As over Medina?

Medina was in de Oudheid nog geen stad, maar een flinke oase, vol dadelpalmen en woontorens. Oases konden altijd een maximaal aantal inwoners voeden. Werden het er meer, dan moesten de boventalligen vertrekken of verhongeren, of er moesten levensmiddelen van buiten worden ingevoerd. Viel de oogst tegen dan werd er honger geleden.
Het was niet zo dat de inwoners van Medina alleen de dadels aten die er groeiden. Ze ruilden een deel daarvan tegen kamelen- en schapenvlees dat de halfnomaden rond de oase leverden. Zelf hadden ze ook schapen, die melk gaven, en ze gingen vast ook wel op jacht. Uit Syrië importeerden ze onder andere graan, dat ze betaalden met goederen of met stukjes goud.
.
Toen de profeet Mohammed na de hidjra in 622 met naar verluidt achtentachtig mannen en hun gezinnen in Medina kwam wonen oefende dat druk uit op de beschikbare levensmiddelen van de oasebewoners. Ze compenseerden dat door rooftochten naar buiten te ondernemen. De armere Emigranten, de ahl al-suffa,1 mochten in de moskee wonen en werden gevoed uit de grote pot.

Tijdens de Arabische veroveringen na Mohammeds dood behaalden de soldaten rijke buit. Er kwamen veel mannen naar Medina om daar, na gedane militaire dienst, van hun rust te genieten. De oase werd steeds rijker. Er werd ook geïnvesteerd in irrigatiewerken, o.a. door kalief Mu‘āwiya. Importen deden de rest. Later in de zevende eeuw was Medina een luxe plaats. De bon vivant Hasan ibn Ali woonde er, en de grande dame Sukayna, maar ook Aisha en dichters en intellectuelen.
Het liep echter niet dadelijk zo fantastisch. Het jaar 18 van de islamitische jaartelling, dat is 639,2 was een jaar van rampspoed en hongersnood. ‘Ām al-ramāda, werd het genoemd, het ‘Jaar van de Ondergang.’

De bron die ik daarover lees is het geschiedwerk van al-Tabarī (gest. 923), of liever dat van Sayf ibn Umar (gest. ± 800), dat al-Tabarī citeert.3.

‘De mensen,’ zo begint hij, ‘werden in dat jaar getroffen door een grote hongersnood, uitblijvende oogst en droogte; het was het jaar dat Jaar van de ramāda  genoemd wordt.’

Welke mensen; die van Medina? Maar hij heeft het vervolgens over ‘Amwās (Emmaüs) in Palestina, waar te zelfder tijd de pest uitbrak (25.000 doden) na een maandenlange periode van droogte.4 Dat kwam, zo wordt uitvoerig verhaald, omdat de mensen daar aan het wijn drinken waren geslagen. De boosdoeners werden gegeseld en kalief ‘Umar slaakte de vervloeking: ‘Volk van Syrië, moge jullie iets ongehoords overkomen!’, waarop de ramāda uitbrak.
Vreemd dat een staatshoofd zoiets zijn eigen onderdanen toewenst; maar goed, hij zal het wel niet werkelijk gezegd hebben. Al deze verhalen bevatten veel fictie. Sayfs tekst gaat verder over de catastrofale situatie in Medina. In Syrië werd overigens ook gehongerd en verbreidde de pest zich eveneens; des te onwaarschijnlijker is het dat er vandaar maar liefst 40004 kameelladingen graan als voedselhulp naar Medina zouden zijn overgebracht, zoals we nog zullen zien.

‘Tijdens de regering van ‘Umar werden de inwoners van Medina en het ommeland geteisterd door een onvruchtbaar jaar (sana), waarin het stof opwoei, als er wind stond, alsof het as (ramād) regende. Daarom wordt dat jaar het Jaar van de ramāda genoemd. De ramāda was een hongersnood, die de inwoners van Medina en het ommeland trof en zoveel dood met zich bracht dat de wilde dieren in de woonplaatsen van de mensen toevlucht zochten. De mensen gingen er zelfs toe over hun schapen te slachten, maar zij walgden ervan, zo afschuwelijk als het eruit zag, en dat voor mensen die honger hadden.’ In een andere tekst wordt een verklaring gegeven: ‘… omdat de dieren vel over been waren en er nauwelijks vlees aan te zien was.’

De kalief aarzelde lang voordat hij besloot de garnizoenssteden in Syrië om hulp te vragen. Uiteindelijk kwam er een karavaan van 40004 kamelen, beladen met graan. Dat was een grote opluchting, maar het was aan de late kant: eerst aarzelen, dan een koerier uitsturen, dan moest het voedsel bij elkaar gezocht en opgeladen worden en die karavaan deed er ook nog weken over; kortom, er zullen nog heel wat mensen verhongerd zijn. Of en hoe het mogelijk was, zoveel graan naar Medina te brengen terwijl Syrië toch ook in crisis verkeerde, blijft onduidelijk. Hoe dan ook, een paar jaar later zou er regelmatig graan per schip uit het pas veroverde Egypte komen, maar daar had men in 639 nog niets aan.
.
119005VOLCANIC_11_57415Nog even over deze woorden: ‘…waarin het stof opwoei, als er wind stond, alsof het as (ramād) regende.’ Die stofdeeltjes in de lucht werden dus niet door regen of vocht vastgehouden; maar was dat iets bijzonders? En was droogte iets bijzonders? Kijkt U even mee naar het (moderne) weeroverzicht van Medina. Maandenlang geen regen, zeer geringe luchtvochtigheid, en in dit rampjaar viel er blijkbaar nog wat minder regen dan anders; allicht dat er dan stofdeeltjes in de lucht zijn. Dit waren echter stofdeeltjes ‘als as,’ volgens de bron.
En als het nu eens werkelijk as was? De omgeving van Medina is zeer vulkanisch. Classici zijn zich voortdurend bewust van vulkanen als Santorini en de Vesuvius. Arabisten denken meestal niet aan vulkanen,5 daarom is het goed er eens op te wijzen. Meermalen hebben erupties in de naaste omgeving de oase bedreigd; aan de rand van de moderne stad zijn al lavavelden te zien. De Harrat ‘Uwayrid, 300 km ten noordwesten van Medina, had een eruptie ‘omstreeks 640’; de veel nabijere Harrat Khaybar in 650. Dat zeggen vulkanologen, en hun kennis berust niet op teksten. Daar vlakbij is Djabal al-Baydā’, de ‘Witberg’, die zo heet omdat hij de askrater is van een vulkaan. Zou een vulkaaneruptie soms de oorzaak van het rampjaar 639 in Medina geweest kunnen zijn? Zijn de schapen gestorven toen er as en stenen op hen vielen, of omdat hun voer met as werd bedekt? Het is maar een voorstel; we weten het niet.

Nu nog dat woord ramāda. ‘Year of Drought’, schrijft G.H.A. Juynboll in zijn vertaling van al-Tabarī. Er wordt in de teksten wel veel over droogte gesproken, maar ramāda betekent van huis uit geen ‘droogte’, maar ‘ondergang’, door slijtage, kou, nachtvorst, droogte, onvruchtbaarheid of schaarste. Dat ‘ondergaan’ is primair, de eventuele droogte secundair. Ramād daarentegen betekent ‘as’, dat is echt iets anders. De bron van al-Tabarī werd getroffen door de bijna-gelijkluidendheid van ramāda en ramād, maar hij doet aan  volksetymologie; wij hoeven hem daar niet in na te volgen.

Het Jaar van de Ondergang dus, niet het jaar van de droogte en ook niet dat van de as, zoals ook ik even dacht. Een vulkaanuitbarsting zou er geweest kunnen zijn, maar is met behulp van de teksten en het lexicon niet hard te maken.
Blijft over mijn verwondering over de melding van opwaaiend stof ‘als as’ in de tekst. In een groot deel van het Nabije Oosten regent het toch altijd stof?

NOTEN
1. Zeker, dat is ons woord sofa, rustbank.
2. Volgens anderen was het eind 17 tot begin 18. Voor die vroege periode kloppen de jaartallen nooit helemaal.
3. al-Tabarī, Ta’rīkh i, 2570–8. Vertaling G.H.A. Juynboll in The History of al-Tabari, ed. Ehsan Yar-Shater. Vol. xiii: The Conquest of Iraq Southwestern Persia and Egypt, New York 1989.
4. Bij grote getallen in de Oudheid helpt vaak deze vuistregel: deel het eerst maar eens door tien.
5. De moderne inwoners van Medina blijkbaar ook niet. Ik hoorde van een te openen restaurant met een grill van lavasteen. Dat werd geïmporteerd uit … IJsland, terwijl het even buiten de stad voor het opscheppen ligt.

Diacritische tekens: ṣuffa, Ḥarrat, al-Bayḍāʾ, al-Ṭabarī

Terug naar Inhoud                  Eerst verschenen 19 februari 2016

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het kalifaat van Medina, 622–661

LONGREAD over het eerste Arabische Rijk

Het standaardverhaal over de eerste Arabische staat is algemeen bekend. In 622 verliet de profeet Mohammed zijn geboortestad Mekka en emigreerde naar Medina, waar hij een staat stichtte. Na zijn dood behielden drie van zijn opvolgers, gewoonlijk bekend als de ‘rechtgeleide kaliefen’, Medina als hun hoofdstad, dat zij als basis gebruikten voor immense veroveringen. De vierde kalief ʿAlī regeerde de facto in Kūfa, in Irak. Na zijn dood in 661 verplaatste het zwaartepunt zich naar Damascus in Syrië, waar de Umayyade Muʿāwiya, die al sinds 642 als stadhouder had geregeerd, nu kalief werd.

Dit zeer korte overzicht is aanvaardbaar voor zowel moslimse geschiedschrijvers als voor traditionele oriëntalisten in het Westen. Maar is het nog wel te handhaven? Ik wil mij hier niet bezighouden met de vraag of dit rijk al dan niet islamitisch genoemd kan worden,1 maar liever met de vraag of Medina, een oase diep in het Arabische schiereiland, werkelijk de hoofdstad kon zijn van een centralistisch en zich snel uitbreidend wereldrijk. Er had in die landstreek om duidelijke geografische redenen nog nooit een onafhankelijke staat bestaan; zou dat nu ineens wel het geval geweest zijn, en dan zo’n grote?

