Mahmoed Taimoer, Een koetsier komt om zijn loon (vertaling)

Voor de verandering breng ik vandaag de vertaling van een Arabisch kort verhaal uit 1925. (De Arabische tekst vindt U hier: TaymurUstaShehata). Het is een van de eerste verhalen van Mahmoed Taimoer (1894–1973), die jaren lang de onbetwiste meester van het kort verhaal in Egypte zou blijven. Hij stamde uit een schatrijke familie, wat zeer gelegen kwam, want in die tijd waren en er nog geen uitgeverijen in Egypte die auteurs de gelegenheid boden met literatuur geld te verdienen. Wel kon Taimoer een aantal van zijn verhalen in tijdschriften plaatsen, waardoor hij bekend werd, maar zijn talrijke verhalenbundels liet hij op eigen kosten drukken en hij zorgde zelf voor de verspreiding ervan. Daarmee had hij succes. Later schreef hij ook romans en toneelstukken.
Het leven, dat hij waarnam vanuit zijn hoge positie, wilde hij beschrijven zoals het werkelijk was; hij noemde zich zelf een naturalist. Dikwijls beschrijft hij types uit ‘het volk’, arme mensen, aan lagerwal geraakte types, sjacheraars of charlatans. Bij hem geen spoor van deelname aan hun armzalig lot: hij beschrijft ze omdat ze schilderachtig zijn.

———————————————————————————————————————————

Mahmoed Taimoer, Een koetsier komt om zijn loon

Onder de feitelijkheden van het leven, die achter de sluier der verborgenheid schuilgaan, is heel wat schandaligs en pijnlijks te vinden. De verhalenschrijver, wiens devies het altijd is de werkelijkheid zo te beschrijven als zij is, beschouwt het als zijn plicht, deze schandalige pijnlijkheden aan het licht te brengen, hoe cru zij ook mogen zijn.                                        De auteur

