Katten, honden en de profeet

Man met saluki-hond

Man met saluki-hond

🇩🇪  Had Mohammed een kat? Vast wel. Mohammed moet wel een of meer katten gehad hebben, omdat iederéén ze had. Katten waren immers onmisbaar als jagers op ongedierte en beschermers van de voorraden. Ze hielden ook slangen op een afstand door hun prooidieren op te vreten. Honden waren in het oude Arabië eveneens onmisbaar, maar niet voor iedereen en zij stonden de mensen niet altijd zo na als katten. Ze dienden als jachthond, herdershond en als waakhond voor huis, tuin en akker; soms ook als reddingshond.

Er bestaan ook enkele teksten, hadithen en anecdotes, over Mohammeds meningen en houdingen ten opzichte van katten en honden, maar met werkelijk bestaande dieren hebben die niets te maken. Toen de islamitische rechtsgeleerden begonnen zich met ongeveer alle aspecten van het dagelijks leven te bemoeien, sloegen zij de honden en katten niet over. Omdat de profeet in rechtszaken de hoogste autoriteit was, moest hij wel iets over deze dieren gezegd hebben, en daarom bestaat er een aantal hadithen over deze diersoorten. De rechtsvragen die met betrekking tot dieren altijd opkomen zijn: Mag je ze eten? Zijn ze ritueel rein? Mag erin gehandeld worden? Hoe dienen we met hen om te gaan?

Het vlees van katten en honden mag een moslim niet eten:

  • […] van Abū Tha‘laba al-Khushanī: ‘De profeet heeft ons het eten van alle wilde dieren met verscheurende hoektanden verboden.’ 1

Een koopsom aannemen voor deze dieren mag hij ook niet:

  • […] van Abū Zubayr, die zei: ‘Ik vroeg Djābir eens naar de prijs van honden en katten. Hij zei: ‘De  profeet heeft het verboden [ze voor geld te verkopen].’ 2

Qua reinheid zijn katten en honden verschillend, en de omgang met hen dient dat eveneens te zijn.
Het speeksel van katten is niet onrein. Als een gelovige daarmee in contact komt hoeft hij zich daarom niet ritueel te wassen, zoals o.a. uit deze hadith blijkt:

  • Dāwūd ibn Sālih ibn Dīnār al-Tammār vertelde, dat de meesteres van zijn moeder haar met een pastei naar Aisha stuurde toen deze juist aan het bidden was. Ze gaf haar een teken dat ze hem maar moest neerzetten. Toen kwam er een kat en at er iets van, maar toen Aisha klaar was at zij van dezelfde kant als waar de kat had gegeten. Ze zei: De profeet heeft gezegd: ‘Katten zijn niet onrein; ze lopen bij jullie in en uit.’ En ze voegde eraan toe: Ik heb ook gezien hoe de profeet de rituele wassing deed met water, dat een kat had overgelaten.3

Daarentegen is het speeksel van een hond onrein; daarom moeten moslims contact daarmee vermijden.

  • […] Van Abū Hurayra: De profeet heeft gezegd: ‘Als een hond uit iemands vaatwerk drinkt  [variant: likt aan] moet hij het zeven maal wassen, [var.: de eerste keer met zand].’ 4

Dat klinkt bijna als een tekst uit de talmoed.
Maar rein of niet, de dieren moesten in elk geval in hun aard gerespecteerd en fatsoenlijk behandeld worden:

  • De profeet vertelde: […] ‘De hel werd mij getoond. Ik zag daarin een vrouw uit de Israëlieten die werd gestraft om een kat die zij had vastgebonden en niet te eten had gegeven, en die zij ook niet zelf haar voedsel had laten zoeken onder de kleine dieren van het land.’ 5
  • […] van Abū Hurayra: De profeet heeft gezegd: ‘Er was eens een man die op reis was en erge dorst kreeg. Hij vond een bron, daalde daarin af en dronk. Toen hij weer bovenkwam zag hij een hond met zijn tong uit zijn bek hangend, die vochtige aarde at, omdat hij zo’n dorst had. De man dacht: Het beest is er net zo aan toe als ik daarnet. Hij ging opnieuw naar beneden, vulde zijn schoen met water en hield die tussen zijn tanden geklemd toen hij weer naar boven klom, en hij gaf de hond te drinken. God is deze man dankbaar en schenkt hem vergiffenis.’
    De mensen vroegen: Profeet, dus onze daden tegenover dieren worden ook beloond?
    ‘Jazeker,’ zei hij, ‘ten aanzien van ieder levend wezen is er loon.’ 6

Dit is maar een ethisch minimum, maar van katten werd ook gehouden. Of Mohammed een kattenvriend was kunnen we weer niet weten. Hij heeft zijn kat zeker geen ḥalāl kattenvoer gegeven, zoals sommige moderne moslims doen. Er bestaat een volkomen obscuur, maar aandoenlijk verhaaltje, dat graag wordt verteld om Mohammeds liefde voor zijn kat Mu‘izza en daarmee voor katten in het algemeen te illustreren.

  • De profeet wilde eens opstaan om naar het gebed te gaan, maar de kat lag op de mouw van zijn gewaad te slapen. Om het dier niet te wekken knipte hij toen zijn mouw af en verscheen met beschadigd gewaad bij het gebed. Terugkomend van de moskee werd hij door Mu‘izza bedankt met een buiging.7

Deze anekdote bestaat ook in een heel andere bezetting. Volgens de Han-historicus Bān Gù (32–92) probeerde de Chinese keizer Āi dì (reg. 7–1 vChr) eens op te staan toen zijn vriendje in slaap was gevallen op de mouw van zijn gewaad. Om hem niet te wekken sneed hij zijn mouw af en verscheen met het aldus beschadigde gewaad in het openbaar. Zijn hovelingen namen vervolgens deze dracht over om de liefdesverhouding te vieren.
Het Chinese verhaal is verreweg het oudst. Van de fluit of het wiel kan ik me voorstellen dat ze twee maal op verschillende plaatsen in de wereld worden uitgevonden. Maar zo’n specifiek verhaaltje, nee, dat wordt maar één keer uitgevonden en maakt dan verder een reis door de culturen. Hoe is het overgewaaid naar de islamitische wereld, hoe heeft men het kunnen hergebruiken voor de profeet en zijn kat? Zijn er Indische of Perzische tussenfasen? Ik weet het niet. Heeft misschien iemand een tip?

CharitéDesTurcsEr zijn nog enkele hadithen, die de rituele reinheid van de kat benadrukken, maar de verhalen over Mohammeds liefde voor katten, die Annemarie →Schimmel citeert, zijn allemaal laat, erg laat. Ze laten wel zien dat kattenliefde in islamitische landen sterk verbreid was. Dat word ook door berichten van reizigers door de eeuwen heen bevestigd. 

Daarentegen zijn de meningen over honden in de hadith behoorlijk negatief. Met het oog op hun onreinheid moest je ze niet te dicht in de buurt hebben:

  • De profeet heeft gezegd: „Wie een hond aanschaft vermindert voor iedere dag zijn loon [in het latere leven] met twee qīrāt, tenzij het een hond is voor de jacht of ter bewaking van het vee.“ 8

In een tekstvariant werden ook waakhonden voor akkerland als uitzondering toegestaan. De profeet zou ook honden hebben laten afmaken; waarschijnlijk is bedoeld: toen de vele dol geworden honden een plaag werden:

  • De profeet gaf opdracht de honden te doden. Hij stuurde mensen uit in de gebieden rondom Medina om ze te doden.9

In de woning mag een hond zich niet bevinden, want engelen betreden geen huis, waarin een hond is. Mohammed zou eens tevergeefs op Gabriël gewacht hebben omdat er een puppy in zijn huis verdwaald was.

