Een Arabische slavenhandelaar beschaamd

Of: Wie is de ware moslim?

Slavenhandelaar was altijd een minderwaardig beroep en op slavernij was altijd kritiek; dat was bij de Arabieren van duizend jaar geleden niet anders dan bij ons. Soms beseften slavenhandelaren zelf misschien ook even dat ze fout zaten. Het hieronder vertaalde Arabische fictieverhaal stamt van een anonieme verteller uit de tiende eeuw, die het in de mond legde van een slavenhandelaar die zwarten veracht, goed met kwaad vergeldt en op beschamende wijze met zijn onislamitische gedrag wordt geconfronteerd. Een minderwaardig geachte zwarte gedraagt zich daarentegen superieur, ook al voordat hij moslim is. Hij had de ‘westerse waarden’ van toen heel wat beter begrepen dan zijn beschaafdere kwelgeesten.
.
Het verhaal stamt uit het boek De Wonderen van Indië, uit de tweede helft van de tiende eeuw, waarin veel anekdotes en verhalen zijn samengebracht van zeelui. Eeuwen voor de VOC waren het immers de Arabieren en Perzen die op ‘Indië’ voeren— dat is India, China en al wat daartussen ligt.

De auteur van het boek zou een zekere al-Rāmhurmuzī zijn, maar inmiddels heeft men ontdekt dat deze auteur misschien niet eens heeft bestaan, en dat de meer waarschijnlijke auteur, of althans verzamelaar van dit soort verhalen, een zekere Abū ‘Imrān Mūsā ibn Rabāḥ al-Awsī al-Sīrāfī was, die ondanks zijn achternaam uit Egypte zou stammen.1

Hoewel het verhaal in geen velden of wegen ‘echt gebeurd’ is, bevat het toch wat reminiscenties aan bestaande zaken en toestanden: de hachelijkheid van de zeevaart, het racisme, de slavenhandel, de verbreiding van de islam in Oost-Afrika.

