Droom van Oriënt

Ten grondslag aan zowel de oriëntalistiek als het oriëntalisme ligt dikwijls de oosterse droom. Al word ik in deze pagina’s nooit persoonlijk, voor éénmaal wil ik het toch zijn. U hebt er recht op, te weten hoe ik ertoe gekomen ben oriëntalist te worden.
.
Mijn ouderlijk huis stond op loopafstand van het Tropenmuseum in Amsterdam. Na de verplichte kerkgang op zondagochtend ging ik ’s middags graag naar dat museum. Daar was vaak iets te doen: Indra Kamajoyo danste er bij voorbeeld, of er werden Javaanse sprookjes voorgedragen, over Kancil het guitige dwerghert, of iets uit de Mahabharata. Het mooiste was als een enkele keer het gamelanorkest speelde, eventueel met wayangspel. Toen ik wat ouder was zoog ik mij vol aan de oriëntalistische boekhandel die daar was.
.
Na verloop van tijd wist ik het: ik wilde naar Java om iedere nacht de gamelan te horen spelen. Dat er ook brood op de plank moest hield me niet bezig. De beste manier om ernaar toe te werken leek me Indonesische Taal- en Letterkunde te gaan studeren. Dat zou in Leiden moeten gebeuren en ik wilde niet uit Amsterdam weg. Maar om Indonesisch te studeren moest je vroeger eerst Arabisch en Sanskriet gedaan hebben, en Arabisch kon in Amsterdam, dus als ik daar dan eens mee begon … . In dat Arabisch bleef ik hangen, hoewel het Midden-Oosten helemaal niet mijn droomwereld was. Maar bij Arabisch hoorde voor het kandidaatsexamen Semitische Talen ook Hebreeuws; dat lag me ook wel, dus ik vond het goed zo. Later kwam ik toch in Leiden terecht, waar ik nog drie jaar Indonesisch en klassiek Maleis gestudeerd heb. Sanskriet was inmiddels geloof ik afgeschaft, Javaans was me te lastig en mijn hoofdvak werd en bleef Arabisch. Egypte, waar ik terecht kwam, was allesbehalve een oosterse droom, eerder een obsessie. Na Egypte heb ik nooit meer aan Nederland kunnen wennen en ik ging nog vaak ‘terug’.
.
Waarom dat gedroom? Het was heel eenvoudig: ik was niet gelukkig met mijn werkelijke omgeving en wilde dus weg. Van koloniale verlangens was helemaal geen sprake. Ik wist best dat we Indië niet meer ‘hadden’ en hoorde om mij heen genoeg praten over het onaangename heerschap Soekarno, dat daar de scepter zwaaide. Maar dat doorbrak de droom niet.
.
Dromen was niet het enige wat ik deed: ik ging ook gewoon naar school, luisterde naar Europese muziek en leidde een normaal leven. Maar die oosterse droom was sterk genoeg om een groot deel van mijn verdere leven te bepalen, al was hij niet gericht genoeg om mij naar Indonesië te brengen.
.
Er waren ook Nederlanders die gerichter droomden en het gewoon deden. Bernard IJzerdraat (1926–1986) slaagde er gedurende de oorlog in met grote volharding zelf gamelaninstrumenten te bouwen, waarop hij met zijn groep Babar Layar o.a. in het Tropenmuseum uitvoeringen gaf. In 1956 vertrok hij naar Indonesië, waar hij onder de naam Suryabrata verder leefde als hoogleraar in de musicologie. De huidige hoogleraar Javaans in Leiden Ben Arps liet zich in Surakarta opleiden tot dalang (wayangpoppenspeler).
===============
Natuurlijk waren er talloze mensen die zich niet op grond van dromen met ‘de Oriënt’ bezighielden, maar bij voorbeeld om handel te drijven, te veroveren of te heersen. Toch kregen ook zij te maken met een Oriënt die door de dromers bij elkaar werd gedroomd.
===============
Er bestond in het Midden Oosten ook een droom van het Westen. De studenten in Egypte wisten het indertijd zeker: in Europa hoef je maar een bar binnen te lopen of je wordt aangeklampt door bereidwillige jonge vrouwen.

