vrees voor besmetting, maar om discretie, consideratie met de melaatse.
Of als je meent, schade te ondervinden door een melaatse, als zijn geur je niet bevalt of je zijn nabijheid slecht verdraagt, of als je afkeer ondervindt, ja dan moet je weggaan. Je blijft bij een melaatse uit de buurt zoals je ook een overhellende muur of een kapot schip vermijdt.
Of, heel ingewikkeld: je moet weglopen van een melaatse omdat je anders als je ziek wordt misschien zou denken dat het door besmetting komt, wat de profeet heeft uitgesloten. Dit argument komt vaak voor; reeds Abū ‘Ubayd (gest. 838) zegt dat je gezonde dieren niet samen met zieke dieren moet laten drinken, want als ze dan ziek worden zou je in de verleiding kunnen komen te denken dat er besmetting is. In werkelijkheid worden die andere dieren ziek door de wil van God en niets anders.
Dat is inderdaad de reden waarom besmetting überhaupt wordt ontkend: het is telkens opnieuw een goddelijk raadsbesluit dat maakt dat iemand ziek wordt of juist niet.

Erkenning van besmetting
Maar ook degenen die wel geloofden dat er besmetting is moesten aan de slag. Weliswaar hadden zij hun eigen waarneming van het optreden van besmetting, en enkele meervoudig en correct overgeleverde hadithen (T3, T5 en eventueel T4) die deze bevestigden, maar zij moesten enkele andere profetische hadithen onschadelijk maken, die besmetting duidelijk loochenen: T2, ‘de profeet eet met een melaatse,’ wordt beschouwd als niet correct overgeleverd; die tekst kan dus niet zo veel kwaad meer. Nadrukkelijk overeind staat nog de correct overgeleverde overduidelijke uitspraak en van de profeet: ‘Er is geen besmetting’ (T1/3), maar daar hebben de diverse erkenners van besmetting een oplossing voor gevonden.
– Men maakt die uitspraak bij voorbeeld verteerbaar door er iets bij te denken. Natuurlijk is er besmetting, dat weet iedereen; met zijn uitspraak bedoelde de profeet uiteraard: ‘Er is geen besmetting, behalve door melaatsheid, bars en andere ziekten.’ Vandaar dat je wel degelijk voor een melaatse moet vluchten.9
– Anderen denken er iets anders bij: ‘Er vindt geen besmetting van nature plaats,’ m.a.w. het is God die beslist of er besmetting optreedt of niet; ten bewijze daarvan kon de profeet rustig zijn hand met die van een melaatse in een schotel dopen. Een zekere al-Turbushtī, een geleerde uit de dertiende eeuw, vond deze opvatting de juiste, ‘omdat zij overeenstemming tussen de hadithen over dit onderwerp mogelijk maakt.’ 10
– Weer anderen meenden dat ‘Er is geen besmetting,’ niet de besmetting wil loochenen, maar het geloof dat er besmetting bestaat door iets anders dan God.11 De retorische vraag van de profeet in T1: ‘Maar wie heeft dan de eerste besmet?’ past goed bij deze opvatting.
– Ibn Qutayba (± 828–889) was een literaat, geen medicus, maar hij begreep best hoe besmetting werkt: door aanraking (mulāmasa) of door druppeltjesinfectie via de ingeademde lucht (al-shamm al-rā’iḥa), vooral via huisgenoten (mukhālaṭa). Toch heeft hij geen moeite met de uitspraak van de profeet: ‘Er is geen besmetting (‘adwā),’ want de door hem beschreven overdracht van ziekten ís domweg geen ‘adwā. Wat dat dan wél is zegt hij niet; het blijkt althans niet uit het Pakistaanse artikel. Onder andere Ibn Ḥadjar al-‘Asqalānī (1372–1449) volgt dezelfde gedachtengang, maar hij zegt wél wat ‘adwā is: dat is dat een ziekte heerst op een zekere plaats, zoals de pest in T5 hierboven. Van zulk een plaats weg te vluchten is niet geoorloofd omdat je dan zou willen ontsnappen aan het raadsbesluit Gods.12
.
Ik heb niet het gehele, lange artikel van de beide auteurs hier samengevat, maar geprobeerd het belangrijkste eruit te halen en naar beste vermogen weer te geven wat de beide auteurs bedoeld hebben. Op enkele punten heb ik hen domweg niet begrepen.
De auteurs zijn te prijzen om hun ijver en hun acribie bij het bijeenzoeken van de vele commentaarteksten. Waar ik echter bezwaar tegen maak is dat hun eigen gedachtengangen in het verlengde verlopen van die eeuwenoude commentaren, die naar de huidige inzichten intellectueel duidelijk te kort schieten. Alle respect, bij voorbeeld, voor een Ibn Qutayba, die in de negende eeuw al behoorlijk goed wist wat besmetting was, maar doodzonde dat hij zich dan in kromme bochten draait om de profeet te sauveren en uiteindelijk beweert dat besmetting vooral geen besmetting is. Ik kan het hem en zijn soortgenoten echter niet kwalijk nemen: eeuwen geleden was men nog niet tot andere gedachtengangen in staat. Anders zou dat kunnen of moeten zijn bij de beide moderne Pakistaanse auteurs; die hebben toch wel eens een middelbare school van binnen gezien? Maar helaas, zij nemen die stokoude drogredenen serieus, koken er hun eigen soepje van en baseren er hun eigen conclusie op: Er is wel besmetting, maar ‘geen besmettelijke ziekte wordt overgebracht zonder God’s toestemming.’ Dat is wat mij zo aan dit soort werk verveelt. Je zou ook kunnen zeggen: Ik neem het ze kwalijk dat ze theologie bedrijven, en geen tekstwetenschap. Verkeerd is ook dat zij hun conclusie in hun vertaling van een hadith zetten; dat is echt geknoei. Lā ‘adwā betekent: ‘er is geen besmetting,’ en niet: ‘no contagious disease is conveyed without Allāh’s permission.’ Bij de weergave van een tekst in een andere taal moet er vertaald worden, niet getheologiseerd.
.
Wat mijn eigen vooronderstellingen zijn en wat ik zelf doe met deze elkaar tegensprekende hadithen staat op blz. 2.

