De uitroeiing van de Joodse stam Qurayza (vertaling)

Vertaalde tekst:
Volgens wat al-Zuhrī mij heeft verhaald kwam omstreeks het namiddaggebed Djibrīl bij de Profeet, het hoofd bedekt met een tulband van zijdebrokaat en rijdend op een muilezel waarvan het zadel bedekt was met een stuk brokaat. Hij vroeg de Profeet of hij de wapens had neergelegd, en toen deze dat bevestigde zei Djibrīl: ‘De engelen hebben hun wapens nog niet neergelegd; zelf kom ik juist terug van het achtervolgen van de vijand. God beveelt je tegen de stam Qurayza op te rukken, Mohammed! Ik ga naar hen toe om hen door elkaar te schudden.’
De Profeet liet afkondigen dat niemand het namiddaggebed diende te verrichten voordat hij bij Qurayza was. Vervolgens zond hij ‘Alī vooruit met zijn vlag, en de mannen snelden erop af. Toen ‘Alī dicht bij de forten gekomen was hoorde hij daar beledigende taal aan het adres van Mohammed. Hij keerde terug, de Profeet tegemoet, en zei dat hij niet dichter bij die schurken hoefde te komen. ‘En waarom niet?’ vroeg de Profeet, ‘ik denk dat je ze hebt horen kwaadspreken over mij,’ en hij voegde eraan toe: ‘Als ze mij zagen zouden ze zulke dingen niet zeggen.’ Toen de Profeet dicht bij hun forten gekomen was riep hij: ‘Stelletje apen; heeft God jullie voor gek gezet en Zijn wraak over jullie geopenbaard?’ Zij zeiden: ‘Abū Qāsim, jij bent geen dwaas!’
Op zijn weg naar de stam Qurayza passeerde de Profeet een aantal van zijn gezellen in Sawrayn, die hij vroeg of daar iemand langs was gekomen. ‘Ja,’ zeiden ze, ‘Dihya ibn Khalīfa, op een wit muildier waarvan het zadel bedekt was met een stuk brokaat.’ De Profeet zei: ‘Nee, dat was Djibrīl, die op weg was naar Qurayza om hun forten door elkaar te schudden en schrik onder hen te zaaien.’
Toen de Profeet bij de stam Qurayza was aangekomen, hield hij halt bij een van hun bronnen dichtbij hun grondgebied, die Anā heette. De mannen voegden zich bij hem. Sommigen kwamen daar pas aan na het late avondgebed en hadden het namiddaggebed niet verricht, omdat de Profeet had gezegd dat ze dat niet moesten doen voordat ze bij Qurayza waren. Ze waren druk bezig geweest met de nodige oorlogsvoorbereidingen en hadden het gebed pas bij Qurayza willen verrichten, volgens de instructies van de Profeet, en dat deden ze nu, na het late avondgebed. God heeft hun dat niet aangewreven in Zijn Boek en de Profeet is hun daarover niet hard gevallen. Dit is mij verteld door mijn vader, die het had van Ma‘bad ibn Ka‘b.
De Profeet belegerde hen vijfentwintig dagen, tot het beleg hun zwaar begon te vallen, en God zaaide schrik onder hen.
Huyayy ibn Akhtab was met de stam Qurayza mee in hun fort gegaan, nadat Quraysh en Ghatafān zich hadden teruggetrokken, om zijn verdrag met Ka‘b ibn Asad na te komen. Toen zij zeker wisten dat de Profeet niet weg zou gaan voordat hij met hen afgerekend had, zei Ka‘b tegen zijn stamgenoten: ‘Joden, jullie zien hoe jullie ervoor staan. Ik leg jullie drie mogelijkheden voor; kies welke je wilt. De eerste is: wij volgen deze man en geloven hem, want het is nu wel duidelijk dat hij een gezonden profeet is, en dat hij degene is die genoemd wordt in onze Schrift. Dan zullen tenminste ons leven, ons bezit en onze kinderen en vrouwen gespaard blijven.’ ‘Nee,’ zeiden ze, ‘de wet van de thora (tawrāt) zullen wij nooit verzaken en nooit verruilen voor een andere.’ Toen zei hij: ‘Als jullie dat niet willen, dan iets anders. Laten we onze kinderen en vrouwen doden en vervolgens ongehinderd uitrukken tegen Mohammed en zijn gezellen, als mannen, met getrokken zwaard, tot God een oordeel velt tussen ons en hem. Als wij omkomen dan komen we om en laten we geen nakomelingen na om ons zorgen over te maken, en als we winnen, dan nemen we andere vrouwen en kinderen.’ Maar zij antwoordden: ‘Zouden wij deze arme schepsels moeten doden? Waar is het leven nog goed voor als zij er niet meer zijn?’ Toen zei hij: ‘Als jullie dat ook niet willen, dan dit: het is vandaag sabbatavond, misschien dat Mohammed en zijn gezellen zich veilig voor ons wanen. Laten we dus een uitval doen, misschien dat we dan Mohammed en zijn gezellen bij verrassing een slag kunnen toebrengen.’ Zij antwoordden echter: ‘Zouden wij dan onze sabbat ontwijden en hetzelfde doen als je weet wel wie vroeger hebben gedaan, die toen in apen zijn veranderd?’ Ka‘b verzuchtte: ‘Niemand heeft hier ooit van zijn levensdagen een besluit kunnen nemen!’
Toen lieten ze de Profeet vragen Abū Lūbāba ibn ‘Abd Mundhir te sturen, een broeder van de clan ‘Amr ibn Awf (dat waren bondgenoten van de stam Aws), om diens raad in te winnen. Dat deed de Profeet. Zodra zij hem zagen gingen de mannen naar hem toe en wierpen de vrouwen en kinderen zich huilend voor hem neer, zodat hij medelijden kreeg. Ze vroegen hem: ‘Abū Lūbāba, vind je dat we ons moeten overgeven aan Mohammed?’ ‘ Ja,’ zei hij, en hij gebaarde met zijn hand naar zijn keel, duidend op een slachtpartij.
Abū Lūbāba heeft daarover zelf nog gezegd: ‘Ik had nog geen stap verzet of ik begreep dat ik God en Zijn Profeet had verraden.’ Daarna ging hij niet naar de Profeet terug, maar bond zich vast aan een van de pilaren in de moskee en zei dat hij die plaats niet zou verlaten voordat God hem zou vergeven wat hij had gedaan, en hij zwoer dat hij zich nooit meer zou vertonen in het gebied van de stam Qurayza, waar hij God en Zijn Profeet had verraden.
Toen de Profeet dit na lang wachten vernam zei hij: ‘Als hij bij mij gekomen was had ik vergeving voor hem gevraagd, maar nu hij dit gedaan heeft zal ik hem niet losmaken voordat God hem vergeeft.’
Yazīd ibn ‘Abdallāh ibn Qusayt vermeldt dat de vergeving voor Abū Lūbāba aan de Profeet werd geopenbaard in de vroege ochtend, in het huis van Umm Salama. Deze laatste heeft daarover verteld: In de vroege ochtend hoorde ik de Profeet lachen en ik zei:
–– ‘Waarom lach je? Moge God je vreugde schenken.’
–– ‘Aan Abū Lūbāba is vergeving geschonken.’
–– ‘O,’ zei ik, ‘zal ik hem het goede nieuws gaan vertellen, Profeet?’
–– ‘Goed, zoals je wilt.’
Ik ging bij de deur van mijn kamer staan—het was voordat de afzondering aan de vrouwen was voorgeschreven—en riep: ‘Abū Lūbāba, goed nieuws, God heeft het je vergeven!’ De mensen snelden toe om hem los te maken, maar hij zei: ‘Nee, nee, alleen als de Profeet mij eigenhandig losmaakt.’ En zo werd hij pas losgemaakt toen de Profeet langs kwam op weg naar het ochtendgebed.
Die nacht kwam ‘Amr ibn Su‘dā, een man uit Qurayza, naar buiten en passeerde de wacht van de Profeet, die onder bevel stond van Muhammad ibn Maslama. Toen die hem zag riep hij: ‘Wie daar?’ Hij zei: ‘Amr ibn Su‘dā.’ Deze ‘Amr had altijd geweigerd de stam Qurayza te volgen in hun verraad jegens de Profeet. Muhammad ibn Maslama zei toen hij hem herkende: ‘O God, vergun me, de misstappen der edelen goed te maken!’ en liet hem lopen. Hij liep ongehinderd door tot bij de deur van de moskee van de Profeet in Medina, in diezelfde nacht; daarna verdween hij en het is tot op heden niet bekend waar hij gebleven is. Toen het geval de Profeet gemeld werd zei hij: ‘Deze man is door God verlost om zijn trouw.’ Sommige mensen beweren dat hij was vastgebonden met een versleten touw, te samen met de andere gevangenen van Qurayza, toen die zich hadden overgegeven, en dat de volgende ochtend alleen het touw gevonden werd, zonder dat iemand wist waar hij gebleven was, en dat de Profeet toen die woorden sprak. Maar God weet het best hoe het gebeurd is.
In de ochtend gaf de stam Qurayza zich onvoorwaardelijk over aan de Profeet. De mannen van Aws sprongen op en zeiden: ‘Profeet, dit zijn onze cliënten en niet die van Khazradj, en u weet hoe u onlangs de cliënten van onze broeders hebt behandeld.’ De Qaynuqā‘ waren namelijk cliënten van Khazradj geweest, en toen die zich na een belegering hadden overgegeven had ‘Abdallāh ibn Ubayy gevraagd of hij ze kreeg, en hij had ze gekregen. En nu Aws hetzelfde vroeg zei de Profeet: ‘Willen jullie graag dat iemand van jullie hen vonnist? Dat is dan iets voor Sa‘d ibn Mu‘ādh.’
Sa‘d was door de Profeet ondergebracht in een tent van een vrouw uit Aslam, die Rufayda heette, op het terrein van zijn moskee; zij verpleegde de gewonden en verzekerde zich van haar toekomstig loon door te zorgen voor de moslims die iets mankeerden. Toen Sa‘d in de gracht door een pijl was getroffen had de Profeet tegen de familie gezegd: ‘Leg hem maar in de tent van Rufayda; ik zal hem binnenkort bezoeken.’ Nu de Profeet hem als rechter wilde aanstellen over Qurayza zette zijn familie hem op een ezel, waarop zij een zacht leren kussen hadden gelegd, want Sa‘d was een dikke man. Terwijl ze hem naar de Profeet brachten zeiden ze tegen hem; ‘Behandel onze cliënten mild, want met het oog daarop wil de Profeet jou dit toevertrouwen.’ Toen ze dat meermalen gezegd hadden zei hij: ‘Voor Sa‘d is de tijd gekomen om zich in de zaak Gods van niemands kritiek meer iets aan te trekken.’ Sommigen van degenen die bij hem waren gingen terug naar het kwartier van de stam ‘Abd Ashhal en kondigden de dood van de mannen van de stam Qurayza aan, nog voordat Sa‘d er was, omdat ze hem dat hadden horen zeggen. Toen Sa‘d ten slotte was aangekomen zei de Profeet tegen de gelovigen dat ze moesten opstaan voor hun leider. De Emigranten uit Quraysh dachten dat hij alleen de Helpers bedoelde, maar die dachten dat hij hen allemaal bedoelde. Ze stonden dus op en zeiden: ‘Abū Amr, de Profeet heeft het jou toevertrouwd vonnis te vellen over je cliënten.’ Sa‘d zei: ‘Zweren jullie bij God mijn oordeel als bindend te aanvaarden, wat het ook is?’ ‘Ja,’ zeiden ze. ‘Ook degene die hier is?’ vervolgde hij in de richting van de Profeet, zonder hem daarbij aan te kijken, uit eerbied. ‘Ja,’ zei ook de Profeet. Toen zei Sa‘d: ‘Dan is mijn vonnis dat de mannen gedood worden, de eigendommen verdeeld worden en de kinderen en vrouwen als krijgsgevangenen worden beschouwd.’