Oem Labieba kwam binnen bij haar mevrouw, madame Ikbaal, en vertelde haar dat de koetsier er was en om zijn loon vroeg. Mevrouw trok haar wenkbrauwen op en droeg de meid op hem te gaan zeggen dat hij na de middag maar terug moest komen. Dat deed zij, in de hoop dat het haar zou lukken de man met zijn vordering tot na de middag af te wimpelen. Maar nauwelijks stond zij voor hem of hij begon haar af te snauwen in grove bewoordingen waaruit zijn verachting overduidelijk bleek. Ze bracht hem over wat mevrouw haar had opgedragen. Dit uitstel maakte hem nog kwader en hij begon te schelden en te vloeken.
De koetsier had alle reden om kwaad te zijn. Hij had met mevrouw zes ritten gemaakt, plezierritjes of bezoeken bij haar jonge vriendinnen en het loon voor de ritten was opgelopen tot driehonderd piaster, waarvan hij nog niets had gezien. Hij had een vrouw en vijf kinderen, die de grootste moeite hadden te eten te krijgen en iets om aan te trekken.
Had hij niet het volste recht te schreeuwen als hij kwam vragen om het uitstaande bedrag waar hij recht op had en dat hem werd onthouden? Het was nu al de zesde keer dat hij kwam en telkens werd hij afgescheept met beloftes en uitstel.
De koetsier keerde terug naar zijn standplaats, briesend van kwaadheid omdat hij wanhoopte aan het resultaat van zijn geschreeuw en gescheld. Hij was vastbesloten nu na de middag zijn loon te incasseren, koste wat kost.
Madame Ikbaal sloeg geen acht op het gebeurde, alsof ze niet anders gewend was. Ze liep naar de spiegel, deed haar haar en haalde een doosje schmink te voorschijn waarmee ze, af en toe zuchtend, haar gerimpelde gezicht begon te bewerken.
Madame Ikbaal was nu achtendertig. In haar jonge jaren was zij een toonbeeld van lieftalligheid en schoonheid geweest. Op haar twaalfde was zij getrouwd met een ontaarde jongeman, een gokker, een dronkenlap. Hij had acht jaar met haar geleefd; toen had hij haar achtergelaten, gestempeld door zijn verdorvenheid en zedeloosheid. Ikbaal was weduwe op haar twintigste, nadat haar man haar voor zijn dood nog op het verkeerde pad had gebracht, haar hart had verzadigd met verdorvenheid en gedrenkt in het gif van zonde en kwaad.
Al in haar jonge jaren had haar man haar op het pad der zonde gebracht en haar persoonlijk in het kwaad ingevoerd. Hij had haar aangespoord, ja zelfs gedwongen alcoholische dranken te drinken en verdovende middelen te gebruiken. Hij was het ook geweest, die haar na een beetje afdingen voor geld ter beschikking stelde aan zijn vrienden, als die haar wilden, en haar er vervolgens toe aanzette geld te te gaan verdienen met prostitutie.
Toen haar man stierf liet hij zijn nog jonge vrouw achter met in haar ziel de wonden van schande en laagheid en in haar lichaam de pijnen van de ziekte. Op haar achtendertigste zag zij eruit als achtenvijftig. Haar lichaam was verdord en haar gezicht vergrauwd, haar teint was bleek en de pijn had een zwarte rand om haar ogen aangebracht. Ikbaal, het brave meisje van weleer met volmaakte eigenschappen en verheven gevoelens, was nu een liederlijke gokster geworden, besmet met ziekten en verslaafd aan allerlei verdovende middelen, vooral sterke drank en cocaïne. Ze had een zoontje van zeven, dat zijn vader niet kende. Hij was geboren in ellende en groeide op in een sfeer van liederlijkheid en schande. Ikbaal was er miserabel aan toe; haar schoonheid was verdord, jongens en mannen zagen haar nauwelijks nog staan, op een paar na. En hoewel zij het beroep van koppelaarster tussen jongens en verdorven meisjes had opgevat, toen zij merkte dat haar eerste nering niet meer goed liep, werd zij nog steeds bedreigd door nijpende armoede , die ieder ogenblik kon toeslaan.
Zij woonde in een huis waaraan nog genoeg kenmerken van prostitutie te zien waren, maar dat alleen de kleine man met de platte portemonnee nog aantrok. Ze leefde nu bij de dag, nee bij het uur, en sloot haar ogen voor wat de toekomst zou brengen.
.
De koetsier kwam na de middag terug op het afgesproken tijdstip en begon dadelijk om zijn loon te schreeuwen zonder dat iemand hem antwoordde. Zijn koets had hij onder de hoede van een jongetje gelaten en hij was de kleine voortuin binnengedrongen tot hij voor de huisdeur  stond, waarop hij boos en luidruchtig begon te kloppen. Ikbaal zat zich als gewoonlijk op te maken in haar slaapkamer. Ze was gekleed in een doorschijnend negligé, dat zij had overgehouden uit haar rijke tijd. Haar haar hing los en ze was blootsvoets, terwijl uit haar decolleté de verwelkende borsten tevoorschijn kwamen. Ze hoorde het lawaai dat de koetsier maakte en glimlachte ongeïnteresseerd. Oem Labieba kwam haar vertellen dat de koetsier het huis wilde binnendringen en niet ophield schandalige verwensingen te schreeuwen. Ikbaal antwoordde haar kalm:
—— Wat wil je dat ik doe? Ik heb geen geld.
De koetsier had intussen de deur open gekregen en kwam het heilige der heilige binnen! Hij was al in de hal en schreeuwde om het geld waarop hij recht had. Oem Labieba schoot op hem af, wees hem terecht om zijn brutaliteit en schaamteloosheid, probeerde hem te weerhouden van een zonde en zei hem dat hij onmiddellijk weg moest gaan. Meer dan een kwartier lang stonden ze te bekvechten en elkaar uit te schelden, tot de meid besefte dat ze geen vat op hem kreeg. Toen hij op het punt stond haar te slaan riep zij haar meesteres te hulp.
.
Op dat ogenblik ging de deur van de slaapkamer open en verscheen Ikbaal op de drempel in een doorschijnend nachtgewaad, de benen en armen onbedekt. Ze probeerde te praten alsof zij nog steeds niet wist wat er in haar huis gaande was:
—— Wat is er aan de hand, Oem Labieba?
De koetsier liet Oem Labieba niet uitspreken, maar eiste als tevoren schreeuwend zijn loon op. Ikbaal zei gemaakt lieftallig:
—— Maar waarom dan zo veel gepraat, baas? Kom binnen en neem je loon in ontvangst!
