Christien Dohmen over de vroegere waardering van ‘de islam’ (bespr.)

Christien Dohmen, In de schaduw van Scheherazade. Oosterse vertellingen in achttiende-eeuws Nederland, Nijmegen, Vantilt, 2000. 319 blz.

————————–

Bij de bestrijding van vooroordelen tegen buitenlanders wordt altijd weer opgemerkt dat er eeuwenoude stereotypen bestaan, met name over de islam. Een recente, spraakmakend geworden studie waarin deze ter sprake komen is Orientalism van Edward Said (1978). Sindsdien kent haast iedereen het bekende rijtje: in het oosten vind je despotisme, pracht en praal, wreedheid en wellust. De laatste tijd is het beeld echter veranderd. Het oosten is gewoner, westerser geworden, de Islam heeft hier en daar Victoriaanse trekken gekregen, en vooral wij zelf zijn veranderd. Welke Nederlander kan het nog wat schelen dat Mohammed negen of meer vrouwen had? Gaf dat honderd jaar geleden nog aanleiding tot verontwaardiging en minachting, intussen kan geen ‘oosters’ land in libertinisme meer met Nederland wedijveren. Tegenwoordig wordt moslims eerder hun vermeende overdreven godsdienstigheid verweten. In plaats van te wellustig zouden ze nu juist te preuts zijn. Het heersende populaire beeld van het islamitische Oosten is dus niet constant.

Dat wordt ook geïllustreerd door In de schaduw van Scheherazade. Christien Dohmen heeft achttiende-eeuwse, oriëntaals geïnspireerde Nederlandse verhalen bijeen gezocht en bestudeerd. In Engeland of Frankrijk was zoiets allang gedaan, maar in Nederland nog nauwelijks. Merkwaardig, omdat ons land bij de ontdekking van de wereld zijn partij flink heeft meegeblazen, wat ook in de literatuur zijn neerslag heeft gevonden. Dohmen ontdekte zelfs zo veel materiaal dat zij zich heeft moeten beperken tot zo’n driehonderd fictionele prozateksten. Poëzie, toneel, kranten en pamfletten zijn dus buiten beschouwing gebleven. Het betreft hier teksten die uit een Oosterse taal vertaald zijn, vrijwel altijd indirect via het Frans of Engels, waarvan Duizend en één Nacht en Hayy ibn Yaqzan — de ‘Arabische Robinson Crusoë’ – de bekendste voorbeelden zijn, maar ook teksten die op Nederlandse of althans Europese bodem geheel vrij in oosterse trant zijn bedacht. Juist omdat er op dit gebied zo weinig studies zijn is het zeer waardevol dat de inhoud van alle bestudeerde teksten in samenvatting is weergegeven. Indexen vergemakkelijken de toegang, en nauwkeurige bibliografische gegevens ontbreken uiteraard niet. Zelfs geeft de auteur dikwijls de bibliotheek aan waar zij het misschien enige nog bestaande exemplaar van een werk heeft opgedolven.

Had zij zich hiertoe beperkt, dan had zij een degelijk bibliografisch instrument voor neerlandici afgeleverd. Maar zij heeft haar teksten in een breder kader gezet en daardoor een boek geschapen dat ook voor een algemeen publiek interessant is.

In het eerste gedeelte worden de contacten van Nederland met het ‘Oosten’ behandeld: de betrekkingen met het Ottomaanse Rijk en onze verrichtingen in de Oost, maar ook de aanwezigheid van de talrijke oriëntaalse producten in de huizen, en niet allen die van de rijken: specerijen, thee en koffie, vaatwerk, meubels, tapijten, stoffen en kleding. Rembrandt hulde zich soms al in Turkse kleding, maar in de achttiende eeuw kreeg Turkije werkelijk invloed op de Europese haute couture. Het oosten had in die eeuw nog heel veel te bieden. Ook reisverhalen werden in vrij brede kring gelezen, en zelfs enkele producten van wetenschappelijke oriëntalistiek, waaronder het werk van Reland over de islam het belangrijkste was.

Het interessantst is het laatste deel, waarin het beeld van de Oriënt wordt geschetst dat uit de verhalen opdoemt. De middeleeuwse vooroordelen over de islam blijken als onderstroom nog volop voort te bestaan. Al sinds de Middeleeuwen werd er geschimpt op de verderfelijke koran en de leugenprofeet Mohammed, en omstreeks 1700 was daaraan nog weinig veranderd. Maar in de loop van de achttiende eeuw wordt de toon milder. Het nuchtere werk van Reland zal daartoe hebben bijgedragen, en een ontspannener houding werd mogelijk nadat het Ottomaanse Rijk over zijn hoogtepunt heen was en niet meer een directe militaire bedreiging voor Europa vormde. In de tweede helft van de eeuw is er zelfs een bescheiden enthousiasme over de islam. Verrassend is dat er toen honderden oosterse vertellingen met duidelijk islamitische kenmerken verschenen, soms zelfs uitdrukkelijk bedoeld voor de jeugd, met de bedoeling een zedelijk voorbeeld te geven. Het gaat dan om onderwerpen als godsvertrouwen, menslievendheid, de deugd beloond, het nut van het gebed en het kuise huwelijksgeluk. Inderdaad contrasteren op deze punten de ‘oosterse’ verhalen sterk met de toen in Europa geproduceerde, wufte romans. Bovendien kon de islam kon een imaginaire bondgenoot zijn tegen de goddeloze Verlichting, zoals hij dat een eeuw tevoren tegen de katholieken was geweest (‘Liever Turks dan paaps’). Daar kwam nog bij dat de frisse, beeldende taal van het Arabisch of wat daarop moest lijken onze toenmalige landgenoten erg aansprak. Schrijvers in Europese talen zaten immers dikwijls gevangen in een keurslijf van stilistische conventies.