VERTALING
Ismā‘īlawayh heeft mij verteld, en verschillende zeelui evenzo, dat hij in het jaar 310 [= 923 AD] op zijn schip naar Oman vertrok met als eindbestemming Qanbala. Maar er stak een storm op die het schip naar Sufāla joeg, in het land van de Zandj. Toen ik de situatie bezag, aldus de kapitein, begreep ik dat wij in het land van de negers2 waren beland, die menseneters zijn. Toen wij bleven steken op die plek, wisten we zeker dat we de dood zouden vinden: wij deden de rituele wassing, wendden ons berouwvol tot God en verrichtten voor elkaar het doodsgebed. Hun prauwen omringden ons en leidden ons de haven in, waar wij de ankers uitwierpen en aan land gingen. Ze brachten ons bij hun koning. Dat was een goed gebouwde, jonge man met een knap gezicht, voor een neger dan, die ons vroeg hoe we het maakten en waar wij heen wilden.
– ‘Naar uw land,’ zeiden we.
– ‘Jullie liegen,’ zei hij; ‘jullie wilden naar Qanbala, niet naar ons, maar de wind heeft jullie naar ons land gedreven.’
– ‘Dat is waar,’ antwoordden wij, ‘wij zeiden dat alleen maar om bij U in het gevlei te komen.’ Daarop zei de koning:
– ‘Ontscheep jullie goederen en drijf handel; jullie hebben niets te vrezen.’
Wij losten onze spullen en dreven handel, prachtige handel, zonder belastingen of belemmeringen. We gaven hem wel wat geschenken, maar kregen gelijkwaardige geschenken terug en zelfs meer dan dat. We verbleven enkele maanden in zijn land, en toen het tijd werd om te vertrekken vroegen we hem toestemming en die kregen we. De koopwaar brachten we aan boord en we rondden onze zaken af.
Toen we op het punt stonden te vertrekken meldden we dat. De koning kwam met ons mee naar het strand, met nog een aantal mannen en dienaren, ze stapten in de prauwen en voeren met ons naar het schip. Hij en zeven van zijn voornaamste dienaren kwamen zelfs mee aan boord. Toen zij aan boord waren dacht ik bij mezelf: ‘Die koning brengt op de markt in Oman dertig dinar op, die zeven anderen honderdzestig, en hun kleding doet wel twintig dinar. Dat levert ons tenminste drieduizend dirham per maand op, zonder dat we enig risico lopen.’ Ik riep dus tegen de matrozen dat ze de zeilen moesten hijsen en de ankers moesten lichten, terwijl de koning nog doende was vaarwel te zeggen en ons te vragen nog eens bij hem terug te komen; dan zouden we weer zo goed worden ontvangen. Toen hij zag dat de zeilen gehesen waren en wij al voeren, veranderde zijn gelaatsuitdrukking en hij zei:
– ‘Dus jullie vertrekken nu; dan neem ik afscheid.’
Hij wilde aan boord gaan van een van de prauwen, maar wij hadden de touwen daarvan doorgesneden en zeiden tegen hem:
– ‘U blijft bij ons, we brengen U naar ons land en wij belonen U voor de goede behandeling en betalen U terug wat U ons hebt gedaan.’
– ‘Mannen,’ zei hij, ‘toen jullie bij mij strandden had ik het voor het zeggen. Mijn mensen wilden jullie opeten en jullie bezittingen afpakken zoals ze dat met anderen al eerder hadden gedaan. Maar ik was goed voor jullie en heb niets van jullie afgepakt. Ik ben met jullie mee aan boord gekomen om afscheid te nemen, als teken van mijn respect. Geef mij nu waar ik recht op heb en breng mij terug naar mijn land.’
Maar wij besteedden geen aandacht aan zijn woorden en negeerden hem volkomen. De wind werd sterker, na een uur was de kust niet meer te zien, en ’s nachts geraakten wij in volle zee. De volgende ochtend waren de koning en zijn mannen bij de andere slaven gevoegd, dat waren zo’n tweehonderd stuks, en wij behandelden hem net als de andere slaven. De koning zei niets en deed zijn mond niet meer open; het was alsof we elkaar helemaal niet kenden. Toen we in Oman aankwamen verkochten we hem en zijn mannen met de hele partij slaven.
.
Welnu, enkele jaren later zetten wij koers van Oman naar Qanbala, maar werden wederom door de wind naar Sofala in het land van de Zandj gedreven, en ongelogen: we kwamen op precies dezelfde plek terecht. Ze voeren uit en zagen ons, de prauwen omringden ons, zoals we het al kenden van de vorige keer. We wisten nu werkelijk dat we om zouden komen en niemand van ons praatte met zijn maat, zo bang waren we. Wij deden de rituele wassing, verrichtten het doodsgebed en namen afscheid van elkaar. De negers namen ons gevangen en brachten ons in het paleis van de koning. Maar wie schetst onze verbazing toen we daar precies dezelfde koning op de troon zagen zitten, alsof we hem zoëven hadden verlaten. Toen wij hem zagen vielen wij ter aarde, onze krachten begaven het en we waren niet meer bij machte op te staan.
– ‘Ha, jullie zijn het, mijn vrienden,’ zei hij, ‘geen twijfel mogelijk!’
Niemand van ons kon een woord uitbrengen, we beefden over ons hele lijf.
– ‘Hef jullie hoofd op, zei hij, ‘ik garandeer jullie bescherming voor lijf en goed.
Sommigen deden dat; anderen konden het niet eens, zo zwak en beschaamd waren ze. Hij sprak ons vriendelijk toe, totdat allen hun hoofd hadden opgeheven, maar we durfden hem niet aan te kijken uit vrees en uit schaamte. Toen we allemaal weer tot onszelf gekomen waren door zijn garantie, zei hij:
– ‘Verraders! Ik had jullie zo goed behandeld en zo hebben jullie mij terugbetaald!’
– ‘Genade, Majesteit, vergeef het ons!’
– ‘Ik vergeef jullie, en drijf nu maar handel zoals jullie dat de vorige keer gedaan hebben, daar is geen bezwaar tegen.’
Wij konden onze oren niet geloven van blijdschap. Ofschoon we dachten, dat het misschien een listige manier was om onze handelswaar aan land te krijgen, losten we en boden hem een kostbaar geschenk aan. Maar hij gaf het terug en zei:
– ‘Jullie zijn niet waard dat ik een geschenk van jullie aanneem. Ik wil mijn bezit niet verontreinigen met iets wat ik van jullie aanneem; al jullie goederen zijn onrein.’
Wij dreven dus handel, en toen het tijd was om weer te vertrekken vroegen wij hem toestemming om te gaan, en die gaf hij ons. Toen wij op het punt stonden te vertrekken meldde ik hem dat en hij wenste ons een goede vaart en Gods bescherming toe. Ik vroeg hem:
– ‘Majesteit, U hebt ons bovenmate goed behandeld, hoewel wij U hadden verraden en onrecht hadden aangedaan. Maar hoe hebt U zich kunnen bevrijden en terugkeren naar uw rijk?’ Hij vertelde:
.
– ‘Toen jullie mij in Oman verkocht hadden, nam degene die me kocht me mee naar een plaats genaamd Basra (en hij beschreef het). Daar heb ik leren bidden en vasten, en iets van de koran. Toen verkocht mijn meester mij aan iemand anders, die mij meenam naar de stad van de koning der Arabieren, die Baghdad heet (en hij beschreef het). In die stad leerde ik correct Arabisch spreken, ik bestudeerde de koran en bad met de andere mensen in de moskeeën en ik zag de kalief, die al-Muqtadir [reg. 908–932] heet. Ik bleef iets meer dan een jaar in Baghdad, tot daar een groep mensen uit Khorasān op kamelen aankwam. Het was een grote groep en ik vroeg waarom zij gekomen waren.
– ‘Ze gaan naar Mekka,’ kreeg ik ten antwoord.
– ‘Dat Mekka, wat is dat?’ vroeg ik.
– ‘Daar staat het gewijde Huis Gods, waarheen ze een bedevaart maken,’ en ze vertelden mij over dat Huis. Ik bedacht, dat ik met hen kon meereizen naar dat Huis, en ik sprak met mijn meester over wat ik gehoord had, maar ik merkte dat hij zelf niet wilde gaan en ook mij niet wilde laten gaan. Daarom deed ik alsof ik er niet meer aan dacht, tot het moment gekomen was dat die mensen vertrokken, toen voegde ik mij bij hen en werkte als hun dienaar, de hele weg lang. Ik at met hen mee en ze gaven me ook de twee kledingstukken die je moet dragen in gewijde staat; vervolgens onderwezen ze me over de plichten tijdens de bedevaart, en zo maakte God het gemakkelijk voor me om die te volbrengen.
Toen durfde ik niet meer terug naar Baghdad, uit vrees dat mijn meester mij te pakken zou krijgen en zou doden. Daarom zocht ik aansluiting bij een andere karavaan, die naar Cairo ging. Ik bood mijn diensten aan, ze namen me mee en deelden hun voedsel met mij. In Cairo aangekomen zag ik de prachtige rivier die men Nijl noemt, en ik vroeg waar die vandaan kwam. Ik kreeg te horen, dat hij zijn bron had in het land van de Zandj en het land binnenkwam bij een stadje genaamd Aswān, aan de grens met het land van de zwarten.
Ik volgde dus de oever van de Nijl, ging van de ene stad naar de andere bedelend om aalmoezen en die kreeg ik; dat werd mijn gewoonte. Toen stuitte ik op zwarten die me niet mochten en me in de boeien sloegen en mij als dienaar lasten lieten dragen die ik niet dragen kon. Ik sloeg op de vlucht en geraakte bij andere mensen die mij gevangen namen en verkochten. Ik vluchtte weer, en zo ging het verder tot ik Egypte uit was en in de stad zus-en zo terecht kwam, aan de rand van het land van de Zandj. Daar maakte ik me onherkenbaar en hield me gedekt. Al die tijd dat ik uit Egypte weg was en allerlei verschrikkingen ervoer was ik niet zo bang geweest als toen ik dicht bij mijn eigen land kwam. Ik dacht: In mijn land zit nu een opvolger van mij op de troon, aan wie het leger gehoorzaamt. Het koningschap aan hem ontworstelen zal zeer moeilijk zijn. Of ik mijzelf nu bekend maak of dat iemand me herkent, ik zal bij hem gebracht worden en hij zal me doden. Of een van zijn raadslieden zal zo brutaal zijn en zelf mijn hoofd afhakken om daarmee zijn gunst te zoeken.
Ten prooi aan hevige angst verborg ik mij overdag en bewoog me alleen ’s nachts in de richting van mijn land, tot ik bij de zee kwam, waar ik anoniem aan boord van een schip ging naar de plaats zus-en-zo, en daarna weer verder naar een volgende plaats. Op een avond werd ik aan land gezet op de kust van mijn land. Een oude vrouw vroeg ik om inlichtingen:
– ‘Is de koning die hier regeert rechtvaardig?’
– ‘Mijn zoon,’ zei ze, ‘wij hebben geen andere koning dan God.’ En zij vertelde mij het verhaal van de ontvoerde koning, terwijl ik verbazing veinsde, alsof ik niet wist dat het over mijzelf ging. Ze zei:
– ‘De mensen in dit koninkrijk zijn het erover eens dat zij niemand na hem koning zullen maken tot zij weten wat er met hem gebeurd is en niet langer geloven dat hij in leven is. Want zij hebben berichten van waarzeggers gehoord dat hij nog leeft, en gezond en wel in het land van de Arabieren is.’
De volgende ochtend ging ik mijn stad binnen en betrad mijn paleis, waar ik mijn familieleden terugvond zoals ik die had achtergelaten, behalve dat zij diep bedroefd waren. Ik vertelde mijn mensen het hele verhaal. Zij waren verbaasd en waren blij en gingen over tot de islam zoals ik dat had gedaan, en ik aanvaardde opnieuw mijn koningschap. Dat was een maand voordat jullie kwamen. En vandaag ben ik blij met wat God mij en mijn mensen heeft vergund: de islam, geloof, kennis, het gebed, de vasten en de bedevaart, en kennis van wat halāl is en harām. Ik heb gekregen wat niemand in het land van de Zandj ooit tevoren had gekregen, en ik vergeef jullie omdat jullie de oorzaak zijn van mijn overgang tot de ware godsdienst. Maar er is nog één punt waarop ik God vraag van schuld verlost te worden.’
– ‘Wat dan, Majesteit?’
– ‘Dat ik mijn meester in Baghdad zonder zijn instemming heb verlaten om op pelgrimstocht te gaan, en dat ik niet bij hem teruggekomen ben. Als ik een betrouwbaar man zou ontmoeten zou ik hem de geldswaarde voor mij meegeven en hem verlichting van mijn straf vragen. Ja, als er zo iemand onder jullie was zou ik hem het geld meegeven, en zelfs tienmaal de prijs, ter vergoeding van zijn geduld, maar jullie zijn verraders en schurken.’
Toen wij van hem afscheid namen zei hij nog:
– ‘Gaat heen, en als jullie terugkomen zal ik jullie net zo behandelen en zelfs nog beter. En laat de moslims weten dat ze bij ons terecht kunnen, want wij zijn hun broeders geworden, moslims zoals zij. Maar jullie uitgeleide doen naar het schip, daar zie ik nu maar van af.’
Toen namen wij afscheid en voeren weg.