De man verbaasde zich over die plotselinge omslag en staarde de dame vragend aan, niet wetend of zij loog of het eerlijk meende. Toen zij zag hoe hij aarzelde kwam ze zelf haar kamer uit, nam hem bij de hand en voerde de man naar binnen, die niet wist wat hem overkwam of wat hij moest doen.
—— Kom je loon maar halen. Waarom wil je niet binnenkomen? Je bent toch geen vreemde?
En zo kwam baas Shehata de kamer in aan de hand van madame Ikbaal, die hem meevoerde als een veroordeelde.
.
Baas Shehata was een man van achtenvijftig, stevig gebouwd en gespierd, die zijn hele leven niets anders had geleerd dan het vak van koetsier. Aanvankelijk was hij staljongen geweest, die zelf in de stal woonde en de mest opveegde, de teugels poetste en de koetsen en de paarden waste. Vervolgens was hij opgeklommen tot de rang van koetsier en zat hij bovenop de bok, nadat hij het jasje en de broek had aangetrokken die afkomstig waren van een voddenman. De verdienste die de paarden en de koets opleverden was niet genoeg om zijn vijf kinderen en zijn zieke, aan huis gebonden vrouw te voeden en te kleden. Hij had een grauw gezicht met een grijze baard die hij alleen liet scheren als hij er geld voor had. Hij zag er viezig uit, met zijn gescheurde kleren en tenen die uit een paar versleten schoenen staken. Om zijn broek droeg hij een vuile rode sjaal en op zijn hoofd had hij een fez met een zwarte rand zonder kwast. Maar ondanks de tekenen van ellende en armoe, die hem op het lijf geschreven stonden en hun sporen hadden nagelaten op zijn kleding en in zijn gezicht, kende hij alleen maar het ‘geluk’: daar had hij het de hele tijd over en dat wilde hij bereiken. Terwijl hij met zijn benen over elkaar hoog op bok zat hoorden de mensen hem balladen of eenvoudige volksliedjes over de liefde zingen, en als er een mooi meisje uit zijn stand voor hem langsliep zette hij zijn fez met de zwarte rand schuin en begon hij met zijn kapotte schoenen te wippen, tegen haar te lachen en te knipogen en zei:
—— Hé schoonheid, kalm aan een beetje, ik sta in vuur en vlam voor je!
.
Dikwijls zag hij meisjes uit de hogere stand met een doorzichtige zwarte voile of een lichte boerka die hun gelaatstrekken openbaarde maar tegelijk prachtig verhulde, en die bij het lopen betoverend heen en weer wiegden. Dan staarde hij ze verliefd aan en verzuchtte zachtjes:
—— Alles voor nop.
En als er door een speling van het lot een verliefd paartje of een minnaar met zijn geliefde in zijn koets belandde en het schaterlachen van de liefde tot hem doordrong, of de klanken van diepe kussen, of zelfs het schaamteloze heen en weer schudden dat de liefdesgloed in hem opwekte, dan schreeuwde baas Shehata het uit van binnen en schold zijn vrouw uit:
—— Oemm Ahmad, ’t is eeuwig zonde!
Dan werd hij door liefdesgloed overweldigd en kon hij zijn zenuwen alleen nog de baas door zich met zweepslagen en gescheld uit te leven op de magere, uitgeputte paarden.
.
Baas Shehata liep de slaapkamer in zonder dat hij wist of mevrouw het ernstig meende of een grap maakte. Hij snoof de geur van poeder en parfum op die het vertrek vulde en zijn opgekropte zenuwen kalmeerden en zijn vonken schietende ogen kwamen tot rust.
Hij liet zijn blikken over het lichaam van Ikbaal glijden terwijl zij door de kamer op en neer liep, op zoek naar de sleutels van de kast. Toen zij die tenslotte vond en de inhoud omkeerde om hem zijn loon te geven, monsterde hij haar met een koude blik. Zijn mond verbreedde zich tot een zinnelijke grijns.
.
Nooit eerder was baas Shehata met een blanke dame van deze stand – de pseudo-aristocratie – in één kamer alleen geweest. In zijn hele leven had hij nooit een meisje gezien dat er zo uitzag en met zulke kleren aan. Hij had immers nooit iets anders gezien dan zijn echtgenote thuis, met haar donkere huid en verzakte lijf, in een vuilblauwe gilbaab en gescheurde zwarte hoofddoek. Had hij ooit te voren oog in oog gestaan met zo’n ranke gestalte zonder kleren, slechts bedekt met een dun doorschijnend nachthemd, waaronder de zachte, gladde benen zichtbaar waren, en die blanke, wat roodachtige huid, dat gezicht verlevendigd met rouge en die ogen vol verleiding? Nee, van zijn levensdagen had baas Shehata niet zulke blote benen gezien, zulk haar dat loshing over het voorhoofd en zulke blanke, priemende borsten.
Baas Shehata zag op dat ogenblik madame Ikbaal niet voor zich zoals ze werkelijk was, met haar magere lijf, haar bloedeloze gezicht en holle ogen achter een sluier van poeder en rouge en bedrieglijke opmaak. Nee, hij zag het meisje waarvan hij altijd droomde, of hij nu wakker was of sliep. Een blank meisje, met haar stralende gezicht verborgen onder een doorzichtige zwarte voile of een lichte witte boerka. Het meisje, waarvan hij de betoverende lach hoorde in zijn koets, het meisje dat voor zijn ogen op straat met haar lichaam wiegde. Dat meisje met die betoverend mooie, melodieuze stem.
Ikbaal kwam koket en elegant dichterbij en zei bescheiden:
—— Vandaag heb ik geen geld, baas. Wil je niet morgen terugkomen?
Ze keek hem smekend aan, maar tegelijk lonkend en koket. In de ogen van baas Shehata glansde een vreemde flikkering. Hij grijnsde en zei spottend:
—— Ik kan nu niet meer terug, mevrouw.
Ikbaal glimlachte, want ze had wel geraden hoe hij eraan toe was. Ze stortte zich op hem, zonder erom te geven hoe vuil hij was en hoe hij stonk, en ze gaf hem een bedwelmende kus op zijn mond, die hem bijna het bewustzijn deed verliezen.
.
Gamaal, Ikbaals zoontje van zeven, kwam aangelopen en keek door een gat in de slaapkamerdeur; toen liep hij lachend weer weg. Op de terugweg kwam hij Oemm Labieba tegen. Hij bracht haar hoofd dicht bij het zijne en begon haar in zijn kindertaal toe te fluisteren over het geheim dat hij in de kamer had gezien …. het geheim van hoe baas Shehata op deze eenvoudige, mooie manier van zijn vordering afstand deed … .