Tenslotte toetst Dohmen haar teksten ook aan Edward Saids opvattingen over oriëntalisme, in de zin van receptie en weergave van het oosten in een westerse, koloniale context. Said had het vooral over de negentiende eeuw, en liet Nederland buiten beschouwing. Dohmen herkent veel van Saids resultaten: ook in haar teksten is ‘het andere gebied’ gereduceerd tot één algemeen ‘oosten’, waar de islam de heersende religie is. Bovendien treft zij eveneens de door hem gereleveerde, hierboven al genoemde stereotypen aan. Zij wijst er echter ook op dat voor haar schrijvers het oosten een eerlijke bron van inspiratie en emotie was, en dat het Westen zich vaak genoeg een dankbare leerling heeft betoond. Saids idee dat het westen zich altijd als moreel superieur beschouwde komt uit haar tekstcorpus niet naar voren, integendeel. Dat voor ‘oriëntalistische’ auteurs het (islamitische) oosten als zedekundig model diende, dat zij dikwijls geloofden in principiële gelijkwaardigheid van de culturen en in universele waarden en normen, dat is Said verborgen gebleven. Enerzijds ligt dat aan de eenzijdigheid van zijn visie, anderzijds aan het feit dat Europa in de negentiende eeuw de oriënt inderdaad met meer geringschatting ging bezien.

In dit boek is dus een heel segment van de Nederlandse literatuur uit de archieven gehaald en op even kundige als appetijtelijke wijze gepresenteerd voor een algemeen publiek. Vreemd genoeg lezen in Nederland maar weinig mensen ooit iets van vóór 1800. Misschien kan Dohmens boek ertoe bijdragen dat leesgedrag te wijzigen, hoewel het vooralsnog heel wat moeite zal kosten, de oorspronkelijke teksten zelfs maar in handen te krijgen.

Was gepubliceerd in NRC-Handelsblad, 23 februari 2001.

Terug naar Inhoud

Akalay, De nachten van Azed (bespreking)

Lotfi Akalay, De nachten van Azed, Roman, Manteau/Ambo, vert. Jeanne Holierhoek

Bron van inspiratie voor De nachten van Azed, een tintelende en vederlichte roman vol humor en fris-obscene passages, vormen enerzijds De vertellingen van duizend-en-één-nacht, anderzijds het dagelijks leven in Marokko. Net als in de raamvertelling van Duizend-en-één-nacht worden twee broers door hun echtgenotes bedrogen. De een verdwijnt uit het gezicht, de andere neemt wraak door elke dag een verse maagd te huwen en die de volgende dag niet te doden zoals in het klassieke voorbeeld, maar volgens de regels te verstoten, waartoe hij twee kadi’s in vaste dienst genomen heeft. Eén van deze maagden is Azed, wier naam herinnert aan Sjahrazaad. Zij vertelt haar man ‘s nachts verhalen die zo boeiend zijn dat hij haar houdt en zijn kadi’s weer kan ontslaan.
.
De verhalen van Azed zijn schelmenverhalen met een detective-achtige inslag, evenals die van haar grote voorbeeld, maar zij spelen zich af in het moderne Marokko. Een lelijke maar rijke dame koopt het genot van een knappe jongeman door hem te huwen, op straffe van verstoting bij ontrouw; er wordt naar een juwelenkistje gezocht, waarover een commissaris zich ontfermt; een andere politieman en een slim vrouwspersoon hebben een opzetje om vermogende heren te chanteren, weer een andere agent dwingt een dienstertje, een bandje met geile praat voor hem in te spreken, en tenslotte vindt er nog een illegale emigratiepoging naar Europa plaats, die echter eindigt in een lijkenhuis en een gevangenis in Spanje.
.
Op monkelende wijze levert Akalay maatschappijkritiek, en dat maakt zijn boek tot aanzienlijk méér dan een vakantieboek. De beschreven samenleving is doordrenkt van machtswellust, geldzucht, leugen en bedrog, vooral in kringen van politie en justitie. Geen dienst zonder wederdienst, uitgekeerd in geld of seksuele gunsten. Dat politiemensen hulpzoekende vrouwen misbruiken spreekt in deze sfeer vanzelf. Vriendschap en loyaliteit onder mannen leveren schitterende woordenvloeden op, maar geen cent meer dan dat.
.
In Duizend-en-één-nacht zijn vrouwen vaak sterker en slimmer dan mannen. In één van de talrijke verhalen over vrouwelijke listen heeft een koopman boven zijn winkel geschreven: ‘De listen van de man zijn beter dan die van de vrouw,’ en natuurlijk weet een listige vrouw hem aan den lijve te laten voelen dat dit onjuist is, waarop hij de spreuk verandert.
.
Evenals de onlangs vertaalde Egyptische schrijfster Salwa Bakr varieert Akalay op dit thema. Delven bij Bakr de vrouwen uiteindelijk toch het onderspit, bij Akalay blijven zij slimmer en taaier dan de aan lust verslaafde sukkels van mannen. Met nauwelijks verholen ongeduld ventileert de schrijver zijn afkeer van vrouwvijandige wetten en gewoontes in zijn land. Een weldenkend man, meent hij, kan deze immers niet anders dan vernederend en stomvervelend vinden. Hij moet wel feminist worden in een omgeving waarin een vrouw altijd tot horigheid wordt gedwongen: hetzij aan haar echtgenoot, hetzij aan haar klandizie wanneer zij tot prostitutie vervalt. En daartoe vervalt zij al door een vlot uitgesproken drievoudige verstoting.
.
Lang kunnen we blijven meelachen om de vrolijk vertelde wanstoestanden. Vrijwel ongemerkt verglijdt de hilariteit in het laatste hoofdstuk even in ontzetting, wanneer in een Spaans lijkenhuis juist weer zeventien lijken van verdronken illegale immigranten binnenkomen. Net als de lezer in de war raakt en zich begint te generen omdat hij heeft gelachen om wat blijkbaar toch geen lolletje is, wordt hij definitief gevloerd door een kluchtige epiloog zoals in Duizend-en-één-nacht, een snel afgeraffeld happy end waarin diverse paren nog lang en gelukkig leven.
.
Akalay schrijft in het Frans, een taal die in Marokko alleen door de elite wordt gelezen. Het zou mooi zijn als zijn werk in het Arabisch werd vertaald, zodat meer van zijn landgenoten door zijn bril konden kijken. Maar dat is in het huidige Marokko helaas volslagen ondenkbaar.