NOTEN
1. Muhammad Qasim Butt en Muhammad Sultan Shah, ‘The Concept of Contagiousness in the Ahādīth,’ Pakistan Journal of Islamic Research, 19/1 (2018), 59–75. In het net zag ik het hier, laatstelijk op 6 november 2018.  Een pdf vindt U hier: Butt_Shah, Contagiousness in ahadith.
2. En dit is nog maar één onderwerp; er zijn er talloze waarover de uitspraken van de profeet met elkaar strijdig zijn of lijken.
3. Ik vertaal hier de Engelse vertalingen van de auteurs. Met sommige daarvan ben ik het niet eens en ze kunnen vlotter; zie voor mijn eigen vertalingen blz. 2.
O.a. Bukhārī, Ṭibb 25; Muslim, Salām 101 en vele andere, met diverse profetengezellen als overleveraar: قال رسول الله ص: لا عدوى ولا صفر ولا هامة فقال أعرابي: يا رسول الله فما بال الإبل تكون في الرمل كأنها الظباء فيجيء البعير الأجرب فيدخل فيها فيجربها كلها؟ قال: فمن أعدى الأول
4. Abū Dāwūd, Ṭibb, 24/3925; Tirmidhī, Aṭ‘ima 19a e.a.: أن رسول الله ص أخذ بيد مجذوم فوضعها معه في القصعة وقال: كل ثقة بالله وتوكلا عليه
5. Bukhārī, Ṭibb 19:  قال رسول الله ص: لا عدوى ولا طيرة ولا هامة ولا صفر وفر من المجذوم كما تفر من الأسد.
6. Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad i, 233: قال رسول الله ص: لا تديموا الى المجذومين النظر 
7. Bukhārī, Anbiyā’ 54 (vgl. ook Muslim, Salām 100): … فقال أسامة قال رسول الله ص: الطاعون رجس أُرسل على طائفة من بني إسرائيل أو على من كان قبلكم فإذا سمعتم به بأرض فلا تقدموا عليه، وإذا وقع بأرض وأنتم بها فلا تخرجوا فرارًا منه. قال أبو النضر: لا يخرجكم الاّ فرارا منه  
8. Butt/Shah, Concept 62.
9. لا عدوى ألّا من الجُذام والبرس وغيرها . Wat bars is weet ik (nog) niet; het moet ook een ziekte zijn. Butt/Shah, Concept 70.
10. لا تقع عدوى بطبعها. Butt/Shah, Concept 71.
11. Butt/Shah, Concept 72.
12. Butt/Shah, Concept 72–73.

Terug naar Inhoud

De uitroeiing van de Joodse stam Qurayza (vertaling)