Volgens ‘Alqama ibn Waqqās al-Laythi heeft de Profeet toen gezegd: ‘Je hebt het oordeel Gods geveld, van boven de zeven hemelen.’
Na de overgave van Qurayza zette de Profeet hen gevangen in het kwartier van Bint Hārith, een vrouw uit de stam Naddjār. Vervolgens begaf hij zich naar de markt van Medina—waar nu nog steeds de markt is—en groef er greppels in. Daar liet hij telkens een groepje naar toe brengen, en dan liet hij hen onthoofden in die greppels. Onder hen waren ook de vijand Gods Huyayy ibn Akhtab en Ka‘b ibn Asad, de hoofdman van de stam. In totaal waren het zes- of zevenhonderd man, of volgens sommigen acht- of negenhonderd. Toen ze in groepjes naar de Profeet gebracht werden vroegen ze aan hun hoofdman: ‘Ka‘b, wat denk je dat ze met ons gaan doen?’ Hij antwoordde: ‘Zullen jullie het dan nooit begrijpen? Zien jullie niet dat er telkens anderen worden opgeroepen en dat degenen die zijn weggehaald niet meer terugkomen? Wee, wee, dit is de dood!’ Zo ging het door, tot de Profeet hen allemaal had gehad.
Huyayy ibn Akhtab, de vijand Gods, droeg toen hij werd weggehaald een kleurig gewaad waarin hij overal gaten had gemaakt ter grootte van een vingertop, om te zorgen dat het geen waarde zou hebben als roofgoed. Zijn handen waren met een touw aan zijn nek gebonden. Zodra hij de Profeet zag zei hij: ‘Bij God, dat ik jou heb bestreden verwijt ik mij zelf niet, maar wie God in de steek laat, die wordt zelf in de steek gelaten.’ Toen richtte hij zich tot de omstanders en zei: ‘Gods raad is juist: een Boek, een Besluit en een slachtpartij, dat is door God beschikt tegen de kinderen van Isra’iel!’ Toen ging hij zitten en werd hij onthoofd.
Muhammad ibn Dja‘far ibn Zubayr heeft gehoord van ‘Urwa, die het had van Aisja: Van hun vrouwen werd er maar één gedood. Ze was juist bij mij; we praatten wat en zij zat te schudden van het lachen, terwijl de Profeet bezig was de mannen van haar stam te doden op de markt. Ineens werd haar naam afgeroepen.
–– ‘Lieve hemel!’ riep ik, ‘wat is dat?’
–– ‘Ik moet ook gedood worden.’
–– ‘Maar waarom?
–– ‘Om iets dat ik gedaan heb.’
Toen werd ze weggehaald en onthoofd. Aisja zei daarover nog: ‘Nee werkelijk, ik zal nooit vergeten hoe vreemd ik het vond dat ze zo vrolijk was en zo hard lachte, hoewel ze al die tijd wist dat ze gedood zou worden.’
Al-Zuhri heeft mij verteld: Thābit ibn Qays was naar Abū ‘Abd al-Rahmān Zabīr ibn Bāyā toegelopen, een man uit Qurayza die ooit zijn leven had gespaard. Een van Zabīr szonen heeft mij verteld dat het op de dag van Bu‘āth was geweest, toen hij hem gevangen had genomen, maar hem weer had laten lopen, na alleen zijn voorhoofdslok te hebben afgesneden. Thābit, die nu een heel oude man was, was naar hem toe gekomen en had gezegd:
–– ‘Abū ‘Abd al-Rahmān, ken je me nog?’
–– ‘Zou een man als ik een man als jij niet meer kennen?’
–– ‘Ik wil je belonen voor wat je voor me gedaan hebt.’
–– ‘Een nobel man vergeldt zijn gelijke.’
Thābit ging naar de Profeet en vertelde hem dat Zabīr eens zijn leven had gespaard en dat hij hem daarvoor nu wilde belonen. De Profeet zei hem dat zijn leven gespaard zou worden. Toen hij dat aan Zabīr kwam zeggen zei deze: ‘Een oude man zonder familie en kinderen, wat heeft die aan zijn leven?’ Thābit ging weer naar de Profeet, die hem beloofde ook zijn vrouw en zijn zoon in leven te laten. Toen vroeg Zabīr: ‘Hoe kan een gezin in de Hidjāz leven zonder bezit?’ Thābit ging weer naar de Profeet en kreeg de toezegging dat hij zijn bezit mocht houden. Toen vroeg Zabīr:
‘Thābit, wat is er gebeurd met Ka‘b ibn Asad, wiens gezicht was als een Chinese spiegel waarin de maagden van de stam zich konden zien?’
–– ‘Dood.’
–– ‘En met Huyayy ibn Akhtab, de heer van boeren en nomaden?
–– ‘Ook dood.’
–– ‘En met ‘Azzāl ibn Samaw’al, onze voorhoede als wij aanvielen en onze achterhoede als wij vluchtten?’
–– ‘Dood.’
–– ‘En met de “twee vergaderingen”?’ (hij bedoelde de clans Ka‘b ibn Qurayza en ‘Amr ibn Qurayza.)
–– ‘Weggehaald en dood.’
–– ‘Dan vraag ik je, Thābit, omwille van de dienst die ik je heb bewezen, dat je mij verenigt met mijn stam, want ach, het leven heeft niets meer te bieden nu zij zijn heengegaan, en ik kan geen ogenblik meer wachten om mijn dierbaren te ontmoeten.’ Daarop liep Thābit op hem toe en sloeg zijn hoofd af.
Toen Abū Bakr vernam dat hij gezegd had: ‘om mijn dierbaren te ontmoeten,’ zei hij: ‘Ja, in de hel zal hij ze ontmoeten, voor altijd en eeuwig.’
Shu‘ba ibn Haddjādj brengt mij via ‘Abd al-Malik de woorden over van ‘Atīya de Qurayziet: De Profeet had bevolen dat alle volwassenen van Qurayza ter dood gebracht moesten worden. Ik was een jonge jongen; ze vonden dat ik nog niet volwassen was en daarom lieten ze mij lopen.
Ayyūb ibn ‘Abd al-Rahmān vertelt dat Salma bint Qays (zij was een tante van moederskant van de Profeet en had met hem het gebed verricht naar allebei de gebedsrichtingen en de Vrouweneed afgelegd) hem vroeg om het leven te sparen van Rifā‘a ibn Samaw’al de Qurayziet, die een volwassen man was en toevlucht bij haar had gezocht omdat hij hen daarvoor al kende. Ze zei: ‘Mijn beste Profeet, geef mij Rifā‘a, want hij beweert dat hij voortaan het gebed zal verrichten en kamelenvlees zal eten.’ De Profeet stemde toe en zo spaarde zij zijn leven.
.
Die dag verdeelde de Profeet de eigendommen, de vrouwen en de zonen van de stam Qurayza onder de moslims, en hij maakte de verdeling bekend van de paarden en de mannen en hield een vijfde deel achter. Een ruiter kreeg drie delen, twee voor het paard en één voor de berijder, en een man zonder paard kreeg één deel. Op de dag van Qurayza waren er zesendertig paarden. Het was de eerste buit waarover het lot werd geworpen en waarvan een vijfde deel werd achtergehouden. Zoals de Profeet het verdeeld had, zo ging het voortaan altijd; het werd het gebruik bij veldtochten.
Sa‘d ibn Zayd al-Ansārī werd door de Profeet met krijgsgevangenen van Qurayza naar de Nadjd gestuurd om ze te verkopen voor paarden en wapens.
Voor zichzelf had de Profeet een van hun vrouwen uitgezocht, Rayhāna bint ‘Amr ibn Khunāfa, een vrouw uit de clan ‘Amr ibn Qurayza. Zij is altijd slavin gebleven , tot de dood van de Profeet. Deze had namelijk voorgesteld te trouwen en haar de afzondering op te leggen, maar zij had gezegd: ‘Nee Profeet, laat mij maar slavin blijven, dat is makkelijker voor ons allebei,’ en daar was het bij gebleven. Toen hij haar gevangennam, had zij zich verzet tegen de islam en wilde zij beslist joods blijven. Daarom schonk de Profeet haar geen aandacht meer, maar dat ging hem wel aan het hart. Kort daarna was hij eens bij zijn vrienden en ineens hoorde hij voetstappen achter zich. Toen zei hij: ‘Dat is Tha‘laba ibn Sa‘ya, die komt vertellen dat Rayhāna de islam heeft aangenomen.’ Zo was het inderdaad, en hij was daar heel blij om.
.
Toen de kwestie van de stam Qurayza was afgedaan ging de wond van Sa‘d ibn Mu‘ādh weer open, en hij stierf daaraan als martelaar.
Mu‘ādh ibn Rifā‘a al-Zuraqī heeft mij verteld: Een willekeurig persoon uit mijn stam deelt mee dat de Profeet op het ogenblik dat Sa‘d werd weggenomen, in het holst van de nacht, werd bezocht door Djibrīl, die een tulband van zijdebrokaat droeg en sprak: ‘Mohammed, wie is deze dode, voor wie de poorten des hemels geopend zijn, en voor wie de Troon in beroering is?’ De Profeet stond ijlings op om naar Sa‘d te gaan; zijn kleed sleepte achter hem aan, maar hij bevond dat hij reeds was gestorven.
Een onverdacht persoon vertelde mij op gezag van Hasan al-Basrī: Sa‘d was een gezette man geweest, maar toen de mensen hem ten grave droegen vonden ze hem licht. Enkele Halfhartigen zeiden: ‘Het was zo’n dikke man, en toch hebben we nog nooit zo’n lichte begrafenis gehad.’ Toen de Profeet dat hoorde zei hij: ‘Maar hij had nog andere dragers dan jullie! Bij Hem die Mohammeds leven in Zijn hand heeft: de engelen hebben zich verheugd om de ziel van Sa‘d en de Troon is om hem in beroering geweest.’
Mu‘ādh ibn Rifā‘a heeft gehoord van Mahmūd ibn ‘Abd al-Rahmān, en deze van Djābir ibn ‘Abdallāh: Toen Sa‘d werd begraven zei de Profeet in ons bijzijn: ‘God zij geprezen!’ en iedereen zei hem dat na. Toen zei hij: ‘God is groot!’ en ook dat zei iedereen hem na. Op hun vraag waarom hij dat gezegd had, antwoordde hij: ‘Het graf heeft deze goede mens omkneld, tot God hem ervan verlost heeft.’

