Christenwappies in de Oudheid

Het christendom is een absurd geloof. De kerkvader Tertullianus (± 150–220) schreef het al: ‘De zoon van God is gestorven; het is geloofwaardig omdat het onzin is,’ en: ‘Het is zeker, omdat het onmogelijk is.’1 Maar andere geloven zijn niet minder absurd, en zeker niet de nieuwe geloven die na het wegebben van het christendom rondspoken. Daar is niets op tegen; kennelijk zijn sterke verhalen voor vele mensen een eerste levensbehoefte. Wel is het wenselijk dat de onzin gescheiden wordt gehouden van de redelijkheid. Gelovigen van allerlei couleur zijn op vele gebieden zeer wel in staat tot redelijkheid, ja zelfs tot wetenschappelijk onderzoek. Het komt aan op een goede partitioning van de harde schijf in de hersenpan. De dubbele waarheid is een ideaal middel om te overleven.

Door mijn werk als arabist kreeg ik te maken met twee christelijke auteurs uit de Oudheid wier onredelijkheid zo allesoverheersend was dat het mij ergerde.

Physiologus

De Physiologus is de anonieme auteur van een boek over dieren uit de tweede eeuw, dat onder christenen eeuwenlang een beschamend grote verbreiding heeft gehad, in vele talen. Hij neemt een of twee meestal volstrekt fictieve of fantastische details uit de beschrijving van de ‘natuur’ (physis) van een dier en komt dan met een vergelijking met Christus, christenen of de kerk op de proppen, veelal gelardeerd met bijbelverzen. Zijn teksten sluit hij dikwijls af met de woorden: ‘Mooi heeft de Physiologus gesproken over …’ — en dat maakt me echt kwaad. Een dieptepunt is wel wat hij over het wezeltje zegt:

  • De Wet zegt: Eet geen wezeltje of een dergelijk dier.2 De Physiologus zegt over het wezeltje, dat het zo een natuur heeft: de bek van het wijfje ontvangt van het mannetje,3 en als het drachtig is geworden baart het door de oren; kwalijk baren zij aldus door de oren.
    Er zijn mensen die in de kerk knabbelen aan het geestelijke brood, maar als zij er weer uit komen werpen zij het Woord uit hun oren en lijken op het onreine wezeltje. En zij worden als een dove slang, die zijn oren verstopt.
    Eet dus geen wezeltje of een dergelijk dier.4

Aristoteles, de grote geleerde uit de Oudheid (384-322 v.Chr.), wist niet alles en schreef ook wel eens onzin,5 maar over het geheel genomen is zijn kennis van het dierenrijk voor die tijd indrukwekkend groot en zijn behandeling ervan is systematisch. Diens werk is echter aan de Physiologus geheel voorbij gegaan; dat zal een vrome ziel zonder veel opleiding zijn geweest. Een kwezeltje, een ezeltje. Eerder heb ik al eens laten zien wat hij te zeggen heeft over het hert en de mierenleeuw. Dat is al even zot.

Kosmas Indikopleustes

Een andere irriterende oude christen is de zesde-eeuwse flat earther Kosmas Indikopleustes, ‘de Indiëvaarder’. Een koopman uit Alexandrië die zeeën bevaren heeft: de Rode Zee, de Perzische Golf en mogelijk ook de Indische Oceaan. Zijn boek Christelijke Topografie bevat zeker interessante stof: rijke hoofdstukken over de flora en fauna van India, over de handelsgoederen, over Ceylon en over het christendom in India en zelfs op het godverlaten Jemenitische eiland Socotra, waar volgens hem Grieks gesproken werd en dat toentertijd een handelshaven was (Schneider 88). Het boek had illustraties met onderschriften; helaas zijn in het proces van overlevering veel afbeeldingen verloren gegaan of door het copiëren verbasterd geraakt en zijn de bladen helemaal door de war geraakt.
Waar lees je anders over al die dingen, in een bron uit de zesde eeuw? Maar helaas, het staat niet vast dat Kosmas ooit zelf in Indië geweest is en er zijn aanwijzingen dat hij dat mooie materiaal van anderen heeft gepikt.
In elk geval contrasteren die teksten nogal met de modderige hoofdstukken, die zeker van zijn eigen hand zijn. Die had ik opengeslagen om eens te zien wat hij over het oude Arabië en de Rode Zee te vertellen had. Maar zijn reisindrukken zijn zeer beperkt en maar matig interessant. Bij Clysma, dat is bij het huidige Suez, heeft hij de wielafdrukken van de strijdwagens van Farao gezien, die de Israëlieten vervolgden door de Rode Zee (Schneider 108). Hij is naar de berg Sinai geweest, waar hij op de halteplaatsen van het volk Israël Hebreeuwse rotsinscripties gezien heeft, die door ‘enige Joden’ voor hem werden vertaald (117). (Hij zal de daar aanwezige Nabatese inscripties hebben gezien, en handige toeristengidsen hebben hem op de mouw gespeld wat hij wilde horen.) In Axum en Adulis, in het toenmalige Ethiopië, is hij als handelaar geweest. Hij heeft daar uit de verte levende rhinocerossen gezien, en in het paleis van de koning een opgezet exemplaar, dat hij ook getekend heeft. Giraffen waren er ook; de koning daar probeerde girafjes van kleins af aan te temmen. Als zij een schaal melk kregen moesten zij hun voorpoten wijd uit elkaar zetten, anders konden ze er niet bij (242–3). Een eenhoorn heeft Kosmas niet gezien, maar wel vier bronzen stèles ervan (243). Nijlpaarden heeft hij ook niet gezien, maar hij handelde wel in nijlpaardentanden (244). Wierook komt diep uit Ethiopië, en wordt verhandeld in Barbaria (het tegenwoordige Berbera in Somaliland), evenals kaneel, geurstoffen en nog meer (60). Het belangrijkste wat hij over Ethiopië te melden heeft, is dat hij in opdracht van koning Ella Asbeha in de haven Adulis een inscriptie van een monument heeft gecopieerd, dat daar was neergezet door koning Ptolemaeus III Euergetes (246–221 v.Chr.) Dat deed Kosmas ‘aan het begin van de regering van Justinus,’ die regeerde van 518–527. Voor zich zelf en voor zijn lezers heeft Kosmas ook een afschrift gemaakt, en dat is natuurlijk waardevol (61–63). Er was nog een tweede, tweetalige, inscriptie op dit Monumentum Adulitanum. Die was echter niet van Ptolemaeus, zoals hij beweert, maar van een Ethiopische koning; de inscriptie is belangrijk voor de geschiedenis van Ethiopië (63–64). Verder zijn het telkens maar snippers die Kosmas over Oost-Afrika mee te delen heeft. Weliswaar zijn voor de oudheidkunde ook snippers van belang, maar de totale oogst is toch wat mager.

Mijn teleurstelling omdat hij niets over Arabië vertelt kan ik de auteur niet aanrekenen. Hij is domweg langs de Afrikaanse kust naar het Zuiden gevaren; wel zo handig waarschijnlijk. Wel vind ik het ergerlijk dat hij, in plaats van veel meer informatie te bieden, het grootste deel van zijn boek vult met ‘bewijzen’ dat de aarde plat is en de vorm van een rechthoek heeft, terwijl de hemel er als een soort tent boven gespannen is. De kosmos als geheel zou ontworpen zijn naar analogie met de tabernakel van het oude Israël, of was het juist omgekeerd? Zijn argumenten bestaan vooral in talloze bijbelverzen. Grrr! ik heb geen zin om al die onzin door te lezen; dat moeten theologen en kosmologen maar doen — ik wens ze veel sterkte. En dat terwijl in zijn tijd al duizend jaar bekend was dat de aarde een bol is! Alle kennis, alle bewijsvoeringen van de grote Griekse denkers uit de Oudheid worden door Kosmas genegeerd, bestreden of voor nietig verklaard. Hij was overigens wel een grote uitzondering: een echte mafkees, die in eigen kring veel kritiek over zich heen kreeg. Er werd onder christenen vrijwel nooit getwijfeld aan de bolvormigheid van de aarde.
Wat een contrast met het werk van die andere koopman uit Alexandrië, de anonieme auteur van Omvaring van de Rode Zee (Periplus Erythraei Maris), die in de eerste eeuw leefde en gewoon nog heiden was. Glasheldere hoofdstukken, barstensvol informatie over de zeeroutes naar Indië en Oost-Afrika, de havens aldaar en wat iedere haven te bieden had.

