Aisja, een geval van accommodatie

Ja hoor, er kwam weer zo’n vraag binnen: ‘Wat zegt de Koran over Aisja?’1 Niets, geachte lezers, helemaal niets.2 Maar moslims hebben sinds eeuwen gemeend toch iets over haar in de Schrift te kunnen lezen. Koran 24:11 bij voorbeeld zou zelfs over haar geopenbaard zijn:

Zij die de leugen hebben verbreid zijn slechts een kleine groep onder u. Beschouwt het niet als iets slechts voor u, neen, het is juist iets goeds. Ieder van hen wordt de zonde die hij begaan heeft aangerekend, maar de grootste boosdoener wacht een ontzaglijke straf.

En eigenlijk horen de volgende verzen daar nog bij:

Hadden de gelovige mannen en vrouwen, toen jullie het hoorden, maar iets goeds bij zich zelf gedacht. […] Toen jullie elkaar napraatten en oppervlakkig spraken over iets waarover jullie niets wisten, en dat jullie onbelangrijk vonden, terwijl het toch bij God zwaar weegt. [Koran 24:12–15]

Ziet U hier iets over Aisja? In geen velden of wegen. Hier iets over haar te lezen lukt alleen als U een heel verhaal op de koop toe neemt, namelijk dat van de ‘leugen’ (al-ifk), dat dateert van decennia na de koran en niet teruggaat op de profeet, zoals dat bij hadithen graag wordt gezien, maar op verschillende vertellers. Dat verhaal loopt alsvolgt: Aisja blijft tijdens een reis even achter. De karavaan vertrekt zonder te bemerken dat zij ontbreekt. Zij wordt terugbezorgd door een man, en dadelijk circuleert het gerucht dat deze de situatie misbruikt heeft. Een lastercampagne komt op gang, die zelfs de profeet niet onberoerd laat: hij negeert Aisja een tijdlang. Het verhaal zelf vindt U hier. Tenslotte komt alles nog goed, doordat God zelf ingrijpt en de bovenstaande koranverzen openbaart, waardoor Aisja van schuld wordt vrijgepleit en de schuldigen straf wordt aangezegd. Dit alles ‘weten’ we dus uit dat verhaal, dat niet uit de koran stamt, maar uit de profetenbiografie. Het wordt eeuw in, eeuw uit in korancommentaren en profetenbiografiën herhaald, maar omdat de schrijvers daarvan slechts gewone mensen waren — heiligen of kerkvaders kent de islam niet — is niemand eraan gebonden.

Als er veel korantekst in een verhaal zit zijn er grof gezegd twee mogelijkheden. 1. De korantekst staat centraal en het verhaal dient om die korantekst te verklaren. Dat heet koranexegese of tafsīr. 2. Er was eerst een verhaal en om dat overtuigender of stichtelijker te maken worden daar koranverzen in aangebracht; verzen die oorspronkelijk misschien heel ergens anders over gingen. Dat heet ‘koraniseren’.
In ieder geval zal de korantekst tenminste enkele tientallen jaren ouder zijn dan het verhaal.

Het verhaal over Aisja’s onschuld diende om een lastercampagne over haar onkuisheid te ontkrachten. Waarom zou iemand de bloedjonge vrouw van de profeet willen bezwadderen, een of twee jaar na hun huwelijk? Dat moet pas veel later zijn gedaan, met terugwerkende kracht, toen de profeet allang dood was en toen Aisja politiek actief was en in conflict met kalief ‘Alī (reg. 656–661). De auteur(s) doen overdreven veel moeite om de onschuld van Aisja aan te tonen en ze trekken daarbij alle registers open, ook koranische, want die klinken heerlijk vroom. Een oorspronkelijk verband tussen het verhaal en die koranverzen zie ik niet. De koran is erbij gesleept.

Aisja is lang niet het enige onderwerp waarover moslims graag iets in de koran hadden gelezen en dat uiteindelijk ook doen.2

———–

Mulier amicta sole

Mulier amicta sole

Ik was benieuwd of christenen ook zulke gevallen kennen en inderdaad, bij de Maagd Maria, de topvrouw van de christenen, was het meteen raak. Over haar staat wel iets in de bijbel (het bekende ‘kerstverhaal’ plus nog enkele andere snippers), maar voor de miljoenen echte Maria-vereerders was dat blijkbaar niet genoeg. Men heeft dus een aantal bijbelteksten geherinterpreteerd om aan hun verlangens te voldoen. In Openbaring 12:1 is bij voorbeeld sprake van ‘een vrouw bekleed met de zon, met de maan onder haar voeten en een krans van twaalf sterren op haar hoofd.’ 3 Zij is hoogzwanger en een zevenkoppige draak staat al te wachten om haar kind te verslinden, maar dat wordt gered en naar de Heer gebracht. Je zou hierbij inderdaad even aan de moeder Gods kunnen denken, want dat kind is ‘een zoon, die alle volken met een ijzeren herdersstaf zal hoeden,’ en die ijzeren staf is vlgs. 19:14 ook het attribuut van Christus. Maar dan had de auteur van de Openbaring wel een heel andere visie op Jezus en zijn moeder dan de evangelisten. Misschien had hij eerder Eva, of de vrouw in het algemeen in zijn hoofd: al in Genesis 3:15 wordt immers de strijd tussen de slang en de vrouw en haar nageslacht voorzegd.4

Turris davidica

Turris davidica

Nog vergezochter is het, Maria te ontdekken in Hooglied 4:4, waar ‘Salomo’ over zijn geliefde dicht: ‘Je hals is als de toren van David (turris davidica) die in ringen is gebouwd, die met schilden is behangen, met wel duizend schilden van helden.’5 Dat wordt door de katholieke Christenheid ook op Maria betrokken. Ieder verband met de pas eeuwen later levende moeder van Jezus lijkt hier ver te zoeken. De behoefte aan bijbelverzen over haar was blijkbaar zo enorm dat ook dit vers voor het gewenste doel kon worden aangewend. Dat heet accomodatie: een dogmatisch correcte en liturgisch bruikbare toepassing van een schriftwoord of een heilige persoon of zaak, die echter geen steun vindt in de tekst. Het punt van vergelijking is in dit geval blijkbaar de stevigheid van een toren en de bescherming die ervan uitgaat.

Een geval van accomodatie waar ook de protestanten aan meedoen is in de woorden: ‘… Gods wind/geest(?) zweefde over het water’ (Genesis 1: 2)6 de Heilige Geest, het derde lid van de Heilige Drieëenheid/Drievuldigheid, te ontdekken.

Zonder twijfel bestaan er nog veel meer bijbelverzen waarin men heel andere onderwerpen zonder steun van de tekst behandeld heeft gezien.

Moslims en christenen hebben verschillende werkwijzen, maar allen bedienen zij zich vrijmoedig bij hun heilige schrift, wanneer zij daarin iets willen lezen dat er niet in staat. Tot de eigenschappen van heilige schriften behoort, dat zij schier oneindig rekbaar zijn, tot ver buiten de grenzen van hun tekst.

NOTEN
1. Naar verluidt was Aisja de lievelingsvrouw van de profeet Mohammed. Zie over haar hier en hier en hier.
2. Er staat heel veel niet in de koran; zie daarover hier
3. Mulier amicta sole et luna sub pedibus eius et in capite eius corona stellarum duodecim. Het oorspronkelijke Grieks kunt U natuurlijk ook krijgen: γυνὴ περιβεβλημένη τὸν ἥλιον, καὶ ἡ σελήνη ὑποκάτω τῶν ποδῶν αὐτῆς, καὶ ἐπὶ τῆς κεφαλῆς αὐτῆς στέφανος ἀστέρων δώδεκα, maar zulke dingen klinken in het Latijn vaak veel beter.
4. En de woorden ‘haar nageslacht’ (τοῦ σπέρματος ἀυτῆς, de semine eius) worden weer opgepakt in Openbaring 12:17.
5. Sicut turris David collum tuum, quae aedificata est cum propugnaculis: mille clipei pendent ex ea, omnis armatura fortium. כְּמִגְדַּל דָּוִיד צַוָּארֵךְ, בָּנוּי לְתַלְפִּיּוֹת; אֶלֶף הַמָּגֵן תָּלוּי עָלָיו, כֹּל שִׁלְטֵי הַגִּבֹּרִים.
6. וְרוּחַ אֱלֹהִים, מְרַחֶפֶת עַל-פְּנֵי הַמָּיִם, et spiritus Dei ferebatur super aquas.

