Abd al-Malik als stichter van de islam

Aan het begin van de islam staan de profeet Mohammed en de koran. Maar wat was dat voor een islam? De koran werd pas in de loop van de zevende eeuw tot een boek en stond als zodanig maar weinig mensen ter beschikking. De soenna (=handelwijze, overgeleverde norm) van de profeet werd pas later uitgewerkt; in de zevende eeuw was de belangrijkste soenna die van de kaliefen. De sharia bestond ook nog niet. Waren er al moslims? Zelf noemden zij zich in het begin ‘de gelovigen’, en het woord islam was ook nog niet gangbaar als aanduiding van de godsdienst.
De islam was nog niet uitgekristalliseerd; hij moest nog worden vormgegeven en daartoe heeft de Umayyadische kalief ‘Abd al-Malik (reg. 685–705) veel bijgedragen. Zo veel zelfs, dat hij als stichter of tweede stichter van de islam kan worden opgevat.

  • Een Umayyade als stichter van de islam? Menig moslim zal dat boos ontkennen: de Umayyaden waren immers moordenaars, zuipers, usurpators en nog veel meer! Kan zijn, maar ‘Abd al-Malik heeft een islam gesticht en die aan de openbaarheid gepresenteerd. Dat zijn islam afwijkt van het islamontwerp van latere schriftgeleerden, daar kon hij niets aan doen.

Toen ‘Abd al-Malik als kalief aantrad had hij met vele vijanden te kampen. Hij had van zijn vader weliswaar een reusachtig rijk geërfd, dat heel Perzië en de helft van het Oostromeinse rijk omvatte, maar dat rijk was er beroerd aan toe. Het oostelijk deel wilde niet vanuit de hoofdstad Damascus geregeerd worden, Sjiïeten en Kharidjieten rebelleerden en in zijn eerste regeringsjaren moest hij nog met een ander kalifaat afrekenen: dat van ‘Abdallāh ibn al-Zubayr (reg. 680–992). Die resideerde in Mekka; zijn broer Mus‘ab heerste als stadhouder over grote delen van Irak en Iran, terwijl de Umayyaden soms niet veel meer over hadden dan Damascus en Syrië. ‘Abdallāh en zijn broer klein te krijgen lukte ‘Abd al-Malik in 692: beiden werden gedood, de burgeroorlog was voorbij. De kalief moet geschrokken zijn van de kloof die er gaapte tussen Syrië en het Arabische schiereiland, waar de gewoontes van de profeet en de vroegste gelovigen in ere werden gehouden. Nu kwam het erop aan, de eenheid te herstellen.

Geschiedsschrijving
De herenigde staat had behoefte aan een algemeen aanvaarde ideologie en stichtingsmythe, waarin Mekka en Medina een hoofdrol zouden spelen. Nu kwam ‘Urwa ibn al-Zubair (643–712) goed van pas. Nadat ‘Abd al-Malik diens broers ‘Abdallāh en Mus‘ab had laten doden spoedde de veel jongere ‘Urwa zich naar Damascus om zijn huid te redden door trouw te zweren aan de winnende kalief. Dat was een gewaagde stap, maar hij had succes. De kalief, die reeds om strategische redenen offciële rouw had afgekondigd voor Mus‘ab, zag af van de terechtstelling van ‘Urwa en besloot hem liever te gebruiken. ‘Urwa was de intellectueel van de familie, die nooit militair actief was geweest, maar zich in Medina in alle rust had gewijd aan de studie van de hadith, het recht en de profetenbiografie. De kalief liet hem terugkeren naar Medina en verzocht hem, de ware geschiedenis van de islam voor hem op te schrijven. Dat deed ‘Urwa: hij schreef een hele reeks ‘brieven’ (rasā’il) aan de kalief en later nog aan diens zoon al-Walīd. Deze teksten zijn van groot belang, want zij bevatten de kern van de profetenbiografie en van de vroegste geschiedenis van de beweging die sinds ‘Abd al-Malik ‘Islam’ heet. Latere auteurs grijpen vrijwel allemaal op ‘Urwa’s teksten terug. Die zijn beknopt, want fantastische verhalen stelde ‘Abd al-Malik niet op prijs. Later werden ze aangedikt en verrijkt.
‘Urwa was niet alleen de zoon van de vooraanstaande profetengezel al-Zubayr, maar ook van Asmā’, de dochter van de eerste kalief Abū Bakr. Diens jongere dochter Aisja was de weduwe van de profeet en ‘Urwa’s tante. Zo stamde hij van vaders- en van moederskant van de ‘vroege elite’ . Zijn geschriften ademen Arabië en zijn uitgesproken pro-Abū Bakr en diens familie. De vroegste islam, met zijn oriëntering (qibla) op Jeruzalem, was misschien toch een overwegend syrisch-palestijnse aangelegenheid geweest. De Rotskoepel was eindpunt en hoogtepunt van die ‘syrische islam’. Door ‘Urwa’s werk kregen de Arabische erfenis en de ‘vroege elite’ een ereplaats in de offciële leer. Mekka, de Ka‘ba en Medina werden nu belangrijker dan ooit; het Arabische schiereiland speelde voortaan weer volledig mee en zo werd potentiële rebellen, althans op het schiereiland, de wind uit de zeilen genomen.

De Rotskoepel
Toen de burgeroorlog nog woedde liet ‘Abd al-Malik op de voormalige tempelberg in Jerusalem de Rotskoepel bouwen, die in 692 gereed kwam. In het midden daarvan bevindt zich een groot rotsblok, waaromheen de pelgrims hun ronden konden draaien, net als in Mekka. Daarbij zagen ze inscripties, waarin enkele duidelijke uitspraken de triomf van de islam verkondigden, zoals bij voorbeeld: ‘De godsdienst bij God is islam’ (koran 3:19).
Waarom liet de kalief die Rotskoepel bouwen? Het ligt voor de hand het gebouw te interpreteren als een statement aan de christenen. Christenen vormden immers de overgrote meerderheid in het Westen van het rijk, en voor hen was Jeruzalem met zijn Grafkerk een plaats van uitnemend belang. In de kerk werd het Heilige Kruis bewaard, dat keizer Heraclius er pas in 630 had teruggebracht nadat het door de Perzen geroofd geweest was. De Rotskoepel was een vrijstaand nieuw gebouw, uitdagend door zijn ligging en zijn schoonheid, en door de inscripties erop en erin. Uit één daarvan wordt duidelijk wat over Jezus te denken is:

  • Christus Jezus, de zoon van Maria, is [slechts] Gods gezant en zijn Woord, dat Hij richtte tot Maria, en een geest van Hem. Gelooft dan in God en Zijn gezanten en zegt niet: ‘Drie’! Houdt daarmee op, dat is beter voor jullie. God is [slechts] één God, geprezen zij Hij! Dat hij een kind zou hebben! (koran 4:171)

Aan eeuwen van christelijk gehakketak over de natuur van Christus werd door deze en andere koranteksten een eind gemaakt. Ook Mohammed, dienaar en gezant van God, wordt in de inscripties vermeld; dat was tevoren in de openbaarheid nauwelijks ooit gedaan.
Met dit afscheid van het christendom werd de islam geboren, de Arabische islam. Geleidelijk verdween steeds meer joods en christelijk materiaal (isrā’īlīyāt) uit de verhalen en de genealogieën; er vond een duidelijke ‘ontbijbeling’ plaats. 

‘Abd al-Malik had grote verdiensten voor het rijk. Hij heeft de eenheid hersteld, binnenlandse vijanden klein gehouden en de keizer in Constantinopel zijn plaats gewezen. Hij heeft het bestuur en het belastingstelsel herzien en een monetaire hervorming uitgevoerd, waarbij hij uitstapte uit de Romeinse solidus, de Euro van die tijd. Arabisch maakte hij tot de officiële rijkstaal. Dat waren allemaal belangrijke prestaties, maar van blijvender invloed waren zijn benadrukking van een islamitische identiteit en zijn initiatief tot een islamitische geschiedsschrijving.

BIBLIOGRAFIE
– A. Görke und G. Schoeler, Die ältesten Berichte über das Leben Muḥammads. Das Korpus ‘Urwa ibn az-Zubair, Princeton 2008. (‘Urwa’s ‘brieven’ gebundeld in het Duitse vertaling en geanalyseerd.)
– Chase Robinson, Abd al-Malik, Oxford 2005.

Diakritische Zeichen: ‘Abd al-Malik, Muṣʿab, ʿAbdallāh, ʿUrwa, ʿĀisha

Zurück zum Inhalt

Hoe zag Mohammed eruit?

🇩🇪 Hoe Mohammed eruit zag weet niemand; er zijn geen oude afbeeldingen van hem (zie daarover hier.) Er zijn echter talrijke beschrijvingen van zijn uiterlijk. De vroegste dateren van ong. driekwart eeuw na de dood van de profeet, de meeste zijn jonger.
Het aantal teksten over dit onderwerp is veel te groot voor een kort artikel. Daarom zal ik hier alleen de Hadithen uit de Ṭabaqāt van Ibn Sa‘d (784–845) en de Ṣaḥīḥ van Muslim ibn Hadjdjādj (gest. 875) verwerken, met nog een paar losse andere uit Sīra en Hadith. Het belangrijkste zal daardoor wel ter sprake komen.
Het is mij er niet om te doen de ‘correcte’ overlevering te vinden of de definitieve beschrijving van de profeet te verkrijgen—dat is nu eenmaal onmogelijk. Ik probeer alleen te begrijpen wat de auteurs ertoe gebracht heeft hem zo te beschrijven als zij het doen, en bij een aantal teksten lukt dat inderdaad. In andere gevallen blijft het onduidelijk wat ze met hun beschrijvingen beoogden.