Kosmas’ rechthoekige wereld, uit een negende-eeuws handschrift in het Vaticaan. De blauwe cirkel rechts onder is de Perzische Golf, waarin Eufraat en Tigris uitmonden. De blauwe cirkel rechts boven is de Kaspische Zee. De Rode Zee, de Nijl, Klein Azië, de Balkan en de Straat van Gibraltar herkent u zelf wel. Dat Italië, Spanje en de Zwarte Zee hier zo slecht uit de verf komen is Kosmas misschien niet aan te rekenen; deze kopie dateert immers van drie eeuwen na hem.
—————————–

Onder de christenen in de Oudheid waren er natuurlijk ook veel die wél wat te melden hadden en goed konden schrijven. Augustinus (354–430) bij voorbeeld, en Basilius (± 330–379). Laatstgenoemde biedt in zijn Preken over de zes scheppingsdagen veel wetenswaardigs aan, ook over dieren, waarbij hij steunt op oudere wetenschap. Maar welbeschouwd is ook hij besmet met het virus van de anti-wetenschappelijkheid, en van hem heeft Kosmas misschien het volgende ‘anti-Griekse’ betoogje overgenomen:

  • De wijze mannen der Grieken hebben vele werken over de natuur geschreven, maar geen ervan bleef onveranderd en stevig verankerd, want het latere heeft het vorige altijd omvergeworpen. Dientengevolge behoeven wij hun woorden niet te weerleggen; zij voorzien wederzijds in hun weerlegging.6

Dat wetenschap iets anders is dan allemaal altijd hetzelfde zeggen; dat (trachten te) weerleggen er een wezenlijk onderdeel van is; dat er een ontwikkeling in kennis is waardoor vroegere inzichten achterhaald raken, dat kwam niet bij hem op. Zijn soort betoog komt ook bij andere christenen voor. Theodoretus, de bisschop van Cyrrhus (± 393–460) schreef een heel boek vol over de ‘ziekten der Grieken’, waarmee hij de verkeerde, want niet christelijke gedachtengangen van de oude Grieken bedoelde. Die anti-wetenschappelijke houding, daar heb ik het land aan, ook bij hedendaagse wappies. Ik houd van steeds toenemende kennis en van voortschrijdend inzicht.

Gelukkig waren er in het Oost-Romeinse Rijk ook niet-religieuze wetenschappers, evenals in het ‘islamicate’7 Irak en Iran. Bij hen genoot de antieke wetenschap wél groot aanzien: het was de vanzelfsprekende basis voor hun eigen werk, waarop eeuwen later in West-Europa zou worden voortgebouwd.

NOTEN
1. Tertullianus, De Carne Christi v: Mortuus dei filius; credibile est, quia ineptum est. En een hoofdstukje later: Certum est, quia impossibile. Maar misschien meende hij het niet zo.
2. Het bijbelvers Leviticus 11:29 luidt in de Nieuwe Bijbelvertaling: ‘Van de kruipende dieren gelden voor jullie als onrein: blindmuizen, ratten en muizen, de verschillende soorten padden, gekko’s …’ enzovoort. Er is dus geen sprake van een wezel, maar dát kon de Physiologus niet weten. Hij was immers afhankelijk van de Griekse bijbelvertaling der Septuaginta en daar staat voor blindmuis γαλῆ, een kleine soort wezel, een fretje misschien? Voor zijn soort dierkunde maakt het echter weinig uit welk dier is bedoeld.
3. De Physiologus heeft wel een klok horen luiden. Volgens Aristoteles, De Generatione Animalium 756b15, 30 beweerde Anaxagoras dat bij raven, ibissen en wezels de paring oraal plaatsvindt. Aristoteles vond dat onzin; hij vermoedde dat het misverstand was ontstaan doordat wezels wel eens hun jongen in de bek nemen. Mijn naam is haas.
4. Physiologus (Schönberger) nr. 21.
5. Bij voorbeeld Aristoteles, Historia animalium 611b20: ‘Als herten door een giftige spin (φαλάγγιον) of iets dergelijks gebeten worden, gaan ze kreeften (καρκίνους) verzamelen en opvreten.’ Wel moeten we altijd de mogelijkheid open laten dat de overlevering gebrekkig is. Het zinnetje is ook terecht gekomen in Ibn Qutayba, ‘Uyûn al-akhbâr ii, 99 والأيل إذا نهشته الحية أكل السرطان.
6. Basilius, Homilia i , 7–8, vert 5.. In de Syrische vertaling van Homilia ix, uitgave Thomson, p. 156, trans. Thomson 124–5, wordt dit nog uitgewerkt: ‘I am not ashamed to accept the words of the scriptures as they were spoken, as the Apostle said: “I am not ashamed of the gospel” (Rom 1,16). Nor furthermore, because others who are of the race of the Greeks said many things and wrote about the description of the world and set down concerning the form of the earth as it pleased them, are we now led after them. Some of them said about the earth that it is like a sphere, and some affirmed it is a cylinder; and others said it is like a dish; and some again said that it is equal from all sides towards the middle like the form of a lathe; and some said it resembles a concave bowl; and others again said it is sunken in the middle. All these suppositions of the wise men of the Greeks were each unstable, because their arguments confuted each other. For each of them composed his own version in opposition to his fellow.’ Dit fragment heb ik (nog) niet in het Griekse origineel gevonden; heb de goede editie niet.
7. Wiktionary: Islamicate = Associated with regions in which Muslims are culturally dominant, but not specifically with the religion of Islam. Meer over deze term hier (Engels).

BIBLIOGRAFIE
– Basilius, Homiliae in Hexaemeron, uitg. Migne, Patrologia Graeca xxix, Parijs 1859; er zijn nieuwere uitgaven, maar niet online. Saint Basil Exegetic Homilies, trans. Agnes Clare Way, Washington 1963. De Syrische vertaling: Basil of Caesarea, The Syriac version of the Hexaemeron, uitg. en vert. Robert W. Thomson, 2 dln. Leuven 1995 (CSCO 550–1).
– Kosmas Indikopleustes: Κοσμᾶς Ἰνδικοπλεύστης, Χριστιανικὴ Τοπογραφία. Griekse tekst: Cosmas Indicopleustès, Topographie chrétienne, uitg. W. Wolska-Conus, 3 dln. Paris, 1968, 1970, 1973 (Sources Chrétiennes 141,159,197); Vert. Horst Schneider, Kosmas Indikopleustes. Christliche Topographie – Textkritische Analysen Übersetzung Kommentar, Turnhout 2010. Een Engelse vertaling door Roger Pearse staat online.
Periplus Maris Erythraei, Περίπλους τῆς Ἐρυθράς Θαλάσσης, uitg. Lionel Casson, Princeton 1989. De oudere vertaling van W.H. Schoff (1912) hier.
– Physiologus, Φυσιολόγος, uitg. F. Sbordone, Rome 1936. Vertaling: Physiologus, Griechisch/Deutsch, vert. en uitg. Otto Schönberger, Ditzingen 2001, 2018 (Reclams Universal Bibliothek 18124).
– Theodoretus: Θεοδώρητος, Ελληνικών Θεραπευτική Παθημάτων: Theodoret, De Graecarum affectionum curatione – Heilung der griechischen Krankheiten, uitg. en vert. Clemens Scholten, Leiden 2015 (Vigiliae Christianae, Supplements, 126).

Terug naar Inhoud

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het kalifaat van Medina, 622–661

LONGREAD over het eerste Arabische Rijk

Het standaardverhaal over de eerste Arabische staat is algemeen bekend. In 622 verliet de profeet Mohammed zijn geboortestad Mekka en emigreerde naar Medina, waar hij een staat stichtte. Na zijn dood behielden drie van zijn opvolgers, gewoonlijk bekend als de ‘rechtgeleide kaliefen’, Medina als hun hoofdstad, dat zij als basis gebruikten voor immense veroveringen. De vierde kalief ʿAlī regeerde de facto in Kūfa, in Irak. Na zijn dood in 661 verplaatste het zwaartepunt zich naar Damascus in Syrië, waar de Umayyade Muʿāwiya, die al sinds 642 als stadhouder had geregeerd, nu kalief werd.

Dit zeer korte overzicht is aanvaardbaar voor zowel moslimse geschiedschrijvers als voor traditionele oriëntalisten in het Westen. Maar is het nog wel te handhaven? Ik wil mij hier niet bezighouden met de vraag of dit rijk al dan niet islamitisch genoemd kan worden,1 maar liever met de vraag of Medina, een oase diep in het Arabische schiereiland, werkelijk de hoofdstad kon zijn van een centralistisch en zich snel uitbreidend wereldrijk. Er had in die landstreek om duidelijke geografische redenen nog nooit een onafhankelijke staat bestaan; zou dat nu ineens wel het geval geweest zijn, en dan zo’n grote?