Akalay, De nachten van Azed (bespreking)

Lotfi Akalay, De nachten van Azed, Roman, Manteau/Ambo, vert. Jeanne Holierhoek

Bron van inspiratie voor De nachten van Azed, een tintelende en vederlichte roman vol humor en fris-obscene passages, vormen enerzijds De vertellingen van duizend-en-één-nacht, anderzijds het dagelijks leven in Marokko. Net als in de raamvertelling van Duizend-en-één-nacht worden twee broers door hun echtgenotes bedrogen. De een verdwijnt uit het gezicht, de andere neemt wraak door elke dag een verse maagd te huwen en die de volgende dag niet te doden zoals in het klassieke voorbeeld, maar volgens de regels te verstoten, waartoe hij twee kadi’s in vaste dienst genomen heeft. Eén van deze maagden is Azed, wier naam herinnert aan Sjahrazaad. Zij vertelt haar man ‘s nachts verhalen die zo boeiend zijn dat hij haar houdt en zijn kadi’s weer kan ontslaan.
.
De verhalen van Azed zijn schelmenverhalen met een detective-achtige inslag, evenals die van haar grote voorbeeld, maar zij spelen zich af in het moderne Marokko. Een lelijke maar rijke dame koopt het genot van een knappe jongeman door hem te huwen, op straffe van verstoting bij ontrouw; er wordt naar een juwelenkistje gezocht, waarover een commissaris zich ontfermt; een andere politieman en een slim vrouwspersoon hebben een opzetje om vermogende heren te chanteren, weer een andere agent dwingt een dienstertje, een bandje met geile praat voor hem in te spreken, en tenslotte vindt er nog een illegale emigratiepoging naar Europa plaats, die echter eindigt in een lijkenhuis en een gevangenis in Spanje.
.
Op monkelende wijze levert Akalay maatschappijkritiek, en dat maakt zijn boek tot aanzienlijk méér dan een vakantieboek. De beschreven samenleving is doordrenkt van machtswellust, geldzucht, leugen en bedrog, vooral in kringen van politie en justitie. Geen dienst zonder wederdienst, uitgekeerd in geld of seksuele gunsten. Dat politiemensen hulpzoekende vrouwen misbruiken spreekt in deze sfeer vanzelf. Vriendschap en loyaliteit onder mannen leveren schitterende woordenvloeden op, maar geen cent meer dan dat.
.
In Duizend-en-één-nacht zijn vrouwen vaak sterker en slimmer dan mannen. In één van de talrijke verhalen over vrouwelijke listen heeft een koopman boven zijn winkel geschreven: ‘De listen van de man zijn beter dan die van de vrouw,’ en natuurlijk weet een listige vrouw hem aan den lijve te laten voelen dat dit onjuist is, waarop hij de spreuk verandert.
.
Evenals de onlangs vertaalde Egyptische schrijfster Salwa Bakr varieert Akalay op dit thema. Delven bij Bakr de vrouwen uiteindelijk toch het onderspit, bij Akalay blijven zij slimmer en taaier dan de aan lust verslaafde sukkels van mannen. Met nauwelijks verholen ongeduld ventileert de schrijver zijn afkeer van vrouwvijandige wetten en gewoontes in zijn land. Een weldenkend man, meent hij, kan deze immers niet anders dan vernederend en stomvervelend vinden. Hij moet wel feminist worden in een omgeving waarin een vrouw altijd tot horigheid wordt gedwongen: hetzij aan haar echtgenoot, hetzij aan haar klandizie wanneer zij tot prostitutie vervalt. En daartoe vervalt zij al door een vlot uitgesproken drievoudige verstoting.
.
Lang kunnen we blijven meelachen om de vrolijk vertelde wanstoestanden. Vrijwel ongemerkt verglijdt de hilariteit in het laatste hoofdstuk even in ontzetting, wanneer in een Spaans lijkenhuis juist weer zeventien lijken van verdronken illegale immigranten binnenkomen. Net als de lezer in de war raakt en zich begint te generen omdat hij heeft gelachen om wat blijkbaar toch geen lolletje is, wordt hij definitief gevloerd door een kluchtige epiloog zoals in Duizend-en-één-nacht, een snel afgeraffeld happy end waarin diverse paren nog lang en gelukkig leven.
.
Akalay schrijft in het Frans, een taal die in Marokko alleen door de elite wordt gelezen. Het zou mooi zijn als zijn werk in het Arabisch werd vertaald, zodat meer van zijn landgenoten door zijn bril konden kijken. Maar dat is in het huidige Marokko helaas volslagen ondenkbaar.