Vertaalde tekst:
Volgens wat al-Zuhrī mij heeft verhaald kwam omstreeks het namiddaggebed Djibrīl bij de Profeet, het hoofd bedekt met een tulband van zijdebrokaat en rijdend op een muilezel waarvan het zadel bedekt was met een stuk brokaat. Hij vroeg de Profeet of hij de wapens had neergelegd, en toen deze dat bevestigde zei Djibrīl: ‘De engelen hebben hun wapens nog niet neergelegd; zelf kom ik juist terug van het achtervolgen van de vijand. God beveelt je tegen de stam Qurayza op te rukken, Mohammed! Ik ga naar hen toe om hen door elkaar te schudden.’
De Profeet liet afkondigen dat niemand het namiddaggebed diende te verrichten voordat hij bij Qurayza was. Vervolgens zond hij ‘Alī vooruit met zijn vlag, en de mannen snelden erop af. Toen ‘Alī dicht bij de forten gekomen was hoorde hij daar beledigende taal aan het adres van Mohammed. Hij keerde terug, de Profeet tegemoet, en zei dat hij niet dichter bij die schurken hoefde te komen. ‘En waarom niet?’ vroeg de Profeet, ‘ik denk dat je ze hebt horen kwaadspreken over mij,’ en hij voegde eraan toe: ‘Als ze mij zagen zouden ze zulke dingen niet zeggen.’ Toen de Profeet dicht bij hun forten gekomen was riep hij: ‘Stelletje apen; heeft God jullie voor gek gezet en Zijn wraak over jullie geopenbaard?’ Zij zeiden: ‘Abū Qāsim, jij bent geen dwaas!’
Op zijn weg naar de stam Qurayza passeerde de Profeet een aantal van zijn gezellen in Sawrayn, die hij vroeg of daar iemand langs was gekomen. ‘Ja,’ zeiden ze, ‘Dihya ibn Khalīfa, op een wit muildier waarvan het zadel bedekt was met een stuk brokaat.’ De Profeet zei: ‘Nee, dat was Djibrīl, die op weg was naar Qurayza om hun forten door elkaar te schudden en schrik onder hen te zaaien.’
Toen de Profeet bij de stam Qurayza was aangekomen, hield hij halt bij een van hun bronnen dichtbij hun grondgebied, die Anā heette. De mannen voegden zich bij hem. Sommigen kwamen daar pas aan na het late avondgebed en hadden het namiddaggebed niet verricht, omdat de Profeet had gezegd dat ze dat niet moesten doen voordat ze bij Qurayza waren. Ze waren druk bezig geweest met de nodige oorlogsvoorbereidingen en hadden het gebed pas bij Qurayza willen verrichten, volgens de instructies van de Profeet, en dat deden ze nu, na het late avondgebed. God heeft hun dat niet aangewreven in Zijn Boek en de Profeet is hun daarover niet hard gevallen. Dit is mij verteld door mijn vader, die het had van Ma‘bad ibn Ka‘b.
De Profeet belegerde hen vijfentwintig dagen, tot het beleg hun zwaar begon te vallen, en God zaaide schrik onder hen.
Huyayy ibn Akhtab was met de stam Qurayza mee in hun fort gegaan, nadat Quraysh en Ghatafān zich hadden teruggetrokken, om zijn verdrag met Ka‘b ibn Asad na te komen. Toen zij zeker wisten dat de Profeet niet weg zou gaan voordat hij met hen afgerekend had, zei Ka‘b tegen zijn stamgenoten: ‘Joden, jullie zien hoe jullie ervoor staan. Ik leg jullie drie mogelijkheden voor; kies welke je wilt. De eerste is: wij volgen deze man en geloven hem, want het is nu wel duidelijk dat hij een gezonden profeet is, en dat hij degene is die genoemd wordt in onze Schrift. Dan zullen tenminste ons leven, ons bezit en onze kinderen en vrouwen gespaard blijven.’ ‘Nee,’ zeiden ze, ‘de wet van de thora (tawrāt) zullen wij nooit verzaken en nooit verruilen voor een andere.’ Toen zei hij: ‘Als jullie dat niet willen, dan iets anders. Laten we onze kinderen en vrouwen doden en vervolgens ongehinderd uitrukken tegen Mohammed en zijn gezellen, als mannen, met getrokken zwaard, tot God een oordeel velt tussen ons en hem. Als wij omkomen dan komen we om en laten we geen nakomelingen na om ons zorgen over te maken, en als we winnen, dan nemen we andere vrouwen en kinderen.’ Maar zij antwoordden: ‘Zouden wij deze arme schepsels moeten doden? Waar is het leven nog goed voor als zij er niet meer zijn?’ Toen zei hij: ‘Als jullie dat ook niet willen, dan dit: het is vandaag sabbatavond, misschien dat Mohammed en zijn gezellen zich veilig voor ons wanen. Laten we dus een uitval doen, misschien dat we dan Mohammed en zijn gezellen bij verrassing een slag kunnen toebrengen.’ Zij antwoordden echter: ‘Zouden wij dan onze sabbat ontwijden en hetzelfde doen als je weet wel wie vroeger hebben gedaan, die toen in apen zijn veranderd?’ Ka‘b verzuchtte: ‘Niemand heeft hier ooit van zijn levensdagen een besluit kunnen nemen!’
Toen lieten ze de Profeet vragen Abū Lūbāba ibn ‘Abd Mundhir te sturen, een broeder van de clan ‘Amr ibn Awf (dat waren bondgenoten van de stam Aws), om diens raad in te winnen. Dat deed de Profeet. Zodra zij hem zagen gingen de mannen naar hem toe en wierpen de vrouwen en kinderen zich huilend voor hem neer, zodat hij medelijden kreeg. Ze vroegen hem: ‘Abū Lūbāba, vind je dat we ons moeten overgeven aan Mohammed?’ ‘ Ja,’ zei hij, en hij gebaarde met zijn hand naar zijn keel, duidend op een slachtpartij.
Abū Lūbāba heeft daarover zelf nog gezegd: ‘Ik had nog geen stap verzet of ik begreep dat ik God en Zijn Profeet had verraden.’ Daarna ging hij niet naar de Profeet terug, maar bond zich vast aan een van de pilaren in de moskee en zei dat hij die plaats niet zou verlaten voordat God hem zou vergeven wat hij had gedaan, en hij zwoer dat hij zich nooit meer zou vertonen in het gebied van de stam Qurayza, waar hij God en Zijn Profeet had verraden.
Toen de Profeet dit na lang wachten vernam zei hij: ‘Als hij bij mij gekomen was had ik vergeving voor hem gevraagd, maar nu hij dit gedaan heeft zal ik hem niet losmaken voordat God hem vergeeft.’
Yazīd ibn ‘Abdallāh ibn Qusayt vermeldt dat de vergeving voor Abū Lūbāba aan de Profeet werd geopenbaard in de vroege ochtend, in het huis van Umm Salama. Deze laatste heeft daarover verteld: In de vroege ochtend hoorde ik de Profeet lachen en ik zei:
–– ‘Waarom lach je? Moge God je vreugde schenken.’
–– ‘Aan Abū Lūbāba is vergeving geschonken.’
–– ‘O,’ zei ik, ‘zal ik hem het goede nieuws gaan vertellen, Profeet?’
–– ‘Goed, zoals je wilt.’