In Jemen (Arabia Felix) waren er al sinds tweeduizend jaar staten geweest. Dat deel van het Arabische schiereiland heeft een betrekkelijk vochtig klimaat, zodat er middels irrigatie en terrasbouw geregelde landbouw mogelijk is. Daartoe is een centrale organisatie, een staat benodigd.
In het noordelijk deel van Arabië (Arabia Petraea) waren er gedurende langere of kortere perioden staten geweest. Ik noem slechts Thamūd (ca. 715 vChr–600 nChr), de Nabateërs (110 vChr–106 nChr) en de korte machtsontplooiing van Koningin Zenobia in Palmyra (268–272).
Daarna waren er twee Arabische dynastieën in vazalstaten geweest: de Ghassāniden (500–630), vazallen van het Oostromeinse Rijk, en de Lakhmiden (266–602), vazallen van Perzië. Beide superstaten waren regelmatig geteisterd door binnenvallende bedoeïenen. Geen van beide had met succes deze kameelnomaden kunnen bestrijden, omdat die zich snel met hun buit konden terugtrekken in de woestijn, waar geregelde legers met paarden en wagens geen toegang hadden. Daarom hadden de grote rijken liever vriendschap gesloten met de bedoeïenen. Ze benoemden een nomadenleider tot koning, hij kreeg een kroon, een koningsmantel en een paleis en bovendien een zak met geld om zijn soldaten te betalen, die in ruil daarvoor hun weldoeners niet langer uitplunderden. Maar Ghassān en Lakhm hielden op te bestaan zodra het Oostromeinse Rijk en Perzië, uitgeput als zij waren door hun eindeloze onderlinge oorlogen, ophielden hun vazallen te financieren.
In Midden-Arabië (Arabia Deserta) was er maar één entiteit geweest die op een staat leek: Kinda (425–528). Ook dit was een vazalstaat, afhankelijk van de Jemenitische staat Ḥimyar. Het raakte in vergetelheid toen Ḥimyar in elkaar stortte. Er bleef alleen een vage herinnering aan de koningen ervan, van wie Imru’u l-Qays de beroemdste was. Er was in Midden-Arabië dus wel een soort staat geweest, maar geen onafhankelijke staat. Deze situatie veranderde in de zevende eeuw met de onverwacht succesvolle poging enkele stammen rond de oase Yathrib (Medina) te verenigen. Laten we voor het ogenblik bij het standaardverhaal blijven: het was Mohammed, die in zijn jaren te Medina (622–632) de stammen onder zijn banier verenigde. Toen hij stierf liet hij iets na wat inderdaad een staat genoemd kan worden.

Over wat er direct na zijn dood gebeurde verschilt het standaard islamitische verhaal van dat van moderne historici. De oude islamitische geschiedschrijvers zeggen het in religieuze termen: Mohammed had het hele schiereiland verenigd onder de banier van de islam. Na zijn dood werden vele stammen afvallig en verzaakten de islam weer. In de zogenaamde Ridda-oorlogen (632–634) islamiseerden de generaals van kalief Abū Bakr het schiereiland opnieuw. Niet-islamitische historici daarentegen hebben geen boodschap aan die religieuze interpretatie; er was ook nog niet zoiets als ‘de islam’. Zij denken dat Mohammeds kernstaat nogal klein was, maar dat in de jaren na zijn dood allerlei Arabische stammen succesvol in het nieuwe bestel geïntegreerd werden; niet voor de tweede, maar voor de eerste maal.

Tot zover is het verhaal over de nieuwe staat min of meer plausibel. Alle oases moeten in zekere zin staten zijn, al was het alleen al om de toegang tot en de verdeling van water te regelen. Stammen langs handelswegen moeten onder controle worden gebracht en gehouden, om te voorkomen dat een karavaan zich plotseling beroofd zou zien van water, voedsel en voer. Geleidelijke uitbreiding van die eerste staat op de rest van het schiereiland is niet geheel onvoorstelbaar, hoewel het nooit eerder vertoond was. Maar tegelijk met de vereniging van het schiereiland begon er een geweldige snelle vergroting van de nieuwe staat. In 635 werd Syrië geannexeerd; in 634–642 werden Irak en West-Iran veroverd, in 639–642 Egypte, in 640 Palestina en in 640–660 heel Iran, tot diep in Centraal-Azië. Met andere woorden: binnen dertig jaar werden het hele Perzische en het halve Oostromeinse Rijk deel van het nieuwe Arabische Rijk. Is het werkelijk aannemelijk dat dit dertig jaar lang het ongelukkig gelegen Medina als hoofdstad had? Om deze vraag te beantwoorden moeten we eerst kijken naar wat een rijk zoal nodig heeft:
– Een groot territorium
– Een bevolking
– Een centraal gezag, stadhouders, ambtenaren, belastinggaarders, rechters
– Snelle en betrouwbare communicatielijnen
– Landbouwoverschotten
– Regelmatige inkomsten uit belastingen
– Een staand leger onder een centraal commando en het geld om het te betalen
– Legitimiteit van de regering.

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]   Oudere Duitse versie hier.  Oudere Engelse versie: RavenFirstArabicEmpire

NOOT
1. De islam was natuurlijk niet ‘af’ bij de dood van de profeet. Er begint dan een ontwikkelingsproces. Moderne geleerden beginnen van ‘islam’ te spreken in verband met de voltooiing van de Rotskoepel van Jerusalem in 691. En zelfs dan: het Umayyadische ontwerp van de islam verschilt aanzienlijk van de latere islam van de ‘ulamā’, die vaak onbescheiden wordt aangeduid als ‘de islam zoals wij die kennen’.
===============

Blz. 2. Aan welke vereisten voor een rijk werd in het kalifaat van Medina voldaan?

Een territorium was er, immens en zich nog steeds uitbreidend. Als dit rijk ooit een territoriaal probleem had was het misschien het gebrek aan grenzen, maar dat is hier niet relevant.
.
Wat voor bevolking had dit rijk? Toen de veroveringen begonnen moet het kleine aantal strijders uit Centraal-Arabië en nog wat meer uit het verarmde Jemen vrijwel verdronken zijn in een zee van niet-Arabieren. In het begin was er niet veel vermenging van de overheerste volkeren met die paar Arabieren; dit zou nog ruim een eeuw een probleem blijven. Maar in de Oudheid kon je blijkbaar grote gebieden regeren met een handjevol soldaten, en het Arabische Rijk verschilde in dit opzicht niet veel van dat van Alexander of van het Oostromeinse Rijk, waar een handjevol Grieks sprekende Romeinen hun provincies succesvol domineerden. Een steunpilaar van het nieuwe rijk zullen de Arabieren geweest zijn die al heel lang in Syrië en West-Irak woonden.
Natuurlijk leefden er miljoenen niet-Arabieren in de veroverde gebieden: Syriërs, Perzen, Egyptenaren en andere. Misschien waren zij niet al te negatief gestemd over de nieuwe machthebbers, die aanvankelijk veel van de oude structuren in regering en belasting intact lieten. Maar konden de Arabieren van hen op aan? Om een voorbeeld te geven: 646 werd er een expeditie ter zee tegen Cyprus ondernomen. De deelnemende soldaten waren allemaal Arabieren, naar verluidt 12.000 man, maar alle zeelui op de 200 schepen waren niet-Arabische Syriërs en Egyptenaren. In dit geval verliep blijkbaar alles goed. Maar zelfs nog bij een aanval van de marine op Constantinopel in 717 met schepen uit Egypte, beseften de zeelui plotseling dat zij nu op christelijk gebied waren en deserteerden naar de Romeinse kant. Inderdaad, waarom zouden de onderdanen loyaal zijn aan het Arabische Herrenvolk?
Het centrale gezag werd verondersteld de kalief in Medina te zijn, die volgens de overlevering het geweldige rijk van daaruit regeerde. De eerste kaliefen verlieten nauwelijks ooit de hoofdstad; alleen van ‘Umar wordt geloofwaardig verteld dat hij al-Djābiya heeft bezocht, de oude hoofdstad van de Ghassāniden op de Golan-hoogten en het hoofdkwartier van de Arabische verovering van Syrië. Het aantal Arabische ambtenaren (stadhouders, belastinggaarders, secretarissen, rechters) was heel beperkt: dit rijk had een enorm gebrek aan personeel. Buiten Arabië bleven de ambtenaren van de vroegere rijken eenvoudig in dienst, omdat hun expertise dringend benodigd was.

