De Mutalammisbrief: een Arabische Uriabrief

Al-Mutalammis was een Arabische dichter, die aan het hof van de christelijke koning ‘Amr ibn Hind (reg. 554–69) in het Iraakse al-Hīra verkeerde. Ook zijn neef Tarafa ibn ‘Abd was daar. Dat was een veel belangrijkere dichter, die echt beroemd is geworden, terwijl Mutalammis maar een klein œuvre had, dat ook nog voor een groot deel handelde over zijn traumatische ervaring met koning ‘Amr en de zog. Mutalammisbrief (sahīfat al-Mutalammis).

Hofdichters hadden indertijd de taak de koning en diens stam te bezingen in lofdichten en diens vijanden of andere minderwaardige personen of stammen uit te schelden in scheld- of smaadgedichten. Soms liep dat echter even anders: wanneer een dichter bij voorbeeld slecht gehumeurd was, een kater had, zichzelf overschatte, in ongenade viel, of als de vorst erg treuzelde met het uitkeren van eregelden werd er ook wel eens een smaaddicht op de goedgunstige heer zelf gedicht. De dichters maakten royaal gebruik van hun vrijheid van meningsuiting en scholden dat het een aard had.
Zo dichtte Mutalammis bij voorbeeld (het lidwoord al- bij zijn naam laat ik verder maar weg):

Een koning die vrijt met zijn eigen moeder en haar personeel. [Van het vele neuken] is hij slap in zijn gewrichten en zijn pik is [dun geworden] als een kohlstift.

Aan de deur nodigt hij iedere smekeling binnen, maar als hij dan met hem alleen is gaat de man als een beest tekeer.1

Qua grofheid doet dit niet onder voor wat in de Nederlandse sociale media aan gescheld circuleert. Maar bij deze oude dichters rijmde het en was het metrum in orde.

De koning was not amused en besloot zich van de beide dichters te ontdoen door hen ver weg te sturen. Wellicht waren ze in al-Hīra te populair om hen ter plaatse te elimineren? Ze werden naar de gouverneur van Bahrayn gestuurd, voor wie ze elk een kennelijk verzegelde brief meekregen, op vertoon waarvan hun allerlei geschenken zouden worden gegeven.

Hij[, Mutalammis,] verkeerde in het gezelschap van ‘Amr ibn Hind, de koning van al-Hīra, hij en Tarafa ibn al-‘Abd, en beiden dichtten ze scheldgedichten op hem. De koning schreef met betrekking tot hen twee brieven aan zijn stadhouder in Bahrayn. Hij liet hun doorschemeren dat hij daarin bevel had gegeven, hun beloningen te geven, maar in werkelijkheid beval hij hen ter dood te brengen.
Ze gingen op weg, en toen ze in Nadjaf gekomen waren kwamen ze langs de weg een oude man tegen, die tegelijkertijd urineerde, een stuk brood at, en de luizen uit zijn kleren haalde en platsloeg.
Mutalammis zei: ‘Zo’n domme ouwe vent heb ik nog nooit gezien.’ ‘Hoezo?’ vroeg de oude, ‘ik verwijder wat lelijks, ik breng iets goeds naar binnen en ik dood een vijand. Veel dommer is iemand die zijn eigen doodvonnis meedraagt.’
Al-Mutalammis bekroop nu de twijfel, om wat hij had gezegd. Er kwam een jongeman uit al-Hīra langs en aan hem voeg Mutalammis: ‘Kun jij lezen, jongen?’ ‘Ja,’ antwoordde hij, waarop hij het zegel verbrak en de brief aan de jongen overhandigde. Er stond in: ‘Als Mutalammis bij je komt, hak hem dan zijn handen en zijn voeten af en begraaf hem levend.’ Toen zei hij tegen Tarafa: ‘Geef hem ook jouw brief te lezen; bij God, daar staat vast hetzelfde in.’ Maar Tarafa zei: ‘Nee, mij durft hij zoiets niet aan te doen.’
Al-Mutalammis gooide zijn brief in de rivier, met de woorden: ‘Daarmee gooi ik ook mijn huis weg,’ en hij vertrok naar Syrië. Maar Tarafa trok verder naar Bahrayn [en werd ter dood gebracht].
Zo werd de ‘Mutalammisbrief’ spreekwoordelijk.2

Bij ons heet zo’n brief die de overbrenger ervan onheil brengt een Uriabrief, naar het bijbelse verhaal over koning David en Bathseba (2 Samuel 11: 14–17). David zag vanaf het paleisdak hoe zijn buurvrouw Bathseba een bad nam en voelde zich zeer tot haar aangetrokken. Haar man Uria diende als soldaat in zijn leger. Hij was een Hethiet: een buitenlander dus, maar een goed geïntegreerde (2 Sam. 11:11). Van het een kwam het ander: Bathseba raakte zwanger van de koning; haar man rook lont en wilde niet meer naar haar terug. Nu gevoelde de koning de behoefte Uria uit de weg te ruimen, zodat hij met haar kon trouwen. Hij stuurde hem naar zijn opperbevelhebber met een brief, waarin deze bevel kreeg Uria bij een veldslag zodanig aan het front op te stellen dat hij zou sneuvelen. Zo gebeurde het, en zo had David de weg vrijgemaakt voor zijn huwelijk met de weduwe—uiteraard na een passende periode van rouw.

Als U nog een klassieke opleiding hebt genoten spreekt U misschien eerder van een Bellerophontische brief. Bellerophon werd namelijk door Proteus naar koning Iobates van Lycië gestuurd met een verzegelde opdracht om hem te doden. Maar de koning had er geen zin in en stuurde hem uit om het vuurspuwende monster Chimaera te doden, in de hoop dat dat zijn ondergang zou worden. Hier miste de brief zijn volle uitwerking, want Bellerophon slaagde er natuurlijk wel degelijk in, dat monster te vernietigen..

En anders herinnert U zich misschien wat de beide detectives Jansen en Jansens overkwam in de Chinese stad Hou Kou. Zij hadden een introductiebrief voor de plaatselijke politiecommissaris, die zij echter kwijt raakten en die door Kuifjes vriend Tchang was vervangen door een brief waarin in het Chinees te lezen stond: ‘Indien u niet bemerkt hebt dat wij twee gekken zijn, dan is dit daarvan het officieel bewijs.’ De commissaris moest erg lachen en liet ze de deur uit gooien.3

Vreemd is dat Mutalammis en Tarafa in het verhaal blijkbaar niet konden lezen, terwijl ze dat van een willekeurige jongen op straat wel meenden te kunnen verwachten. Of zouden de vertellers ervan uit zijn gegaan dat de brieven in het Pahlavi of Aramees waren geschreven? Maar al-Hīra was toch juist een Arabisch koninkrijk? Hoe dan ook: een Uriabrief moet goed verzegeld zijn of in een vreemde taal zijn gesteld, of beide.

Zonder twijfel wemelt het in de wereldliteratuur van de Mutalammis-, Uria-, of Bellerophonbrieven. De benaming Uriabrief is vooralsnog het meest passend, want het verhaal over Uria lijkt het oudst. De oudste versie van het Hebreeuwse boek Samuel dateert immers van de vijfde of zesde eeuw voor Christus. Of zou er nog een Egyptische of Babylonische voorloper zijn?

