Nieuws uit de arabistiek: koranonderzoek

Bijna zes jaar geleden werd ik gepensioneerd en sindsdien heb ik de ontwikkelingen in mijn specialisme in de arabistiek (vroege islam, leven van Mohammed, hadith) nauwelijks meer gevolgd. Soms spijt mij dat een beetje, want er is in die paar jaar op het vakgebied heel veel gebeurd. Ik ga niet terug om het allemaal nog in te halen, maar af en toe krijg ik toevallig nog lucht van belangrijke ontwikkelingen, en gezien de bijna maniakale belangstelling voor de islam in Nederland kan het geen kwaad die even aan te stippen.
.
De kennis van de oude talen van Arabië is spectaculair toegenomen. Er zijn in Noordwest-Arabië tienduizenden inscripties op stenen gevonden, die geleidelijk aan ontcijferd worden. Deze zijn lang niet allemaal in het klassiek-Arabisch ‘zoals wij dat kennen.’ ‘Wij’ persoonlijk hebben nog geleerd dat in Arabië een aantal Arabische dialecten werd gesproken, overkoepeld door één Hochsprache, waarin zowel de oude poëzie als de koran gesteld waren. In Jemen waren Oudzuidarabische talen gangbaar, in Syrië Aramees en Grieks, in Irak Aramees en Perzisch. Maar dankzij o.a. het werk van Ahmad al-Jallad, 1 een groot expert op dit gebied, ziet de taalsituatie in Oud-Arabië er inmiddels heel wat ingewikkelder uit: er zijn vele tot dusver onbekende schriften en talen ontdekt. Een snel inzicht in al-Jallads werk biedt zijn pagina op Twitter, dit, en ook dit kaartje van hem: 

JalladTaalkaartOudarabië

.
Deze nieuwe kennis zal een weerslag krijgen op het koranonderzoek. Meende Chr. Luxenberg (pseud.) nog dat de koran ‘eigenlijk’ in het Syrisch geschreven was, er zijn nu heel veel meer talen ontdekt die van invloed geweest kunnen zijn op grammatica, spelling en de woordenschat van de koran. Te vermoeden is dat nu ook een oude discussie weer zal opvlammen: is de pre-islamitische poëzie wel echt, als het met de Hochsprache van het schiereiland misschien toch anders zit dan men vroeger dacht?
.
Het koranonderzoek heeft een hoge vlucht genomen. Tekstkritiek bij voorbeeld: er wordt eindelijk eens serieus gekeken naar de oudste handschriften, de spelling en de redactiegeschiedenis van de koran. De Leidse onderzoeker Marijn van Putten levert belangrijke bijdragen. En de intertekstualiteit: de connecties tussen de koran en de christelijke en joodse literaturen van die tijd; zie bijv. Corpus Coranicum.
.
Twee krenten zal ik uit de pap vissen. Het is een aantal mensen opgevallen dat bij koranverzen met een al vroeg problematische of ongewenste inhoud relatief vaak tekstwijzigingen of pogingen daartoe voorkomen.
.
Ghilène Hazem sprak op een conferentie in Helsinki  over haar hypothese, dat ‘theologically problematic verses might have left traces at a manuscript level’: bij moeilijk verteerbare verzen kunnen kopiisten in de handschriften sporen van hun twijfels of zelfs meningen hebben nagelaten. Haar bevindingen zullen ongetwijfeld worden gepubliceerd, maar dat kan na zo’n conferentie lang duren, dus heeft zij iets ervan op Twitter gezet, zodat iedereen alvast een idee krijgt.

Daar wijst Hazem op koran 38:17–18:اصبِر عَلىٰ ما يَقولونَ وَاذكُر عَبدَنا داوودَ ذَا الأَيدِ إِنَّهُ أَوّابٌ  إِنّا سَخَّرنَا الجِبالَ مَعَهُ يُسَبِّحنَ بِالعَشِيِّ وَالإِشراقِ
‘Verdraag wat zij zeggen geduldig en denk aan Onze dienaar Dāwūd, de solide; hij was schuldbewust. Wij maakten de bergen samen met hem dienstbaar, zodat zij Ons in de avond en bij zonsondergang prijzen.’ (vert. Leemhuis; cursivering van mij)
Is dat niet vreemd, dat David hier een rol toebedacht krijgt bij het dienstbaar maken van bergen? Tenminste één kopiist uit de (ik denk vroege) achtste eeuw vond van wel. Hij schreef het woordje ma‘ahu, ‘samen met hem’, wel af, maar in rood. Zo voldeed hij aan zijn plicht de tekst die voor hem lag accuraat af te schrijven, maar drukte tegelijk zijn twijfel uit.

DmHwDhHXoAANysy.jpg-large.

De twijfel van de kopiist was onterecht. Hazem wijst op koran 21:79: وَسَخَّرنا مَعَ داوودَ الجِبالَ يُسَبِّحنَ وَالطَّيرَ وَكُنّا فاعِلينَ  ‘en Wij maakten de bergen samen met (ma‘a) Dāwūd dienstbaar, zodat zij Ons prijzen en evenzeer de vogels. Wij hebben dat gedaan!’ De koran had het dus werkelijk zo bedoeld. Lectio difficilior potior, ‘de moeilijkere lezing is de verkieslijkste’— al kende de kopiist geen Latijn, deze grondregel van de tekstkritiek zal hij zich toch bewust geweest zijn. Maar er is ook een vers waarin de kwestie op andere wijze uit de wereld is geholpen, koran 34:10 وَلَقَد آتَينا داوودَ مِنّا فَضلًا ۖ يا جِبالُ أَوِّبي مَعَهُ وَالطَّيرَ وَأَلَنّا لَهُ الحَديدَ  ‘En Wij gaven van Onze kant aan Dāwūd een gunst: “O bergen, zingt berouwvol met hem (ma‘ahu) lof, en o vogels, jullie ook.”’
Hazem vermoedt terecht dat bestudering van de joodse David-legende meer inzicht zal bieden in de ontwikkeling van het motief. Maar dat wordt me nu te ingewikkeld.
.
Over een echte tekstwijziging in de koran zie bladzijde 2.