  • […] Van Aisha: Djibriel (Gabriël) had een afspraak met de profeet dat hij op een bepaald moment bij hem zou komen. Dat ogenblik brak aan, maar hij kwam niet. De profeet had een stok in zijn hand, die gooide hij weg en hij zei: ‘God komt niet te laat op zijn afspraak, en zijn gezanten evenmin.’ Toen keek hij om zich heen, en daar zag hij een jong hondje onder zijn bed. ‘Aisha!’ riep hij, ‘wanneer is die hond daar binnen gekomen?’ Ze zei: ‘Bij God, ik heb het niet in de gaten gehad.’ En hij beval het dier naar buiten te brengen. Toen kwam Djibriel en de profeet zei: ‘We hadden een afspraak en ik zat klaar, maar u kwam niet.’ Hij zei: ‘De hond in je huis heeft mij tegengehouden. Wij [engelen] gaan geen huis binnen waarin een hond is, of een afbeelding.’ 10

Ook in de moskee zijn honden ongewenst, want evenals vrouwen en ezels leiden ze af van het gebed:

  • […] ‘Abdallāh ibn al-Sāmit, van Abū Dharr: De profeet heeft gezegd: Als een van jullie het gebed verricht dan is hij beschermd als hij zoiets als het achterstuk van een zadel voor zich heeft staan. Als dat niet het geval is wordt zijn gebed ongeldig als er een vrouw, een ezel of een zwarte hond [voor hem langs loopt].
    Ik vroeg aan [Abū Dharr]: Waarom een zwarte hond, en geen rode of gele? Hij antwoordde: Precies zo heb ik het ook aan de profeet gevraagd en hij zei: ‘Een zwarte hond is een satan.’ 11
Sjouwer voert honden, İstanbul ±1900

Sjouwer voert honden, İstanbul ±1900

Hebben de oude moslims op grond van zulke teksten dan niet van hun honden gehouden? Ik denk toch van wel. Als je zinvol een hond wilt houden is een dominerende maar tegelijk vriendschappelijke verhouding tot het dier onontbeerlijk. Het boek van →Ibn al-Marzubān (gest. 921), Dat honden beter zijn dan velen die kleren dragen, laat vele voorbeelden zien van een hechte vriendschap tussen baas en hond. Maar daarin kon onmogelijk een anecdote over de profeet als voorbeeld dienen, omdat de hond nu eenmaal onrein is. Hondenbezitters zal het om het even geweest zijn.

NOTEN
(Ik geef telkens maar één hadith, maar van de meeste bestaan er ettelijke varianten en parallelteksten.)
1. Muslim, Ṣayd 13:

وحدثني حرملة بن يحيى أخبرنا ابن وهب أخبرني يونس عن ابن شهاب عن أبي إدريس الخولاني أنه سمع أبا ثعلبة الخشني يقول: نهى رسول الله ص عن أكل كل ذي ناب من السباع.

2. Muslim, Musāqāt 42:

حدثني سلمة بن شبيب حدثنا الحسن بن أعين حدثنا معقل عن أبي الزبير قال: سألت جابرا عن ثمن الكلب والسنور. قال: زجر النبي ص عن ذلك.

3. Abū Dāwūd, Ṭahāra 38:

حدثنا عبد الله بن مسلمة حدثنا عبد العزيز عن داود بن صالح بن دينار التمار عن أمه أن مولاتها أرسلتها بهريسة إلى عائشة ر فوجدتها تصلي فأشارت إلي أن ضعيها. فجاءت هرة فأكلت منها فلما انصرفت أكلت من حيث أكلت الهرة. فقالت إن رسول الله ص قال إنها ليست بنجس إنما هي من الطوّافين عليكم. وقد رأيت رسول الله ص يتوضأ بفضلها.

4. Muslim, Ṭahāra 90:

 حدثنا يحيى بن يحيى قال قرأت على مالك عن أبي الزناد عن الأعرج عن أبي هريرة أن رسول الله ص قال: إذا شرب الكلب في إناء أحدكم فليغسله سبع مرات.

5. Muslim, Kusūf 9:

وحدثني يعقوب بن إبراهيم الدورقي حدثنا إسمعيل ابن علية عن هشام الدستوائي قال حدثنا أبو الزبير عن جابر بن عبد الله […] وعرضت عليّ النار فرأيت فيها امرأة من بني إسرائيل تعذب في هرة لها ربطتها فلم تطعمها ولم تدعها تأكل من خشاش الأرض.

6. Buḫārī, Sharb 9:

حدثنا عبد الله بن يوسف أخبرنا مالك عن سمي عن أبي صالح عن أبي هريرة ر أن رسول الله ص قال: بينا رجل يمشي فاشتد عليه العطش فنزل بئرا فشرب منها ثم خرج فإذا هو بكلب يلهث يأكل الثرى من العطش. فقال: لقد بلغ هذا مثل الذي بلغ بي. فملأ خفه ثم أمسكه بفيه ثم رقي فسقى الكلب فشكر الله له فغفر له. قالوا يا رسول الله وإن لنا في البهائم أجرا؟ قال في كل كبد رطبة أجر.

7. Noch mevrouw →Schimmel, blz. 11, noch de Wikipedia bieden een bruikbare bronverwijzing.
8. Muslim, Musāqāt 51:

وحدثنا أبو بكر بن أبي شيبة وزهير بن حرب وابن نمير قالوا حدثنا سفيان عن الزهري عن سالم عن أبيه عن النبي ص قال من اقتنى كلبا إلا كلب صيد أو ماشية نقص من أجره كل يوم قيراطان.

9. Muslim, Musāqāt 44:

 حدثنا أبو بكر بن أبي شيبة حدثنا أبو أسامة حدثنا عبيد الله عن نافع عن ابن عمر قال: أمر رسول الله ص بقتل الكلاب فأرسل في أقطار المدينة أن تُقتل.

10. Muslim, Libās 81:

حدثني سويد بن سعيد حدثنا عبد العزيز بن أبي حازم عن أبيه عن أبي سلمة بن عبد الرحمن عن عائشة أنها قالت واعد رسول الله ص جبريل عس في ساعة يأتيه فيها فجاءت تلك الساعة ولم يأته. وفي يده عصا فألقاها من يده وقال: ما يخلف الله وعده ولا رسله. ثم التفت فإذا جرو كلب تحت سريره. فقال: يا عائشة متى دخل هذا الكلب هاهنا? فقالت: والله ما دريت فأمر به فأخرج. فجاء جبريل فقال رسول الله ص واعدتني فجلست لك فلم تأت فقال: منعني الكلب الذي كان في بيتك، إنا لا ندخل بيتا فيه كلب ولا صورة.

11. Al-Nasāʾī, Qibla 7:

أخبرنا عمرو بن علي قال أنبأنا يزيد قال حدثنا يونس عن حميد بن هلال عن عبد الله بن الصامت عن أبي ذر قال قال رسول الله ص إذا كان أحدكم قائما يصلي فإنه يستره إذا كان بين يديه مثل آخرة الرحل فإن لم يكن بين يديه مثل آخرة الرحل فإنه يقطع صلاته المرأة والحمار والكلب الأسود. قلت ما بال الأسود من الأصفر من الأحمر فقال: سألت رسول الله ص كما سألتني فقال: الكلب الأسود شيطان.

VERDERE LEKTUUR
– Annemarie Schimmel, Die orientalische Katze. Geschichten, Gedichte, Sprüche, Lieder und Weisheiten, München [1989].
– Ibn al-Marzubān, The Superiority of Dogs over Many of Those Who Wear Clothes, uitg. en vert. G.R. Smith en M.A.S. Abdel Haleem, Warminster 1978.