Mijn commentaar:
Volgens de overlevering bij Ibn Ishaq was er een gegronde reden voor de uitroeiing van de laatste grote joodse stam die nog in of bij Medina verbleef. Voor en tijdens de belegering van de stad hadden zij met de vijand geheuld en hun verdrag met de Profeet geschonden.
Na de uitroeiing werden de landerijen en bezittingen van Qurayza verdeeld onder de moslims, met uitsluiting van de Halfhartigen (munāfiqūn) die niet enthousiast deelnamen aan Mohammeds veldslagen.
.
Opvallend is, dat de overlevering zijn best doet, de profeet op afstand te houden van deze uitroeiing van ruim duizend personen.  Niet Mohammed, maar de engel Djibrīl (Gabriël) neemt het initiatief tot de doding. Het vonnis werd gewezen door Sa‘d ibn Mu’ādh, de leider van de stam Aws. Evenals ‘Abdallāh ibn Ubayy was hij reeds voor Mohammeds komst een vooraanstaand man in Medina geweest, maar hij was jegens de profeet altijd loyaal geweest. Langzaam stervend aan zijn verwonding van een vorige veldslag heeft Sa‘d Mohammed nog de dienst bewezen door Qurayza te vonnissen. Dat Sa‘d al ten dode was opgeschreven zal zeer gelegen zijn gekomen. De overlevering is hem dankbaar en prijst hem vrijwel letterlijk de hemel in. Voor wie hier geschiedschrijving wil ontdekken: Had Mohammed het zelf gedaan, dan had hij misschien de Helpers uit de stam Aws tegen zich gekregen, want die bleken nog te hechten aan hun pact met Qurayza. Aangezien de Halfhartige ‘Abdallāh ibn Ubayy eertijds met succes was opgekomen voor zijn bondgenoten de Qaynuqā‘, had Mohammed het verzoek van de loyale Aws moeilijk kunnen afwijzen.
.
Verder valt op dat uit de teksten enige reserve blijkt ten opzichte van de slachtpartij zelf. De overlevering, elders toch nooit sentimenteel over afgeslachte vijanden, lijkt bijna begaan te zijn met het lot van Qurayza.
.
De tekst van Ibn Ishaq, waaruit hier een keuze volgt, wordt gevolgd door nog meer koranuitleg bij koran 33:26vv., die met deze episode in verband wordt gebracht, door poëzie en door lijsten van ‘martelaren’ e.a.

NOOT
1. Vgl. koran 2:65

=========================

BIBLIOGRAFIE:
– Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 684–700; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 165–74.
– Marco Schöller, Exegetisches Denken und Prophetenbiographie: eine quellenkritische Analyse der Sīra-Überlieferung zu Muḥammads Konflikt mit den Juden, Wiesbaden 2008, vooral blz. 277–282(–312).

MEER LEZEN:
– Inleiding: Mohammed en de Joden
De overige standaard-verhalen van Ibn Ishaq over de joden in vertaling:
De zaak met de Joodse stam Qaynuqa‘
De verdrijving van de Joodse stam Nadir

Diacritische tekens: Qurayẓa, Diḥya, al-Ṣawrayn, Ḥuyayy ibn Akhṭab, Qusayṭ, Muḥammad, ʿAbd al-Raḥmān, Ḥadjdjādj, ʿAṭīya, al-Anṣārī, Rayḥāna, al-Ḥasan al-Baṣrī, Ibn Isḥāq

Terug naar Inhoud      Terug naar Inhoud (oud)       

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog voor archeologen, classici en oudhistorici.]

Christenwappies in de Oudheid

Het christendom is een absurd geloof. De kerkvader Tertullianus (± 150–220) schreef het al: ‘De zoon van God is gestorven; het is geloofwaardig omdat het onzin is,’ en: ‘Het is zeker, omdat het onmogelijk is.’1 Maar andere geloven zijn niet minder absurd, en zeker niet de nieuwe geloven die na het wegebben van het christendom rondspoken. Daar is niets op tegen; kennelijk zijn sterke verhalen voor vele mensen een eerste levensbehoefte. Wel is het wenselijk dat de onzin gescheiden wordt gehouden van de redelijkheid. Gelovigen van allerlei couleur zijn op vele gebieden zeer wel in staat tot redelijkheid, ja zelfs tot wetenschappelijk onderzoek. Het komt aan op een goede partitioning van de harde schijf in de hersenpan. De dubbele waarheid is een ideaal middel om te overleven.

Door mijn werk als arabist kreeg ik te maken met twee christelijke auteurs uit de Oudheid wier onredelijkheid zo allesoverheersend was dat het mij ergerde.

Physiologus

De Physiologus is de anonieme auteur van een boek over dieren uit de tweede eeuw, dat onder christenen eeuwenlang een beschamend grote verbreiding heeft gehad, in vele talen. Hij neemt een of twee meestal volstrekt fictieve of fantastische details uit de beschrijving van de ‘natuur’ (physis) van een dier en komt dan met een vergelijking met Christus, christenen of de kerk op de proppen, veelal gelardeerd met bijbelverzen. Zijn teksten sluit hij dikwijls af met de woorden: ‘Mooi heeft de Physiologus gesproken over …’ — en dat maakt me echt kwaad. Een dieptepunt is wel wat hij over het wezeltje zegt:

  • De Wet zegt: Eet geen wezeltje of een dergelijk dier.2 De Physiologus zegt over het wezeltje, dat het zo een natuur heeft: de bek van het wijfje ontvangt van het mannetje,3 en als het drachtig is geworden baart het door de oren; kwalijk baren zij aldus door de oren.
    Er zijn mensen die in de kerk knabbelen aan het geestelijke brood, maar als zij er weer uit komen werpen zij het Woord uit hun oren en lijken op het onreine wezeltje. En zij worden als een dove slang, die zijn oren verstopt.
    Eet dus geen wezeltje of een dergelijk dier.4

Aristoteles, de grote geleerde uit de Oudheid (384-322 v.Chr.), wist niet alles en schreef ook wel eens onzin,5 maar over het geheel genomen is zijn kennis van het dierenrijk voor die tijd indrukwekkend groot en zijn behandeling ervan is systematisch. Diens werk is echter aan de Physiologus geheel voorbij gegaan; dat zal een vrome ziel zonder veel opleiding zijn geweest. Een kwezeltje, een ezeltje. Eerder heb ik al eens laten zien wat hij te zeggen heeft over het hert en de mierenleeuw. Dat is al even zot.

Kosmas Indikopleustes

Een andere irriterende oude christen is de zesde-eeuwse flat earther Kosmas Indikopleustes, ‘de Indiëvaarder’. Een koopman uit Alexandrië die zeeën bevaren heeft: de Rode Zee, de Perzische Golf en mogelijk ook de Indische Oceaan. Zijn boek Christelijke Topografie bevat zeker interessante stof: rijke hoofdstukken over de flora en fauna van India, over de handelsgoederen, over Ceylon en over het christendom in India en zelfs op het godverlaten Jemenitische eiland Socotra, waar volgens hem Grieks gesproken werd en dat toentertijd een handelshaven was (Schneider 88). Het boek had illustraties met onderschriften; helaas zijn in het proces van overlevering veel afbeeldingen verloren gegaan of door het copiëren verbasterd geraakt en zijn de bladen helemaal door de war geraakt.
Waar lees je anders over al die dingen, in een bron uit de zesde eeuw? Maar helaas, het staat niet vast dat Kosmas ooit zelf in Indië geweest is en er zijn aanwijzingen dat hij dat mooie materiaal van anderen heeft gepikt.
In elk geval contrasteren die teksten nogal met de modderige hoofdstukken, die zeker van zijn eigen hand zijn. Die had ik opengeslagen om eens te zien wat hij over het oude Arabië en de Rode Zee te vertellen had. Maar zijn reisindrukken zijn zeer beperkt en maar matig interessant. Bij Clysma, dat is bij het huidige Suez, heeft hij de wielafdrukken van de strijdwagens van Farao gezien, die de Israëlieten vervolgden door de Rode Zee (Schneider 108). Hij is naar de berg Sinai geweest, waar hij op de halteplaatsen van het volk Israël Hebreeuwse rotsinscripties gezien heeft, die door ‘enige Joden’ voor hem werden vertaald (117). (Hij zal de daar aanwezige Nabatese inscripties hebben gezien, en handige toeristengidsen hebben hem op de mouw gespeld wat hij wilde horen.) In Axum en Adulis, in het toenmalige Ethiopië, is hij als handelaar geweest. Hij heeft daar uit de verte levende rhinocerossen gezien, en in het paleis van de koning een opgezet exemplaar, dat hij ook getekend heeft. Giraffen waren er ook; de koning daar probeerde girafjes van kleins af aan te temmen. Als zij een schaal melk kregen moesten zij hun voorpoten wijd uit elkaar zetten, anders konden ze er niet bij (242–3). Een eenhoorn heeft Kosmas niet gezien, maar wel vier bronzen stèles ervan (243). Nijlpaarden heeft hij ook niet gezien, maar hij handelde wel in nijlpaardentanden (244). Wierook komt diep uit Ethiopië, en wordt verhandeld in Barbaria (het tegenwoordige Berbera in Somaliland), evenals kaneel, geurstoffen en nog meer (60). Het belangrijkste wat hij over Ethiopië te melden heeft, is dat hij in opdracht van koning Ella Asbeha in de haven Adulis een inscriptie van een monument heeft gecopieerd, dat daar was neergezet door koning Ptolemaeus III Euergetes (246–221 v.Chr.) Dat deed Kosmas ‘aan het begin van de regering van Justinus,’ die regeerde van 518–527. Voor zich zelf en voor zijn lezers heeft Kosmas ook een afschrift gemaakt, en dat is natuurlijk waardevol (61–63). Er was nog een tweede, tweetalige, inscriptie op dit Monumentum Adulitanum. Die was echter niet van Ptolemaeus, zoals hij beweert, maar van een Ethiopische koning; de inscriptie is belangrijk voor de geschiedenis van Ethiopië (63–64). Verder zijn het telkens maar snippers die Kosmas over Oost-Afrika mee te delen heeft. Weliswaar zijn voor de oudheidkunde ook snippers van belang, maar de totale oogst is toch wat mager.