Was gepubliceerd in NRC-Handelsblad 22.8.1997.

Terug naar Inhoud

Mimouni, De bastaarden; De vloek (bespr.)

Rachid Mimouni, De bastaarden van de Profeet. De gevaren van het Islamitisch fundamentalisme. Vertaling en voorwoord Lambiek Berends en Jacqueline Wesselius, Bussum 1992.

Rachid Mimouni, De vloek. Roman. Vertaald door Peggy van der Leeuw en Jelle Noorman. Bussum 1994 (La malédiction).

————-

Tot de landen die bezig zijn zich zelf te vernietigen behoort ook Algerije. Dertig jaar na de onafhankelijkheid wordt een verlopen dictatoriaal regime, oorspronkelijk naar Sovjet-model, fel bestreden door een volksbeweging die zich bedient van de banier van de islam. De vermeende moslims vermoorden enkele overheidsdienaren en intellectuelen per dag en snijden ook buitenlanders de keel af. Een land met honderden Salman Rushdies is het daar geworden: vrijwillig huisarrest voor geletterden, en vaak wisselen van onderduikadres.
Eén van de beste schrijvers uit dit rampgebied is Rachid Mimouni (1945). In 1991 schreef hij Straf voor het leven, een roman die vaag iets met het land te maken heeft, maar toch bovenal een universeel meesterwerk is. Zijn twee nieuwste boeken, een groot uitgevallen pamflet en een roman, gaan uitdrukkelijk over de toestand in Algerije. Afstand nemen kan hij niet meer.
Mimouni is behalve schrijver ook hoogleraar ontwikkelingeconomie aan de universiteit van Algiers. Te doceren valt er daar voor hem niets meer, en te schrijven evenmin. Hij is intellectueel, areligieus, kritisch en Franstalig; even zovele redenen waarom de extremisten hem hoog op hun dodenlijst geplaatst hebben. Hij kan niet meer naar huis en is, als zovelen, aan de zwerf gegaan. Nu eens zit hij in Tunesië, dan weer in Marokko, soms ook in Frankrijk.
De bastaarden van de Profeet is een groot uitgevallen pamflet. Het vertelt over de vernietiging van Algerije, en waarschuwt voor het overslaan van de islamitische revolutie naar de rest van Noord-Afrika, en de gevolgen daarvan voor Europa. Mimouni laat overduidelijk zien hoe het Islamitisch Heilsfront zijn archaïscherende ideaal probeert door te drukken, met als eerste slachtoffers de vrouw, de kunst en de cultuur. Ook verklaart hij hoe deze onstuitbaar schijnende ideologie zo goed wortel kon schieten: Algerije is na dertig jaar wanbestuur volkomen uitgewoond; het lijdt onder schaarste, woningnood, een uitgeholde publieke moraal, het onderwijs is een ramp en de intellectuelen zijn altijd bange jaknikkers geweest. Dit alles wordt voortdurend geïllustreerd aan voorbeelden uit het dagelijks leven.
In Algerije is de scheidslijn die van de taal: wie ontwikkeld, gearriveerd en modern is spreekt en leest Frans; wie het niet gehaald heeft bedient zich van het Arabisch en kan vaak helemaal niet lezen. Al heeft Mimouni veel succes in het buitenland, het moet frustrerend voor hem zijn dat hij, door in het Frans te schrijven, alleen mensen bereikt die het toch al met hem eens zijn. Ik weet niet of hij in het Arabisch had kúnnen schrijven; in ieder geval had zijn werk in die taal nooit gepubliceerd kunnen worden. Hij weet veel van Algerije, maar niet van de islam en hij is daar ook niet in geïnteresseerd. Bijna Europees-afstandelijk spreekt hij over ‘de moslims’ tot wie hij zich zelf blijkbaar niet rekent. Dat is zijn goed recht, maar tragisch is het wel. Als de tegenstelling in Algerije er een was tussen ‘gewone’ en extremistische moslims, dan was er nog hoop. Maar de kloof is dieper: intellectuelen als Mimouni voelen zich beter thuis bij de Franse literatuur of filosfie dan bij de islam.
Voor ons is De bastaarden intussen zeer lezenswaardig. Het biedt de gelegenheid snel iets te leren over een land waarover nooit iemand iets wilde weten, maar dat opeens erg dichtbij ligt. Zwak is alleen het hoofdstukje over ‘het Westen’. De islamisten zien daarin de bron van alle kwaad; de schrijver zelf is teleurgesteld en verwijt het Westen gebrek aan belangstelling en struisvogelpolitiek. Waarom wordt er toch zoveel verwacht van dat onmachtige Westen?