Terug naar Inhoud

De hidjra in de koran

De hidjra was de migratie van de profeet Mohammed van Mekka naar Medina. De datum van die hidjra, 20 september 622 (of toch een andere), werd nog geen twintig jaar later tot beginpunt van de islamitische jaartelling gemaakt. De gebeurtenis werd dus van groot belang geacht.

In de koran komt het verbaal substantief hidjra niet voor. Wel is er meermalen sprake van mensen die geëmigreerd waren (alladhīna hādjarū) ofwel Emigranten (muhādjirūn). Deze zijn ‘naar God en zijn gezant’ of ‘op de weg Gods’ geëmigreerd. Het laatste staat meestal voor oorlog voeren. Emigratie gaat gepaard met strijden voor de goede zaak. Slechts éénmaal duidt de koran aan dat ook de profeet een muhādjir was, en alleen indirect: in vers 33:50 wordt gesproken over vrouwelijke verwanten ‘die met jou geëmigreerd zijn’.

Van de Emigranten wordt in de koran meermalen gezegd dat zij ‘uit hun woonsteden verdreven zijn’ (ukhridjū min diyārihim). Dit wordt op enkele plaatsen ook van de profeet gezegd, bijv. in koran 9:40, 47:13; 2:191(?). In 17:76 wordt gezegd: ‘Bijna hadden ze jou het land uitgejaagd…’ en in 9:13 dat ze het van plan waren geweest.

Wat was de aard, wat was de reden van Mohammeds migratie? De Nederlandse oriëntalist Chr. Snouck Hurgronje streed in 1886 tegen de toen heersende opvatting dat de hidjra een vlucht was.1 Het woord hidjra betekent: ‘de banden verbreken, zijn stad of stam verlaten om zich elders te vestigen, emigreren’. Volgens Snouck was het een deel van een plan, van een strategie: ‘De Hidjra werd dus door Mohammed, wegens zijn met den tijd veranderde opvatting zijner zending, lang te voren zorgvuldig beraamd.’ Zo is ook de gangbare islamitische opvatting, die al bij ‘Urwa is te vinden, al krijgt het heilsplan Gods daar natuurlijk de hoofdrol. Bij de oriëntalisten is er sinds Snouck niet veel veranderd. Een goed overzicht van het gangbare oriëntalistische verhaal geeft W. Montgomery Watt.2

‘Het’ algemeen bekende verhaal over de hidjra staat niet in de koran, maar in de biografische teksten over de profeet en in hadithen, uiteraard in verschillende versies. Zie bij voorbeeld de twee basisversies van ‘Urwa ibn al-Zubayr hier (@maar is nog niet af@) en een uitgewerkte versie van Ibn Ishāq hier. In grote lijnen gaat het alsvolgt: Mohammed en zijn aanhangers werden in Mekka getreiterd. Sommige gelovigen waren al naar Ethiopië geëmigreerd, de meesten waren ook weer teruggekomen of kwamen alsnog terug. Pogingen om medestanders te vinden onder de bedoeïenen en in Tā’if liepen op niets uit. Een groep inwoners van Yathrib (Medina), die naar de jaarmarkt in Mekka kwam, wilde zich echter wel met Mohammed inlaten. Na twee jaren van onderhandelingen en voorbereidingen vertrokken eerst de gelovigen naar Medina en tenslotte Mohammed zelf.

Het in de koran gebruikte werkwoord akhradja: ‘eruit werken, eruit gooien, uitzetten, verdrijven, verjagen’ wijst inderdaad niet op een vlucht, maar evenmin op de souvereine beslissing te vertrekken. In het biografische verhaal ontbreekt dat woord geheel. Ibn Ishāq heeft aan zijn versie een uitvergroting van Koran 8:30 toegevoegd. Daar beraadslaagt de gemeenteraad van Mekka over wat te doen met Mohammed: hem doden, hem eruit gooien of hem gevangen zetten? In het verhaal besluit men hem er juist niet uit te gooien: dan zou hij immers buiten de stad maar bondgenoten gaan zoeken. Nee, ze zullen hem ’s nachts doden, in zijn eigen bed. God brengt Mohammed op de hoogte en deze weet … te vluchten. Na een spannende achtervolging vindt hij met Gods hulp beschutting in een grot en bereikt vandaar Medina. Toch een vlucht dus; maar alleen in een toegevoegd deel van het hidjra-verhaal.

Uit kiesheid vermeden de oude biografen het blijkbaar, het koranische motief ‘eruit gooien’ ter sprake te brengen in verband met Mohammeds hidjra, die volgens hen niet op enig initiatief van de heidenen berustte, maar op een heilsplan van God en op zelfstandig handelen van zijn profeet. Begrijpelijk, want zo klinkt het een stuk positiever. Maar naar mijn indruk wordt het ‘eruit gooien, verjagen’ (al dan niet ‘bijna’) ook in moderne wetenschappelijke beschouwingen over de hidjra genegeerd.

NOOT
1. In zijn Twee populaire dwalingen verbeterd, herdrukt in Chr. Snouck Hurgronje, Verspreide geschriften, 6 dln, Bonn/Leiden 1923–27, i, 295–305 (online hier).
2. W. Montgomery Watt, Muhammad at Mecca, Oxford 1953, 141–51.

Ga naar De hidjra volgens ‘Urwa ibn al-Zubayr     De hidjra volgens Ibn Ishāq

Terug naar Inhoud

De islamistische steniging: een modern fenomeen

Waar stenen zijn wordt ermee gegooid, ook naar mensen. In een mindere buurt van Tetuan in Marokko ben ik ooit door jongetjes met stenen bekogeld. De jongens waren klein en de stenen gelukkig ook; bovendien riep een oudere man hen tot de orde; toen hielden ze op en kwam ik er zonder kleerscheuren vanaf. In oorlogjes tussen groepen straatjongens in bij voorbeeld Jemen werd er serieus met stenen gegooid; daarbij vielen ook wel eens ernstig gewonden. Ze hadden daar nog geen moorddadige computerspelletjes.1
 Uit het Noorden herinner ik me alleen sneeuwballengevechten, die van spel in ernst kunnen ontaarden als er met keiharde ‘bommen’ gegooid wordt van samengeperste sneeuw met een steen erin.

Door volwassenen worden er soms mensen doelbewust dood gestenigd bij wijze van volksgericht. Dat heeft voor de daders een voordeel: omdat het door een groep gebeurt is het niet mogelijk vast te stellen wie uiteindelijk de dodelijke steen gegooid heeft. In omgevingen waar steniging als moord geldt en de dader zich voor een gerecht moet verantwoorden kan deze niet worden vervolgd, omdat hij onbekend is. En in omgevingen waar bloedwraak heerst wordt zo voorkomen dat er bloedwraak op gang komt, die dan weer wraak van de andere kant oproept, enzovoort. Dat is eens te meer het geval wanneer verwanten van de gestenigde de dodelijke stenen gooien: zij zijn identiek met de rechthebbenden op bloedwraak, dus die vindt niet plaats.

Wél te onderscheiden zijn spontane steniging, een vorm van lynchjustitie, en steniging op grond van een doodvonnis na een rechtsgang, op grond van wetgeving. Hieronder ga ik het uitsluitend hebben over het laatstgenoemde: steniging op grond van een gerechtelijk vonnis.

Mij zijn twee rechtssystemen bekend waarin de doodstraf door steniging is voorzien: dat van het Oude Testament en dus van het jodendom, en dat van de islam.