NOTEN
1. Buzurg ibn Shahriyār al-Nākhudhā al-Rāmhurmuzī, Kitāb ‘Adjāʾib al-Hind, Livre des merveilles de l’Inde, texte arabe publié … par P. A. van der Lith, traduction française par L. Marcel Devic, Leiden 1883–86. De vertaling, de titel en de ondertitel zijn van mij. Over de auteur: Jean-Charles Ducène, ‘Une nouvelle source arabe sur l’océan Indien au Xe siècle,’ Afriques 06, 2015 (online hier).
2. Zo vertaal ik op sommige plaatsen het Arabische woord zandj, dat vaak net zo’n negatieve klank heeft als ons woord ‘neger’. Zandj verwijst naar de zwarte bevolking van Oost-Afrika, maar is niet altijd een eigennaam. Het woord sūdān vertaal ik met ‘zwarten’, dat eerder verwijst naar de inwoners van Sudan.

Terug naar Inhoud

Dhu al-Suwayqatayn: een aanvulling

Aan het einde der tijden komt een raar mannetje uit Ethiopië de Ka‘ba vernietigen. Zijn naam is Dhū al-Suwayqatayn, hij heeft rode beentjes, een dikke buik en dreigend flikkerende ogen. Zeven jaar geleden schreef ik hier over deze figuur en verbaasde mij over zijn uiterlijk. Waar hebben de vertellers dat vandaan?
Enige duidelijkheid bracht mij nu de lectuur van Manfred Ullmann, Der Neger in der Bildersprache der arabischen Dichter, Wiesbaden 1998. Ullmann heeft honderden Oudarabische verzen verzameld waarin een ding, een dier of een mens met een Ethiopiër of een andere zwarte mens wordt vergeleken. In 23 poëziefragmenten wordt een struisvogel met een Ethiopiër of een Indiër vergeleken (blz. 30–44). Het tertium comparationis is meestal het zwarte van de huid, resp. de vleugels en de dekveren, maar het kunnen ook de benen/poten zijn.
Ullmann citeert op blz. 30 een fragment van de pre-islamitische dichter Ṣalā’a ibn ‘Amr, ook genaamd al-Afwah al-Awdī (gest. 570?). In vertaling luidt het:

  • ‘Een [struisvogelmannetje] met roodgekleurde poten1 … Hij lijkt op een zwarte Ethiopiër met dunne benen, die achterna wordt gelopen door zwarte, onverstaanbaar brabbelende [kinderen] met ringen in hun oren.’ 2

De hadith van Hudhayfa ibn al-Yamān:

  • ‘Het is alsof ik een Ethiopiër voor me zie met rode benen en dreigend flikkerende ogen, met een platte neus en een dikke buik. Hij heeft zijn voeten parallel op de Ka‘ba gezet; hij en een stel kompanen van hem slopen haar steen voor steen en geven elkaar de stenen door, die zij tenslotte in zee gooien.’ 3

wordt na lezing van dat vers een stuk begrijpelijker: de verteller wilde een Ethiopiër beschrijven, maar toen schoot hem de uit de poëzie bekende vergelijking met een struisvogel te binnen, zwart en met rode poten. Bij hem wordt niet de vogel met een Ethiopiër vergeleken, maar juist omgekeerd. 