NOTEN
1. Deze coryfee zit in Leiden met een kleine tijdelijke baan; hij zou een professoraat waardig zijn. Maar Nederland heeft niet het formaat om hem dat aan te bieden; bovendien is een professoraat in Nederland tegenwoordig bijna een straf voor een echte onderzoeker. Nu gaat hij dus maar naar Amerika.

De zaak met de joodse stam Qaynuqa‘ (vertaling)

Vertaalde tekst: Intussen, terwijl de Profeet allerlei strooptochten liet uitvoeren, was er ook de zaak met de stam Qaynuqā‘. Het verhaal luidt aldus: De Profeet liet deze stam op hun markt bijeenkomen en sprak hen aldus toe: ‘Joden, pas op dat God u niet afstraft zoals Quraysh. Wordt moslim! Ge weet dat ik een profeet ben die gezonden is—ge vindt dat in uw Schrift en in Gods verbond met u.’ Maar hun antwoord luidde: ‘Mohammed, u denkt dat wij uw volk zijn. Laat u niet misleiden doordat u slag hebt geleverd met een vijand die geen verstand heeft van oorlog en die u alleen bij toeval hebt verslagen. Maar wij, bij God, als wij de strijd met u aanbinden zult u weten dat wij mannen van een ander slag zijn!’
‘Āsim ibn ‘Umar ibn Qatāda heeft verteld, dat de Qaynuqā‘ de eerste joden waren die hun verbond met de Profeet verbraken. Zij voerden strijd tussen de slag bij Badr en die bij Uhud. De Profeet belegerde hen en zij gaven zich onvoorwaardelijk over.
Toen God hen in zijn macht had gegeven, kwam ‘Abdallāh ibn Ubayy hem om genade vragen voor zijn cliënten, want Qaynuqā‘ was een bondgenoot van Khazradj. Maar de Profeet scheepte hem af. ‘Abdallāh herhaalde zijn verzoek, en toen de Profeet zich wilde afwenden, stak hij zijn hand in de kraag van zijn pantser. ‘Laat me los!’ zei de Profeet, en hij werd zo woedend dat zijn gezicht donker aanliep. ’Nee, bij God,’ zei ‘Abdallāh, ‘ik laat u niet los voordat u mijn cliënten genade hebt betoond. Vierhonderd man zonder pantser en driehonderd gepantserd; zij hebben mij tegen al mijn vijanden beschermd en u wilt ze in één ochtend onthoofden? Bij God, ik vrees een ommekeer.’ Daarop zei de Profeet: ‘Ze zijn voor u’.
Mijn vader vertelt mij het volgende verhaal van ‘Ubāda ibn Walīd: Toen de stam Qaynuqā‘ de strijd aanbond met de Profeet, kwam ‘Abdallāh ibn Ubayy voor hen op en verdedigde hen. Maar mijn grootvader ‘Ubāda ibn Sāmit, die behoorde tot de stam ‘Awf, die evenals ‘Abdallāh een verbond met hen had, ging naar de Profeet, liet hen over aan God en Zijn gezant en verklaarde zich ontslagen van zijn verbond met hen. ‘Profeet,’ zei hij, ‘ik sluit mij aan bij God, Zijn gezant en de gelovigen en ik zeg mijn bondgenootschap en vriendschap met deze ongelovigen op.’ Over hem en over ‘Abdallāh werd deze passage uit soera ‘De dis’ geopenbaard: ‘Gij die gelooft, neemt de joden en de christenen niet tot vrienden. Zij zijn elkaars vrienden. Wie zich bij hen aansluit is een van hen. […] U ziet dat degenen die in hun harten een ziekte hebben zich onder hen druk maken; zij zeggen: Wij vrezen dat een ommekeer ons zal treffen, en wat daar verder volgt, tot de woorden: Wie zich aansluiten bij God, Zijn gezant en degenen die geloven—Gods partij—dat zijn de overwinnaars.’ [5:51-56]