Diakritische tekens: Ṣāliḥ, Ṣāmit, qīrāṭ

Terug naar Hadith: startpunt     Terug naar Inhoud

Ibn Hazm en zijn Ring van de duif

Als zoon van een hoge ambtenaar aan het Umayyadenhof in Córdoba bracht Ibn Hazm al-Andalusī (994–1064) zijn jonge jaren in weelde door. Na de dood van zijn vader en de verwoesting van diens paleis bij de plundering van Córdoba door Berbers in 1013 trok hij van stad naar stad, en kreeg te lijden onder ballingschap, gevangenschap en verbranding van zijn boeken. Was hij aanvankelijk vooral literair geïnteresseerd, later wijdde hij zich aan de theologie en het recht. Als rechtstheoreticus was hij onafhankelijk. Zijn juridisch compendium al-Muhallā wordt heden ten dage nog veel gelezen.
.
Zijn Tawq al-hamāma fī al-ulfa wal-ullāf (De Ring van de duif. Over minnaars en liefde), een verhandeling over de liefde in theorie en praktijk, is een vroeg werk uit het jaar 1027, dat de auteur schreef voordat hij zich aan de theologie en het recht wijdde. In een systematische verhandeling over de liefde, die echter met vele anekdoten en autobiografische fragmenten is doorspekt, behandelt hij het ontstaan van de liefde, haar verschijningsvormen en bijverschijnselen en de hindernissen die zij op haar weg vindt. De prozadelen zijn verlucht met gedichten, die vrijwel allemaal van de schrijver zelf stammen. Enkele hoofdstukken lijken opvallend kort, wat kan liggen aan het feit dat het werk onvolledig en in slechts één handschrift is bewaard (Leiden Or. 927).

Het eerste hoofdstuk gaat over het wezen der liefde. Volgens Ibn Ḥazm is de liefde in haar zuiverste vorm ‘de vereniging van delen van de ziel, die in deze schepping gescheiden zijn, in hun oorspronkelijke verheven substantie […] in die zin, meen ik, dat de zielenkrachten in hun hogere bestaansvorm aan elkaar verwant zijn en qua samenstelling op elkaar lijken.’ Deze opvatting, die sterk aan Plato en zijn Symposion herinnert, is goed met een islamitische ethiek verenigbaar. De liefde komt van God, maar het is aan de mens, de zonde te vermijden.
Het volgende hoofdstuk beschrijft de tekenen der liefde, zoals de gefixeerdheid op de geliefde, verwarring, slapeloosheid, vermagering, onrust, huilbuien e.a. Hier loopt onmiskenbaar een lijn naar geneeskundigen uit de Oudheid, zoals Galenus. In vijf hoofdstukken wordt vervolgens uiteengezet, hoe de liefde ontstaat. Dat kan in een droom gebeuren, op grond van een beschrijving, op het eerste gezicht of pas geleidelijk. Ook zijn er mensen, die verliefd worden op één eigenschap en daarna geen anderen meer kunnen waarderen. Daarna wordt beschreven wat er zoals bij de liefde komt kijken, bij voorbeeld amoureuze toespelingen, tekens en wenken, briefwisseling, het bewaren resp. rondvertellen van het liefdesgeheim, onderworpenheid en grofheid. Ook die personen, die ondersteunend of verhinderend tussen de beide geliefden treden, worden voorgesteld, zoals de boodschapper die brieven en berichten overbrengt, de albedil, die de affaire ontraadt, en de bespieder, die de geliefde voortdurend in het oog houdt. De lasteraar probeert het paar uit elkaar te brengen of het openlijk aan de kaak te stellen; een goede vriend daarentegen geeft de minnaar een steuntje in de rug en helpt hem waar hij kan. Deze figuren herkent U misschien uit de Europese literaturen; inderdaad schijnt de Andalusische liefdespoëzie onze troubadours en minnezangers beïnvloed te hebben.
Hst. 20 behandelt het hoogtepunt van de liefde: het verenigd zijn van de geliefden. Vanaf dit punt gaat het bergafwaarts met de liefde in het boek; echter niet rechtstreeks, maar zigzag. De volgende hoofdstukken zijn naar tegendelen geordend: tegenover het verenigd zijn staat de koelheid, tegenover trouw staat trouweloosheid, tegenover de scheiding de tevredenheid. Als de scheiding een feit is kan de minnaar ofwel wegkwijnen of proberen de scheiding te vergeten. Als het vergeten en zich troosten hem niet lukt kan hij aan liefde sterven (hst. 28). Was het naar voren halen van die tegenstellingen voor al-Djāhiz (± 776–868) een belangrijk middel van zijn dialectiek geweest, in de tijd van Ibn Hazm was het alleen nog maar een elegant stijlmiddel.
De beide laatste hoofdstukken, ‘De verwerpelijkheid van de zonde’ en ‘De deugd der kuisheid,’ zijn anders dan de andere. Zij bevatten talrijke citaten uit de koran, uitspraken van de profeet en rechtsgeleerde overwegingen. Misschien heeft Ibn Hazm deze hoofdstukken toegevoegd of omgewerkt nadat hij religieus geworden was, of hij heeft bij voorbaat kritiek die hij verwachtte willen ontzenuwen.
Ibn Hazm was niet de eerste die systematisch over de liefde schreef: hij stond in een traditie. Eén voorganger was Muḥammad ibn Dāwūd al-Iṣbahānī, die hij in de Tawq ook noemt. Deze had omstreeks 900 een bloemlezing uit de poëzie geschreven, waarin hij aan de hand van thematisch geordende poëziecitaten en ook in verzen van eigen hand uitlegt wat de liefde is en hoe zij functioneert; daar tussendoor staan theoretische fragmenten in proza. Bij Ibn Hazm overwegen het proza en de anekdote; de gedichten die hij citeert zijn allemaal van hemzelf en zijn stijl is soepeler. Maar de volgorde van de onderwerpen is in beide boeken vergelijkbaar; ook de hoofdstukindeling naar tegenstellingen was al bij zijn voorganger aanwezig.

Het unieke van Ibn Ḥazms werk is dat het zo persoonlijk is. Anders dan veel andere Arabische auteurs presenteert de auteur niets uit een oude clichétrommel. De ‘verhalen van de Bedoeïenen en de oude Arabieren’ laat hij bewust weg; hij biedt alleen eigen observaties en beschouwingen, of wat hij uit de eerste hand had gehoord. En last, but not least: hij beschrijft ook zijn eigen belevenissen, inclusief die met de slavinnen in zijn welgestelde ouderlijk huis. Zijn verdriet over één van die meisjes beschrijft hij op indrukwekkende wijze.
Ṭawq al-ḥamāma geeft een inzicht in de liefdestheorie en liefdesliteratuur, in het leven van de voorname kringen van het toenmalige Córdoba én in de intiemste roerselen van de auteur.

Uitgaven Arabische tekst:
– Tawq al-hamāma fī al-ulfa wal-ullāf, uitg. D. K. Pétrof, St. Petersburg/Leiden 1914.
– Tawq al-hamāma fī al-ulfa wal-ullāf; uitg. H. K. al-Sayrafī, Cairo 1950.

Vertaling:
– Ibn Hazm, De ring van de duif. Een Moorse verhandeling over minnaars en liefde, vert. en inl. Remke Kruk en Jan Just Witkam, met een essay van Camilla Adang, Amsterdam 2008.

Secundaire literatuur:
– De inleiding van Remke Kruk en J.J. Witkam en het essay over leven en werk van Ibn Hazm door Camilla Adang in bovengenoemde vertaling.
– E. García Gómez: Introducción, in: Ibn Hazm: El collar de la paloma, Madrid 1952, 81990.
– L. A. Giffen, ‘Ibn Hazm and the Tawq al-Hamama,’ in: The Legacy of Muslim Spain, uitg. S. K. Jayyusi, Leiden 1994, dl. 1, 420–442.

Diakritische tekens: Ibn Ḥazm, al-Muḥallā, Ṭawq al-ḥamāma, al-Djāḥiẓ, al-Ṣayrafī

Terug naar Inhoud

De liefdesdood van Ibn Dawud

Ibn Dawud, voluit genoemd Abū Bakr Muhammad ibn Dāwūd al-Isbahānī (868–910), zou aan onvervulde liefde zijn gestorven. Daarover bestaat een anekdote, waarvan ik drie varianten heb gevonden.