Ik ging bij de deur van mijn kamer staan—het was voordat de afzondering aan de vrouwen was voorgeschreven—en riep: ‘Abū Lūbāba, goed nieuws, God heeft het je vergeven!’ De mensen snelden toe om hem los te maken, maar hij zei: ‘Nee, nee, alleen als de Profeet mij eigenhandig losmaakt.’ En zo werd hij pas losgemaakt toen de Profeet langs kwam op weg naar het ochtendgebed.
Die nacht kwam ‘Amr ibn Su‘dā, een man uit Qurayza, naar buiten en passeerde de wacht van de Profeet, die onder bevel stond van Muhammad ibn Maslama. Toen die hem zag riep hij: ‘Wie daar?’ Hij zei: ‘Amr ibn Su‘dā.’ Deze ‘Amr had altijd geweigerd de stam Qurayza te volgen in hun verraad jegens de Profeet. Muhammad ibn Maslama zei toen hij hem herkende: ‘O God, vergun me, de misstappen der edelen goed te maken!’ en liet hem lopen. Hij liep ongehinderd door tot bij de deur van de moskee van de Profeet in Medina, in diezelfde nacht; daarna verdween hij en het is tot op heden niet bekend waar hij gebleven is. Toen het geval de Profeet gemeld werd zei hij: ‘Deze man is door God verlost om zijn trouw.’ Sommige mensen beweren dat hij was vastgebonden met een versleten touw, te samen met de andere gevangenen van Qurayza, toen die zich hadden overgegeven, en dat de volgende ochtend alleen het touw gevonden werd, zonder dat iemand wist waar hij gebleven was, en dat de Profeet toen die woorden sprak. Maar God weet het best hoe het gebeurd is.
In de ochtend gaf de stam Qurayza zich onvoorwaardelijk over aan de Profeet. De mannen van Aws sprongen op en zeiden: ‘Profeet, dit zijn onze cliënten en niet die van Khazradj, en u weet hoe u onlangs de cliënten van onze broeders hebt behandeld.’ De Qaynuqā‘ waren namelijk cliënten van Khazradj geweest, en toen die zich na een belegering hadden overgegeven had ‘Abdallāh ibn Ubayy gevraagd of hij ze kreeg, en hij had ze gekregen. En nu Aws hetzelfde vroeg zei de Profeet: ‘Willen jullie graag dat iemand van jullie hen vonnist? Dat is dan iets voor Sa‘d ibn Mu‘ādh.’
Sa‘d was door de Profeet ondergebracht in een tent van een vrouw uit Aslam, die Rufayda heette, op het terrein van zijn moskee; zij verpleegde de gewonden en verzekerde zich van haar toekomstig loon door te zorgen voor de moslims die iets mankeerden. Toen Sa‘d in de gracht door een pijl was getroffen had de Profeet tegen de familie gezegd: ‘Leg hem maar in de tent van Rufayda; ik zal hem binnenkort bezoeken.’ Nu de Profeet hem als rechter wilde aanstellen over Qurayza zette zijn familie hem op een ezel, waarop zij een zacht leren kussen hadden gelegd, want Sa‘d was een dikke man. Terwijl ze hem naar de Profeet brachten zeiden ze tegen hem; ‘Behandel onze cliënten mild, want met het oog daarop wil de Profeet jou dit toevertrouwen.’ Toen ze dat meermalen gezegd hadden zei hij: ‘Voor Sa‘d is de tijd gekomen om zich in de zaak Gods van niemands kritiek meer iets aan te trekken.’ Sommigen van degenen die bij hem waren gingen terug naar het kwartier van de stam ‘Abd Ashhal en kondigden de dood van de mannen van de stam Qurayza aan, nog voordat Sa‘d er was, omdat ze hem dat hadden horen zeggen. Toen Sa‘d ten slotte was aangekomen zei de Profeet tegen de gelovigen dat ze moesten opstaan voor hun leider. De Emigranten uit Quraysh dachten dat hij alleen de Helpers bedoelde, maar die dachten dat hij hen allemaal bedoelde. Ze stonden dus op en zeiden: ‘Abū Amr, de Profeet heeft het jou toevertrouwd vonnis te vellen over je cliënten.’ Sa‘d zei: ‘Zweren jullie bij God mijn oordeel als bindend te aanvaarden, wat het ook is?’ ‘Ja,’ zeiden ze. ‘Ook degene die hier is?’ vervolgde hij in de richting van de Profeet, zonder hem daarbij aan te kijken, uit eerbied. ‘Ja,’ zei ook de Profeet. Toen zei Sa‘d: ‘Dan is mijn vonnis dat de mannen gedood worden, de eigendommen verdeeld worden en de kinderen en vrouwen als krijgsgevangenen worden beschouwd.’
Volgens ‘Alqama ibn Waqqās al-Laythi heeft de Profeet toen gezegd: ‘Je hebt het oordeel Gods geveld, van boven de zeven hemelen.’
Na de overgave van Qurayza zette de Profeet hen gevangen in het kwartier van Bint Hārith, een vrouw uit de stam Naddjār. Vervolgens begaf hij zich naar de markt van Medina—waar nu nog steeds de markt is—en groef er greppels in. Daar liet hij telkens een groepje naar toe brengen, en dan liet hij hen onthoofden in die greppels. Onder hen waren ook de vijand Gods Huyayy ibn Akhtab en Ka‘b ibn Asad, de hoofdman van de stam. In totaal waren het zes- of zevenhonderd man, of volgens sommigen acht- of negenhonderd. Toen ze in groepjes naar de Profeet gebracht werden vroegen ze aan hun hoofdman: ‘Ka‘b, wat denk je dat ze met ons gaan doen?’ Hij antwoordde: ‘Zullen jullie het dan nooit begrijpen? Zien jullie niet dat er telkens anderen worden opgeroepen en dat degenen die zijn weggehaald niet meer terugkomen? Wee, wee, dit is de dood!’ Zo ging het door, tot de Profeet hen allemaal had gehad.
Huyayy ibn Akhtab, de vijand Gods, droeg toen hij werd weggehaald een kleurig gewaad waarin hij overal gaten had gemaakt ter grootte van een vingertop, om te zorgen dat het geen waarde zou hebben als roofgoed. Zijn handen waren met een touw aan zijn nek gebonden. Zodra hij de Profeet zag zei hij: ‘Bij God, dat ik jou heb bestreden verwijt ik mij zelf niet, maar wie God in de steek laat, die wordt zelf in de steek gelaten.’ Toen richtte hij zich tot de omstanders en zei: ‘Gods raad is juist: een Boek, een Besluit en een slachtpartij, dat is door God beschikt tegen de kinderen van Isra’iel!’ Toen ging hij zitten en werd hij onthoofd.
Muhammad ibn Dja‘far ibn Zubayr heeft gehoord van ‘Urwa, die het had van Aisja: Van hun vrouwen werd er maar één gedood. Ze was juist bij mij; we praatten wat en zij zat te schudden van het lachen, terwijl de Profeet bezig was de mannen van haar stam te doden op de markt. Ineens werd haar naam afgeroepen.
–– ‘Lieve hemel!’ riep ik, ‘wat is dat?’
–– ‘Ik moet ook gedood worden.’
–– ‘Maar waarom?
–– ‘Om iets dat ik gedaan heb.’
Toen werd ze weggehaald en onthoofd. Aisja zei daarover nog: ‘Nee werkelijk, ik zal nooit vergeten hoe vreemd ik het vond dat ze zo vrolijk was en zo hard lachte, hoewel ze al die tijd wist dat ze gedood zou worden.’