EXCURS: NOG NIET HELEMAAL AF
Geen Uriabrief, maar wel wat Uria ziet David Powers4 in de verhalen over Zaid, de geadopteerde en later, na de opheffing van het adoptieprincipe, weer ‘ontzoonde’ zoon van de profeet Mohammed, die echter toch een zeer hoge positie in de vroege elite bleef innemen. De parallel loopt als volgt:
Uria was een soldaat uit het buitenland, Zaid was oorspronkelijk een slavenjongen uit Noord-Arabië geweest. David begeert de vrouw van zijn soldaat; Mohammed begeert de ex-vrouw van zijn (ex-)zoon. David schrijft de Uriabrief die diens sneuvelen aan het front tot gevolg heeft; Mohammed zet zijn legeraanvoerder Zayd in de eerste linie bij een veldslag die wel verloren móest worden zodat ook hij omkomt.
Maar de overeenkomst is toch niet heel groot. Er is geen brief, en Zayd was ‘al klaar’ met die vrouw toen Mohammed zin in haar kreeg; dat staat duidelijk in koran 33:37.
Wat er aan Uria-achtigs overblijft is de welhaast geplande of tenminste voorziene dood van Zayd als eerste legeraanvoerder in de slag bij Mu’ta, bij de Dode Zee. Die slag is buitengewoon onhistorisch (Een langere tekst over die slag hier). Drieduizend moslims zouden daar tegenover een overmacht van honderdduizend Romeinen gestaan hebben, die werden aangevoerd door niemand minder dan keizer Heraclius persoonlijk. Geen wonder dus dat die slag door de Arabieren werd verloren. Er stierven aan Arabische kant slechts acht of negen man, waaronder drie legeraanvoerders, wat merkwaardig is. De dood van die drie aanvoerders (Zayd, Dja‘far ibn abī Tālib en ‘Abdallāh ibn Rawāḥa) was door Mohammed bijna ‘gesuggereerd’:

In de maand djumādā al-ūlā van het jaar 8 [629] stuurde de Profeet een leger naar Mu’ta, onder commando van Zayd ibn Hāritha. Als Zayd zou sneuvelen zou het bevel aan Dja‘far ibn abī Tālib; als ook deze zou vallen, zou ‘Abdallāh ibn Rawāha het commando overnemen.5

Later, of volgens een bron juist terwijl de slag woedde, zag Mohammed het voor zijn geestesoog precies zo als hij had voorzegd. @CITAAT VOLGT@6 Toen ze alle drie gesneuveld waren nam de later zo beroemde Khālid ibn al-Walīd het bevel over.


Het is natuurlijk niet zo dat Mohammed zelf die bevelhebbers in recordtijd de dood in heeft gejaagd; dat deden verhalenvertellers heel veel later. Toen de vroege islamitische geschiedenis werd opgezet, zo vanaf 700, waren bepaalde personen blijkbaar ongewenst en moesten op de een of andere manier uit het verhaal weggeschreven worden; ongeveer zoals in de Sovjet-Unie bepaalde personen van officiële foto’s werden weggeretoucheerd. Die zogenaamde slag bij Mu’ta kon dienen om ze op te ruimen. Zayd moest dood nog voordat Mohammed stierf; niet vanwege een vrouwengeschiedenis, maar omdat hij als (ex-)zoon bij de opvolging van de profeet dwars had kunnen liggen. Dat heeft dus weinig met Uria te maken. Maar Powers voert altijd alle bijbelse parallellen en associaties in de sira-verhalen aan, en dat is wel een goede zaak, want er staat veel bijbels in de sira.

NOTEN
1. K. Vollers, Die Gedichte des Mutalammis, Arabisch und Deutsch, Leipzig 1903, 38/13, 14; kāmil –di). Poëzie poëtisch vertalen kan ik niet, maar U krijgt zo toch een indruk.

مَلِكٌ يُلاَعِبُ أُمَّهُ وَقَطِينَهَا * رِخْوُ المَفَاصِلِ أَيْرُهُ كَالمِرْوَدِ
بالبابِ يَطْلُبُ كُلَّ طَالِبِ حَاجَةِ  *  فَإذَا خَلَا فَالمَرْءُ غَيْرُ مُسَدَّدِ

2. Ibn Qutayba, al-Shi‘r wal-shu‘arā’, uitg. Aḥmad Muḥammad Shākir, 2 dln. Cairo 1966, i, 181–2.

وكان ينادم عمرو بن هند ملك الحيرة، هو وطرفة بن عبد فهجواه، فكتب لهما إلى عامله بالبحرين كتابين، أوهمهما أنه أمر لهما فيهما بالجوائز، وكتب اليه يأمره بقتلهما. فخرجا حتى إذا كانا بالنجف، إذا هما بشيخ على يسار الطريق، يُحدِث ويأكل من خبر في يده، ويتناول القمل من ثيابه فيقصعه. فقال المتلمس: ما رأيت كاليوم شيخًا أحمق. فقال الشيخ: وما رأيتَ من حمقي؟ أُخرج خبيثاً وأْدخل طيباً وأقتل عدواً، أحمق مني والله من حامل حتفه بيده. فاستراب المتلمس يقوله، وطلع عليه غلام من أهل الحيرة، فقال له المتلمس: أتقرأ يا غلام؟ قال: نعم. ففكّ صحيفته ودفعها إليه، فإذا فيها: أما بعد، فإذا أتاك المتلمس فاقطعْ يديه ورجليه وادْفنه جيَّا. فقال لطرفة: ادفع إليه صحيفتك يقرأها، ففيها والله ما في صحيفتي. فقال طرفة“ كَلاّ، لم يكن ليجترئ عليَّ. فقذف المتلمس يصحيفته في نهر الحيرة وقال: قدفت به البيت، وأخذ نحو الشأم. وأخذ طرفة نخو البحرين.
فضُرب المثل بصحيفة المتلمس.

3. Hergé, De avonturen van Kuifje. De Blauwe Lotus, uitg. Casterman, 1947, blz. 46–47.
4. David S. Powers, Zayd, Philadelphia 2014, zie Subject Index onder Uriah the Hittite.
5. Ibn Ishāq (704–767): Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 791; vertaling: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 202.
6.

Diacritische tekens: al-Ḥīra, Ṭarafa ibn ʿAbd, ṣaḥīfat al-Mutalammis, Baḥrayn, Djaʿfar ibn abī Ṭālib, ʿAbdallāh ibn Rawāḥa, Ibn Isḥāq

Terug naar Inhoud

Umar ibn abi Rabi‘a, gedicht 2

Een bijdrage van Pieter Elbers, Harlingen:

‘Umar b. Abī Rabī‘a (644-712) , Gedicht: ‘Wie zal de spot met mij drijven als ik huil van verliefdheid?’
Over zijn verovering van een jong meisje dat met haar familie op pelgrimstocht is naar Mekka voor de religieuze bedevaart.

Vooraf: De familiekaravaan met kamelen en knechten met het mooie meisje zijn ter bedevaart op weg naar de religieuze feesten in Mekka. De dichter ‘Umar, afkomstig uit Mekka, is op zoek naar weer een verovering van een meisje dat hij bij een karavaan op het oog heeft. Op een dag vertrekt die kleine karavaan met dat meisje voor dag en dauw. Het voorgevoel van de veroveraar ‘Umar (in het gedicht gepersonifieerd door de Raaf) waarschuwt hem. Hij wil het eigenlijk niet, maar er is niets meer aan te doen. Zijn gevoelens zijn onbeheersbaar en stuiven alle kanten op (de Zee van Samhadj). Vertaling:

Vertaling van Pieter Elbers:

De Raaf kraste over het vertrek van dat vrouwtje met die armband,
“Hou toch op, Raaf, met onrust stoken over haar vertrek!”
De Raaf kraste, klapperend met de volle wijdte van zijn vleugels
En de winden stoven ermee ‘de Zee van Samhadj’  op.