.

Baas Shehata komt om zijn loon

BIBLIOGRAFIE
De Arabische tekst van het verhaal ‘al-Ugra’ is genomen uit: Maḥmūd Taymūr, Al-shaykh Gum‘a wa-aqāṣīṣ ukhrā, Cairo, 2e druk 1927, 25–35. Online hier: TaymurUstaShehata. Het verhaal verscheen voor het eerst onder de titel ‘al-Usṭā Shaḥāta yuṭālibu bi-ugratihi’ (Baas Shehata eist zijn loon op) in al-Fadjr, nr. 5 (10.2.1925).

Secundair:
– John J. Donohue SJ en Leslie Tramontini, Crosshatching in Global Culture. A Dictionary of Modern Arab Writers: An Updated English Version of R.B. Campbell’s “Contemporary Arab Writers”, 2 dln., Beiroet (BTS 101a, 101b), 1108–1115, met een autobiografische schets.
– Rotraud Wielandt, Das erzählerische Frühwerk Maḥmūd Taymūrs. Beitrag zu einem Archiv der modernen arabischen Literatur, Beiroet 1983 (BTS 26).
– G. Widmer, ‘Übertragungen aus der neuarabischen Literatur. I. Maḥmūd Taimūr,’ Die Welt des Islams, 13 (1932), 1–103. In te zien via JSTOR.

Terug naar Inhoud

Ali Mubarak en het doorsijpeleffect

🇩🇪 De laatste tijd heb ik zin om negentiende-eeuws Arabisch te lezen, en dan kom je onvermijdelijk terecht bij ‘Alī Pāshā Mubārak (1823–1893). Deze veelzijdig getalenteerde Egyptenaar had oorspronkelijk imam of iets dergelijks zullen worden, maar doorliep een militaire ingenieursopleiding, studeerde vijf jaar in Frankrijk, was werkzaam in de organisatie van het onderwijs in zijn land en heeft enkele malen een ministerspost bekleed. Zijn naam is onder meer verbonden aan de oprichting van de koninklijke bibliotheek (het latere Dār al-kutub), de pedagogische akademie (Dār al-‘ulūm), beide in Cairo, talloze publieke werken en de herbouw van de stuwdam bij al-Qanāṭir al-Khayrīya. Naast zijn openbare functies vond hij tijd om dikke boeken te schrijven. Over zijn bio-, biblio- en autobiografie komt elders meer.
.
Vandaag een fragment uit zijn ‘Alam al-Dīn (= ‘Banier van de Godsdienst’), dat in 1882 verscheen en 1486 bladzijden en 125 hoofdstukken telt. Of liever ‘gesprekken’ (musāmarāt), want er worden dialogen gevoerd, al zijn die zeer, zeer houterig. Het werk heeft trekken gemeen met een roman: er zijn personages en er is iets van een handeling.
.
‘Alam al-Dīn, een afgestudeerde van de religieuze Azhar-universiteit te Cairo, in het boek meestal ‘de sjeik’ genoemd, heeft grote moeite de eindjes aan elkaar te knopen en zijn grote gezin te voeden. Het aanbod van een naamloos blijvende Engelse oriëntalist is na ampel overleg met zijn collega’s dan ook welkom: de sjeik zal deze khawwāga (een Europese heer; hieronder vertaald als: Mijnheer) als gids en tolk vergezellen in Egypte. Later gaat hij ook mee naar Europa en hij neemt zelfs zijn zoon mee, die tot twee maal toe verliefd wordt op een Frans meisje. In Frankrijk voegt zich een zekere Ya‘qūb bij hen: een Egyptische matroos die daar al lang woont en hun als gids en gesprekspartner dient.
.
Maar de handeling blijft dun, heeft geen einde en wordt telkens onderbroken met door de auteur belangwekkend geachte informatie over zaken als de kurkeik, de houtwurm, het nut der spoorwegen en nog veel meer. Als je die gedeelten overslaat is het niet zo’n heel dik boek. Algemene strekking: je mag met Engelsen omgaan, en zeker met oriëntalisten die op grond van hun kennis al bijna moslim zijn; je mag ook dingen overnemen uit Europa. Duidelijk is hoeveel Europa te danken heeft aan het oude Egypte en hoe gemakkelijk Europeanen moslim zouden worden, als zij de koran en de islam maar kenden. Huwelijken tussen Egyptische mannen en Europese vrouwen zijn in principe mogelijk. Vrouwen moeten ook school gaan, zij het vooral om aangename gesprekspartners voor de man te zijn.
.
In hoofdstuk 101 mijmert Mubārak via zijn personage Ya‘qūb een beetje over het verschil tussen arm en rijk en het trickle down effect. Hoewel hij van huis uit niet zeer rijk was zal hij op latere leeftijd zoveel bezit hebben verworven dat hij niet met de armen, maar met de rijken meedacht.
Het onderstaande fragment is niet spectaculair interessant. Alleen wanneer je erbij bedenkt wanneer en waar hij geschreven is en nog andere teksten uit die tijd ernaast leest krijgt het zin, ernaar te kijken, bij voorbeeld in vergelijking met de meer tot ‘socialisme’ geneigde Fāris al-Shidyāq in Sāq ‘alā sāq (1855). Hier de vertaling:

.
“““De sjeik zei: ‘Telkens als ik door [Parijs] loop verbaasde ik mij erover hoe groot het is, hoeveel mensen er wonen en hoe ze dag en nacht in de weer zijn.’ De sjeik leed onder zijn verblijf in de stad, om het drukke verkeer dat hij steeds maar zag en de geluiden van mens en dier die hij hoorde. Want de rijtuigen rijden dag en nacht af en aan en hun wielen maken lawaai doordat zij tegen de stenen stoten waarmee de straten bedekt zijn. De ramen van de huizen en gebouwen en winkels klapperen in de wind en als ze open en dichtgaan. Dronkenlappen en mensen die uitgaan maken herrie en zingen, en daarbij nog het verkeer—dat alles maakt onrustig, verwart de geest en verhindert de concentratie.
.
Hij zei tegen Ya‘qūb: ‘Woonden we maar buiten de stad, dat zou prettiger en gezonder zijn.’ Ya‘qūb antwoordde: ‘De sjeik heeft gelijk, want Mijnheer heeft ook last van zijn verblijf in deze stad, maar de reden dat hij hier onderdak heeft gezocht is dat het dicht bij zijn werk en zijn vrienden is. Hij heeft mij een woonruimte beschreven die ruimer is dan deze, die uitziet op een park en op enige afstand van de straat ligt; als Mijnheer wist hoe jullie te lijden hebben zou hij meteen daarheen verhuizen.’ Daarop prees de sjeik hen beiden en zei: ‘Parijs is een van de schitterendste steden ter wereld, omdat het zo veel kunstwerken, mooie dingen, kostbaarheden en curiositeiten bevat en de mensen er zo welvarend zijn en de gebouwen zo fraai, maar ik denk dat het leven van de armen hier ellendig is, omdat er zoveel mensen op elkaar wonen.’
.
Ya‘qūb zei: ‘Misschien hebben de armen het in Parijs beter dan ergens anders. Want zoals de rijken grote inspanningen verrichten om veel winst te maken, zo hebben ook de armen diverse manieren om aan de kost en aan hun pleziertjes te komen, al naar gelang hun situatie. De armen van iedere stad zijn altijd navenant. Naarmate de stad groter wordt en de bloei van de rijken toeneemt, nemen ook de bestaansmogelijkheden van de armen toe, want doordat ze overal dienstbetrekkingen en banen hebben kunnen ze achter veel dingen tegelijk aangaan, wat je alleen ziet als je heel goed kijkt. Neem bij voorbeeld een conciërge: die beperkt zich niet tot zijn baan, nee, je kunt hem en zijn gezinsleden ook bezig zien met bijverdienen. Want de man repareert ook schoenen en sandalen, de vrouw naait kleren, de dochter zingt en studeert zang en de zoon vermaalt ingrediënten van kleurstoffen, en als je erop zou letten zou je in de straten arme mensen zien die van de grond en uit de modder stukken oud ijzer en spijkers verzamelen, en mannen en kinderen die de paarden van de mensen rossen, en weer anderen die het haar van de honden trimmen, en nog anderen die lucifers en zoetigheid en drankjes voor de kinderen verkopen. En er zijn er die ‘Vodden!’ roepen, en die kruiden verkopen, of bladen met het nieuws en de aankondigingen en de repertoires van de theaters. Al zijn deze dingen op het eerst gezicht van weinig nut, dikwijls brengen arme mensen het daarmee tot grondbezit en vermogen, zodat ze tot de voornamen gerekend worden, en ik denk dat u’s avonds wel die mensen hebt gezien die het papier en de botten oprapen die op straat gegooid zijn?’ De sjeik zei van ja, en Ya‘qūb vervolgde: ‘Dat zijn dingen waar heel wat mensen van leven en het brood voor hun gezin mee verdienen. En dan zijn er nog hele groepen die leven van vleierij, zwendel, spionage, bedrog en dergelijke, zoals je dat in grote steden aantreft.’
De zoon van de sjeik zei: ‘In Cairo heb je veel mensen die sigarettenpeuken oprapen, de tabak eruit halen en daarvan nieuwe sigaretten maken om die te verkopen op straat en zich te voeden van de opbrengst. Anderen verzamelen glasscherven en verkopen die aan de makers van armbanden voor arme vrouwen, enzovoort.’
.
Waarop de sjeik zei: ‘God—geloofd en geprezen zij Hij— heeft het voor zijn knechten gemakkelijk gemaakt op allerlei wijzen in hun onderhoud te voorzien. Hij is werkelijk de Voeder (razzāq), en Hij heeft voor ieder schepsel een manier gemaakt waarop hij zijn brood kan verdienen … .’ ”””

BIBLIOGRAFIE
– ‘Alī Bāshā Mubārak, ‘Alam al-Dīn, 4 dln., Alexandrië 1882.
– Andrea Geier, Von den Pharaonen zu den Khediven. Ägyptische Geschichte nach den Ḫiṭaṭ des ‘Alī Mubārak, Frankfurt am Main 1998.
– Rotraud Wieland, Das Bild der Europäer in der modernen arabischen Erzähl- und Theaterliteratur, Beirut 1980, 48-72 en Index onder ‘Alī Mubārak.