1. Mohammed zag er indrukwekkend en knap uit
Omdat Mohammed voor zijn aanhangers de belangrijkste mens ter wereld was, die de hoogste lof verdiende, ligt het voor de hand dat men hem als zeer goed uitziend of zelfs mooi beschreef. Zijn uiterlijk was uniek; verscheidene gezellen van hem getuigen, dat zij noch voor noch na hem iemand hebben gezien als hij.1 Hij was een imposante verschijning, die respect afdwong.2 Zijn lichamelijke eigenschappen waren voor een deel bovennatuurlijk. De profeet zou er stralend, oplichtend hebben uitgezien . Hij wordt dan ook ‘wit’, abyaḍ genoemd. Dat kan betrekking hebben op zijn huidskleur, die verderop besproken wordt, maar op sommige plaatsen is wel degelijk het stralende wit van een bijzondere verschijning bedoeld. Het hoeft niet helemaal letterlijk genomen te worden; zulke adjectieven kunne ook staan voor ‘nobel, stralend vlekkeloos’.3 Hij was nog glanzender dan een zwaard; eerder zoals de zon of de maan;4 zijn gezicht straalde als een volle maan.5 Hij had een witte bles op zijn voorhoofd, net als zijn vader toen deze naar Āmina ging om hem te verwekken; hier mogen we denken aan het pre-existente „Licht van Mohammed“ (nūr Muḥammad).6 Zijn hals was als een zilveren kan, resp als de hals van een zilveren standbeeld.7
Zijn lichaamsgeur was buitengewoon aangenaam. Zoals iemand zei: ‘Ik heb geen muskus of amber geroken die lekkerder rook dan hij.’8 Ook zijn zweet zou welriekend en zegenrijk zijn geweest: zijn vrouw Umm Sulaym ving het op en mengde het door haar parfum.9 De zweetdruppels in zijn gezicht waren als parels.10

Vele hadithen beschrijven lichamelijke eigenschappen van de profeet die weliswaar prijzenswaardig zijn, maar ook bij andere mensen niet zelden worden aangetroffen. Ik ga ervan uit dat de volgende eigenschappen lovend bedoeld zijn:
Hij had brede schouders,11 een brede borst,12 dikke gewrichten, sterke schouders,13 lange, resp. grote armen und benen,14 grote, krachtige voeten, slanke hielen,15 grote, resp. krachtige handen en vingers,16 Maar er wordt ook gezegd: ‘Ik heb nooit iets aangeraakt, of het nu brokaat was of zijde of nog wat anders, dat zachter was dan de handen van de profeet,’17—waarmee misschien gezegd wil zijn dat hij geen lichamelijk werk verrichtte.
Zijn hoofd was groot,18 zijn gezicht heel mooi.19 Hij had een brede resp. mooie mond;20 de wangen waren glad.21 Zijn ogen worden groot en zwart genoemd;22 het wit van zijn ogen had iets roodachtigs;23 de wenkbrauwen liepen door,24 de wimpers waren lang.25 Hij had perfecte oren.26
Het hoofdhaar zou diepzwart, resp. dicht geweest zijn;27 de baard wordt mooi, dicht en heel zwart genoemd.28
Hij liep energiek. ‘Ik heb nooit iemand gezien,’ zei iemand, ‘die sneller liep dan de profeet, het was alsof de aarde voor hem werd samengevouwen. Wij moesten ons best doen om hem bij te houden, maar dat kon hem niet schelen.’ En iemand anders: ‘Als hij met andere mensen liep was hij hen ver vooruit.“29

Er doemt een beeld op van een sterk gebouwde, potige man; zo had men hem blijkbaar het liefst. Iemand zou kunnen denken dat die slanke hielen niet zo goed passen bij de grote voeten, het snelle lopen niet bij de zware lichaamsbouw. Maar al deze hadithen zijn verzamelingen van kleine elementjes, die gemakkelijk uitwisselbaar zijn en nooit een samenhangend beeld opleveren. Hieronder zal dat nog duidelijker worden.
Dat Mohammed volgens een hadith ooit een worstelwedstrijd tegen de sterkste man van de stam won, zegt niets. Dat is een wonderverhaal; zonder Gods hulp had hij nooit kunnen winnen.

2. Niet zus en niet zo: een man van het midden
Hij was van gemiddelde lengte,30 niet lang en niet kort,31 niet dik en niet mager,32 niet bleek en niet roodachtig (ādam);33 zijn haar was kroezig noch sluik.34 Hier wordt een oud Arabisch adagium toegepast: de/het middelste is altijd het beste.35

3. Hij zag er beter uit dan andere profeten
De profeet wordt geciteerd in beschrijvingen van vroegere profeten, die hij tijdens zijn hemelvaart had gezien. In een van de varianten van de betreffende hadith heet het: ‘Ik zag ‘Īsā, Mūsā en Ibrāhīm (Jezus, Mozes en Abraham). ‘Īsā heeft kroezend haar, is rossig (aḥmar) en heeft een brede borst. Mūsā is roodbruin (ādam), corpulent en heeft sluik haar, alsof hij tot het Zuṭṭ-volk behoort.“„En Ibrāḥīm?“ vroegen ze. Hij antwoordde: „Kijk naar jullie metgezel, de gezant Gods, [dan weten jullie het].“36. Maar volgens een andere versie was Mūsā roodbruin, lang en had hij een haakneus alsof hij tot de stam Shanū’a behoorde.37 Of iets dergelijks, maar dan met de aanvullingen: ‘mager, met kroezig haar’.38 Op dezelfde plaats heet het dat ‘Īsā ’rossig was, niet kort en niet lang, zomersproeten en sluik haar had en eruit zag of hij net uit bad gekomen was; je zou denken dat zijn haar droop van het water, maar dat was niet zo.’
Het vermeende uiterlijk van Mohammed is theologisch geïnstrumentaliseerd. Mūsā en ‘Īsā waren met hun uitgesproken eigenschappen geen ‘mannen van het midden’ zoals Mohammed. Hoe zomersproeten en haakneuzen beoordeeld werden weet ik niet; ik vermoed dat ze als minder mooi golden. In ieder geval zag Mohammed er beter uit dan de profeten van de joden en christenen. Maar van Ibrāhīm zegt hij: ‘Nooit heb ik iemand gezien die meer op mij leek dan hij.’
Overigens zijn er ook beschrijvingen van de schoonheid van bepaalde andere profeten, die niet met Mohammed in een concurrentieverhouding stonden. Vooral Hārūn (Aäron) zou er goed hebben uitgezien, en natuurlijk Yūsuf (Jozef), op wie Potifars vrouw Zulaika verliefd was.37

4. Mohammed zag er heel gewoon uit
Hij was immers een mens als alle anderen, zoals ook de koran benadrukt. Hier volgen lichaamsbeschrijvingen van de profeet, die kennelijk niet lovend bedoeld waren. Het kan echter ook zijn, dat ik niet heb begrepen hoe men die eigenschappen destijds heeft beoordeeld. Doorlopende wenkbrauwen of een buik worden in verschillende culturen en in verschillende tijden heel anders gewaardeerd, en dat kan ook bij andere eigenschappen het geval zijn.
Zoals boven al uiteengezet staat de huidskleur ‘wit’, abyaḍ, dikwijls voor ‘nobel, stralend, vlekkeloos’. Maar vaak genoeg wordt het woord ook voor Mohammeds echte huidskleur gebruikt, die dan meestal een rossige bijkleuring heeft.39 De huidskleur wordt ook ‘bruin,’ asmar, genoemd, of ’bruin neigend naar wit’.40 Of hij was niet zus en niet zo; zie boven.
Zijn heupen en oksels, die te zien waren bij de buigingen tijdens het gebed, worden wit genoemd. De bedoeling was kennelijk te wijzen op de oorspronkelijke huidskleur.41 Gezicht, armen en benen zullen immers door de zon gebruind zijn geweest.

Dat de profeet diepzwart, dicht hoofdhaar had heb ik als lof opgevat. De haarlengte en de scheiding zijn moeilijk in te schatten; bovendien kunnen ze variabel zijn geweest. Volgens één tekst had hij sluik haar,42 maar veel meer teksten benadrukken, zoals gezegd, dat zijn haar kroezig noch sluik was. Zijn haar kwam tot aan de helft van zijn oren, of tot zijn oorlelletjes, of hield ergens op tussen de oren en de schouders, of het kwam tot aan zijn schouders.43 Hij liet zijn voorhoofdslokken los hangen en maakt een scheiding in de rest (?).44 De vragen of de profeet bij het ouder worden grijs werd en of hij zijn baard- en hoofdhaar verfde, heeft tot een vloed van teksten geleid, die ik hier niet zal behandelen, omdat → Juynboll dat al heeft gedaan.
Op zijn lichaam zou de profeet nauwelijks behaard zijn geweest.45 Of toch wel: zijn onderarmen en borst waren behaard, resp. ook zijn schouders.46 Hij had een haarlijn van zijn borst tot aan zijn navel (masruba). Deze beharing wordt fijn, resp. lang genoemd.47

Mohammeds snelle lopen heb ik boven al genoemd, omdat ik dat opvat als een positief beoordeelde eigenschap. Zijn manier van lopen was dat niet; die was eerder een beetje eigenaardig. De overlevering loopt sterk uiteen: Als hij liep boog hij voorover.48 Als hij liep boog hij voorover alsof hij een helling opliep.49 Als hij liep was het alsof hij een helling afliep.50 Als hij liep boog hij (var.: een beetje) voorover, alsof hij een helling afliep.51 Als hij liep (var: opstond), was zijn stap onzeker, alsof hij een helling afliep.52 Als hij zich omdraaide draaide hij zich helemaal om.53 Hij draaide zich helemaal naar voren en helemaal naar achteren.54 Geen duidelijke voorstelling heb ik bij deze tekst: ‘De profeet zette zijn linkervoet zo neer dat te zien was dat de buitenkant zwart was’ (?).55

Was Mohammed dik? In het verhaal over de slag bij Uḥud moest iemand hem helpen de rots op te komen, van waaruit hij de slag wilde bekijken, ‘omdat hij dik was en bovendien twee maliënkolders over elkaar droeg; toen hij probeerde omhoog te komen lukte hem dat niet.’56 Umm Hāni’, een tante van de profeet, bij wie hij ten tijde van zijn hemelvaart overnachtte, zag plooien op/aan zijn buik: „Ik greep een stuk van zijn bovenkleed, zodat zijn buik zichtbaar werd: die was [als] een geplooide Koptische doek.“57 Was dat een teken van corpulentie of waren het eerder de littekens van de ‘splijting van de buik’ (shaqq al-baṭn) door twee engelen, die kort voor de hemelvaart plaatsvond? Plooien zegt ook een zekere Umm Hilāl gezien te hebben: ‘Telkens als ik de buik van de profeet zag, moest ik aan over elkaar gevouwen bladen denken.’58
Wanneer men de profeet in een hadith zelf laat zeggen: ‘Ik ben dik,’ betekent dat niet veel, omdat die tekst als basis voor een sharia-regel moet dienen; zie onder.
De eventuele dikte van de profeet moet niet naar moderne maatstaven worden beoordeeld. Een buik kon immers een statussymbool zijn, een teken, dat men rijkelijk te eten had. Een sixpack had in die tijd iedere man.

5. Een bijzonder kenmerk
Een merkwaardig verschijnsel aan het lichaam van de profeet was het zegel of stempel van het profeetschap (khātam al-nubuwwa of al-nabīyīn).59 Dat was een gezwel op zijn rug, of tussen zijn schouders, zo groot al een duivenei, en het zag er net uit als de rest van zijn lichaam60—is de kleur of de consistentie bedoeld?—of alternatief: als de knoop van een bruidstent,61 of een kamelenkeutel,62 een appel63 of een bosje haar,64 of het was zo groot als een vuist met moedervlekken als wratten er bovenop65—de teksten variëren. Verscheidene tijdgenoten zouden het gezwel gezien of betast hebben.66 Het voorstel van sommigen van hen—ze beweerden allemaal dat ze bedreven waren in de geneeskunst—het gezwel te behandelen, resp. weg te snijden, wordt door de profeet afgewezen: de beste arts is immers God, de schepper ervan.67
Hoe kwam men op de uitdrukking khātam al-nubuwwa? Het is onmogelijk niet aan koran 33:40 te denken, waar sprake is van khātam al-nabiyīn, „het zegel der profeten“. Men vroeg zich natuurlijk af wat dat moest betekenen; daarbij zal het woord khātam niet alle hoorders bekend zijn geweest. Een deel van de uitleggers heeft daarbij blijkbaar aan iets lichamelijks gedacht, en ziedaar: het zegel nam vorm aan.