=========================

Commentaar: In de latere geschiedschrijving komt de ‘zaak’ met de joodse stam Qaynuqā‘, die in Medina woonde, neer op een verdrijving van deze stam uit de stad. Na de slag bij Badr zou Mohammed nogmaals een vergeefs beroep hebben gedaan op de joden. Het bleef onduldbaar dat zij tegen hem ageerden; politiek waren zij een onzekere factor binnen Medina. Kort na Badr zou hij dan hebben besloten met hen af te rekenen. De Qaynuqā‘ hebben zich bij de joodse gemeenschap in de Wādī al-Qurā gevoegd en zijn vandaar naar Syrië vertrokken.
De Qaynuqā‘ hadden nooit grond bezeten in Medina. Zij werkten als ambachtslieden, onder andere als goudsmeden. Volgens latere geschiedschrijvers waren zij goed bewapend en lieten ze bij hun vertrek hun wapens en werktuigen achter, een buit die de moslims zeer welkom was.
Bij Ibn Ishaq is van dit alles nog weinig te merken. Van een verdrijving is geen sprake; het hele conflict blijft rijkelijk vaag en loopt met een sisser af. Zijn verhaal is een stuk koranexegese van de rijkelijk vage passage koran 5:51–56, en niet op te vatten als verslag van werkelijke gebeurtenissen.  Wat er werkelijk is gebeurd is niet te achterhalen.
De datering van het incident kort na de slag bij Badr laat Ibn Ishaq teruggaan op enkele woorden uit de volgens hem over Qaynuqā‘ geopenbaarde tekst 3:13: ‘Gij hadt reeds een teken in de twee troepenmachten die elkaar ontmoetten […],’ die met de slag bij Badr in verband worden gebracht.

BIBLIOGRAFIE:
– Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 545–7; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 135–6.
– Marco Schöller, Exegetisches Denken und Prophetenbiographie: eine quellenkritische Analyse der Sīra-Überlieferung zu Muḥammads Konflikt mit den Juden, Wiesbaden 2008, vooral blz. 256–260.

MEER LEZEN:
– Inleiding: Mohammed en de Joden
De overige standaard-verhalen van Ibn Ishaq over de joden in vertaling:
De verdrijving van de stam Nadir
De uitroeiing van de Qurazya

Diacritische tekens: Qaynuqāʿ,ʿĀṣim, Uḥud, Ṣāmit, Isḥāq.

Terug naar Inhoud

De verdrijving van de joodse stam Nadir (vertaling)

Vertaalde tekst: Volgens het bericht van Yazīd ibn Rūmān begaf de Profeet zich naar de stam Nadīr om hun te vragen, mee te betalen aan het bloedgeld voor de twee mannen van de stam ‘Āmir, die ‘Amr ibn Umayya ad-Damri had gedood. De Profeet moest dat namelijk betalen, omdat zij onder zijn bescherming stonden. Verder waren de stammen ‘Āmir en Nadīr door een bondgenootschap verbonden. Toen de Profeet hen dan verzocht mee te betalen aan het bloedgeld, zeiden ze dat ze dat graag zouden doen, zoals hij dat wenste. Maar intussen overlegden zij in het geheim met elkaar en zeiden: ‘Zo’n kans krijgen we nooit neer; wie klimt er op het dak van dat huis en gooit een steen op hem? Dan zijn wij van hem af.’ De Profeet zat namelijk tegen de muur van een van hun huizen. ‘Amr ibn Djahhāsh verklaarde zich bereid; hij klom naar boven om een steen op hem te gooien. De Profeet zat daar met enige gezellen, onder wie Abū Bakr en ‘Umar en ‘Alī. Toen kwam er een boodschap uit de hemel tot hem, waarin hij werd gewaarschuwd voor wat de mensen van plan waren. Hij stond op en keerde dadelijk terug naar Medina, zonder het zijn gezellen te laten weten. Dezen bleven daar op de Profeet wachten en toen het hun te lang duurde gingen zij hem zoeken. Een man die juist aankwam uit Medina vertelde hun ten slotte, dat hij de Profeet de stad had zien binnenkomen. De gezellen gingen hem achterna, en toen ze hem aantroffen vertelde hij hun over het verraad dat de joden tegen hem beraamd hadden. Vervolgens beval hij voorbereidingen te treffen tot de strijd en trok uit tegen Nadīr.
De joden hadden zich verschanst in hun forten. De Profeet gaf bevel hun palmbomen om te hakken en te verbranden. Zij riepen hem toe: ‘Mohammed, zulke vernielingen waren toch verboden? Het was toch zo erg als mensen dat deden? Waarom worden dan nu onze palmbomen omgehakt en in brand gestoken?’
Nu waren er enkele mannen uit de stam ‘Awf ibn Khazradj, onder wie ‘Abdallāh ibn Ubayy ibn Salūl en Wadī‘a en Mālik ibn Abī Qawqal en Suwayd en Da‘is, die iemand naar de Nadīr hadden gestuurd met de boodschap: ‘Houd stand en verdedig je, want wij laten jullie niet in de steek. Als jullie worden aangevallen, vechten wij aan jullie kant, en als jullie worden verdreven, gaan wij mee!’ Zij wachtten dus op hulp, maar toen die niet kwam opdagen, werd het hun bang te moede. Zij vroegen de Profeet, hen te verbannen, hun leven te sparen en hun toe te staan, zoveel mee te nemen als hun kamelen konden dragen, behalve hun maliënkolders. Dat stond hij toe. Zij belaadden hun kamelen met alles wat zij konden dragen; sommigen braken zelfs hun huis tot de drempel toe af, legden het op de rug van hun kameel en namen het mee. Zij vertrokken naar Khaybar, sommigen echter naar Syrië. Onder hun edelen die naar Khaybar gingen waren Sallām ibn Abī Huqayq, Kināna ibn Rabī‘ ibn Abī Huqayq en Huyyay ibn Akhtab. Toen zij daar aankwamen, onderwierpen de bewoners zich aan hen.
‘Abdallāh ibn Abī Bakr vertelde mij dat hem was bericht: Met hun vrouwen en kinderen en al hun bezittingen vertrokken zij, met tamboerijnen en blaasmuziek, terwijl er zangeresjes spelend achter hen aan kwamen. Ja, hun uittocht ging met zoveel pracht en praal als nog nooit bij enige stam was vertoond.
Hun overige bezittingen lieten zij aan de Profeet; het werd zijn persoonlijk eigendom, waarover hij kon beschikken zoals hij het wilde. Hij verdeelde het onder de eerste Emigranten. Van de Helpers kregen alleen Sahl ibn Hunayf en Abū Dudjāna Simāk ibn Kharasha iets, omdat zij over armoede klaagden. Slechts twee mannen van de stam Nadīr werden moslim, maar alleen om hun bezittingen te mogen houden.
Aangaande de stam Nadīr werd de soera ‘De samendrijving’ [soera 59] geopenbaard, in zijn geheel, waarin staat hoe God wraak nam op hen en hoe hij zijn gezant macht over hen gaf en wat Hij met hen deed.