Mijn teleurstelling omdat hij niets over Arabië vertelt kan ik de auteur niet aanrekenen. Hij is domweg langs de Afrikaanse kust naar het Zuiden gevaren; wel zo handig waarschijnlijk. Wel vind ik het ergerlijk dat hij, in plaats van veel meer informatie te bieden, het grootste deel van zijn boek vult met ‘bewijzen’ dat de aarde plat is en de vorm van een rechthoek heeft, terwijl de hemel er als een soort tent boven gespannen is. De kosmos als geheel zou ontworpen zijn naar analogie met de tabernakel van het oude Israël, of was het juist omgekeerd? Zijn argumenten bestaan vooral in talloze bijbelverzen. Grrr! ik heb geen zin om al die onzin door te lezen; dat moeten theologen en kosmologen maar doen — ik wens ze veel sterkte. En dat terwijl in zijn tijd al duizend jaar bekend was dat de aarde een bol is! Alle kennis, alle bewijsvoeringen van de grote Griekse denkers uit de Oudheid worden door Kosmas genegeerd, bestreden of voor nietig verklaard. Hij was overigens wel een grote uitzondering: een echte mafkees, die in eigen kring veel kritiek over zich heen kreeg. Er werd onder christenen vrijwel nooit getwijfeld aan de bolvormigheid van de aarde.
Wat een contrast met het werk van die andere koopman uit Alexandrië, de anonieme auteur van Omvaring van de Rode Zee (Periplus Erythraei Maris), die in de eerste eeuw leefde en gewoon nog heiden was. Glasheldere hoofdstukken, barstensvol informatie over de zeeroutes naar Indië en Oost-Afrika, de havens aldaar en wat iedere haven te bieden had.

Kosmas’ rechthoekige wereld, uit een negende-eeuws handschrift in het Vaticaan. De blauwe cirkel rechts onder is de Perzische Golf, waarin Eufraat en Tigris uitmonden. De blauwe cirkel rechts boven is de Kaspische Zee. De Rode Zee, de Nijl, Klein Azië, de Balkan en de Straat van Gibraltar herkent u zelf wel. Dat Italië, Spanje en de Zwarte Zee hier zo slecht uit de verf komen is Kosmas misschien niet aan te rekenen; deze kopie dateert immers van drie eeuwen na hem.
—————————–

Onder de christenen in de Oudheid waren er natuurlijk ook veel die wél wat te melden hadden en goed konden schrijven. Augustinus (354–430) bij voorbeeld, en Basilius (± 330–379). Laatstgenoemde biedt in zijn Preken over de zes scheppingsdagen veel wetenswaardigs aan, ook over dieren, waarbij hij steunt op oudere wetenschap. Maar welbeschouwd is ook hij besmet met het virus van de anti-wetenschappelijkheid, en van hem heeft Kosmas misschien het volgende ‘anti-Griekse’ betoogje overgenomen:

  • De wijze mannen der Grieken hebben vele werken over de natuur geschreven, maar geen ervan bleef onveranderd en stevig verankerd, want het latere heeft het vorige altijd omvergeworpen. Dientengevolge behoeven wij hun woorden niet te weerleggen; zij voorzien wederzijds in hun weerlegging.6

Dat wetenschap iets anders is dan allemaal altijd hetzelfde zeggen; dat (trachten te) weerleggen er een wezenlijk onderdeel van is; dat er een ontwikkeling in kennis is waardoor vroegere inzichten achterhaald raken, dat kwam niet bij hem op. Zijn soort betoog komt ook bij andere christenen voor. Theodoretus, de bisschop van Cyrrhus (± 393–460) schreef een heel boek vol over de ‘ziekten der Grieken’, waarmee hij de verkeerde, want niet christelijke gedachtengangen van de oude Grieken bedoelde. Die anti-wetenschappelijke houding, daar heb ik het land aan, ook bij hedendaagse wappies. Ik houd van steeds toenemende kennis en van voortschrijdend inzicht.

Gelukkig waren er in het Oost-Romeinse Rijk ook niet-religieuze wetenschappers, evenals in het ‘islamicate’7 Irak en Iran. Bij hen genoot de antieke wetenschap wél groot aanzien: het was de vanzelfsprekende basis voor hun eigen werk, waarop eeuwen later in West-Europa zou worden voortgebouwd.

NOTEN
1. Tertullianus, De Carne Christi v: Mortuus dei filius; credibile est, quia ineptum est. En een hoofdstukje later: Certum est, quia impossibile. Maar misschien meende hij het niet zo.
2. Het bijbelvers Leviticus 11:29 luidt in de Nieuwe Bijbelvertaling: ‘Van de kruipende dieren gelden voor jullie als onrein: blindmuizen, ratten en muizen, de verschillende soorten padden, gekko’s …’ enzovoort. Er is dus geen sprake van een wezel, maar dát kon de Physiologus niet weten. Hij was immers afhankelijk van de Griekse bijbelvertaling der Septuaginta en daar staat voor blindmuis γαλῆ, een kleine soort wezel, een fretje misschien? Voor zijn soort dierkunde maakt het echter weinig uit welk dier is bedoeld.
3. De Physiologus heeft wel een klok horen luiden. Volgens Aristoteles, De Generatione Animalium 756b15, 30 beweerde Anaxagoras dat bij raven, ibissen en wezels de paring oraal plaatsvindt. Aristoteles vond dat onzin; hij vermoedde dat het misverstand was ontstaan doordat wezels wel eens hun jongen in de bek nemen. Mijn naam is haas.
4. Physiologus (Schönberger) nr. 21.
5. Bij voorbeeld Aristoteles, Historia animalium 611b20: ‘Als herten door een giftige spin (φαλάγγιον) of iets dergelijks gebeten worden, gaan ze kreeften (καρκίνους) verzamelen en opvreten.’ Wel moeten we altijd de mogelijkheid open laten dat de overlevering gebrekkig is. Het zinnetje is ook terecht gekomen in Ibn Qutayba, ‘Uyûn al-akhbâr ii, 99 والأيل إذا نهشته الحية أكل السرطان.
6. Basilius, Homilia i , 7–8, vert 5.. In de Syrische vertaling van Homilia ix, uitgave Thomson, p. 156, trans. Thomson 124–5, wordt dit nog uitgewerkt: ‘I am not ashamed to accept the words of the scriptures as they were spoken, as the Apostle said: “I am not ashamed of the gospel” (Rom 1,16). Nor furthermore, because others who are of the race of the Greeks said many things and wrote about the description of the world and set down concerning the form of the earth as it pleased them, are we now led after them. Some of them said about the earth that it is like a sphere, and some affirmed it is a cylinder; and others said it is like a dish; and some again said that it is equal from all sides towards the middle like the form of a lathe; and some said it resembles a concave bowl; and others again said it is sunken in the middle. All these suppositions of the wise men of the Greeks were each unstable, because their arguments confuted each other. For each of them composed his own version in opposition to his fellow.’ Dit fragment heb ik (nog) niet in het Griekse origineel gevonden; heb de goede editie niet.
7. Wiktionary: Islamicate = Associated with regions in which Muslims are culturally dominant, but not specifically with the religion of Islam. Meer over deze term hier (Engels).

BIBLIOGRAFIE
– Basilius, Homiliae in Hexaemeron, uitg. Migne, Patrologia Graeca xxix, Parijs 1859; er zijn nieuwere uitgaven, maar niet online. Saint Basil Exegetic Homilies, trans. Agnes Clare Way, Washington 1963. De Syrische vertaling: Basil of Caesarea, The Syriac version of the Hexaemeron, uitg. en vert. Robert W. Thomson, 2 dln. Leuven 1995 (CSCO 550–1).
– Kosmas Indikopleustes: Κοσμᾶς Ἰνδικοπλεύστης, Χριστιανικὴ Τοπογραφία. Griekse tekst: Cosmas Indicopleustès, Topographie chrétienne, uitg. W. Wolska-Conus, 3 dln. Paris, 1968, 1970, 1973 (Sources Chrétiennes 141,159,197); Vert. Horst Schneider, Kosmas Indikopleustes. Christliche Topographie – Textkritische Analysen Übersetzung Kommentar, Turnhout 2010. Een Engelse vertaling door Roger Pearse staat online.
Periplus Maris Erythraei, Περίπλους τῆς Ἐρυθράς Θαλάσσης, uitg. Lionel Casson, Princeton 1989. De oudere vertaling van W.H. Schoff (1912) hier.
– Physiologus, Φυσιολόγος, uitg. F. Sbordone, Rome 1936. Vertaling: Physiologus, Griechisch/Deutsch, vert. en uitg. Otto Schönberger, Ditzingen 2001, 2018 (Reclams Universal Bibliothek 18124).
– Theodoretus: Θεοδώρητος, Ελληνικών Θεραπευτική Παθημάτων: Theodoret, De Graecarum affectionum curatione – Heilung der griechischen Krankheiten, uitg. en vert. Clemens Scholten, Leiden 2015 (Vigiliae Christianae, Supplements, 126).