In De vloek zijn de stof en de boodschap van De bastaarden nog eens op literaire wijze verwoord. Er wordt een aantal losse personen geïntroduceerd––sommigen zó weggelopen uit het pamflet––die iets met elkaar te maken blijken te hebben en elkaar treffen rond de belangrijkste gebeurtenis: de opstand van moslim-extremisten in 1991. Centraal staat de kraamafdeling van een ziekenhuis, dat door de extremisten enige dagen bezet wordt gehouden. Het ziekenhuis is een metafoor voor het zieke Algerije en hoe dat eruit zal zien na een ‘islamitische’ machtsovername. De toestand waarin het aanvankelijk verkeert herinnert aan de Sovjet-Unie: tekort aan alles; cynische, laffe en corrupte artsen en morsige verpleegsters, die de injectienaald al even flodderig hanteren als hun lippenstift. Wanneer de gelovige analfabeten het bewind overnemen blijken deze supporters van de zich barmhartig noemende Allah behalve onbekwaam ook volstrekt meedogenloos te zijn. Niet zonder reden is de afdeling verloskunde als locatie gekozen: deze is het kwetsbaarst in het nieuwe paradijs, omdat zij  te maken heeft met de positie van de vrouw, volgens Mimouni het centrale leerstuk van de puriteinen. Patiënten die onzedelijk geleefd hebben (doordat zij verkracht zijn bij voorbeeld) sterven omdat hun zorg wordt onthouden. Ongehuwde moeders die moeten bevallen worden zonder pardon op straat gezet. Barmhartigheid treft men alleen aan bij dokter Kader, maar hem wordt de toegang tot de patiënten ontzegd. De goede Kader wordt tenslotte berecht voor een geïmproviseerd tribunaal in een garage, dat zich zonder twijfel voor islamitisch houdt. Beschuldigd van het verduisteren van patiëntendossiers, en van overspel met de vrouw van de rechter, die zijn eigen dood gewaande broer blijkt te zijn wordt hij ter dood veroordeeld. Het vonnis wordt later voltrokken op het strand, door de broer persoonlijk.
Dat van die broer is al te dik aangezet, en er is meer mis in deze roman. Het doet bij voorbeeld onwerkelijk aan om Palsec, een vijftienjarig straatjoch dat is opgegroeid in staatsinrichtingen voor bastaarden en daaruit veelvuldig is ontsnapt, te zien overlopen van mensenliefde en wijze beschouwingen in keurig Frans te horen houden. Al te veel plaats wordt ingeruimd voor de herinneringen van Si Morice, een oude vrijheidsstrijder die nu alleen nog leeft in het verleden en een roes van alcohol. Zijn herinneringen en die van anderen heeft de schrijver nodig om ons ‘de vloek’ aan te praten. Het gaat namelijk mis met Algerije omdat er van meet af aan een vloek rustte op de onafhankelijkheid. De jarenlang geïdealiseerde vrijheidsstrijd was in werkelijkheid vol willekeur, onrecht, nodeloos geweld en persoonlijke wraakoefeningen, en dus allerminst heroïsch. Is er dan van de nakomelingen van deze strijders, ‘de kinderen van de haat,’ beter gedrag te verwachten? Deze gedachtengang, die op zich aanvaardbaar is, wordt de lezers wel uitgelegd, maar het boek is er niet echt van doortrokken. Uitleg is in een roman niet voldoende.
De schrijver zij echter veel vergeven. Dat hij kan schrijven wisten we al, en dat hij in de huidige omstandigheden minder in vorm is, is volkomen begrijpelijk. Het is al een wonder dat hij nog schrijft, en dapper is het ook. Maar gelukkig hoeven we De vloek niet alleen uit sympathie te lezen. Al is de opzet van het geheel niet overtuigend, er zijn vele passages die, op zich zelf beschouwd, de aanschaf van dit boek rechtvaardigen. Zeer krachtig wordt getoond waarom en hoe mensen zich de nieuwe vorm van de islam aansluiten. Onvergetelijk zijn de bladzijden bij voorbeeld over het intieme leven in een kamer waarin vier volwassenen moeten slapen, en ook die over de dagelijkse gang in een ziekenhuis. Bepaalde personen blijven je bij. De sukkel die met alle revoluties meedoet en zich nu ijlings de Koran laat onderwijzen; een jurist die vrachtautochauffeur geworden is, omdat er toch geen recht is; een kreng van een vrouwelijke vrouwenarts, gesluierd en haatdragend; een burgermeisje dat besloten heeft verpleegster te worden maar haar weerzin voor vuile werkjes nauwelijks kan onderdrukken, allen tonen zij dat Mimouni’s meesterschap nog intact is. De kracht ligt bij deze beide boeken voornamelijk in het documentaire, en daarin heeft de roman nog een dimensie meer dan het pamflet.