=========================

Commentaar: Er bestaan verscheidene verhalen over een verijdelde moordaanslag van joodse zijde op Mohammed, die soms in verbinding worden gebracht met koran 5:11: ‘Gij die gelooft, denkt aan Gods genade jegens u, toen zekere lieden erover dachten, hun handen naar u uit te strekken en Hij hun handen van u afhield.’ Elders is geldt veeleer de schending van een verdrag als Mohammeds aanleiding tot acties tegen de joden (koran 5:13).
Volgens Ibn Ishaq speelden de Nadīr de hoofdrol onder de joodse stammen van Medina. Zij hielpen de Quraishitische tegenstanders energiek en haalden de stam Qurayza ertoe over, hun verdrag met de Profeet te schenden. Het basisbericht over de verdrijving van Nadīr is maar kort. Hun landerijen werden verdeeld onder de Emigranten, die nu in hun eigen levensbehoeften konden voorzien en daarvoor niet langer een beroep hoefden te doen op de Helpers. De Halfhartigen worden aanmerkelijk zwakker afgeschilderd dan in het geval van de stam Qaynuqā‘; zij onthouden Nadīr de beloofde hulp en doen niets.
Ibn Ishaq wijst op het verband met de gehele soera 59. Inderdaad volgt zijn verhaal die soera op de voet: de verdrijving van de ongelovige mensen van de Schrift uit hun woningen, die zij deels eigenhandig afbraken; de verbanning; het omstreden, maar door God blijkbaar bij uitzondering toegestane omhakken van de palmen; de rijke buit. Het verhaal is een uitwerking van die soera, een stuk koranexegese dus, en niet op te vatten als verslag van werkelijke gebeurtenissen. Er zijn andere overleveringen, de chronologie is niet over dezelfde en er zijn aanwijzingen dat het verhaal aanvankelijk deel uitmaakte van het verhaal over de Banū Qurayza. Wat er werkelijk is gebeurd is niet te achterhalen.
Bij Ibn Ishaq volgen er nog enkele anekdotes en heel veel poëzie over deze episode.

BIBLIOGRAFIE:
– Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 652–54; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 148–50.
– Marco Schöller, Exegetisches Denken und Prophetenbiographie: eine quellenkritische Analyse der Sīra-Überlieferung zu Muḥammads Konflikt mit den Juden, Wiesbaden 2008, vooral blz. 260–312.

MEER LEZEN:
– Inleiding: Mohammed en de Joden
De standaard-verhalen van Ibn Ishaq in vertaling:
De zaak met Qaynuqā‘
De uitroeiing van de Qurazya

Diacritische tekens: Ishāq, al-Naḍīr, al-Ḍamri, Djaḥḥāsh, Ḥuqayq, Ḥuyyay ibn Akhṭab, Ḥunayf.

Terug naar Inhoud

Aisja, een geval van accommodatie

Ja hoor, er kwam weer zo’n vraag binnen: ‘Wat zegt de Koran over Aisja?’1 Niets, geachte lezers, helemaal niets.2 Maar moslims hebben sinds eeuwen gemeend toch iets over haar in de Schrift te kunnen lezen. Koran 24:11 bij voorbeeld zou zelfs over haar geopenbaard zijn:

Zij die de leugen hebben verbreid zijn slechts een kleine groep onder u. Beschouwt het niet als iets slechts voor u, neen, het is juist iets goeds. Ieder van hen wordt de zonde die hij begaan heeft aangerekend, maar de grootste boosdoener wacht een ontzaglijke straf.

En eigenlijk horen de volgende verzen daar nog bij:

Hadden de gelovige mannen en vrouwen, toen jullie het hoorden, maar iets goeds bij zich zelf gedacht. […] Toen jullie elkaar napraatten en oppervlakkig spraken over iets waarover jullie niets wisten, en dat jullie onbelangrijk vonden, terwijl het toch bij God zwaar weegt. [Koran 24:12–15]

Ziet U hier iets over Aisja? In geen velden of wegen. Hier iets over haar te lezen lukt alleen als U een heel verhaal op de koop toe neemt, namelijk dat van de ‘leugen’ (al-ifk), dat dateert van decennia na de koran en niet teruggaat op de profeet, zoals dat bij hadithen graag wordt gezien, maar op verschillende vertellers. Dat verhaal loopt alsvolgt: Aisja blijft tijdens een reis even achter. De karavaan vertrekt zonder te bemerken dat zij ontbreekt. Zij wordt terugbezorgd door een man, en dadelijk circuleert het gerucht dat deze de situatie misbruikt heeft. Een lastercampagne komt op gang, die zelfs de profeet niet onberoerd laat: hij negeert Aisja een tijdlang. Het verhaal zelf vindt U hier. Tenslotte komt alles nog goed, doordat God zelf ingrijpt en de bovenstaande koranverzen openbaart, waardoor Aisja van schuld wordt vrijgepleit en de schuldigen straf wordt aangezegd. Dit alles ‘weten’ we dus uit dat verhaal, dat niet uit de koran stamt, maar uit de profetenbiografie. Het wordt eeuw in, eeuw uit in korancommentaren en profetenbiografiën herhaald, maar omdat de schrijvers daarvan slechts gewone mensen waren — heiligen of kerkvaders kent de islam niet — is niemand eraan gebonden.