In Jemen (Arabia Felix) waren er al sinds tweeduizend jaar staten geweest. Dat deel van het Arabische schiereiland heeft een betrekkelijk vochtig klimaat, zodat er middels irrigatie en terrasbouw geregelde landbouw mogelijk is. Daartoe is een centrale organisatie, een staat benodigd.
In het noordelijk deel van Arabië (Arabia Petraea) waren er gedurende langere of kortere perioden staten geweest. Ik noem slechts Thamūd (ca. 715 vChr–600 nChr), de Nabateërs (110 vChr–106 nChr) en de korte machtsontplooiing van Koningin Zenobia in Palmyra (268–272).
Daarna waren er twee Arabische dynastieën in vazalstaten geweest: de Ghassāniden (500–630), vazallen van het Oostromeinse Rijk, en de Lakhmiden (266–602), vazallen van Perzië. Beide superstaten waren regelmatig geteisterd door binnenvallende bedoeïenen. Geen van beide had met succes deze kameelnomaden kunnen bestrijden, omdat die zich snel met hun buit konden terugtrekken in de woestijn, waar geregelde legers met paarden en wagens geen toegang hadden. Daarom hadden de grote rijken liever vriendschap gesloten met de bedoeïenen. Ze benoemden een nomadenleider tot koning, hij kreeg een kroon, een koningsmantel en een paleis en bovendien een zak met geld om zijn soldaten te betalen, die in ruil daarvoor hun weldoeners niet langer uitplunderden. Maar Ghassān en Lakhm hielden op te bestaan zodra het Oostromeinse Rijk en Perzië, uitgeput als zij waren door hun eindeloze onderlinge oorlogen, ophielden hun vazallen te financieren.
In Midden-Arabië (Arabia Deserta) was er maar één entiteit geweest die op een staat leek: Kinda (425–528). Ook dit was een vazalstaat, afhankelijk van de Jemenitische staat Ḥimyar. Het raakte in vergetelheid toen Ḥimyar in elkaar stortte. Er bleef alleen een vage herinnering aan de koningen ervan, van wie Imru’u l-Qays de beroemdste was. Er was in Midden-Arabië dus wel een soort staat geweest, maar geen onafhankelijke staat. Deze situatie veranderde in de zevende eeuw met de onverwacht succesvolle poging enkele stammen rond de oase Yathrib (Medina) te verenigen. Laten we voor het ogenblik bij het standaardverhaal blijven: het was Mohammed, die in zijn jaren te Medina (622–632) de stammen onder zijn banier verenigde. Toen hij stierf liet hij iets na wat inderdaad een staat genoemd kan worden.

Over wat er direct na zijn dood gebeurde verschilt het standaard islamitische verhaal van dat van moderne historici. De oude islamitische geschiedschrijvers zeggen het in religieuze termen: Mohammed had het hele schiereiland verenigd onder de banier van de islam. Na zijn dood werden vele stammen afvallig en verzaakten de islam weer. In de zogenaamde Ridda-oorlogen (632–634) islamiseerden de generaals van kalief Abū Bakr het schiereiland opnieuw. Niet-islamitische historici daarentegen hebben geen boodschap aan die religieuze interpretatie; er was ook nog niet zoiets als ‘de islam’. Zij denken dat Mohammeds kernstaat nogal klein was, maar dat in de jaren na zijn dood allerlei Arabische stammen succesvol in het nieuwe bestel geïntegreerd werden; niet voor de tweede, maar voor de eerste maal.

Tot zover is het verhaal over de nieuwe staat min of meer plausibel. Alle oases moeten in zekere zin staten zijn, al was het alleen al om de toegang tot en de verdeling van water te regelen. Stammen langs handelswegen moeten onder controle worden gebracht en gehouden, om te voorkomen dat een karavaan zich plotseling beroofd zou zien van water, voedsel en voer. Geleidelijke uitbreiding van die eerste staat op de rest van het schiereiland is niet geheel onvoorstelbaar, hoewel het nooit eerder vertoond was. Maar tegelijk met de vereniging van het schiereiland begon er een geweldige snelle vergroting van de nieuwe staat. In 635 werd Syrië geannexeerd; in 634–642 werden Irak en West-Iran veroverd, in 639–642 Egypte, in 640 Palestina en in 640–660 heel Iran, tot diep in Centraal-Azië. Met andere woorden: binnen dertig jaar werden het hele Perzische en het halve Oostromeinse Rijk deel van het nieuwe Arabische Rijk. Is het werkelijk aannemelijk dat dit dertig jaar lang het ongelukkig gelegen Medina als hoofdstad had? Om deze vraag te beantwoorden moeten we eerst kijken naar wat een rijk zoal nodig heeft:
– Een groot territorium
– Een bevolking
– Een centraal gezag, stadhouders, ambtenaren, belastinggaarders, rechters
– Snelle en betrouwbare communicatielijnen
– Landbouwoverschotten
– Regelmatige inkomsten uit belastingen
– Een staand leger onder een centraal commando en het geld om het te betalen
– Legitimiteit van de regering.

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]   Oudere Duitse versie hier.  Oudere Engelse versie: RavenFirstArabicEmpire

NOOT
1. De islam was natuurlijk niet ‘af’ bij de dood van de profeet. Er begint dan een ontwikkelingsproces. Moderne geleerden beginnen van ‘islam’ te spreken in verband met de voltooiing van de Rotskoepel van Jerusalem in 691. En zelfs dan: het Umayyadische ontwerp van de islam verschilt aanzienlijk van de latere islam van de ‘ulamā’, die vaak onbescheiden wordt aangeduid als ‘de islam zoals wij die kennen’.
===============

Blz. 2. Aan welke vereisten voor een rijk werd in het kalifaat van Medina voldaan?

Een territorium was er, immens en zich nog steeds uitbreidend. Als dit rijk ooit een territoriaal probleem had was het misschien het gebrek aan grenzen, maar dat is hier niet relevant.
.
Wat voor bevolking had dit rijk? Toen de veroveringen begonnen moet het kleine aantal strijders uit Centraal-Arabië en nog wat meer uit het verarmde Jemen vrijwel verdronken zijn in een zee van niet-Arabieren. In het begin was er niet veel vermenging van de overheerste volkeren met die paar Arabieren; dit zou nog ruim een eeuw een probleem blijven. Maar in de Oudheid kon je blijkbaar grote gebieden regeren met een handjevol soldaten, en het Arabische Rijk verschilde in dit opzicht niet veel van dat van Alexander of van het Oostromeinse Rijk, waar een handjevol Grieks sprekende Romeinen hun provincies succesvol domineerden. Een steunpilaar van het nieuwe rijk zullen de Arabieren geweest zijn die al heel lang in Syrië en West-Irak woonden.
Natuurlijk leefden er miljoenen niet-Arabieren in de veroverde gebieden: Syriërs, Perzen, Egyptenaren en andere. Misschien waren zij niet al te negatief gestemd over de nieuwe machthebbers, die aanvankelijk veel van de oude structuren in regering en belasting intact lieten. Maar konden de Arabieren van hen op aan? Om een voorbeeld te geven: 646 werd er een expeditie ter zee tegen Cyprus ondernomen. De deelnemende soldaten waren allemaal Arabieren, naar verluidt 12.000 man, maar alle zeelui op de 200 schepen waren niet-Arabische Syriërs en Egyptenaren. In dit geval verliep blijkbaar alles goed. Maar zelfs nog bij een aanval van de marine op Constantinopel in 717 met schepen uit Egypte, beseften de zeelui plotseling dat zij nu op christelijk gebied waren en deserteerden naar de Romeinse kant. Inderdaad, waarom zouden de onderdanen loyaal zijn aan het Arabische Herrenvolk?
Het centrale gezag werd verondersteld de kalief in Medina te zijn, die volgens de overlevering het geweldige rijk van daaruit regeerde. De eerste kaliefen verlieten nauwelijks ooit de hoofdstad; alleen van ‘Umar wordt geloofwaardig verteld dat hij al-Djābiya heeft bezocht, de oude hoofdstad van de Ghassāniden op de Golan-hoogten en het hoofdkwartier van de Arabische verovering van Syrië. Het aantal Arabische ambtenaren (stadhouders, belastinggaarders, secretarissen, rechters) was heel beperkt: dit rijk had een enorm gebrek aan personeel. Buiten Arabië bleven de ambtenaren van de vroegere rijken eenvoudig in dienst, omdat hun expertise dringend benodigd was.

.
Communicatie en verkeer
Albrecht Noth heeft al in 1973 aangetoond dat de centralistische regering met de kalief zetelend in Medina als een spin in zijn web, waar hij alles tot in de kleinste details organiseerde en regelde, om puur logistieke redenen onmogelijk was. Regering via correspondentie, waarin de Arabische historische bronnen ons willen doen geloven, is een literaire fictie die, aldus Noth, overeen moest stemmen met een later kalifaatsideaal. Misschien was dit ideaal uit de klassieke Oudheid overgewaaid. De historicus Diodorus Siculus schreef al omstreeks 50 vChr over de koningen van het oude Egypte:

  • In de vroege ochtend bij voorbeeld, zodra hij ontwaakte, moest hij eerst de brieven ontvangen die hem van alle kanten toegezonden waren, zodat dat hij in staat zou zijn alle regeringszaken te delegeren en iedere handeling correct uit te voeren. Aldus was hij precies op de hoogte van alles wat er in zijn gehele rijk werd gedaan.2