Verschenen in NRC-Handelsblad 4.2.1994          Terug naar Inhoud

Mimouni, Straf voor het leven (bespr.)

Rachid Mimouni, Straf voor het leven. Roman. Vertaald door Jelle Noorman, Bussum 1992  (Une peine à vivre, Paris 1991).

Vlak voor het sterven, zo wil de overlevering, zie je je hele leven nog eens in een flits voorbij trekken. Deze roman van de Algerijn Mimouni (1945) tracht zo’n flits in woorden te vatten. De hoofdpersoon bevindt zich namelijk met zijn rug tegen een muur en zal over enkele minuten door een executiepeleton worden doodgeschoten.
Net goed, want het slachtoffer is een ellendige dictator, de Generalissimus van een zonnig, autocratisch geregeerd land. Een wees van zigeunerafkomst, die als kind al stelend en vechtend zijn kostje bij elkaar moest scharrelen, die met bedrog de militaire academie doorliep en vervolgens over lijken opklom via de inlichtingendienst tot hoofd Staatsveiligheid en tenslotte een bloedige coup pleegde tegen de vorige Generalissimus. Wat hem zelf de kop gaat kosten is niet een complot, maar een innerlijke zwakheid, die zich eerst uit in onverklaarbare slapeloosheid, vervolgens in de fixatie op de architectuurstudente met wie hij ooit een beetje gelukkig is geweest. Hij laat haar door zijn diensten ontvoeren en zet haar min of meer gevangen in zijn paleis. Als zij hem afwijst is hij heel verbaasd, en voortaan doet hij alles waarvan hij denkt dat zij het prettig vindt: hij laat politieke gevangenen vrij, geeft bevel een zekere persvrijheid in te voeren en instituten voor architectuurstudie te openen. Om zijn aanbedene te winnen roept hij tenslotte de democratie uit en treedt hij af.
De vrouw is echter niet onder de indruk, en het land is ‘niet toe aan democratie’: iedereen die een beetje zou kunnen regeren is allang om zeep gebracht en te veel mensen hebben belang bij de corrupte chaos. De enige vertrouweling van de Generalissimus, bevreesd voor anarchie, ziet zich gedwongen alsnog een coup te plegen, die hem op het schavot brengt.
Dit vrolijk-schrijnende, zeer onderhoudende boek roept diverse associaties op. Het eerst moest ik denken aan Ibn Khaldūn, de veertiende-eeuwse Noordafrikaanse historicus en socioloog die de regelmaat ontdekte in opkomst en verval van de staatjes in dat gebied. Telkens veroverde een stam van geharde nomaden vanuit de woestijn een stad, stichtte daar een bewind en viel vervolgens ten prooi aan verdeeldheid en de genietingen van macht en weelde. Als hun staat afbrokkelde kwam er een nieuwe bende uit de woestijn en begon de geschiedenis opnieuw. De dictator in de staat van Mimouni is maar één man, maar hij vertegenwoordigt wel die woestijn. De cyclus van elkaar opvolgende dictatoren is met het politieke landschap gegeven en gaat eindeloos door, omdat het land niet anders gewend is of kan willen.