Als er veel korantekst in een verhaal zit zijn er grof gezegd twee mogelijkheden. 1. De korantekst staat centraal en het verhaal dient om die korantekst te verklaren. Dat heet koranexegese of tafsīr. 2. Er was eerst een verhaal en om dat overtuigender of stichtelijker te maken worden daar koranverzen in aangebracht; verzen die oorspronkelijk misschien heel ergens anders over gingen. Dat heet ‘koraniseren’.
In ieder geval zal de korantekst tenminste enkele tientallen jaren ouder zijn dan het verhaal.

Het verhaal over Aisja’s onschuld diende om een lastercampagne over haar onkuisheid te ontkrachten. Waarom zou iemand de bloedjonge vrouw van de profeet willen bezwadderen, een of twee jaar na hun huwelijk? Dat moet pas veel later zijn gedaan, met terugwerkende kracht, toen de profeet allang dood was en toen Aisja politiek actief was en in conflict met kalief ‘Alī (reg. 656–661). De auteur(s) doen overdreven veel moeite om de onschuld van Aisja aan te tonen en ze trekken daarbij alle registers open, ook koranische, want die klinken heerlijk vroom. Een oorspronkelijk verband tussen het verhaal en die koranverzen zie ik niet. De koran is erbij gesleept.

Aisja is lang niet het enige onderwerp waarover moslims graag iets in de koran hadden gelezen en dat uiteindelijk ook doen.2

———–

Mulier amicta sole

Mulier amicta sole

Ik was benieuwd of christenen ook zulke gevallen kennen en inderdaad, bij de Maagd Maria, de topvrouw van de christenen, was het meteen raak. Over haar staat wel iets in de bijbel (het bekende ‘kerstverhaal’ plus nog enkele andere snippers), maar voor de miljoenen echte Maria-vereerders was dat blijkbaar niet genoeg. Men heeft dus een aantal bijbelteksten geherinterpreteerd om aan hun verlangens te voldoen. In Openbaring 12:1 is bij voorbeeld sprake van ‘een vrouw bekleed met de zon, met de maan onder haar voeten en een krans van twaalf sterren op haar hoofd.’ 3 Zij is hoogzwanger en een zevenkoppige draak staat al te wachten om haar kind te verslinden, maar dat wordt gered en naar de Heer gebracht. Je zou hierbij inderdaad even aan de moeder Gods kunnen denken, want dat kind is ‘een zoon, die alle volken met een ijzeren herdersstaf zal hoeden,’ en die ijzeren staf is vlgs. 19:14 ook het attribuut van Christus. Maar dan had de auteur van de Openbaring wel een heel andere visie op Jezus en zijn moeder dan de evangelisten. Misschien had hij eerder Eva, of de vrouw in het algemeen in zijn hoofd: al in Genesis 3:15 wordt immers de strijd tussen de slang en de vrouw en haar nageslacht voorzegd.4

Turris davidica

Turris davidica

Nog vergezochter is het, Maria te ontdekken in Hooglied 4:4, waar ‘Salomo’ over zijn geliefde dicht: ‘Je hals is als de toren van David (turris davidica) die in ringen is gebouwd, die met schilden is behangen, met wel duizend schilden van helden.’5 Dat wordt door de katholieke Christenheid ook op Maria betrokken. Ieder verband met de pas eeuwen later levende moeder van Jezus lijkt hier ver te zoeken. De behoefte aan bijbelverzen over haar was blijkbaar zo enorm dat ook dit vers voor het gewenste doel kon worden aangewend. Dat heet accomodatie: een dogmatisch correcte en liturgisch bruikbare toepassing van een schriftwoord of een heilige persoon of zaak, die echter geen steun vindt in de tekst. Het punt van vergelijking is in dit geval blijkbaar de stevigheid van een toren en de bescherming die ervan uitgaat.

Een geval van accomodatie waar ook de protestanten aan meedoen is in de woorden: ‘… Gods wind/geest(?) zweefde over het water’ (Genesis 1: 2)6 de Heilige Geest, het derde lid van de Heilige Drieëenheid/Drievuldigheid, te ontdekken.

Zonder twijfel bestaan er nog veel meer bijbelverzen waarin men heel andere onderwerpen zonder steun van de tekst behandeld heeft gezien.

Moslims en christenen hebben verschillende werkwijzen, maar allen bedienen zij zich vrijmoedig bij hun heilige schrift, wanneer zij daarin iets willen lezen dat er niet in staat. Tot de eigenschappen van heilige schriften behoort, dat zij schier oneindig rekbaar zijn, tot ver buiten de grenzen van hun tekst.