Terug naar Inhoud

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Mohammed, een profeet geënt op profeten

In de koran wordt Mohammed voorgesteld als een profeet in een lange rij vroegere profeten: Abraham, Noach, Mozes, Jezus en nog ettelijke andere— niet altijd dezelfde persoonlijkheden als die in het jodendom of het christendom profeet genoemd worden. Maar wanneer we dan over die oudere profeten lezen valt op, dat zij zich vaak net zo gedroegen en hetzelfde meemaakten als Mohammed. Ook zij werden door God met een boodschap tot een volk gezonden, bestreden het veelgodendom, dreigden hun volk met een strafgericht, werden bespot en tegengewerkt enzovoort. De trekken van Mohammed worden op die oudere profeten geprojecteerd: ze worden naar hem gemodelleerd, ze lijken op hem.

In de sira en de hadith daarentegen wordt Mohammed ingevuld met de trekken van die oudere profeten: hij lijkt op hen. Deze teksten zijn van iets later en dienden wellicht om de nieuwbakken gelovigen temidden van de overweldigende meerderheid van christenen en joden te sterken in hun geloof, eventueel ook als ze met dezen in gesprek raakten. Zie je wel: onze Mohammed hoort er ook bij, konden ze dan zeggen, hij is zelfs nog een betere profeet dan die van jullie. De joodse en christelijke teksten zullen toen ook beter bekend zijn geweest.
Enkele voorbeelden van Mohammed-positionering:

1. ANNUNCIATIE
Mohammeds geboorte wordt aangekondigd zoals die van Jezus, althans volgens een nogal obscuur, moeilijk te dateren tekstje (tussen 650-750 AD). Daarover had ik al eens geschreven, maar hier past het stukje beter, dus ik plaats het nog eens

  • De mensen vertellen—en alleen God weet wat ervan waar is—dat Āmina, de moeder van de Profeet, heeft verteld dat er tijdens haar zwangerschap [een stem?] tot haar kwam die zei: ‘Jij gaat zwanger van de heer van dit volk; als hij geboren is, zeg dan: “Laat de Ene hem behoeden voor het kwaad van elk die hem benijdt”, en noem hem Mohammed.’ Toen zij in verwachting van hem was zag zij een licht van zich uitgaan waardoor zij de burchten van Busrā in Syrië kon zien.1

Was het een engel die tot Āmina kwam? We weten het niet. In het Arabisch staan passieve werkwoordsvormen: ‘er werd tot haar gekomen … er werd tegen haar gezegd.’ Wie of wat dat deed blijft ongezegd. Het licht dat het mogelijk maakte burchten te zien op meer dan duizend kilometer van Mekka, herinnert aan het wonderbaarlijke, van eeuwigheid bestaande ‘licht van Mohammed’ (nūr Muhammadī). In Busrā begon, vanuit Arabië gezien, het Romeinse rijk. De aan Āmina toegeschreven uitspraak verwijst naar de toekomstige verovering van dat rijk. De bezweringsformule die zij moet uitspreken herinnert aan de soera’s 113 en 114 van de koran: de beide soera’s die beschermen tegen het kwaad (al-mu‘awwidhātān).

Vervolgens springt de overeenkomst met de bijbelse annunciatie in het oog. In het evangelie van Lukas krijgt de vader van Johannes de Doper bezoek van de engel Gabriël, die de boreling een grote toekomst verkondigt en zegt dat hij Johannes moet heten. Ook Jezus’ moeder krijgt kort voor haar zwangerschap bezoek van hem. Tegen haar zegt de engel onder meer:

  • Gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je. […] Wees niet bang Maria, God heeft je zijn gunst geschonken. Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen. Hij zal een groot man worden … .2

De aankondigingen aan Āmina en aan Maria hebben een aantal punten gemeen: 1. Bezoek van een stem(?)/engel. 2. Aankondiging van de geboorte van een groot man. 3. Opdracht tot naamgeving. Kortom, het Arabische verhaal maakt gebruik van het bijbelverhaal of van een verhaal dat daarnaast heeft gelegen. Het doet dat omdat het is ontstaan in een omgeving waar de nieuwe profeet Mohammed zich moest profileren ten opzichte van de allang gevestigde ‘profeten’ van jodendom en christendom. Het probeert een islamitische annunciatie in plaats te stellen van de christelijke.

2. VROEGRIJPHEID
Mohammed was vroegrijp. Dat wordt in de teksten niet erg uitgewerkt, het is maar een dun draadje, maar het legt wel een verband met de verhalen over de oudere profeten. Volgens zijn voedster

  • ‘… groeide hij als geen van de andere jongens en toen de twee jaar voorbij waren, was hij al een grote (djafr) jongen.’ 3

Of sterker nog:

  • ‘Hij groeide in een dag zoveel als een ander kind in een maand, en toen hij zes maanden oud was was hij djafr, d.w.z. kon hij vast voedsel eten.’ 4

Nog bij zijn voedster zou hij als zuigeling lammetjes hebben geweid achter haar tent:

  • ‘De profeet heeft gezegd: ‘Ik heb een voedster gehad bij de stam Saʿd ibn Bakr, en toen ik eens met een broertje achter onze tenten lammetjes aan het weiden was….’ 5

Bij die gelegenheid werd hij onderzocht, resp. gereinigd door twee engelen: het verhaal van de splijting van de buik.6 
Als jongen zat hij graag bij de Ka‘ba: een parallel met de jonge Jezus, die zich als jongen thuis voelde in de Tempel van Jeruzalem. In beide gevallen wilden anderen de jongens daar weghalen.7

Een korte zoekactie in Ginzberg, The Legends of the Jews, maakt al duidelijk dat vele joodse profeten op wonderbare wijze vroegrijp waren. Dat hoorde er gewoon bij. Enkele voorbeelden:

  • Toen Abraham als zuigeling door zijn voedster in een grot alleen achter werd gelaten begon hij te huilen. ‘God zond Gabriel om hem melk te drinken te geven. De engel liet deze uit de pink van de rechterhand van de zuigeling stromen en hij zoog daarop tot hij tien dagen oud was. Toen stond hij op en verliet de grot …’ — en begon prompt met de bestrijding van het veelgodendom.
  • ‘[Mozes’] verwanten en geheel Israël wisten dat het kind voor grote dingen was voorbestemd, want toen hij nauwelijks vier maanden oud was begon hij te profeteren: “In de toekomst zal ik de Thora ontvangen van de vlammende toorts.”’
  • ‘Tot zijn zeventiende jaar bezocht Jozef het leerhuis, en hij werd zo geleerd dat hij zijn broeders de Halakhot kon overbrengen die hij van zijn vader geleerd had, en zo was hij als hun leraar te beschouwen.’8

Enzovoort, enzovoort. Vroegrijpheid is ook een kenmerk van Jezus. Volgens het Evangelie van Lukas (2:41-52) werd Jezus op zijn twaalfde jaar aangetroffen in de tempel van Jeruzalem, waar hij naar de schriftgeleerden luisterde en hen vragen stelde, hen verbazend met zijn inzicht en zijn antwoorden.
Het apocriefe, eind tweede-eeuwse Kindheidsevangelie van ‘Thomas de Israëliet’ schildert de jonge Jezus als een vroegrijp kind, dat al meteen in staat was wonderen te doen. Reeds op vijfjarige leeftijd had hij met andere kinderen van leem twaalf mussen gemaakt. Toen een jood bij Jozef bezwaar had gemaakt omdat dit op de sabbat gebeurd was en deze hem daarop aansprak klapte Jezus in zijn handen en riep: ‘Weg met jullie!’ De vogels sloegen hun vleugels uit en vlogen weg. In koran 3:4–9 staat een verhaal dat hier sterk aan herinnert. Daar doet Jezus het wonder echter niet als klein kind.
Volgens het Kindheidsevangelie was Jezus als kind een uitgesproken ettertje. Hij wist nog niet hoe hij zijn gave menslievend aan kon wenden. Een jongetje dat hem bij een kinderspel in de weg zat liet hij verdorren als een boom; tegen een ander joch, dat hem per ongeluk aanstiet, zei hij: ‘Jij gaat hier niet verder!’ waarop de jongen omviel en stierf. Op zijn achtste was hij al volwassener, menselijker geworden. Toen hij eens hielp bij het oogsten bracht hij een ongelooflijke hoeveelheid tarwe binnen, die hij onder de armen verdeelde. Dit zijn slechts enkele voorbeelden.9

De vroegrijpheid komt ook voor in de hadithen over Ibn Ṣayyād, een dadjdjāl (een soort antichrist-figuur), die Mohammed nog ontmoet zou hebben. Hij wordt voorgesteld als iemand die graag deed alsof hij een profeet was, en in zijn rol van nep-profeet moest ook Ibn Ṣayyād vroegrijp zijn. Als pasgeboren zuigeling schreeuwde hij als een jongen van een maand of zelfs twee maanden oud. Hij trad reeds op als kāhin (zoiets als een sjamaan of waarzegger) toen hij nog een kind was en bij zijn moeder woonde. In een ander verhaal ‘speelde hij met de jongens, en was zelf ook een jongen’ toen Mohammed hem bezocht om zijn verontrustende eigenschappen in ogenschouw te nemen.10

Het joodse motief ‘vroegrijpe profeet’ was dus in de vroege islam bekend en gangbaar. Geen wonder: het eerste Arabische rijk was nog geheel doordrenkt met joods en christelijk gedachtengoed.
Wat zit erachter die vroegrijpheid? Mohammed zou veertig geweest zijn toen hij geroepen werd; Jezus dertig. De vraag is dan altijd: wat deden zij vóór hun roeping? Kinderachtigheden uithalen, zondigen misschien? De vertellers proberen vaak de profeten zo vroeg mogelijk hun hoge taak waardig te maken. Door een reiniging, een voorbereiding op hun roeping, door de roeping zelf, maar ook door hun als kind al volwassen trekken mee te geven. In het Kindheidsevangelie daarentegen wordt ruimte gelaten voor een ontwikkeling, voor een toegroeien naar de hoge roeping.