Vroeger dacht ik dat Dhū al-Suwayqatayn ‘hij met de korte beentjes’ betekende, maar het moet toch betrekking hebben op dunne benen: zowel struisvogels als Ethiopiërs zijn bekend om hun dunne poten/benen. De ‘dikke buik’ herinnert aan het bolle, donkere lijf van de struisvogel, dat contrasteert met zijn lange, dunne poten en nek. De vervaarlijk flikkerende ogen zijn geleend van een andere eindtijdfiguur, de dadjdjāl (± Antichrist), die ze ook heeft.

Ik zal dus mijn tekst over Dhū al-Suwayqatayn moeten herschrijven; dat kan nog wat duren.

ANMERKUNGEN
1. Sommige struisvogelsoorten krijgen gedurende de balts rode poten.
2. خَاضِبٌ … كَالأسْوَدِ الحَبَشِيِّ الحَمْشِ يَتْبَعَهُ سُودٌ طَمَاطِمُ فِي آذَانِهَا
3. كما ورد في حديث حذيفة مرفوعًا، كأني أنظر الى حبشي أحمر الساقين أزرق العينين أفطس الأنف كبير البطن وقد صف قدميه على الكعبة هو وأصحاب له ينقضونه حجرًا حجرًا يتداولونها حتى يطرحوها في البحر.

Terug naar Inhoud

Allah Rahman

Over de pre-islamitische tijd kan ik nauwelijks meepraten, zo snel gaat het nieuwe onderzoek. Hoogstens kan ik af en toe iets aanstippen en aldus verwijzen naar wat er gevonden wordt.
In een mooi Twitter-‘draadje’ laat Ahmad al-Jallad een interessante inscriptie zien, geschreven in de zesde eeuw in Jemen, in het Oudzuidarabische zabur-schrift. Invloed van de ‘islam’ of het noordelijker Arabisch is er dus niet.
Al-Jallads transcriptie in het ons vertrouwde Arabische schrift luidt:

بسم له رحمن رحمن رب سموت
رزقن م فضلك وأثرن مخه شكمت ايمن

bsmlh rḥmn rḥmn rb smwt
rzq-n m-fḍl-k w ʾṯr-n mḫh škmt ’ymn
.
Over de vertaling wordt nog wat gekibbeld, maar het moet zoiets zijn:
‘In de naam van Allāh, Raḥmān, de barmhartige, de Heer der hemelen. Zegen ons met Uw gunst en verleen ons het beste daarvan: de gave van het geloof(?).’

Waarom is deze inscriptie zo belangwekkend:
1. Zij biedt een pre-islamitische variant van de formule waarmee iedere koransoera begint: بسم الله الرحمن الرحيمن , bism allāh al-raḥmān al-raḥīm, wat meestal vertaald wordt als: ‘In naam van God, de barmhartige erbarmer.’
2. Zij toont dat reeds vóór de koran de goden Allāh en Raḥmān aan elkaar gelijkgesteld werden.
De inscriptie laat dus iets zien van de omgeving waarin de islam ontstond.

Bron:

Terug naar Inhoud

Besmetting: sprak de profeet zich zelf tegen?

🇩🇪  Uit het internet woei mij een artikel aan over besmetting in de hadith van de profeet.1 Het is door twee Pakistaanse moslims geschreven en het lijkt een degelijk artikel binnen het kader van de islamitische hadithwetenschap. Aan Europese universiteiten zou het gebruikt kunnen worden om te laten zien hoe deze functioneert. Mij persoonlijk heeft het weer eens duidelijk gemaakt waarom islamitische wetenschap me zo verveelt en ik er niets mee te maken wil hebben.
.
Bestaat er besmetting? In hadithen van de profeet wordt die vraag soms met ja, soms met nee beantwoord. Had de profeet dan twee meningen over hetzelfde onderwerp, of is hij in de loop van zijn leven zo drastisch van mening veranderd?De doelstelling van de auteurs staat meteen in de korte samenvatting vooraan: Both categories of ahādīth seem contrary to each other and demand a detailed insight into this matter in order to remove the apparent contradiction between them. De schijnbare tegenstrijdigheid wegwerken, dat is het doel. Ze gaan aantonen dat de uitspraken van de profeet elkaar niet tegenspreken, en wel met behulp van de eeuwenoude hadithwetenschap. 