Het is veel waarschijnlijker dat de militaire bevelhebbers in de veraf gelegen gebieden onafhankelijk en naar bevind van zaken handelden, waarbij de centrale regering slechts een ideëel oriëntatiepunt vormde.
Wegen over land: Grote rijken, zoals het Perzië der Achaemeniden, werden onder andere geregeerd door middel van een zeer efficiënt post- en inlichtingensysteem, voornamelijk met behulp van paarden, maar ook van kamelen en muildieren waar de omstandigheden dat vereisten. Daarenboven bestonden er systemen van vuur- en lichtsignalen. Vanuit de hoofdstad Persepolis leidden er postwegen naar Klein-Azië, India, Afghanistan en verder. Iedere 20–30 kilometer was er een poststation waar de uitgeputte paarden en/of koeriers vervangen konden worden door verse, en waar ook een garnizoen en een bescheiden schatkist gestationeerd waren. Koeriers konden tot wel 300 kilometer per dag afleggen en wisten de 3400 kilometer van Persepolis naar de Aegaeïsche kust soms in veertien dagen af te leggen; gewone reizigers deden er drie maanden over. Alexander de Grote had dit systeem overgenomen. Het Romeinse Rijk had ook postsystemen gehad: de cursus publicus, postduiven en ketens van lichtsignalen, waardoor bij voorbeeld een militair bevel vele honderden kilometers per dag kon afleggen.
Aan de vooravond van de Arabische veroveringen was het Perzische postsysteem in verval en het Oostromeinse functioneerde nauwelijks nog. De Umayyaden namen ze later over, maar hadden wel enige tijd nodig om ze te begrijpen en weer bruikbaar te maken. Vóór de Umayyaden werden zij in het Arabische Rijk niet gebruikt, of hooguit plaatselijk en ten dele, en zij besloegen zeker niet het Arabische Schiereiland. Medina had een erg onvoordelige ligging. In Arabië konden op de lange afstand geen paarden gebruikt worden, omdat water en passend voer op vele plaatsen ontbraken. Een kameelkaravaan had dertig dagen nodig van Medina naar de rand van Syrië of Irak, en daar begon de bewoonde wereld pas. Natuurlijk konden individuele ruiters snel rijden op een kameel of hier en daar op een paard, maar een postsysteem ontbrak ten ene male.
Zeewegen: Voor Constantinopel was scheepvaart van belang, maar voor Medina was het geen optie. Omstreeks 600 liepen de belangrijkste scheepvaartroutes in de Rode Zee langs de Afrikaanse kust, met Adulis als belangrijkste haven. Ethiopiërs hadden de berucht moeilijke navigatie in deze zee van de Romeinen geleerd. Het verkeer van India naar Europa raakte Arabië nauwelijks; alleen de haven van Aden werd gebruikt. Van Medina naar zijn haventje al-Jār duurde het drie dagen over land; de zeeroute van daar naar het Noorden was moeizaam door de eeuwig tegenzittende noordenwinden. Dit was voor de Romeinen al een reden geweest, de Noord-Arabische havens te mijden en de Indische goederen liever in het Egyptische Berenice om te slaan en vandaar over land verder te vervoeren tot de Nijl. Zeevaart over de Rode Zee kan onmogelijk van belang geweest zijn om het Rijk bij elkaar te houden. De zeeroute van Zuid-Perzië naar Aden en vice versa was wel bruikbaar voor imperiale doeleinden, zoals de Perzen hadden bewezen toen zij sinds 570 het Zuiden van Jemen een halve eeuw bezet hielden, maar voor Medina was deze route niet van belang.

Landbouwoverschotten, en een belastingstelsel dat daarmee verband hield. Een staat heeft gewoonlijk aanzienlijke hoeveelheden stapelproducten nodig, zoals graan of rijst. Volgens de traditionele zienswijze had het Arabische schiereiland nauwelijks landbouwoverschotten om belastingen op te heffen, maar was het verregaand een overlevings- of subsistentie-economie. Dit wordt vooral bevestigd door de pre-islamitische poëzie. Vee was rijkdom (māl), rijkdom was vee. Maar als er soms een bescheiden overschot was aan vee en dadels zal dat nauwelijks genoeg zijn geweest om de noodzakelijke granen, kleding, wapens en luxe goederen te importeren. Dit beeld moet allicht herzien worden wanneer men het goud en zilver dat op vrij grote schaal in mijnen werd gewonnen erbij betrekt. De voorstelling van de dappere maar straatarme bedoeïenen is al te romantisch.
Blijkbaar kon het Arabische Rijk in de eerste tijd even zonder landbouwoverschotten. Het overheidsinkomen werd op andere wijze gegenereerd. De staat had mijnen en verwierf in de veroverde gebieden enorme massa’s buit, zij het land, vee of geld. Betalingen en gunsten konden worden verleend in de vorm landbezit ergens duizenden kilometers verderop. Volgens het latere islamitische recht kwam een vijfde van alle buit aan de staat toe. Of en sinds wanneer dit reëel was en hoeveel roerend goed er werkelijk naar Medina werd overgebracht is nog niet duidelijk. Op den duur kwam er genoeg om in Medina een boom en een gevoel van the high life te creëren, maar misschien juist niet in de eerste jaren. Aanvankelijk moeten de overheidsinkomsten nog betrekkelijk mager geweest zijn, maar blijkbaar was het vooruitzicht op buit genoeg om het leger aan de gang te houden. Zodra de veroveringen succesvol waren kon het schiereiland geleidelijk omschakelen naar een rentenierseconomie.

Een staand beroepsleger onder een sterk centraal commando ontbrak gedurende de eerste fase van het Arabische Rijk, terwijl zowel de Romeinen als de Perzen zulke legers wél hadden. De Arabieren hadden in het begin een onprofessioneel volksleger. Maar juist het gebrek aan organisatie en klassieke discipline maakten dat zootje ongeregeld heel flexibel, wat tot zijn militaire succes bijdroeg. De bevelhebbers moeten naar eigen inzicht hebben gehandeld.
De gretigheid om te vechten zal zeer verschillend geweest zijn. De bedoeïenen vochten altijd al graag, maar alleen in hun welbegrepen eigen belang. De plantage-eigenaren in Medina of Ṭā’if waren zonder twijfel minder enthousiast dan de inwoners van het verarmde Jemen, die in het oorlogvoeren een kans zullen hebben gezien om uit de ellende te geraken. De Sīra spreekt van opgeroepen strijders die niet mee wilden doen omdat het net oogsttijd was. Volgens de koran klaagden sommige mannen over de hitte of hadden andere smoesjes (koran 9:38, 42, 81). Afgezien van bedreigingen met het hellevuur (9:81) kunnen sociale druk en/of de belofte van buit hen hebben overtuigd, alsnog mee te doen. Regelmatige wedden (ʿaṭāʾ) werden er pas sinds 640 betaald.

Geld, hetzij van goud of van zilver, komt altijd goed van pas bij het opbouwen of handhaven van een rijk. Het vergemakkelijkt het onderhouden van een staand leger, maakt het mogelijk bondgenoten (om) te kopen en houdt stadhouders in de provincies gelukkig en loyaal. De schatkist van Persepolis had de Perzische legers en zelfs de oligarchieën in de stadstaten van Klein-Azië loyaal gehouden aan het rijk; het goud van Thracië had Alexander in staat gesteld het leger te betalen dat de halve wereld veroverde.
Wat had het Arabië op dit gebied te bieden? Een regelmatige belastingheffing, betaald in vee of dadels, kan hebben plaatsgehad, maar op heel kleine schaal; bovendien was belasting innen onder bedoeïenen nooit een sinecure. Maar G. W. Heck heeft erop gewezen dat er in Arabië goud en zilver werd gevonden en gewonnen, zodat het schiereiland bij nader inzien toch niet zo arm was. De stam Quraysh handelde in edelmetalen. Onder de eigenaars van goudmijnen waren de Banū Sulaym, maar ook de eerste kalief Abū Bakr, die bekend stond om zijn rijkdom, verdiende er goed aan. Dit goud — niet in de vorm van munten maar in korrels en brokjes,— zal er mede toe hebben bijgedragen de soldaten actief te houden in de eerste fase van de veroveringen. De belofte van rijke buit moet de rest hebben gedaan.

Legitimiteit van de regering. In deze vroege periode bestond ‘de islam zoals wij die kennen’ zeker nog niet. Maar zonder twijfel was er wel een ideologische of spirituele impuls, ondersteund door gewijde teksten, die ervoor zorgde dat Arabieren niet langer tegen elkaar vochten maar samen tegen anderen. Hun gemeenschappelijke zaak kunnen we proto-islam of ‘de koranische beweging’ noemen. Wat het ook was, het werkte overweldigend goed en verleende volop legitimiteit aan het groeiende rijk, ten minste in de ogen van de Arabieren. Verschil van mening onder hen kwam pas op aan het eind van de eerste drie decennia. De meningen van de nieuwe onderdanen deden in deze periode nog niet ter zake.

Het schiereiland voldeed dus slechts aan enkele, lang niet aan alle vereisten voor een rijk. Twijfels blijven bestaan over die eerste dertig jaar. Er groeide een Arabisch rijk, daaraan is geen twijfel. Aanvankelijk was het misschien moeilijk, strijders te mobiliseren, maar zodra de buit binnen begon te stromen kwamen de soldaten bij duizenden. Wat moeilijk te verteren blijft is het centralistische karakter van deze staat en het ongelukkig gelegen Medina als de hoofdstad ervan.

En er is nog een overweging. De meeste hedendaagse niet-islamitische geleerden neigen tot het inzicht dat we erg weinig weten over de profeet Mohammed. En dan zouden de gebeurtenissen direct na zijn dood zich opeens in het volle licht van de geschiedenis hebben afgespeeld, en zouden alle schriftelijke bronnen daarover op hun woord moeten worden geloofd? Ook dat is weinig aannemelijk.