Ik heb van dit boek ook genoten zoals van Yes Minister, de televisieserie van de BBC, die de dagelijkse gang en het taalgebruik in het hoofdkwartier van een democratie zo schitterend blootlegde. Mimouni’s boek kan worden opgevat als het equivalent daarvan over een moderne dictatuur. Het heeft eenzelfde brille en minstens zo veel vaart. Eén reden om dit boek snel uit te lezen is nieuwsgierigheid naar de volgende slimme zet die de dictator zal doen om complotten te verijdelen of te ensceneren, of anderszins zijn potentiële vijanden tegen elkaar uit te spelen.
Wat Mimouni niet toelaat is een bezorgd medeleven met de bewoners van zo’n achterlijk derdewereldland. De lezer wordt gedwongen alles te zien door de ogen van de heerser, en in diens ogen zijn die burgerluitjes maar slappelingen die het in hun broek doen. Als er al iets van medeleven opkomt is het met de dictator zelf. Mimouni speelt het klaar, ons zo bij diens lotgevallen en gedachtenleven te betrekken dat we inderdaad met hem te doen hebben als hij ’s nachts niet kan slapen, in één van zijn veertig identieke, zwaarbewaakte slaapvertrekken. Zou hij soms gekweld worden door zijn geweten, om al die gemartelde en vermoorde onderdanen?
Ach welnee, zoiets heeft hij niet eens. Het innerlijk leven van de dictator is uiterst schraal, en dat is wat dit boek vooral wil laten zien. Hij heeft zijn biografie grotendeels gemeen met Ceauşescu of Saddam Husein. Maar het is aandoenlijk om te zien hoe achter dat keiharde machopantser, als in een loze noot, een rudimentair, rimpelig zieltje schuilt, dat zelfs nog wat kan groeien, al moet het vrijwel bij nul beginnen. Het kind heeft nooit een koesterende moederhand gevoeld, nooit een prijzend woord gehoord, nooit met vriendjes gespeeld, nooit gevliegerd, nooit genoten van een ijsje. De jongeman heeft nooit een meisje bloemen gegeven; hij is zelfs verbaasd dat mensen daar blij mee kunnen zijn. Seks is nooit iets anders geweest dan een uitdrukking van macht. ’s Mans hele leven is een willekeurige, sterk uitvergrote wraakoefening voor de verschrikkingen van zijn jeugd. Zijn ademhalingsmoeilijkheden bij voorbeeld schrijft hij toe aan de tabakspluk waarin hij als jongen heeft gewerkt. Ten onrechte, zoals en passant blijkt, maar voor een oerfascist móet nu eenmaal alle ellende een oorzaak buiten hemzelf hebben, en hij kent geen andere genoegdoening dan vertienvoudiging van de tabaksaccijns.
Als hij het meisje eenmaal gevangen heeft krijgt hij toch nog enige menselijke trekjes, al maakt hij haar bespottelijk totalitair het hof. Zijn ontwikkeling gaat echter te langzaam, en de monsterlijke instellingen waarvan hij zowel het product als de instandhouder is, vernietigen hem voor hij verder komt.
Er zijn misschien maar dertig van zulke staatshoofden in de wereld. Maar Mimouni’s mengsel van doorzicht, spot en een beetje deernis kan tegen iedere dictatuur, ook op huiselijker schaal, een geducht wapen zijn.