.
Communicatie en verkeer
Albrecht Noth heeft al in 1973 aangetoond dat de centralistische regering met de kalief zetelend in Medina als een spin in zijn web, waar hij alles tot in de kleinste details organiseerde en regelde, om puur logistieke redenen onmogelijk was. Regering via correspondentie, waarin de Arabische historische bronnen ons willen doen geloven, is een literaire fictie die, aldus Noth, overeen moest stemmen met een later kalifaatsideaal. Misschien was dit ideaal uit de klassieke Oudheid overgewaaid. De historicus Diodorus Siculus schreef al omstreeks 50 vChr over de koningen van het oude Egypte:

  • In de vroege ochtend bij voorbeeld, zodra hij ontwaakte, moest hij eerst de brieven ontvangen die hem van alle kanten toegezonden waren, zodat dat hij in staat zou zijn alle regeringszaken te delegeren en iedere handeling correct uit te voeren. Aldus was hij precies op de hoogte van alles wat er in zijn gehele rijk werd gedaan.2

Het is veel waarschijnlijker dat de militaire bevelhebbers in de veraf gelegen gebieden onafhankelijk en naar bevind van zaken handelden, waarbij de centrale regering slechts een ideëel oriëntatiepunt vormde.
Wegen over land: Grote rijken, zoals het Perzië der Achaemeniden, werden onder andere geregeerd door middel van een zeer efficiënt post- en inlichtingensysteem, voornamelijk met behulp van paarden, maar ook van kamelen en muildieren waar de omstandigheden dat vereisten. Daarenboven bestonden er systemen van vuur- en lichtsignalen. Vanuit de hoofdstad Persepolis leidden er postwegen naar Klein-Azië, India, Afghanistan en verder. Iedere 20–30 kilometer was er een poststation waar de uitgeputte paarden en/of koeriers vervangen konden worden door verse, en waar ook een garnizoen en een bescheiden schatkist gestationeerd waren. Koeriers konden tot wel 300 kilometer per dag afleggen en wisten de 3400 kilometer van Persepolis naar de Aegaeïsche kust soms in veertien dagen af te leggen; gewone reizigers deden er drie maanden over. Alexander de Grote had dit systeem overgenomen. Het Romeinse Rijk had ook postsystemen gehad: de cursus publicus, postduiven en ketens van lichtsignalen, waardoor bij voorbeeld een militair bevel vele honderden kilometers per dag kon afleggen.
Aan de vooravond van de Arabische veroveringen was het Perzische postsysteem in verval en het Oostromeinse functioneerde nauwelijks nog. De Umayyaden namen ze later over, maar hadden wel enige tijd nodig om ze te begrijpen en weer bruikbaar te maken. Vóór de Umayyaden werden zij in het Arabische Rijk niet gebruikt, of hooguit plaatselijk en ten dele, en zij besloegen zeker niet het Arabische Schiereiland. Medina had een erg onvoordelige ligging. In Arabië konden op de lange afstand geen paarden gebruikt worden, omdat water en passend voer op vele plaatsen ontbraken. Een kameelkaravaan had dertig dagen nodig van Medina naar de rand van Syrië of Irak, en daar begon de bewoonde wereld pas. Natuurlijk konden individuele ruiters snel rijden op een kameel of hier en daar op een paard, maar een postsysteem ontbrak ten ene male.
Zeewegen: Voor Constantinopel was scheepvaart van belang, maar voor Medina was het geen optie. Omstreeks 600 liepen de belangrijkste scheepvaartroutes in de Rode Zee langs de Afrikaanse kust, met Adulis als belangrijkste haven. Ethiopiërs hadden de berucht moeilijke navigatie in deze zee van de Romeinen geleerd. Het verkeer van India naar Europa raakte Arabië nauwelijks; alleen de haven van Aden werd gebruikt. Van Medina naar zijn haventje al-Jār duurde het drie dagen over land; de zeeroute van daar naar het Noorden was moeizaam door de eeuwig tegenzittende noordenwinden. Dit was voor de Romeinen al een reden geweest, de Noord-Arabische havens te mijden en de Indische goederen liever in het Egyptische Berenice om te slaan en vandaar over land verder te vervoeren tot de Nijl. Zeevaart over de Rode Zee kan onmogelijk van belang geweest zijn om het Rijk bij elkaar te houden. De zeeroute van Zuid-Perzië naar Aden en vice versa was wel bruikbaar voor imperiale doeleinden, zoals de Perzen hadden bewezen toen zij sinds 570 het Zuiden van Jemen een halve eeuw bezet hielden, maar voor Medina was deze route niet van belang.

Landbouwoverschotten, en een belastingstelsel dat daarmee verband hield. Een staat heeft gewoonlijk aanzienlijke hoeveelheden stapelproducten nodig, zoals graan of rijst. Volgens de traditionele zienswijze had het Arabische schiereiland nauwelijks landbouwoverschotten om belastingen op te heffen, maar was het verregaand een overlevings- of subsistentie-economie. Dit wordt vooral bevestigd door de pre-islamitische poëzie. Vee was rijkdom (māl), rijkdom was vee. Maar als er soms een bescheiden overschot was aan vee en dadels zal dat nauwelijks genoeg zijn geweest om de noodzakelijke granen, kleding, wapens en luxe goederen te importeren. Dit beeld moet allicht herzien worden wanneer men het goud en zilver dat op vrij grote schaal in mijnen werd gewonnen erbij betrekt. De voorstelling van de dappere maar straatarme bedoeïenen is al te romantisch.
Blijkbaar kon het Arabische Rijk in de eerste tijd even zonder landbouwoverschotten. Het overheidsinkomen werd op andere wijze gegenereerd. De staat had mijnen en verwierf in de veroverde gebieden enorme massa’s buit, zij het land, vee of geld. Betalingen en gunsten konden worden verleend in de vorm landbezit ergens duizenden kilometers verderop. Volgens het latere islamitische recht kwam een vijfde van alle buit aan de staat toe. Of en sinds wanneer dit reëel was en hoeveel roerend goed er werkelijk naar Medina werd overgebracht is nog niet duidelijk. Op den duur kwam er genoeg om in Medina een boom en een gevoel van the high life te creëren, maar misschien juist niet in de eerste jaren. Aanvankelijk moeten de overheidsinkomsten nog betrekkelijk mager geweest zijn, maar blijkbaar was het vooruitzicht op buit genoeg om het leger aan de gang te houden. Zodra de veroveringen succesvol waren kon het schiereiland geleidelijk omschakelen naar een rentenierseconomie.

Een staand beroepsleger onder een sterk centraal commando ontbrak gedurende de eerste fase van het Arabische Rijk, terwijl zowel de Romeinen als de Perzen zulke legers wél hadden. De Arabieren hadden in het begin een onprofessioneel volksleger. Maar juist het gebrek aan organisatie en klassieke discipline maakten dat zootje ongeregeld heel flexibel, wat tot zijn militaire succes bijdroeg. De bevelhebbers moeten naar eigen inzicht hebben gehandeld.
De gretigheid om te vechten zal zeer verschillend geweest zijn. De bedoeïenen vochten altijd al graag, maar alleen in hun welbegrepen eigen belang. De plantage-eigenaren in Medina of Ṭā’if waren zonder twijfel minder enthousiast dan de inwoners van het verarmde Jemen, die in het oorlogvoeren een kans zullen hebben gezien om uit de ellende te geraken. De Sīra spreekt van opgeroepen strijders die niet mee wilden doen omdat het net oogsttijd was. Volgens de koran klaagden sommige mannen over de hitte of hadden andere smoesjes (koran 9:38, 42, 81). Afgezien van bedreigingen met het hellevuur (9:81) kunnen sociale druk en/of de belofte van buit hen hebben overtuigd, alsnog mee te doen. Regelmatige wedden (ʿaṭāʾ) werden er pas sinds 640 betaald.

Geld, hetzij van goud of van zilver, komt altijd goed van pas bij het opbouwen of handhaven van een rijk. Het vergemakkelijkt het onderhouden van een staand leger, maakt het mogelijk bondgenoten (om) te kopen en houdt stadhouders in de provincies gelukkig en loyaal. De schatkist van Persepolis had de Perzische legers en zelfs de oligarchieën in de stadstaten van Klein-Azië loyaal gehouden aan het rijk; het goud van Thracië had Alexander in staat gesteld het leger te betalen dat de halve wereld veroverde.
Wat had het Arabië op dit gebied te bieden? Een regelmatige belastingheffing, betaald in vee of dadels, kan hebben plaatsgehad, maar op heel kleine schaal; bovendien was belasting innen onder bedoeïenen nooit een sinecure. Maar G. W. Heck heeft erop gewezen dat er in Arabië goud en zilver werd gevonden en gewonnen, zodat het schiereiland bij nader inzien toch niet zo arm was. De stam Quraysh handelde in edelmetalen. Onder de eigenaars van goudmijnen waren de Banū Sulaym, maar ook de eerste kalief Abū Bakr, die bekend stond om zijn rijkdom, verdiende er goed aan. Dit goud — niet in de vorm van munten maar in korrels en brokjes,— zal er mede toe hebben bijgedragen de soldaten actief te houden in de eerste fase van de veroveringen. De belofte van rijke buit moet de rest hebben gedaan.

Legitimiteit van de regering. In deze vroege periode bestond ‘de islam zoals wij die kennen’ zeker nog niet. Maar zonder twijfel was er wel een ideologische of spirituele impuls, ondersteund door gewijde teksten, die ervoor zorgde dat Arabieren niet langer tegen elkaar vochten maar samen tegen anderen. Hun gemeenschappelijke zaak kunnen we proto-islam of ‘de koranische beweging’ noemen. Wat het ook was, het werkte overweldigend goed en verleende volop legitimiteit aan het groeiende rijk, ten minste in de ogen van de Arabieren. Verschil van mening onder hen kwam pas op aan het eind van de eerste drie decennia. De meningen van de nieuwe onderdanen deden in deze periode nog niet ter zake.