Terug naar Inhoud

Verlicht en doorgebrand. Al-Turabi als romanfiguur? (1)

Hasan ‘Abdallāh al-Turābī (1932–2016) is gestorven, en ik treur niet om hem. Als leider van de Moslim Broederschap in Soedan was hij een van de voornaamste verwoesters van dat ooit zo gemoedelijke land.
Hij stamde uit Kassalā, een door islamitische mystiek gestempelde stad, studeerde rechten in Khartoem van 1951–55, in London van 1955–1959 en promoveerde in 1964 aan de Parijse Sorbonne. Hij moet dus behoorlijk briljant geweest zijn en twee Europese hoofdsteden en twee Europese talen grondig hebben gekend. Weer thuis werd hij een van de medeoprichters van de Moslim Broederschap, die actie voerde tegen de lakse moraal van de elite en ook tegen de communisten. Hij was partijleider en bekleedde verschillende hoge ambten. Zijn persoonlijke streven was een op de Sharī‘a gebaseerde grondwet voor zijn land, die in 1983 een feit werd. Naar verluidt verdiende al-Turābī goed aan het toen ingevoerde islamitische bankwezen. Hij gaf de nu nog steeds zittende dictator al-Bashīr zijn volledige steun, maar werd na enige tijd wel door hem uit de politiek gegooid. Als geestelijk leider bleef hij echter invloedrijk. Ook de Soedanese tak van al-Qā‘ida genoot zijn steun.
Als U meer over hem wilt weten kunt U hem naslaan in de Wikipedia, in de Engelse of de Duitse versie.
.
Men zegt soms dat het met ‘de islam’ veel beter zou gaan als die tenminste de Verlichting zou kennen. Al-Turābī was het levende bewijs — maar lang niet het enige — van het tegendeel. Hij was uitstekend bekend met het denken en de waarden van het Westen en kende de Verlichting zonder twijfel een stuk beter dan de columnisten die de islam er eentje toewensen. Maar zodra hij weer terug was in Khartoem schudde hij dat allemaal af, schoof ook de de easy going islam en de mystieke verlichting waarmee hij was opgegroeid terzijde en werd Moslim Broeder en duisterling. Hij zal zijn buik vol gehad hebben van de arrogantie van London en Parijs. Jaren geleden heb ik zelf eens ervaren hoe het is om naast een wat armelijk geklede Egyptische geleerde door Parijs te lopen. Het was schokkend de verachting te voelen die toen onze kant op woei.1 Voor mij tenminste; die Egyptenaar kende dat natuurlijk al.
.
Door al-Turābī’s dood moest ik terugdenken aan een Arabische roman. Want ik vond het altijd een beetje griezelig: het leek wel of hij model had gestaan voor Moestafa Sa‘ied, de hoofdpersoon van al-Tayyib Salih’s roman Seizoen van de trek naar het Noorden van 1966.2
De auteur moet al-Turābī hebben gekend. Soedan is een groot land, maar had in de vijftiger jaren heel weinig ‘westers’ gevormde intellectuelen. Lange tijd was deze briljante man de enige Soedanees met een buitenlandse doctorstitel. Ook de drie jaar oudere Salih heeft eerst in Khartoem en daarna in Engeland, in Exeter, gestudeerd, waarna hij vele jaren als medewerker verbonden was aan de Arabische afdeling van de BBC. Misschien heeft hij al-Turābī wel geinterviewd. Er waren toen zo weinig intellectuele Soedanezen in Engeland dat hij hem wel gekend móet hebben. Of Salih hem werkelijk in zijn achterhoofd had toen hij zijn roman schreef is echter niet te zeggen. In elk geval ging het met het leven van zowel de echte persoon als het romanpersonage na de studie noodlottig mis.
Over de roman een volgende keer.
.
WORDT VERVOLGD (maar voorlopig nog niet)

NOTEN
1. Ook bij personen uit heel andere culturen leidt het contact met de westerse waarden soms tot rampen; denk aan de Cambodjaanse massamoordenaar Pol Pot, die op een Franse school had gezeten en in Parijs mocht studeren.
2. al-Tayyib Salih, Mawsim al-hidjra ilā al-shimāl verscheen in het Arabisch voor het eerst in 1966 in het tijdschrift al-Hiwār en is dikwijls als boek herdrukt en in vele talen vertaald. De Nederlandse vertaling is van Kees Versteegh en verscheen bij Meulenhoff Amsterdam in 1985.

Diacritische tekens: Ḥasan ʿAbdallāh al-Turābī, Ṭayyib Ṣaliḥ, Muṣṭafā al-Sa‘īd, al-Ḥiwār

Terug naar Inhoud

Sahar Khalifa, De poort, bespreking (1997)

Sahar Khalifa (سحر خليفة), De poort (باب الساحة). Uit het Arabisch vertaald door Djûke Poppinga en Richard van Leeuwen, Breda (De Geus), 173 blz.