NOOT
2. Diodorus Siculus, [Βιβλιοθήκη ἱστορική; Bibliotheca Historica:] Library of History, transl. C. H. Oldfather, (Loeb Classical Library 279), Cambridge MA 1933, i, 70:  i, 70: ἕωθεν μὲν γὰρ ἐγερθέντα λαβεῖν αὐτὸν ἔδει πρῶτον τὰς πανταχόθεν ἀπεσταλμένας ἐπιστολάς, ἵνα δύνηται πάντα κατὰ τρόπον χρηματίζειν καὶ πράττειν, εἰδὼς ἀκριβῶς ἕκαστα τῶν κατὰ τὴν βασιλείαν συντελουμένων.
==================

Blz. 3. Wat hebben de geleerden van deze periode gemaakt?
In de negentiende eeuw waren de in Europa bekende bronnen alleen islamitische teksten in het Arabisch. De meeste niet-Arabische teksten en de archeologische overblijfselen werden grofweg pas bekend in de tweede helft van de twintigste eeuw.
De negentiende-eeuwse oriëntalisten volgen in grote lijnen het islamitische standaardverhaal. Maar ze gebruikten wel hun gezonde verstand, zij pasten de historisch-kritische methode toe. Zoals Gustav Weil het omstreeks 1850 zei, het doel was: ‘het materiaal grondig te onderzoeken en uit dit weefsel van verblinding en leugens de naakte historische waarheid te extraheren.’ Dat klinkt drastisch, maar de resultaten waren over het algemeen nogal tam en weken niet erg af van de traditionele islamitische geschiedschrijving. Het is opvallend hoe in de negentiende eeuw de stichtingsmythen van jodendom en christendom geheel aan flarden werden geanalyseerd, terwijl tegelijkertijd de islamitische vrijwel intact gelaten werd. En dat dikwijls ook nog door dezelfde geleerden, zoals Julius Wellhausen (1844-1918).
Vanaf 1905 maakte Leone Caetani een uitgebreid overzicht in het Italiaans van alle toen bekende bronnen van de vroege islamitische geschiedenis, waarin hij alle teksten die hij over de een gebeurtenis na de andere naast elkaar zette en vergeleek. Daardoor ontstonden twijfels van meer algemene aard, omdat nu bij voorbeeld opviel dat hetzelfde bericht over verschillende gebeurtenissen verteld werd en dat de chronologie dikwijls veel later en nogal willekeurig was toegevoegd.
De Jezuïet Henri Lammens (1862-1937) was nog sceptischer. Hij beschouwde de hele sīra als afhankelijk van de koran en daarom als historisch onbetrouwbaar. Nieuw voor die tijd was dat Lammens gedreven werd door verachting en haat jegens de islam; een verschijnsel dat een eeuw later opnieuw zou opdoemen.
De twee wereldoorlogen leken in Europa de kritische geest in de oriëntalisten te hebben gedood. Lange tijd gebeurde er niets, maar in de jaren zeventig van de twintigste eeuw kwam er een nieuwe golf van kritiek en scepticisme op. Ik noem hier twee, of liever drie vertegenwoordigers: de reeds genoemde Albrecht Noth, en Patricia Crone en Michael Cook.
Noth (1973) begon de historische bronnen kritisch te herlezen, met een fijn gevoel voor de realia van de beschreven periode en gebieden. Zijn grootste bijdrage was dat hij een open oog had voor het literaire karakter van de historische bronnen. De literatuurwetenschap hield (eindelijk) zijn intocht op het gebied. Noth ontdekte narratieve structuren en topoi die overal in de bronnen terugkwamen, wat ze minder betrouwbaar maakte voor de geschiedschrijving.
.
Hagarism
Als een bom sloeg in Hagarism door Crone en Cook in 1977. Twee boze jonge mensen, die kennelijk genoeg hadden van een halve eeuw stilstand. De voornaamste objecten van hun woede waren gevestigde oriëntalisten als R. B. Serjeant en W. Montgomery Watt. De laatste had in de jaren vijftig een ambitieuze geleerde biografie van Mohammed geschreven.
In Hagarism bleef niets zoals het was geweest. De Islam stamde niet uit Mekka en Medina, maar eerder uit Noord-Arabië; eigenlijk was er helemaal geen islam. De koran moest veel later dan de zevende eeuw gedateerd worden. Over Mohammed, was nauwelijks iets bekend, maar hij moest een soort Johannes de Doper geweest zijn voor ʿUmar, wiens bijnaam immers Fārūq was, (Aramees parūqā, ‘verlosser’). De zogeheten vroege moslims waren eerder een mix van Arabieren en ketterse joodse messianisten, die het Beloofde Land terug probeerden te winnen van het Oostromeinse Rijk. Mohammed en zijn volgelingen heetten Hagarenen of mahgraye, of in het Arabisch muhādjirūn (Emigranten). De hidjra was niet naar Medina maar naar Jerusalem. Het boek begint uitdagend met een citaat uit een niet-islamitische bron — maar wel een die veel vroeger was dan de hele islamitische overlevering. Ook de rest van het boek is doortrokken van niet-islamitische bronnen, die nu voor het eerst op grote schaal werden gebruikt.
Hagarism werd heftig gecritiseerd; vele geleerden waren werkelijk ziedend. Hoe durfde de auteurs zo luid tekeer te gaan in de stiltezone van de oriëntalistiek!? De critici waren emotioneel, maar ze hadden ook sterke tegenargumenten en er bleef van de thesen van het boek niet veel over. Patricia Crone herriep in 2006 haar aandeel stilzwijgend en impliciet in een internet-artikel, waarin zij min of meer de traditionele visie op de profeet verkondigde, over wie nu volgens haar wel degelijk veel te weten was. Gelukkig had Crone nog twee boeken en ettelijke artikelen over de zevende eeuw geschreven. Haar studie Early Meccan Trade, die het tot dan toe onaangevochten beeld van Mekka als een soort Wereldhandelscentrum onderuit haalde, staat nog steeds overeind, evenals haar Slaves on Horses over het Umayyadenrijk en God’s Caliph over het begin en de betekenis van het kalifaat.
Boeken als Hagarism zijn nuttig en moeten zeker niet minachtend worden weggegooid. Het boek schudde de slaperige geleerden wakker en had een blijvende invloed op de studie van de vroege islam. Het heropende eindelijk de discussie en opende de ogen voor tenminste een aantal zaken: de relatief late breuk van de proto-islamitische beweging met de joden en/of christenen van welke soort dan ook, en voor de waarde van niet-islamitische bronnen, die de auteurs nadrukkelijk ten nutte hadden gemaakt. Wat ook bleef was het inzicht in het literaire karakter van de Arabische bronnen, waarop Noth kort tevoren had geattendeerd, en in de geografische omstandigheden.
.
Na Hagarism
Hagarism had ettelijke nazaten: studies die nog verder gingen, nog wilder waren. De auteurs ervan hebben ook aan de weg getimmerd en de algemene publiciteit gehaald. Ik wil er enkele kort aanstippen:
.
Koren en Nevo
Yehuda Nevo was een archeoloog zonder veel kennis van de geschreven bronnen; Judith Koren is gespecialiseerd in informatica. Toch ontvouwen zij in hun Crossroads to Islam een alomvattende theorie. Muhammad was geen historische figuur. De Koran dateert uit de achtste eeuw. Syrië werd nooit door de Arabieren veroverd, omdat het Oostromeinse Rijk zich reeds vrijwillig had teruggetrokken uit de provincie, die als niet langer winstgevend werd beschouwd. De zogenaamde moslims, die in werkelijkheid heidenen waren, hoefden het vacuüm alleen maar op te vullen. Zij kwamen uit wat nu Zuid-Jordanië en Israël is. Pas in de veroverde gebieden namen zij een soort vaag joods-christelijk monotheïsme over, dat zich veel later ontwikkelde tot de islam. De eerste vier kaliefen kunnen we geheel vergeten; de echte heerser in Syrië was Mu‘āwiya, elders bekend als de eerste of tweede Umayyadische kalief, die daar inderdaad vanaf 642 stadhouder was.
.
Inârah
Vervolgens is er de wereld van de zogenaamde Inârah-groep, genoemd naar het Inârah Institut in Saarbrücken en de zes banden die de leden tot nu toe hebben gepubliceerd (2005–2012). De leidende geleerden in deze groep zijn K.-H. Ohlig, Gerd R. Puin en Volker Popp. Chr. Luxenberg vond hier een tehuis; zijn bijdrage was dat de koran gelezen moet worden als een tekst in het Syrisch, en dat er heel andere dingen in staan dan iedereen had gedacht. Zelfs Claude Gilliot deed een poosje met de groep mee.
Deze geleerden voelen de behoefte de Arabische geschiedenis nog drastischer te herschrijven dan ooit te voren. Ik probeer samen te vatten: De Koran is oorspronkelijk een christelijke tekst, geschreven in het Syrisch (Luxenberg). Als bron voor de vroege islam is hij waardeloos. De biografie van de profeet werd in elkaar gezet na 800; Ibn Isḥāq heeft nooit bestaan. Echte bronnen zijn inscripties en munten en christelijke teksten. Muhammad is geen eigennaam, maar een adjectief, ‘geprezen’ of ‘prijzenswaardig’, dat werd toegepast op zowel Jezus als ʿAlī. Als historische figuur heeft Mohammed nooit bestaan. De godsdienst van de Arabieren die Syrië in de zevende eeuw beheersten was niet de islam. De islam werd pas omstreeks 700 in leven geroepen door de Umayyadische kalief ‘Abd al-Malik, die de zogenaamde koranbeweging uit Centraal-Azië (!) naar Syrië en Palestina overbracht. Zij was daar gegroeid op de mest van een sterk Arabisch voor-Nicaeaans christendom, dat ergens bij Marw in Centraal-Azië had overleefd, als gevolg van de Sassanidische deportatie van de christen van Hatra in 241. (Is U daar nog?)
De bewijzen voor dit alles zijn zo dun dat je zulke artikelen nauwelijks nog wetenschap kunt noemen. Toch staan er ook enkele onloochenbaar belangwekkende bijdragen in deze banden, bij voorbeeld door Gerd en Elisabeth Puin over de koran, door Gilliot over hadith-geleerden en bepaalde stimulerende gedachtengangen in het algemeen.
De auteurs in de publicaties van Inâra vormen een nogal heterogene groep, die twee aversies schijnen te delen: een tegen de moderne islam en een tegen de traditionele oriëntalisten. De jonge Crone en Cook bestreden alleen hun oriëntalistische leraren; de meeste Inârah-artikelen hebben ook een anti-islam-alinea. Voor islamhaters zou het zeker plezierig zijn een zevende eeuw te hebben zonder Mohammed, zonder koran, zonder Arabische veroveringen en zonder islam. Maar een dergelijk wensdenken is geen bruikbaar uitgangspunt voor wetenschappelijke studie.
.
Mainstream wetenschappelijk onderzoek
Intussen werd het echte wetenschappelijke onderzoek op basis van het standaardverhaal in alle rust voortgezet. Ik noem ook hier slechts enkele werken.
– Hugh Kennedy schreef een rustig en zeer goed leesbaar overzichtsboek over de veroveringen, waarin nieuwe onderzoeksresultaten, uiteraard ook van hemzelf, niet ontbreken.
– Michael Moroney schreef over Irak na de verovering door de moslims. Zijn boek gaat dus niet over Medina, maar is wel zeer gedetailleerd over het bestuur en het alledaagse leven in een van de belangrijkste provincies van het Arabische Rijk.