Het schiereiland voldeed dus slechts aan enkele, lang niet aan alle vereisten voor een rijk. Twijfels blijven bestaan over die eerste dertig jaar. Er groeide een Arabisch rijk, daaraan is geen twijfel. Aanvankelijk was het misschien moeilijk, strijders te mobiliseren, maar zodra de buit binnen begon te stromen kwamen de soldaten bij duizenden. Wat moeilijk te verteren blijft is het centralistische karakter van deze staat en het ongelukkig gelegen Medina als de hoofdstad ervan.

En er is nog een overweging. De meeste hedendaagse niet-islamitische geleerden neigen tot het inzicht dat we erg weinig weten over de profeet Mohammed. En dan zouden de gebeurtenissen direct na zijn dood zich opeens in het volle licht van de geschiedenis hebben afgespeeld, en zouden alle schriftelijke bronnen daarover op hun woord moeten worden geloofd? Ook dat is weinig aannemelijk.

NOOT
2. Diodorus Siculus, [Βιβλιοθήκη ἱστορική; Bibliotheca Historica:] Library of History, transl. C. H. Oldfather, (Loeb Classical Library 279), Cambridge MA 1933, i, 70:  i, 70: ἕωθεν μὲν γὰρ ἐγερθέντα λαβεῖν αὐτὸν ἔδει πρῶτον τὰς πανταχόθεν ἀπεσταλμένας ἐπιστολάς, ἵνα δύνηται πάντα κατὰ τρόπον χρηματίζειν καὶ πράττειν, εἰδὼς ἀκριβῶς ἕκαστα τῶν κατὰ τὴν βασιλείαν συντελουμένων.
==================

Blz. 3. Wat hebben de geleerden van deze periode gemaakt?
In de negentiende eeuw waren de in Europa bekende bronnen alleen islamitische teksten in het Arabisch. De meeste niet-Arabische teksten en de archeologische overblijfselen werden grofweg pas bekend in de tweede helft van de twintigste eeuw.
De negentiende-eeuwse oriëntalisten volgen in grote lijnen het islamitische standaardverhaal. Maar ze gebruikten wel hun gezonde verstand, zij pasten de historisch-kritische methode toe. Zoals Gustav Weil het omstreeks 1850 zei, het doel was: ‘het materiaal grondig te onderzoeken en uit dit weefsel van verblinding en leugens de naakte historische waarheid te extraheren.’ Dat klinkt drastisch, maar de resultaten waren over het algemeen nogal tam en weken niet erg af van de traditionele islamitische geschiedschrijving. Het is opvallend hoe in de negentiende eeuw de stichtingsmythen van jodendom en christendom geheel aan flarden werden geanalyseerd, terwijl tegelijkertijd de islamitische vrijwel intact gelaten werd. En dat dikwijls ook nog door dezelfde geleerden, zoals Julius Wellhausen (1844-1918).
Vanaf 1905 maakte Leone Caetani een uitgebreid overzicht in het Italiaans van alle toen bekende bronnen van de vroege islamitische geschiedenis, waarin hij alle teksten die hij over de een gebeurtenis na de andere naast elkaar zette en vergeleek. Daardoor ontstonden twijfels van meer algemene aard, omdat nu bij voorbeeld opviel dat hetzelfde bericht over verschillende gebeurtenissen verteld werd en dat de chronologie dikwijls veel later en nogal willekeurig was toegevoegd.
De Jezuïet Henri Lammens (1862-1937) was nog sceptischer. Hij beschouwde de hele sīra als afhankelijk van de koran en daarom als historisch onbetrouwbaar. Nieuw voor die tijd was dat Lammens gedreven werd door verachting en haat jegens de islam; een verschijnsel dat een eeuw later opnieuw zou opdoemen.
De twee wereldoorlogen leken in Europa de kritische geest in de oriëntalisten te hebben gedood. Lange tijd gebeurde er niets, maar in de jaren zeventig van de twintigste eeuw kwam er een nieuwe golf van kritiek en scepticisme op. Ik noem hier twee, of liever drie vertegenwoordigers: de reeds genoemde Albrecht Noth, en Patricia Crone en Michael Cook.
Noth (1973) begon de historische bronnen kritisch te herlezen, met een fijn gevoel voor de realia van de beschreven periode en gebieden. Zijn grootste bijdrage was dat hij een open oog had voor het literaire karakter van de historische bronnen. De literatuurwetenschap hield (eindelijk) zijn intocht op het gebied. Noth ontdekte narratieve structuren en topoi die overal in de bronnen terugkwamen, wat ze minder betrouwbaar maakte voor de geschiedschrijving.
.
Hagarism
Als een bom sloeg in Hagarism door Crone en Cook in 1977. Twee boze jonge mensen, die kennelijk genoeg hadden van een halve eeuw stilstand. De voornaamste objecten van hun woede waren gevestigde oriëntalisten als R. B. Serjeant en W. Montgomery Watt. De laatste had in de jaren vijftig een ambitieuze geleerde biografie van Mohammed geschreven.
In Hagarism bleef niets zoals het was geweest. De Islam stamde niet uit Mekka en Medina, maar eerder uit Noord-Arabië; eigenlijk was er helemaal geen islam. De koran moest veel later dan de zevende eeuw gedateerd worden. Over Mohammed, was nauwelijks iets bekend, maar hij moest een soort Johannes de Doper geweest zijn voor ʿUmar, wiens bijnaam immers Fārūq was, (Aramees parūqā, ‘verlosser’). De zogeheten vroege moslims waren eerder een mix van Arabieren en ketterse joodse messianisten, die het Beloofde Land terug probeerden te winnen van het Oostromeinse Rijk. Mohammed en zijn volgelingen heetten Hagarenen of mahgraye, of in het Arabisch muhādjirūn (Emigranten). De hidjra was niet naar Medina maar naar Jerusalem. Het boek begint uitdagend met een citaat uit een niet-islamitische bron — maar wel een die veel vroeger was dan de hele islamitische overlevering. Ook de rest van het boek is doortrokken van niet-islamitische bronnen, die nu voor het eerst op grote schaal werden gebruikt.
Hagarism werd heftig gecritiseerd; vele geleerden waren werkelijk ziedend. Hoe durfde de auteurs zo luid tekeer te gaan in de stiltezone van de oriëntalistiek!? De critici waren emotioneel, maar ze hadden ook sterke tegenargumenten en er bleef van de thesen van het boek niet veel over. Patricia Crone herriep in 2006 haar aandeel stilzwijgend en impliciet in een internet-artikel, waarin zij min of meer de traditionele visie op de profeet verkondigde, over wie nu volgens haar wel degelijk veel te weten was. Gelukkig had Crone nog twee boeken en ettelijke artikelen over de zevende eeuw geschreven. Haar studie Early Meccan Trade, die het tot dan toe onaangevochten beeld van Mekka als een soort Wereldhandelscentrum onderuit haalde, staat nog steeds overeind, evenals haar Slaves on Horses over het Umayyadenrijk en God’s Caliph over het begin en de betekenis van het kalifaat.
Boeken als Hagarism zijn nuttig en moeten zeker niet minachtend worden weggegooid. Het boek schudde de slaperige geleerden wakker en had een blijvende invloed op de studie van de vroege islam. Het heropende eindelijk de discussie en opende de ogen voor tenminste een aantal zaken: de relatief late breuk van de proto-islamitische beweging met de joden en/of christenen van welke soort dan ook, en voor de waarde van niet-islamitische bronnen, die de auteurs nadrukkelijk ten nutte hadden gemaakt. Wat ook bleef was het inzicht in het literaire karakter van de Arabische bronnen, waarop Noth kort tevoren had geattendeerd, en in de geografische omstandigheden.
.
Na Hagarism
Hagarism had ettelijke nazaten: studies die nog verder gingen, nog wilder waren. De auteurs ervan hebben ook aan de weg getimmerd en de algemene publiciteit gehaald. Ik wil er enkele kort aanstippen:
.
Koren en Nevo
Yehuda Nevo was een archeoloog zonder veel kennis van de geschreven bronnen; Judith Koren is gespecialiseerd in informatica. Toch ontvouwen zij in hun Crossroads to Islam een alomvattende theorie. Muhammad was geen historische figuur. De Koran dateert uit de achtste eeuw. Syrië werd nooit door de Arabieren veroverd, omdat het Oostromeinse Rijk zich reeds vrijwillig had teruggetrokken uit de provincie, die als niet langer winstgevend werd beschouwd. De zogenaamde moslims, die in werkelijkheid heidenen waren, hoefden het vacuüm alleen maar op te vullen. Zij kwamen uit wat nu Zuid-Jordanië en Israël is. Pas in de veroverde gebieden namen zij een soort vaag joods-christelijk monotheïsme over, dat zich veel later ontwikkelde tot de islam. De eerste vier kaliefen kunnen we geheel vergeten; de echte heerser in Syrië was Mu‘āwiya, elders bekend als de eerste of tweede Umayyadische kalief, die daar inderdaad vanaf 642 stadhouder was.
.
Inârah
Vervolgens is er de wereld van de zogenaamde Inârah-groep, genoemd naar het Inârah Institut in Saarbrücken en de zes banden die de leden tot nu toe hebben gepubliceerd (2005–2012). De leidende geleerden in deze groep zijn K.-H. Ohlig, Gerd R. Puin en Volker Popp. Chr. Luxenberg vond hier een tehuis; zijn bijdrage was dat de koran gelezen moet worden als een tekst in het Syrisch, en dat er heel andere dingen in staan dan iedereen had gedacht. Zelfs Claude Gilliot deed een poosje met de groep mee.
Deze geleerden voelen de behoefte de Arabische geschiedenis nog drastischer te herschrijven dan ooit te voren. Ik probeer samen te vatten: De Koran is oorspronkelijk een christelijke tekst, geschreven in het Syrisch (Luxenberg). Als bron voor de vroege islam is hij waardeloos. De biografie van de profeet werd in elkaar gezet na 800; Ibn Isḥāq heeft nooit bestaan. Echte bronnen zijn inscripties en munten en christelijke teksten. Muhammad is geen eigennaam, maar een adjectief, ‘geprezen’ of ‘prijzenswaardig’, dat werd toegepast op zowel Jezus als ʿAlī. Als historische figuur heeft Mohammed nooit bestaan. De godsdienst van de Arabieren die Syrië in de zevende eeuw beheersten was niet de islam. De islam werd pas omstreeks 700 in leven geroepen door de Umayyadische kalief ‘Abd al-Malik, die de zogenaamde koranbeweging uit Centraal-Azië (!) naar Syrië en Palestina overbracht. Zij was daar gegroeid op de mest van een sterk Arabisch voor-Nicaeaans christendom, dat ergens bij Marw in Centraal-Azië had overleefd, als gevolg van de Sassanidische deportatie van de christen van Hatra in 241. (Is U daar nog?)
De bewijzen voor dit alles zijn zo dun dat je zulke artikelen nauwelijks nog wetenschap kunt noemen. Toch staan er ook enkele onloochenbaar belangwekkende bijdragen in deze banden, bij voorbeeld door Gerd en Elisabeth Puin over de koran, door Gilliot over hadith-geleerden en bepaalde stimulerende gedachtengangen in het algemeen.
De auteurs in de publicaties van Inâra vormen een nogal heterogene groep, die twee aversies schijnen te delen: een tegen de moderne islam en een tegen de traditionele oriëntalisten. De jonge Crone en Cook bestreden alleen hun oriëntalistische leraren; de meeste Inârah-artikelen hebben ook een anti-islam-alinea. Voor islamhaters zou het zeker plezierig zijn een zevende eeuw te hebben zonder Mohammed, zonder koran, zonder Arabische veroveringen en zonder islam. Maar een dergelijk wensdenken is geen bruikbaar uitgangspunt voor wetenschappelijke studie.
.
Mainstream wetenschappelijk onderzoek
Intussen werd het echte wetenschappelijke onderzoek op basis van het standaardverhaal in alle rust voortgezet. Ik noem ook hier slechts enkele werken.
– Hugh Kennedy schreef een rustig en zeer goed leesbaar overzichtsboek over de veroveringen, waarin nieuwe onderzoeksresultaten, uiteraard ook van hemzelf, niet ontbreken.
– Michael Moroney schreef over Irak na de verovering door de moslims. Zijn boek gaat dus niet over Medina, maar is wel zeer gedetailleerd over het bestuur en het alledaagse leven in een van de belangrijkste provincies van het Arabische Rijk.