Was gepubliceerd in NRC-Handelsblad 22.8.1997.

Terug naar Inhoud

Mimouni, De bastaarden; De vloek (bespr.)

Rachid Mimouni, De bastaarden van de Profeet. De gevaren van het Islamitisch fundamentalisme. Vertaling en voorwoord Lambiek Berends en Jacqueline Wesselius, Bussum 1992.

Rachid Mimouni, De vloek. Roman. Vertaald door Peggy van der Leeuw en Jelle Noorman. Bussum 1994 (La malédiction).

————-

Tot de landen die bezig zijn zich zelf te vernietigen behoort ook Algerije. Dertig jaar na de onafhankelijkheid wordt een verlopen dictatoriaal regime, oorspronkelijk naar Sovjet-model, fel bestreden door een volksbeweging die zich bedient van de banier van de islam. De vermeende moslims vermoorden enkele overheidsdienaren en intellectuelen per dag en snijden ook buitenlanders de keel af. Een land met honderden Salman Rushdies is het daar geworden: vrijwillig huisarrest voor geletterden, en vaak wisselen van onderduikadres.
Eén van de beste schrijvers uit dit rampgebied is Rachid Mimouni (1945). In 1991 schreef hij Straf voor het leven, een roman die vaag iets met het land te maken heeft, maar toch bovenal een universeel meesterwerk is. Zijn twee nieuwste boeken, een groot uitgevallen pamflet en een roman, gaan uitdrukkelijk over de toestand in Algerije. Afstand nemen kan hij niet meer.
Mimouni is behalve schrijver ook hoogleraar ontwikkelingeconomie aan de universiteit van Algiers. Te doceren valt er daar voor hem niets meer, en te schrijven evenmin. Hij is intellectueel, areligieus, kritisch en Franstalig; even zovele redenen waarom de extremisten hem hoog op hun dodenlijst geplaatst hebben. Hij kan niet meer naar huis en is, als zovelen, aan de zwerf gegaan. Nu eens zit hij in Tunesië, dan weer in Marokko, soms ook in Frankrijk.
De bastaarden van de Profeet is een groot uitgevallen pamflet. Het vertelt over de vernietiging van Algerije, en waarschuwt voor het overslaan van de islamitische revolutie naar de rest van Noord-Afrika, en de gevolgen daarvan voor Europa. Mimouni laat overduidelijk zien hoe het Islamitisch Heilsfront zijn archaïscherende ideaal probeert door te drukken, met als eerste slachtoffers de vrouw, de kunst en de cultuur. Ook verklaart hij hoe deze onstuitbaar schijnende ideologie zo goed wortel kon schieten: Algerije is na dertig jaar wanbestuur volkomen uitgewoond; het lijdt onder schaarste, woningnood, een uitgeholde publieke moraal, het onderwijs is een ramp en de intellectuelen zijn altijd bange jaknikkers geweest. Dit alles wordt voortdurend geïllustreerd aan voorbeelden uit het dagelijks leven.
In Algerije is de scheidslijn die van de taal: wie ontwikkeld, gearriveerd en modern is spreekt en leest Frans; wie het niet gehaald heeft bedient zich van het Arabisch en kan vaak helemaal niet lezen. Al heeft Mimouni veel succes in het buitenland, het moet frustrerend voor hem zijn dat hij, door in het Frans te schrijven, alleen mensen bereikt die het toch al met hem eens zijn. Ik weet niet of hij in het Arabisch had kúnnen schrijven; in ieder geval had zijn werk in die taal nooit gepubliceerd kunnen worden. Hij weet veel van Algerije, maar niet van de islam en hij is daar ook niet in geïnteresseerd. Bijna Europees-afstandelijk spreekt hij over ‘de moslims’ tot wie hij zich zelf blijkbaar niet rekent. Dat is zijn goed recht, maar tragisch is het wel. Als de tegenstelling in Algerije er een was tussen ‘gewone’ en extremistische moslims, dan was er nog hoop. Maar de kloof is dieper: intellectuelen als Mimouni voelen zich beter thuis bij de Franse literatuur of filosfie dan bij de islam.
Voor ons is De bastaarden intussen zeer lezenswaardig. Het biedt de gelegenheid snel iets te leren over een land waarover nooit iemand iets wilde weten, maar dat opeens erg dichtbij ligt. Zwak is alleen het hoofdstukje over ‘het Westen’. De islamisten zien daarin de bron van alle kwaad; de schrijver zelf is teleurgesteld en verwijt het Westen gebrek aan belangstelling en struisvogelpolitiek. Waarom wordt er toch zoveel verwacht van dat onmachtige Westen?