– Robert Hoyland, In God’s path, nog meer up to date over de veroveringen en de vorming van de nieuwe staat.
Bijzondere vermelding verdient hier het boek van Michael Lecker, Muslims, Jews and Pagans, en wel om twee redenen. Ten eerste concentreert de auteur zich op Medina; hij biedt zelfs een historische en geografische close-up van de zog. ‘Bovenlanden’ (‘awālī) van Medina in en kort na Mohammeds tijd. Ten tweede is hij haast extreem trouw aan het standaardverhaal. Zijn boek is vele malen wetenschappelijker dan de post-Hagaristische werken die ik hierboven beschreef. Toch blijf ik bij Lecker zitten met heel wat onbehagen over Medina, al beschrijft hij het nog zo gedetailleerd. Wat mij vooral verbijstert is het gemak waarmee hij een boek van Samhūdī uit de vijftiende eeuw tot hoofdbron verklaart voor de geschiedenis van het Medina van de zevende eeuw, en het vertrouwen dat hij heeft in oude genealogieën.
====================

Blz. 4. Mijn eigen gedachten

‘Tegenkalifaat’
Maar hoewel ik de wilde theorieën van de post-Hagaristen niet kan volgen, waardeer ik sommige van hun ideeën toch. Bij voorbeeld de nadruk op Syrië, waar aanzienlijke delen van de bevolking altijd al Arabisch waren, en waar Muʿāwiya weliswaar pas in 661 kalief werd maar al sind 642 de facto regeerde. En de rol van kalief ʿAbd al-Malik (reg. 685–705) bij de vormgeving van de (of liever: een) Islam. En zoals gezegd: ook ik blijf me ongemakkelijk voelen bij de gedachte aan Medina als hoofdstad van een opkomend wereldrijk.
Mijn eigen bijdrage tot die oude geschiedenis zal zeer bescheiden blijven. Ik wil alleen eens wijzen op twee zaken die al langer bekend zijn, maar nog dikwijls verwaarloosd worden en die toch grote invloed moeten hebben uitgeoefend op onze Arabische bronnen. Ik bedoel het kalifaat (680-692) van ʿAbdallāh ibn al-Zubayr en de geschriften van zijn broer ʿUrwa.
Na de dood van de Umayyadische kalief Muʿāwiya in 680 regeerden er enkele zwakke kaliefen in Damascus, die maar heel kort in het zadel bleven. De Umayyaden waren de nazaten van de oude preïslamitische elite, die zich nogal laat en volgens sommigen alleen uit opportunisme hadden bekeerd tot de nieuwe beweging die zich zou ontwikkelen tot de islam. Zij voelden zich thuis in Syrië en Palestina en in de christelijke beschaving.
.
De Umayyaden kregen het aan de stok met verscheidene opstandige oppositiegroepen: Sjiieten, Kharidjieten, en ook het gevaarlijke alternatieve kalifaat van ‘Abdallāh ibn al-Zubayr in Mekka en zijn broer Muṣʿab in Iraq. Deze rebellen waren de nazaten van de eerste ‘islamitische’ elite: Mohammeds kameraden van het eerste uur, de oudste aanhangers van de beweging die in hun ogen gekaapt was door de Umayyaden. In plaats van de Syrisch-Palestijnse oriëntering verkozen zij het Arabische Schiereiland. Het kalifaat van ʿAbdallāh duurde twaalf jaar en veroorzaakte een akelige scheur in het Arabische Rijk. Niet alleen het schiereiland, maar ook grote delen van Irak en Iran volgden de Zubayrī broers. Andere provincies aarzelden nog. In sommige jaren was alleen Syrië nog loyaal aan de Umayyadische kalief.
Twaalf jaar lang slaagde Damascus er niet in een eind te maken aan wat voor hen het ‘tegenkalifaat’ was. Maar zodra de sterke kalief ʿAbd al-Malik de macht had overgenomen was het gauw bekeken. ʿAbdallāh werd gedood in in 692, Muṣʿab was al iets eerder gevallen en hun rijk was verleden tijd. De Umayyadische macht was met militaire middelen hersteld.
.
ʿUrwa ibn al-Zubayr (± 643–711)
De interessante overlever is ʿUrwa, ʿAbdallāhs twintig jaar jongere broer en de intellectueel van de familie Zubayr. Hij was niet militair en nauwelijks politiek actief geweest, hoewel hij in de opstand wel de kant van zijn broers had gekozen. Hij woonde meestal in Medina, waar hij de biografie van de profeet bestudeerde en onderwees, evenals hadith en recht. Onmiddellijk na ʿAbdallāhs dood haastte hij zich naar Damaskus om ʿAbd al-Malik trouw te zweren. Dit was een zeer gewaagde stap, want ʿUrwa zal toch wel erg met zijn broers geassocieerd zijn geweest, maar hij had succes. De kalief, die reeds om strategische redenen openbare rouw voor Muṣʿab had afgekondigd, zag ervan af ʿUrwa terecht te stellen en besloot liever gebruik van hem te maken. Hij gaf hem toestemming terug te gaan naar zijn woonplaats in Medina en vroeg hem kort daarna de geschiedenis van de vroege islam neer te schrijven. Dat deed ʿUrwa, en een groot deel van zijn teksten is nog bewaard.
ʿAbd al-Maliks clementie is begrijpelijk. Hij moet beseft hebben dat ʿUrwa’s geschiedenis er een van het schiereiland zou worden, een reeks berichten en verhalen die zich in Medina hadden ontwikkeld voor en gedurende het ‘tegenkalifaat’, ver van Syrië: een verhaal zoals de vroegste bekeerlingen en hun nazaten het graag hoorden. Maar hij was zich ook bewust van de verscheurende krachten die het rijk bijna kapot hadden gemaakt. Hij wilde het rijk nu herenigen en samensmeden met behulp van een nieuwe staatsideologie en probeerde zijn rebelse onderdanen in te pakken door hun een stichtingsmythe te gunnen die zuiverder Arabisch was dan ooit te voren. De vroegste islam, met zijn oriëntatie op Jeruzalem, moet een overwegend Syrisch-Palestijnse aangelegenheid zijn geweest. De Rotskoepel van Jeruzalem, een rotunda die in 691 was voltooid, was het hoogtepunt, maar ook meteen het eindpunt van de ‘Syrische’ islam. In feite is het gebouw een boodschap aan het adres van de christenen, van wie de groeiende islam zich nu distantieerde. Goldziher heeft ooit gesuggereerd dat de Rotskoepel was gebouwd omdat Mekka twaalf jaar lang ontoegankelijk was. Maar het was juist omgekeerd: door de omwenteling van 692 verkreeg Mekka voor het eerst de overheersende plaats in de islam, terwijl de Rotskoepel werd gedegradeerd tot een heiligdom van de tweede rang, al was hij nog zo nieuw. Een verandering van qibla, dat was het. Hierna werd de arabisering voortgezet en werd er steeds meer christelijk en joods materiaal (isrā’īlīyāt) gebannen uit de verhalen en de genealogie. (Als dit u interesseert, zoek in dit blog onder ‘ontbijbeling’.)
ʿUrwa’s ‘brieven’ en mondeling overgeleverde colleges moeten haast wel een rol hebben gespeeld in deze ‘arabisering’ van de islam. Hij schreef die ‘brieven’ voor het hof, maar hij schreef ook nog ettelijke andere teksten, die hij zijn leerlingen onderwees, de meeste over het leven van de profeet, andere over de Ridda-oorlogen en de decennia daarna. Hij was de leverancier van de belangrijkste hoofdstukken in de biografie van de profeet. Zijn teksten werden vooral door twee personen overgeleverd: zijn zoon Hishām en de geleerde al-Zuhrī (gest. 742). Ibn Isḥāq’s Sīra bevat veel teksten van ʿUrwa, maar de hadithverzameling van Maʿmar ibn Rāshid (714–770) doet dat ook. De meeste ‘brieven’ zijn heel beknopt. ʿAbd al-Malik hield niet van lange teksten en verafschuwde het geklets van de ‘Vertellers’ (quṣṣāṣ). Een voorbeeld van ʿUrwa’s persoonlijke input in de vroegste islamitische geschiedschrijving is de ereplaats die hij in verscheidene teksten gaf aan de eerste kalief Abū Bakr en diens gezin. Abū Bakr was ʿUrwa’s grootvader: een van diens dochters was zijn moeder; een andere dochter, Mohammeds vrouw Aisha, was zijn tante. Ik heb hier al laten zien hoe ʿUrwa in zijn verhalen over de Emigratie van Muḥammad naar Medina (hijra) en zijn sterfbed, en ook in zijn felle verdediging van Aisha’s kuisheid toen zij van overspel werd beschuldigd, de positieve handelingen en eigenschappen van Abū Bakr nadrukkelijk op de voorgrond plaatste en ook diens familieleden waar mogelijk positief ter sprake bracht. Het is duidelijk dat ʿUrwa zijn allerpersoonlijkste redenen had voor zijn voorliefde voor de eerste kalief. Zou hij niet even vlijtig het belang van zijn woonplaats Medina en van Mekka hebben opgeblazen in zijn overige verhalen? Mij zou het niet verwonderen als ʿUrwa’s teksten over de vroegste kaliefen geïnspireerd waren door een stoer Medinees patriottisme.
.
Mijn suggesties aan toekomstige onderzoekers van het eerste Arabische Rijk zijn: 1. Voortaan rekening houden met het kalifaat van ʿAbdallāh ibn al-Zubayr en de erop volgende mentale omwenteling. 2. Aandacht schenken aan de rol die zijn broer ‘Urwa speelde bij het creëren van de vroegste islamitische geschiedenis.