De klassieke, of liever gezegd: meest geciteerde versie noem ik Versie 1:
[Lange  isnad …] – van Ibrāhīm ibn ‘Arafa Niftawayh: Ik bezocht Muhammad ibn Dāwūd al-Isbahānī gedurende het ziekbed waaraan hij is gestorven, en vroeg hem:
– Hoe voel je je nu?
Hij antwoordde:
– De liefde voor je-weet-wel-wie heeft mij in de toestand gebracht die je ziet.
– Wat heeft je belet van hem te genieten zolang dat nog kon?
– Het genieten heeft twee kanten: de verboden wellust en het toegestane kijken. Dat laatste heeft me in de toestand gebracht die je ziet. En van de verboden wellust heeft mij de hadith afgehouden die mijn vader mij heeft overgeleverd van Suwayd [… volgt isnad die teruggaat tot] – de Profeet: ‘Wie hartstochtelijk liefheeft, het verbergt, kuis blijft en daarin volhardt, die schenkt God vergiffenis en die voert hij in het paradijs binnen.’
Daarop droeg hij enige verzen voor van zijn eigen hand:

  • Kijk naar de tover in zijn ogen,
  • kijk naar de zwartheid in zijn lome blik.
  • Kijk naar de haartjes op zijn wang,
  • verstrooid als mieren kruipend op ivoor.

en eveneens:

  • Wat hebben ze tegen het zwart op zijn wangen
  • terwijl ze bloeiende takken niets verwijten?
  • Als het zwart op zijn wangen een schande is,
  • zijn oogleden dat ook voor de ogen. 1

Ik zei tegen hem:
– Je gebruikt je dus geen analogieën in het recht, maar wel in de poëzie?
– Ja, daartoe ben ik gekomen door het bedwingen van de hartstocht en het beheersen der lust.
Hij stierf nog in diezelfde nacht, of op de dag daarna.2

Versie 2. Een variant op hetzelfde verhaal gaat als volgt:
Al-Marzubānī zegt […] – Tussen Abū ‘Abdallāh Niftawayh en Muhammad ibn Dāwūd al-Isbahānī bestond een hechte genegenheid en een volmaakt eerlijke gehechtheid. Ibn Dāwūd  was verliefd op Abū al-Husayn Muhammad ibn Djāmiʿ al-Saydalānī, wat tot zijn dood leidde.
Ibn ‘Arafa Niftawayh heeft gezegd: Ik bezocht hem gedurende het ziekbed waaraan hij is gestorven, en vroeg hem:
– Wat is er met u, mijn heer?
Hij antwoordde:
– De liefde voor je-weet-wel-wie heeft mij in de toestand gebracht die je ziet.
– Wat belet je van hem te genieten zolang je nog kan?
– Het genieten is het in twee soorten: één verboden en één toegestaan. Wat betreft de verboden soort, God beware mij daarvoor!, en de toegestane soort heeft mij in deze toestand gebracht.
Daarop zei hij: Suwayd [… volgt isnad die teruggaat tot] – de Profeet heeft gezegd: ‘Wie liefheeft, kuis blijft, het verbergt en dan sterft, die sterft als martelaar.’ Daarop verloor hij het bewustzijn, en toen hij weer bijkwam opende hij zijn ogen. Ik zei:
– Ik zie dat je hart nu rustiger klopt en je voorhoofd niet meer zo bezweet is; dat is een teken van goede gezondheid.
Maar hij hief aan en reciteerde:

  • Ik zeg tot mijn beide vrienden, die trachten mij te troosten
  • en die misleid zijn door mijn nu kalme voorhoofd:
  • ‘Zoek troost in volharding voor het verlies van je broeder,
  • begin maar met bidden en laat mij met rust.
  • Ik ben niet opgehouden te kreunen omdat mijn ziekte afneemt,
  • ik ben te zwak geworden om te kreunen.’ 1

Hij stierf nog in diezelfde  nacht; dat was in het jaar 297 [= 909 AD].
De mensen zeggen dat Niftawayh daaronder zeer leed, ontroostbaar was en een jaar lang geen bijeenkomsten hield. Na dat jaar verscheen hij weer en hield bijeenkomsten. Toen hij daarop werd aangesproken antwoordde hij: ‘Abū Bakr ibn Dāwūd heeft mij eens gezegd, toen wij discussieerden over het nakomen van de plichten der vriendschap: ‘Het minste dat iemand voor een vriend kan doen is rouw dragen3 gedurende één jaar, naar het vers van Labīd:

  • Tot een jaar; dan het woord: ‘Vaarwel!’
  • Wie een vol jaar weent is verontschuldigd.

Wij hebben dus een jaar om hem getreurd, zoals hij bedongen had.4

Versie 3:
Toen Ibn Dāwūd al op de rand van de dood was, kwam Ibrāhīm ibn ‘Arafa Niftawayh hem bezoeken en zei: ‘Abū Bakr,5 wat is dit, terwijl je toch kunt en je geliefde ook wil?’ Hij antwoordde: ‘Dit is de laatste dag van mijn leven in deze wereld. Moge God Mohammeds voorspraak verre van mij houden als ik ooit mijn broek open knoop voor iets verbodens. Mijn vader heeft mij heeft overgeleverd met een *isnad tot Ibn ‘Abbās : ‘Wie hartstochtelijk liefheeft, het verbergt, kuis blijft en daarin volhardt en dan sterft, sterft als een martelaar en God voert hem het paradijs binnen.’6

——

Ik moet U teleurstellen: dit sterfbed heeft zo niet plaats gevonden. De anekdote is volgeladen met motiefjes uit Ibn Dawuds boek Kitāb al-Zahra en met opvattingen over juridische zaken die van hem bekend waren.
Zo lang je nog kon: ‘Wie van verboden handelingen wordt afgehouden door zijn onvermogen ze te doen verdient geen dank,’ zegt Ibn Dawud in zijn Zahra.7 Kuisheid zonder in staat te zijn tot het tegendeel is dus ook niet zedelijk waardevol.
De toegestane blik kan een juridische mening van Ibn Dāwūd zijn geweest. Terwijl de meeste rechtsscholen één, hoogstens twee maal een toekomstige huwelijkspartner in het gezicht zien voor geoorloofd houden, zou Ibn Dāwūd dit altijd voor geoorloofd hebben gehouden. Het zou kunnen, maar het kan ook zijn dat dit standpunt is gedistilleerd uit zijn Kitāb al-Zahra, waar de functie van de blik in de liefde uitvoerig wordt behandeld. Reeds de titel van het eerste hoofdstuk luidt: ‘Veel aankijken leidt tot lang zuchten’.8
De wellust met andere personen dan een huwelijkspartner of slavin is volgens de sharia-geleerden verboden, hoewel in die tijd niemand zwaar tilde aan seks met een man of opgroeiende jongeling. Of Ibn Dāwūd daar bij uitzondering wél zwaar aan tilde is niet bekend. Waarschijnlijker is dat de verteller door te verwijzen naar het verboden karakter van zijn liefde de zaak wat pikanter wilde maken. In Versie 3 wordt de wellust wel erg grof aangeduid (‘… broek openknoop’). Zoiets komt in dit soort literatuur normaal niet voor.
Zeer voor de hand lag het gebruik van de beroemde liefdeshadith (hadīth al-‘ishq) die de kuisheid propageert, omdat die door Ibn Dāwūd zelf (in een iets andere versie) in zijn Kitāb al-Zahra is verbreid. Ook hierom moet hij beroemd zijn geweest. De titel van het hoofdstuk waarin hij de liefdeshadith citeert luidt: ‘Een verfijnd man dient kuis te leven.’ 9
In die hadith kwam tevens het motief geheimhouding aan de orde. In bovenstaande anekdote vinden we de geheimhouding terug in de woorden: ‘Mijn liefde voor je-weet-wel-wie’. In versie 2 wordt weliswaar de naam van de geliefde genoemd, maar dat is in het voorwerk; niet in de eigenlijke anekdote.
Poëzie op het sterfbed. Voor het sterven moet er nog wat poëzie worden voorgedragen, zoals bij ons in de opera een stervende met zijn laatste adem nog graag een aria zingt. De gedichtjes lijken niet op de poëzie die we elders van Ibn Dāwūd lezen. De vertellers hebben zomaar wat versjes ingevoegd; in de beide versies verschillende. Jonge jongens met beginnende baardgroei worden in de Arabische poëzie vaak bezongen, maar bij Ibn Dāwūd niet.
Analogie. Het ziekenbezoek komt tot een scherpzinnige analyse: terwijl Ibn Dāwūd bekend stond om het niet gebruiken van de analogie in het recht, deed hij dat kennelijk wel in de poëzie, althans in dit ‘citaat’. Men kan het lezen als kritiek op Ibn Dāwūds afwijzing van de analogie (qiyās) in het recht.
De liefdesdood wordt vreemd genoeg aanbevolen in het Kitāb al-Zahra, in een vers van ‘een tijdgenoot’ dat van Ibn Dāwūd zelf zou kunnen zijn:

  • Geef je zelf de schuld, en niet de rijdieren
    En sterf van smart, want voorzichtigheid is passend.10

Het is bedoeld als literaire kritiek: een traditionele liefdesdichter geeft er de rijdieren de schuld van dat ze met zijn lief zijn weggereden en zij nu ver weg is. Maar een minnaar die werkelijk lijdt onder de scheiding moet niet zeuren over verlaten tentenkampen of vertrekkende kamelen, maar consequent zijn en liever sterven!
Rouw gedurende een jaar: het vers van Labīd wordt ook in het Kitāb al-Zahra geciteerd en besproken.11 Het zal vandaar zijn weg naar deze anekdote gevonden hebben.

NOTEN
1. Poëzie poëtisch vertalen kan ik helaas niet.
2. al-Khatīb al-Baghdādī, Ta’rīkh Baghdād, Cairo @ v, 262

أخبرني أبو الحسن بن أيوب بن الحسين بن أيوب القمي – إملاء من حفظه – حدثنا أبو عبيد الله المرزباني وأبو عمر بن حيويه وإبو بكر بن شاذان قالوا: حدثنا أبو عبد الله إبراهيم بن محمد بن عرفة النحوي – نفطويه – قال: دخلت على محمد بن داود الإصبهاني في مرضه الذي مات فيه فقلت له: كيف تجدك؟ فقال: حب من تعلم أورثني ما ترى. فقلت: ما منعك من الاستمتاع به مع القدرة عليه؟ فقال: الاستمتاع على وجهين؛ أحدهما النظر المباح، والثاني اللذة المحظورة. فأما النظر المباح فأورثني ما ترى، وأما اللذة المحظورة، فإنه منعني منها ما حدثني به أبي حدثنا سويد بن سعيد حدثنا علي بن مسهر عن أبي يحيى القتات عن مجاهد عن ابن عباس عن النبي ص أنه قال:  من عشق وكتمه وعفّ وصبر غفر الله له وأدخله الجنة. ثم أنشد لنفسه: [من البسيط]
أُنْظُرْ إلَى السِحْرِ فِي لَوَاحِظِهِ * وَانْظُرْ إلَى دَعَجٍ فِي طَرْفِهِ السَّاجِي
وَانْظُرْ إلَى الشَّعَرَاتِ فَوْقَ عًارِضِهِ * كَأَنّهُنَّ نِمالٌ دَبَّ فِي عَاجِ
وأنشد لنفسه: [من الخفيف]
مَا لَهُمْ أَنْكَرُوا سَوَادًا بِخَدَّيْــــــــهِ وَلاَ يُنْكِرُونَ وَرْدَ الغُصُونِ
إنْ يَكُنْ عَيْبُ خَدِّهِ بَدَدُ الشَـــــعْرِ ، فَعَيْبُ العُيُونِ شَعرُ الجُفُون
فقلت له: نفيت القياس في الفقه وأثبتّه في الشعر! فقال: غلبة الهوى وملكة النفوس دعوا اليه. قال: فمات في ليلته أو في اليوم الثاني.

3. Tasallub: een woord dat meestal van vrouwen wordt gebezigd.
4. Yāqūt, Irshād  al-arīb ilā ma‘rifat al-adīb, ed. D.S. Margoliouth, 7 dln, London 1923-31,  i, 308–310.

قال المرزباني […] وكان بين أبي عبد الله نفطويه وبين محمد بن داود الاصبهاني مودة أكيدة وتصافٍ تام. وكان ابن داود يهوى أبا الحسين محمد بن جامع الصيدلاني هوًي أفضى به الى التلف.
وقال ابن عرفة نفطويه: فدخلت عليه في مرضه الذي مات فيه. فقلت: يا سيدي ما بك؟ فقال: حب من تعلم أورثني ما ترى. فقلت: ما يمنعك من الاستمتاع به مع القدرة عليه؟ فقال: الاستمتاع نوعان: محظور ومباح. أما المحظور فمعاذ الله منه، وأما المباح  فهو الذي صيّرني الى ما ترى. ثم قال: حدثني سويد بن سعيد الحدثاني عن أبي يحيى القتات عن مجاهد عن ابن عباس أن النبي ص قال: من حبّ فعفّ وكتم ثم مات مات شهيدًا. ثم غُشي عليه ساعة وأفاق ففتح عينيه، فقلت له: أرى قلبك قد سكن، وعرق جبينك قد انفطع، وهذا أمارة العافية فأنشأ يقول: [من الوافر]
أَقُولُ لِصَاحِبَيَّ وَسَلَّيَانِي * وَغَرَّهُمَا سُكُونُ حِمَى جَبِينِي
تَسَلَّوْا بالّتَعَزِّي عَنْ أَخِيكُمْ * وَخُوضُوا فِي الدُّعَاءِ وَوَدَّعُونِي
فَلَمْ أَدَعِ الْأَنِينَ لِضَعْفِ سُقْمٍ * وَلَكِنِّي ضَعُفْتُ عَنِ الْأَنِينِ
ثم مات في ليلته، وذلك في سنة سبع وتسعين ومائتين. فيقال إن نفطويه تفجّع عليه وجزع جزعًا عظيمًا، ولم يجلس للناس سنةً كاملةً، ثم ظهر بعد السنة وجلس. فقيل له في ذلك فقال: إن أبا بكر بن داود قال لي يومًا، وقد تجارينا حفظ عهود الأصدقاء، فقال: أقلّ ما يجب للصديق أن يتسلّب على صديقه سنةً كاملةً، عملاً بقول لبيد: [من الكامل]
إلَى الْحَوْلِ ثُمَّ اسْمُ السَّلاَمِ عَلَيْكُمَا * وَمَنْ يَبْكِ حَوْلاً كَامِلاً فَقَدِ اعْتَذَرْ
فحزنّا عليه سنةً كما شرط.

5. Dat is Ibn Dāwūd. Al-Safadī, al-Wāfī bil-wafayāt, dl. iii, ed. Sven Dedering, Damascus 1953, 59–60:

دخل على ابن داود ابراهيم بن (محمد) نفطويه وقي ضنى على فراشه فقال له: يا أبا بكر ما هذا مع القدرة والمحبوب مساعد؟ فقال: أنا في آخز يوم من أيام الدنيا لا أنالني الله شفاعة محمد ص إن كنت حللت سراويلي على حرلم قط. حدثني أبي العباس: قال رسرل الله ص: من عشق فكتم وعفّ وصبر ثم مات مات شهيدا وأدخله الله الجنة.

7. Zahra i, 72  .لأن من منعه من اتيان المنكر عجزه عنه لم يُشكر
8. Zahra i, 8 .من كثرت لحظاته دامت زفراته
9. Zahra i, 66 .من كان ظريفًا فليكن عفيفًا
10. Zahra i, 219 .فَنَفْسَكَ لُمْ وَلاَ تَلُمْ المَطَايَا * وَمُتْ أَسَفًا فَقَدْ حَقَّ الحِذَارُ
11. Zahra ii, 82.