6. Voorbeelden voor shariaregels
Bepaalde lichaamsbeschrijvingen van Mohammed dienden (ook) als voorbeeld voor gedragsregels.
– Wat te doen als een imam dik is en zijn bewegingen bij het gebed langzaam zijn? De gelovigen zouden het ritueel misschien sneller willen afwerken dan hij. Maar een hadith, waarin men de profeet laat zeggen: ‘Ik ben dik’ (baṭuntu) diende als precedent voor een gedragsregel. Als de imam langzaam is moeten de gelovigen bij het gebed zijn tempo volgen en niet sneller zijn dan hij.68
– Dragers van bepaalde kapsels zouden zich de haarlengte van de profeet kunnen hebben voorgesteld om hun eigen haarlengte te rechtvaardigen.
– Moet of mag je je hoofd- of baardhaar verven? Volgens bepaalde hadithen deed de profeet dat inderdaad, met henna, saffraan en Indisch geel (wars), waarmee hij een sunna invoerde, die ook door enkele met name bekende gezellen gevolgd werd (→ Juynboll).
– Wat doe je met een gezwel; open- of wegsnijden misschien? Nee, onbehandeld laten; de profeet zelf gaf het voorbeeld. De teksten waarin de profeet zijn gezwel niet wilde laten behandelen kunnen ook gelezen worden als hoofdstukjes ‘profetische geneeskunst’ (ṭibb an-nabī) .

Het is soms moeilijk vast te stellen of een eigenschap normaal, een beetje raar of juist prijzenswaardig is. Een glanzend gezicht en brede schouders kunnen zonder meer als positief worden opgevat, maar grote voeten of een raar loopje? En wat betekent het dat de profeet zich altijd helemaal omdraaide? Had hij een stijve nek of een rugkwaal, zodat hij zijn hoofd niet kon omdraaien? Of is het lof, omdat hij zich zijn gesprekspartners helemaal toewendde? Of betekent het nog iets anders, of misschien helemaal niets?
Bij misschien de helft van de teksten steekt achter de beschrijving een duidelijke bedoeling die het puur beschrijvende te boven gaat; bij de andere helft is niet te zien welk doel zij gediend kunnen hebben. Je zou soms haast denken dat we te maken hebben met reële herinneringen aan het uiterlijk van de profeet. Maar dat kan evenmin het geval zijn, daarvoor zijn de beschrijvingen te tegenstrijdig. Liep hij nu snel of onzeker? Als het ware naar boven of naar beneden? Loopt een zware vent überhaupt snel? Passen slanke hielen bij grote voeten? En aangenomen dat de profeet echt een gezwel op zijn rug had, zouden de mensen dat werkelijk generaties lang aan elkaar hebben doorverteld?

Wetenschap?
Iemand zei tegen me: dat is wetenschap, wat jij hier bedrijft; waarom stuur je het niet naar een vaktijdschrift?
Nee, het is geen wetenschap, het is een opstel, een bestandsopname, een voorstudie. Wetenschap zou zijn: ‘alle’ relevante hadithen—tussen aanhalingstekens, want je vindt ze nooit allemaal—verzamelen, de woordbetekenissen bestuderen, isnadanalyses verrichten, de herkomst vinden, pogingen tot datering doen en zo mogelijk de ontwikkeling van de thematiek te onderzoeken. Dat zou minstens drie maanden duren.
Maar zulke wetenschap wordt op dit vakgebied helemaal niet meer bedreven. De tijd is er niet naar. Ofschoon hadith volgens iedereen een heel belangrijk literatuurgenre is wordt hij niet of nauwelijks bestudeerd.

NOTEN
IS = Ibn Sa‘d, Ṭabaqāt, Band i, 410–36. Ik vermeld de bladzijde en het nummer van de hadith aldaar, dat echter in de tekst niet wordt aangegegevn.
Muslim = Muslim, Ṣaḥīḥ, boek Faḍā’il.
IH = Ibn Hišām, Sīra.
1. لم أر (قبله ولا) بعده مثله HI 266; Muslim 91, 92; IS 410:2; 411:1–3; 412:1–2; 414:2, 4, 6; 415:1–4; 418:6.
2. فخم مفخم IS 422.
3. أبلج IS 411:2; أبيض Muslim 98, 99; IS 417:4; 418:1, 5; 419:7; أزهر IS 410:3; 413:2; 419:7; 422; أبيض شديد الوضح IS 411:2; له نور تعلوه IS 422; أنور المتجرَّد IS 422.
4. أوجهه مثل السيف؟ فقال جابر: مثل الشمس والقمر مستدير IS 416:2, 5; 419:3.
5. يتلؤلأ وجهه تلألؤ القمر ليلة البدر IS 422.
6 أغرّ IS 411:2. Over Mohammeds vader IH 101.
7. كأن عرقه إبريق فضة IS 410:2; كأن عنقه جيد دمية في صفاء الفضة IS 422.
8. ولا شممت مسكة ولا عنبرة ما أطيب من ريحه IS 413:2, 3; 414:3; ريح عرقه أطيب من المسك الأذفر IS 410:2.
9. Muslim 83, 84.
10. كأن عرقه في وجهه اللؤلؤ IS 410:2; 411:2; 412:1.
11. بعيد ما بين المنكبين Muslim 91, 92; IS 412:2; 414:5; 415:2; 416:3–4; 422; جليل الكتد IH 266; IS 411:3.
12. رحب الصدر IS 415:2; عريض الصدر IS 422.
13. ضخم الكراديس IS 411:1; 422; عظيم الكراديس IS 412:2; جليل المُشاش IH 266; IS 411:3; عظيم المناكب IS 412:1; ضخم المنكبين IS 415:2; 415:5.
14. سبج الساعدين IS 414:5; عظيم الساعدين IS 415:2; ضحم السافين IS 415:2 .
15. صخم القدمين IS 414:2, 4; IH 266; IS 410:2, 3; 411:1–3; 412:1, 2; 415:2; 422; شثن الأطراف IS 415:5; منهوس العقبين Muslim 97; IS 416:1.
16. ضخم الكفين IS 414:4; شثن الكف، الكفين IH 266; IS 410:2, 3; 411:1–3; 412:1, 2; 415:2; 422; شثن الأطراف IS 415:5; شثن الأصابع IS 418:3, 6.
17. وما مسست ديباجة ولا حريرة ولا شيئا قط ألين من كف رسول الله IS 413:2, 3.
18. ضحم الرأس IS 411:1; ضخم الهامة ;412:2 IS 410:3; 411:2.
19. حسن الوجه IS 414:4; 418:5; 420:4, أحسن الرجال وجها; Muslim 93, 98; مليح الوجه IS 417:4; 418:1; جميل دوائر الوجه IS 417:1.
20. ضليع الفم Muslim 97; IS 415:2; 416:1; حسن الفم IS 412:2; 415:2; حسن المضحك IS 417:1
21. سهل الخد IS 410:2.
22. عظيم العينين IS 410:3; أدعج العينين IH 266; IS 410:2; 411:3; 415:5; أكحل العينين IS 417:1; أسود الحدقة IS 412:1.
23. أشكل العين Muslim 97; volgens de uitgever Fuʾād ʿAbd al-Bāqī is deze eigenschap prijzenswaardig; مشرب العينين حمرة IS 410:3; في عينيه حمرة IS 412:2.
24. مقرون الحاجبين IS 412:2; dit moet positief beoordeeld zijn geweest.
25. أهدب الأشفار IH 266; IS 410:3; 411:2–3; 412:1–2; 414:5–6; 415:2, 3, 5.
26. تام الأذنين Muslim 97; IS 412:2; 415:2.
27. أسوده IS 412:2; شديد سواد الشعر IS 418:3; فما أنسى شدة … سواد شعره IS 419:1; عظيمة الجمة Muslim 91; ذا وفرة IS 410:2; 422.
28. حسن اللحية IS 412:2; 415:2; 418:3; كث اللحية IS 410:2, 3; 422; شديد سواد الرأس واللحية IS 418:3; قد ملأت لحيته ما لدن هذه الى هذه، وأشار الى صدغيه ختى كادت ملأت نحره IS 417:1.
29. إذا مشى مشى مجتمعا ليس فيه كسل IS 417:3; وما رأيت أحدا أسرع في مشيه من رسول الله كأنما الأرض تطوى له إنه تجهد أنقسنا وإنه لغير مكترث IS 415:1, 4; إذا جاء مع القوم غمرهم IS 411:2; إذا مشى هرول الناس وراءه IS 418:6; يمشي ويمشون IS 419:1.
30. مقصَّد Muslim 99; IS 417:4; في الرجال أطول منه وفي الرجال أقصر منه IS 413:1: 415:4; 419:1; مربوع ، رَبعة IH 266; IS 411:3; 413:1; 415:2; 416:3; 418:5.
31. ليس بالطويل ولا بالقصير، لا طويل ولا قصير IS 410:2; 411:1, 3; 412:1–2; 413:1; 414:3, 415:2; 416:4, 418:3, 6.
32. ONTBREEKT NOG@
33. ليس بالأبيض الأمهق ولا بالآدم IS 413:1; 418:3.
34. ليس بالجعد القَطط ولا بالسبط، ليس بالجعد ولا السبط Muslim 94; IH 266; IS 411:3; 412:2; 413:1; 418:3, 6.
35. خيرهم أوسطهم، خير الأمور أوسطها , zo bijv. in kommentaren op koran 68:28 en in hadithen, bijv. Bukhārī, Manāqib 24, en Bukhārī, Faḍāʾil al-Aṣḥāb 5 أوسط العرب.
36. IS 417:2. De Zuṭṭ zijn een Roma-volk in Oman.
37. IH 270.
38. IH 266.
39. أبيض مشرب حمرة IH 266; IS 410:2; 411:1,3; 412:1, 2; IS 415:5; IS 418:3, 6;
40. أسمر IS 414:1; أسمر الى البياض IS 417:1.
41. بياض إبطيه IS 420:7; 421:1–4,6; أبيض الكشحين IS 414:6; 415:3; 421:6.470. سبط الشعر IS 410:2.
42. سبط الشعر IS 410:2.
43. الى أنصاف أذنيه Muslim 96 ; يبلغ شعره شحمة أذنيه Muslim 91; IS 416:3; بين أذنبه وعاتقه Muslim 94; يجاوز شعره شحمة أذنيه IS 422; كان يضرب شعره منكبيه Muslim 92, 95.
44. سدل ناصيته ثم فرق بعد Muslim 90.
45. أحرد IH 266; IS 411:3; ليس في بطنه ولا صرده شعر غير [المسربة] ه IS 410:2.
46. أشعر الذراعين والصدر IS 415:5. ÉÉN PLAATS ONTBREEKT NOG@
47. ذا مسربة IS 411:3; 415:5; في صدره مسربة IS 412:1; له شعر من لبته الى سرته يجري كالخط/كالقضيب IS 410:2; 422; دقيق المسربة IH 266; IS 410:2; طويل المسربة IS 411:1; 412:2.
48. إذا مشى تكفّأ IS 413:2; فيه جنأ IS 412:2
49. إذا مشى تكفّأ كأنما يمشي في صعد IS 410:3; 412:1; 415:5.
50. إذا مشى كأنما ينحدر من صبب IS 410:2; 411:2, 3.
51. إذا مشى تكفّأ (تكفّؤًا) كأنما ينرل/ينحط من صبب IS 411:1, 3; 412:2; 422.
52. إذا مشى تقلّع كأنما ينحدر من صبب IH 266; IS 411:2. تقلّع Kazmirski: être déraciné.
Ibn Hishām: لم يثبت قدمه; لم يثبت قدمه إذا قام كأنما ينقلع من صخر IS 410:2.
53. إذا التفت التفت معا/جميعا IH 266; IS 410:2, 3; 411:3; 415:5; 417:3; 420:2, 3; 422.
54. يقبل جميعا/معا ويدبر جميعا/معا IS 412:2; 414:5, 6; 415:2, 3.
55. كان يفترش قدمه اليسرى حتى يرى ظاهرها أسود IS 419:5.
56. ونهض رسول الله الى صخرة من الجبل ليعلوه وقد كان بدن رسول الله وظاهر بين درعين فلما ذهب لينهض لم يستطع فجلس تحته طلحة بن عبيد الله فنهض به حتى استوى عليها. IH 576–7.
57. فأخدت بطرف ردائه فتكشّف عن بطنه كأنه قبطية مطوية IH 267.
58. ما رأيت بطن رسول الله قط الا ذكرت القراطيس المثنية بعضها على بعض IS 419:2.
59. IH 266; IS 411:3; 415:4.
60. Muslim 110; IS 425:1, 2, 3; 427:1, 3.
61. Muslim 111.
62. IS 427:1.
63. IS 427:2.
64. IS 425:4.
65. Muslim 112; IS 426:2.
66. Muslim 110–112; IS 425:1–4; 426:2, 3; 427:1–3.
67. IS 426:3; 427:1–3.
68. إني بدنت فلا تبادروني بالقيام في الصلاة والركوع والسجود IS 420:5.