Ik bleef ze volgen door naar geluiden van de kamelen te luisteren,
Tot ik stootte op een mooi vrouwtje in kamelenzit
Ze taxeerde met koolzwarte ogen van een witte gazelle, mij en mijn bedoeling,
En wees me, lonkend op lange benen, gedecideerd af.

Maar mooi dat ze was, met parels op haar lijfje, versiering op haar ceintuur, met een
fonkelend snoer, en kleurige ringen hoog om haar arm gebonden
Zo bleef ik verliefd én totaal van slag,
Met het oplaaiende hete vuur in mijn lijf.

Wie zal de spot met mij drijven als ik huil van verliefdheid
of jammer als een verliefde met een verloren hart?
Ze roepen: ‘Accepteer nooit en te nimmer de afwijzing van haar liefde!
Verliefdheid kan je niet afbreken of terugnemen.’

Hoe kan ik de afwijzing van een meisje accepteren?
met haar opsmuk van kleurig witgoud.
Zij is natter in de mond dan een vochtige dadel,
schijnt mooier dan de halvemaan bij het ochtendgloren.

Toen mijn liefde oversloeg in nog sterkere passie
verlangde ik obsessief naar die zwarte ogen van die witte gazelle,
Dus ging ik op pad in het diep donkere holst van de nacht,
Een kromme sabel in aanslag in mijn riem

Zo stond ik op de uitkijk, haar tent in het vizier,
tot ik me ongezien naar binnen wurmde
en stootte op het meisje, en zij …,
Zij slaakte kreetjes in haar slaap, een slaap vol jubel.

Kijk eens, haar vader, slapend, met zijn knechten om haar heen als clowneske kamelen.
Ik plaatste mijn hand om haar taille,
maar zij ademde rustig door, hield zich slapend.

Ik legde me bij haar neer, kuste haar, maar ze schrok
van me, riep: ‘Wie?’ maar ik gaf geen kik.
Ze riep: ‘Bij het leven van mijn vader!’ en ‘Bij de eer van mijn broeders!
Ik roep de stam te hoop als je niet weggaat.’

Dus ging ik weg, uit angst voor haar eed.
Maar ze glimlachte, zo wist ik dat ze haar eed niet gestand zou doen.
Zij nam mijn hoofd om ‘t op de tast te verkennen,
met hennageverfde handen, zo ontspannen….

Ik kuste haar toen op de mond, terwijl ik haar lokken beetpakte:
de dronk van koel water uit de rotsholte van iemand die uitgedroogd is.

Bron: Sharḥ dīwān Umar ibn ‘Abdallāh ibn Abī Rabī‘a, uitg. en commt. ‘Abdallāh ‘Alī Mahna, Beiroet 1992, p. 83. Gedicht: man dhā yalumnī in bakaytu ṣabābatan.

Terug naar Inhoud

Vrouwenpower: vechtende vrouwen in oude Arabische vertellingen

uitHamzaverhaalDat vrouwen slimmer zijn dan mannen kan iedereen weten die wel eens langs de winkel van die koopman uit Baghdad uit Duizend-en-één nacht is gelopen,1 die met gouden letters boven zijn winkel had geschreven: „Er is geen list dan die van vrouwen;  hun list is het grootst.“ Eerst stond er juist het omgekeerde: ‘Er is geen list dan die van mannen; die gaat de list van vrouwen te boven.’ Maar een meisje van plezier dat het las, werd woedend toen ze het zag en wilde de man een lesje leren. Ze verleidde hem en beweerde dat ze de dochter van de rechter was. Onmiddellijk ging de koopman bij de rechter om de hand van zijn dochter vragen. De bruiloft werd snel geregeld, maar toen de bruid haar sluier afdeed zag hij een heel andere, lelijke en mismaakte vrouw voor zich. De volgende dag kwam die mooie vrouw weer langs en dwong hem, het opschrift boven zijn winkel te veranderen. En daar bleef het niet bij: de vrouw kreeg zelfs de rechter, die wel opgelucht geweest moet zijn dat hij zijn lelijke dochter kwijt geraakt was, zover dat hij het huwelijk ontbond en trouwde de koopman zelf. Zo kwam zij onder de pannen.

Over een jonge vrouw die ontwikkelder is dan mannen en zich niet ontziet mannelijke geleerden op hun eigen vakgebied te verslaan, kunt U eveneens in Duizend-en-één nacht lezen: in het verhaal over de in alle opzichten knappe slavin Tawaddoed.2 In aanwezigheid van kalief Haroen al-Rasjied weet dit veertienjarige meisje de moeilijkste vragen van geleerden over islamitische wetenschappen maar ook medicijnen, astronomie en filosofie te beantwoorden, en ook in poëzie, triktrak en schaken is zij kampioen. Na iedere test mag zij zelf iedere geleerde een vraag stellen, en ze stelt als eis dat deze zijn gewaad, soms ook zijn tulband moet uittrekken als hij het antwoord niet weet. Eén vraagt er zelfs of hij tenminste zijn onderbroek mag aanhouden.
Ondanks deze grappige strippoker is deze vertelling niet makkelijk te lezen, maar zij biedt ook een interessant encyclopedietje van de algemene ontwikkeling van die tijd.

  • Tawaddoed heeft zelfs heel bijzondere anatomische kennis. Zij weet namelijk dat de onderkaak van de mens uit één stuk bestaat en niet uit twee, zoals de Griekse arts Galenus (±129–200) en alle geneeskundigen van het Nabije Oosten altijd hadden beweerd. Misschien had ze zelf een skelet gezien, of ze had het Kitāb al-ifāda wal-i‘tibār van ‘Abd al-Latīf al-Baghdādī gelezen, die als enige Arabische geleerde hetzelfde beweerde. Deze zou namelijk omstreeks 1200 tijdens een hongersnood in Egypte veel skeletten onder ogen hebben gekregen. Na hem zou het nog eeuwen duren tot Vesalius3 de juiste kennis over de onderkaak in Europa verbreidde.

DhatAlHimmaEnglBookcoverMinder bekend is misschien dat Arabische vrouwen bij het vechten, dat als specialisme van mannen geldt, even goed hun mannetje stonden als dezen, zo niet nog beter. Daarover wordt maar weinig in Duizend-en-één nacht verteld, maar des te meer in  andere eeuwenoude verhaalcycli, zoals Dhāt al-Himma en Sīrat ‘Antara, die in druk vele honderden of zelfs duizenden bladzijden beslaan. De verhalen werden mondeling door vertellers in café’s doorgegeven, maar ook als schriftjes door boekhandelaren verhuurd. Hoe fictief ze ook zijn, voor de toehoorders vormden zij islamitische geschiedenis, en die hoorden zij liever dan de vertellingen uit Duizend-en-één nacht, die immers alleen maar onderhoudend zijn.
Tegenwoordig zijn deze verhalen nogal in vergetelheid geraakt: de verteltraditie is op sterven na dood en daar komt nog bij dat ze ‘volksepossen’ (sīra sha‘bīya) zijn, terwijl literatuurwetenschappers in oost en west meestal alleen in de ‘hoge’ literatuur geïnteresseerd zijn. Dat zou nu kunnen veranderen, want Remke → Kruk heeft deze dikke pillen aan de vergetelheid ontrukt en er meteen een spannende studie over geschreven: The Warrior Women of Islam.