Al-Zuhri heeft mij verteld: Thābit ibn Qays was naar Abū ‘Abd al-Rahmān Zabīr ibn Bāyā toegelopen, een man uit Qurayza die ooit zijn leven had gespaard. Een van Zabīr szonen heeft mij verteld dat het op de dag van Bu‘āth was geweest, toen hij hem gevangen had genomen, maar hem weer had laten lopen, na alleen zijn voorhoofdslok te hebben afgesneden. Thābit, die nu een heel oude man was, was naar hem toe gekomen en had gezegd:
–– ‘Abū ‘Abd al-Rahmān, ken je me nog?’
–– ‘Zou een man als ik een man als jij niet meer kennen?’
–– ‘Ik wil je belonen voor wat je voor me gedaan hebt.’
–– ‘Een nobel man vergeldt zijn gelijke.’
Thābit ging naar de Profeet en vertelde hem dat Zabīr eens zijn leven had gespaard en dat hij hem daarvoor nu wilde belonen. De Profeet zei hem dat zijn leven gespaard zou worden. Toen hij dat aan Zabīr kwam zeggen zei deze: ‘Een oude man zonder familie en kinderen, wat heeft die aan zijn leven?’ Thābit ging weer naar de Profeet, die hem beloofde ook zijn vrouw en zijn zoon in leven te laten. Toen vroeg Zabīr: ‘Hoe kan een gezin in de Hidjāz leven zonder bezit?’ Thābit ging weer naar de Profeet en kreeg de toezegging dat hij zijn bezit mocht houden. Toen vroeg Zabīr:
‘Thābit, wat is er gebeurd met Ka‘b ibn Asad, wiens gezicht was als een Chinese spiegel waarin de maagden van de stam zich konden zien?’
–– ‘Dood.’
–– ‘En met Huyayy ibn Akhtab, de heer van boeren en nomaden?
–– ‘Ook dood.’
–– ‘En met ‘Azzāl ibn Samaw’al, onze voorhoede als wij aanvielen en onze achterhoede als wij vluchtten?’
–– ‘Dood.’
–– ‘En met de “twee vergaderingen”?’ (hij bedoelde de clans Ka‘b ibn Qurayza en ‘Amr ibn Qurayza.)
–– ‘Weggehaald en dood.’
–– ‘Dan vraag ik je, Thābit, omwille van de dienst die ik je heb bewezen, dat je mij verenigt met mijn stam, want ach, het leven heeft niets meer te bieden nu zij zijn heengegaan, en ik kan geen ogenblik meer wachten om mijn dierbaren te ontmoeten.’ Daarop liep Thābit op hem toe en sloeg zijn hoofd af.
Toen Abū Bakr vernam dat hij gezegd had: ‘om mijn dierbaren te ontmoeten,’ zei hij: ‘Ja, in de hel zal hij ze ontmoeten, voor altijd en eeuwig.’
Shu‘ba ibn Haddjādj brengt mij via ‘Abd al-Malik de woorden over van ‘Atīya de Qurayziet: De Profeet had bevolen dat alle volwassenen van Qurayza ter dood gebracht moesten worden. Ik was een jonge jongen; ze vonden dat ik nog niet volwassen was en daarom lieten ze mij lopen.
Ayyūb ibn ‘Abd al-Rahmān vertelt dat Salma bint Qays (zij was een tante van moederskant van de Profeet en had met hem het gebed verricht naar allebei de gebedsrichtingen en de Vrouweneed afgelegd) hem vroeg om het leven te sparen van Rifā‘a ibn Samaw’al de Qurayziet, die een volwassen man was en toevlucht bij haar had gezocht omdat hij hen daarvoor al kende. Ze zei: ‘Mijn beste Profeet, geef mij Rifā‘a, want hij beweert dat hij voortaan het gebed zal verrichten en kamelenvlees zal eten.’ De Profeet stemde toe en zo spaarde zij zijn leven.
.
Die dag verdeelde de Profeet de eigendommen, de vrouwen en de zonen van de stam Qurayza onder de moslims, en hij maakte de verdeling bekend van de paarden en de mannen en hield een vijfde deel achter. Een ruiter kreeg drie delen, twee voor het paard en één voor de berijder, en een man zonder paard kreeg één deel. Op de dag van Qurayza waren er zesendertig paarden. Het was de eerste buit waarover het lot werd geworpen en waarvan een vijfde deel werd achtergehouden. Zoals de Profeet het verdeeld had, zo ging het voortaan altijd; het werd het gebruik bij veldtochten.
Sa‘d ibn Zayd al-Ansārī werd door de Profeet met krijgsgevangenen van Qurayza naar de Nadjd gestuurd om ze te verkopen voor paarden en wapens.
Voor zichzelf had de Profeet een van hun vrouwen uitgezocht, Rayhāna bint ‘Amr ibn Khunāfa, een vrouw uit de clan ‘Amr ibn Qurayza. Zij is altijd slavin gebleven , tot de dood van de Profeet. Deze had namelijk voorgesteld te trouwen en haar de afzondering op te leggen, maar zij had gezegd: ‘Nee Profeet, laat mij maar slavin blijven, dat is makkelijker voor ons allebei,’ en daar was het bij gebleven. Toen hij haar gevangennam, had zij zich verzet tegen de islam en wilde zij beslist joods blijven. Daarom schonk de Profeet haar geen aandacht meer, maar dat ging hem wel aan het hart. Kort daarna was hij eens bij zijn vrienden en ineens hoorde hij voetstappen achter zich. Toen zei hij: ‘Dat is Tha‘laba ibn Sa‘ya, die komt vertellen dat Rayhāna de islam heeft aangenomen.’ Zo was het inderdaad, en hij was daar heel blij om.
.
Toen de kwestie van de stam Qurayza was afgedaan ging de wond van Sa‘d ibn Mu‘ādh weer open, en hij stierf daaraan als martelaar.
Mu‘ādh ibn Rifā‘a al-Zuraqī heeft mij verteld: Een willekeurig persoon uit mijn stam deelt mee dat de Profeet op het ogenblik dat Sa‘d werd weggenomen, in het holst van de nacht, werd bezocht door Djibrīl, die een tulband van zijdebrokaat droeg en sprak: ‘Mohammed, wie is deze dode, voor wie de poorten des hemels geopend zijn, en voor wie de Troon in beroering is?’ De Profeet stond ijlings op om naar Sa‘d te gaan; zijn kleed sleepte achter hem aan, maar hij bevond dat hij reeds was gestorven.
Een onverdacht persoon vertelde mij op gezag van Hasan al-Basrī: Sa‘d was een gezette man geweest, maar toen de mensen hem ten grave droegen vonden ze hem licht. Enkele Halfhartigen zeiden: ‘Het was zo’n dikke man, en toch hebben we nog nooit zo’n lichte begrafenis gehad.’ Toen de Profeet dat hoorde zei hij: ‘Maar hij had nog andere dragers dan jullie! Bij Hem die Mohammeds leven in Zijn hand heeft: de engelen hebben zich verheugd om de ziel van Sa‘d en de Troon is om hem in beroering geweest.’
Mu‘ādh ibn Rifā‘a heeft gehoord van Mahmūd ibn ‘Abd al-Rahmān, en deze van Djābir ibn ‘Abdallāh: Toen Sa‘d werd begraven zei de Profeet in ons bijzijn: ‘God zij geprezen!’ en iedereen zei hem dat na. Toen zei hij: ‘God is groot!’ en ook dat zei iedereen hem na. Op hun vraag waarom hij dat gezegd had, antwoordde hij: ‘Het graf heeft deze goede mens omkneld, tot God hem ervan verlost heeft.’