In De vloek zijn de stof en de boodschap van De bastaarden nog eens op literaire wijze verwoord. Er wordt een aantal losse personen geïntroduceerd––sommigen zó weggelopen uit het pamflet––die iets met elkaar te maken blijken te hebben en elkaar treffen rond de belangrijkste gebeurtenis: de opstand van moslim-extremisten in 1991. Centraal staat de kraamafdeling van een ziekenhuis, dat door de extremisten enige dagen bezet wordt gehouden. Het ziekenhuis is een metafoor voor het zieke Algerije en hoe dat eruit zal zien na een ‘islamitische’ machtsovername. De toestand waarin het aanvankelijk verkeert herinnert aan de Sovjet-Unie: tekort aan alles; cynische, laffe en corrupte artsen en morsige verpleegsters, die de injectienaald al even flodderig hanteren als hun lippenstift. Wanneer de gelovige analfabeten het bewind overnemen blijken deze supporters van de zich barmhartig noemende Allah behalve onbekwaam ook volstrekt meedogenloos te zijn. Niet zonder reden is de afdeling verloskunde als locatie gekozen: deze is het kwetsbaarst in het nieuwe paradijs, omdat zij  te maken heeft met de positie van de vrouw, volgens Mimouni het centrale leerstuk van de puriteinen. Patiënten die onzedelijk geleefd hebben (doordat zij verkracht zijn bij voorbeeld) sterven omdat hun zorg wordt onthouden. Ongehuwde moeders die moeten bevallen worden zonder pardon op straat gezet. Barmhartigheid treft men alleen aan bij dokter Kader, maar hem wordt de toegang tot de patiënten ontzegd. De goede Kader wordt tenslotte berecht voor een geïmproviseerd tribunaal in een garage, dat zich zonder twijfel voor islamitisch houdt. Beschuldigd van het verduisteren van patiëntendossiers, en van overspel met de vrouw van de rechter, die zijn eigen dood gewaande broer blijkt te zijn wordt hij ter dood veroordeeld. Het vonnis wordt later voltrokken op het strand, door de broer persoonlijk.
Dat van die broer is al te dik aangezet, en er is meer mis in deze roman. Het doet bij voorbeeld onwerkelijk aan om Palsec, een vijftienjarig straatjoch dat is opgegroeid in staatsinrichtingen voor bastaarden en daaruit veelvuldig is ontsnapt, te zien overlopen van mensenliefde en wijze beschouwingen in keurig Frans te horen houden. Al te veel plaats wordt ingeruimd voor de herinneringen van Si Morice, een oude vrijheidsstrijder die nu alleen nog leeft in het verleden en een roes van alcohol. Zijn herinneringen en die van anderen heeft de schrijver nodig om ons ‘de vloek’ aan te praten. Het gaat namelijk mis met Algerije omdat er van meet af aan een vloek rustte op de onafhankelijkheid. De jarenlang geïdealiseerde vrijheidsstrijd was in werkelijkheid vol willekeur, onrecht, nodeloos geweld en persoonlijke wraakoefeningen, en dus allerminst heroïsch. Is er dan van de nakomelingen van deze strijders, ‘de kinderen van de haat,’ beter gedrag te verwachten? Deze gedachtengang, die op zich aanvaardbaar is, wordt de lezers wel uitgelegd, maar het boek is er niet echt van doortrokken. Uitleg is in een roman niet voldoende.
De schrijver zij echter veel vergeven. Dat hij kan schrijven wisten we al, en dat hij in de huidige omstandigheden minder in vorm is, is volkomen begrijpelijk. Het is al een wonder dat hij nog schrijft, en dapper is het ook. Maar gelukkig hoeven we De vloek niet alleen uit sympathie te lezen. Al is de opzet van het geheel niet overtuigend, er zijn vele passages die, op zich zelf beschouwd, de aanschaf van dit boek rechtvaardigen. Zeer krachtig wordt getoond waarom en hoe mensen zich de nieuwe vorm van de islam aansluiten. Onvergetelijk zijn de bladzijden bij voorbeeld over het intieme leven in een kamer waarin vier volwassenen moeten slapen, en ook die over de dagelijkse gang in een ziekenhuis. Bepaalde personen blijven je bij. De sukkel die met alle revoluties meedoet en zich nu ijlings de Koran laat onderwijzen; een jurist die vrachtautochauffeur geworden is, omdat er toch geen recht is; een kreng van een vrouwelijke vrouwenarts, gesluierd en haatdragend; een burgermeisje dat besloten heeft verpleegster te worden maar haar weerzin voor vuile werkjes nauwelijks kan onderdrukken, allen tonen zij dat Mimouni’s meesterschap nog intact is. De kracht ligt bij deze beide boeken voornamelijk in het documentaire, en daarin heeft de roman nog een dimensie meer dan het pamflet.

Verschenen in NRC-Handelsblad 4.2.1994          Terug naar Inhoud

Mimouni, Straf voor het leven (bespr.)