Verschenen in NRC-Handelsblad 17.7.1992            Terug naar Inhoud

Danesjwar, Het offer (bespreking)

Simin Danesjwar, Het offer. Een Perzische roman. Uit het Perzisch vertaald en van een nawoord voorzien door Johan ter Haar. Uitg. Meulenhoff, 320 blz.

Deze roman van de schrijfster Danesjwar (1921) is sinds de verschijning in 1969 het best verkopende boek van Iran. Het speelt in Zuid-Iran tijdens de Engelse bezetting in de Tweede Wereldoorlog: een nog lang niet fundamentalistisch land waar de chador ontspannen gehanteerd wordt, waar de heren wijn drinken, de soldaten een borrel pakken en tante in haar salon gezellig een pijpje opium schuift. De heldin Zari behoort tot de feodale klasse, maar draagt het hart op de goede plaats. Met haar zijn we getuige van onderdrukking, tyfus, honger, oorlog, collaboratie en verzet, en we zien hoe ze liefdadigheid bedrijft in het gekkenhuis en de gevangenis. De ellende wordt getemperd door een zachte glans van lieve damesachtigheid en soms een kinderboek-achtige onschuld. Het is even wennen: de schrijfster gaat de hardheid van het leven niet uit de weg, spreekt openhartig over sex, en ze schrijft uitstekend, maar trekt nu eenmaal een zachter register open dan bij ons gebruikelijk is.
Centraal staat het martelaarschap van Zari’s man Josoef, een landheer die als een der weinigen niet laf, corrupt en collaborerend is. Als hij is doodgeschoten vindt Zari haar ware grootheid: door rouw gerijpt beseft ze dat ze vrij is, zich niet moet laten knechten maar moet strijden tegen de onderdrukking. Daartoe wordt ze onder andere geïnspireerd door het verhaal over Siawasj, een voorislamitische martelaar die veel gemeen heeft met Hosein, de martelaar van de sjiitische moslims. Iran is dol op martelaren, vooral wanneer ze in hun eentje verzet bieden tegen een overmacht. Dat verklaart voor een belangrijk deel het succes van Het offer.
Het boek biedt ons vooral een uniek inzicht in een niet meer bestaande samenleving en, belangrijker, het doet ons enigszins begrijpen hoe de in onze ogen vaak bizarre Iraniërs worden voortgedreven door hun verhalen over ‘onmogelijk’ idealisme en martelaarschap.

Was gepubliceerd in NRC-Handelsblad, 11 augustus 1995.

Terug naar Inhoud