Diacritische tekens: Nifṭawayh, Muḥammad, al-Iṣbahānī, al-Ḥusayn, al-Ṣaydalānī, ḥadīth, al-Khaṭīb, al-Ṣafadī

MUHAMMAD IBN DAWUD AL-ISBAHANI: Startpunt:
Hadith bij Ibn Dawud: Hadith.
Islamitisch recht bij Ibn Dawud. De wijn in het paradijs
Graeco-Arabica bij Ibn Dawud. Liefdestheorie: Verliefdheid als ziekte. Liefde als doodsoorzaak. Platonische liefde.

Terug naar Inhoud

Aziz, of: Van het nut der liefdespoëzie

Aziz uit Duizend-en-één-nacht is een onervaren minnaar die aan zijn nicht Aziza wordt uitgehuwelijkt. Op zijn trouwdag gaat hij naar het badhuis om zich op te knappen, maar onderweg wordt hij ongeneeslijk verliefd op een adembenemende, mysterieuze vrouw van wie hij een glimp opvangt. Hij zit zo apathisch van haar te dromen dat hij zijn eigen bruiloft glad vergeet. Als hij thuiskomt zijn de feestgasten alweer vertrokken en zijn vader is kwaad. Aziza houdt echter van hem met een alles opofferende liefde en doet alles om zijn liefdesaffaire met die ander op gang te krijgen en hem daarin te beschermen. Zij licht hem in over de listen der vrouwen, verklaart de raadselachtige tekens die de andere vrouw hem geeft, geeft hem codes en beschermende spreuken mee en onderricht hem in de hoofse liefdespoëzie, bij voorbeeld:

  • Wie zegt dat liefde is uit vrije keus,
    dien zeg ik: Nee, ’t is niets dan dwang!
    Maar zulk een dwang heeft niets onheus,
    Want ware liefde heeft een zuivere klank.
    Vals noem je niet een munt die echt is.
  • Zo je wilt, noem het een hemels lijden,
    een wond’re pijn in ’t lichaam, of een slag.
    Ja, een plaag, een lot of een verblijden
    Waarmee de ziel zich troost, óf kwellen mag.
    Tussen lief en leed loopt geen weg die recht is.

Aziza wisselt ook verzen uit met de andere vrouw, waarbij Aziz steeds als boodschapper dient. Hij moet bijvoorbeeld tegen haar zeggen:

  • O minnaars, bij Allah, wanneer een man
    door liefde wordt geplaagd, wat doet hij dan?

en krijgt van zijn vriendin het volgende antwoord mee:

  • Hij houdt het voor zich, houdt zijn geheim verborgen
    En draagt geduldig smart en zorgen.

Dan Aziza weer:

  • Kan hij verzwijgen wat hem om het leven brengt
    wat elke dag zijn hart in duizend stukken sprengt?
    Hij heeft geduld gezocht, maar niets gevonden
    dan een hart dat pijnlijk klopt in al zijn wonden.

En de vriendin:

  • Is de last van het zwijgen hem te groot?
    Dan weet ik geen raad voor hem, tenzij de dood!

Er staan nog veel meer gedichtjes in het verhaal, die te samen een aardige indruk geven van de Arabische theorie der hoofse liefde. De lessen zijn echter aan Aziz niet besteed: hij is naïef en onbeheerst: op het kritieke moment vreet hij zich vol—en dat terwijl Arabische minnaars broodmager horen te zijn—, of hij valt in slaap, zodat het rendez-vous niet doorgaat. Als een weerspannige kleuter die zijn zin niet krijgt schopt en mishandelt hij zijn lieve nichtje, dat harerzijds niet te beroerd is, hem te voeren en zijn eten voor te kauwen. Wanneer zij tenslotte sterft van verdriet en onvervuld liefdesverlangen—een gangbare doodsoorzaak in de Arabische letterkunde—is Aziz onbewogen, maar voortaan wel geheel hulpeloos. Na een periode met zijn vriendin manoeuvreert een oude vrouw hem in een huwelijk met haar dochter, en daarmee in het vaderschap. Zo raakt hij gevangen bij vrouwen die veel gevaarlijker zijn dan losse deernen: een schoonmoeder en een echtgenote. In dat kippenhok doet hij een jaar lang ‘wat de haan doet’. Zodra hij een dag vrij kan nemen gaat hij naar zijn eerste vlam terug, maar die is zo furieus om zijn ontrouw dat zij hem castreert. In zijn ellende trekt hij in bij zijn moeder en begrijpt eindelijk wat zijn gestorven nichtje voor hem had gevoeld.
In dit verhaal is de omkering van alle waarden te onderkennen die typisch is voor Duizend-en-één-nacht. De vrouwen zijn verstandig, beheerst en dominant. Aziz daarentegen is een knulletje, geen man: hij heeft geen zelfbeheersing, is een flapuit die het liefdesgeheim niet bewaart, is volledig afhankelijk van vrouwen, laat zich opsluiten en wordt tenslotte geheel als een vrouw. Een gruwelverhaal, dat een waarschuwing wil zijn voor het mannelijke publiek: wees een vent, maak je vertrouwd met de listen der vrouwen, en bedenk dat een gearrangeerd huwelijk zo gek niet is!
Is dat hierboven nou de beroemde Arabische poëzie? Welnee, het zijn maar rijmpjes, in mijn vertaling net zo goed als in het origineel. Deze verzen zijn slechts afgietsels van de kunstvolle liefdespoëzie. De eersterangs poëzie zullen de vertellers van Duizend-en-één-nacht misschien niet gekend hebben, en de hoorders nog minder. Maar de verteller heeft wel begrepen dat je met poëzie je hachie kunt redden, en hij heeft haar goed geïntegreerd in het verhaal en een eigen rol gegeven.
De levensreddende werking van literatuur is het alomvattende motief van de Duizend-en-één-nacht. We kennen het van Sjahrazaad, die zich redt door een boze koning iedere nacht een verhaal te vertellen, en in dit verhaal zit het dus ook. Aziz sterft net niet, maar zijn leven is kapot. Hoe had hij kunnen leren met vrouwen om te gaan? Via de liefdespoëzie, die Aziza hem vergeefs probeerde bij te brengen. De literatuur gaat immers aan het leven vooraf. Had Aziz de tekenen begrepen en de gedichten gekend, dan had hij een man kunnen zijn.

BRON:
De vertellingen van duizend-en-één-nacht. Vert. Richard van Leeuwen, ill. Jean-Paul Franssens, deel 3/4, Amsterdam (Uitg. Bulaaq) 1998, blz. 229–270. Welke Arabische uitgave moet je hebben? Er komt er maar één in aanmerking: die van Bulaaq 1252, dat is 1835 in de christelijke jaartelling! Niet dat die zo goed is, maar hij is beter dan nieuwere, vooral omdat er tegenwoordig vaak gecensureerd wordt. Die oude uitgave is meermalen heruitgegeven, als fotocopie van het origineel.

Terug naar Inhoud

‘Platonische liefde’

Ibn Dāwūd al-Isbahāni (Baghdad, 868-909) was bekend met de ‘platonische liefde’—maar natuurlijk niet zoals die uitdrukking tegenwoordig wordt opgevat. In zijn Kitāb al-Zahra heeft hij twee teksten die oorspronkelijk teruggaan op Plato. In de kortste tekst wordt Plato als de auteur genoemd:

  • Er wordt verteld dat Plato gezegd heeft: ‘Ik weet niet wat liefde is, maar ik weet wel dat het een goddelijke waanzin is, die te prijzen noch te laken is.’ 1

In de andere wordt de Griekse wijsgeer niet genoemd, maar we moeten onweerstaanbaar denken aan diens gehalveerde mensen en hun verlangen naar hun oorspronkelijke wederhelft:2

  • Een filosoof beweert dat God iedere ziel rond heeft geschapen, in de vorm van een bol, en haar dan in tweeën heeft gesneden en een helft in ieder lichaam heeft gedaan. [Wanneer nu] een lichaam het lichaam ontmoet waarin zich de helft bevindt die was afgesneden van de helft die hij zelf bij zich heeft, dan ontstaat tussen hen hartstochtelijke liefde op grond van hun vroegere samenpassen. Die aantrekkingskracht is bij mensen sterker of zwakker naar gelang de fijnheid van hun natuur.3

Bekend is de kritiek van Ibn Hazm (994–1064) op de halve-bollentheorie:

  • Men is het niet eens over het wezen van de liefde, daar zijn lange betogen over gehouden. Ik hang de mening aan dat liefde de vereniging is van delen van de ziel, die in deze schepping gescheiden zijn, in hun oorspronkelijke verheven substantie. Dit moet niet opgevat worden, zoals Muhammed ibn Dawud het voorstelt, die zich baseert op filosofen die zeggen dat de zielen halve bollen zijn, maar in die zin, meen ik, dat de zielekrachten in hun hogere bestaansvorm aan elkaar verwant zijn en qua samenstelling op elkaar lijken.4

Maar ook het Kitāb al-Zahra zelf heeft in één van de drie handschriften een kritisch commentaar daarop, dat Ibn Hazm blijkbaar niet kende. Het is niet duidelijk of het van de auteur stamt of van een afschrijver.