Rachid Mimouni, Straf voor het leven. Roman. Vertaald door Jelle Noorman, Bussum 1992  (Une peine à vivre, Paris 1991).

Vlak voor het sterven, zo wil de overlevering, zie je je hele leven nog eens in een flits voorbij trekken. Deze roman van de Algerijn Mimouni (1945) tracht zo’n flits in woorden te vatten. De hoofdpersoon bevindt zich namelijk met zijn rug tegen een muur en zal over enkele minuten door een executiepeleton worden doodgeschoten.
Net goed, want het slachtoffer is een ellendige dictator, de Generalissimus van een zonnig, autocratisch geregeerd land. Een wees van zigeunerafkomst, die als kind al stelend en vechtend zijn kostje bij elkaar moest scharrelen, die met bedrog de militaire academie doorliep en vervolgens over lijken opklom via de inlichtingendienst tot hoofd Staatsveiligheid en tenslotte een bloedige coup pleegde tegen de vorige Generalissimus. Wat hem zelf de kop gaat kosten is niet een complot, maar een innerlijke zwakheid, die zich eerst uit in onverklaarbare slapeloosheid, vervolgens in de fixatie op de architectuurstudente met wie hij ooit een beetje gelukkig is geweest. Hij laat haar door zijn diensten ontvoeren en zet haar min of meer gevangen in zijn paleis. Als zij hem afwijst is hij heel verbaasd, en voortaan doet hij alles waarvan hij denkt dat zij het prettig vindt: hij laat politieke gevangenen vrij, geeft bevel een zekere persvrijheid in te voeren en instituten voor architectuurstudie te openen. Om zijn aanbedene te winnen roept hij tenslotte de democratie uit en treedt hij af.
De vrouw is echter niet onder de indruk, en het land is ‘niet toe aan democratie’: iedereen die een beetje zou kunnen regeren is allang om zeep gebracht en te veel mensen hebben belang bij de corrupte chaos. De enige vertrouweling van de Generalissimus, bevreesd voor anarchie, ziet zich gedwongen alsnog een coup te plegen, die hem op het schavot brengt.
Dit vrolijk-schrijnende, zeer onderhoudende boek roept diverse associaties op. Het eerst moest ik denken aan Ibn Khaldūn, de veertiende-eeuwse Noordafrikaanse historicus en socioloog die de regelmaat ontdekte in opkomst en verval van de staatjes in dat gebied. Telkens veroverde een stam van geharde nomaden vanuit de woestijn een stad, stichtte daar een bewind en viel vervolgens ten prooi aan verdeeldheid en de genietingen van macht en weelde. Als hun staat afbrokkelde kwam er een nieuwe bende uit de woestijn en begon de geschiedenis opnieuw. De dictator in de staat van Mimouni is maar één man, maar hij vertegenwoordigt wel die woestijn. De cyclus van elkaar opvolgende dictatoren is met het politieke landschap gegeven en gaat eindeloos door, omdat het land niet anders gewend is of kan willen.
Ik heb van dit boek ook genoten zoals van Yes Minister, de televisieserie van de BBC, die de dagelijkse gang en het taalgebruik in het hoofdkwartier van een democratie zo schitterend blootlegde. Mimouni’s boek kan worden opgevat als het equivalent daarvan over een moderne dictatuur. Het heeft eenzelfde brille en minstens zo veel vaart. Eén reden om dit boek snel uit te lezen is nieuwsgierigheid naar de volgende slimme zet die de dictator zal doen om complotten te verijdelen of te ensceneren, of anderszins zijn potentiële vijanden tegen elkaar uit te spelen.
Wat Mimouni niet toelaat is een bezorgd medeleven met de bewoners van zo’n achterlijk derdewereldland. De lezer wordt gedwongen alles te zien door de ogen van de heerser, en in diens ogen zijn die burgerluitjes maar slappelingen die het in hun broek doen. Als er al iets van medeleven opkomt is het met de dictator zelf. Mimouni speelt het klaar, ons zo bij diens lotgevallen en gedachtenleven te betrekken dat we inderdaad met hem te doen hebben als hij ’s nachts niet kan slapen, in één van zijn veertig identieke, zwaarbewaakte slaapvertrekken. Zou hij soms gekweld worden door zijn geweten, om al die gemartelde en vermoorde onderdanen?
Ach welnee, zoiets heeft hij niet eens. Het innerlijk leven van de dictator is uiterst schraal, en dat is wat dit boek vooral wil laten zien. Hij heeft zijn biografie grotendeels gemeen met Ceauşescu of Saddam Husein. Maar het is aandoenlijk om te zien hoe achter dat keiharde machopantser, als in een loze noot, een rudimentair, rimpelig zieltje schuilt, dat zelfs nog wat kan groeien, al moet het vrijwel bij nul beginnen. Het kind heeft nooit een koesterende moederhand gevoeld, nooit een prijzend woord gehoord, nooit met vriendjes gespeeld, nooit gevliegerd, nooit genoten van een ijsje. De jongeman heeft nooit een meisje bloemen gegeven; hij is zelfs verbaasd dat mensen daar blij mee kunnen zijn. Seks is nooit iets anders geweest dan een uitdrukking van macht. ’s Mans hele leven is een willekeurige, sterk uitvergrote wraakoefening voor de verschrikkingen van zijn jeugd. Zijn ademhalingsmoeilijkheden bij voorbeeld schrijft hij toe aan de tabakspluk waarin hij als jongen heeft gewerkt. Ten onrechte, zoals en passant blijkt, maar voor een oerfascist móet nu eenmaal alle ellende een oorzaak buiten hemzelf hebben, en hij kent geen andere genoegdoening dan vertienvoudiging van de tabaksaccijns.
Als hij het meisje eenmaal gevangen heeft krijgt hij toch nog enige menselijke trekjes, al maakt hij haar bespottelijk totalitair het hof. Zijn ontwikkeling gaat echter te langzaam, en de monsterlijke instellingen waarvan hij zowel het product als de instandhouder is, vernietigen hem voor hij verder komt.
Er zijn misschien maar dertig van zulke staatshoofden in de wereld. Maar Mimouni’s mengsel van doorzicht, spot en een beetje deernis kan tegen iedere dictatuur, ook op huiselijker schaal, een geducht wapen zijn.