BIBLIOGRAFIE
– Ibn Hishām: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen, 2 dln., 1858–60 [editio princeps van de Arabische tekst]. Ook online ter beschikking.
– Ibn Sa‘d, aṭ-Ṭabaqāt al-kubrā, uitg. Iḥsān ‘Abbās, 9 dln., Beiroet (Dār Ṣādir), z.j.
– Muslim ibn Ḥaǧǧaǧ, Ṣaḥīḥ, uitg. Fuʾād ʿAbd al-Bāqī, 5 dln., Cairo 1955.
– Wolfdietrich Fischer, Farb- und Formbezeichnugen in der Sprache der altarabischen Dichtung, Wiesbaden 1965.
– G.H.A. Juynboll, „Dyeing the Hair and Beard in Early Islam. A Ḥadīth-analytical Study,“ Arabica 33 (1986), 49–75.

Terug naar Inhoud

Nog enkele correcties over de islam

(De eerste negen tekstjes vindt U hier.)

‘De islam is het werk van Mohammed’
Gelooft U het zelf? De arme man zou verbijsterd zijn geweest als hij gezien wat moslims er na zijn dood van bakten. De islam is natuurlijk niet kant en klaar uit de hemel gevallen, maar heeft zich ontwikkeld. Mohammed heeft niet meegemaakt hoe Arabieren vrijwel onmiddellijk na zijn dood de halve wereld veroverden en daardoor al spoedig de koranische vrees voor het Jongste Gericht vergaten. Evenmin hoe verschillende groepen van zijn aanhangers met elkaar slaags raakten in burgeroorlogen. En hoe kalief ‘Abd al-Malik in ± 695 zijn eigen islamontwerp de wereld in stuurde, door zich te distantiëren van de christenen en de vroege islamitische geschiedenis te laten opschrijven. En hoe weer honderd jaar later schriftgeleerden hun plaats in de staat hadden veroverd, ten koste van het gezag van de kaliefen. Ook van de Sjiïeten en van de opkomst van de sufi-mystiek, die meer dan duizend jaar gezichtsbepalend zou blijven voor de islam, had de profeet geen enkele notie.

‘De sharia is de wet van de islam’
Nee, de sharia is islamitisch recht; dat is wat anders. Zij regelt alle betrekkingen tussen de mens en God én tussen de mensen onderling en is dus omvattender dan Europees recht: ook geloofsleer, ethiek en goede manieren vallen eronder.
De sharia is niet een gecodificeerde wet. Het is geen boek dat iemand eens en voor altijd neergeschreven heeft en dat opengeslagen kan worden. ‘De sharia zegt …?’ ‘Wat staat er in de sharia?’ ‘Wie heeft de sharia geschreven?’ zijn dus zinloze vragen. De sharia zegt niets, maar moet telkens worden gevonden, in de jurisprudentie en in de rechtsbronnen (koran en hadith). Zij is dus flexibel, al nemen rechtsgeleerden maar al te vaak genoegen met wat hun collega’s van vroeger al hadden gevonden. Dat hoeft echter niet zo te zijn. De omvang, de grote verscheidenheid van de rechtsbronnen en hun vatbaarheid voor verschillende interpretaties maken vernieuwing mogelijk.
De vraag of men de ouden moet navolgen of over bepaalde onderwerpen opnieuw zelfstandig moet nadenken is sinds een eeuw hét punt van discussie in de hele islamitische wereld. Die discussie wordt echter vertraagd door 1. het optreden van salafisten, ISIS, enzovoort; 2. het voortdurende hitsen van hun bondgenoten: de islamhaters en islamofoben.
De sharia was overigens nooit ergens het enig geldende recht. Daartoe zou zij ook niet geschikt zijn. 

‘Een fatwa is een doodvonnis’
Nee. Een fatwa is een niet-bindend geleerd advies op het gebied der Sharia. Een fatwa wordt gegeven door een mufti op aanvraag van rechters, particulieren en soms van overheden. De aanvrager kan desgewenst de fatwa naast zich neer leggen. Sharia is islamitisch recht, maar ook méér dan recht: het gevraagde advies kan daarom ook op het gebied van ethiek, goede manieren en geloof liggen.
Wie zich niet persoonlijk tot een mufti wil wenden, kan ook fatwa-verzamelingen lezen van bekende shariageleerden uit vroegere of latere tijd, of via het internet ergens een fatwa zoeken; zie bij voorbeeld hier.
Sinds de Rushdie-Affaire (1989) is het woord fatwa ook in West-Europea verbreid geraakt, maar het wordt vaak verkeerd begrepen. In de frase: ‘Een fatwa over iemand uitspreken’ klinkt het haast als een doodvonnis. Maar nogmaals: een fatwa is geen vonnis, laat staan een doodvonnis.

‘De islam kent geen scheiding tussen kerk en staat’
Bij Mohammed zelf was de staat nog weinig ontwikkeld, maar aan te nemen is dat zo een scheiding er inderdaad niet was, evenmin als bij de eerste, gekozen kaliefen (632–661).
Tijdens de Umayyadenkaliefen (661–750) blijkbaar ook nog niet. Hun soenna (= gebruik, handelwijze, overgeleverde norm) diende immers zonder meer gevolgd te worden; daarvan hing je zielenheil af. Over hen zongen de dichters dat zij de oogst lieten gelukken, voor regen zorgden, recht en gerechtigheid vestigden — alles in de beste oudoosterse traditie van de god-koning.
Verzet tegen de Umayyaden kwam vanaf ± 700 o.a. van de ‘Mensen van de soenna en de gemeenschap,’ die de eigenmachtige soenna’s van de verfoeide kaliefen vervangen wilden zien door die van de profeet. Eerst wist niemand hoe diens soenna eruit zag, maar daar werd aan gewerkt: in de loop van de eeuw kwamen er steeds meer schriftgeleerden (‘ulamā’) en het aantal overleveringen ‘van de profeet’ (hadithen) groeide gestaag, tot er een profetisch alternatief was voor de soenna van de kaliefen. Na 750 gingen de eerste Abbasidenkaliefen nog een tijdje door met god-koning spelen, maar omstreeks 850 moesten zij zich gewonnen geven. Tegen de soenna van de profeet, hoe fictief ook, konden zij niet op: de nu overal aanwezige geleerden namen de geestelijke macht over. Sindsdien bestaat er wel degelijk een scheiding tussen wereldse en geestelijke macht.
Behalve bij de Sjiïeten, maar die hadden meestal helemaal geen staat, dus dat viel niet zo op.

‘Martelaren krijgen in het paradijs tweeënzeventig maagden.’
Werkelijk? Er is welgeteld één wat obscure hadith waarin dat terloops wordt vermeld. Steviger verankerd in de islamitische traditie is deze:
‘De grond is nog niet droog van het bloed van een martelaar of daar komen zijn beide echtgenotes al aangesneld; het lijken wel kamelinnen die hun jong in een kale vlakte waren kwijtgeraakt… .’
Hier is slechts sprake van twee vrouwen, wier verlangen naar de martelaren wordt vergeleken met het moederinstinct (!) van kamelinnen. Nog vaker vind je teksten als deze:
‘Toen jullie broeders in Uhud gesneuveld waren deed God hun zielen in de buiken van groene vogels, die drinken uit de rivieren van het paradijs, eten van de vruchten daarvan en nestelen in gouden lampen die zijn opgehangen in de schaduw van Gods troon… .’
Hun verblijfplaats is dus heel dicht bij God, maar maagden vinden ze daar niet. In hun toestand zouden ze daar ook niets mee kunnen beginnen.

‘De islam is anti-homo’
Wie die islam is weet ik nog steeds niet. In boeken van islamitische rechtsgeleerden werd homoseksueel gedrag altijd wel scherp veroordeeld. Gedrag, wel te verstaan. Homoseksualiteit als ziekte resp. geaardheid zijn Europese vondsten uit de negentiende en twintigste eeuw.
In het werkelijke leven daarentegen was er in de islamitische wereld een enorme tolerantie. Tot aan het hof van de kalief of sultan aan toe; kunt u zich dat bij ons vorstenhuis voorstellen? Die strenge boeken lieten ze gewoon dicht. De omvangrijke Arabische liefdespoëzie handelt grotendeels over mannenliefde. Vrouwen waren voor het huwelijk en de voortplanting; diepe gevoelens had je voor mannelijke vrienden, seks ook met jongens.
In de negentiende eeuw veranderde dat, toen men daar het Westen ging imiteren. Het Victoriaanse Engeland was mordicus tegen homoseksualiteit. Waar mogelijk voerden Britse autoriteiten strenge wetgeving in; ook waar dat niet gebeurde sloeg de houding van welwillende tolerantie om in afkeuring. Nog iets later ging men die oude juridische teksten letterlijk nemen; ondubbelzinnigheid was immers modern? Dat leidde tot harde straffen voor wat vroeger niets bijzonders was geweest.
Het was gewoon pech voor de islamitische wereld, en voor India, China en Afrika ook, dat uitgerekend het meest bigotte en seksueel onhandigste deel van de wereld de toon ging aangeven. Dat heeft diepe sporen nagelaten.