Joden stenigen niet. Hoe ze het hebben klaargespeeld de betreffende zeer harde rechtsregels uit hun Heilige Schrift ongeldig te verklaren is mij onbekend. Een Oudtestamenticus die ik ernaar vroeg zei me, dat de wetten van het Oude Testament tot stand zijn gekomen na de ondergang van het oude Israël en Juda en dus nooit zijn toegepast. Hij vond geen aanwijzing dat er in die staatjes ooit door steniging was terechtgesteld. Na 586 v.Chr. leefden de joden als minderheid in andere staten en waren ze niet bevoegd zelf doodvonnissen uit te voeren. Dat is bekend uit het oude Perzië, waar veel joden woonden, en ook van het geval van Jezus, waar joden vonnis velden, maar Romeinen in hogere instantie het vonnis moesten bekrachtigen en ten uitvoer brengen. Dezen kozen zoals bekend voor een strafvoltrekking in Romeinse, niet in oudtestamentische stijl.

Moslims stenigden vroeger ook niet, hoewel het in enkele rechtsbronnen van de sharia ondubbelzinnig wordt aanbevolen. In andere rechtsbronnen vonden zij echter de juridische middelen om daaronder uit te komen; daarover op bladzijde twee. Maar sinds enkele decennia stenigen zij soms wél. In alle gevallen is het de straf voor buitenechtelijk geslachtsverkeer, tussen man en vrouw of tussen personen van het mannelijk geslacht.

– In Iran bijvoorbeeld werden tussen 1980-1989 76 personen op grond van een gerechtelijk vonnis gestenigd (bron: Amnesty International), en 74 over de periode van 1990–2009 (bron: International Committee Against Execution). In de laatste pakweg tien jaar zijn er pogingen gedaan de steniging uit het de Iraanse wetgeving te verwijderen; dat is maar ten dele gelukt. Maar in de praktijk wordt sinds 2009 de steniging in Iran omgezet in andere vormen van executie.
– In Saoedi-Arabië, dat sinds 1932 bestaat, wordt meestal onthoofd en met de kogel geëxecuteerd, maar ook wel eens gestenigd. Cijfers zijn mij niet bekend.
– In de Verenigde Arabische Emiraten zijn er tussen 2006 en 2014 ongeveer tien gevallen van steniging bekend.
– In Afghanistan werd er gestenigd tijdens het Taliban-regime, en daarna nog wel eens door de Taliban. Hoewel dat laatste geen spontane volksgerichten betrof kun je het ook geen rechtspleging noemen, want sinds 2004 is in Afghanistan steniging verboden en gelden de Taliban als rebellen.
– In de ‘Islamic State’ wordt gestenigd; cijfers zijn mij onbekend.
– Uit Sudan zijn er uit 2012 twee gevallen bekend waarin iemand tot dood door steniging werd veroordeeld, maar de vonnissen zijn niet uitgevoerd.
– In Noord-Nigeria (zonder Boko Haram) zijn er sinds 2000 meer dan twaalf personen tot steniging veroordeeld, maar de vonnissen zijn niet uitgevoerd.
– Mauretanië? Vast wel.
– In Pakistan wordt er niet gestenigd door de overheid; die veroordeelt stenigers juist als moordenaars. Wel vinden stenigingen plaats na vonnissen door stamrechtbanken – welke bevoegdheid deze hebben en hoe groot het verschil is met lynchjustitie is me niet duidelijk.
– In Somalië wordt gestenigd na vonniswijzing door zelfbenoemde zg. shariarechtbanken van terroristengroepen zonder legitimiteit (2009–2014).
– In de Indonesische deelstaat Aceh (Atjeh) en in Brunei (2013) was men voornemens steniging op te nemen in het wetboek, maar het is er bij mijn weten niet van gekomen.

Deze gegevens zijn onvolledig en niet waterdicht; ik heb ze ontleend aan het Wikipedia-artikel ‘Stoning’. Dat is natuurlijk onbevredigend, maar ik ga er niet verder naar speuren. Het artikel maakt geen onderscheid tussen lynchjustitie en steniging op grond van een gerechtelijk vonnis. Een grote lijn wordt toch wel zichtbaar. Opvallend is dat vrijwel al die stenigingen uit de jongste tijd dateren. In de late twintigste eeuw is er in een aantal islamitische landen een tendens, steniging in de wetgeving op te nemen en toe te passen, en in onze eeuw zien we een streven, stenigingen niet door te laten gaan, hoewel men vindt dat ze ‘eigenlijk’ zouden moeten worden uitgevoerd. Voor autoriteiten is stenigen zonder twijfel een hoop gedoe: er moet een groep mensen worden samengesteld die de stenen gaat gooien; die moet niet zelden tot die rotklus worden gedwongen en iedereen houdt er een vieze smaak aan over. Bovendien komt het buitengewoon onmodern over. Voor een overheid is het eenvoudiger andere vormen van executie toe te passen: door een beul die ambtenaar is, dan weet je wat je hebt en je bent meteen van het gezeur in de media af, die zich geweldig opwinden over stenigingen, maar over modernere vormen van terechtstelling veel minder.

Maar hoe was het dan vóór 1980, of evt. vóór 1932? Toen werd er NIET gestenigd op basis van een gerechtelijk vonnis. Steniging is in de islamitische wereld een modern fenomeen, dat ten onrechte ‘middeleeuws’ wordt genoemd.

De Duitse hoogleraar Th. Bauer heeft vele geschiedwerken over de oude tijd in het Midden Oosten doorgeploegd en stiet daarbij op talrijke met verve vertelde berichten over folteringen en executies, maar hij kwam slechts één geval van steniging tegen, en dat zorgde voor grote consternatie:

  • ‘Er waren opstandelingen en rovers die gekruisigd werden – de dichters stortten zich erop en schreven spectaculaire gedichten – sensatielust is immers geen modern verschijnsel. Er waren machthebbers die folterden en lieten terechtstellen – de kroniekschrijvers berichten het in alle uitvoerigheid – maar nergens wordt over een steniging bericht. Met één enkele uitzondering. Bij mijn weten was er in de periode tussen 800 en de twintigste eeuw maar één enkel met zekerheid aantoonbaar geval van een steniging wegens echtbreuk in het kerngebied van de islam. Deze vond plaats omstreeks 1670 in het Ottomaanse Rijk, was evenals de tegenwoordige gevallen politiek gemotiveerd en zorgde voor een daverend schandaal. De verantwoordelijke rechter werd uit zijn ambt ontzet. De kroniekschrijver die over het geval vertelt betoont zich eveneens verontwaardigd. Hij houdt stenigingen in het geheel niet voor islamitisch. Zoiets is sinds de vroegste tijd van de islam niet meer voorgekomen, constateert hij verontrust. Ook voor hem waren stenigingen iets atavistisch en onmenselijks.’ 2

– Waar halen moderne moslims dat stenigen dan vandaan? Uit hadithen en een nep-koranvers. En waarom werd er vroeger dan niet gestenigd? Op grond van twee echte koranverzen, bepaalde interpretaties van de rechtsbronnen, toepassing van het bewijsrecht en een aantal knepen. Dat staat op bladzij 2. En vooral op grond van een onmoderne, niet-verwesterste omgang met de oude teksten, die nu verloren is gegaan. Zie daarover bladzij 3.

NOTEN:
1. Roes, Leeg kwartier, bijv. 433–4, 581.
2. Bauer, Musterschüler, 10; ; vertaling van mij. Ook in Bauer, Ambiguität, 280–282 en Rohe, Recht, 135–6.