Hun vooronderstellingen zijn:
1. Correct overgeleverde hadithen gaan terug op de profeet. Er staan uitspraken in die hij werkelijk heeft gedaan, en de daar beschreven handelingen heeft hij werkelijk verricht. Correcte hadithen zijn dus een geschiedbron van jewelste.
2. De profeet had altijd gelijk en sprak zich zelf nooit tegen. Wel kan eventueel een latere uitspraak van hem een eerdere afschaffen. Niet dat hij zich vergist had, maar de omstandigheden veranderden, zodat soms een andere uitspraak nodig werd.
3. De eeuwenoude hadithwetenschap (bloeitijd ± 770–1500) is nog geldig, wat in de oude boeken over de overleveraars geschreven staat is meestal betrouwbaar en de methoden om vast te  stellen of een overleveringsketen (isnād) correct is, zijn onverminderd dezelfde.
4. Een vooronderstelling van de auteurs over dit specifieke onderwerp: Ja, besmetting bestaat. Ze zijn modern en levenswijs genoeg om dat in te zien en dat deden ze al voordat ze aan dit artikel begonnen.
.
Nu die besmetting. De meeste mensen hadden en hebben wel een besef dat er zoiets bestaat, en er zijn hadithen waarin daarvan wordt uitgaan. Maar er is ook de uitspraak van de profeet: lā ‘adwā, ‘Er is geen besmetting,’ en er is een verslag over de profeet die eet met een melaatse en zijn hand met hem in dezelfde schotel doopt, aldus tonend dat hij geen besmetting vreesde.  Daar moesten de auteurs, en moeten moslims in het algemeen iets op vinden, want zo’n tegenstrijdigheid is onverdraaglijk.
De auteurs hebben een aantal hadithen over het onderwerp verzameld. Ik vertaal hier hun vertalingen uit hun Engels. Mijn eigen, wat vlottere vertalingen komen op blz. 2.

  • T1: De profeet heeft gezegd: ‘Er is geen ‘adwā (geen besmettelijke ziekte wordt overgebracht zonder God’s toestemming), geen ṣafar (geen slecht voorteken de maand ṣafar) en geen hāmma (geen slecht voorteken i.v.m een uil).’ Toen stond er een bedoeïen op die vroeg: ‘Hoe is het dan met kamelen, die er in het zand zo prachtig bijstaan als herten? Als daar een schurftig dier bij komt krijgen zij ook schurft.’ Toen zei de profeet: ‘Maar wie heeft dan de eerste besmet?’3
  • T2: De profeet nam bij een maaltijd de hand van een melaatse en doopte die te samen met zijn eigen hand in de schotel. Hij zei: „Zeg: in hoop en vertrouwen op God!’ 4
  • T3: De profeet heeft gezegd: ‘Er is geen ‘adwā (geen besmettelijke ziekte die wordt overgebracht zonder God’s toestemming), geen ṣafar (geen slecht voorteken de maand ṣafar) en geen hāmma (geen slecht voorteken i.v.m een uil) en voor een melaatse moet je wegvluchten als voor een leeuw.’5 
  • T4: De profeet heeft gezegd: ‘Kijk niet voortdurend naar melaatsen!’6
  • T5: De profeet heeft gezegd: De pest is een ramp die gezonden werd over de Kinderen Israëls of over mensen die vóór jullie leefden. Als jullie horen dat in een gebied de pest heerst, ga daar dan niet heen. Maar als hij uitbreekt in een gebied waar jullie al zijn, ga er dan niet voor op de vlucht.’7 

De beide Pakistaanse auteurs geven vervolgens weer wat zij in oude commentaren en andere bronnen uit vele eeuwen over deze hadithen hebben gevonden. Zij stellen vast dat de oude geleerden twee methoden gebruiken: tardjīḥ, het tegen elkaar afwegen van hadithen, meestal op grond van de isnād; en taṭbīq of djam‘, waarvan ik niet precies weet wat het is, maar dat het meest lijkt op harmoniseren en weginterpreteren.
.
Ontkenning van besmetting
Volgen we eerst de geciteerde personen die het bestaan van besmetting ontkennen. Zij vinden steun in de duidelijke uitspraak van de profeet in T1: ‘Er is geen besmetting,’ en een bevestiging in een handeling van hem in T2, waar de profeet eet met een melaatse—als hij bang geweest was voor besmetting had hij dat niet gedaan. Er blijken nog vier teksten te bestaan, die vertellen hoe vooraanstaande gezellen van de profeet uitdrukkelijk met melaatsen aten en aldus diens handelen bevestigden. Soms gaven ze zelfs complete leprozendiners!8 Aisja, de vrouw van de profeet, maakte het ook heel bont: zij zou een melaatse slaaf gehad hebben die van haar schotel at, uit haar beker dronk en vaak op haar slaapplek sliep—waarbij zij zich om besmetting uiteraard niet de minste zorgen maakte.
Een tekst als T4: ‘niet voortdurend kijken naar melaatsen,’ die waarschijnlijk uitgaat van besmetting, wordt door de ontkenners geëlimineerd omdat de isnād zwak is. Hetzelfde geldt voor nog twee niet-profetische overleveringen, die aanbevelen een melaatse op een, resp. twee speerlengten afstand van zich vandaan te houden. Aantonen dat een isnad zwak is is een klassieke islamitische manier om een ongewenste hadith te elimineren. Een andere manier is een tekst door een latere tekst als afgeschaft te beschouwen. Van T3: ‘Vlucht voor een melaatse…’ wordt wel gezegd dat deze is afgeschaft door T2, waarin de profeet zijn hand met een melaatse in de schotel doopt.
De geleerden die T3 niet meteen verwerpen hebben in de loop der eeuwen verschillende andere manieren gevonden om hem onschadelijk te maken. Ze zeggen bij voorbeeld: je vlucht niet omdat je bang bent voor besmetting, maar om die arme melaatse niet te kwetsen. Met dat niet kijken naar een melaatse is het net zo: het gaat daar niet om vrees voor besmetting, maar om discretie, consideratie met de melaatse.
Of als je meent, schade te ondervinden door een melaatse, als zijn geur je niet bevalt of je zijn nabijheid slecht verdraagt, of als je afkeer ondervindt, ja dan moet je weggaan. Je blijft bij een melaatse uit de buurt zoals je ook een overhellende muur of een kapot schip vermijdt.
Of, heel ingewikkeld: je moet weglopen van een melaatse omdat je anders als je ziek wordt misschien zou denken dat het door besmetting komt, wat de profeet heeft uitgesloten. Dit argument komt vaak voor; reeds Abū ‘Ubayd (gest. 838) zegt dat je gezonde dieren niet samen met zieke dieren moet laten drinken, want als ze dan ziek worden zou je in de verleiding kunnen komen te denken dat er besmetting is. In werkelijkheid worden die andere dieren ziek door de wil van God en niets anders.
Dat is inderdaad de reden waarom besmetting überhaupt wordt ontkend: het is telkens opnieuw een goddelijk raadsbesluit dat maakt dat iemand ziek wordt of juist niet.