Eén werk waarin een strijdster de hoofdrol speelt moge als voorbeeld dienen: Dhāt al-Himma,4 een verhaalcyclus van meer dan zesduizend dichtbedrukte bladzijden. De handeling hier samen te vatten is onmogelijk: → Lyons had alleen al daarvoor honderdzestig bladzijden nodig! Hoofdmotieven zijn enerzijds de rivaliteit tussen twee Arabische stammen, anderzijds de permanente staat van oorlog tussen moslims en het Oostromeinse Rijk.
Dhāt al-Himma heeft de meeste eigenschappen van een klassieke mannelijke held en nog een paar andere: vroomheid, trouw aan de kalief, zorgzaamheid voor haar kind. Klassiek is dat zij als baby voor haar eigen veiligheid bij een voedster wordt verstopt. Ze leert al heel vroeg haar eigen wapens te maken en te paard te vechten. Samen met haar voedster wordt zij door een andere stam tot slaaf gemaakt, waarna zij lang een ondergeschikt leven leidt. Haar talent voor vechten valt echter al spoedig op. Als na een tweegevecht met haar vader haar identiteit duidelijk wordt en zij als prinses wordt erkend wil haar vader haar uithuwelijken. Maar zij wil geen man, en al helemaal niet haar neef, die haar vader voor haar had uitgezocht. Als de kalief het paar persoonlijk in de echt verbindt, schikt zij zich, maar stelt de voltrekking van het huwelijk steeds uit. Haar man laat haar dan verdoven, verkracht haar en maakt haar zwanger — terwijl zij ongesteld is, wat tot gevolg heeft dat haar zoon zwart wordt. Na verloop van tijd doodt zij zowel haar man als haar vader: op mannen is immers geen staat te maken, behalve op haar zoon, die zij vroom opvoedt en eigenhandig tot krijger opleidt. Later in de vertelcyclus vormt zij met hem een geducht krijgerpaar.
Deze prinses wint niet alleen ieder tweegevecht, zij is ook een fantastische legerleidster en stratege. Ontelbare veldslagen levert zij met Romeinse en andere vorsten of prinsessen; meestal met succes, maar niet zonder af en toe zelf in moeilijkheden te raken of zelfs gevangen genomen te worden — anders waren de verhalen saai geworden.
Eenmaal wordt zij door een tegenstander uit het zadel geworpen en na een worstelstrijd door hem over de schouders getild. Maar zij geeft niet op:

  • … en ziedaar, prinses Dhāt al-Himma had Hadlāmūs’ hoofd in een houdgreep gekregen en perste het uit met alle kracht, tot het bloed uit zijn oren spoot. Daarop gaf ze er zo’n geweldige klap op dat de tanden uit zijn mond vlogen en hij bewusteloos neerging. Ze stortte zich op hem; hij had geen flauw vermoeden waar hij was. Ze legde haar handen onder zijn oksels en tilde hem over haar schouders. Zo werd hij teruggedragen, waar hij toch eerst haar gedragen had.5

Dhāt al-Himma was maar één voorbeeld; in de verhalen treden honderden strijdsters op; overigens ook bij de Oostromeinse tegenstanders. Soms vechten zij met typisch vrouwelijke middelen. Een strijdster toont bij voorbeeld in de hitte van het gevecht ineens haar borsten of nog meer, waarop haar mannelijke tegenstander zo in verwarring raakt dat zij hem makkelijk kan verslaan. Maar meestal vechten de vrouwen net zo keihard als mannen, en zijn ook als mannen gekleed.
In mannen zijn ze vaak niet erg geïnteresseerd, of alleen als verwekkers van hun kinderen. De vrouwen vechten ook met elkaar en respecteren en bewonderen elkaar wederzijds. Om huismoedertjes en vrouwen die graag mannen behagen geven ze niet. Dhāt al Himmah sleept de mooiste en dapperste vrouwen van het slagveld mee naar huis, als echtgenotes voor de mannen in haar entourage, met wie zij dan gelukkige paren kunnen vormen.

Bestonden die Arabische strijdsters alleen in verhalen of ook in werkelijkheid? In Europa kwamen er in vroeger eeuwen wel wat vrouwelijke soldaten en matrozen voor, die hun vrouwelijkheid verborgen (uitzondering: Jeanne d’Arc). In Japan waren er veel vrouwelijke samoerai’s, die zich niet hoefden te verstoppen, maar zelfs beroemd waren: de Onna-Bugeisha. Daar waren de wapens lichter en de vechttechnieken minder specifiek mannelijk, zodat ze ook met minder spierkracht konden worden beoefend. Arabische strijdsters zijn goed voorstelbaar, maar of ze echt bestonden is domweg niet bekend. Men zou misschien eens de botten op beroemde slagvelden kunnen opgraven en analyseren (marketentsters en hoeren natuurlijk eerst uitsluiten).

Blijft over de vraag waarom vechtende vrouwen zo’n geliefd onderwerp waren bij het mannelijke publiek dat naar deze vertellingen luisterde. Een antwoord op deze vraag is eerder van psychologen of antropologen dan van arabisten te verwachten.

In stripverhalen, die vaak moderne heldenverhalen zijn, is de Arabische of moslimse strijdster opnieuw populair geworden: als Superwoman. Het is de vraag of de auteurs daarvan ook maar enig vermoeden hebben van de traditie die zij nieuw leven inblazen.

NOTEN
1. In ‘Die Geschichte von der Weiberlist,’ Enno Littmann, Erzählungen, iii, 502–8. Dit verhaal komt niet voor in de vertaling van Richard van Leeuwen, omdat het ook niet voorkomt in de gangbare Arabische uitgave van Būlāq, 1835. Het schijnt te vinden te zijn in Alf layla wa-laya, Calcutta 1814, ii, 367–78; maar dat heb ik niet gezien. Ik heb dus alleen de Duitse vertaling gelezen. Meer info in Marzolph/Van Leeuwen, 454 und „Concordance of Quoted Texts“ Nr. 340.
In haar korte verhaal ‘De list der mannen’ (‘Kayd ar-ridjāl,’ in Maqām Aṭīya) zinspeelt de Egyptische schrijfster Salwā Bakr op het oorspronkelijke opschrift boven de winkel. In dat verhaal mislukt de list van drie vrouwen die zich met vergif van hun gezamenlijke echtgenoot proberen te ontdoen. De man wordt door zijn vriend de apotheker gewaarschuwd, neemt het gif niet en doet alleen maar alsof hij sterft, brengt zijn vrouwen aan het schrikken door ineens wakker te worden en verstoot hen, zodat ze op straat komen te staan.
2. Alf layla wa-layla, Būlāq, 1835, i, 614–36; Duizend-en-één nacht (van Leeuwen), vii, 202–56. Tawaddoed ziet er in Arabische schrift bijna zo uit als Teodor; zo is de naam in het Spaanse verhaal over donzella Teodor terecht gekomen. Later verwerkte Lope de Vega (1562–1635) de stof in een toneelstuk.
3. Vesalius, De humani corporis fabrica, Basel 1543, blz. 5vv.
4. Kruk, Warriors, 37–91.
5. Kruk, Warriors, 55; mijn vertaling.