‘Islam is alleen de koran’

‘Islam is alleen de koran’. Onder deze titel heeft Tawfīq →Sidqī in 1906 een artikel geschreven, waarin hij de mening verkondigde dat de hadithliteratuur en allerlei andere aankoeksels van de islam maar eens afgeschaft moesten worden, en dat een moslim er genoeg aan had, zich op de koran te verlaten. Wat de christelijke reformator Luther indertijd ook had gezegd: sola scriptura, ‘alleen de Schrift’.
Tawfīq Sidqī (1881–1920) was gevangenisarts in Tura bij Cairo. Een gestudeerd mens met kennis van de moderne talen, maar niet geverseerd in de traditionele islamitische geleerdheid en evenmin in letterkunde. In de eeuw na hem zien we dat zijn mening over de hadith dikwijls wordt opgepakt door ontwikkelde moslims van vooral de ‘bêta’-richting: artsen, ingenieurs en dergelijke. De verdedigers van het standpunt dat de koran voldoende is, van wie er steeds meer lijken te komen, worden wel koranisten genoemd.1

  • ‘Alle moslims zijn het erover eens,’ aldus Sidqī, ‘dat de tekst van de koran definitief is, omdat hij woordelijk zo van de profeet is overgeleverd zonder dat er iets aan toe of af is gedaan, en is neergeschreven in zijn tijd en op zijn bevel, anders dan de profetische hadithen, waarvan überhaupt pas na zijn dood iets op schrift is gesteld, lang genoeg om fraude en tekstcorruptie mogelijk te maken. Daarom weten we dat de profeet niet wilde dat iets van hem de mensheid in geschrifte zou bereiken buiten de koran, van welke God garandeert dat hij goed wordt onthouden, volgens k. 15:9: ‘Wij hebben de vermaning nedergezonden en Wij waken erover.’ Als er in de godsdienst iets anders dan de koran nodig was geweest, had de profeet wel bevolen dat schriftelijk vast te leggen en had God gezorgd dat het bewaard bleef.’
    Als nu iemand zegt dat de profeet bevel gaf zijn woorden niet op te schrijven om verwarring met de het woord Gods te voorkomen, hoe is dat dan mogelijk? De koran is immers een godswonder van compositie en geen mensenkind is in staat iets dergelijks te produceren.2

Waarom inderdaad zou een deel van het geloof zijn neergelegd in de koran en een ander deel in de soenna? De koran zegt immers in k. 6:38: ‘Wij hebben in het boek niets veronachtzaamd,’ en in k. 16:89: ‘Wij hebben tot u het boek nedergezonden om alles te verduidelijken …’.
Verder betoogt Sidqī uitvoerig dat ook allerlei kleine regels wel degelijk alleen uit de koran kunnen worden afgeleid; en zo niet, dan zijn ze niet belangrijk en hoeven ze niet te worden nagevolgd.
Er kwam felle kritiek op het artikel, en Manār-redacteur Rashīd Ridā (1865–1935), die overigens hoge achting had voor Sidqī, stuurde een beetje bij, waarop de auteur wat inbond.3

De beroemde Egyptische islamhervormer Muḥammad ‘Abduh (1845–1905) was Sidqī voorgegaan. Ook hij wilde al moderniseren en veel oude koek overboord gooien. Het geloofsgoed wilde hij terugbrengen tot ‘wat meervoudig overgeleverd is, en waarvan bekend is dat het tot de godsdienst behoort, d.w.z. wat in de Schrift staat en een beetje uit de sunna ‘amalīya.’ 4 Met dat laatste bedoelde hij meervoudig overgeleverde hadithen, waarin praktische zaken aan de orde komen, zoals de uitvoering van het gebed of de bedevaart.

‘Abduhs leerling en medewerker Rashīd Ridā geraakte na het overlijden van zijn leermeester steeds verder van diens standpunten verwijderd. Op den duur zou hij duidelijk de weg terug inslaan, naar een gefingeerd en geïdealiseerd verleden.

Als niet-muslim probeer ik vanaf de zijlijn een beetje mee te denken en moet dan constateren dat er zonder hadith van de islam maar weinig zou overblijven. Het kán niet, een islam met alleen de koran. Er staat zó veel niet in de koran! Grote delen van de sharia zouden dan komen te vervallen—en niet alleen de delen die men graag kwijt wil. De koran is zonder exegese vrijwel niet te begrijpen, dus in plaats van de hadith zouden dan meer dan ooit de korancommentaren op de voorgrond treden. En daarin staan toch ook weer hadithen; niet in alle commentaren heel veel, maar wel belangrijke. En verder staan die commentaren vol met meningen van personen die duidelijk minder gewicht hebben dan de hadithen. Waarom zou men de hadith wegdoen en dan met die commentaren blijven zitten? De hadith is een literatuur, die behalve stichtend en amusant ook gezichtsbepalend is. ‘Alleen de koran’ zou volgens mij de problemen van moderne moslims ook daarom niet oplossen, omdat de koran eveneens verouderde opvattingen bevat.

Wat dan? Nog steeds vanaf de zijlijn: hadithen ‘wegdoen’ is zonde, al staat er nog zo veel verouderde onzin in. Oude boeken moet je nooit weggooien. Zowel koran als hadith zouden moeten verbleken, in hun wetgevende rol functioneel onschadelijk gemaakt worden. De joden en christenen hebben dat al gedaan. In de Bijbel, Leviticus 13 en 14 bij voorbeeld staan uitvoerige regels over hoe te handelen in geval van melaatsheid, of huidvraat zoals het tegenwoordig heet. De zieke geldt als onrein en in zekere zin schuldig; er is een ritueel, een priester, offers moeten worden gebracht, na genezing volgt een verzoeningsritueel. Moderne joden en christenen doen dat allemaal niet; zij gaan met een huidziekte naar de dermatolooog; grote kans dat ze daar zonder al die poespas genezen vandaan komen. Kortom, die bijbelhoofdstukken zijn verouderd, en vele gelijksoortige hoofdstukken evenzo. Hoe het joden en christenen precies is gelukt dergelijke delen van hun toch buitengewoon heilige Schrift ongeldig te verklaren weet ik niet; vraag het een rabbijn of een pastor. Maar het ís gelukt: de meeste van dergelijke hoofdstukken en andere oude teksten leveren nauwelijks nog overlast op. Is er, islamitisch geformuleerd, een soort ‘afschaffing van de rechtsregel maar niet van de tekst’ (naskh al-hukm dūn al-tilāwa) uitgeoefend? Ik hoop dat het ook de moslims binnenkort gaat lukken van verouderde inhouden in zowel hun Schrift als de hadith af te komen. Stilzwijgend gebeurt dat natuurlijk allang. Niemand5 wil bij voorbeeld meer terug naar Koran 4:3: trouwen met twee, drie of vier vrouwen, en als je die niet rechtvaardig kunt behandelen ‘dan met één, of met slavinnen’. Over die slavinnen hoor je tegenwoordig niet meer; dat deel van het vers is feitelijk al in onbruik geraakt. Het wachten is nog op een standpuntbepaling over verouderde teksten in het algemeen. De abrogatieleer lijkt mogelijkheden te bieden, evenals de bezinning op de ‘doelstellingen van de sharia’ (maqāsid al-sharī‘a): het zoeken naar de ‘geest van de wet’. Daar zijn moslims al lang mee bezig: in de hele islamitische wereld wordt intensief over dit soort onderwerpen gediscussieerd. Het geschreeuw van salafisten werkt daarbij echter vertragend, evenals het woedende geblaas van islamhaters in Europa en Amerika.

NOTEN
1. Ook onder islambestrijders heerst vaak de opvatting dat de islam alleen uit de koran te kennen is, maar bij hen berust zij op onwetendheid.
2. Ṣidqī, Al-islām 515.
3. Juynboll, Authenticity 23–9; Ryad, Islamic reformism 43–6.
4. ‘Abduh, Risāla 189: .بما تواتر وعلم أته من الدين بالضرورة، وهو ما في الكتاب وقليل من السنة في العمل […] Over een uitvoeriger betoog van ‘Abduh over hadith zie Juynboll, Authenticity 15–21.
5. Behalve de halve garen van de ‘Islamitische Staat’, die de slavernij weer hebben ingevoerd.

BIBLIOGRAFIE
Primair:
– Ṣidqī, ‘Al-islām huwa al-qur’ān waḥdahu,’ al-Manār 9 (1906), 515–24. Omdat niet iedereen dat tijdschrift compleet heeft zet ik het artikel online.
– Muḥammad ‘Abduh, Risālat al-tawḥīd, Cairo z.j. (Dār al-Ma‘ārif ± 1970; eerste druk was 1897).