Terug naar Inhoud

Enkele correcties over de islam

In de hetze die nu al vijftien jaar aan de gang is tegen de islam worden massa’s desinformatie verbreid. Rare pruiken en varkensmutsen zijn niet toegankelijk voor informatie van buiten, maar aan de vooravond van de fascistische machtsovername kan het misschien geen kwaad, wél denkende mensen wat correcties mee te geven voor de donkere jaren.
Wie hier vaker leest, weet dat een aantal onderwerpen al eerder uitgebreider aan de orde was geweest. Ik verwijs met een link naar die bladzijden.

‘De islam zegt … .’
‘De islam’ is geen persoon en geen rechtspersoon. Hij kan niet praten, hij kan niet doen. Zinnen als: De islam is oorlogszuchtig, de islam is vrede, de islam onderdrukt vrouwen, de islam is heel goed voor vrouwen, de islam zegt … zijn onzin.
De islam wil/kan/verbiedt/beveelt niets, is geen vrede en geen oorlog; het zijn altijd moslims die iets doen of laten, en daarvan zijn er meer dan een miljard, die niet allemaal hetzelfde willen of doen.

‘De islam is geen godsdienst, maar een ideologie’
Als je de islam tot ideologie verklaart, zou hij misschien in sommige landen verboden kunnen worden. Een godsdienst verbieden gaat meestal moeilijker; in de meeste grondwetten staat wel iets over vrijheid van godsdienst.
Maar in de islam is er een hoofrol weggelegd voor een God, die de wereld heeft geschapen en haar in stand houdt, die van eeuwigheid een heilige schrift bij zich had, deze aan profeten heeft geopenbaard en aan het einde der tijden de mensheid zal richten. Zo’n stelsel noemen wij godsdienst, per definitie. Als de islam geen godsdienst is, bestaat er helemaal geen.

‘Maar de koran zegt toch …?’
Wat staat er in de koran? Zoals alle heilige schriften ‘zegt’ de koran ongeveer alles, maar ook zijn tegendeel. Boodschappen van liefde en haat; meedogenloosheid en ontferming. Het heeft dus geen zin in de stijl van Jehova-getuigen allerlei discussies te voeren op basis van enkele eenzijdig gekozen koranverzen.
Bovendien staat ook heel veel niet in de koran. Het boek is slechts goed voor een deel van de geloofsopvattingen van moslims en van het islamitisch recht (sharia). Niet in de koran staan, om maar ergens te beginnen: sharia, kalifaat, de bestraffing in het graf, martelaren direct naar het paradijs, 72 maagden, honden en katten, het verbod op afbeeldingen van levende wezens, vijf maal per dag bidden, steniging. Een kwestie van interpretatie zijn: de sluiering van vrouwen, verbod op alcohol e.v.a.
Let wel: als iets niet in de koran staat, is het daarom niet onislamitisch.

‘Mohammed was …’
Duizenden pagina’s tekst berichten over het handelen van Mohammed, maar die hebben geen waarde als bron voor wetenschappelijke geschiedschrijving. Met behulp van die teksten kan iedereen de profeet knutselen die hem/haar aanstaat: een strenge rechter, een milde rechter, oorlogszuchtig, een vredestichter, vrouwvriendelijk of juist niet, een vaderlijke figuur, meedogenloos, zedelijk hoogstaand of veeleer bedacht op zijn eigen belang, een held, een kinderschender, menselijk-zwak, altijd bereid tot een compromis of juist onbuigzaam, kiest u maar!
Over de historische Mohammed is heel weinig bekend. Enkele vroege teksten over hem dateren van zestig(!) jaar na zijn dood, de meeste zijn aanzienlijk jonger. We weten dus bij voorbeeld in geen velden of wegen of hij getrouwd was met een klein meisje. Daarover bestaat slechts één oud tekstje, dat niet zo heilig is dat moslims het beslist voor waar moeten houden, en niet-moslims hoeven dat zeker niet. Een ander voorbeeld: de verhalen over de uitroeiing van joodse stammen door Mohammed zijn al in 2008 ontmaskerd als fictie.

‘De Koran is het werk van Mohammed.’
Nee hoor. Het is niet aantoonbaar dat de Koran door God in afleveringen gedurende twaalf, dertien jaar aan de profeet Mohammed is geopenbaard, zoals Moslims geloven. Maar hij is ook niet geschreven door Mohammed, zoals in Europa lang is aangenomen. Heel vroeger heette het al: de koran kon niet van God stammen want die was de God van de bijbel; Mohammed had het boek met kwaadaardige bedoelingen zelf verzonnen. Later geloofde men dat God niet bestaat en dat Mohammed de auteur moest zijn omdat die het dichtst bij het ontstaan van de tekst zat. Hij heeft de koran zelf geschreven, daarbij zwaar leunend op de joodse en christelijke traditie.
Met de openbaring door God kunnen moderne onderzoekers niets beginnen, maar met het auteurschap van Mohammed ook steeds minder. De meesten van hen zien in de koran een anonieme tekst, of veeleer een verzameling van verschillende soorten tekst, die mogelijk ook verschillende herkomsten hebben.
De bundeling van al die teksten in één boek vond plaats tussen ± 650 en 700. Zonder twijfel waren er tevoren al losse gedeelten in omloop. Deze zijn van groot belang geweest voor de snelle maatschappelijke veranderingen in Arabië, de vereniging van de Arabische stammen en de enorme Arabische veroveringen vanaf 632. Meer lezen? Hier.

‘De islam is in de Middeleeuwen blijven hangen.’
Het Nabije Oosten heeft nooit Middeleeuwen gekend. Toen in Europa de vroege, ook wel ‘donkere’ Middeleeuwen aanbraken, ging daarginds de Oudheid gewoon door. Daarna brak er een uitgesproken bloeitijd aan, waarin het Europa verre vooruit was: in industrie, handel en economie, in het bankwezen, de wetenschap, de inrichting van de maatschappij en zelfs in de theologie. Wel raakte het Nabije Oosten de islamitische wereld omstreeks 1800 in verval, doordat handelsroutes veranderd waren (Amerika!), door achterblijvende bewapening en door koloniale machtsuitoefening vanuit Europa. Maar het zou onjuist zijn om de tijd daarvóór middeleeuws te noemen, een begrip dat met Europese geschiedschrijving te maken heeft en misschien ook daar misplaatst is.

‘De islam is een woestijngeloof.’
Het ontstaansgebied en de westhelft van het verspreidingsgebied van de islam is een aride en semi-aride gordel waar inderdaad veel woestijnen zijn. Maar daar woont niemand permanent; men vestigt zich wijselijk in de vruchtbare gebieden die er ook zijn, in de rivierdalen en -delta’s, en in steden. De nomadische woestijnbewoners, de bedoeïenen, zijn vanouds meestal weinig tot religie geneigd; daarover wordt in de koran al geklaagd.
De islam is voor een deel ontstaan in de stad Mekka en de oase Medina, heeft omstreeks 700 pas goed vorm gekregen in Syrië en is een eeuw later nog weer eens grondig omgewerkt in Irak. Later kreeg iedere periode en iedere streek zijn eigen vorm van islam.

‘Stenigen is een middeleeuwse straf.’
Nee, stenigen op basis van een vonnis van een bevoegde rechtbank wordt pas sinds de twintigste eeuw, vooral na 1979, in enkele landen gedaan en is alweer op zijn retour, waarschijnlijk omdat het een erg onpraktische manier van terechtstelling bleek. Vóór de twintigste eeuw werd er niet op grond van een vonnis gestenigd. Weliswaar wordt steniging in geval van overspel in enkele oude rechtsbronnen duidelijk voorgeschreven, maar de juristen wisten zich daar met behulp van andere rechtsbronnen en redeneertrucs handig onderuit te draaien: leven en laten leven was altijd het devies. Bij onderzoek is er slechts één geval van steniging in het Ottomaanse Rijk gevonden: omstreeks 1670. De rechter die dat vonnis wees werd onmiddellijk ontslagen; tijdgenoten waren verontwaardigd over het geval.

‘De Islam heeft een Verlichting nodig.’
Je hoort soms dat het met ‘de islam’ zonder een proces van Verlichting nooit meer goed komt. Maar in de negentiende eeuw waren het de rechtlijnigheid van de Verlichting met zijn ondubbelzinnigheid, zijn klare taal en zijn gecodificeerde wetten (Code Napoléon) en de invloed van Europa (dat men in het Nabije Oosten toen nog graag nabootste) die moslims ertoe hebben gebracht hun soepele omgang met oude teksten overboord te gooien en ze voortaan allemaal letterlijk te willen nemen, zonder oog voor alternatieve interpretaties. De ambiguïteitstolerantie, die vanouds een kenmerk was van de islamitische beschaving, is in de negentiende en twintigste eeuw door de Verlichting grotendeels verloren gegaan. Het Nabije Oosten werd een platte en tweederangs imitatie van Europa.
Moslims hebben de Verlichting dus wel degelijk leren kennen, maar die is hun slecht bekomen.

Wordt vervolgd

Terug naar Inhoud

Mogen vrouwen naar de moskee?

Er was iemand die erop wees dat de profeet Mohammed vrouwen weliswaar had toegestaan naar de moskee te gaan, maar toch liever had dat ze thuis bleven. Dat werd onderbouwd met één (wat knullig vertaalde) hadith: ‘Houd jullie vrouwen niet tegen om in de moskeeën te bidden, maar hun huizen zijn beter voor hun.’
Ik heb geantwoord, dat er ook andere hadithen bestaan en dat je nooit slechts één hadith moet citeren. Pas als je alle hadithen over een onderwerp bij elkaar hebt zie je waar het in die teksten om gaat. Maar dat zal vaak een ideaal blijven, want dat is werk ter grootte van een doctoraalscriptie of zelfs een proefschrift. Daar kan ik nu niet aan beginnen, dus ik blijf maar aan de oppervlakte. In de gauwigheid heb ik 22 hadithen over de kwestie bij elkaar gesprokkeld in de meest gezaghebbende hadithverzamelingen, de zog. Negen Boeken. Er zijn er zonder twijfel véél meer. Zij behoeven nog nadere analyse; sommige zijn echt tricky! Het is eigenlijk hoog tijd dat de hadith-literatuur, die iedereen zo belangrijk vindt, eens grondig geanalyseerd wordt, in plaats van dat er steeds een willekeurig citaat uit wordt aangeboden. Maar wie gaat die studie doen?

Een niet-moslim hoeft niet te geloven dat die ene, of al deze 22 hadithen werkelijk op Mohammed teruggaan. Gelukkig maar, want dan zou de profeet wel erg veel meningen over het onderwerp gehad hebben. Wat zulke teksten laten zien is dat het uitgaan van vrouwen naar de moskee kennelijk ooit ergens een onderwerp van discussie was. Duidelijk is ook dat in deze teksten de profeet als voorstander wordt neergezet en dat het verzet ertegen vooral bij kalief ‘Umar en diens nageslacht te vinden was (hadith 4–6). Dat is vaak het geval in deze literatuur. Maar ook (Ibn) ‘Umars verzet is niet historisch. “Umar” staat voor de rechtsschool van Medina, die heel wat strenger was dan de scholen van Irak, waar de meeste hadithen vandaan kwamen. Zie over dat onderwerp mijn Terugwerkende kracht.