Commentaar:
Volgens de overlevering bij Ibn Ishaq was er een gegronde reden voor de uitroeiing van de laatste grote joodse stam die nog in of bij Medina verbleef. Voor en tijdens de belegering van de stad hadden zij met de vijand geheuld en hun verdrag met de Profeet geschonden.
Na de uitroeiing werden de landerijen en bezittingen van Qurayza verdeeld onder de moslims, met uitsluiting van de Halfhartigen (munāfiqūn) die niet enthousiast deelnamen aan Mohammeds veldslagen.
.
Opvallend is, dat de overlevering zijn best doet, de profeet op afstand te houden van deze uitroeiing van ruim duizend personen.  Niet Mohammed, maar de engel Djibrīl (Gabriël) neemt het initiatief tot de doding. Het vonnis werd gewezen door Sa‘d ibn Mu’ādh, de leider van de stam Aws. Evenals ‘Abdallāh ibn Ubayy was hij reeds voor Mohammeds komst een vooraanstaand man in Medina geweest, maar hij was jegens de profeet altijd loyaal geweest. Langzaam stervend aan zijn verwonding van een vorige veldslag heeft Sa‘d Mohammed nog de dienst bewezen door Qurayza te vonnissen. Dat Sa‘d al ten dode was opgeschreven zal zeer gelegen zijn gekomen. De overlevering is hem dankbaar en prijst hem vrijwel letterlijk de hemel in. Voor wie hier geschiedschrijving wil ontdekken: Had Mohammed het zelf gedaan, dan had hij misschien de Helpers uit de stam Aws tegen zich gekregen, want die bleken nog te hechten aan hun pact met Qurayza. Aangezien de Halfhartige ‘Abdallāh ibn Ubayy eertijds met succes was opgekomen voor zijn bondgenoten de Qaynuqā‘, had Mohammed het verzoek van de loyale Aws moeilijk kunnen afwijzen.
.
Verder valt op dat uit de teksten enige reserve blijkt ten opzichte van de slachtpartij zelf. De overlevering, elders toch nooit sentimenteel over afgeslachte vijanden, lijkt bijna begaan te zijn met het lot van Qurayza.
.
De tekst van Ibn Ishaq, waaruit hier een keuze volgt, wordt gevolgd door nog meer koranuitleg bij koran 33:26vv., die met deze episode in verband wordt gebracht, door poëzie en door lijsten van ‘martelaren’ e.a.