Secundair:
– G. H. A. Juynboll, The Authenticity of the Tradition Literature. Discussions in Modern Egypt, Leiden 1969, 23–9, en zie de General Index.
– Umar Ryad, Islamic reformism and Christianity : a critical reading of the works of Muhammad Rashid Rida and his associates (1898-1935), Diss. Leiden 2008, ch. 1, 43–46, hier online.  Ryads hoofdstuk 6 behandelt Ṣidqī’s weerlegging van het christendom.

Diacritische tekens: Ṣidqī, Ṭura, Riḍā, al-ḥukm, maqāṣid

Terug naar Inhoud

Midden in de winternacht …

… ging de hemel open; de engelen daalden eruit neer en brachten het kind Jezus overeenkomstig zijn geboortester. Zo staat het in soera 97 van de koran — maar enkel en alleen zoals Luxenberg die leest.

Chr. Luxenberg is het pseudoniem van een Syrische christen, die een zekere roem verwierf met zijn Die syro-aramäische Lesart des Koran. Ein Beitrag zur Entschlüsselung der Koransprache, Berlijn 2000. Hij stelt dat de koran geschreven is in een syrisch-arabische mengtaal en dat vele teksten pas begrijpelijk worden als je ze als Syrisch leest. Het beroemdst werd wel zijn opvatting dat de houri’s in het paradijs eigenlijk alleen maar witte druiven zijn. Alsof een mens daarvoor al die moeite zou doen! Zijn boek kreeg veel aandacht in de pers, werd zelfs herdrukt en in het Engels vertaald; en dat hoewel het alleen leesbaar is voor semitisten met kennis van het Syrisch en het Arabisch. Vlak na 9/11 kreeg het de wind in de rug, omdat veel mensen het een prima idee vonden dat ‘de islam’ eens een flink pak slaag kreeg.

Luxenbergs boek kan weerlegd worden, maar dat is toch nog een hoop werk en dat is het niet waard. Daarom dacht ik maar eens een kleiner geschriftje van hem bij de kop te pakken: zijn bewering dat soera 97 van de koran over kerstmis gaat: Weihnachten im Koran.

Ik geef de soera in vertaling; cursief staat het Arabisch dat problematisch is:

  • 1. Wij hebben hem nedergezonden in de nacht van het raadsbesluit (laylat al-qadr).
    2. Hoe weet ge wat de nacht van het raadsbesluit is?
    3. De nacht van het raadsbesluit is beter dan duizend maanden.
    4. De engelen en de geest dalen erin neer met toestemming van uw Heer volgens iedere beschikking (min kull amr?? zeer onduidelijk).
    5. Vrede is hij [de nacht] tot het aanbreken van de dageraad.

Nu de uitleg van Luxenberg:
1. ‘Hem’ is het kind Jezus. Van qadr, ‘raadsbesluit weet Luxenberg alleen chocola te maken wanneer hij het terugvertaalt in het Syrisch, als ḥelqā, en dan denkt hij meteen maar verder aan ḥelqā yaldānāyā, ‘Lot, Lotsbeschikking van de geboorte, en dat is weer synoniem met bēth yaldā, ‘geboorte, standplaats van de geboortester, geboortefeest.’ En zie, daar zijn we al bij de kerstster die ook in het Evangelie voorkomt (Matteüs 2:2).
2. In de Syrische liturgie wordt layla, ‘nacht’ ook gebruikt als verkorting van slothā de lelya, ‘nachtgebed’, een kerkelijke term die overeenkomt met het Latijnse ‘nocturne’. Shahr, ‘maand’ is nooit goed begrepen; het is als Syrisch shahrā te lezen, een andere kerkelijke term: ‘vigilie, nachtwake voor de hoge feestdagen’.
4. De engelen komen niet naar beneden, tanazzalu, maar brengen naar beneden, tunazzilu. Zulk een tekstwijziging binnen het Arabisch is soms te verantwoorden, maar hier zie ik het voordeel niet, daar een object ontbreekt. Het voorzetsel min plus aanhang als zodanig op te vatten: ‘iets van allerlei…’ is niet onmogelijk, maar uiterst vergezocht. Het moeilijke amr vat Luxenberg als een Aramese infinitief op, die hij gelijk stelt met een andere Syrische infinitief, memrā, die als speciale betekenis heeft ‘hymne’.
5. Nu wordt duidelijk dat hier gezinspeeld wordt op Lukas 2:14: er komen engelen naar beneden die hymnen zingen: Ere zij God in den hoge en vrede op aarde … .

Luxenberg komt dan tot de volgende vertaling,— die ik uit zijn Duits vertaal:

  • 1. Wij hebben hem (=het Jezuskind) in de nacht van de lotsbeschikking (=van de geboortester) nedergezonden.
    2. Hoe weet ge wat de nacht van de lotsbeschikking is?
    3. De nacht (= nocturne) van de lotsbeschikking is genaderijker dan duizend vigiliën.
    4. De engelen, door de Geest (begeleid), brengen daarin met toestemming van uw Heer allerlei hymnen (min kull amr) naar beneden.
    5. Vrede is hij [de nacht] tot het aanbreken van de dageraad.

Om dit te slikken moet je dus eerst geloven dat de koran in een Syrisch-Arabische mengtaal geschreven is, wat ik niet doe. Dat zou me zijn opgevallen. Vervolgens moet je de interpretatie van een aantal woorden een Syrische, soms nogal vergezochte betekenis accepteren. De auteur huppelt door de woordenboeken tot hij een door hem gewenst synoniem van een woord vindt, en dan weer terug. Dan zijn er nog een paar niet onbelangrijke zaken: hem = Jezuskind, terwijl op talloze plaatsen in de koran het enige object van het ‘nederzenden’ de koran is; ‘nacht’ = ‘nachtgebed’; ‘beter’ = ‘genaderijker’; ‘maand’ is ‘vigilie’; ‘door de geest’ in plaats van ‘en de Geest’; min als object; een kleine tekstwijziging; amr = memrā = ‘hymnen’ — waar haalt hij het toch allemaal vandaan? Het is te veel: hij moet zó veel aan de tekst knutselen en verbuigen om zijn doel te bereiken, dat het eindresultaat niet  overtuigt—maar dan ook helemaal niet. Dat beetje invloed van de Syrische grammatica, dat er in de koran wel is, is al sinds 1927 bekend; het is niet genoeg om dat boek beter te begrijpen.

Voor mij dus geen kerstfeest in de koran; maar ja, ik ben ook maar een eenvoudige geleerde, die de Waarheid niet ziet.

Een veel serieuzere deconstructie van Luxenbergs kerstfeest benevens reconstructie van de soera vindt U in Nicolai Sinai, “‘Weihnachten im Koran’ oder ‘Nacht der Bestimmung’? Eine Deutung von Sure 97”, Der Islam 88 (2012), 11–32, ook online.

Terug naar Inhoud

Wat niet in de koran staat

Veel ongeschoolde1 moslims beweren iets en zeggen dan ten onrechte dat het zo in de koran staat. Ik krijg ook veel vragen die beginnen met de woorden: ‘Wat zegt de koran over….?’ Dikwijls moet ik als antwoord geven dat de koran over het betreffende onderwerp niets zegt; dan oogst ik ongelovige blikken. De koran is maar een dun boek. In lengte is het vier vijfde van het Nieuwe Testament, zegt men, maar ik heb het niet nagerekend.

Veel misverstanden over de koran zou men kunnen vermijden door het boek te lezen, maar dat is niet iedereen gegeven: het is een oude en moeilijke Arabische tekst. De stelligste beweringen over de inhoud van de koran komen van mensen die hem niet of nauwelijks hebben gelezen.
.
Niets
Over de volgende onderwerpen ‘zegt’ de koran niets:

Sharia. De koran bevat een aantal rechtsregels, niet eens zo veel, die een grondslag vormen van de latere sharia. Het woord sharia (sharī‘a) komt in de koran éénmaal voor (K. 45:18), maar niet in de huidige betekenis van ‘rechtsstelsel’; in de hadith overigens ook niet. Hoe zou het ook? Het stelsel bereikte pas vanaf ± 800 zijn volle rijpheid; dat het sharia genoemd werd duurde nog wat langer.