3. MOHAMMED ALS HERDER
Wanneer wij in sira-teksten lezen dat Mohammed als jongeman herder is geweest is het moeilijk, niet aan Mozes te denken, van wie hetzelfde wordt verteld (koran 28:22-8). Maar veel meer bijbelse profeten blijken herder te zijn geweest. In dit geval is het een hadīth die ons verder op het spoor helpt:

  • … van Djābir ibn ‘Abdallāh: Wij waren met de profeet in Marr al-Zahrān arāk-vruchten aan het plukken. ‘De zwarte moet je hebben,’ zei de profeet. Wij zeiden: ‘Gezant Gods, het lijkt wel of u schapen hebt gehoed!’ ‘Ja,’ zei de profeet, ‘en is er ooit een profeet geweest die dat niet heeft gedaan?’ of woorden van die strekking.11

In de bijbel wordt van Abraham, Isaak, Jakob, Mozes en David verteld dat zij herder waren, en ik vergeet er vast nog een paar. In het Nieuwe Testament is Jezus ‘de goede herder,’ zij het alleen in overdrachtelijke zin (Johannes 10).
Mohammed was er als peuter al bij, dat stond hierboven ook al:

  • De profeet heeft gezegd: ‘Ik heb een voedster gehad bij de stam Sa‘d ibn Bakr, en toen ik eens met een broertje achter onze tenten lammetjes aan het weiden was….’ 12

En later als jongeman:

  • Van Muhammad ibn ‘Abdallāh ibn Qays stamt het bericht van Hasan ibn Muhammad ibn ‘Alī, via zijn vader, van zijn grootvader ‘Alī ibn abī Tālib, die de profeet heeft horen zeggen: ‘Om de dingen die de mensen in de heidentijd deden heb ik nooit gegeven, behalve twee avonden, en beide keren heeft God mij beschermd. Op een avond zei ik namelijk tegen een van de jongemannen uit Mekka, met wie ik de kudden van de stad weidde: ‘Wil jij op mijn beesten passen? dan kan ik naar Mekka om daar de nacht door te brengen zoals jongemannen dat doen.’ Hij vond het goed en ik ging op weg. Bij het eerste huis van Mekka gekomen hoorde ik op tamboerijnen en fluiten spelen, en toen ik vroeg wat dat was werd mij gezegd dat er een bruiloft gevierd werd. Ik ging zitten kijken totdat God mijn oren toedekte; ik viel in slaap en werd pas wakker toen ik de zon op mijn huid voelde. Toen ik terugkwam bij mijn vriend vroeg hij wat ik gedaan had. ‘Ik heb niets gedaan,’ zei ik, en vertelde hem het verhaal. Precies hetzelfde overkwam mij nog een andere avond. Daarna heb ik in de tijd voordat God mij eerde met het profeetschap nooit meer aan zoiets gedacht.’13

Als staatshoofd krijgt hij postuum ook een herderlijke functie toegedicht:

  • Toen de profeet was gestorven, werden de Arabieren afvallig, staken christendom en jodendom de kop weer op en trad de halfhartigheid aan het licht. De moslims waren als schapen in de regen op een winternacht, nu zij de profeet verloren hadden, totdat God hen verenigde onder Abū Bakr.14

4. TERUGDEINZEN
Ook in de bekendste tekst over de roeping van Mohammed tot profeet wordt voortdurend aangeknoopt bij de verhalen over oudere profeten. Die tekst is lang en complex en komt voor in verschillende varianten. Voor het ogenblik wil ik er slechts één element uitlichten: het aanvankelijke terugdeinzen van Mohammed voor het profeetschap.
Volgens één van de versies over de eerste openbaring aan Mohammed bevond deze zich in retraite op de berg Hirā’ toen de engel Djibrīl (Gabriël) tot hem kwam. Het verhaal is de Profeet zelf in de mond gelegd:

  • Terwijl ik sliep kwam Djibrīl bij mij met een brokaten deken met schrifttekens erop. Hij zei: ‘Lees voor!’ Ik zei: ‘Ik kan niet lezen (mā aqra’u).’ Vervolgens drukte hij daarmee mijn keel zo krachtig toe dat ik dacht dat het de dood was. Toen liet hij me los en zei: ‘Lees voor!’ Ik zei: ‘Ik kan niet lezen.’ Toen drukte hij weer mijn keel zo hard toe dat ik dacht dat het de dood was. Toen liet hij me los en zei: ‘Lees voor!’ Ik zei: ‘Wat moet ik dan voorlezen? (mā dhā aqra’u)’ en dat zei ik alleen om van hem af te komen, want ik was bang dat hij het nog eens zou doen. Hij zei: ‘Lees voor in de naam van jouw Heer die geschapen heeft | de mens geschapen heeft uit een bloedklomp. | Lees voor: Zeer edelmoedig is uw Heer, | die onderwezen heeft het gebruik van de pen, | de mens onderwezen heeft wat hij niet kende’ [koran 96:1–5].
    Dat reciteerde ik; toen liet hij mij los en ging weg, en toen ik ontwaakte was het alsof het in mijn hart gegrift stond.15

Het verhaal vervolgt met Mohammeds overweging zelfmoord te plegen door zich in een ravijn te storten. Dan verschijnt Djibrīl, hemelvullend, en brengt hem van zijn voornemen af. Eén variant van het complete verhaal staat in mijn vertaling hier.

Dit verhaal beschrijft wat christelijke theologen een ‘roepingsvisioen’ noemen. Van verscheidene profeten wordt in het Oude Testament beschreven hoe zij zeggen de taak waartoe God hen roept niet aan te kunnen.
Mozes wordt opgedragen zijn volk uit Egypte naar het land Kanaän over te brengen. Hij heeft een aantal uitvluchten, en voert tenslotte aan: ‘Neem mij niet kwalijk Heer, maar ik ben geen goed spreker. […] Ik kan nooit de juiste woorden vinden’ (Exodus 4:10).
Jesaja ziet een ontzagwekkend visioen van de Heer, omgeven door twee serafs. Hij roept uit: ‘Wee mij! Ik moet zwijgen, want ik ben een mens met onreine lippen…’ (Jesaja 6:5).
Jeremia zegt bij zijn roeping: ‘Nee Heer, ik kan het woord niet voeren, ik ben te jong’ (Jeremia 1:6).
Ezechiël schrikt ontzettend en werpt zich ter aarde bij het zien van een geweldig visioen (Ezechiël 1–3).

De profeten hebben natuurlijk gelijk; inderdaad kunnen zij hun taak niet zonder meer volbrengen. Maar God maakt hen bereid, sterkt hen, geeft hun zijn woorden in en dan lukt het. Jesaja’s onreine lippen worden gereinigd met een gloeiende kool van het altaar; daarna kan hij profeteren. Ezechiël wordt door God opgeheven en wordt een boekrol te eten gegeven; Mohammed krijgt de Schrift bijna letterlijk in zijn strot geduwd. Van zowel Ezechiël (Ez. 3:14–15) als Mohammed wordt verteld dat zij na de belevenis van hun roeping behoorlijk van slag zijn.
Alleen de bijbelse profeet Jona zegt niet dat hij geen profeet kán zijn, hij heeft gewoon geen zin. God draagt hem op naar Nineve in Irak te gaan, maar hij neemt een schip de andere kant op, met het welbekende gevolg.

VERTALING: Een beetje lastig zijn in het verhaal over Mohammeds roeping de woorden mā aqra’u, hierboven vertaald met: ‘Ik kan niet lezen’— waarbij in die oude tijd lezen altijd neerkwam op: hardop voorlezen, reciteren.
mā aqra’u wordt vaak vertaald met: ‘wat zal ik lezen?’. Uitgesloten is dat niet, maar meer voor de hand ligt daarvoor het Arabische mā dhā aqra’u. Bovendien: in het verhaaltje staat twee maal mā aqra’u en eenmaal mā dhā aqra’u; dat is contrasterend bedoeld. Vroeger heb ik vertaald: ‘Nee, ik lees niet voor!’ m.a.w. ‘ik wil niet voorlezen,’ maar daar kom ik van terug.
Over  + imperfectum zegt W. Fischer, Grammatik des klassischen Arabisch, Wiesbaden, 2e druk 1987, § 321 ‘bestreitet  mit Impf. den Vorgang oder dessen Möglichkeit: [… ] mā yarāka, ”er sieht dich gar nicht, kann dich nicht sehen”.’ De andere grammatica’s van het klassiek Arabisch hebben hierover niets belangwekkends te melden. Op grond van dat dunne zinnetje bij Fischer én de bovenstaande bijbelse voorbeelden heb ik in het verhaal over Mohammeds roeping nu gekozen voor de vertaling: ‘Ik kan niet lezen’. Ook hij meende het eerst niet te kunnen.

Het lange verhaal over het roepingsvisioen verdient veel meer commentaar. Ik was ook al begonnen dat te schrijven, maar het staat nog in de steigers. Daar moet ik nodig eens langer voor gaan zitten, want er is veel over te vertellen.