NOTEN
1. Naar verluidt was Aisja de lievelingsvrouw van de profeet Mohammed. Zie over haar hier en hier en hier.
2. Er staat heel veel niet in de koran; zie daarover hier
3. Mulier amicta sole et luna sub pedibus eius et in capite eius corona stellarum duodecim. Het oorspronkelijke Grieks kunt U natuurlijk ook krijgen: γυνὴ περιβεβλημένη τὸν ἥλιον, καὶ ἡ σελήνη ὑποκάτω τῶν ποδῶν αὐτῆς, καὶ ἐπὶ τῆς κεφαλῆς αὐτῆς στέφανος ἀστέρων δώδεκα, maar zulke dingen klinken in het Latijn vaak veel beter.
4. En de woorden ‘haar nageslacht’ (τοῦ σπέρματος ἀυτῆς, de semine eius) worden weer opgepakt in Openbaring 12:17.
5. Sicut turris David collum tuum, quae aedificata est cum propugnaculis: mille clipei pendent ex ea, omnis armatura fortium. כְּמִגְדַּל דָּוִיד צַוָּארֵךְ, בָּנוּי לְתַלְפִּיּוֹת; אֶלֶף הַמָּגֵן תָּלוּי עָלָיו, כֹּל שִׁלְטֵי הַגִּבֹּרִים.
6. וְרוּחַ אֱלֹהִים, מְרַחֶפֶת עַל-פְּנֵי הַמָּיִם, et spiritus Dei ferebatur super aquas.

Terug naar Inhoud

De hidjra in de koran

De hidjra was de migratie van de profeet Mohammed van Mekka naar Medina. De datum van die hidjra, 20 september 622 (of toch een andere), werd nog geen twintig jaar later tot beginpunt van de islamitische jaartelling gemaakt. De gebeurtenis werd dus van groot belang geacht.

In de koran komt het verbaal substantief hidjra niet voor. Wel is er meermalen sprake van mensen die geëmigreerd waren (alladhīna hādjarū) ofwel Emigranten (muhādjirūn). Deze zijn ‘naar God en zijn gezant’ of ‘op de weg Gods’ geëmigreerd. Het laatste staat meestal voor oorlog voeren. Emigratie gaat gepaard met strijden voor de goede zaak. Slechts éénmaal duidt de koran aan dat ook de profeet een muhādjir was, en alleen indirect: in vers 33:50 wordt gesproken over vrouwelijke verwanten ‘die met jou geëmigreerd zijn’.

Van de Emigranten wordt in de koran meermalen gezegd dat zij ‘uit hun woonsteden verdreven zijn’ (ukhridjū min diyārihim). Dit wordt op enkele plaatsen ook van de profeet gezegd, bijv. in koran 9:40, 47:13; 2:191(?). In 17:76 wordt gezegd: ‘Bijna hadden ze jou het land uitgejaagd…’ en in 9:13 dat ze het van plan waren geweest.

Wat was de aard, wat was de reden van Mohammeds migratie? De Nederlandse oriëntalist Chr. Snouck Hurgronje streed in 1886 tegen de toen heersende opvatting dat de hidjra een vlucht was.1 Het woord hidjra betekent: ‘de banden verbreken, zijn stad of stam verlaten om zich elders te vestigen, emigreren’. Volgens Snouck was het een deel van een plan, van een strategie: ‘De Hidjra werd dus door Mohammed, wegens zijn met den tijd veranderde opvatting zijner zending, lang te voren zorgvuldig beraamd.’ Zo is ook de gangbare islamitische opvatting, die al bij ‘Urwa is te vinden, al krijgt het heilsplan Gods daar natuurlijk de hoofdrol. Bij de oriëntalisten is er sinds Snouck niet veel veranderd. Een goed overzicht van het gangbare oriëntalistische verhaal geeft W. Montgomery Watt.2

‘Het’ algemeen bekende verhaal over de hidjra staat niet in de koran, maar in de biografische teksten over de profeet en in hadithen, uiteraard in verschillende versies. Zie bij voorbeeld de twee basisversies van ‘Urwa ibn al-Zubayr hier (@maar is nog niet af@) en een uitgewerkte versie van Ibn Ishāq hier. In grote lijnen gaat het alsvolgt: Mohammed en zijn aanhangers werden in Mekka getreiterd. Sommige gelovigen waren al naar Ethiopië geëmigreerd, de meesten waren ook weer teruggekomen of kwamen alsnog terug. Pogingen om medestanders te vinden onder de bedoeïenen en in Tā’if liepen op niets uit. Een groep inwoners van Yathrib (Medina), die naar de jaarmarkt in Mekka kwam, wilde zich echter wel met Mohammed inlaten. Na twee jaren van onderhandelingen en voorbereidingen vertrokken eerst de gelovigen naar Medina en tenslotte Mohammed zelf.

Het in de koran gebruikte werkwoord akhradja: ‘eruit werken, eruit gooien, uitzetten, verdrijven, verjagen’ wijst inderdaad niet op een vlucht, maar evenmin op de souvereine beslissing te vertrekken. In het biografische verhaal ontbreekt dat woord geheel. Ibn Ishāq heeft aan zijn versie een uitvergroting van Koran 8:30 toegevoegd. Daar beraadslaagt de gemeenteraad van Mekka over wat te doen met Mohammed: hem doden, hem eruit gooien of hem gevangen zetten? In het verhaal besluit men hem er juist niet uit te gooien: dan zou hij immers buiten de stad maar bondgenoten gaan zoeken. Nee, ze zullen hem ’s nachts doden, in zijn eigen bed. God brengt Mohammed op de hoogte en deze weet … te vluchten. Na een spannende achtervolging vindt hij met Gods hulp beschutting in een grot en bereikt vandaar Medina. Toch een vlucht dus; maar alleen in een toegevoegd deel van het hidjra-verhaal.