Kalifaat. Het Arabische woord khalīfa, mv. khulafā’, ‘plaatsvervanger, opvolger’, komt in de koran enige malen voor, maar nergens in de betekenis van ‘opvolger van Mohammed’ of ‘staatshoofd van een islamitische staat’. Van twee profeten wordt gezegd dat God ze tot kalief maakte: van Adam en van David. K. 2:30:

  • Toen uw Heer tot de engelen zei: Ik ga een kalief op aarde aanstellen, zeiden zij: Gaat U daar iemand aanstellen die er verderf brengt en bloed vergiet, terwijl wij U loven en heiligen?

Blijkens de context is met die ‘iemand’ Adam bedoeld. In K. 38:26 heet het:

  • Dāwūd, Wij hebben jou tot kalief op aarde aangesteld.

Wat het woord in deze verzen ook mag betekenen: van de profeet Mohammed wordt niet gezegd dat God hem kalief heeft gemaakt; laat staan van enige mens na hem. Later hebben eeuwenlang kaliefen over zich zelf beweerd of laten beweren, dat zij plaatsvervangers van God op aarde zijn.

– De bestraffing in het graf: de ondervraging door de engelen Munkar en Nakir, een slang in je graf, dat alles wordt in de koran met geen woord vermeld; wel in de hadith.

Martelaren: gaan direct na hun dood naar het paradijs; 72 maagden wachten hen daar als beloning. Dat staat niet in de koran. De beloften over het paradijs, inclusief een onbekend aantal maagden, gelden voor álle gelovigen. De enige verzen die uitsluitend over martelaren gaan zijn K. 3:169-70: 

  • Denk niet dat degenen die sneuvelden voor Gods zaak dood zijn! Nee, zij zijn in leven, en bij hun Heer wordt in hun levensonderhoud voorzien. Zij verheugen zich over wat God hun geeft vanuit zijn goedheid en zijn blij dat er voor degenen die zich nog niet bij hen gevoegd hebben niets te vrezen is en dat zij niet bedroefd zullen zijn. 

Het martelaarschap is typisch een onderwerp van de hadith; dat met die maagden valt trouwens geweldig tegen. Zie verder hier.

Katten en honden, mag je die houden als moslim? Geen woord staat erover in de koran; zie hier.

Dit was natuurlijk maar een selectie. Ook het verbod de profeet of andere levende wezens af te beelden staat niet in de koran. Het vijfmaal daagse bidden evenmin.

 

Niet duidelijk
Er zijn ook onderwerpen waarover de koran mogelijkerwijze wel iets zegt, maar niet erg duidelijk. Zo bij voorbeeld:

Sluierplicht voor vrouwen. Deze wordt behandeld in het nogal volgepakte vers K. 24:31. 

  • En zeg tot de gelovige vrouwen dat zij hun ogen neerslaan en hun schaamdelen (furūdj) kuis bedekt houden en dat zij hun sieraad (zīna) niet openlijk tonen, behalve wat gewoon al zichtbaar is.
    En zij moeten sluiers over hun boezem dragen en hun sieraad niet openlijk tonen,
    behalve aan hun echtgenoten of hun vaders of de vaders van hun echtgenoten of hun zonen of de zonen van hun echtgenoten of hun broers of de zonen van hun broers of de zonen van hun zusters of hun vrouwen of slavinnen over wie zij beschikken of mannelijke volgelingen die geen geslachtsdrift meer hebben of de kinderen die nog niet op de schaamdelen (ʿawrāt) van de vrouwen letten. En zij moeten niet met hun benen  slaan zodat men weet wat zij voor verborgen sieraad dragen.2

Op het eerste gezicht ziet de hier aanbevolen vrouw er ongeveer uit als mijn moeder en zuster: die kijken ook niet brutaal de wereld in en houden hun schaamdelen en borst altijd bedekt. Nogal wiedes eigenlijk. Alleen hun bescheiden sieraden laten zij wel zien.
Ook mannen moeten hun ogen neerslaan en hun furūdj bedekken (K. 24:30). Daaruit begrijpen we dat furūdj inderdaad de genitaliën zijn. Wat ‘awrāt betekent is al heel wat minder duidelijk, maar het lijkt hier synoniem te zijn met furūdj. Nog onduidelijker is wat er bedoeld wordt met zīna, ‘sieraad’. En hoezo wordt het verborgen sieraad bekend wanneer een vrouw met haar benen (tegen elkaar?) slaat? Gaat het daar om rinkelende enkelringen? Hier heerst voor de argeloze lezer onduidelijkheid. Voor de uitleggers natuurlijk niet; zie verderop onder Interpretatie

Afzondering van de vrouw: het enige expliciete vers (K. 33:53) heeft het over de vrouwen van de profeet, niet over vrouwen in het algemeen.
.
Interpretatie
In mijn onderwijspraktijk bleek het onverwacht moeilijk, moslim-studenten het verschil bij te brengen tussen wat er in de koran staat en wat er in een of meer korancommentaren staat. Meestal was het maar één commentaar, dat ze thuis in de kast hadden staan, of waaruit de imam had gepreekt. En vaak was het dat van de domme Ibn Kathīr (± 1300–73) — alsof veertien eeuwen islam niets beters hebben voortgebracht!
Terwijl het zo eenvoudig is en eigenlijk niets met geloof te maken heeft. Een uitspraak staat in ofwel in boek A (dat groene boek hier rechts, waar ‘Koran’ op staat), ofwel in bij voorbeeld boek B (daar links, meerdelig met bruine kaften, waar ‘Commentaar’ op staat). De beide soorten tekst zijn zelfs fysiek gemakkelijk uit elkaar te houden.

Bij de koranexegeet al-Tabarī (gest. 923) vinden we bij voorbeeld zeven bladzijden over het boven aangehaalde vers 24:31; het werd kennelijk belangrijk geacht. Er staat echt commentaar in, bijv. over het woord hun sieraad: ‘dat zijn enkelringen, armbanden, oorringen en halssnoeren’. Dat is nuchtere wetenschap. Als ik een vrouw was zou ik die dingen op straat dus helemaal niet aantrekken maar ze wegstoppen in een jaszak en me verder losjes kleden. Maar dat was blijkbaar niet de bedoeling.
Er staan ook zaken in dat commentaar die niets met het vers te maken hebben, bij voorbeeld: ‘De consensus van allen is dat ieder die het gebed verricht zijn schaamdelen moet bedekken en dat de vrouw haar gezicht en haar armen moet bedekken bij het gebed en dat zij bovendien haar lichaam moet versluieren  behalve wat de profeet heeft toegestaan, namelijk haar onderarmen tot de helft.’ Is dit werkelijk koranuitleg? Het verband met het gecommenteerde vers is ver te zoeken. Als de koran voor iemand een heilige tekst is, moet dan het commentaar van een latere moslim, die noch profeet noch heilige was en al ruim duizend jaar dood is, dat ook zijn? Moeilijk ligt het met de uitspraak van de profeet waarop de tekst zich beroept; die is immers voor moslims bindend. Maar die stamt uit een hadith en is geen uitleg van het geciteerde koranvers.

.
Met de haren erbij gesleept
Er zijn onderwerpen waarover moslims graag iets in de koran gelezen hadden, hoewel er echt niets over in staat. In zo’n geval wordt er vaak een vers genomen en zo geïnterpreteerd dat het net is alsof het er toch in staat. De bovengenoemde Bestraffing in het Graf bij voorbeeld wordt graag herkend in Koran 40:11: ‘Onze Heer, U hebt ons tweemaal laten sterven en twee maal tot leven gebracht.’ De exegeet al-Tabarī (gest. 923) heeft de volgende uitleg bewaard: ‘Ze stierven in deze wereld en werden tot leven gewekt in hun graf, toen werden ze ondervraagd of toegesproken, toen stierven ze in hun graf en werden zij opgewekt in het hiernamaals.’). Of de auteur van het koranvers daar al dan niet aan gedacht heeft is niet aantoonbaar. Ook AIsha staat niet in de koran.

Of er worden andere trucs aangewend, waarvan de bekendste is die met het vers over de steniging.