Verschenen in NRC-Handelsblad 17.7.1992            Terug naar Inhoud

Danesjwar, Het offer (bespreking)

Simin Danesjwar, Het offer. Een Perzische roman. Uit het Perzisch vertaald en van een nawoord voorzien door Johan ter Haar. Uitg. Meulenhoff, 320 blz.

Deze roman van de schrijfster Danesjwar (1921) is sinds de verschijning in 1969 het best verkopende boek van Iran. Het speelt in Zuid-Iran tijdens de Engelse bezetting in de Tweede Wereldoorlog: een nog lang niet fundamentalistisch land waar de chador ontspannen gehanteerd wordt, waar de heren wijn drinken, de soldaten een borrel pakken en tante in haar salon gezellig een pijpje opium schuift. De heldin Zari behoort tot de feodale klasse, maar draagt het hart op de goede plaats. Met haar zijn we getuige van onderdrukking, tyfus, honger, oorlog, collaboratie en verzet, en we zien hoe ze liefdadigheid bedrijft in het gekkenhuis en de gevangenis. De ellende wordt getemperd door een zachte glans van lieve damesachtigheid en soms een kinderboek-achtige onschuld. Het is even wennen: de schrijfster gaat de hardheid van het leven niet uit de weg, spreekt openhartig over sex, en ze schrijft uitstekend, maar trekt nu eenmaal een zachter register open dan bij ons gebruikelijk is.
Centraal staat het martelaarschap van Zari’s man Josoef, een landheer die als een der weinigen niet laf, corrupt en collaborerend is. Als hij is doodgeschoten vindt Zari haar ware grootheid: door rouw gerijpt beseft ze dat ze vrij is, zich niet moet laten knechten maar moet strijden tegen de onderdrukking. Daartoe wordt ze onder andere geïnspireerd door het verhaal over Siawasj, een voorislamitische martelaar die veel gemeen heeft met Hosein, de martelaar van de sjiitische moslims. Iran is dol op martelaren, vooral wanneer ze in hun eentje verzet bieden tegen een overmacht. Dat verklaart voor een belangrijk deel het succes van Het offer.
Het boek biedt ons vooral een uniek inzicht in een niet meer bestaande samenleving en, belangrijker, het doet ons enigszins begrijpen hoe de in onze ogen vaak bizarre Iraniërs worden voortgedreven door hun verhalen over ‘onmogelijk’ idealisme en martelaarschap.

Was gepubliceerd in NRC-Handelsblad, 11 augustus 1995.

Terug naar Inhoud

Aboulela, De vertaalster (bespreking)

Leila Aboulela, De vertaalster. Uit het Engels vertaald door Wim Scherpenisse. De Geus/Novib, 2001, 252 blz.