Deze roman uit 1990 speelt in Nabloes, een grote stad op de bezette westelijke Jordaanoever. In een volkswijk wordt het leven verstoord door invallen van Israëlische soldaten, die een toegangsweg barricaderen.
Tijdens zo’n actie biedt een bordeel toevlucht aan een aantal mensen die dat huis anders hadden gemeden, maar nu geconfronteerd worden met elkaar en met hun verleden.
De jonge vrouw des huizes is verbijsterd omdat haar moeder, die Israeli’s, maar ook stadgenoten verwende, door Palestijnse strijders is vermoord. Als de militaire acties escaleren tot een bloedbad, ontpopt uitgerekend dit hoerenkind zich als een dappere meid met een zuiver hart.
De roman maakt een wat belegen, gedateerde indruk. In het begin wordt de informatie nogal houterig toegediend via de vragen en antwoorden van een enquête die een jonge academica houdt onder de vrouwen. Later houden revolutionairen lange dialogen, waarin zelfs de klassenstrijd nog aan de orde komt, en martelaren formuleren zelfs als zij doodbloeden fraaie volzinnen.
Ook de symboliek is ouderwets: een jonge strijder, die en T-shirt met een kaart van Palestina draagt, wordt door een kogel in het hart getroffen; zo dus ook Palestina, wordt ten overvloede nog eens uitgelegd. En de wijze vroedvrouw, die de hele buurt ter wereld heeft geholpen, is als het ware de moeder van het hele volk.
Wel geeft dit boek enig inzicht in het dagelijks leven in bezet Nabloes. Dat kan nooit genoeg gedaan worden, omdat de tegenkrachten van vergeten en verdringen enorm zijn. Na een ‘vredesproces’ van jaren is de verleiding groot om voorbij te zien aan de ellende die democratische bezetters kunnen aanrichten. Ook is het altijd interessant, de onafhankelijkheidsoorlog van de Arabische vrouw te volgen, al heeft Khalifa die elders veel beter laten zien.
In De poort komt niet alle ellende van de Israeli’s, maar doen Palestijnen elkaar onderling ook heel wat aan. We moeten weten dat niet iedereen een dappere vrijheidsstrijder is, en niet iedere strijder een heilige; dat de vrouw wordt onderdrukt, en dat al die praat over martelaren ronduit flauwekul is. Maar hadden we dat niet al vermoed? Wiens taboes worden er hier doorbroken? Misschien dat deze genuanceerde boodschap op de Westoever broodnodig was, maar wat moeten wij ermee? Een voor anderen bestemde boodschap in een roman is alleen verteerbaar als er nog wat meer aan zo’n boek te beleven is, en dat is hier maar beperkt het geval. Alleen voor wie werkelijk ieder stapje van de Palestijnse ontwikkelingsgang wil volgen is De poort een must.

Was gepubliceerd in NRC-Handelsblad, 4 april 1997.

Terug naar Inhoud

Bakr, Wachten op de zon (bespreking)

Salwa Bakr, Wachten op de zon, vert. Djûke Poppinga (red.) en Heleen Koesen. Uitg. Bulaaq/NOVIB/NCOS, 160 blz.

De Kaireense Salwa Bakr (1949) debuteerde in 1986 met korte verhalen en werd toen snel beroemd in de Arabische wereld. Ze is feministe, maar minder eenzijdig dan haar landgenote Nawal Saadawi, en ze schrijft veel beter. De meeste verhalen in deze bundel draaien om de lotgevallen van vrouwen en meisjes die vergeefs trachten hun lot in eigen handen te nemen, maar soms ook over al even kansloze mannen en apen.
Illustratief is ‘Deeg kneden’, over drie apen die een temmer op wrede wijze probeert te dresseren. De energiekste aap verzet zich. Hij kan dat doen omdat hij nog weet heeft van het oorspronkelijke paradijs: de vrije natuur. De andere twee denken dat de apenrots het paradijs is. Eén van hen is te oud, de andere te braaf om te vechten. Het strijdbare dier werkt de temmer het ziekenhuis in en wordt als onhandelbaar teruggebracht naar de apenrots. Is dat winnen? In de dierentuin krijgt hij alleen klaver, want hij wordt bewaakt door aapachtige lieden die zijn voer stelen om het zelf op te eten. Strijd helpt dus niet; winnen is ook verliezen. De brave aap, die aan een circus verkocht wordt, krijgt wat in Cairo waarschijnlijk het beste apenleven is, maar dat is niet zijn verdienste.
De menselijke personages in de andere verhalen streven eveneens naar verbetering van hun lot. Omdat zij een vermogen tot reflectie hebben verwerven zij tenminste een inzicht in hun leven—dat lijkt het enige wat er in deze wrede wereld vol willekeur te bereiken is.
Een minder indringend thema van Bakr is heimwee naar het verleden, naar de tijd toen er nog bomen stonden in Kairo, toen de opera nog niet was afgebrand en de mensen nog idealen hadden in plaats van televisie. Zij heeft kennelijk kunnen profiteren van de mogelijkheden die Nassers socialisme bood aan de kleine man en verlangt terug naar de geborgenheid van toen. Dat past slecht bij de illusieloosheid die zij elders tentoon spreidt.
Maar wie meent dat de verhalen van Salwa Bakr vooral somber zijn krijgt ongelijk. Zij worden gered door een fijnzinnige, vaak sardonische humor en een voortreffelijke stijl, die ook in de vertaling goed tot zijn recht komt.