– Over Steniging staat niets in de Koran. Het heet echter dat er wel degelijk een vers over had bestaan:

  • Wilt niet iets anders dan uw vaderen, want dat is ongeloof voor u. [Zelfs] als een oude man en een oude vrouw ontucht plegen, stenigt hen dan in elk geval, als een straf van God. God is machtig en wijs.4 

Maar dat vers geldt als afgeschaft (mansūkh). In dit geval is de woordelijke tekst afgeschaft, zodat het niet in de koran staat, maar de erin vervatte rechtsregel is geldig, want de steniging komt wel in de Hadith voor. Die *afschaffing is een lastige zaak, die een apart artikeltje behoeft.

Let wel: als iets niet in de koran staat, is het daarom niet onislamitisch. Maar het zou prettig zijn als mensen tenminste de tekstsoorten uit elkaar konden houden: koran, koranuitlegging (tafsīr) en hadith.

 

NOTEN
1. Ik bedoel natuurlijk ongeschoold op het gebied der taal- en letterkunde. Iemand kan installateur zijn, bakker of verpleegkundige, ingenieur of zelfs arts, maar tegelijk ongemeen naïef, ja vrijwel analfabeet zijn wanneer het op het lezen van teksten aankomt, en zeker van oude teksten. Zulke mensen zijn vaak willige slachtoffers van de eveneens vrijwel ongeschoolde islamitische religieuze leiders.
2. Vertaling Leemhuis. Ik heb de lange opsomming van de verwanten hier klein gedrukt om niet van de kleding af te leiden.
3. Je zou denken: ook de polsen moeten bedekt zijn, om de armbanden onzichtbaar te maken. Maar nee, daar is de consensus heel pragmatisch: om huishoudelijk werk nog mogelijk te maken, zoals bij voorbeeld deeg kneden, mogen de onderarmen tot halverwege zichtbaar zijn.
4. لا ترغبوا عن آبائكم فانه كفر بكم. والشيخ والشيخة إذا زينا فارجموهما البتة نكالا من الله والله عزيز حكيم . Ibn Isḥāq, Sīra 1015, al-Ṭabarī, Tarīkh i, 1821, Mālik ibn Anas, Muwaṭṭaʾ, Ḥudūd 10, Ibn Saʿd, Ṭabaqāt, uitg. Sachau iii, i blz. 242 e.a.

Terug naar Inhoud

De hete hel en de koude hel

Uit bijbel en koran kennen wij de Hel als een extreem hete plek, een voortdurend laaiend vuur. In de Arabische tekst Kitāb al-‘Azama (anonym, nog ongedateerd) trof ik naast een uitvoerige beschrijving van de ‘gewone’ hel echter ook een fragment aan over hevige koude in de hel. De auteur kon hier, als altijd onder dekmantel van godsvrucht, zijn sadistische kant weer eens helemaal uitleven.

Mālik is de wachter van de islamitische hel. In koran 43:77 komt hij kort ter sprake, wanneer de gefolterden hem vragen of de Heer hen niet dood kan maken. Hij antwoordt dan: Nee, jullie blijven hier! Het onderstaande uit ‘Azama is een vrije fantasie van een jaar of duizend geleden en maakt geen deel uit van het gebruikelijke islamitische gedachtengoed.

  • […] Dan komen de hellewachters (zabāniya; Koran 96:18) naar voren om de poorten weer te sluiten. De bewoners van de hel het Hellevuur gaan luid tekeer, wenen bitter en zeggen: Mālik, waarom heb je besloten de poorten weer te sluiten? Hij antwoordt: Het is noodzakelijk ze te sluiten en te vernagelen, want in Gehenna is er alleen benauwdheid en bestraffing; zij is pikdonker en vol bestraffingen en verschrikkingen. 
Dan gaan zij luid tekeer en zeggen: Mālik, wijs ons toch iets wat de foltering kan verlichten. Hij antwoordt: Bidt tot jullie Heer, dat hij de boeien niet nog strakker maakt. Dat doen zij, maar telkens als zij bidden wordt het hellekooksel (hamīm) heter voor hen, en de hellewachters worden toornig en tongen van vuur halen uit naar hen tot zij er ellendig aan toe zijn. Dan roepen zij alle samen om hulp: Heer, folter ons met wat Gij wilt en hoe Gij wilt, maar wees niet toornig op ons!
 Dan zeggen zij: Mālik, geef ons iets te drinken, waarmee wij onze ingewanden kunnen verkoelen. Maar hij zegt: Hoop ellendigen, in Gehenna zijn er alleen hellekooksel, kokende olie (muhl) en walgelijk voedsel (ghislīn). Zij zeggen: Dit houden wij niet uit! Hij zegt: Of jullie het uithouden of niet maakt geen verschil; jullie wordt slechts vergolden wat je hebt gedaan. Zij rumoeren allen door elkaar en roepen uit: Mālik, Mālik! – honderd jaar lang. Daarna antwoordt hij: Wat is er, ellendigen? Dan zeggen zij: Mālik, breng ons in de Koude (zamharīr)!
 De hellewachters brengen hen in de koude, die bestaat uit putten, dalen, grotten en holen, …[?] en kloven. Zij slepen hen uit de zeeën van Hellevuur en voeren hen naar de Koude. Verheugd komen zij aan bij de bergen sneeuw en het ijs van de Koude, bij de putten in de Koude en de heuvels van de Koude, die alle van de toorn Gods zijn. 
In die Koude is er een wind genaamd Ṣarṣar, die hen meevoert en hen verstrooit over die heuvels en hun vlees uitspreidt, het afsnijdt en het in de Koude werpt.
    ‘Abdallāh ibn Salām zei: Bij Hem in wiens hand mijn ziel is, de hellewachters laten niet af hun vlees af te snijden met messen van Gods toorn, terwijl het bloed uit hun lichamen stroomt en zij naakt en barrevoets in de Koude zijn. De foltering door de hellewachters die over hen gesteld zijn eindigt nooit.
 Honderd jaar lang roepen zij: Mālik, Mālik! maar hij zegt tot de hellewachters: Giet water uit de Koude over hun hoofden! Zij doen zoals hij bevolen had en het bevriest op hun lichamen. 
Zij schreeuwen en gaan luid tekeer en roepen weer honderd jaar lang: Mālik, Mālik! Dan zegt Mālik: Hoe gaat het nu met jullie, ellendigen? En zij zeggen: Wij hadden gehoopt dat onze foltering door de Koude verlicht zou worden, maar zij is nog erger geworden, dus breng ons weer terug naar het Hellevuur! Dan zegt Mālik tot de hellewachters: Brengt hen terug naar het Hellevuur, en dat doen zij. Wanneer zij in hun verblijven in het Hellevuur aankomen merken zij dat het zeventig maal heter is dan tevoren. 
Zij roepen honderd jaar lang: Mālik! Dan zegt Mālik tot hen: Hoe gaat het nu met jullie, ellendigen? En zij zeggen: Breng ons terug naar de Koude.
    ‘Abdallāh ibn Salām zei: Zij worden afwisselend honderd jaar op de ene plaats gefolterd en honderd jaar op de andere.