Ik ga er voorlopig maar vanuit dat deze discussie omstreeks 720–750 heeft plaatsgehad, ofschoon ik het niet kan bewijzen (zie Datering van hadithen).

De hadith waarin de profeet vrouwen toestond naar de moskee te gaan was blijkbaar overal stevig gevestigd. Tegenstanders konden die tekst niet wegwerken, maar ze probeerden wel hun standpunt door te zetten door eraan te knutselen of toe te voegen. Ook dat gebeurt heel vaak in de wereld van de hadith; een echte bestudering van die literatuur zou dat aan het licht brengen.

Wat zou er eventueel kunnen pleiten tegen de aanwezigheid van vrouwen in de moskee? Zij zouden storend of verleidend kunnen zijn, of mannen in een kwetsbare positie zien. De vrouwen bidden immers achter de mannen; als zij opkijken hebben zij uitzicht op een hele rij mannenachterwerken. Dit kan tot ongewenste toestanden leiden (hadith 19). Daarom moeten ze het gebed maar wat eerder verlaten, of althans wat later opkijken.

Verwante onderwerpen die men ook zou kunnen bestuderen: Het uitgaan van vrouwen ’s avonds naar het toilet. De vrouw als afleiding van het het gebed.

In die 22 hadithen onderscheid ik – voorlopig — de volgende motieven: Mogen vrouwen naar de moskee?
– Vrouwen mogen van de profeet naar de moskee (variant: als hun man het goed vindt).
– Ze mogen, maar het is beter dat ze thuisblijven.
– Ze mogen/moeten op feestdagen, alleen menstruerende vrouwen met beperking.
– Ze mogen, maar niet opgedirkt en in sjieke kleren.
– Ze mogen, maar alleen ’s nachts. [In het donker storen of verleiden ze niemand.]
– Natuurlijk mogen vrouwen in de moskee; ze zíjn er gewoon.
– Vrouwen zijn in de moskee, maar ze moeten eerder weg [om confrontaties met mannen te voorkomen].

Hier volgen de teksten in mijn vertalingen; deze zullen nog iets verbeterd worden. Daarna volgen de Arabische teksten met bronverwijzingen.

Vrouwen mogen van de profeet naar de moskee
1.  De profeet heeft gezegd: “Verbiedt Gods dienstmaagden niet naar Gods moskeeën te gaan!”
2. De profeet heeft gezegd: “Als jullie vrouwen je toestemming vragen om naar de moskee te gaan, geeft haar die dan!”
3. De profeet heeft gezegd: “Als de vrouw van een van jullie om toestemming vraagt [om naar de moskee te gaan], verbiedt het haar dan niet!”

4. Ik heb de profeet horen zeggen: “Verbiedt jullie vrouwen niet , naar de moskee te gaan, als zij jullie om toestemming daarvoor vragen!”
‘Abdallāh [ibn ‘Umar]s zoon Bilāl zei: Bij God, maar natuurlijk verbieden wij hun dat! Daarop liep ‘Abdallāh op hem af en schold hem zo vreselijk uit als ik het hem nog nooit had horen doen, en hij zei: Ik lever jou iets over van de profeet en dan zeg jij: Bij God, wij verbieden ze dat!
5. De profeet heeft gezegd: “Verbiedt de vrouwen niet ’s nachts naar de moskeeën te gaan!”
Een zoon van ‘Abdallāh ibn ‘Umar zei: … wij laten hen niet uitgaan, zodat ze er geen aanleiding tot slechtheid van maken. Maar zijn vader gaf hem een standje en zei: Ik zeg: De profeet heeft gezegd: Verbiedt ze niet …! en jij zegt: We laten hen niet uitgaan … !
6. Een vrouw van ‘Umar nam deel aan het gemeenschappelijke ochtendgebed en het avondgebed in de moskee. Iemand vroeg haar: Waarom ga jij uit? Je weet toch dat ‘Umar daar een hekel aan heeft en dat hij jaloers is?
– En wat zou hem beletten het mij te verbieden?
– De hadith van de profeet: “Verbiedt Gods dienstmaagden niet naar Gods moskeeën te gaan,” die belet hem dat.

Vrouwen mogen, maar thuisblijven is beter
7. De profeet heeft gezegd: Verbiedt jullie vrouwen niet naar de moskeeën te gaan, maar hun huizen zijn beter voor hen.

Vrouwen mogen op feestdagen, moeten zelfs, alleen menstruerende vrouwen niet of beperkt.
8. De profeet beval ons, [op feestdagen] huwbare meisjes, die in afzondering leven, [naar de moskee] te laten gaan. En hij beval menstruerende vrouwen van de gebedsplaats der moslims verre te houden.
9. Ons werd bevolen naar buiten te gaan op de feestdagen: de vrouwen die binnengehouden worden en de maagden. Menstruerende vrouwen gaan met jullie naar buiten ná de andere mensen en zeggen de takbīr samen met de andere mensen.

Ze mogen, maar niet opgetut
10. Als de profeet had geweten hoe vrouwen er tegenwoordig uitzien dan had hij hun verboden naar de moskee te gaan, zoals dat ook de vrouwen van de Israëlieten verboden was. (Ik vroeg ‘Amra: Was het de vrouwen van de Israëlieten dan verboden naar de moskee te gaan? Ja, zei ze.)
11. “Verbiedt Gods dienstmaagden niet naar Gods moskeeën te gaan, maar laat ze ongeparfumeerd uitgaan!” Aisha zei: Als de profeet had gezien hoe ze er tegenwoordig bijlopen had hij het hun verboden.
12. De profeet zat eens in de moskee toen er een vrouw uit Muzayna in een prachtig gewaad kwam binnenparaderen. Toen zei de profeet: “Mensen, verbiedt jullie vrouwen prachtige gewaden te dragen en in de moskee te lopen pronken!  Want de Israëlieten werden pas vervloekt toen hun vrouwen prachtgewaden gingen dragen en liepen te pronken in de moskeeën.”

Ze mogen ’s nachts
5. De profeet heeft gezegd: “Verbiedt de vrouwen niet ’s nachts naar de moskeeën te gaan!”
Een zoon van ‘Abdallāh ibn ‘Umar zei:Wij laten hen niet uitgaan, zodat ze er geen aanleiding tot slechtheid van maken. Maar zijn vader gaf hem een standje en zei: Ik zeg: De profeet heeft gezegd: Verbiedt ze niet …! en jij zegt: We laten hen niet uitgaan … !
13. De profeet heeft gezegd: “Jullie moeten de vrouwen toestaan, ’s nachts naar de moskeeën te gaan.”
14. De profeet heeft gezegd: “Als jullie vrouwen je toestemming vragen ’s nachts naar de moskee te gaan, geef haar die dan!”
15. Als de profeet het ochtendgebed verrichtte gingen de vrouwen weg, gehuld in hun wollen gewaden, onherkenbaar in het nachtelijk duister.
16. De profeet [bleef wachten] in het eerste derde van de nacht, tot ‘Umar tegen hem riep: De vrouwen en kinderen zijn gaan slapen. Dan ging de profeet naar buiten en zei: “Niemand ter wereld wacht hierop behalve jullie.” (In die tijd werd alleen in Medina het gebed verricht, en men deed dat in het eerste derde van de nacht, tussen het moment dat het avondrood was verdwenen tot een derde van de nacht.)
17. De profeet verrichtte het vroege ochtendgebed in de morgenschemering en dan gingen de vrouwen der gelovigen weg, onherkenbaar in de ochtendschemer (variant: elkaar niet herkennend).

Vrouwen zijn normaal in de moskee
18. De profeet heeft gezegd: Als ik het gebed ga verrichten en ik wil het lang maken en als ik dan het huilen van een klein kind hoor dan raffel ik mijn gebed af, omdat ik er een hekel aan heb, de moeder te storen.
19. Ik heb mannen gezien die hun lendendoek om hun nek hadden geknoopt als kleine jongens, omdat hun lendendoek niet groot genoeg was, en zo achter de profeet het gebed verrichtten. Iemand zei: Vrouwen! Jullie moeten je hoofd niet opheffen voordat de mannen dat doen!”

Vrouwen normaal in de moskee, maar moeten eerder weg o.i.d.
20. De profeet was gewoon, als hij de taslīm uitsprak, een weinig te dralen. Men was van mening dat dat was om de vrouwen vóór de mannen weg te laten gaan.
21. Als de profeet de taslīma uitsprak stonden de vrouwen op als hij deze beëindigde, terwijl hij nog een beetje op zijn plek bleef alvorens op te staan. Wij denken, maar God weet het het best, dat dat was om de vrouwen weg te laten gaan vóór de mannen hen zouden inhalen.
22. In de tijd van de profeet stonden de vrouwen op als ze klaar waren met de voorgeschreven taslīma, terwijl de profeet en degenen die met hem het gebed verrichtten nog bleven. En als de profeet opstond stonden ook de andere mannen op.