  • Tegen hem is in te brengen: Als we iemand vinden die een ander hartstochtelijk liefheeft, en de minnaar sterft dan aan liefde, maar die ander sterft uit haat jegens die minnaar, hoe was zijn helft dan afgesneden? En als we een man vinden die twintig personen liefheeft, hoeveel helften heeft zijn ziel dan? 5

NOTEN
1. Ibn Dāwūd al-Iṣbahāni, Kitāb al-Zahra (The Book of the Flower), The first half, uitg. A.R. Nykl en Ibrāhīm Ṭūqān, Chicago 1933, p. 15.

وحكي عن افلاطرن أنه قال: ما أدري ما الهوى غير أني أعلم أنه جنون الاهي لا محمود ولا مذموم.

Deze zin komt zo niet bij Plato voor, maar de inhoud gaat terug op diens Phaedrus 244a-245b.
2. Plato, Symposion 189d–193d; vert. Gerard Koolschijn, Amsterdam, 1985, p. 31vv.
3. Ibn Dāwūd al-Iṣbahāni, Kitāb al-Zahra (The Book of the Flower), The first half, uitg. A.R. Nykl en Ibrāhīm Ṭūqān, Chicago 1933, p. 15.

وزعم بعض المتفلسفين أن الله جل ثناؤه خلق كل روح مدوّرة على هيئة الكرة، ثم قطعها أنصافًا، فجعل في كل جسد نصفًا وكل جسد لقي الجسد الذي فيه النصف الذي قطع من النصف الذي معه كان بينهما عشق للمناسبة القديمة وتتفاوت أحوال الناس في ذلك بين القوة والضعف على حسب رقة طبائعهم.

4. Ibn Hazm, De ring van de duif. Over minnaars en liefde, vert. Remke Kruk en J.J. Witkam, Amsterdam 1977, 41. Het originele Arabisch staat in Abû-Muhammed-Alî-Ibn-Hazm al-Andalusî, Ṭauḳ-al-Ḥamâma, uitg. D.K. Pétrof, St. Petersburg/Leiden 1914, 7.

وقد اختلف الناس في مائيته وقالوا وأطالوا والذي أذهب اليه انّه اتّصال بين أجزاء النفوس المقسومة في هذه الخليقة في أصل عنصرها الرفيع، لا على ما حكاه محمد بن داود رحمه الله عن بعض أهل الفلسفة: الأرواح أُكَر مقسومة لكن على سبيل مناسبة قواها في مقرّ عالمها العلوى ومجاورتها في هيئة تركيبها.

5. Ibn Dāwūd al-Iṣbahāni, Kitāb al-Zahra I, Ms. Torino 68, fol 11 a/b.

يقال له فهو [إ]ذا [كنا] نجد واحدًا يعشق واحدًا فيموت العاشق من حبّه وذلك الآخر يموت من بغض من يعشقه، فأنّى قَصّة هذا النصف؟ ونجد الرجل أيضًا يعشق عشرين فكم نصف لروح هذا؟

Diakritische Zeichen: Muḥammad ibn Dāwūd al-Iṣbahāni,Ibn Ḥazm

MUHAMMAD IBN DAWUD AL-ISBAHANI: Startpunt:
Hadith bij Ibn Dawud: Hadith.
Islamitisch recht bij Ibn Dawud. De wijn in het paradijs
Graeco-Arabica bij Ibn Dawud: Verliefdheid als ziekte. Liefde als doodsoorzaak. .
Ibn Dawuds liefdestheorie: Verliefdheid als ziekte. Liefde als doodsoorzaak.
Anecdotes over zijn leven: Zijn liefdesdood.             Terug naar Inhoud

Umar ibn abi Rabi‘a, gedicht 1

Wat oude Arabische poëzie wil ik hier ook kwijt. Het Arabisch heeft een bijzonder rijke poëzie die voor mij niet de reden was om met Arabisch te beginnen, maar vanaf zeker moment wel om ermee door te gaan.
Mijn probleem is dat ik wel proza kan vertalen, maar geen poëzie. Ik ga het dus ook maar niet proberen en geef alleen nuchtere zinnen die de betekenis van het gelezene moeten weergeven, plus een commentaar die ze nog moeten verduidelijken. Er kan zo geen poëtische leeservaring tot stand komen, maar misschien heeft toch iemand er iets aan, om een indruk te krijgen.
Er bestaan Nederlandse vertalingen van Arabisch poëzie door twee personen: Geert Jan van Gelder en Hafez Bouazza.1 Daar vindt U iets  beters te lezen.

Een gedicht van ‘Umar ibn abī Rabī‘a,2 die omstreeks 700 leefde. Hij behoorde tot een voorname familie uit de stam Quraysh. In Mekka boomde in die tijd het pelgrimswezen. Na jaren waarin de stad door het kalifaat van ‘Abdallāh ibn al-Zubayr was afgesneden van Syrië, toenmaals het centrum van het rijk, was nu de eenheid hersteld en sjokten de karavanen uit Damascus af en aan. Als zovele bedevaartsoorden was Mekka een ontmoetingsplaats waar je kon flirten en een partner kon vinden. ‘Umars poëzie heeft vaak Mekka als locatie; we zien de voorname dames uit het noorden uit hun draagstoelen stappen. Het lyrische ik geeft zijn ogen goed de kost, flirt en laat het allicht niet bij kijken alleen. In hoeverre de gedichten pure fantasie zijn blijft onduidelijk.

  • Ach, had Hind haar belofte maar vervuld, en onze ziel van haar lijden genezen!
    Had ze maar één maal haar eigen zin gedaan! (Het is een zwakkeling die niet zijn eigen zin kan doen)
    Ze zeggen dat ze onze buurvrouwen vroeg, toen zij zich eens ontbloot had om zich te verfrissen:
    ‘Zien jullie mij zoals hij me beschreven heeft, toe zeg het me! Of overdrijft hij?’
    Toen lachten ze onder elkaar en zeiden tegen haar: ‘Schoonheid in elk oog is wat het bemint.’
    Zo spraken zij uit jaloezie op haar, waarvan zij vol waren. (Vanouds was er onder de mensen nijd.)
    ‘Een rank jong ding is het; als zij haar tanden bloot lacht zie je kamille of hagelstenen.
    In haar ogen wisselt diep zwart zich af met wit; rankheid is haar hals.
    Zacht is zij: koel in de zomer, als de hittegloed al ’s morgens oplaait,
    en warm in de winter: een deken voor de jongeling in de nacht, wanneer de bittere kou hem bedekt.’
    Ik weet nog goed dat ik tegen haar zei, terwijl de tranen over mijn wangen stroomden:
    ‘Wie ben jij?’ vroeg ik. ‘O,’ zei ze, ‘iemand verteerd door passie, uitgeteerd door kommer.
    Wij als mensen uit al-Khayf, behorend tot het volk van Mina — voor wie wij doden is er geen vergelding.’
    Ik zei: ‘Welkom, jij bent wat wij begeren; zeg nu hoe je heet!’ ‘Ik ben Hind,’ zei ze,
    ‘mijn hart is tot waanzin gebracht, want het is vol van een fijn geklede jongeman, kaarsrecht als een lans.
    Jouw mensen zijn inderdaad onze buren; wij en zij zijn één en hetzelfde.’
    Ze hebben me verteld dat zij me behekst heeft – maar wat een heerlijke hekserij!
    Telkens als ik vroeg: ‘Wanneer is onze afspraak?’ lachte Hind en zei: ‘Overmorgen!’