Erkenning van besmetting
Maar ook degenen die wel geloofden dat er besmetting is moesten aan de slag. Weliswaar hadden zij hun eigen waarneming van het optreden van besmetting, en enkele meervoudig en correct overgeleverde hadithen (T3, T5 en eventueel T4) die deze bevestigden, maar zij moesten enkele andere profetische hadithen onschadelijk maken, die besmetting duidelijk loochenen: T2, ‘de profeet eet met een melaatse,’ wordt beschouwd als niet correct overgeleverd; die tekst kan dus niet zo veel kwaad meer. Nadrukkelijk overeind staat nog de correct overgeleverde overduidelijke uitspraak en van de profeet: ‘Er is geen besmetting’ (T1/3), maar daar hebben de diverse erkenners van besmetting een oplossing voor gevonden.
– Men maakt die uitspraak bij voorbeeld verteerbaar door er iets bij te denken. Natuurlijk is er besmetting, dat weet iedereen; met zijn uitspraak bedoelde de profeet uiteraard: ‘Er is geen besmetting, behalve door melaatsheid, bars en andere ziekten.’ Vandaar dat je wel degelijk voor een melaatse moet vluchten.9
– Anderen denken er iets anders bij: ‘Er vindt geen besmetting van nature plaats,’ m.a.w. het is God die beslist of er besmetting optreedt of niet; ten bewijze daarvan kon de profeet rustig zijn hand met die van een melaatse in een schotel dopen. Een zekere al-Turbushtī, een geleerde uit de dertiende eeuw, vond deze opvatting de juiste, ‘omdat zij overeenstemming tussen de hadithen over dit onderwerp mogelijk maakt.’ 10
– Weer anderen meenden dat ‘Er is geen besmetting,’ niet de besmetting wil loochenen, maar het geloof dat er besmetting bestaat door iets anders dan God.11 De retorische vraag van de profeet in T1: ‘Maar wie heeft dan de eerste besmet?’ past goed bij deze opvatting.
– Ibn Qutayba (± 828–889) was een literaat, geen medicus, maar hij begreep best hoe besmetting werkt: door aanraking (mulāmasa) of door druppeltjesinfectie via de ingeademde lucht (al-shamm al-rā’iḥa), vooral via huisgenoten (mukhālaṭa). Toch heeft hij geen moeite met de uitspraak van de profeet: ‘Er is geen besmetting (‘adwā),’ want de door hem beschreven overdracht van ziekten ís domweg geen ‘adwā. Wat dat dan wél is zegt hij niet; het blijkt althans niet uit het Pakistaanse artikel. Onder andere Ibn Ḥadjar al-‘Asqalānī (1372–1449) volgt dezelfde gedachtengang, maar hij zegt wél wat ‘adwā is: dat is dat een ziekte heerst op een zekere plaats, zoals de pest in T5 hierboven. Van zulk een plaats weg te vluchten is niet geoorloofd omdat je dan zou willen ontsnappen aan het raadsbesluit Gods.12
.
Ik heb niet het gehele, lange artikel van de beide auteurs hier samengevat, maar geprobeerd het belangrijkste eruit te halen en naar beste vermogen weer te geven wat de beide auteurs bedoeld hebben. Op enkele punten heb ik hen domweg niet begrepen.
De auteurs zijn te prijzen om hun ijver en hun acribie bij het bijeenzoeken van de vele commentaarteksten. Waar ik echter bezwaar tegen maak is dat hun eigen gedachtengangen in het verlengde verlopen van die eeuwenoude commentaren, die naar de huidige inzichten intellectueel duidelijk te kort schieten. Alle respect, bij voorbeeld, voor een Ibn Qutayba, die in de negende eeuw al behoorlijk goed wist wat besmetting was, maar doodzonde dat hij zich dan in kromme bochten draait om de profeet te sauveren en uiteindelijk beweert dat besmetting vooral geen besmetting is. Ik kan het hem en zijn soortgenoten echter niet kwalijk nemen: eeuwen geleden was men nog niet tot andere gedachtengangen in staat. Anders zou dat kunnen of moeten zijn bij de beide moderne Pakistaanse auteurs; die hebben toch wel eens een middelbare school van binnen gezien? Maar helaas, zij nemen die stokoude drogredenen serieus, koken er hun eigen soepje van en baseren er hun eigen conclusie op: Er is wel besmetting, maar ‘geen besmettelijke ziekte wordt overgebracht zonder God’s toestemming.’ Dat is wat mij zo aan dit soort werk verveelt. Je zou ook kunnen zeggen: Ik neem het ze kwalijk dat ze theologie bedrijven, en geen tekstwetenschap. Verkeerd is ook dat zij hun conclusie in hun vertaling van een hadith zetten; dat is echt geknoei. Lā ‘adwā betekent: ‘er is geen besmetting,’ en niet: ‘no contagious disease is conveyed without Allāh’s permission.’ Bij de weergave van een tekst in een andere taal moet er vertaald worden, niet getheologiseerd.
.
Wat mijn eigen vooronderstellingen zijn en wat ik zelf doe met deze elkaar tegensprekende hadithen staat op blz. 2.