Het woord voor heftige koude, zamharīr, is zuiver Arabisch; er hoeft niet aan een Perzische oorsprong te worden gedacht. Het komt één maal in de koran voor (K. 76:13). Daar gaat het niet over de Hel, maar over het Paradijs, waar de bewoners zich ontspannen in een gematigd klimaat en geen last hebben van ‘zon of zamharīr’ — zoals dat op aarde wél het geval is, kan men erbij denken.
Ik heb slechts één hadith gevonden waarin een verband wordt gelegd tussen de Hel en hevige koude:

  • De profeet heeft gezegd: ‘De Hel klaagde bij haar Heer: ”Heer, delen van mij hebben andere verteerd.” Toen kreeg zij toestemming twee maal uit te blazen: eenmaal in de winter en eenmaal in de zomer. Dat is de extreme hitte die je ’s zomers ondergaat en de hevige koude (zamharīr) ’s winters.’ 1

Vervolgens heb ik het woord zamharīr opgezocht in de korancommentaren van Muqātil ibn Sulaymān, al-Tabarī, Ibn Kathīr en al-Qurtubī. Daar werden hoofdzakelijk lexicale verklaringen aangeboden. Al-Tabarī en al-Qurtubī citeerden de zoëven aangehaalde hadith; bovendien verwees al-Qurtubī nog naar een dichtregel van al-A‘shā (± 570–625) die sterk herinnerde aan de bewoordingen van Koran 76:13.2

Kortom, zowel de koranexegese als de hadith over het onderwerp zijn uiterst mager en kunnen niet de bron van inspiratie geweest zijn voor de levendige beschrijving in al-‘Azama. De auteur moet dus wel toegang gehad hebben tot ander gedachtenwerelden. Ik heb een joodse, een christelijke en een voorislamitische Perzische tekst gevonden waar het koud is in de Hel. Vast te stellen hoe deze zich tot elkaar verhouden gaat mijn vermogen te boven; ik vertaal ze alleen:

In de joodse legende over Mozes’ reis door de Hel is er een duidelijk contrast tussen hitte en koude:

  • Mozes gaf toe en hij zag hoe de zondaren verbrand werden, de helft van hun lichamen in vuur gedoopt en de andere helft in sneeuw, terwijl wormen die in hun eigen lichaam waren uitgebroed over hen heenkropen […]. 3

In de Hel zoals die beschreven wordt in de christelijke Apocalypse van Paulus (± 400) is er tenminste één koude plek:

  • En andermaal zag ik daar mannen en vrouwen met afgehakte handen en voeten en naakt, op een plaats vol ijs en sneeuw, terwijl wormen hen verteerden.4

In de Hel van Ardā Wirāz Nāmag (Perzisch, ± 600) ontbreekt de kou evenmin. Ook hier wordt het contrast tussen koud en heet als martelmethode gebruikt:

  •  […] boven de zielen van de zondaren die eeuwig straffen ondergingen, zoals sneeuw, natte sneeuw, heftige koude en de hitte van een fel brandend vuur, en stank en stenen en as, hagel en regen en vele andere kwaden […].De zielen dergenen die de Hel in gevallen waren; rook en hitte werden op hen geblazen van beneden en een koude wind van boven.6

En er is een gebied in de Hel dat alleen maar koud is:

  • Ik zag de ziel van een man die een berg op zijn rug droeg, en hij droeg die berg in sneeuw en koude.7

De notie van een koude Hel was in de Oudheid dus voldoende aanwezig om ‘Azama te inspireren. Maar in geen van de drie bovengenoemde bronnen wordt de koude, en het contrast van koud en heet zo uitgewerkt als in ‘Azama. Zolang ik geen andere bron ontdek ga ik er maar vanuit dat deze tekst daarin uniek is.

Arabische tekst, ontleend aan mijn ‘Azamawebpagina:

فتقدم الزبانية لترد الأبواب فيضجون أهل النار ضجّة عظيمة ويبكون بكاءً شديدًا ويقولون: يا مالك ما بال الأبواب قد عزمت على أن تردها، فيقول: لا بدّ من ردّها وتسميرها فليس في جهنم الاّ الضيق والنكال وهي سوداء مظلمة شديدة الأنكال والأهوال. فيضجون ضجة عظيمة. ويقولون: يا مالك ما تدلنا على شيء يخفف عنّا العذاب! فيقول: ادعوا ربّكم حتى لا يضيق عليكم القيود! فيدعوا فكلما دعوا يشتد عليهم الحميم وغضب الزبانية وتطاولت ألسنة النار حتى يكونوا في جهد جهيد فيستغيثون بأجمعهم: يا ربنا عذبنا بما شئت وكيف شئت ولا تغضب علينا! ثم يقولون: يا مالك اسقنا ما نبرد به أكبادنا! فيقول: يا معاشر الأشقياء ليس في جهنم الاّ الحَمِيم والمُهْل والغِسْلِين. فيقولون: ليس نصبر على هذا. فيقول: أصبروا أو لا تصبروا سواء عليكم انما تجزون ما كنتم تعملون. فيضجون باجمعهم وهم يقولون: يا مالك، مائة سنة فيجيبهم بعد مائة سنة: أي شيء بكم يا أيها الأشقياء؟ فيقولون: يا مالك، أخرجنا الى الزمهرير! فتخرجهم الزبانية الى الزمهرير من الجباب والأودية والكهوف والمغاير والتوابيت والفجاج ويشيلوهم من بحار النار، ثم يسوقوهم الى الزمهرير. فيحضروا وهم فرحين الى جبال من الثلج وأيضا زمهرير من الثلج وإلى جباب من الزمهرير وإلى آجام من الزمهرير وذلك كله من غضب الله تعالى. وفي ذلك الزمهرير ريح يقال له صرصر فتحملهم وتنسفهم في تلك الآجام فتنثر لحومهم وتقطعها وتطرحها في الزمهرير.
قال عبد الله بن سلام: والذي نفس عبد الله بيده لا تزال الزبانية تقطع لحومهم بسكاكين من غضب الله الجبار والدم يسيل من أجسامهم وهم عراة حفاة في الزمهرير. والزبانية موكلين عليهم لا يفنى عذابهم أبدًا. ينادون : يا مالك مائة سنة. فيقول للزبانية: صبّوا فوق رؤوسهم من ماء الزمهرير! فيفعلون ما أمرهم به مالك فيجمد على أبدانهم فيصرخون ويضجّون ضجّة عظيمة، ثم ينادون: يا مالك، مائة سنة. فيقول مالك: ما حالكم يا أشقياء؟ فيقولون: إنما رجونا أن يخفف عنا العذاب بالزمهرير فلقد زاد عذابنا فردونا إلى النار! فيقول مالك للزبانية: ردوهم الى النار! فيردوهم، فاذا وصلوا الى منازلهم في النار وجدوا النار قد زادت سبعين ضعفًا عما كانت. فينادون: يا مالك، مائة سنة. فيقول لهم مالك: ما حالكم يا أشقياء؟ فيقولون: أخرجنا الى الزمهرير!
قال عبد الله بن سلام ر يعذبون هاهنا مائة سنة وهاهنا مائة سنة.

NOTEN
1. Muslim, Masādjid 185; Bukhārī, Mawāqīt 9 en enige andere plaatsen.

وَحَدَّثَنِي عَمْرُو بْنُ سَوَّادٍ وَحَرْمَلَةُ بْنُ يَحْيَى وَاللَّفْظُ لِحَرْمَلَةَ أَخْبَرَنَا ابْنُ وَهْبٍ أَخْبَرَنِي يُونُسُ عَنْ ابْنِ شِهَابٍ قَالَ حَدَّثَنِي أَبُو سَلَمَةَ بْنُ عَبْدِ الرَّحْمَنِ أَنَّهُ سَمِعَ أَبَا هُرَيْرَةَ يَقُولُ قَالَ رَسُولُ اللَّهِ ص اشْتَكَتْ النَّارُ إِلَى رَبِّهَا فَقَالَتْ يَا رَبِّ أَكَلَ بَعْضِي بَعْضًا. فَأَذِنَ لَهَا بِنَفَسَيْنِ نَفَسٍ فِي الشِّتَاءِ وَنَفَسٍ فِي الصَّيْفِ. فَهْوَ أَشَدُّ مَا تَجِدُونَ مِنْ الْحَرِّ وَأَشَدُّ مَا تَجِدُونَ مِنْ الزَّمْهَرِيرِ.

2.  .مُنَعَّمَةٌ طَفْلَةٌ كَالْمَهَاةِ لَمْ تَرَ شَمْسًا وَلَا زَمْهَرِيرَ
3. Louis Ginzberg, The Legends of the Jews, 6 dln., Philadelphia 1955, ii, 313; verdere verwijzingen v, 418.
4. Apocalypse of Paul 39, vert.. M.R. James. Online hier.
5. Ardā Wirāz Nāmag: the Iranian ‘Divina commedia’, uitg. vert. en commt. Fereydun Vahman, London/Malmö 1986, 209. Een oudere, minder goede vertaling staat online.
6. ibid. 217. Andere plaatsen ibid. 202, 210.
7. ibid. 206.

Terug naar Inhoud