Een Marokkaan heeft mij eens gevraagd, met hem enkele kerkdiensten te bezoeken. Hij woonde al tien jaar in Nederland, kende de taal, had de nationaliteit en een baan, en beschouwde een overgang tot het christendom als het sluitstuk van zijn integratie.
Een dergelijke gedachtegang, die erg ver gaat maar wel sympathiek aandoet, is de hoofdpersoon van De vertaalster volledig vreemd. Sammar is een jonge vrouw uit de hogere klasse van Soedan, die de Britse nationaliteit heeft. Zij woonde met haar man in Schotland, maar deze is enkele jaren geleden verongelukt. Nadat zij hem in Khartoum heeft begraven en haar zoontje bij familie heeft achtergelaten, is zij teruggegaan naar het koude en natte Aberdeen, hoewel zij zich daar ongelukkig voelt. Daar werkt ze als vertaalster voor het Midden-Oosten-Instituut aan de universiteit. Haar chef, de hoogleraar Rae, leert zij nader kennen en ze worden verliefd. Zij zien elkaar op het werk, ze voeren in de kerstvakantie lange telefoongesprekken en, summum van intimiteit, zij bezoekt hem een keer als hij in het ziekenhuis ligt. Sammar is namelijk een moslimvrouw die haar geloof serieus neemt en ze wil de grenzen van het betamelijke niet overschrijden.
Op een dag stormt zij Rae’s werkkamer binnen en vraagt hem in één adem of hij moslim wil worden en met haar wil trouwen. Volgens de islamitische wet mag een moslimvrouw immers niet met een christen of agnost trouwen. Als hij weigert scheldt zij hem uit en verwijt hem dat hij (!) te ver met haar is gegaan. Hij wijst haar vrij grof de deur; zij vertrekt wanhopig naar haar vaderland en schrijft vanuit Khartoum haar ontslagbrief.
Zo, die is weg, dacht ik, en vroeg me af wat mij overkwam. Een recensent moet immers een roman beoordelen en niet een personage. Aan deze Sammar had ik spontaan een hekel gekregen. Zij is vrijwillig naar Schotland gekomen maar zet nauwelijks een stap in de richting van integratie, en doet ook nog haar kind weg als het tijdens de jarenlange rouwperiode niet gelegen komt.
In Khartoum, een stad die iedereen probeert te ontvluchten en waar alles kapot is, leidt Sammar een gedempt leven zonder veel lichtstraaltjes. Haar kind knuffelt zij welgeteld één keer: aan een neefje besteedt zij nog meer genegenheid. Ze fleurt pas op als een jaar later een kennis uit Schotland haar schrijft dat Rae moslim is geworden. Zij vraagt hem naar Soedan te komen, en daar vinden zij elkaar. De dramatische aanzoekscène blijkt instrumenteel te zijn geweest in Rae’s bekering. Ze trouwen snel en willen met het zoontje, van wie Sammar nu plotseling wel houdt, weer naar Schotland vertrekken.
In de tweede helft van het boek verschoof mijn afkeer van het personage naar de auteur. De waarschijnlijkheid van de plot wordt enig geweld aangedaan ten behoeve van de overtuigingen die deze wil uitdragen. De professor weet veel van de islam; de vertaalster kent goed Engels. Beiden zijn zij ideale vertegenwoordigers van hun cultuur, de cultuur van de ander al toegewend. Tussen een gewone moslim en een doorsnee Schot had het nooit kunnen klikken. Oost en West kunnen wel samengaan, als het maar in de islam is, lijkt de schrijfster te willen zeggen. Rae kent door zijn studie de koran en móet dus wel zijn weg tot de islam vinden: een onder moslims veel verbreide opvatting.
Van een bekering tot de islam word je kalm. In Soedan vallen voortdurend het licht en de waterleiding uit en lopen de ratten door je hotelkamer. Dat mag nog zo onverdraaglijk zijn, zodra Rae rust heeft gevonden in Allah accepteert hij dit met een milde glimlach. Het is mooi weer, het uitzicht over de Nijl is prachtig en ook met zijn astma gaat het ineens veel beter.
De vertaalster is dus een bekeringsroman. In antiquariaten op het platteland zie je nog wel eens zo’n vijftig jaar oude protestantse Bildungsroman, gespeend van iedere literaire kwaliteit, waarin de hoofdpersoon zich na een zware existentiële crisis tenslotte tot het ware geloof bekeert. Toegegeven moet echter worden, dat déze bekeringsroman stukken beter is geschreven dan zijn oude protestantse tegenhangers. Schrijven kan Aboulela wel degelijk. De beide werelden, Schotland en Soedan, worden in De vertaalster heel goed opgeroepen. Ook het innerlijk leven en de vertwijfeling van Sammar komen er heel goed uit.
De grootste verdienste van dit boek is misschien dat het zo geheel anders is. De moderne Arabische letterkunde is in wezen westerse letterkunde; er is nooit de verrassing van een echt andere cultuur. Die verrassing biedt deze in het Engels geschreven roman wél.

Was gepubliceerd in NRC-Handelsblad 31.5.2002

Terug naar Inhoud

Michael Roes, Leeg kwartier (boekbespreking)

Michael Roes, Leeg kwartier. Rub’ al-Khali. Inventie over het spel. Roman. Vertaald uit het Duits door Nelleke van Maaren. Arbeiderspers, 2001