Uit kiesheid vermeden de oude biografen het blijkbaar, het koranische motief ‘eruit gooien’ ter sprake te brengen in verband met Mohammeds hidjra, die volgens hen niet op enig initiatief van de heidenen berustte, maar op een heilsplan van God en op zelfstandig handelen van zijn profeet. Begrijpelijk, want zo klinkt het een stuk positiever. Maar naar mijn indruk wordt het ‘eruit gooien, verjagen’ (al dan niet ‘bijna’) ook in moderne wetenschappelijke beschouwingen over de hidjra genegeerd.

NOOT
1. In zijn Twee populaire dwalingen verbeterd, herdrukt in Chr. Snouck Hurgronje, Verspreide geschriften, 6 dln, Bonn/Leiden 1923–27, i, 295–305 (online hier).
2. W. Montgomery Watt, Muhammad at Mecca, Oxford 1953, 141–51.

Ga naar De hidjra volgens ‘Urwa ibn al-Zubayr     De hidjra volgens Ibn Ishāq

Terug naar Inhoud

De islamistische steniging: een modern fenomeen

Waar stenen zijn wordt ermee gegooid, ook naar mensen. In een mindere buurt van Tetuan in Marokko ben ik ooit door jongetjes met stenen bekogeld. De jongens waren klein en de stenen gelukkig ook; bovendien riep een oudere man hen tot de orde; toen hielden ze op en kwam ik er zonder kleerscheuren vanaf. In oorlogjes tussen groepen straatjongens in bij voorbeeld Jemen werd er serieus met stenen gegooid; daarbij vielen ook wel eens ernstig gewonden. Ze hadden daar nog geen moorddadige computerspelletjes.1
 Uit het Noorden herinner ik me alleen sneeuwballengevechten, die van spel in ernst kunnen ontaarden als er met keiharde ‘bommen’ gegooid wordt van samengeperste sneeuw met een steen erin.

Door volwassenen worden er soms mensen doelbewust dood gestenigd bij wijze van volksgericht. Dat heeft voor de daders een voordeel: omdat het door een groep gebeurt is het niet mogelijk vast te stellen wie uiteindelijk de dodelijke steen gegooid heeft. In omgevingen waar steniging als moord geldt en de dader zich voor een gerecht moet verantwoorden kan deze niet worden vervolgd, omdat hij onbekend is. En in omgevingen waar bloedwraak heerst wordt zo voorkomen dat er bloedwraak op gang komt, die dan weer wraak van de andere kant oproept, enzovoort. Dat is eens te meer het geval wanneer verwanten van de gestenigde de dodelijke stenen gooien: zij zijn identiek met de rechthebbenden op bloedwraak, dus die vindt niet plaats.

Wél te onderscheiden zijn spontane steniging, een vorm van lynchjustitie, en steniging op grond van een doodvonnis na een rechtsgang, op grond van wetgeving. Hieronder ga ik het uitsluitend hebben over het laatstgenoemde: steniging op grond van een gerechtelijk vonnis.

Mij zijn twee rechtssystemen bekend waarin de doodstraf door steniging is voorzien: dat van het Oude Testament en dus van het jodendom, en dat van de islam.

Joden stenigen niet. Hoe ze het hebben klaargespeeld de betreffende zeer harde rechtsregels uit hun Heilige Schrift ongeldig te verklaren is mij onbekend. Een Oudtestamenticus die ik ernaar vroeg zei me, dat de wetten van het Oude Testament tot stand zijn gekomen na de ondergang van het oude Israël en Juda en dus nooit zijn toegepast. Hij vond geen aanwijzing dat er in die staatjes ooit door steniging was terechtgesteld. Na 586 v.Chr. leefden de joden als minderheid in andere staten en waren ze niet bevoegd zelf doodvonnissen uit te voeren. Dat is bekend uit het oude Perzië, waar veel joden woonden, en ook van het geval van Jezus, waar joden vonnis velden, maar Romeinen in hogere instantie het vonnis moesten bekrachtigen en ten uitvoer brengen. Dezen kozen zoals bekend voor een strafvoltrekking in Romeinse, niet in oudtestamentische stijl.

Moslims stenigden vroeger ook niet, hoewel het in enkele rechtsbronnen van de sharia ondubbelzinnig wordt aanbevolen. In andere rechtsbronnen vonden zij echter de juridische middelen om daaronder uit te komen; daarover op bladzijde twee. Maar sinds enkele decennia stenigen zij soms wél. In alle gevallen is het de straf voor buitenechtelijk geslachtsverkeer, tussen man en vrouw of tussen personen van het mannelijk geslacht.