NOTEN
1. Muhammad Qasim Butt en Muhammad Sultan Shah, ‘The Concept of Contagiousness in the Ahādīth,’ Pakistan Journal of Islamic Research, 19/1 (2018), 59–75. In het net zag ik het hier, laatstelijk op 6 november 2018.  Een pdf vindt U hier: Butt_Shah, Contagiousness in ahadith.
2. En dit is nog maar één onderwerp; er zijn er talloze waarover de uitspraken van de profeet met elkaar strijdig zijn of lijken.
3. Ik vertaal hier de Engelse vertalingen van de auteurs. Met sommige daarvan ben ik het niet eens en ze kunnen vlotter; zie voor mijn eigen vertalingen blz. 2.
O.a. Bukhārī, Ṭibb 25; Muslim, Salām 101 en vele andere, met diverse profetengezellen als overleveraar: قال رسول الله ص: لا عدوى ولا صفر ولا هامة فقال أعرابي: يا رسول الله فما بال الإبل تكون في الرمل كأنها الظباء فيجيء البعير الأجرب فيدخل فيها فيجربها كلها؟ قال: فمن أعدى الأول
4. Abū Dāwūd, Ṭibb, 24/3925; Tirmidhī, Aṭ‘ima 19a e.a.: أن رسول الله ص أخذ بيد مجذوم فوضعها معه في القصعة وقال: كل ثقة بالله وتوكلا عليه
5. Bukhārī, Ṭibb 19:  قال رسول الله ص: لا عدوى ولا طيرة ولا هامة ولا صفر وفر من المجذوم كما تفر من الأسد.
6. Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad i, 233: قال رسول الله ص: لا تديموا الى المجذومين النظر 
7. Bukhārī, Anbiyā’ 54 (vgl. ook Muslim, Salām 100): … فقال أسامة قال رسول الله ص: الطاعون رجس أُرسل على طائفة من بني إسرائيل أو على من كان قبلكم فإذا سمعتم به بأرض فلا تقدموا عليه، وإذا وقع بأرض وأنتم بها فلا تخرجوا فرارًا منه. قال أبو النضر: لا يخرجكم الاّ فرارا منه  
8. Butt/Shah, Concept 62.
9. لا عدوى ألّا من الجُذام والبرس وغيرها . Wat bars is weet ik (nog) niet; het moet ook een ziekte zijn. Butt/Shah, Concept 70.
10. لا تقع عدوى بطبعها. Butt/Shah, Concept 71.
11. Butt/Shah, Concept 72.
12. Butt/Shah, Concept 72–73.

Terug naar Inhoud