NOTEN BIJ DE HADITHEN

1.  حدثنا محمد بن عبد الله بن نمير حدثنا أبي وابن إدريس قالا حدثنا عبيد الله عن نافع عن ابن عمر أن رسول الله ص قال لا تمنعوا إماء الله مساجد الله. Muslim, Ṣalāt 136
2. حدثنا عبد الله حدثني أبي ثنا ابن نمير ثنا حنظلة سمعت سالما يقول سمعت ابن عمر يقول سمعت رسول الله ص يقول: إذا استأذنكم نساؤكم الى المساجد فأذنوا لهن. Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad ii, 143
3. حدثنا مسدد حدثنا يزيد بن زريع عن معمر عن الزهري عن سالم بن عبد الله عن أبيه عن النبي صلى الله عليه وسلم إذا استأذنت امرأة أحدكم فلا يمنعها. Bukhārī, Ādhān 166 = ± Muslim, Ṣalāt 134
4. حدثني حرملة بن يحيى أخبرنا ابن وهب أخبرني يونس عن ابن شهاب قال أخبرني سالم بن عبد الله أن عبد الله بن عمر قال سمعت رسول الله ص يقول لا تمنعوا نساءكم المساجد إذا استأذنكم إليها قال فقال بلال بن عبد الله والله لنمنعهن قال فأقبل عليه عبد الله فسبه سبا سيئا ما سمعته سبه مثله قط وقال أخبرك عن رسول الله ص وتقول والله لنمنعهن. Muslim, Ṣalāt 135
5=13. حدثنا أبو كريب حدثنا أبو معاوية عن الأعمش عن مجاهد عن ابن عمر قال قال رسول الله ص لا تمنعوا النساء من الخروج إلى المساجد بالليل فقال ابن لعبد الله بن عمر لا ندعهن يخرجن فيتخذنه دغلا قال فزبره ابن عمر وقال أقول قال رسول الله ص وتقول لا ندعهن. Muslim, Ṣalāt 138, ± 139; = ± Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad ii, 143
6. حدثنا يوسف بن موسى حدثنا أبو أسامة حدثنا عبيد الله بن عمر عن نافع عن ابن عمر قال كانت امرأة لعمر تشهد صلاة الصبح والعشاء في الجماعة في المسجد فقيل لها لم تخرجين وقد تعلمين أن عمر يكره ذلك ويغار قالت وما يمنعه أن ينهاني قال يمنعه قول رسول الله ص لا تمنعوا إماء الله مساجد الله. Bukhārī, Djum‘a 13 
7.  حدثنا عثمان بن أبي شيبة حدثنا يزيد بن هارون أخبرنا العوام بن حوشب حدثني حبيب بن أبي ثابت عن ابن عمر قال: قال رسول الله ص لا تمنعوا نساءكم المساجد وبيوتهن خير لهن. Abū Dāwūd, Ṣalāt 52
8.  حدثني إبو الربيع الزهراني حدثنا حماد حدثنا أيوب عن محمد عن أم عطية قالت: أُمرنا (تعني النبي ص) أن نخرج في العيدين العواتق وذوات الخدور وإمرالحيض أن يعتزلن مصلى المسلمين. , Muslim, ‘Īdain 10
9. حدثنا يحيى بن يحيى أخبرنا أبو خيثمة عن عاصم الأحول عن حفصة بنت سيرين عن أم عطية قالت كنا نؤمر بالخروج في العيدين والمخبأة والبكر قالت الحيض يخرجن فيكن خلف الناس يكبرن مع الناس. Muslim, ‘Īdayn 11
10.  حدثنا عبد الله بن يوسف قال أخبرنا مالك عن يحيى بن سعيد عن عمرة عن عائشة رضي الله عنها قالت لو أدرك رسول الله صلى الله عليه وسلم ما أحدث النساء لمنعهن كما منعت نساء بني إسرائيل قلت لعمرة أومنعن قالت نعم. Bukhārī, Ādhān 163d = Muslim, Ṣalāt 144
11. حدثنا عبد الله حدثني أبي ثنا الحكم ثنا عبد الرحمن بن أبي الرجال فقال أبي يذكره عن أمه عن عائشة عن النبي ص قال: لا تمنعوا إماء الله مساجد الله وليخرجن تفلات. قالت: عائشة: ولو رأى حالهن اليوم منعهن.  Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad vi, 69–70
12.  حدثنا أبو بكر بن أبي شيبة وعلي بن محمد قالا حدثنا عبيد الله بن موسى عن موسى بن عبيدة عن داود بن مدرك عن عروة بن الزبير عن عائشة قالت بينما رسول الله ص جالس في المسجد إذ دخلت امرأة من مزينة ترفل في زينة لها في المسجد فقال النبي ص يا أيها الناس انهوا نساءكم عن لبس الزينة والتبختر في المسجد فإن بني إسرائيل لم يلعنوا حتى لبس نساؤهم الزينة وتبخترن في المساجد. Ibn Mādja, Fitan 19
13=5. حدثنا أبو كريب حدثنا أبو معاوية عن الأعمش عن مجاهد عن ابن عمر قال قال رسول الله ص لا تمنعوا النساء من الخروج إلى المساجد بالليل فقال ابن لعبد الله بن عمر لا ندعهن يخرجن فيتخذنه دغلا قال فزبره ابن عمر وقال أقول قال رسول الله ص وتقول لا ندعهن. Muslim, Ṣalāt 138, ± 139; = ± Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad ii, 143
14. حدثنا عبد الله بن محمد حدثنا شبابة حدثنا ورقاء عن عمرو بن دينار عن مجاهد عن ابن عمر عن النبي ص قال ائذنوا للنساء بالليل إلى المساجد. Bukhārî, Djum‘a 13
15.  حدثنا عبيد الله بن موسى عن حنظلة عن سالم بن عبد الله عن ابن عمر ر عن النبي ص قال إذا استأذنكم نساؤكم بالليل إلى المسجد فأذنوا لهن. Bukhārī, Ādhān 162b, Muslim, Ṣalāt 137
16. حدثنا عبد الله بن مسلمة عن مالك ح وحدثنا عبد الله بن يوسف قال أخبرنا مالك عن يحيى بن سعيد عن عمرة بنت عبد الرحمن عن عائشة قالت إن كان رسول الله ص ليصلي الصبح فينصرف النساء متلفعات بمروطهن ما يعرفن من الغلس. Bukhārī, Ādhān 163b
17.  حدثنا أبو اليمان قال أخبرنا شعيب عن الزهري قال أخبرني عروة بن الزبير عن عائشة رضي الله عنها قالت أعتم رسول الله ص بالعتمة حتى ناداه عمر نام النساء والصبيان فخرج النبي صلى الله عليه وسلم فقال ما ينتظرها أحد غيركم من أهل الأرض ولا يصلى يومئذ إلا بالمدينة وكانوا يصلون العتمة فيما بين أن يغيب الشفق إلى ثلث الليل الأول. Bukhārī, Ādhān 162a
18.  حدثنا يحيى بن موسى حدثنا سعيد بن منصور حدثنا فليح عن عبد الرحمن بن القاسم عن أبيه عن عائشة رضي الله عنها أن رسول الله ص كان يصلي الصبح بغلس فينصرفن نساء المؤمنين لا يعرفن من الغلس أو لا يعرف بعضهن بعضا. Bukhārī, Ādhān 165
19. حدثنا محمد بن مسكين قال حدثنا بشر بن بكر أخبرنا الأوزاعي حدثني يحيى بن أبي كثير عن عبد الله بن أبي قتادة الأنصاري عن أبيه قال قال رسول الله صلى الله عليه وسلم إني لأقوم إلى الصلاة وأنا أريد أن أطول فيها فأسمع بكاء الصبي فأتجوز في صلاتي كراهية أن أشق على أمه. Bukhārī, Ādhān 163c
20. حدثنا أبو بكر بن أبي شيبة حدثنا وكيع عن سفيان عن أبي حازم عن سهل بن سعد قال لقد رأيت الرجال عاقدي أزرهم في أعناقهم مثل الصبيان من ضيق الأزر خلف النبي ص فقال قائل يا معشر النساء لا ترفعن رءوسكن حتى يرفع الرجال. Muslim, Ṣalāt 133
21.  حدثنا محمد بن يحيى ومحمد بن رافع قالا حدثنا عبد الرزاق أخبرنا معمر عن الزهري عن هند بنت الحارث عن أم سلمة قالت كان رسول الله ص إذا سلم مكث قليلا وكانوا يرون أن ذلك كيما ينفذ النساء قبل الرجال. Abū Dāwūd, Ṣalāt 196
22.  حدثنا يحيى بن قزعة قال حدثنا إبراهيم بن سعد عن الزهري عن هند بنت الحارث عن أم سلمة رضي الله عنها قالت كان رسول الله ص إذا سلم قام النساء حين يقضي تسليمه ويمكث هو في مقامه يسيرا قبل أن يقوم قال نرى والله أعلم أن ذلك كان لكي ينصرف النساء قبل أن يدركهن أحد من الرجال. Bukhārī, Ādhān 164a, 166b
23. حدثنا عبد الله بن محمد حدثنا عثمان بن عمر أخبرنا يونس عن الزهري قال حدثتني هند بنت الحارث أن أم سلمة زوج النبي صلى الله عليه وسلم أخبرتها أن النساء في عهد رسول الله صلى الله عليه وسلم كن إذا سلمن من المكتوبة قمن وثبت رسول الله صلى الله عليه وسلم ومن صلى من الرجال ما شاء الله فإذا قام رسول الله صلى الله عليه وسلم قام الرجال. Bukhārī, Ādhān 163a

Terug naar Inhoud

Aisja, een geval van accommodatie

Ja hoor, er kwam weer zo’n vraag binnen: ‘Wat zegt de Koran over Aisja?’1 Niets, geachte lezers, helemaal niets.2 Maar moslims hebben sinds eeuwen gemeend toch iets over haar in de Schrift te kunnen lezen. Koran 24:11 bij voorbeeld zou zelfs over haar geopenbaard zijn:

Zij die de leugen hebben verbreid zijn slechts een kleine groep onder u. Beschouwt het niet als iets slechts voor u, neen, het is juist iets goeds. Ieder van hen wordt de zonde die hij begaan heeft aangerekend, maar de grootste boosdoener wacht een ontzaglijke straf.

En eigenlijk horen de volgende verzen daar nog bij:

Hadden de gelovige mannen en vrouwen, toen jullie het hoorden, maar iets goeds bij zich zelf gedacht. […] Toen jullie elkaar napraatten en oppervlakkig spraken over iets waarover jullie niets wisten, en dat jullie onbelangrijk vonden, terwijl het toch bij God zwaar weegt. [Koran 24:12–15]

Ziet U hier iets over Aisja? In geen velden of wegen. Hier iets over haar te lezen lukt alleen als U een heel verhaal op de koop toe neemt, namelijk dat van de ‘leugen’ (al-ifk), dat dateert van decennia na de koran en niet teruggaat op de profeet, zoals dat bij hadithen graag wordt gezien, maar op verschillende vertellers. Dat verhaal loopt alsvolgt: Aisja blijft tijdens een reis even achter. De karavaan vertrekt zonder te bemerken dat zij ontbreekt. Zij wordt terugbezorgd door een man, en dadelijk circuleert het gerucht dat deze de situatie misbruikt heeft. Een lastercampagne komt op gang, die zelfs de profeet niet onberoerd laat: hij negeert Aisja een tijdlang. Het verhaal zelf vindt U hier. Tenslotte komt alles nog goed, doordat God zelf ingrijpt en de bovenstaande koranverzen openbaart, waardoor Aisja van schuld wordt vrijgepleit en de schuldigen straf wordt aangezegd. Dit alles ‘weten’ we dus uit dat verhaal, dat niet uit de koran stamt, maar uit de profetenbiografie. Het wordt eeuw in, eeuw uit in korancommentaren en profetenbiografiën herhaald, maar omdat de schrijvers daarvan slechts gewone mensen waren — heiligen of kerkvaders kent de islam niet — is niemand eraan gebonden.

Als er veel korantekst in een verhaal zit zijn er grof gezegd twee mogelijkheden. 1. De korantekst staat centraal en het verhaal dient om die korantekst te verklaren. Dat heet koranexegese of tafsīr. 2. Er was eerst een verhaal en om dat overtuigender of stichtelijker te maken worden daar koranverzen in aangebracht; verzen die oorspronkelijk misschien heel ergens anders over gingen. Dat heet ‘koraniseren’.
In ieder geval zal de korantekst tenminste enkele tientallen jaren ouder zijn dan het verhaal.

Het verhaal over Aisja’s onschuld diende om een lastercampagne over haar onkuisheid te ontkrachten. Waarom zou iemand de bloedjonge vrouw van de profeet willen bezwadderen, een of twee jaar na hun huwelijk? Dat moet pas veel later zijn gedaan, met terugwerkende kracht, toen de profeet allang dood was en toen Aisja politiek actief was en in conflict met kalief ‘Alī (reg. 656–661). De auteur(s) doen overdreven veel moeite om de onschuld van Aisja aan te tonen en ze trekken daarbij alle registers open, ook koranische, want die klinken heerlijk vroom. Een oorspronkelijk verband tussen het verhaal en die koranverzen zie ik niet. De koran is erbij gesleept.