BIBLIOGRAFIE
– Duizend-en-één-nacht:
. Alf layla wa-layla, 2 Bde., Būlāq 1835.
. De vertellingen van duizend-en-één nacht, vert. Richard van Leeuwen, 14 dln. Amsterdam (Bulaaq) 1993–9.
. Enno Littmann, Die Erzählungen aus den Tausendundein Nächten, 12 Teilbände, Wiesbaden (Insel Verlag) 1981.

– Salwā Bakr, Maqām Aṭīya. Riwāya wa-qiṣaṣ qaṣīra, Cairo 1986.
– Peter Heath, ‘Sīra Sha‘biyya,’ in EI2.
– Remke Kruk, The Warrior Women of Islam, Female Empowerment in Arabic Popular Literature, London (I.B. Tauris) 2014.
– Remke Kruk, ‘Wel erg veel blote dij. Krijgsprinsessen in de Arabische volksepiek,’ in: Jaarboek voor Vrouwengeschiedenis 29 (2009), 61-77.
– Lope de Vega, La doncella Teodor. Estudio y edición crítica de Julián González-Barrera, Kassel (Ed. Reichenberger) 2008.
– Malcolm C. Lyons, The Arabian Epic. Heroic and Oral Story Telling, 3 dln., Cambridge 1995.
– Ulrich Marzolph und Richard van Leeuwen (Hrsg.), The Arabian Nights Encyclopedia, Santa Barbara/Denver/Oxford 2004.

Diacritische tekens: Tawaddud, Hārūn al-Rashīd, ʿAbd al-Laṭīf al-Baghdādī, Sīrat ʿAnṭara

Terug naar Inhoud

Negers

Negers zijn gul en goedlachs, ze hebben een nobel karakter; met hun krachtige stemmen houden ze nooit op te praten en te zingen; ze trommelen en dansen goed, want ze hebben een enorm gevoel voor ritme; bovendien zijn ze sterk en geweldig potent, en hun vrouwen baren ongelooflijk veel kinderen.
.
Voordat U zich gaat opwinden en mij naar goed-Nederlands gebruik van racisme beschuldigt zal ik U vertellen dat ik hier opvattingen samenvat van de Arabische schrijver al-Djāhiz (777–869). Rondom zijn geboortestad Basra woonden veel zwarte slaven, die bij het droogleggen van moerassen, de ontzilting van landbouwgronden en in de zoutwinning te werk waren gesteld. In het onbarmhartige klimaat van Zuid-Irak hadden deze zg. Zandj een keihard leven. Sterk zullen zij inderdaad geweest zijn, omdat de zwakkeren al meteen het loodje legden; te lachen, te dansen en te zingen viel er bitter weinig. Er zijn in totaal drie opstanden van de Zandj bekend, waarvan de laatste maar liefst vijftien jaar duurde en tienduizenden levens kostte. Maar toen was al-Djāhiz al gestorven.
.
De vader van al-Djāhiz was zo’n zwarte slaaf; de auteur wist dus waar het over ging. Bovenstaande opvattingen en nog veel meer vindt U in zijn tractaat De superioriteit van de zwarten over de blanken. Inderdaad is het een racistisch geschrift: black is beautiful, bij mensen net zo goed als bij kamelen, paarden, schapen en ezels, en zijn zwarte haren en ogen niet het mooiste wat er is? En vergeet de Zwarte Steen in Mekka niet! Negatieve opvattingen over zwarten komen ook aan de orde, zij het dan dat de auteur die juist bestrijdt. De opvatting dat zwarten verstandelijk onderontwikkeld zijn ontmaskert hij bij voorbeeld als een denkfout. Zeker zijn er veel stompzinnige slaven; die zijn dat echter niet omdat zij zwart zijn, maar omdat zij onder erbarmelijke omstandigheden in een ongezonde omgeving leven. Slaven uit het als intelligent bekend staande Indië zijn immers net zo dom en stompzinnig.
.
Ik ga geen stukken uit deze tekst vertalen, want dat heeft Kees Versteegh al uitstekend gedaan in →De taal der Engelen. Versteegh vindt het niet eenvoudig vast te stellen wat al-Djāhiz precies wilde met zijn tractaat. In ieder geval wenste de auteur niet te geloven in een vloek van God, zoals de vervloeking van de bijbelse Cham die op de zwarten zou rusten. Huidskleur is niet van God gegeven, maar is door natuurlijke omstandigheden gevormd en kan na enkele generaties in een andere omgeving ook weer verdwijnen. Zwarten moeten dus als volwaardige mensen beschouwd en behandeld worden en zijn dus zeer wel in staat moslim te worden, aldus al-Djahiz. Zijn tractaat is volgens Versteegh waarschijnlijk bedoeld om dat laatste te benadrukken; ik twijfel daar een beetje aan.
.
Dit tractaat is dus pro-zwart. Maar staat daar echt in hoe al-Djāhiz erover dacht? Elders in zijn reusachtige oeuvre heeft hij geen goed woord over voor zwarten, die hij daar als het minderwaardigste deel van de schepping vermeldt. Volgens al-Djāhiz en tijdgenoten zijn de volkeren die zedelijkheid, wijsheid en kennis bezitten vier in getal: de Arabieren, de Indiërs, de Perzen en de Romeinen. De rest der mensheid bestaat uit wilden en wat daarop lijkt. Onder die volkeren is er een hiërarchie en de zwarten zijn werkelijk het allerlaagste. Horrorverhalen biedt hij ook. Tot de gewoonten der Zandj in hun land van herkomst behoort bij voorbeeld dat zij zich een snijtand laten trekken. Ze vijlen hun tanden bij om ze in het gevecht als wapen te gebruiken en om de overwonnenen makkelijker te kunnen opeten.1
.
We blijven dus zitten met tegenstrijdige opvattingen bij al-Djāhiz. Dat is op zich al niet verbazend; geen mens is steeds consequent in zijn opvattingen. Maar bij hem komt er nog bij dat hij net de dialektiek had ontdekt. Hij vond het leuk, de voors en tegens van de dingen soms provocerend tegenover elkaar te zetten en daarbij was het niet van belang welke opvattingen uiteindelijk de juiste waren. Zo heeft hij in een ander tractaat, Dispuut tussen slavinnen en slaven,2 de voor- en nadelen van slavenjongens en slavinnetjes als sekspartners tegen elkaar afgewogen. In nog een andere tekst handelt hij over De goede eigenschappen van de Turken.3
.
Het interessantste bij dit alles vind ik, dat wat meer dan duizend jaar geleden over zwarten werd beweerd in grote lijnen hetzelfde is als wat eeuwen later door Europese slavenhandelaren en hun nakroost opnieuw in omloop werd gebracht en dat nog tot diep in de twintigste eeuw bleef. En wie weet hadden de oude Grieken ook al zulke gedachten? Blijkbaar bestaat er een heel lange, grensoverschrijdende overlevering van zulke stereotypen, los van welke realiteit dan ook.

NOTEN
1. Al-Djāḥiẓ, Bayān i, 60, 384, 137; Enderwitz, Rang 67ff.
2. Kitāb Mufākharat al-djawārī wal-ghilmān.
3. Fī manāqib al-Turk wa-‘āmmat djund al-khilāfa.