– Robert Hoyland, In God’s path, nog meer up to date over de veroveringen en de vorming van de nieuwe staat.
Bijzondere vermelding verdient hier het boek van Michael Lecker, Muslims, Jews and Pagans, en wel om twee redenen. Ten eerste concentreert de auteur zich op Medina; hij biedt zelfs een historische en geografische close-up van de zog. ‘Bovenlanden’ (‘awālī) van Medina in en kort na Mohammeds tijd. Ten tweede is hij haast extreem trouw aan het standaardverhaal. Zijn boek is vele malen wetenschappelijker dan de post-Hagaristische werken die ik hierboven beschreef. Toch blijf ik bij Lecker zitten met heel wat onbehagen over Medina, al beschrijft hij het nog zo gedetailleerd. Wat mij vooral verbijstert is het gemak waarmee hij een boek van Samhūdī uit de vijftiende eeuw tot hoofdbron verklaart voor de geschiedenis van het Medina van de zevende eeuw, en het vertrouwen dat hij heeft in oude genealogieën.
====================

Blz. 4. Mijn eigen gedachten

‘Tegenkalifaat’
Maar hoewel ik de wilde theorieën van de post-Hagaristen niet kan volgen, waardeer ik sommige van hun ideeën toch. Bij voorbeeld de nadruk op Syrië, waar aanzienlijke delen van de bevolking altijd al Arabisch waren, en waar Muʿāwiya weliswaar pas in 661 kalief werd maar al sind 642 de facto regeerde. En de rol van kalief ʿAbd al-Malik (reg. 685–705) bij de vormgeving van de (of liever: een) Islam. En zoals gezegd: ook ik blijf me ongemakkelijk voelen bij de gedachte aan Medina als hoofdstad van een opkomend wereldrijk.
Mijn eigen bijdrage tot die oude geschiedenis zal zeer bescheiden blijven. Ik wil alleen eens wijzen op twee zaken die al langer bekend zijn, maar nog dikwijls verwaarloosd worden en die toch grote invloed moeten hebben uitgeoefend op onze Arabische bronnen. Ik bedoel het kalifaat (680-692) van ʿAbdallāh ibn al-Zubayr en de geschriften van zijn broer ʿUrwa.
Na de dood van de Umayyadische kalief Muʿāwiya in 680 regeerden er enkele zwakke kaliefen in Damascus, die maar heel kort in het zadel bleven. De Umayyaden waren de nazaten van de oude preïslamitische elite, die zich nogal laat en volgens sommigen alleen uit opportunisme hadden bekeerd tot de nieuwe beweging die zich zou ontwikkelen tot de islam. Zij voelden zich thuis in Syrië en Palestina en in de christelijke beschaving.
.
De Umayyaden kregen het aan de stok met verscheidene opstandige oppositiegroepen: Sjiieten, Kharidjieten, en ook het gevaarlijke alternatieve kalifaat van ‘Abdallāh ibn al-Zubayr in Mekka en zijn broer Muṣʿab in Iraq. Deze rebellen waren de nazaten van de eerste ‘islamitische’ elite: Mohammeds kameraden van het eerste uur, de oudste aanhangers van de beweging die in hun ogen gekaapt was door de Umayyaden. In plaats van de Syrisch-Palestijnse oriëntering verkozen zij het Arabische Schiereiland. Het kalifaat van ʿAbdallāh duurde twaalf jaar en veroorzaakte een akelige scheur in het Arabische Rijk. Niet alleen het schiereiland, maar ook grote delen van Irak en Iran volgden de Zubayrī broers. Andere provincies aarzelden nog. In sommige jaren was alleen Syrië nog loyaal aan de Umayyadische kalief.
Twaalf jaar lang slaagde Damascus er niet in een eind te maken aan wat voor hen het ‘tegenkalifaat’ was. Maar zodra de sterke kalief ʿAbd al-Malik de macht had overgenomen was het gauw bekeken. ʿAbdallāh werd gedood in in 692, Muṣʿab was al iets eerder gevallen en hun rijk was verleden tijd. De Umayyadische macht was met militaire middelen hersteld.
.
ʿUrwa ibn al-Zubayr (± 643–711)
De interessante overlever is ʿUrwa, ʿAbdallāhs twintig jaar jongere broer en de intellectueel van de familie Zubayr. Hij was niet militair en nauwelijks politiek actief geweest, hoewel hij in de opstand wel de kant van zijn broers had gekozen. Hij woonde meestal in Medina, waar hij de biografie van de profeet bestudeerde en onderwees, evenals hadith en recht. Onmiddellijk na ʿAbdallāhs dood haastte hij zich naar Damaskus om ʿAbd al-Malik trouw te zweren. Dit was een zeer gewaagde stap, want ʿUrwa zal toch wel erg met zijn broers geassocieerd zijn geweest, maar hij had succes. De kalief, die reeds om strategische redenen openbare rouw voor Muṣʿab had afgekondigd, zag ervan af ʿUrwa terecht te stellen en besloot liever gebruik van hem te maken. Hij gaf hem toestemming terug te gaan naar zijn woonplaats in Medina en vroeg hem kort daarna de geschiedenis van de vroege islam neer te schrijven. Dat deed ʿUrwa, en een groot deel van zijn teksten is nog bewaard.
ʿAbd al-Maliks clementie is begrijpelijk. Hij moet beseft hebben dat ʿUrwa’s geschiedenis er een van het schiereiland zou worden, een reeks berichten en verhalen die zich in Medina hadden ontwikkeld voor en gedurende het ‘tegenkalifaat’, ver van Syrië: een verhaal zoals de vroegste bekeerlingen en hun nazaten het graag hoorden. Maar hij was zich ook bewust van de verscheurende krachten die het rijk bijna kapot hadden gemaakt. Hij wilde het rijk nu herenigen en samensmeden met behulp van een nieuwe staatsideologie en probeerde zijn rebelse onderdanen in te pakken door hun een stichtingsmythe te gunnen die zuiverder Arabisch was dan ooit te voren. De vroegste islam, met zijn oriëntatie op Jeruzalem, moet een overwegend Syrisch-Palestijnse aangelegenheid zijn geweest. De Rotskoepel van Jeruzalem, een rotunda die in 691 was voltooid, was het hoogtepunt, maar ook meteen het eindpunt van de ‘Syrische’ islam. In feite is het gebouw een boodschap aan het adres van de christenen, van wie de groeiende islam zich nu distantieerde. Goldziher heeft ooit gesuggereerd dat de Rotskoepel was gebouwd omdat Mekka twaalf jaar lang ontoegankelijk was. Maar het was juist omgekeerd: door de omwenteling van 692 verkreeg Mekka voor het eerst de overheersende plaats in de islam, terwijl de Rotskoepel werd gedegradeerd tot een heiligdom van de tweede rang, al was hij nog zo nieuw. Een verandering van qibla, dat was het. Hierna werd de arabisering voortgezet en werd er steeds meer christelijk en joods materiaal (isrā’īlīyāt) gebannen uit de verhalen en de genealogie. (Als dit u interesseert, zoek in dit blog onder ‘ontbijbeling’.)
ʿUrwa’s ‘brieven’ en mondeling overgeleverde colleges moeten haast wel een rol hebben gespeeld in deze ‘arabisering’ van de islam. Hij schreef die ‘brieven’ voor het hof, maar hij schreef ook nog ettelijke andere teksten, die hij zijn leerlingen onderwees, de meeste over het leven van de profeet, andere over de Ridda-oorlogen en de decennia daarna. Hij was de leverancier van de belangrijkste hoofdstukken in de biografie van de profeet. Zijn teksten werden vooral door twee personen overgeleverd: zijn zoon Hishām en de geleerde al-Zuhrī (gest. 742). Ibn Isḥāq’s Sīra bevat veel teksten van ʿUrwa, maar de hadithverzameling van Maʿmar ibn Rāshid (714–770) doet dat ook. De meeste ‘brieven’ zijn heel beknopt. ʿAbd al-Malik hield niet van lange teksten en verafschuwde het geklets van de ‘Vertellers’ (quṣṣāṣ). Een voorbeeld van ʿUrwa’s persoonlijke input in de vroegste islamitische geschiedschrijving is de ereplaats die hij in verscheidene teksten gaf aan de eerste kalief Abū Bakr en diens gezin. Abū Bakr was ʿUrwa’s grootvader: een van diens dochters was zijn moeder; een andere dochter, Mohammeds vrouw Aisha, was zijn tante. Ik heb hier al laten zien hoe ʿUrwa in zijn verhalen over de Emigratie van Muḥammad naar Medina (hijra) en zijn sterfbed, en ook in zijn felle verdediging van Aisha’s kuisheid toen zij van overspel werd beschuldigd, de positieve handelingen en eigenschappen van Abū Bakr nadrukkelijk op de voorgrond plaatste en ook diens familieleden waar mogelijk positief ter sprake bracht. Het is duidelijk dat ʿUrwa zijn allerpersoonlijkste redenen had voor zijn voorliefde voor de eerste kalief. Zou hij niet even vlijtig het belang van zijn woonplaats Medina en van Mekka hebben opgeblazen in zijn overige verhalen? Mij zou het niet verwonderen als ʿUrwa’s teksten over de vroegste kaliefen geïnspireerd waren door een stoer Medinees patriottisme.
.
Mijn suggesties aan toekomstige onderzoekers van het eerste Arabische Rijk zijn: 1. Voortaan rekening houden met het kalifaat van ʿAbdallāh ibn al-Zubayr en de erop volgende mentale omwenteling. 2. Aandacht schenken aan de rol die zijn broer ‘Urwa speelde bij het creëren van de vroegste islamitische geschiedenis.