NOTEN
1. Ibn Ishāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, i, 102; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 26: ويزعمون – فيما يتحدث الناس والله أعلم – أن آمنة بنت وهب أم رسول الله ص كانت تحدث أنها أتيت، حين حملت برسول الله ص فقيل لها: أنك قد حملت بسيد هذه الأمة، فإذا وقع إلي الأرض فقولي: أعيذه بالواحد من شر كل حاسد ثم سمّيه محمدًا. ورأت حين حملت به أنه خرج منها نور رأت به قصور بُصْرى من أرض الشأم.
2. Bijbel, Lukas 1:26–38.
3. Ibn Isḥāq, o.c. 105, vertaling 29: وكان يشب شبابا لا يشبه الغلمان فلم يبلغ سنتيه حتى كان غلاما جفرا. Normaal kreeg een zuigeling twee tot twee en een half jaar borstvoeding.
4. Ibn al-­Athīr, al­-Nihāya fī gharīb al­-ḥadīth wal­-athar, 5 dln., Beirut (Dār al­-Fikr) z.j., i, 277: كان يشب في اليوم شباب الصبي في الشهر فبلغ ستًّا وهو جفر. استجفر الصبي إذا قوي على الأكل
5. Ibn Isḥāq, o.c. 106, vertaling 30: … واسترضعت في بني سعد بن بكر، فبينا إنا مع أخ لي خلف بيوتنا نرعى بهما لنا
6. Ibn Isḥāq, o.c. 106, vertaling 29–31.
7. Ibn Isḥāq, o.c. 107–108, vertaling 32.: فكان رسول الله ص مع جده عبد المطلب بن هشام، وكان يوضع لعبد المطلب فراش في ظل الكعبة فكان بنوه يجلسون حول الفراشه ذلك حتى يخرج اليه لا يجلس عليه أحد من بنيه إجلالا له فيأخذه أعمامه ليؤخّروه عنه
8. L. Ginzberg, The Legends of the Jews, 6 dln., Philadelphia 1954–59. Ik heb het werk online geraadpleegd en kan daarom geen paginanummers geven.
9. Wilhelm Schneemelcher, Neutestamentliche Apokryphen in deutscher Übersetzung, I. Band, Evangelien, 5. Aufl., Tübingen 1987, i, 353–57. Engelse vertalingen hier.
10. Wim Raven, ‘Ibn Ṣayyād as an Islamic “Antichrist“. A reappraisal of the texts,’ in: Endzeiten. Eschatologie in den monotheistischen Weltreligionen, uitg. Wolfram Brandes en Felicitas Schmieder, Berlin/New York 2008, 266–67. U kunt het hier downloaden.
11. Er zijn ettelijke hadithen waarin dit ter sprake komt, bij voorbeeld Muslim, Sahīh, Ashriba 163: حدثني أبو الطاهر أخبرنا عبد الله بن وهب عن يونس عن ابن شهاب عن أبي سلمة بن عبد الرحمن عن جابر بن عبد الله قال: كنا مع النبي ص بمر الظهران ونحن نجني الكباث فقال النبي ص عليكم بالأسود منه قال فقلنا: يا رسول الله كأنك رعيت الغنم قال نعم وهل من نبي إلا وقد رعاها، أو نحو هذا من القول
12. Ibn Isḥāq, o.c. 106; vertaling  30: … واسترضعت في بني سعد بن بكر، فبينا إنا مع أح لي خلف بيوتنا نرعى بهما لنا
13. Al-Tabarī, Taʾrīkh al-rusul wa’l-mulūk (Annales), uitg. M.J. de Goeje e.a., Leiden 1890 ff., i. 1126–7; Ibn Ishaak, o.c., 37–38: سمعت رسول الله ص يقول: ما هممت بشيء مما كان أهل الجاهلية يعملون غير مرتين، كل ذلك يحول الله بيني وبين ما أريد من ذلك، ثم ما هممت بسوء حتى أكرمنى الله عز وجل برسالته، فإني قذ قلت ليلة لغلام من قريش كان يرعى معي بأعلى مكة لو أبصرت لي غنمي حتى أدخل مكة فأسمر بها كما يسمُر الشباب، فقال أفعل، فخرجت أريد ذلك حتى إذا جئت أول دار من دور مكة سمعت عزفًا بالدفوف والمزامير، فقلت ما هذا ؟ فقالوا فلان بت فلان تزوج بفلانة بنت فلان، فجلست أنظر اليهم، فضرب الله على أذنى فنمت، فما أيقظني إلا مس الشمس . قال فجئت صاحبي فقال: ما فعلت؟ قلت: ما صنعت شيئا ثم أخبرته الخبر. .قال: ثم قلت له ليلة أخرى مثل ذلك . . . الخ، ثم ما هممت بعدها بسوء حتى أكرمنى الله عز وجل برسالته.
14. Ibn Ishāq, o.c., 1021; vert. 251: لما توفي رسول الله ص ارتدت العرب واشرأبت اليهودية والنصرانية، ونجم النفاق، وصار المسلمون كالغنم المطيرة في الليلة الشاتية لفقد نبيهم ص حتى جمعهم الله على أبي بكر
15. Ibn Ishāq, o.c., 152–3; vert. 42:  قال رسول الله ص: فجاءني جبريل وأنا نائم بنمط من ديباج فيه كتاب فقال: إقرأ! قال: قلت: ما أقرأ. قال: فغتني به حتى ظننت أنه الموت. ثم أرسلني فقال: إقرأ! قال: قلت: ما أقرأ. قال: فغتني به حتى ظننت أنه الموت. ثم أرسلني فقال: إقرأ! قال: قلت: ما ذا أقرأ؟ ما أقول ذلك الا افتداء من أن يعود لي بمثل ما صنع بي. فقال: اقرأ باسم ربك الذي خلق خلق الإنسان من علق اقرأ وربك الأكرم الذي علم. قال: قفرأتها ثم انتهى فانصرف عني وهببت من نومي، فكأنما كتبت في فلبي كتايا.

Diakritische tekens: al-Ẓahrān, Ḥasan, Muḥammad, Ṭālib, Ṣaḥīḥ, Isḥāq, al-Ṭabarī 

Terug naar Inhoud

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Mohammed en de joden

Dit onderwerp is te groot en te ingewikkeld om hier zomaar even te behandelen. Op deze bladzij zal ik alleen uitleggen waarom het zo ingewikkeld is.

De drie belangrijkste oude Arabische teksten waarin joden voorkomen, sluiten niet op elkaar aan en komen niet met elkaar overeen. De snippers in de oude poëzie, de fantastische verhalen in de hadith en de behandeling van de joden in iets latere geschiedwerken helpen ook niet verder.
.
1. De koran vermeldt de joden bij name (yahūd) en voert hen daarnaast, samen met de christenen, ook op onder de benaming ‘de mensen van de Schrift’ (ahl al-kitāb). De joden worden nu eens tot de gelovigen gerekend, dan weer tot de ongelovigen. Hun zonden in het verleden worden in religieuze termen vervat, die grotendeels parallel lopen met die in het Nieuwe Testament: de joden hebben profeten gedood en wilden ook Jezus doden; zij hebben zich niet aan de regels van hun eigen Thora gehouden en de meesten beschouwen zich als het uitverkoren volk — ten onrechte. Veel van deze zonden hebben zij overigens gemeen met de christenen. In de ontstaanstijd van de koran kwam daar nog het verwijt bij, de Schrift vervalst te hebben (bijv. in koran 4:46) en delen ervan achter te houden voor de gelovigen (2:76), terwijl zij anderzijds de echtheid van de koran verwierpen. Ook hun monotheïsme is niet zuiver: onder andere beschouwen zij Ezra (Uzayr) als de zoon van God. De echte gelovigen zijn zij vijandig gezind. Vanwege hun foute houding ten opzichte van Schrift en Wet wordt gelovigen geadviseerd, joden en christenen niet te vriend te houden (5:51).
De bezwaren tegen de joden schijnen dus vooral van religieuze aard te zijn. Maar er is ook militaire taal. Er is sprake van door joden aangestichte oorlogshandelingen (5:64). De ‘ongelovigen van de mensen van de Schrift’ zijn onderling verdeeld en daarom hebben zij verloren. God heeft hen uit hun vestingtorens naar beneden gehaald (33:26–27) en hun huizen zijn door de gelovigen verwoest (59:2).
Wat de koran te zeggen heeft over de joden, resp over die mensen van de Schrift is mooi samengevat door Rubin.1
.
2. Het Document van Medina,2 een verdrag tussen Mohammed en de inwoners van Medina, onder wie ook joden waren. Enkele citaten daaruit:

  • Hun mag geen onrecht aangedaan worden en [geen vijand] mag tegen hen geholpen worden.
  • De joden van de stam Awf zijn één gemeenschap (umma) met de gelovigen.
  • De joden van de stam Awf, zowel hun cliënten als zij zelf, hebben dezelfde rechten en plichten als de partijen van dit document […].

Behalve Awf worden er zo nog andere stammen genoemd, elke met zijn eigen joden. De joden schijnen in een ondergeschikte positie deel van die stammen geweest te zijn. Het Document lijkt erg oud en bevat veel moeilijke woorden en begrippen. Een vertaling die ik er ooit van heb gemaakt vindt u hier. Zonder twijfel is die gebrekkig, maar zou ik het nu beter doen? Te vrezen is echter dat andere vertalingen ook niet goed zijn. Humphreys geeft een verstandige inleiding in het ‘Document’, met bibliografie.3
.
3. Het standaardverhaal’ over Mohammeds afrekening met de joden uit de sira van Ibn Ishāq in de bewerking door Ibn Hishām kent U waarschijnlijk wel.4 Het staat in ieder inleidend boekje over de islam. Er zijn nog andere sira-bronnen waarin het ook voorkomt. Mohammed zou eerst toenadering hebben gezocht tot de joodse stammen in Medina, te weten Qaynuqā‘, al-Nadīr en  Qurayza. Dezen hadden echter met zijn vijand geheuld en hem verraden en werden daarom afgestraft: grond en bezittingen werden hun afgenomen, de stammen werden successievelijk verdreven, resp. uitgeroeid en in Arabië mochten nooit meer joden wonen.
Het standaardverhaal over die drie stammen is echter als geschiedschrijving vrijwel niets waard. Het is vooral een uitvoerige exegese van bepaalde koranpassages en wilde op enkele punten precedenten voor de rechtsgeleerdheid scheppen. Dat heeft Schöller aangetoond in zijn Exegetisches Denken.5 Dit boek verscheen reeds in 1998, maar als zo vaak lijkt het wel of men het niet heeft gelezen, of heeft doodgezwegen, omdat het niet paste bij de — niet alleen door moslims! — haast als dogma aangenomen traditionele overlevering. Of men vond het gewoon te moeilijk: het boek is alleen genietbaar voor klassiek geschoolde arabisten.6
In de hele sira is de gezindheid vaak uitgesproken anti-joods. Eigenaardig is echter, dat de verteller bij de uitroeiings- en verdrijvingsscènes soms opmerkelijk begaan is met de joodse slachtoffers. In het oude Arabië was men nooit zo teergevoelig bij het uitroeien van clans, maar in dit geval wel. Waarom is nog niet duidelijk.
In de sira wordt ook een groot hoofdstuk7 in beslag genomen door ‘verslagen’ van twistgesprekken tussen de profeet en enkele van zijn gezellen met onbetrouwbare joodse rabbijnen. Ook dit is exegese, en wel van soera 2:1–100.
.
De drie in het standaardverhaal genoemde zelfstandige joodse stammen komen niet voor in het ‘Document van Medina’; de aldaar genoemde joden niet in het standaardverhaal. De koran noemt helemaal geen namen en rept niet van een verdrag of schending daarvan. Als het standaardverhaal uit de sira grotendeels koranexegese is kan het niet worden gebruikt als historische bron. Het Document moet van vóór de breuk tussen moslims en joden dateren — maar vond die breuk tijdens het leven van Mohammed plaats of honderd jaar later? Op zeker moment hebben de moslims zich immers gedistantieerd van joodse teksten die zij aanvankelijk wel hadden gebruikt bij de koranuitleg en de sira, te weten de bijbel, bijbelcommentaren en joodse legenden over de profeten. Deze zogeheten isrā’īlīyāt werden vanaf de achtste eeuw door moslims steeds onaanvaardbaarder gevonden. Het is goed denkbaar dat de oudste geschiedenis van de islam bij deze ‘ontbijbeling’ nog eens is herzien en dat er toen anti-joodse gevoelens in het verleden zijn teruggeprojecteerd. Dat maakt het nog moeilijker te zien wat er indertijd werkelijk is gebeurd.
Er zijn moderne auteurs geweest, die hebben geprobeerd een samenhangend verhaal te krijgen door de drie heterogene bronnen met elkaar in harmonie te brengen. Meestal gaan zij uit van het standaardverhaal, hoewel het fictieve karakter daarvan dus inmiddels is aangetoond, en interpreteren zij de andere twee bronnen ‘daar naar toe’. Zulke pogingen tot harmonisatie kunnen mij nooit bevredigen. Het is eerlijker te zeggen dat we over dat verre verleden domweg niets weten. Andere auteurs weten of voelen ook wel aan dat ze niets weten, maar verklaren met postmoderne onverschilligheid, dat het er niet toe doet wat er echt gebeurd is. Hun gaat het immers om het analyseren en interpreteren en in een context plaatsen van de verhalen.
Toch is het wel degelijk van belang wat er al dan niet is gebeurd. Want dat er over Mohammeds omgang met joden geen betrouwbare informatie bestaat belet mensen niet, het onderwerp te gebruiken in hun betogen of argumenten. Moderne moslimse jodenhaters beroepen zich op het standaardverhaal om de joden nog eens flink te kunnen haten. Moderne moslimhaters beroepen zich op hetzelfde verhaal om Mohammed neer te zetten als een moorddadige, van haat vervulde antisemiet. Tot voor kort waren zij misschien zelf nog antisemieten; het door hen pas ontdekte, grif geloofde islamitische standaardverhaal bood hun de kans om op moslimhaat over te stappen, wat toch net een tik moderner lijkt. En dat terwijl geen mens kan achterhalen wat er werkelijk is gebeurd. Als men tenminste dát zou kunnen toegeven zou er al een hoop minder gescholden en gehaat hoeven te worden.