BIBLIOGRAFIE
Primair
Al-Djāḥiẓ, Al-Bayān wal-tabyīn, uitg. ‘Abd al-Salām Muḥammad Hārūn, 4 dln. in 2 bd., Cairo, 5e dr. 1985.
Al-Djāḥiẓ, ‘Kitāb fakhr al-sūdān ‘alā al-bīḍān,’ in Rasāʾil al-Djāḥiẓ, uitg. ʿAbd al-Salām Muḥammad Hārūn, 2 dln. Cairo z.j. [1964], i, 173–226; ook in G. Van Vloten, Tria opuscula auctore Abu Othman Amr ibn Bahr al-Djahiz Basrensi, Leiden 1903, 57–85. Vertalingen:
––  Nederlands: Kees Versteegh (fragment): ‘Traktaat over de lof van de zwarten boven de blanken,’ in →De taal der engelen, 135–9, 596–7.
–– Frans: Al-Ǧāḥiẓ, Kitāb faḫr as-sūdān ʿālā ’l-bīḍān, traduction et annotations par Guy et Jacky Ducatez, in Revue des études islamiques 51 (1983), 1­–49.
–– Duitse vertaling (fragmenten): Charles Pellat, Arabische Geisteswelt, ausgewählte und übersetzte Texte von al-Ǧāḥiẓ (777–869), vert. Walter Müller, Zürich/Stuttgart 1967, hst. 31: ‘Über den Ruhm der Schwarzen vor den Weißen,’ p. 315–318. (fragmenten)
–– Engels: ‘What Blacks may boast of to Whites,’ transl. T. Khalidi in Islamic Quarterly 25 (1981), 3–51. (niet gezien)
– Al-Djāḥiẓ, ‘Kitāb Mufākharat al-djawārī wal-ghilmān,’ in Rasāʾil al-Djāḥiẓ, ii, 87–137; vert.: Éphèbes et Courtisanes, traduit par Maati Kabbal, préface et notes de Malek Chebel, Paris 1997.
– Al-Djāḥiẓ, ‘Manāqib al-Turk,’ in Rasāʾil al-Djāḥiẓ, i, 1–86; anders in G. Van Vloten, Tria opuscula etc., Leiden 1903, 1–56. Vertaald door Oskar Rescher? Nog niet gevonden.
– De taal der engelen. 1250 jaar klassiek Arabisch proza. Samengesteld en ingeleid door Arnoud Vrolijk, Amsterdam/Antwerpen 2002.

Secundair
-Susanne Enderwitz, Gesellschaftlicher Rang und ethnische Legitimation. Der arabische Schriftsteller Abū ʿUṯman al-Ǧāḥiẓ (gest. 868) über die Afrikaner, Perser und Araber in der islamischen Gesellschaft, Freiburg 1979.
– G.S.P. Freeman-Grenville en A. Popovic, ‘Zandj,’ in EI2.
– Ibrahim Geries, ‘Al-Maḥāsin wa-l-Masāwī,’ in EI2.
– Ibrahim Geries, Un genre littéraire arabe: al-maḥāsin wa-l-masāwī, Paris 1977.
– G. Rotter, Die Stellung des Negers in der islamisch-arabischen Gesellschaft bis zum XVI. Jahrhundert, Diss. Bonn 1967.

Terug naar Inhoud

Een dure slaaf (vertaalde tekst)

Geschreven door de Arabische prozaïst al Djahiz (777–869).

Rawh ibn al-Tā’ifīya, een slaaf van de zuster van Anas ibn Abī Shaykh, die hem de behartiging van al haar aangelegenheden had toevertrouwd, vertelde het volgende verhaal:
Ik ging naar de markt om een kok te kopen. Terwijl ik daar stond werd er een jonge slaaf gebracht die voor tien dinar werd aangeboden, hoewel hij wegens zijn knappe gezicht, zijn uitstekende figuur en zijn jeugdigheid er wel honderd waard was, nog afgezien van zijn vakkennis. Toen ik hem zag kon ik het niet laten naar hem toe te lopen en tegen hem te zeggen:
– Jij schurk! Zoals jij eruit ziet zou je minstens honderd dinar moeten kosten, en als jouw eigenaar je voor tien verkoopt, dan doet hij dat alleen omdat jij het ergste uitschot bent!
– Ja, antwoordde hij, voor de meeste mensen ben ik uitschot, maar voor anderen ben ik honderd en nog eens honderd dinar waard.
Toen dacht ik: Eén dag tegenover mijn vrienden te kunnen opscheppen met zijn schoonheid en zijn goede kookkunst is alleen al meer dan tien dinar waard.
Ik kocht hem dus en nam hem mee naar huis. Toen ik merkte dat hij handig, dienstwillig en terughoudend was stuurde ik hem op een dag dag naar de geldwisselaar om daar twintig dinar voor mij af te halen. Hij hield ze zelf en verdween spoorloos. Ik had zijn vlucht nog niet eens bemerkt toen de slavenzoeker1 al voor de deur stond en zijn loon verlangde.
– Daarom en om zulke dingen meer stond jij dus voor tien dinar te koop, zei ik tegen de slaaf.
– Als ik niet wist dat u mijn eed toch niet zou geloven, zou ik u vertellen hoe ik de dinars uit mijn kleding ben verloren. Maar ik zeg u één ding: Sluit me op, bewaak me, maak gebruik van mijn diensten en denk dat u me voor dertig dinar hebt gekocht!
Ik hield hem en zette hem vast omdat ik een zwak voor hem had, en dacht bij mezelf dat hij misschien toch eerlijk was. Toen ik daarop merkte dat hij rechtschapen en rouwmoedig was en zijn dienst goed uitvoerde, vergat ik de hele geschiedenis. Op een dag overhandigde ik hem dertig dinar, die hij aan mijn familie moest brengen. Zodra hij het geld in handen had verdween hij spoorloos, maar het duurde maar een paar dagen tot de slavenzoeker hem terugbracht.
– Je hebt destijds beweerd dat je die eerste dinars verloren had, zei ik tegen hem, wat zeg je nu over deze tweede keer?
– Ik weet heel goed, zei hij, dat u van mij geen excuus aanvaardt; laat mij buitenshuis en draag me niets anders op dan de keukendienst. Als een goed pak slaag u iets van het geld kon terugbrengen zou ik u dat zeker aanraden, maar het geld is weg en slaan vermindert uw loon in het hiernamaals. Bovendien sterf ik misschien aan dat pak slaag en dan zou u spijt hebben, zou u schuldig zijn, u schamen en voor gek staan en de overheid zou u vervolgen. Laat mij dus alleen keukendienst doen: ik zal u daar heel blij maken, het beste inkopen en het goed voor u klaarmaken. En denk maar dat u mij voor zestig dinar hebt gekocht.
– Deze keer trap ik er niet in, zei ik tegen hen, ga in godsnaam weg, ik laat je vrij!2
– U bent zelf een slaaf, antwoordde hij, hoe kunt u mij dan vrijlaten?
– Dan zal ik je verkopen, voor welke prijs dan ook.
– Maar verkoop me niet voordat u een andere kok gevonden hebt, want als u me nu meteen verkoopt krijgt u alleen nog brood en bonen te eten.
Dus zag ik ervan af hem te verkopen. Een paar dagen later, toen ik buiten zat, liep daar een moederschaap van een nobel ras en met een goede melkopbrengst, dat we van haar lam gescheiden hadden, zodat het onophoudelijk blaatte. Ik zei, zoals je dat doet als je geërgerd bent en zoals ieder ander ook had gedaan:
– Mijn hemel, dat vervloekte schaap! Ik wou dat God iemand stuurde die het zou slachten of stelen, dat we dat gemekker niet meer hoefden te horen.
Mijn kok verdween; nauwelijks was hij weg of hij kwam alweer terug, met een mes en een slagersbijl in zijn hand en met een voorschoot aan.
– Wat doen we met het vlees? vroeg hij me. Wat draagt u me op ermee te doen?
– Welk vlees?
– Van dat schaap.
– Welk schaap?
– Dat u gezegd had dat ik moest slachten.
– Maar welk schaap heb ik jou dan opgedragen te slachten?
– Grote goedheid! U zei toch zoëven: Ik wou dat God iemand stuurde die het zou slachten of stelen? En nu God u geeft wat u vroeg doet u alsof u nergens van wist!
Rawh zei nog: Zo bleef ik dus met hem zitten, want ik kon hem niet vastzetten, niet verkopen en niet vrijlaten.