Aisja is lang niet het enige onderwerp waarover moslims graag iets in de koran hadden gelezen en dat uiteindelijk ook doen.2

———–

Mulier amicta sole

Mulier amicta sole

Ik was benieuwd of christenen ook zulke gevallen kennen en inderdaad, bij de Maagd Maria, de topvrouw van de christenen, was het meteen raak. Over haar staat wel iets in de bijbel (het bekende ‘kerstverhaal’ plus nog enkele andere snippers), maar voor de miljoenen echte Maria-vereerders was dat blijkbaar niet genoeg. Men heeft dus een aantal bijbelteksten geherinterpreteerd om aan hun verlangens te voldoen. In Openbaring 12:1 is bij voorbeeld sprake van ‘een vrouw bekleed met de zon, met de maan onder haar voeten en een krans van twaalf sterren op haar hoofd.’ 3 Zij is hoogzwanger en een zevenkoppige draak staat al te wachten om haar kind te verslinden, maar dat wordt gered en naar de Heer gebracht. Je zou hierbij inderdaad even aan de moeder Gods kunnen denken, want dat kind is ‘een zoon, die alle volken met een ijzeren herdersstaf zal hoeden,’ en die ijzeren staf is vlgs. 19:14 ook het attribuut van Christus. Maar dan had de auteur van de Openbaring wel een heel andere visie op Jezus en zijn moeder dan de evangelisten. Misschien had hij eerder Eva, of de vrouw in het algemeen in zijn hoofd: al in Genesis 3:15 wordt immers de strijd tussen de slang en de vrouw en haar nageslacht voorzegd.4

Turris davidica

Turris davidica

Nog vergezochter is het, Maria te ontdekken in Hooglied 4:4, waar ‘Salomo’ over zijn geliefde dicht: ‘Je hals is als de toren van David (turris davidica) die in ringen is gebouwd, die met schilden is behangen, met wel duizend schilden van helden.’5 Dat wordt door de katholieke Christenheid ook op Maria betrokken. Ieder verband met de pas eeuwen later levende moeder van Jezus lijkt hier ver te zoeken. De behoefte aan bijbelverzen over haar was blijkbaar zo enorm dat ook dit vers voor het gewenste doel kon worden aangewend. Dat heet accomodatie: een dogmatisch correcte en liturgisch bruikbare toepassing van een schriftwoord of een heilige persoon of zaak, die echter geen steun vindt in de tekst. Het punt van vergelijking is in dit geval blijkbaar de stevigheid van een toren en de bescherming die ervan uitgaat.

Een geval van accomodatie waar ook de protestanten aan meedoen is in de woorden: ‘… Gods wind/geest(?) zweefde over het water’ (Genesis 1: 2)6 de Heilige Geest, het derde lid van de Heilige Drieëenheid/Drievuldigheid, te ontdekken.

Zonder twijfel bestaan er nog veel meer bijbelverzen waarin men heel andere onderwerpen zonder steun van de tekst behandeld heeft gezien.

Moslims en christenen hebben verschillende werkwijzen, maar allen bedienen zij zich vrijmoedig bij hun heilige schrift, wanneer zij daarin iets willen lezen dat er niet in staat. Tot de eigenschappen van heilige schriften behoort, dat zij schier oneindig rekbaar zijn, tot ver buiten de grenzen van hun tekst.

NOTEN
1. Naar verluidt was Aisja de lievelingsvrouw van de profeet Mohammed. Zie over haar hier en hier en hier.
2. Er staat heel veel niet in de koran; zie daarover hier
3. Mulier amicta sole et luna sub pedibus eius et in capite eius corona stellarum duodecim. Het oorspronkelijke Grieks kunt U natuurlijk ook krijgen: γυνὴ περιβεβλημένη τὸν ἥλιον, καὶ ἡ σελήνη ὑποκάτω τῶν ποδῶν αὐτῆς, καὶ ἐπὶ τῆς κεφαλῆς αὐτῆς στέφανος ἀστέρων δώδεκα, maar zulke dingen klinken in het Latijn vaak veel beter.
4. En de woorden ‘haar nageslacht’ (τοῦ σπέρματος ἀυτῆς, de semine eius) worden weer opgepakt in Openbaring 12:17.
5. Sicut turris David collum tuum, quae aedificata est cum propugnaculis: mille clipei pendent ex ea, omnis armatura fortium. כְּמִגְדַּל דָּוִיד צַוָּארֵךְ, בָּנוּי לְתַלְפִּיּוֹת; אֶלֶף הַמָּגֵן תָּלוּי עָלָיו, כֹּל שִׁלְטֵי הַגִּבֹּרִים.
6. וְרוּחַ אֱלֹהִים, מְרַחֶפֶת עַל-פְּנֵי הַמָּיִם, et spiritus Dei ferebatur super aquas.

Terug naar Inhoud

AM: De Rotskoepel in Jeruzalem

800px-Dome_of_the_Rock_Jerusalem_Victor_2011_-1-7(Fragment. Ter verduidelijking kunt U eerst dit lezen)

Het mooiste bouwwerk tussen Damascus en Cairo is de zevende-eeuwse Rotskoepel in Jeruzalem. Het staat op het plateau waar ooit de Tempel van Salomo gestaan moet hebben. Hoewel niet groot is het een dominerend gebouw, dat je van vele plaatsen uit de verte ziet. Toen er nog geen hoogbouw was moet dat nog meer het geval geweest zijn. Hier kunt U er een virtuele wandeling langs en doorheen maken. Naar verluidt mogen alleen moslims er naar binnen; ik ben er twintig jaar geleden nog wel in geweest.

domerockinterior2Het is een achthoekig gebouw met een rond binnenwerk (rotunda). Een moskee is het niet; die stond en staat een eindje verder op dat plateau. In het midden van de koepel ligt een flink rotsblok met een balustrade eromheen. Bezoekers kunnen er rondjes omheen lopen. Waarom zouden ze dat doen, vraagt U zich misschien af, maar dat wordt bij de zwarte steen in de Ka‘ba te Mekka ook gedaan. Ook het christendom en vele andere godsdiensten kennen religieus betekenisvolle ‘ommegangen’.

Het was kalief ‘Abd al-Malik die de Rotskoepel heeft laten bouwen, zo tussen 688 en 692. Waarom? Vroege schriftelijke bronnen vermelden het gebouw met geen woord, maar er zijn verschillende theorieën over.

Eén verklaring is de nog woedende burgeroorlog: Syriërs zouden de bedevaart naar Mekka niet hebben kunnen of willen maken omdat daar kalief ‘Abdallāh ibn al-Zubayr heerste en onder de pelgrims anti-Umayyadische propaganda bedreef. Daarom moest er een alternatief heiligdom in Jerusalem gebouwd worden.
Maar de bouw duurde een jaar of drie, en ‘Abd al-Malik was toen toch al druk bezig het kalifaat van Ibn al-Zubayr op te rollen? Het had wel van heel weinig vertrouwen in zijn eigen militaire capaciteiten getuigd als hij zijn twijfel aan de eindoverwinning al bij voorbaat in steen had vastgelegd. Toen hij Mekka en Medina terugveroverde kwam het gebouw juist gereed, dus met betrekking tot de burgeroorlog was het van meet af aan overbodig.

Meer voor de hand ligt het gebouw te interpreteren als statement aan de monotheïsten. En dat nog wel op de tempelberg, een schitterende, strategische locatie waar ooit de tempel van de joden had gestaan, maar nu al eeuwen niet meer. Joden vormden blijkbaar geen probleem, want die mochten nu weer in Jerusalem wonen, wat eeuwen lang niet toegestaan was geweest. Door hun geringe aantal vormden ze geen factor van belang. Christenen daarentegen vormden bijna de gehele bevolking van het westelijk deel van het Arabische Rijk. En voor hen was Jerusalem een zeer centrale plaats, met zijn kerk van het Heilige Graf, een niet zo stralend gebouw omgeven door een web van smalle straatjes, en daarin het Heilige Kruis, dat pas in 630 door keizer Heraclius in de kerk was teruggebracht nadat het door de Perzische vijand geroofd was geweest. De rotskoepel stond vrij: een fris, nieuw gebouw, uitdagend door zijn ligging, zijn schoonheid en de teksten die erop en erin stonden. Duidelijk is wat er over Jezus te denken is:

Mensen van de Schrift! Overdrijft niet in jullie godsdienst en zegt niets over God dan de waarheid. De Messias Jezus, de zoon van Maria, is de gezant van God en Zijn woord, dat hij toevertrouwde aan Maria, en een geest van hem. Gelooft dan in God en zijn boodschappers, en zegt niet: ‘Drie’. Houdt daarmee op, dat is beter voor u. God is één God, geloofd zijn hij! Dat hij een kind zou hebben. Hem behoort wat in de hemelen en wat op aarde is, en God volstaat als bewindvoerder. (Koran 4:171)

Aan eeuwenlang dogmatisch gehakketak over de natuur van Christus moest met deze en andere teksten een einde gemaakt worden. Ook Mohammed wordt als dienaar en gezant van God genoemd; dat was tevoren nog nauwelijks zo in het openbaar gedaan.

Met dit afscheid van de christenheid werd de islam geboren. Arabisch, de taal van de inscripties op het gebouw, zou voortaan de rijkstaal zijn; niet meer Syrisch of Grieks. Met het gemak waarmee gelovigen bij christenen de kerk binnenwipten en daar soms hun gebeden verrichtten zou het langzamerhand afgelopen zijn. Koranexemplaren werden naar de provinciehoofdsteden gestuurd, zodat men wist welke tekst de juiste was.

Voor moslims zullen de Rotskoepel en Jeruzalem aanvankelijk niet van groot belang zijn geweest. Integendeel; na de beëindiging van de burgeroorlog kreeg het heroverde Mekka een veel grotere nadruk. Met het afscheid van het christendom werd Arabië pas echt belangrijk: in de nieuwe islam werd een ‘ontbijbeling’ ingeluid. De koppeling van het verhaal over Mohammeds hemelvaart aan het heiligdom in Jerusalem en de verering van Jeruzalem door moslims überhaupt dateren van veel later dan het gebouw zelf.

Bibliografie: een kleine keus
– K. A. C. Creswell, Early Muslim Architecture. Oxford 1932, i, 42–94.
– O. Grabar, The Dome of the Rock, Harvard University Press 2006 (vooral voor de kunsthistorische kant)
– H. Busse: ‘Zur Geschichte und Deutung der frühislamischen Ḥarambauten in Jerusalem,’ Zeitschrift des Deutschen Palästina-Vereins (ZDPV), 107 (1991), S. 144–154.
– En vele andere! Het Duitse Wikipedia-Artikel ‘Felsendom’ bevat veel informatie over de Rotskoepel en heeft goede foto’s en een uitgebreide bibliografie.

ABD AL-MALIK IBN MARWAN: startpagina. De eerste kaliefen. Mu‘awiya’s opvolgers. De Umayyaden uit Medina verjaagd. Abd al-Malik geeft strategisch advies. Abd al-Malik oefent zich in wreedheid en moord. As over Medina? Graanschepen voor Medina. Arbeidsloos inkomen.

Terug naar Inhoud