Voor het overige, maar dat had u zelf al bedacht, zal de toegenomen kennis van steeds meer oude papyri en de talloze rotsinscripties die in Noordwest-Arabië zijn gevonden de bestudering van het eerste Arabisch rijk bevleugelen.
.
Bewerking van een voordracht gehouden op de Deutsche Orientalistentag in 2010. De Engelse versie van dit artikel is verschenen in Rainer Kessler, Walter Sommerfeld en Leslie Tramontini (uitg.), State Formation and State Decline in the Near and Middle East, Wiesbaden 2016, 145–157. Hij is ook hier down te loaden: RavenFirstArabicEmpire

BIBLIOGRAFIE
– Heribert Busse, ‘Zur Geschichte und Deutung der frühislamischen Ḥaram-bauten in Jerusalem,’ Zeitschrift des Deutschen Palästina-Vereins, 107 (1991), 144–154.
– Leone Caetani, Annali dell’ Islam, 2 dln., Milaan 1905–7.
– Sandra Campbell, Telling memories. The Zubayrids in Islamic historical memory, Ph.D. diss., UCLA 2003 [helaas niet gezien].
– Patricia Crone en Michael Cook, Hagarism. The Making of the Islamic World, Cambridge 1977.
– Patricia Crone, Meccan Trade and the Rise of Islam, Princeton 1987.
– Patricia Crone, ‘What do we actually know about Muhammad?’ Eerst verschenen in augustus 2006; laatst gezien op 19 januari 2021.
– A.A. Duri, The rise of historical writing among the Arabs, uitg. en vert. L.I. Conrad, Princeton 1983. Over ʿUrwa blz. 76-95 (inclusief, blzz. 79-90, een catalogus van historische ‘Urwa-teksten).
– Fred Donner, Narratives of Islamic Origins. The Beginnings of Islamic Historical Writing, Princeton 1998.- Andreas Görke, The historical tradition about al-Ḥudaybiya. A study of ʿUrwa ibn al-Zubayr’s account, in H. Motzki (uitg.), The biography of Muḥammad. The issue of the sources, Leiden 2000, 240–75.
– Andreas Görke en Gregor Schoeler, Die ältesten Berichte über das Leben Muḥammads. Das Korpus ʿUrwa ibn az-Zubair, Princeton 2008.
– Gerald R. Hawting, The first dynasty of Islam. The Umayyad caliphate AD 661–750, London/Sydney 1986, London/New York 2002.
– Gene W. Heck, ‘Gold Mining in Arabia and the Rise of the Islamic State,’ in JESHO 42,3 (1999), 364–395.
– Robert G. Hoyland, In God/s Path, The Arab Conquests and the Creation of an Arabic Empire, Oxford 2015.
– Ibn Isḥāq: A. Guillaume, The Life of Muhammad. A translation of Isḥāq’s (sic!) Sīrat Rasūl Allāh, Oxford 1955.
– Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, 2 dln., Göttingen 1858–60 (Arabische tekst).
– Inârah: voor de twee publicaties die in het Engels zijn vertaald, zie hier onder Ohlig. Voor de andere delen in het Duits en voor informatie over het instituut zie de webpagina.
– Hugh Kennedy, The Great Arab Conquests. How the Spread of Islam Changed the World we Live in, London 2007. Vertaald als: De grote Arabische veroveringen, vert. Guus Houtzager, Amsterdam/Antwerpen 2008.
– Meir J. Kister, ‘The Battle of the Harra. Some socio-economic aspects,’ in Myriam Rosen-Ayalon (uitg.), Studies in memory of Gaston Wiet, Jerusalem 1977, 33–49.
– Michael Lecker, Muslims, Jews and Pagans. Studies on Early Islamic Medina, Leiden 1995.
– Maʿmar ibn Rāshid, een verzameling hadithen over de biografie van de profeet, van welke er veel teruggaan tot ʿUrwa, in: ʿAbd al-Razzāq al-Ṣanʿānī, Muṣannaf, v, nrs. 9718-84. Engelse vertaling: Sean W. Anthony, The Expeditions. An Early Biography of Muhammad, New York University Press 2015.
– Michael G. Morony, Iraq after the Muslim Conquest, Princeton 1984, 2006.
– Syed Nadvi, ʿAbd Allāh ibn al-Zubayr and the caliphate, Ph.D. diss., University of Chicago 1972 [niet gezien].
– Yehuda Nevo en Judith Koren, Crossroads to Islam, Amherst (N.Y.) 2003.
– Albrecht Noth, Quellenkritische Studien zu Themen, Formen und Tendenzen frühislamischer
Geschichtsüberlieferung, Ph. D. Diss. Bonn 1973. Engelse vertaling en update: Albrecht Noth, The Early Arabic Historical Traditions: A Source-Critical Study, in collaboration with Lawrence I. Conrad, Princeton 1994.
– Karl-Heinz Ohlig en Gerd R. Puin (uitg.), The Hidden Origins of Islam: New Research into Its Early History, Amherst NY 2009.
– Karl-Heinz Ohlig (uitg.), Early Islam. A Critical Reconstruction Based on Contemporary Sources, Amherst NY 2013.
– Gernot Rotter, Die Umayyaden und der zweite Bürgerkrieg (680–692), Wiesbaden 1982.
– Gregor Schoeler, Charakter und Authentie der muslimischen Überlieferung über das Leben Mohammeds, Berlin en New York 1996, over ʿUrwa p. 28-32, 145-54.
– Gregor Schoeler, Art. ‘ʿUrwa ibn al-Zubayr,’ in EI2.
– Adam J. Silverstein, ‘A neglected chapter in the history of caliphal state-building,’ JSAI 30 (2005), pp. 293–317.
– Adam J. Silverstein, Postal Systems in the Pre-Modern Islamic World, Cambridge 2007.

Terug naar Inhoud

Abd al-Malik oefent zich in wreedheid en moord

(Fragment. Ter verduidelijking kunt U eerst dit lezen)

Eenmaal kalief zag ‘Abd al-Malik zich geconfronteerd met een aantal tegenstanders die hem niet wilden erkennen. Voordat hij zich tegen zijn sterke rivaal in Arabië zou wenden moest hij schoon schip maken in Syrië.
Daar kreeg hij te maken met ‘Amr ibn Sa‘īd, bijgenaamd Al-Ashdaq (?–689). Deze Umayyade had op verdienstelijke wijze hoge posten bekleed, onder andere als generaal en gouverneur van Mekka en van Medina. Toen Marwān tot kalief werd uitgeroepen had hij ‘Amr beloofd dat hij de volgende kalief zou worden: als vooraanstaand en populair lid van de clan was hij een plausibele kandidaat. Maar zodra Marwān kalief was geworden forceerde hij de huldiging van zijn eigen zonen. Toen ‘Abd al-Malik zijn vader na diens korte regering inderdaad opvolgde was ‘Amr vervuld van wrok. Toch zag hij voor zich nog een kans in de toekomst. Eens vergezelde hij ‘Abd al-Malik op een expeditie naar Irak. Ergens onderweg sprak hij ‘Abd al-Malik erop aan:

  • ‘Nu ga je naar Irak. Jouw vader heeft mij deze zaak1 beloofd voor na zijn dood. Daarom heb ik aan zijn kant gestreden, maar wat ik van hem te verduren heb gekregen is je niet onbekend. Beloof mij nu de zaak voor na jouw dood.’ Maar ‘Abd al-Malik gaf hem geen antwoord.2

De nacht daarop sloop ‘Amr stiekem met een aantal aanhangers weg uit het legerkamp en ging terug naar Damascus. Hij wist ‘Abd al-Maliks plaatsvervanger aldaar uit te schakelen en beheerste nu de stad, waar hij niet zonder aanhang was. ‘Abd al-Malik zag zich genoodzaakt terug te keren om zijn eigen hoofdstad terug te veroveren. ‘Amr gaf zich over op voorwaarde dat hem lijf en leven geschonken zouden worden.
Maar ‘Abd al-Malik was niet werkelijk van plan hem in leven te laten. Op een dag nodigde hij hem uit naar zijn paleis. ‘Amrs omgeving ontried hem sterk daarheen te gaan, maar hij luisterde niet naar hen, al trok hij voor alle zekerheid wel een maliënhemd aan. Hij nam honderd man personeel mee, maar daarvan mocht er maar één mee naar binnen. Eenmaal daar aangekomen rook hij onraad toen hij de vele soldaten en verwanten van de kalief zag en hij stuurde die ene slaaf weg om hulp te gaan halen bij zijn broer. De slaaf begreep de opdracht echter niet goed en de hulp bleef uit.

‘Abd al-Malik begon met hem te intimideren en te pesten. Hij liet hem zijn zwaard afnemen en sloeg hem in de boeien, met zijn handen achter op zijn nek gebonden.

  • Daarop gaf ‘Abd al-Malik hem een ruk waardoor hij met zijn mond tegen de bank sloeg en zijn voortand brak.
    ‘Verdomme nog aan toe,’ zei ‘Amr, ‘ik hoop dat je hier genoeg aan hebt en niet nog iets ergers wilt!’
    ‘Als ik wist dat je mij zou sparen,’ antwoorde ‘Abd al-Malik, ‘zou ik jou sparen en je laten lopen. Maar er zijn nooit twee mannen ergens in een situatie als deze geweest zonder dat de ene de andere eruit gooide.’
    Toen ‘Amr merkte dat zijn tand was afgebroken en besefte wat ‘Abd al-Malik van plan was zei hij: ‘Ga je ons verdrag breken, Ibn al-Zarqā’?’
    ‘Abd al-Malik liet zich nu een lans te brengen. Hij zwaaide ermee en slingerde hem naar ‘Amr, maar het wapen drong niet in zijn lichaam. Hij deed het nog eens, weer zonder resultaat. Hij gaf een klap op ‘Amrs arm en voelde dat hij een maliënhemd droeg. Hij moest lachen en zei: ‘Een maliënhemd ook nog hè! Je bent wel goed voorbereid gekomen! Knaap, breng mij het korte zwaard.’ Hij kreeg het aangereikt en gaf zijn mannen opdracht ‘Amr tegen de grond te werken. ‘Abd al-Malik ging op zijn borst zitten en sneed hem de keel door, daarbij reciterend:
    –    ‘Amr, als je niet ophoudt te schelden en te schimpen
    –    sla ik je zo dat de uil zal schreeuwen: ‘Geef me te drinken!’ 3
    ‘Abd al-Malik schokte en trilde. Zo vergaat het, naar men zegt, een man als hij een familielid doodt. ‘Abd al-Malik werd van ‘Amrs borst gehaald en op de bank gelegd. Hij zei: ‘Nooit heb ik zoiets meegemaakt: hij is gedood door iemand die deze wereld bezit@ en het hiernamaals niet zocht.’
    ‘Amrs broer Yahyā en zijn mannen drongen het huis van binnen, waar de broers van ‘Abd al-Malik zich bevonden. Hen scholden ze uit, evenals de protégé’s die bij hen waren. De laatsten gingen het gevecht aan met Yahyā en zijn mannen.
    Toen verscheen ‘Abd al-Rahmān ibn Umm al-Hakam al-Thaqafī. Hem werd het hoofd van ‘Amr overhandigd, dat hij de mensen toewierp. ‘Abd al-Maliks broer ‘Abd al-Azīz stond op, deed geld in beurzen en begon ook die naar de mensen te gooien. Toen ze het geld ontdekten en het hoofd zagen grepen zij het geld en gingen uiteen.4

Abd al-Malik

De kalief ‘schokte en trilde’. Een heerser kon natuurlijk altijd een beul of lijfwacht opdracht geven discreet ergens een tegenstander om te brengen. Maar volgens dit verhaal wenste ‘Abd al-Malik de moord persoonlijk uit te voeren, in aanwezigheid van getuigen. Makkelijk viel hem dit dus niet en trots was hij er ook niet op. Misschien wilde ‘Abd al-Malik zijn omgeving laten weten wat voor iemand hij was, en dat hij meedogenloos kon aanpakken als dat nodig was. Misschien wilde hij dat vooral ook aan zich zelf laten zien, omdat hij zich nog in wreedheid moest oefenen. Zijn eerste veertig levensjaren waren relatief rustig geweest, maar als heerser moest hij hard en wreed kunnen zijn; dat begreep hij heel goed. Op zijn munten liet hij zich niet voor niets afbeelden met een zwaard en een zweep.