Bron:
Al-Djāhiz, Kitāb al-Hayawān, uitg. ‘Abd al-Salām Hārūn, 6 dln., Cairo 1938-1947, vi, 490–493.

Noten
1. Nāshid = ‘zoeker’. Blijkbaar is een soort detective bedoeld, die weggelopen slaven opspoorde.
2. Vrijlating was voor een slaaf niet altijd het hoogste goed. Als de jongen was vrijgelaten had hij op straat gestaan.

Diakritische tekens: Rawḥ ibn al-Ṭā’ifīya, Al-Djāḥiẓ, Kitāb al-Ḥayawān

Terug naar Inhoud

Isra’iliyat (korte definitie)

Isrā’īlīyāt (اسرائيليات) zijn in de eerste plaats de verhalen met aanvullende ‘historische’ informatie over de bijbelse personen die in de Koran genoemd of kort besproken worden. Deze producten van de Vertellers berusten vaak op joodse profetenverhalen en legenden of zelfs op pure fantasie. Vaak zijn zulke verhalen gemakkelijk terug te vinden in → Ginzberg, Legends. Eveneens tot de isrā’īlīyāt worden gerekend allerlei stichtende en onderhoudende verhalen die in een legendarisch verleden, de ‘tijd van het volk Israël’ (‘ahd banī isrā’īl) zijn gesitueerd. 

De Arabieren kunnen de joodse vertelstof gekend hebben via bekeerde joden als ‘Abdallāh ibn Salām en Ka‘b al-Ahbār, maar dat niet alleen: de veroverde gebieden waren vol met christenen en joden; die literatuur was overal en er was dus een zeer brede toegang. De ‘verteller’ *Wahb ibn Munabbih (± 654–728), was zeer vertrouwd met dit materiaal en heeft het in zijn geschriften verbreid.

Waren de vroege islamitische teksten er nog geheel mee doordrenkt, vanaf de helft van de achtste eeuw is er een duidelijk wantrouwen tegen isrāʾīlīyāt en een tendens ze te marginaliseren of geheel onzichtbaar te maken (‘ontbijbeling van de islam’).

Isrā’īlīyāt zijn vooral te vinden in de koranexegese (tafsīr), in geschiedwerken en in de profetenverhalen (qisas al-anbiyā’).

BIBLIOGRAFIE
– G. Vajda, art. ‘Isrāʾīliyyāt’ in EI2.
– Art. ‘Isra’iliyyat’ in Wikipedia.
– Louis Ginzberg, The Legends of the Jews, 6 dln, Philadelphia 1954–59, of online, maar daar zonder voetnoten en indexen.

Diakritische tekens en tags: isrāʾīlīyāt,‘ahd banī isrā’īl, Ka‘b al-Aḥbār, qiṣaṣ al-anbiyāʾ , isra’iliyat, israiliyyat, isra’iliyaat

Terug naar Inhoud

Ta’abbata Sharran, rover en dichter

Ta’abbata Sharran was een Arabische dichter die omstreeks 550, dus ver voor de islam, zou hebben geleefd. Hij behoorde tot de stam Fahm, maar hij hield het in het stamverband blijkbaar niet goed uit. Je had van die mensen; die verlieten óf zelf het stamverband, óf werden eruit gegooid en gingen in hun eentje verder. Soms vonden zij dan aansluiting bij soortgenoten en vormden een kleine bende van rovers (su‘lūk, mv. sa‘ālīk), die leefden van overvallen en rooftochten. Het waren helden en mannetjesputters, want zonder stamverband in een woest land te overleven is een bravourestuk. Anders dan onze moderne rovers waren zij vaak goede dichters; zo ook Ta’abbata Sharran.
Zijn naam betekent: ‘Hij heeft iets kwaads onder zijn arm gedragen’ en is dus geen naam, maar een bijnaam. In de ‘burgerlijke’ maatschappij van de stam heette hij Thābit ibn Djābir al-Fahmī, maar wie interesseert dat? Er zijn minstens drie anekdotes die vertellen hoe hij aan die bijnaam gekomen is:

  • 1. De overleveraars vertellen dat hij eens een ram zag in de woestijn. Hij pakte hem op en droeg hem onder zijn arm, maar het dier piste hem de hele weg onder. Toen hij dicht bij de stam gekomen was werd het hem te zwaar.1 Hij kon het niet meer dragen en wierp het van zich af, en toen bleek het ineens een ghoul te zijn. Zijn mensen vroegen hem:
    ‘Wat heb jij onder je arm gehad?’
    ‘Een ghoul,’ antwoordde hij.
    ‘Dan heb je wel iets kwaads onder je arm gedragen!’
    En daarnaar werd hij genoemd.2

Een andere, nogal gekunstelde anekdote, laat het moeder-zoon-conflict van het ongelikte rotjoch zien. Niet te handhaven, inderdaad.

  • 2. Er wordt ook gezegd: Nee, zijn moeder zei tegen hem: ‘Al je broers brengen mij ’s avonds iets voor mij mee, maar jij niet!’ Toen zei hij: ‘Vanavond zal ik iets voor je meebrengen.’ Hij ging weg en ving een groot aantal adders, de grootste die hij te pakken kon krijgen. Toen hij ‘s avonds naar huis ging deed hij die in een zak, die hij onder zijn arm droeg en die gooide hij voor haar neer. Zij maakte hem open en daar schoten de adders weg in haar tent. Ze sprong op en rende naar buiten.
    ‘Wat heeft Thābit voor je meegebracht? vroegen de vrouwen van de stam:
    ‘Adders in een zak!’
    ‘Maar hoe heeft hij die dan gedragen?’
    ‘Onder zijn arm.
    ‘Dan heeft hij wel iets kwaads onder zijn arm gedragen!’
    En zo bleef de naam Ta’abbata Sharran aan hem hangen.3

En een derde anekdote voor een deel:

  • 3. […] en hij werd Ta’abbata Sharran genoemd omdat hij, naar verluidt, een ghoul ontmoette in een donkere nacht, op een plek genaamd Rahā Bitān, in het stamgebied van Hudhayl. Zij versperde hem de weg maar hij vocht zo lang met haar tot hij haar gedood had. Hij bleef de nacht op haar liggen en de volgende ochtend droeg hij haar onder zijn arm naar zijn kameraden. Die zeiden tegen hem: ‘Jij hebt wel iets kwaads onder je arm gedragen!’4

Een ghoul is een demon die zich in de woestijn ophoudt en eenzame reizigers lastig valt. Een van zijn eigenschappen is dat hij van vorm kan veranderen. Vaak doet hij zich als een vrouwelijk wezen voor.5
Taʾabbata Sharran heeft verzen geschreven over een ontmoeting met een ghoul. (Poëzie poëtisch vertalen kan ik helaas niet.)