Was gepubliceerd in NRC-Handelsblad 16.8.1996.

Terug naar Inhoud

Haqqi’s ‘Maagd van Dinshaway’

(Doelgroep: mensen die Arabische literatuur in het Arabisch lezen)

Als attachment hier de Arabische tekst van Mahmud Tahir Haqqi’s korte roman ‘Adhrā’ Dinshawāy (De maagd van Dinshaway, Cairo 1964; de eerste druk was van 1906). Ik heb nu eenmaal dit pdf-bestand en het zou jammer zijn om het weg te gooien. Zo hoeft u niet nog een keer naar de UB te rennen.

Haqqi’s werk is een van de vroegste Egyptische romans, die een grote invloed heeft gehad op zowel het Egyptische nationalistme als op de ontluikende romankunst. In de woorden van Samah Selim, blz. 93:

  • The novel dramatizes the events that took place in the Delta village of Dinshaway in 1906. A party of British officers out pigeon hunting near the village was attacked by a group of peasants to whom the pigeons belonged. In the confrontation that followed, an officer was severely wounded and subsequently died of sun-stroke. The British reprisal was swift and brutal — a military trial ended in the execution of four villagers — and the popular outrage that ensued eventually led to Lord Cromer’s departure from Egypt.

Secundaire literatuur:
– Sa‘d al-Djabalāwī, Three pioneering Egyptian novels, Fredericton NB 1986.
– Roger Allen, ‘History of the Egyptian Novel. Its Rise and Early Beginnings,’ IJMES 1988, Vol. 20(3), 397-397.
– Samah Selim, The Novel and the Rural Imaginary in Egypt, 1880-1985, London/New York 2004, blz. 92ff.

Diakritische tekens: Maḥmūd Ṭāhir Ḥaqqī, ʿAdhrāʾ

Terug naar Inhoud           Mahmud Tahir Haqqi Dinshaway Dinschaway Dinsaway Dinsawai Dinsuway

Oudste Arabische roman?

(Doelgroep: mensen die geïnteresseerd zijn in Arabische literatuur uit de negentiende eeuw)

Ooit had de uitgeverij Brill een oriëntalistische boekhandel in Leiden, waar je in de kelder koopjes kon halen vanaf één gulden. Daar heb ik eens, inderdaad voor een gulden het stuk, twee Arabische boekjes gekocht van Nakhla Sālih, ‘voorheen vertaler bij de Egyptische Spoorwegen’ (gest. 1899), kennelijk een christen.1 Het ene was een reisgids door Syrië en Palestina, het andere een roman, getiteld Qissat Fu’ād wa-Rifqa mahbūbatihi (Het verhaal van Fu’ād en zijn geliefde Rifqa), gedrukt in Cairo bij al-Maṭba‘a al-‘Āmirīya in 1289 [dat is 1872 in onze jaartelling].
Mocht U ooit Arabische literaire werken in een originele negentiende-eeuwse druk ontdekken, koop ze en wees er zuinig op, of zorg dat ze een goed tehuis krijgen. Ze zijn zeldzaam.

Fu’ād en Rifqa is allebehalve een literair meesterwerk, maar het verdient enige aandacht in het kader van de literatuurgeschiedenis, omdat het de oudste nog bewaarde Arabische roman is uit Egypte.2 Of liever gezegd romannetje: het heeft maar 48 bladzijden. Het exemplaar heb ik aan de UB in Leiden geschonken, waar het de signatuur 8241 F 30 heeft gekregen. Een pdf van de tekst plaats ik hier, een foto van het omslag met de titelpagina hier.

‘Zoals ook Manon bekend is in Eypte’; bedoeld is Abbé Prevost, Histoire du Chevalier Des Grieux et de Manon Lescaut (1731), een beroemde roman uit Frankrijk, die ook in de negentiende eeuw zeer populair was. Maar Ṣāliḥ kan ook een verkorte, Reader’s Digest-achtige versie daarvan ter beschikking gehad hebben, zoals die verschenen in dunne boekjes voor in de stationskiosk.

NOTEN
1. C. Brockelmann, GAL ii, 491, S ii, 749; iii, 378.
2. J. Brugman, An Introduction to the History of Modern Arabic Literature in Egypt, Leiden 1984, 207 (spelt ten onrechte Nakhīla).

Diakritische tekens: Ṣāliḥ, Qiṣṣat Fuʾād wa-Rifqa maḥbūbatihi

Terug naar Inhoud