NOOT
1. Vgl. koran 2:65

=========================

BIBLIOGRAFIE:
– Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 684–700; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 165–74.
– Marco Schöller, Exegetisches Denken und Prophetenbiographie: eine quellenkritische Analyse der Sīra-Überlieferung zu Muḥammads Konflikt mit den Juden, Wiesbaden 2008, vooral blz. 277–282(–312).

MEER LEZEN:
– Inleiding: Mohammed en de Joden
De overige standaard-verhalen van Ibn Ishaq over de joden in vertaling:
De zaak met de Joodse stam Qaynuqa‘
De verdrijving van de Joodse stam Nadir

Diacritische tekens: Qurayẓa, Diḥya, al-Ṣawrayn, Ḥuyayy ibn Akhṭab, Qusayṭ, Muḥammad, ʿAbd al-Raḥmān, Ḥadjdjādj, ʿAṭīya, al-Anṣārī, Rayḥāna, al-Ḥasan al-Baṣrī, Ibn Isḥāq

Terug naar Inhoud

Abd al-Malik als stichter van de islam

🇩🇪 Aan het begin van de islam staan de profeet Mohammed en de koran. Maar wat was dat voor een islam? De koran werd pas in de loop van de zevende eeuw tot een boek en stond als zodanig maar weinig mensen ter beschikking. De soenna (=handelwijze, overgeleverde norm) van de profeet werd pas later uitgewerkt; in de zevende eeuw was de belangrijkste soenna die van de kaliefen. De sharia bestond ook nog niet. Waren er al moslims? Zelf noemden zij zich in het begin ‘de gelovigen’, en het woord islam was ook nog niet gangbaar als aanduiding van de godsdienst.
De islam was nog niet uitgekristalliseerd; hij moest nog worden vormgegeven en daartoe heeft de Umayyadische kalief ‘Abd al-Malik (reg. 685–705) veel bijgedragen. Zo veel zelfs, dat hij als stichter of tweede stichter van de islam kan worden opgevat.

  • Een Umayyade als stichter van de islam? Menig moslim zal dat boos ontkennen: de Umayyaden waren immers moordenaars, zuipers, usurpators en nog veel meer! Kan zijn, maar ‘Abd al-Malik heeft een islam gesticht en die aan de openbaarheid gepresenteerd. Dat zijn islam afwijkt van het islamontwerp van latere schriftgeleerden, daar kon hij niets aan doen.

Toen ‘Abd al-Malik als kalief aantrad had hij met vele vijanden te kampen. Hij had van zijn vader weliswaar een reusachtig rijk geërfd, dat heel Perzië en de helft van het Oostromeinse rijk omvatte, maar dat rijk was er beroerd aan toe. Het oostelijk deel wilde niet vanuit de hoofdstad Damascus geregeerd worden, Sjiïeten en Kharidjieten rebelleerden en in zijn eerste regeringsjaren moest hij nog met een ander kalifaat afrekenen: dat van ‘Abdallāh ibn al-Zubayr (reg. 680–992). Die resideerde in Mekka; zijn broer Mus‘ab heerste als stadhouder over grote delen van Irak en Iran, terwijl de Umayyaden soms niet veel meer over hadden dan Damascus en Syrië. ‘Abdallāh en zijn broer klein te krijgen lukte ‘Abd al-Malik in 692: beiden werden gedood, de burgeroorlog was voorbij. De kalief moet geschrokken zijn van de kloof die er gaapte tussen Syrië en het Arabische schiereiland, waar de gewoontes van de profeet en de vroegste gelovigen in ere werden gehouden. Nu kwam het erop aan, de eenheid te herstellen.