NOTEN
1. Uri Rubin, ‘Jews and Judaism,’ Encyclopaedia of the Qur’ān. uitg. Jane Dammen McAuliffe, Leiden 2001–2006, iii, 21–34, en in de zich steeds vernieuwende online editie. (€€)
2. Ibn Isḥāq: Arabische tekst: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 341–44; Ned. vertaling: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 109–113; Engelse vertaling A. Guilaume, The Life of Muhammad, A Translation of Ishāq’s Sīrat Rasūl Allāh, Oxford 1955, 231–33.
3. R. Stephen Humphreys, Islamic History. A Framework for InquiryRevised Edition, London/New York 1991, 92–98. Nieuw: Paul Lawrence Rose, Muhammad, ‘The Jews and the Constitution of Medina: Retrieving the historical Kernel,’ Der Islam 86 (2011), 1–29.
4. Ibn Ishāq: Arabische tekst: 545–547, 652–661, 680–697; Ned. vertaling (gedeelten): 163–174, 195–199 ; Engelse vertaling: 363–364, 437–445, 458–468 en vele andere plaatsen. 
5. Marco Schöller, Exegetisches Denken und Prophetenbiographie: eine quellenkritische Analyse der Sīra-Überlieferung zu Muammads Konflikt mit den Juden, Wiesbaden 1998.
6. Maar men zou toch tenminste kennis kunnen nemen van zijn ‘Zusammenfassung und Ergebnis,’ blz. 463–468.
7. Ibn Ishāq: Arabische tekst: 361–400; Engelse vertaling: 246–270.

MEER LEZEN:
De standaard-verhalen van Ibn Ishaq in mijn vertaling:
De zaak met Qaynuqā‘
De verdrijving van de stam Nadir
De uitroeiing van de Qurazya

Diakritische Zeichen: ʿAwf, ʿUzayr, Ibn Isḥāq, Qaynuqāʿ, al-Naḍīr, Qurayẓa            23.8.2013

Terug naar Inhoud

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

De zaak met de joodse stam Qaynuqa‘ (vertaling)

Vertaalde tekst: Intussen, terwijl de Profeet allerlei strooptochten liet uitvoeren, was er ook de zaak met de stam Qaynuqā‘. Het verhaal luidt aldus: De Profeet liet deze stam op hun markt bijeenkomen en sprak hen aldus toe: ‘Joden, pas op dat God u niet afstraft zoals Quraysh. Wordt moslim! Ge weet dat ik een profeet ben die gezonden is—ge vindt dat in uw Schrift en in Gods verbond met u.’ Maar hun antwoord luidde: ‘Mohammed, u denkt dat wij uw volk zijn. Laat u niet misleiden doordat u slag hebt geleverd met een vijand die geen verstand heeft van oorlog en die u alleen bij toeval hebt verslagen. Maar wij, bij God, als wij de strijd met u aanbinden zult u weten dat wij mannen van een ander slag zijn!’
‘Āsim ibn ‘Umar ibn Qatāda heeft verteld, dat de Qaynuqā‘ de eerste joden waren die hun verbond met de Profeet verbraken. Zij voerden strijd tussen de slag bij Badr en die bij Uhud. De Profeet belegerde hen en zij gaven zich onvoorwaardelijk over.
Toen God hen in zijn macht had gegeven, kwam ‘Abdallāh ibn Ubayy hem om genade vragen voor zijn cliënten, want Qaynuqā‘ was een bondgenoot van Khazradj. Maar de Profeet scheepte hem af. ‘Abdallāh herhaalde zijn verzoek, en toen de Profeet zich wilde afwenden, stak hij zijn hand in de kraag van zijn pantser. ‘Laat me los!’ zei de Profeet, en hij werd zo woedend dat zijn gezicht donker aanliep. ’Nee, bij God,’ zei ‘Abdallāh, ‘ik laat u niet los voordat u mijn cliënten genade hebt betoond. Vierhonderd man zonder pantser en driehonderd gepantserd; zij hebben mij tegen al mijn vijanden beschermd en u wilt ze in één ochtend onthoofden? Bij God, ik vrees een ommekeer.’ Daarop zei de Profeet: ‘Ze zijn voor u’.
Mijn vader vertelt mij het volgende verhaal van ‘Ubāda ibn Walīd: Toen de stam Qaynuqā‘ de strijd aanbond met de Profeet, kwam ‘Abdallāh ibn Ubayy voor hen op en verdedigde hen. Maar mijn grootvader ‘Ubāda ibn Sāmit, die behoorde tot de stam ‘Awf, die evenals ‘Abdallāh een verbond met hen had, ging naar de Profeet, liet hen over aan God en Zijn gezant en verklaarde zich ontslagen van zijn verbond met hen. ‘Profeet,’ zei hij, ‘ik sluit mij aan bij God, Zijn gezant en de gelovigen en ik zeg mijn bondgenootschap en vriendschap met deze ongelovigen op.’ Over hem en over ‘Abdallāh werd deze passage uit soera ‘De dis’ geopenbaard: ‘Gij die gelooft, neemt de joden en de christenen niet tot vrienden. Zij zijn elkaars vrienden. Wie zich bij hen aansluit is een van hen. […] U ziet dat degenen die in hun harten een ziekte hebben zich onder hen druk maken; zij zeggen: Wij vrezen dat een ommekeer ons zal treffen, en wat daar verder volgt, tot de woorden: Wie zich aansluiten bij God, Zijn gezant en degenen die geloven—Gods partij—dat zijn de overwinnaars.’ [5:51-56]

=========================

Mijn commentaar: In de latere geschiedschrijving komt de ‘zaak’ met de joodse stam Qaynuqā‘, die in Medina woonde, neer op een verdrijving van deze stam uit de stad. Na de slag bij Badr zou Mohammed nogmaals een vergeefs beroep hebben gedaan op de joden. Het bleef onduldbaar dat zij tegen hem ageerden; politiek waren zij een onzekere factor binnen Medina. Kort na Badr zou hij dan hebben besloten met hen af te rekenen. De Qaynuqā‘ hebben zich bij de joodse gemeenschap in de Wādī al-Qurā gevoegd en zijn vandaar naar Syrië vertrokken.
De Qaynuqā‘ hadden nooit grond bezeten in Medina. Zij werkten als ambachtslieden, onder andere als goudsmeden. Volgens latere geschiedschrijvers waren zij goed bewapend en lieten ze bij hun vertrek hun wapens en werktuigen achter, een buit die Mohammed zeer welkom was.
Bij Ibn Ishaq is van dit alles nog weinig te merken. Van een verdrijving is geen sprake; het hele conflict blijft onduidelijk en loopt met een sisser af. Zijn verhaal is een stuk koranexegese van de rijkelijk vage passage koran 5:51–56, en niet op te vatten als verslag van werkelijke gebeurtenissen.  Wat er werkelijk is gebeurd is niet te achterhalen.
De datering van het incident kort na de slag bij Badr laat Ibn Ishaq teruggaan op enkele woorden uit de volgens hem over Qaynuqā‘ geopenbaarde tekst 3:13: ‘Gij hadt reeds een teken in de twee troepenmachten die elkaar ontmoetten […],’ die met de slag bij Badr in verband worden gebracht.

BIBLIOGRAFIE:
– Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 545–7; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 135–6.
– Marco Schöller, Exegetisches Denken und Prophetenbiographie: eine quellenkritische Analyse der Sīra-Überlieferung zu Muḥammads Konflikt mit den Juden, Wiesbaden 2008, vooral blz. 256–260.

MEER LEZEN:
– Inleiding: Mohammed en de Joden
De overige standaard-verhalen van Ibn Ishaq over de joden in vertaling:
De verdrijving van de stam Nadir
De uitroeiing van de Qurazya

Diacritische tekens: Qaynuqāʿ,ʿĀṣim, Uḥud, Ṣāmit, Isḥāq.

Terug naar Inhoud      Terug naar Inhoud (oud)