– In Iran bijvoorbeeld werden tussen 1980-1989 76 personen op grond van een gerechtelijk vonnis gestenigd (bron: Amnesty International), en 74 over de periode van 1990–2009 (bron: International Committee Against Execution). In de laatste pakweg tien jaar zijn er pogingen gedaan de steniging uit het de Iraanse wetgeving te verwijderen; dat is maar ten dele gelukt. Maar in de praktijk wordt sinds 2009 de steniging in Iran omgezet in andere vormen van executie.
– In Saoedi-Arabië, dat sinds 1932 bestaat, wordt meestal onthoofd en met de kogel geëxecuteerd, maar ook wel eens gestenigd. Cijfers zijn mij niet bekend.
– In de Verenigde Arabische Emiraten zijn er tussen 2006 en 2014 ongeveer tien gevallen van steniging bekend.
– In Afghanistan werd er gestenigd tijdens het Taliban-regime, en daarna nog wel eens door de Taliban. Hoewel dat laatste geen spontane volksgerichten betrof kun je het ook geen rechtspleging noemen, want sinds 2004 is in Afghanistan steniging verboden en gelden de Taliban als rebellen.
– In de ‘Islamic State’ wordt gestenigd; cijfers zijn mij onbekend.
– Uit Sudan zijn er uit 2012 twee gevallen bekend waarin iemand tot dood door steniging werd veroordeeld, maar de vonnissen zijn niet uitgevoerd.
– In Noord-Nigeria (zonder Boko Haram) zijn er sinds 2000 meer dan twaalf personen tot steniging veroordeeld, maar de vonnissen zijn niet uitgevoerd.
– Mauretanië? Vast wel.
– In Pakistan wordt er niet gestenigd door de overheid; die veroordeelt stenigers juist als moordenaars. Wel vinden stenigingen plaats na vonnissen door stamrechtbanken – welke bevoegdheid deze hebben en hoe groot het verschil is met lynchjustitie is me niet duidelijk.
– In Somalië wordt gestenigd na vonniswijzing door zelfbenoemde zg. shariarechtbanken van terroristengroepen zonder legitimiteit (2009–2014).
– In de Indonesische deelstaat Aceh (Atjeh) en in Brunei (2013) was men voornemens steniging op te nemen in het wetboek, maar het is er bij mijn weten niet van gekomen.

Deze gegevens zijn onvolledig en niet waterdicht; ik heb ze ontleend aan het Wikipedia-artikel ‘Stoning’. Dat is natuurlijk onbevredigend, maar ik ga er niet verder naar speuren. Het artikel maakt geen onderscheid tussen lynchjustitie en steniging op grond van een gerechtelijk vonnis. Een grote lijn wordt toch wel zichtbaar. Opvallend is dat vrijwel al die stenigingen uit de jongste tijd dateren. In de late twintigste eeuw is er in een aantal islamitische landen een tendens, steniging in de wetgeving op te nemen en toe te passen, en in onze eeuw zien we een streven, stenigingen niet door te laten gaan, hoewel men vindt dat ze ‘eigenlijk’ zouden moeten worden uitgevoerd. Voor autoriteiten is stenigen zonder twijfel een hoop gedoe: er moet een groep mensen worden samengesteld die de stenen gaat gooien; die moet niet zelden tot die rotklus worden gedwongen en iedereen houdt er een vieze smaak aan over. Bovendien komt het buitengewoon onmodern over. Voor een overheid is het eenvoudiger andere vormen van executie toe te passen: door een beul die ambtenaar is, dan weet je wat je hebt en je bent meteen van het gezeur in de media af, die zich geweldig opwinden over stenigingen, maar over modernere vormen van terechtstelling veel minder.

Maar hoe was het dan vóór 1980, of evt. vóór 1932? Toen werd er NIET gestenigd op basis van een gerechtelijk vonnis. Steniging is in de islamitische wereld een modern fenomeen, dat ten onrechte ‘middeleeuws’ wordt genoemd.

De Duitse hoogleraar Th. Bauer heeft vele geschiedwerken over de oude tijd in het Midden Oosten doorgeploegd en stiet daarbij op talrijke met verve vertelde berichten over folteringen en executies, maar hij kwam slechts één geval van steniging tegen, en dat zorgde voor grote consternatie:

  • ‘Er waren opstandelingen en rovers die gekruisigd werden – de dichters stortten zich erop en schreven spectaculaire gedichten – sensatielust is immers geen modern verschijnsel. Er waren machthebbers die folterden en lieten terechtstellen – de kroniekschrijvers berichten het in alle uitvoerigheid – maar nergens wordt over een steniging bericht. Met één enkele uitzondering. Bij mijn weten was er in de periode tussen 800 en de twintigste eeuw maar één enkel met zekerheid aantoonbaar geval van een steniging wegens echtbreuk in het kerngebied van de islam. Deze vond plaats omstreeks 1670 in het Ottomaanse Rijk, was evenals de tegenwoordige gevallen politiek gemotiveerd en zorgde voor een daverend schandaal. De verantwoordelijke rechter werd uit zijn ambt ontzet. De kroniekschrijver die over het geval vertelt betoont zich eveneens verontwaardigd. Hij houdt stenigingen in het geheel niet voor islamitisch. Zoiets is sinds de vroegste tijd van de islam niet meer voorgekomen, constateert hij verontrust. Ook voor hem waren stenigingen iets atavistisch en onmenselijks.’ 2

– Waar halen moderne moslims dat stenigen dan vandaan? Uit hadithen en een nep-koranvers. En waarom werd er vroeger dan niet gestenigd? Op grond van twee echte koranverzen, bepaalde interpretaties van de rechtsbronnen, toepassing van het bewijsrecht en een aantal knepen. Dat staat op bladzij 2. En vooral op grond van een onmoderne, niet-verwesterste omgang met de oude teksten, die nu verloren is gegaan. Zie daarover bladzij 3.

NOTEN:
1. Roes, Leeg kwartier, bijv. 433–4, 581.
2. Bauer, Musterschüler, 10; ; vertaling van mij. Ook in Bauer, Ambiguität, 280–282 en Rohe, Recht, 135–6.