haar eigen zin: een fatsoenlijke vrouw kan zich natuurlijk niet van haar begeleiders losmaken voor een afspraakje met zomaar een jongeman. De naieve dichterpersona gaat ervan uit, dat Hind natuurlijk wel zin gehád had in een afspraakje met hem.
onze ziel genezen van haar lijden: de ik spreekt hier in het dichterlijke bescheidenheidsmeervoud; verderop niet meer. In Arabische poëzie kunnen ‘wij’ en ‘ik’ elkaar snel af wisselen.
De verliefde man lijdt: dat is standaard in de liefdespoëzie van na de opkomst van de islam. De geliefde is daarentegen koud en wreed en speelt spelletjes met hem.
Het is een zwakkeling die niet zijn eigen zin kan doen, en Vanouds was er onder de mensen nijd: in Arabische gedichten komen dikwijls zulke algemene ‘wijsheden’ voor; ook wel in de vorm van spreekwoorden. Het gedicht wordt ter afwisseling als het ware even stil gezet voor een algemene beschouwing waarmee de hoorders kunnen instemmen.
Schoonheid in elk oog is wat het bemint is ook zo’n wijsheid; hier elegant in de mond van de buurvrouwen gelegd.
Een rank jong ding ]…] kou hem bedekt. De suggestie wordt gewekt dat dit de verzen zijn die de dichter op de mooie vrouw had gecomponeerd.3 Maar er is niets individueels aan de beschrijving van haar schoonheid; het zijn precies de cliché’s die werden verwacht. Cliché’s horen thuis in deze poëzie; de dichter toont zijn kunnen door daarop knap te variëren.
In de volgende dialoog betoont het lyrische ik zich nogal een sul, terwijl Hind geraffineerd en wreed is. Zij beweert verteerd door passie, uitgeteerd door kommer te zijn. Dat is een brutale rolwisseling! Zij zou verliefd zijn? Normaal worden dit soort woorden door de verliefde man in het gedicht gesproken. Hind is natuurlijk helemaal niet verliefd maar gaat hem om haar vinger winden.
al-Khayf […] Mina; voor wie wij doden is er geen vergelding. Mina, waar de pelgrims verblijven, behoort tot het heiligdom van Mekka. Daar is bloedvergieten niet geoorloofd, en bloedwraak dus ook niet. Vandaar dat Hind ongestraft haar prooi zal kunnen doden; ze waarschuwt maar vast. Het doden is in overdrachtelijke zin: de vrouw wordt vaak voorgesteld als iemand die pijlen afschiet uit haar ogen en daarmee de smachtende minnaar doodt. Een ‘liefde op het eerste gezicht’ leidt vaak tot de liefdesdood, althans in de literatuur. Al die sluiers zijn er niet voor niets: ze voorkomen dodelijke ongelukken.
Mijn hart […] als een lans: Nogmaals doet Hind alsof zíj degene is die door liefde tot waanzin wordt gedreven. De fijn geklede, kaarsrechte jongeman, eveneens een vleiend cliché, is natuurlijk het lyrische ik.
Ze hebben me verteld : vrienden van de ikfiguur, personen die traditioneel de lijdende minnaar proberen te redden, wat hier wel niet zal lukken.
behekst: de vrouw is hoe dan ook schuld aan de jammerlijke toestand waarin de ik zich bevindt.
Met het woord overmorgen laat Hind tenslotte nog weten dat er nooit een rendez-vous met het lyrische ik plaats zal hebben. Dat hadden alle hoorders van het gedicht al begrepen; alleen hij zelf niet. Na het laatste vers begint zijn verzuchting als het ware weer van voren af aan.

NOTEN
1. Een Arabische tuin. Klassieke Arabische poëzie. Ingeleid, gekozen, uit het Arabisch vertaald en geannoteerd door Geert Jan van Gelder, Amsterdam/Leuven, z.j.
Hafez Bouazza, Schoon in elk oog is wat het bemint (herziene, uitgebreide versie), Prometheus 2005. Bouazza heeft ook elders nog poëzie vertaald. De titel van zijn bundel doet vermoeden dat hij ook het bovenstaande gedicht vertaald en misschien besproken heeft. Ik kan dat nu niet nagaan; in mijn buitenlandse woonomgeving heb ik zijn boek niet ter beschikking.
2.

لَيْتَ هِنْدًا أَنْجَزَتْنَا مَا تَعِدْ * وَشَفَتْ أَنْفُسَنَا مِمَّا تَجِدْ
وَاسْتَبَدَّتْ مَرَّةَ وَاحِدَةً * إنَّمَا العَاجِزُ مَنْ لاَ يَسْتَبِدْ
زَعَمُوهَا سَأَلَتْ جَارَاتِنَا * وَتَعَرَّتْ ذَاتَ يَوْمٍ تَبْتَرِدْ
أَكَمَا يَنْعَتُنِي تُبْصِرْنَنِي * عَمْرَكُنَّ اللهَ أَم لاَ يقْتَصِدْ
فَتَضَاحَكْنَ وَقَدْ قُلْنَ لَهَا * حَسَنٌ فِي كُلِّ عَيْنٍ مَنْ تَوَدْ
حَسَدًا حُمِّلْنَه مِنْ أَجْلِهَا * وَقَدِيمًا كَانَ فِي النَّاسِِ الحَسَدْ
غَادَةٌ يَفْتَرُّ عَنْ أَشْنَبِهَا * حِينَ تَجْلُوهُ إَقَاحٍ أَوْ بَرَدْ
وَلَهَا عَيْنَانِ فِي طَرْفَيْهِمَا * حَوَرٌ مِنْهَا وَفِي الجِيدِ غَيَدْ
طَفْلَةٍ بَارِدَةُ القَيْظِ إذَا * مَعْمَعَان الصَيْفِ أَضْحَى يَتَْقِدْ
سُخْنَةُ المَشْتَى لِحَافٌ لِلْفَتَى * تَحْتَ لَيْلٍ حِينَ يَغْشَاهُ الصَّرَدْ
وَلَقَدْ أَذْكُرُ إذْ قُلْتُ لَهَا * وَدُمُوعي فَوْقَ خَدِّي تَطَّرِدْ
قُلْتُ مَنْ أَنْتَ فَقَالَتْ أَنَا مَنْ * شَفَّهُ الوَجْدُ وَأبْلاَهُ الكَمَدْ
نَحْنُ أَهْلَ الخَيْفِ مِنْ أَهْلُ مِنًى * مَا لِمَقْتُولٍ قَتَلْنَاهُ قَوَدْ
قُلْتُ أَهْلاً أَنْتُمُ بُغْيَتُنَا * فَتَسَمَّيْنَ فَقَالَتْ أَنَا هِنْدْ
إنَّمَا خُبِّلَ قَلْبِي فَاحْتَوَى * صَعْدَةً فِي سَابِرِيٍّ تَطَّرِدْ
إنَّمَا أَهْلُكَ جِيرَانٌ لَنَا * إنَّمَا نَحْنُ وَهُمْ شَيْءٌ أَحَدْ
حَدَّثُونِي أَنَّهَا لِي نَفَثَتْ * عُقَدًا يَا حَبَّذَا تِلْكَ العُقَدْ
كُلَّمَا قُلْتُ مَتَى مِيعَادُنَا * ضَحِكَتْ هِنْدٌ وَقَالَتْ بَعْدَ غَدْ

3. Te vergelijken misschien met de piropos in Spanje.

Terug naar Inhoud