Als jongens zouden ‘Abd al-Malik en ‘Amr al meermalen hebben gevochten, daartoe aangemoedigd door ‘Abd al-Maliks grootmoeder Umm Marwān.

  • (Van ‘Awāna:) De vijandschap tussen ‘Abd al-Malik en ‘Amr was oud zeer. De moeder van ‘Amr en Muhammad ibn Sa‘īd was Umm al-Banīn. ‘Abd al-Malik en Mu‘āwiya waren de zonen van Marwān. Toen ze nog jongens waren gingen ze vaak naar Umm Marwān om bij haar wat te praten. Met ‘Abd al-Malik en Mu‘āwiya kwam er vaak een zwarte slaaf van hen mee. Als ze bij haar kwamen maakte Umm Marwān eten voor hen klaar en zette elk van hen een aparte schotel voor. Ze stookte voortdurend tussen Mu‘āwiya ibn Marwān en Muhammad ibn Sa‘īd, en tussen ‘Abd al-Malik en ‘Amr ibn Sa‘īd. Dan raakten ze in gevecht en gingen uit elkaar zonder verder nog een woord te wisselen. Umm Marwān zei altijd: ‘Als deze twee geen verstand hebben, dan die andere twee.’ Dat was haar gewoonte, telkens als ze bij haar kwamen, tot zij de haat in hun harten had geplant.5

Dat moeten vreemde etentjes geweest zijn bij oma. Wilde zij de rivaliteit tussen de beide takken van de clan Umayya aanwakkeren, in de hoop dat háár gebroed al vroeg de overhand zou krijgen en met de anderen zou afrekenen? Of heeft dit verhaal de latere rivaliteit in het verleden terug geprojecteerd? Dat is goed mogelijk, want het motief ‘oud zeer’ komt ook voor in andere teksten over deze affaire. ‘Amr had vier zonen, en toen hun vader was vermoord vroegen zij zich af hoe hun overlevingskansen lagen. Ze namen de vlucht naar voren om  hun positie bij de kalief veilig te stellen.

  • (Van ‘Awāna:) De zonen van ‘Amr verschenen voor ‘Abd al-Malik na het herstel van de rijkseenheid (djamā‘a). Zij waren met hun vieren: Umayya, Sa‘īd, Ismā‘īl en Muhammad. Toen ‘Abd al-Malik hen zag zei hij: ‘Jullie zijn mannen uit een nobele familie, die jezelf altijd beter hebben gevonden dan al je verwanten, al had God jullie dat niet vergund. Wat er gebeurd is tussen jullie vader en mij was niets nieuws; het was een oud zeer, dat in de pre-islamitische tijd (djāhiliya) diep geworteld was in de zielen van jullie voorouders en de onze.’
    Umayya, de oudste, kon geen woord uitbrengen; hij was de nobelste en de intelligentste. Dus Sa‘īd, de middelste, stond op en zei: ‘Vorst der Gelovigen, waarom verwijt U ons iets uit de pre-islamitische tijd, nu God de islam heeft gebracht en het oude omver gehaald heeft, en ons het paradijs beloofd heeft en heeft gewaarschuwd voor het hellevuur? Wat er tussen U en ‘Amr is gebeurd: ‘Amr was uw neef en U weet het best wat U deed. ‘Amr is voor God verschenen, en God volstaat om af te rekenen.6 Bij mijn leven, als U ons straft voor wat er gebeurd is, dan is het voor ons onder de aarde beter dan erop.’
    ‘Abd al-Malik was zeer geroerd en voelde een grote mildheid jegens hen. Hij zei: ‘Jullie vader stelde me voor de keus: hem te doden of door hem gedood te worden, dus ik verkoos hem te doden. Maar jullie — wat heb ik naar jullie verlangd, wat voel ik mij aan jullie verwant, en natuurlijk heb ik oog voor jullie rechten!’ Dus hij gaf hun een grote beloning, betoonde hun zijn gunst en hield hen dicht bij zich.7

Het begrip ‘pre-islamitische tijd’ (djāhiliya) verwijst in ‘Abd al-Maliks mond naar een zeer ver verleden8—hoewel de moord nog vers in het geheugen lag. Dat de vete oud en overgeërfd was moest blijkbaar als excuus dienen of tenminste tot begrip leiden. ‘Amrs zoon Sa‘īd pakt het handig op en wijst erop dat de islam al het oude zeer uit de djāhilīya inderdaad ongeldig heeft gemaakt.
Het gedrag van ‘Abd al-Malik jegens die vier zonen is typisch voor hem toen zijn macht gevestigd was: zo min mogelijk mensen van zich vervreemden, zeker niet in Syrië, zeker niet uit de clan Umayya. De mensen bij zich houden.

————————————————-

Om even te ontnuchteren: er bestaan ook korte overleveringen, die iets heel anders vertellen:

  • Er wordt ook verteld: Toen ‘Abd al-Malik ‘Amr die ruk gaf waardoor zijn tand eruit vloog, begon ‘Amr daarover te wrijven. ‘Abd al-Malik zei tegen hem: ‘Ik zie dat je je tand zo belangrijk vindt dat je me nooit meer welgezind zult zijn.’ En hij gaf bevel hem te onthoofden.9

En:

  • (Van ‘Awāna:) Er wordt ook gezegd: Toen ‘Abd al-Malik naar het gebed ging, gaf hij zijn slaaf Abū al-Zu‘ayzi‘a opdracht ‘Amr te doden. Dat deed deze, en hij gooide zijn hoofd naar de omstanders en naar zijn metgezellen.10

Dat waren alledaagsere manieren om af te rekenen met een politieke tegenstander. Maar zo krijg je natuurlijk nooit een spannend boek.

NOTEN
1. Het kalifaat.
2. al-Tabarī, Ta’rīkh ii, 784.
3. Die uil is ‘pre-islamitische’ folklore. Zolang een gedode man niet was gewroken vloog zijn ziel in de gedaante van een uil over zijn graf heen en weer en schreeuwde voortdurend: ‘Geef me [bloed] te drinken!’ (Toufic Fahd, La divination arabe, Leiden 1966, 513.)
4. al-Tabarī, Ta’rīkh ii, 788–91.
5. al-Tabarī, Ta’rīkh ii, 793–4.
6. Koran 4:6; 33:39.
7. al-Tabarī, Ta’rīkh ii, 795.
8. Of zou het woord hier gebruikt worden om de periode vóór de djamā‘a, ‘Abd al-Maliks eenmaking van het Arabisch-islamitische rijk aan te duiden? Voordat ik dat serieus kan beweren zou ik ten minste enkele andere bewijsplaatsen daarvan willen zien.
9. al-Tabarī, Ta’rīkh ii, 789.
10. al-Tabarī, Ta’rīkh ii, 791–2.

Diacritische tekens: Yaḥyā, ʿAbd al-Raḥmān ibn Umm al-Ḥakam, Muḥammad, al-Ṭabarī

ABD AL-MALIK IBN MARWAN: startpagina. De eerste kaliefen. Mu‘awiya’s opvolgers. De Umayyaden uit Medina verjaagd. Abd al-Malik geeft strategisch advies. As over Medina? Medina 642AD: gratis graan en geld. De Rotskoepel in Jeruzalem.

Terug naar Inhoud

Abd al-Malik: Mu‘awiya’s opvolgers

(Fragment. Ter verduidelijking kunt U eerst dit lezen)