Voor het overige, maar dat had u zelf al bedacht, zal de toegenomen kennis van steeds meer oude papyri en de talloze rotsinscripties die in Noordwest-Arabië zijn gevonden de bestudering van het eerste Arabisch rijk bevleugelen.
.
Bewerking van een voordracht gehouden op de Deutsche Orientalistentag in 2010. De Engelse versie van dit artikel is verschenen in Rainer Kessler, Walter Sommerfeld en Leslie Tramontini (uitg.), State Formation and State Decline in the Near and Middle East, Wiesbaden 2016, 145–157. Hij is ook hier down te loaden: RavenFirstArabicEmpire

BIBLIOGRAFIE
– Heribert Busse, ‘Zur Geschichte und Deutung der frühislamischen Ḥaram-bauten in Jerusalem,’ Zeitschrift des Deutschen Palästina-Vereins, 107 (1991), 144–154.
– Leone Caetani, Annali dell’ Islam, 2 dln., Milaan 1905–7.
– Sandra Campbell, Telling memories. The Zubayrids in Islamic historical memory, Ph.D. diss., UCLA 2003 [helaas niet gezien].
– Patricia Crone en Michael Cook, Hagarism. The Making of the Islamic World, Cambridge 1977.
– Patricia Crone, Meccan Trade and the Rise of Islam, Princeton 1987.
– Patricia Crone, ‘What do we actually know about Muhammad?’ Eerst verschenen in augustus 2006; laatst gezien op 19 januari 2021.
– A.A. Duri, The rise of historical writing among the Arabs, uitg. en vert. L.I. Conrad, Princeton 1983. Over ʿUrwa blz. 76-95 (inclusief, blzz. 79-90, een catalogus van historische ‘Urwa-teksten).
– Fred Donner, Narratives of Islamic Origins. The Beginnings of Islamic Historical Writing, Princeton 1998.- Andreas Görke, The historical tradition about al-Ḥudaybiya. A study of ʿUrwa ibn al-Zubayr’s account, in H. Motzki (uitg.), The biography of Muḥammad. The issue of the sources, Leiden 2000, 240–75.
– Andreas Görke en Gregor Schoeler, Die ältesten Berichte über das Leben Muḥammads. Das Korpus ʿUrwa ibn az-Zubair, Princeton 2008.
– Gerald R. Hawting, The first dynasty of Islam. The Umayyad caliphate AD 661–750, London/Sydney 1986, London/New York 2002.
– Gene W. Heck, ‘Gold Mining in Arabia and the Rise of the Islamic State,’ in JESHO 42,3 (1999), 364–395.
– Robert G. Hoyland, In God/s Path, The Arab Conquests and the Creation of an Arabic Empire, Oxford 2015.
– Ibn Isḥāq: A. Guillaume, The Life of Muhammad. A translation of Isḥāq’s (sic!) Sīrat Rasūl Allāh, Oxford 1955.
– Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, 2 dln., Göttingen 1858–60 (Arabische tekst).
– Inârah: voor de twee publicaties die in het Engels zijn vertaald, zie hier onder Ohlig. Voor de andere delen in het Duits en voor informatie over het instituut zie de webpagina.
– Hugh Kennedy, The Great Arab Conquests. How the Spread of Islam Changed the World we Live in, London 2007. Vertaald als: De grote Arabische veroveringen, vert. Guus Houtzager, Amsterdam/Antwerpen 2008.
– Meir J. Kister, ‘The Battle of the Harra. Some socio-economic aspects,’ in Myriam Rosen-Ayalon (uitg.), Studies in memory of Gaston Wiet, Jerusalem 1977, 33–49.
– Michael Lecker, Muslims, Jews and Pagans. Studies on Early Islamic Medina, Leiden 1995.
– Maʿmar ibn Rāshid, een verzameling hadithen over de biografie van de profeet, van welke er veel teruggaan tot ʿUrwa, in: ʿAbd al-Razzāq al-Ṣanʿānī, Muṣannaf, v, nrs. 9718-84. Engelse vertaling: Sean W. Anthony, The Expeditions. An Early Biography of Muhammad, New York University Press 2015.
– Michael G. Morony, Iraq after the Muslim Conquest, Princeton 1984, 2006.
– Syed Nadvi, ʿAbd Allāh ibn al-Zubayr and the caliphate, Ph.D. diss., University of Chicago 1972 [niet gezien].
– Yehuda Nevo en Judith Koren, Crossroads to Islam, Amherst (N.Y.) 2003.
– Albrecht Noth, Quellenkritische Studien zu Themen, Formen und Tendenzen frühislamischer
Geschichtsüberlieferung, Ph. D. Diss. Bonn 1973. Engelse vertaling en update: Albrecht Noth, The Early Arabic Historical Traditions: A Source-Critical Study, in collaboration with Lawrence I. Conrad, Princeton 1994.
– Karl-Heinz Ohlig en Gerd R. Puin (uitg.), The Hidden Origins of Islam: New Research into Its Early History, Amherst NY 2009.
– Karl-Heinz Ohlig (uitg.), Early Islam. A Critical Reconstruction Based on Contemporary Sources, Amherst NY 2013.
– Gernot Rotter, Die Umayyaden und der zweite Bürgerkrieg (680–692), Wiesbaden 1982.
– Gregor Schoeler, Charakter und Authentie der muslimischen Überlieferung über das Leben Mohammeds, Berlin en New York 1996, over ʿUrwa p. 28-32, 145-54.
– Gregor Schoeler, Art. ‘ʿUrwa ibn al-Zubayr,’ in EI2.
– Adam J. Silverstein, ‘A neglected chapter in the history of caliphal state-building,’ JSAI 30 (2005), pp. 293–317.
– Adam J. Silverstein, Postal Systems in the Pre-Modern Islamic World, Cambridge 2007.