Geschiedsschrijving
De herenigde staat had behoefte aan een algemeen aanvaarde ideologie en stichtingsmythe, waarin Mekka en Medina een hoofdrol zouden spelen. Nu kwam ‘Urwa ibn al-Zubair (643–712) goed van pas. Nadat ‘Abd al-Malik diens broers ‘Abdallāh en Mus‘ab had laten doden spoedde de veel jongere ‘Urwa zich naar Damascus om zijn huid te redden door trouw te zweren aan de winnende kalief. Dat was een gewaagde stap, maar hij had succes. De kalief, die reeds om strategische redenen offciële rouw had afgekondigd voor Mus‘ab, zag af van de terechtstelling van ‘Urwa en besloot hem liever te gebruiken. ‘Urwa was de intellectueel van de familie, die nooit militair actief was geweest, maar zich in Medina in alle rust had gewijd aan de studie van de hadith, het recht en de profetenbiografie. De kalief liet hem terugkeren naar Medina en verzocht hem, de ware geschiedenis van de islam voor hem op te schrijven. Dat deed ‘Urwa: hij schreef een hele reeks ‘brieven’ (rasā’il) aan de kalief en later nog aan diens zoon al-Walīd. Deze teksten zijn van groot belang, want zij bevatten de kern van de profetenbiografie en van de vroegste geschiedenis van de beweging die sinds ‘Abd al-Malik ‘Islam’ heet. Latere auteurs grijpen vrijwel allemaal op ‘Urwa’s teksten terug. Die zijn beknopt, want fantastische verhalen stelde ‘Abd al-Malik niet op prijs. Later werden ze aangedikt en verrijkt.
‘Urwa was niet alleen de zoon van de vooraanstaande profetengezel al-Zubayr, maar ook van Asmā’, de dochter van de eerste kalief Abū Bakr. Diens jongere dochter Aisja was de weduwe van de profeet en ‘Urwa’s tante. Zo stamde hij van vaders- en van moederskant van de ‘vroege elite’ . Zijn geschriften ademen Arabië en zijn uitgesproken pro-Abū Bakr en diens familie. De vroegste islam, met zijn oriëntering (qibla) op Jeruzalem, was misschien toch een overwegend syrisch-palestijnse aangelegenheid geweest. De Rotskoepel was eindpunt en hoogtepunt van die ‘syrische islam’. Door ‘Urwa’s werk kregen de Arabische erfenis en de ‘vroege elite’ een ereplaats in de offciële leer. Mekka, de Ka‘ba en Medina werden nu belangrijker dan ooit; het Arabische schiereiland speelde voortaan weer volledig mee en zo werd potentiële rebellen, althans op het schiereiland, de wind uit de zeilen genomen.

De Rotskoepel
Toen de burgeroorlog nog woedde liet ‘Abd al-Malik op de voormalige tempelberg in Jerusalem de Rotskoepel bouwen, die in 692 gereed kwam. In het midden daarvan bevindt zich een groot rotsblok, waaromheen de pelgrims hun ronden konden draaien, net als in Mekka. Daarbij zagen ze inscripties, waarin enkele duidelijke uitspraken de triomf van de islam verkondigden, zoals bij voorbeeld: ‘De godsdienst bij God is islam’ (koran 3:19).
Waarom liet de kalief die Rotskoepel bouwen? Het ligt voor de hand het gebouw te interpreteren als een statement aan de christenen. Christenen vormden immers de overgrote meerderheid in het Westen van het rijk, en voor hen was Jeruzalem met zijn Grafkerk een plaats van uitnemend belang. In de kerk werd het Heilige Kruis bewaard, dat keizer Heraclius er pas in 630 had teruggebracht nadat het door de Perzen geroofd geweest was. De Rotskoepel was een vrijstaand nieuw gebouw, uitdagend door zijn ligging en zijn schoonheid, en door de inscripties erop en erin. Uit één daarvan wordt duidelijk wat over Jezus te denken is:

  • Christus Jezus, de zoon van Maria, is [slechts] Gods gezant en zijn Woord, dat Hij richtte tot Maria, en een geest van Hem. Gelooft dan in God en Zijn gezanten en zegt niet: ‘Drie’! Houdt daarmee op, dat is beter voor jullie. God is [slechts] één God, geprezen zij Hij! Dat hij een kind zou hebben! (koran 4:171)

Aan eeuwen van christelijk gehakketak over de natuur van Christus werd door deze en andere koranteksten een eind gemaakt. Ook Mohammed, dienaar en gezant van God, wordt in de inscripties vermeld; dat was tevoren in de openbaarheid nauwelijks ooit gedaan.
Met dit afscheid van het christendom werd de islam geboren, de Arabische islam. Geleidelijk verdween steeds meer joods en christelijk materiaal (isrā’īlīyāt) uit de verhalen en de genealogieën; er vond een duidelijke ‘ontbijbeling’ plaats. 

‘Abd al-Malik had grote verdiensten voor het rijk. Hij heeft de eenheid hersteld, binnenlandse vijanden klein gehouden en de keizer in Constantinopel zijn plaats gewezen. Hij heeft het bestuur en het belastingstelsel herzien en een monetaire hervorming uitgevoerd, waarbij hij uitstapte uit de Romeinse solidus, de Euro van die tijd. Arabisch maakte hij tot de officiële rijkstaal. Dat waren allemaal belangrijke prestaties, maar van blijvender invloed waren zijn benadrukking van een islamitische identiteit en zijn initiatief tot een islamitische geschiedsschrijving.

BIBLIOGRAFIE
– A. Görke und G. Schoeler, Die ältesten Berichte über das Leben Muḥammads. Das Korpus ‘Urwa ibn az-Zubair, Princeton 2008. (‘Urwa’s ‘brieven’ gebundeld in het Duitse vertaling en geanalyseerd.)
– Chase Robinson, Abd al-Malik, Oxford 2005.

Diakritische Zeichen: ‘Abd al-Malik, Muṣʿab, ʿAbdallāh, ʿUrwa, ʿĀisha

Zurück zum Inhalt