Mu‘āwiya was een formidabele heerser, die als kalief regeerde van 661–680 vanuit zijn hoofdstad Damascus, maar eigenlijk al vanaf 642 in Syrië en Palestina. Officieel als stadhouder van zijn achterneef kalief ‘Uthmān, in de praktijk waarschijnlijk grotendeels zelfstandig. Hij was stevig ingebed in Syrië en ingetrouwd in de machtige stam Kalb. Voor het vuile werk in de onwillige rijksdelen Irak en Iran had hij twee schurken aangetrokken, die hem onvoorwaardelijk trouw waren en met succes belastingen gaarden. Hij verkeerde met groot gemak in kerken en kloosters; niet omdat het christendom hem interesseerde, maar omdat hij nu eenmaal het staatshoofd van overweldigend veel christenen was. Het aantal volgelingen van Mohammed in het nieuwe rijk was immers verdwijnend klein. Voor de rest had hij enkele trekken van een oude Arabische sjeik: hij had weinig kapsones en stond dicht bij het volk. Maar een begin van imperiale gevoelens in Perzische stijl had hij toch ook. Vooral wilde hij de erfopvolging invoeren, en hij regelde ruim voor zijn dood dat zijn zoon Yazīd de volgende kalief zou worden. Dat bleek een grote fout. Er was dadelijk veel tegenstand tegen: de eerste kaliefen waren immers gekozen geweest uit de vroegste elite van Mohammed, en nu zou de macht erfelijk in de handen van de oude elite daarvóór komen te liggen? Bovendien stelde de regering van zijn zoon Yazīd (680–3) niet veel voor. Als vader moet Mu‘āwiya toch hebben geweten dat zijn zoon als heerser niet zo geschikt was? Hij liet munten uitgeven naar Perzisch voorbeeld, waarop in het Perzisch stond: 1e jaar van Yazīd. Na drie jaar overleed hij, nog geen veertig jaar oud, terwijl de familie verder niet veel te bieden had. Zijn zoon Mu‘āwiya II was ongeveer 20 jaar oud, of misschien zelfs pas 17 toen hij hem opvolgde. Er was veel kritiek op ‘dat kind’, ‘die snotjongen’. Hij was ziekelijk en heeft slechts enkele maanden ‘geregeerd’ — wellicht strekte zijn gezag zich nauwelijks buiten het paleis in Damascus uit. De enige van hem bekende ambtshandeling was een flinke belastingverlaging—een teken van zwakte. Waarschijnlijk keek men al tijdens Mu‘āwiya II uit naar een krachtiger opvolger. Kinderen had hij niet, en de telgen uit andere takken van het geslacht Umayya waren ook jong en onervaren. Dat was er dus terechtgekomen van de door Mu‘āwiya ingestelde erfopvolging.
.
Marwān, die zich na uit Medina te zijn weggejaagd toevallig met zijn zoon ‘Abd al-Malik in het nabije al-Djābiya op de Golanhoogte bevond, leek nu de ideale kalief: een oudere, ervaren man uit een zijtak van de familie, onbesmet door allerlei locaal gekrakeel. Daarover apart.
.
(Patricia Crone: de ontreddering tijdens de regering van Yazīd lag eigenlijk niet aan hem, maar aan de snel veranderende omstandigheden in het rijk.) En Mu‘āwiya’s erfenis was nogal rommelig: alles was een beetje geïmproviseerd en was via hem persoonlijk gelopen. Door de enorme inkomsten uit oorlogsbuit en onteigeningen waren eventuele onlusten altijd afgekocht. Agressie werd uitgeleefd op de nog te veroveren gebieden, zoals het Oostromeinse Rijk of Centraal Azië; niet op de kalief, die door iedereen gerespecteerd werd.
.
Zodra Mu‘āwiya was gestorven was brak dus de pleuris uit. Verschillende groeperingen, stammen en individuen vochten Yazīds opvolging aan.
De grootste haarden van verzet tegen Yazīd waren:
1. De shi‘ieten. Deze waren niet tegen erfopvolging als zodanig, maar die moest dan wel binnen de familie van de profeet plaatsvinden. De in 661 vermoorde ‘Alī had twee zonen: Hasan, die graag afstand deed van het kalifaat, en Husayn, die kalief had moeten worden, maar na een onhandig militair optreden in 680 door troepen van Yazīd bij Karbalā’ werd gedood. Dat heeft de shi‘ieten pas goed op de kaart gezet: ze zouden nooit meer verdwijnen. Toch waren zij voor Yazīd niet zo’n enorme bedreiging, omdat ze militair en politiek weinig voorstelden. Hun koninkrijk was om zo te zeggen niet van deze wereld.
.
2. Anders was dat met de al vroeg uit de Shi‘a voortgekomen Kharidjieten, die een kalifaat op grond van verdiensten wensten, met de mogelijkheid om tegenvallende kaliefen af te zetten. De Kharidjieten werden door Mu‘āwiya I en Yazīd met grote hardheid bestreden, maar onder Mu‘āwiya II werden de teugels gevierd en staken ze de kop weer op. Zij bevonden zich vrijwel allen in Irak en Arabië, dus eerst kregen vooral ‘Abdallāh ibn al-Zubayr en zijn broer Mus‘ab ermee te maken.
.
3. Een andere sterke tegenstander was namelijk ‘Abdallāh ibn al-Zubayr. Over hem zal ik het uitvoerig moeten hebben, want met hem kreeg ‘Abd al-Malik te maken. ‘Abdallāh stamde af van de vroegste ‘islamitische’ elite. Volgens het eerste principe van de beweging: keuze van een opvolger uit Mohammeds elite door een beperkt kiescomité, was hij zeker een goede kandidaat geweest. Uit hun gezichtspunt waren de Umayyaden slechts usurpatoren. ‘Abdallāh wilde Yazīd niet erkennen en nam de wijk naar Mekka, waar hij van 680–692 als kalief optrad. Zijn aanhang was enorm: hij en zijn broer Mus‘ab hadden jaren lang het overgrote deel van het rijk onder controle. Er waren tijden dat de Umayyadenkalief alleen nog Syrië had, net als toen de oude Mu‘āwiya daar nog gouverneur was. Yazīd had nog wel een leger gestuurd om ‘Abdallāh te bestrijden, maar toen hij gestorven was en zeker na de dood van Mu‘āwiya II gebeurde er lange tijd helemaal niets meer.
.
(Over Mu‘āwiya en zijn directe opvolgers is veel materiaal; daarmee kan dit hst. vlees en bloed krijgen. Moet echter niet te veel worden, want is neventhema.)

Diacritische tekens: Ḥasan, Ḥusayn, Muṣ‘ab

ABD AL-MALIK IBN MARWAN: startpagina. De eerste kaliefen. De Umayyaden uit Medina verjaagd. Abd al-Malik geeft strategisch advies. Abd al-Malik oefent zich in wreedheid en moord. As over Medina? Medina 642 AD: gratis graan en geld. De Rotskoepel in Jeruzalem.

Terug naar Inhoud

Abd al-Malik: de eerste kaliefen

(Fragment. Over het grotere geheel kunt U eerst dit lezen)

In een verhaal over kalief ‘Abd al-Malik mag een algemene tekst over het kalifaat en het ontstaan daarvan niet ontbreken. Heel kort nu:

Een kalief is idealiter het hoofd van een islamitische staat. Khalīfa betekent ‘plaatsvervanger’ of ‘opvolger’. Plaatsvervanger van God of opvolger van Mohammed? Zie over deze kwestie en het kalifaat überhaupt: Kalief, kalifaat: een kort overzicht.

Het nog altijd actuele conflict tussen Soennieten en Sjiieten gaat terug op een verschil van inzicht over de opvolging van Mohammed. Maar in de eerste eeuw was de strijd om het kalifaat veel ingewikkelder.

In geschiedenisboekjes en inleidingen in de islam worden de eerste kaliefen meestal in een eenvoudig schema weergegeven. Je had eerst vier gekozen, zog. ‘rechtgeleide kaliefen’ — althans zo worden ze door de soennieten genoemd — met als hoofdstad Medina:

Abū Bakr al-siddīq     632–634
‘Umar ibn al-Khattāb  634–644
‘Uthmān ibn ‘Affān     644–656
‘Alī ibn abī Tālib        656–661

Daarna kwam de dynastie der Umayyaden (661–750), die Damascus als hoofdstad hadden. Met hen begon de erfopvolging binnen het geslacht Umayya. Eerst kwam de Suyfāni tak van deze clan aan de beurt, de nakomelingen van Abū Sufyān ibn Ḥarb:

Mu‘āwiya I 661–680
Yazīd I 680–683
Mu‘āwiya II ibn Yazīd 683

Na allerlei woelingen en een heel slappe tijd ging het niet verder met die Sufyaniden en werd er verder geregeerd door Marwān ibn al-Ḥakam en diens afstammelingen, de zog. Marwaniden:

Marwān I   684–685
‘Abd al-Malik ibn Marwān   685–705

en zo gaat het lijstje door tot het einde van de dynastie in 750.

Die lijstjes lijken wel wat op de keurige overzichten van Europese vorstenhuizen, naar analogie waarvan ze misschien zelfs zijn opgesteld. Maar de politieke werkelijkheid in de eerste eeuw van het Arabische Rijk was veel ingewikkelder.

De eerste vier kaliefen werden gekozen uit de eerste aanhangers van Mohammeds beweging; uit de vroegste islamitische elite zou je kunnen zeggen, ware het niet dat de benaming islam voor die eerste tijd nogal misplaatst is.

‘Uthmān, de derde kalief, behoorde tot die elite, maar was tegelijkertijd door geboorte lid van de clan Umayya. Je zou hem dus voor hetzelfde geld de eerste Umayyade kunnen noemen.

‘Alī moest van meet af aan zijn kalifaat verdedigen tegen een andere pretendent, de sterke en slimme Umayyade Mu‘āwiya. ‘Alī heeft die strijd verloren. Na vier jaar werd hij vermoord door iemand uit een heel andere hoek, maar als dat niet het geval was geweest is het nog maar de vraag of hij als kalief de geschiedenis in was gegaan.

Mu‘āwiya was na ‘Alī’s dood onaangevochten kalief, maar hoe zat het met de tijd daarvoor? Hij regeerde al vanaf 642 in Damascus namens de kalief, nog niet zelf als kalief; maar had hij werkelijk te luisteren naar bevelen van zijn oudoom ‘Uthmān, de nogal passieve kalief in Medina? Bovendien was het tijdens diens kalifaat bijna één pot nat: de zaak bleef in de familie.

‘Abd al-Malik was volgens de lijstjes kalief van 685 tot zijn dood in 705. Maar tot 692 heeft hij daarvoor moeten vechten. Hij heeft zijn kalifaat eerst moeten vestigen.

Een groot bezwaar van het schematische kaliefenlijstje is dat ‘Abdallāh ibn al-Zubayr (reg. 680 (683)–692) er niet in voorkomt. De traditionele geschiedschrijving doet hem af als ‘tegenkalief’. Maar hij was een pretendent met minstens even goede kaarten als de anderen en hij heerste de facto over het overgrote deel van het rijk. Omdat hij na twaalf jaar werd verslagen en zijn lijn niet werd voortgezet is hij niet in de lijstjes terechtgekomen.

Deze bladen gaan over ‘Abd al-Malik, en de genoemde ‘Abdallāh speelt een belangrijke rol. Voor de duidelijkheid moet ik echter de troebelen na de dood van Mu‘āwiya ook bespreken. Dat wordt de hierop volgende tekst.

ABD AL-MALIK IBN MARWAN: startpagina. Mu‘awiya’s opvolgers. De Umayyaden uit Medina verjaagd. Abd al-Malik geeft strategisch advies. Abd al-Malik oefent zich in wreedheid en moord. As over Medina? Medina 642AD: gratis graan en geld. De Rotskoepel in Jeruzalem.

Terug naar Inhoud