Leestraject Kalief, kalifaat: Kalief, korte definitie. Kalief, kalifaat: kort historisch overzicht. Het eerste Arabische Rijk, Het kalifaat van Medina 622–661. De eerste kaliefen.

Terug naar Inhoud      Terug naar Inhoud (oud

Onbekende Oudheid: inscripties in Arabië

De laatste decennia zijn er tienduizenden pre-islamitische en vroegislamitische rotsinscripties op het Arabische schiereiland gevonden en voor een deel al uitgegeven. In tot dusver nog onbekende Semitische talen, in een verscheidenheid van alfabetten in verschillende stadie van ontwikkeling. Uitgaven van zulke inscripties zien er vaak nogal ontmoedigend uit; dat zal bij andere cultuurgebieden niet anders zijn. U kent ze misschien: veel tekstjes van één of anderhalf regeltje, veel puntje puntje puntje waar letters onduidelijk waren en tussen vierkante haken één of twee letters die de uitgever meende te kunnen aanvullen. In de tentatieve vertaling is dan bij voorbeeld te lezen dat X hier begraven ligt, of dat er iets gewijd wordt aan een bepaalde godheid. 
Maar in de handen van specialisten zijn al die inscripties goud waard. Hele nieuwe talen worden er ontdekt (bijv. Safaïtisch), reeds bekende talen worden bekender, de ontwikkeling van diverse alfabetten is te volgen, handelsroutes en de verbreiding van stammen en staatjes over het schiereiland worden zichtbaar. Het is niet overdreven te zeggen dat de oude geschiedenis van Arabië door die inscripties geheel moet worden herschreven, inclusief het ontstaan van de islam. Maar het is allemaal nog zo nieuw; het zal nog even duren voordat er een handzaam geschiedenisboek op tafel ligt.

Voor het ogenblik wil ik twee inscripties tonen, waarvan ook niet-specialisten het belang voor de geschiedschrijving kunnen zien.

Allah Rahman

Alle koransoera’s op één na beginnen met de formule: bismillāh al-raḥmān al-raḥīm, wat  vertaald wordt als: ‘In naam van God, de barmhartige erbarmer,’ of: ‘de barmhartige, de erbarmer.’ Erbarmer is een raar Nederlands woord. Maar raḥīm is een adjectief, ‘barmhartig’ en raḥmān  is blijkbaar een substantief, dus daar moest iets voor gevonden worden, vandaar.
Uit sommige koranverzen blijkt echter dat het vroeger niet zo maar een substantief was, maar veeleer een eigennaam, bij voorbeeld in 17:110: ‘Bidt tot Allāh of bidt tot al-Raḥmān. Hoe gij hem ook tot hem bidt, hij heeft de schoonste namen.’ En in een aantal soera’s uit de Nöldekes ‘tweede Mekkaanse periode’1 wordt weinig over Allāh, maar vooral over al-Raḥmān gesproken. Inderdaad is uit Oudzuidarabische inscripties vanaf het jaar 505 de god Raḥmānān bekend. Het was de Midden- en Zuid-Arabische high god van de hemel en de sterren. De uitgang -ān in zijn naam komt overeen met het bepaalde lidwoord in het koranische Arabisch, dus met het al- van al-Raḥmān. Deze god, zo heette het altijd, is in de koran versmolten met de god Allāh. Dat gebeurde zo vaak met goden, men kent het ook uit de bijbel en de Grieks-Romeinse Oudheid. En de koran is streng monotheïstisch: voor een andere god dan Allāh was er geen plaats, dus Raḥmānān kreeg een ondergeschikte status: van eigennaam werd het een gewoon substantief en een attribuut van Allāh.

Welnu, Ahmad al-Jallad2 toont op Twitter een interessante inscriptie uit Jemen, geschreven in het Oudzuidarabische zabur-schrift, in de zesde eeuw. Invloed van ‘de islam’ kan er dus niet zijn. Zijn transcriptie luidt:

bsmlh rḥmn rḥmn rb smwt
rzq-n m-fḍl-k w ʾṯr-n mḫh škmt ’ymn

Zijn vertaling komt in het Nederlands neer op:

In de naam van Allāh, Raḥmān, de barmhartige, de Heer der hemelen.
Zegen ons met Uw gunst en verleen ons het beste daarvan: de gave van het geloof.

Waarom is deze inscriptie zo belangwekkend:
1. Zij toont dat niet pas in de koran, maar al ruim daarvóór de goden Allāh en Raḥmān aan elkaar gelijkgesteld werden.
2. Zij biedt een pre-islamitische variant van de bovengenoemde formule waarmee koransoera’s beginnen.
De inscriptie laat dus iets zien van de voorgeschiedenis van de islam.

en de rest van zijn draadje. Al-Jallads bevindingen verschijnen natuurlijk ook in serieuze wetenschappelijke publicaties, maar dat duurt soms jaren en de ontwikkelingen op dit vakgebied gaan snel. Daarom kiest hij soms voor Twitter bij wijze van voorpublicatie.

Umars sterfjaar

Niet alle duizenden inscripties die op het Arabisch schiereiland zijn gevonden zijn grafschriften of votiefteksten of gebeden. Ook daar krasten mensen gewoon hun namen op muren en stenen ter vereeuwiging van zich zelf: Kilroy was here too! In Noordwest-Arabië, langs de weg van Medina naar Syrië, werd de volgende inscriptie ontdekt:

Bismillāh. Ana Zuhayr katabt zaman tuwuffiya ‘Umar sanat arba‘ wa-­’ishrīn.
In de naam van Allāh. Ik, Zuhayr, schrijf (dit) in de tijd dat ‘Umar ontsliep, in het jaar 24.

Deze inscriptie bevestigt 1) het overgeleverde sterfjaar (= 644 AD) van kalief ‘Umar, 2) de vroege invoering van de islamitische jaartelling, 3) het vroege bestaan van de diacritische punten, waarmee het Arabische schrift sommige letters uit elkaar houdt.
De tekst is een slag voor al die moderne geschiedschrijvers, die het liefst van de vroeg-islamitische tijd helemaal niets meer over zouden laten.
Is de inscriptie wel echt? Ja, dat zal toch wel. Ik twijfelde even bij het woord tuwuffiya; dat klinkt zo onepigrafisch. Maar vlak bij de vindplaats van deze inscriptie is er nog een van Zuhayr, dat moet haast wel dezelfde persoon zijn:

Ana Zuhayr mawlā ibnat Shayba
Ik ben Zuhayr, de cliënt van Bint Shayba

Dat maakt een religieus geïnspireerde recente vervalsing onwaarschijnlijk. Nu ja, mijn mening telt niet in dezen, ik weet niets van epigrafie. Maar zolang vooraanstaande specialisten de tekst voor echt houden ga ik er maar van uit dat hij dat is.

NOTEN
1. Nöldeke, Geschichte i, 127–43, vooral 121.
2. Ahmad al-Jallad, voorheen te Leiden, nu in Columbus, Ohio, is een coryfee op het gebied van Semitische epigrafie. Hij heeft een grammatica van het Safaïtisch geschreven en heeft al honderden, zo niet duizenden inscripties bewerkt in verscheidene oude Semitische talen. 

BIBLIOGRAFIE
– ‘Ali ibn Ibrahim Ghabban, ‘The inscription of Zuhayr, the oldest Islamic inscription (24 AH/AD 644–45), the rise of the Arabic script and the nature of the early Islamic state,’ in Arabic archaeology and epigraphy 19 (2008), 209–236.
– Mehdy Shaddel, ‘Traces of the hamza in the Early Arabic Script: The Inscriptions of Zuhayr, Qays the Scribe, and ‘Yazīd the King’,’ Arabian Epigraphic Notes 4 (2018): 35‒52. Online hier. Relevant zijn de blzz. 39–44.
– Theodor Nöldeke en Friedrich Schwally, Geschichte des Qorans, 2e druk, 3 dl. Leipzig 1909–1938.

Terug naar Inhoud

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]