Hoe te reizen? Beschaafde toeristen kunnen dat nalezen in reisgidsen, bij voorbeeld uit de Duitse reeks Richtig Reisen. Maar edeltoerisme kan de Duitse schrijver en cutureel antropoloog Michael Roes niet bevredigen. Met Leeg kwartier, dat zich in het Midden-Oosten en vooral in Jemen afspeelt, heeft hij een alternatief deel Richtig Reisen geschreven, en wel in de vorm van een kloeke roman. Al noemt het boek zich op de titelpagina van het origineel geen roman, maar alleen een ‘inventie’, naar analogie van de onconventionele, vaak tweestemmige muziekstukken die zo heten.
Leeg kwartier introduceert eerst kort de ik-verteller, een moderne antropoloog, die als onderzoeker naar Jemen reist. Onmiddellijk daarop volgen honderd bladzijden van een tekst die hij in zijn bagage heeft: het reisverslag van de fictieve ontdekkingsreiziger Alois Schnittke, die omstreeks 1803 naar Jemen is gereisd. Na honderd bladzijden wisselen de notities van Schnittke en die van de verteller elkaar steeds vaker af, waarbij hun lotgevallen en waarnemingen geleidelijk parallel of door elkaar gaan lopen. De verhalende gedeelten worden afgewisseld met essai-achtige bladzijden, maar ook met Arabische woordenlijsten van bij voorbeeld paarden- of kamelentermen, en met antropologische notities. De moderne teksten zijn in normale taal geschreven, die van Schnittke in een soort pseudo-archaïsch Duits. De vertaalster heeft ze gelukkig niet in soortgelijk Nederlands overgebracht. Zij is er echter in geslaagd, een register te scheppen dat die oude tijd overtuigend oproept.
Reizen volgens het recept van Roes duurt lang en is avontuurlijk. Vandaar dat zijn reizigers veel tegenslag, gevaar en lichamelijk ongerief ondervinden en beiden door een bedoeïenenstam worden gevangen genomen worden. Maar reizen moet ook een doel hebben: het verwerven van kennis. De ik-verteller voert een onderzoek uit naar kinderspelen in Jemen; zijn alter ego Schnittke maakt deel uit van een nogal zotte vierkoppige expeditie, die vlijtig Oud-Zuidarabische inscripties afschrijft en uiteindelijk op zoek is naar niets minder dan de lost ark, waarin zich de Stenen Tafelen der Wet bevinden.
Volgens hardnekkige, niet eensluidende geruchten heeft de auteur deze roman als dissertatie ingediend, of zelfs als Habilitationsschrift, een soort tweede proefschrift. Hij kent de Duitse universitaire wereld goed en kan niet werkelijk geloofd hebben dat zijn werk aanvaard zou worden. Maar hij moet er hartelijk om gegrinnikt hebben dat er een commissie over heeft gediscussieerd en sommige leden het niet wilden afwijzen. Leeg kwartier bevat inderdaad enkele teksten die op wetenschap lijken. Gelukkig voor de lezer: ze zijn het niet. Het Arabisch in de negentiende-eeuws aandoende woordenlijsten deugt van geen kant. En hoewel de antropologische beschouwingen interessant zijn, ontberen zij iedere systematiek. Maar zoals een krant die is afgebeeld op een schilderij of in een stripverhaal niet werkelijk gelezen kan worden, zo hoeft de hier geschilderde wetenschap niet echt te deugen.
Roes’ poging, het boek door de universiteit erkend te krijgen is meer dan een goede grap. Hij wilde niet alleen reis-kritiek bieden, maar ook wetenschapskritiek. Antropologisch veldwerk gaat het best wanneer de onderzoeker het vreemde volk niet met koele blik van buiten af gadeslaat, maar zich eronder mengt en het ‘participerend observeert’. Roes’ moderne held gaat veel verder: hij studeert niet langer, maar gaat óp in het volk, door met de spelers mee te spelen. Geen vieze steeg, geen erotisch avontuur gaat hij uit de weg, en hij bereikt een eenheid die soms groezelig-seksueel, maar op glansmomenten mystiek van aard is. Menig wetenschapper zal jaloers zijn op de aldus verworven kennis.
Het boeiendst in Leeg Kwartier zijn de reisbelevenissen zelf, die de lezer meevoeren tot aan de rand van de gelijknamige woestijn. Dat het boek, evenals de beide reizen zelf, letterlijk verzandt doet daar niets aan af. Veel plaats nemen de beschrijvingen van en beschouwingen over kinderspelen in. De spelen zijn wreed, als overal, maar anders dan bij ons zijn ze nog niet virtueel geworden. Het spel ligt in Jemen nog dicht bij de oorlog en is veel bloederiger dan een potje Mortal Kombat. De kinderen gooien daar nog met echte stenen.
Nog interessanter dan de spelen vind ik de homoseksualiteit, waarvan het hele boek doortrokken is. De verteller gaat mee met iedere vent die hem wenkt, maar beschrijft zijn contacten als vreugdeloze nummertjes veldwerk. Zijn waarnemingen en bespiegelingen over dit onderwerp boeien meer dan zijn verrichtingen. De vraag komt bij hem op, of homoseksualiteit wel bestaat in traditionele Arabische landen, waar lichamelijke handelingen tussen mannen alleen maar als vanzelf voorkomen, niet op grond van een afspraak tussen gelijken, hoe stilzwijgend ook, en nimmer het voorwerp van bewustzijn of gesprek zijn. Schnittkes verslag wemelt eveneens van de intimiteiten tussen mannen. Roes weet deze dikwijls heel knap te suggereren zonder ze te benoemen. Dat was nodig, want voor Schnittke waren dergelijke handelingen nog even ‘onzegbaar’ als voor de huidige Jemenieten.
De verteller heeft geen lekkere seks en is ook verder nogal een chagrijn, wat het leesplezier soms drukt. Om hem lachen wil ook al niet lukken. Hij wordt steeds wanhopiger en zieker, maar is ook vaak koppig, stom en onpraktisch. Uitgerekend tijdens een burgeroorlog begeeft hij zich naar de rand van het Lege Kwartier en jawel hoor, daar wordt hij ontvoerd. Schnittke daarentegen, gewezen directeur van een marionettentheater, is de ideale reiziger. Roes heeft van hem een modelburger van Weimar anno 1800 gemaakt: verlicht, leergierig, moedig, speels en zelfs humoristisch. Schnittke leert goed Arabisch, bestrijdt de vooroordelen van zijn medereizigers, gaat als enige diepgaande contacten met ‘inheemsen’ aan en is voor zijn tijd onwaarschijnlijk politiek correct. Zó zijn, zo reizen, dat lijkt Roes’ ideaal. Maar dat kan niet meer, en was het twee eeuwen geleden werkelijk mogelijk?
Leeg kwartier is een rijk tweestemmig experiment, maar helemaal geslaagd is het niet. Het wordt op den duur een opgave om verder te lezen, de spanning verslapt. En alle geweldige vragen die worden opgeworpen worden niet beantwoord, zelfs niet in aanzet. Tenslotte voelt de lezer zich ongeveer zoals Schnittke toen hij de Stenen Tafelen eindelijk ontdekte: ze waren leeg! Dat neemt niet weg dat dit boek prachtige verhalen bevat, heel veel over Jemen, en waardevolle essai-fragmenten over spel, oorlog, dans en sex.

Was gepubliceerd in NRC-Handelsblad op 21.9.2001.

Terug naar Inhoud