  • 4. Toen hield de ghoul mij gezelschap als buurvouw.
    O buurvrouw, wat een griezel ben jij!
    Ik wilde seks van haar. Zij draaide zich weg,
    maar ik probeerde het toch.
    Als iemand mij naar mijn buurvrouw vraagt:
    ze woont bij de bocht van de zandheuvel.6

‘Buurvrouw’ was een benaming die bedoeïenen voor hun echtgenote gebruikten. De dichter is helemaal niet onder de indruk van het gevaarlijke wezen; integendeel. Hij drijft de spot met het angstige geloof van het brave stamvolkje. Voor hem bestaan er geen woestijndemonen; fuck the ghoul! En mocht iemand anders dat ook eens willen proberen, ze woont om de hoek bij de zandheuvel, je weet wel. Dan vind je haar beslist, in Arabië.
De ghoul komt nog voor in een langer gedicht van Ta’abbata Sharran, waar ik hier enkele regels uitlicht:

  • 5. Kom op, wie vertelt de kerels van Fahm,
    wat mij bij Rahā Bitān overkwam?
    Ik kwam de ghoul tegen, toen ze voortjoeg
    door een woestijn zo plat als een vel papier.
    Ik zei tegen haar: ‘We zijn beiden bekaf. Jij bent
    op reis, net als ik, dus laat mij mijn plek!’
    Maar zij viel mij aan. Toen schoot mijn hand uit
    met een goed geveegd Jemenitisch zwaard.
    Ik sloeg haar onversaagd en zij ging neer,
    op haar voorpoten en haar hals.
    […]
    Ik liet haar niet los en leunde op haar
    om ’s morgens te zien wat het was.7

Ook hier schept de dichter lekker op over hoe hij de ghoul klein gekregen heeft; ook hier ligt hij bovenop haar, al is er van seks geen sprake. De poging tot een gesprek voor het gevecht herinnert aan ‘het gesprek met de wolf’, een motief uit de wat latere poëzie. Als een eenzame reiziger in de woestijn een al even eenzame, uitgeputte wolf tegenkomt hebben beiden veel gemeen: hun honger, hun eenzaamheid, hun uitzichtloosheid. Maar zulke ontmoetingen zijn gevaarlijk; daarom spreekt de dichter het dier vaak bezwerend toe.8 Dat doet deze dichter hier met de ghoul, maar zij gaat er niet op in.
Anekdote nr. 3. wil de vreemde bijnaam van de dichter verklaren, net als de andere. Maar zij is ook geënt op gedichtfragment nr. 5 en wil daar wat meer geschiedenis van maken. Het verhaaltje verhoudt zich tot het gedicht als een sabab al-nuzūl-verhaal tot een koranvers.

NOTEN
1. Hoeveel meter kunt U lopen met een ram onder uw arm?
2 Abū al-Faradj al-Isfahānī, Kitāb al-Aghānī, uitg. Cairo 1927, xxi, 127.

ذكر الروة أنّه كان رأى كبشًا في الصحراء فاحتمله تحت إبطه فجعل يبول عليه طول طريقه. فلما قرب من الحيّ ثقل عليه الكبش فلم يُقِلّه فرمى به فإذا هو الغول. فقال له قومه: ما تأبّطَّ يا ثابت؟ قال: الغول. قالوا: لقد تأبّطَّ شرا! فسُمّي بذلك.

3. Aghānī xxi,127

وقيل بل قالت أمّه له كل إحوتك يأتيني بشيء إذا راح غيرَك. فقال لها: سآتيك الليلة بشيء. ومضى فصاد أفاعيَ كثيرة من أكبر ما قدر عليه. فلمّا راح أتى يهنّ في جِراب متأبّطًا به فألقاهه بين يديها ففتحته فتساعين في بيتها. فوثب وخرجت. فقال لها نساء الحيّ: ما ذا أتاك به ثابت؟ فقالت: أتاني بإفاعٍ في جراب. وقلن: وكيف حملها؟ قالت: تأبّها. قلن: تأبّط شرّاً، فلزمه تأبّطا شرّاً.

4. Aghānī xxi,128–29.

[…] وإنّما سمّي تأبّط شرّاً لأنهه فيما حُكي لنا٬ لقي الغول في ليلة ظلماء في موضع رَحَى بِطَانٍ في بلاد هذيل فأخذت عليه الطريقَ فلم يزل بها حتى قتلها وبات عليها فلمّا أصبح حملها تحت إبطه وجاء بها الى أصحابه فقالوا له: لقد تأبّطّ شرّاً.

5. Ghouls bestaan nog steeds; zie wat hier gezegd wordt over Soraya Qadir, alias Dust.
6. Aghānī xxi, 128:

فَأَصْبَحَتِ‎ الغُولُ‏ لِي‏ جَارَةً  *  فَيَا جَارَتَا لَكِ‎ مَا أَهْوَلاَ
فَطَالَبْتُهَا بُضْعَهَا فَالْتَوَتْ  *  عَلََيَّ‏ وَحَاوَلْتُ‏ أَنْ‏ أَفْعَلاَ
فَمَنْ‎ كَانَ‎ يَسْأَلُ‏ عَنْ‏ جَارَتِي  *  فَإنَّ‏ لَهَا باللِّوَى مَنْزِلاَ

7. Aghānī xxi, 129:

أَلاَ‎ مَنْ‏ مُبْلِغٌ‏ فِتْيَانَ‏ فَهْمٍ  *  بِمَا لَقِيتُ‏ عِنْدَ‏ رَحَى بِطَانِ
وَأَنِّي‏ قَدْ‎ لَقِيتُ‏ الغُولَ‏ تَهْوَى  *  بِسَهْبٍ‏ كَالصَّحِيفَةِ‏ صَحْصَحَانِ
فَقُلْتُ‏ لَهَا‏: كِلاَنَا نِضْوَأَيْنِ  *  أَخُو سَفَرٍ‏ فَخَلِّي‏ لِي‏ مَكَانِي
فَشَدَّتْ‏ شَدَّةً‏ نَحْوِي‏ فَأَهْوَى  *  لَهَا كَفِّي‏ بِمَصْقُولٍ‏ يَمَانِي
فَأَضْرِبُهَا بِلاَ‎ دَهَشٍ‏ فَخَرَّتْ  *  صَرِيعًا لِلْيَدَيْنِ‏ وَلِلْجِرَانِ
[‏…]
فَلَمْ‏ أَنْفَكَّ‏ مُتَّكِئًا عَلَيْهَا  *  لأَنْظُرَ‏ مُصْبِحًا مَاذَا أَتَانِي

8. Manfred Ullman, Das Gespräch mit dem Wolf, München 1981.

Diakritische tekens: Taʾabbaṭa Sharran, ṣuʿlūk, ṣaʿālīk, Raḥā Biṭān, al-Iṣfahānī

Terug naar Inhoud