Nog enkele correcties over de islam

(De eerste negen tekstjes vindt U hier.)

‘De islam is het werk van Mohammed’
Gelooft U het zelf? De arme man zou verbijsterd zijn geweest als hij gezien wat moslims er na zijn dood van bakten. De islam is natuurlijk niet kant en klaar uit de hemel gevallen, maar heeft zich ontwikkeld. Mohammed heeft niet meegemaakt hoe Arabieren vrijwel onmiddellijk na zijn dood de halve wereld veroverden en daardoor al spoedig de koranische vrees voor het Jongste Gericht vergaten. Evenmin hoe verschillende groepen van zijn aanhangers met elkaar slaags raakten in burgeroorlogen. En hoe kalief ‘Abd al-Malik in ± 695 zijn eigen islamontwerp de wereld in stuurde, door zich te distantiëren van de christenen en de vroege islamitische geschiedenis te laten opschrijven. En hoe weer honderd jaar later schriftgeleerden hun plaats in de staat hadden veroverd, ten koste van het gezag van de kaliefen. Ook van de Sjiïeten en van de opkomst van de sufi-mystiek, die meer dan duizend jaar gezichtsbepalend zou blijven voor de islam, had de profeet geen enkele notie.

‘De sharia is de wet van de islam’
Nee, de sharia is islamitisch recht; dat is wat anders. Zij regelt alle betrekkingen tussen de mens en God én tussen de mensen onderling en is dus omvattender dan Europees recht: ook geloofsleer, ethiek en goede manieren vallen eronder.
De sharia is niet een gecodificeerde wet. Het is geen boek dat iemand eens en voor altijd neergeschreven heeft en dat opengeslagen kan worden. ‘De sharia zegt …?’ ‘Wat staat er in de sharia?’ ‘Wie heeft de sharia geschreven?’ zijn dus zinloze vragen. De sharia zegt niets, maar moet telkens worden gevonden, in de jurisprudentie en in de rechtsbronnen (koran en hadith). Zij is dus flexibel, al nemen rechtsgeleerden maar al te vaak genoegen met wat hun collega’s van vroeger al hadden gevonden. Dat hoeft echter niet zo te zijn. De omvang, de grote verscheidenheid van de rechtsbronnen en hun vatbaarheid voor verschillende interpretaties maken vernieuwing mogelijk.
De vraag of men de ouden moet navolgen of over bepaalde onderwerpen opnieuw zelfstandig moet nadenken is sinds een eeuw hét punt van discussie in de hele islamitische wereld. Die discussie wordt echter vertraagd door 1. het optreden van salafisten, ISIS, enzovoort; 2. het voortdurende hitsen van hun bondgenoten: de islamhaters en islamofoben.
De sharia was overigens nooit ergens het enig geldende recht. Daartoe zou zij ook niet geschikt zijn. 

‘Een fatwa is een doodvonnis’
Nee. Een fatwa is een niet-bindend geleerd advies op het gebied der Sharia. Een fatwa wordt gegeven door een mufti op aanvraag van rechters, particulieren en soms van overheden. De aanvrager kan desgewenst de fatwa naast zich neer leggen. Sharia is islamitisch recht, maar ook méér dan recht: het gevraagde advies kan daarom ook op het gebied van ethiek, goede manieren en geloof liggen.
Wie zich niet persoonlijk tot een mufti wil wenden, kan ook fatwa-verzamelingen lezen van bekende shariageleerden uit vroegere of latere tijd, of via het internet ergens een fatwa zoeken; zie bij voorbeeld hier.
Sinds de Rushdie-Affaire (1989) is het woord fatwa ook in West-Europea verbreid geraakt, maar het wordt vaak verkeerd begrepen. In de frase: ‘Een fatwa over iemand uitspreken’ klinkt het haast als een doodvonnis. Maar nogmaals: een fatwa is geen vonnis, laat staan een doodvonnis.

‘De islam kent geen scheiding tussen kerk en staat’
Bij Mohammed zelf was de staat nog weinig ontwikkeld, maar aan te nemen is dat zo een scheiding er inderdaad niet was, evenmin als bij de eerste, gekozen kaliefen (632–661).
Tijdens de Umayyadenkaliefen (661–750) blijkbaar ook nog niet. Hun soenna (= gebruik, handelwijze, overgeleverde norm) diende immers zonder meer gevolgd te worden; daarvan hing je zielenheil af. Over hen zongen de dichters dat zij de oogst lieten gelukken, voor regen zorgden, recht en gerechtigheid vestigden — alles in de beste oudoosterse traditie van de god-koning.
Verzet tegen de Umayyaden kwam vanaf ± 700 o.a. van de ‘Mensen van de soenna en de gemeenschap,’ die de eigenmachtige soenna’s van de verfoeide kaliefen vervangen wilden zien door die van de profeet. Eerst wist niemand hoe diens soenna eruit zag, maar daar werd aan gewerkt: in de loop van de eeuw kwamen er steeds meer schriftgeleerden (‘ulamā’) en het aantal overleveringen ‘van de profeet’ (hadithen) groeide gestaag, tot er een profetisch alternatief was voor de soenna van de kaliefen. Na 750 gingen de eerste Abbasidenkaliefen nog een tijdje door met god-koning spelen, maar omstreeks 850 moesten zij zich gewonnen geven. Tegen de soenna van de profeet, hoe fictief ook, konden zij niet op: de nu overal aanwezige geleerden namen de geestelijke macht over. Sindsdien bestaat er wel degelijk een scheiding tussen wereldse en geestelijke macht.
Behalve bij de Sjiïeten, maar die hadden meestal helemaal geen staat, dus dat viel niet zo op.

‘Martelaren krijgen in het paradijs tweeënzeventig maagden.’
Werkelijk? Er is welgeteld één wat obscure hadith waarin dat terloops wordt vermeld. Steviger verankerd in de islamitische traditie is deze:
‘De grond is nog niet droog van het bloed van een martelaar of daar komen zijn beide echtgenotes al aangesneld; het lijken wel kamelinnen die hun jong in een kale vlakte waren kwijtgeraakt… .’
Hier is slechts sprake van twee vrouwen, wier verlangen naar de martelaren wordt vergeleken met het moederinstinct (!) van kamelinnen. Nog vaker vind je teksten als deze:
‘Toen jullie broeders in Uhud gesneuveld waren deed God hun zielen in de buiken van groene vogels, die drinken uit de rivieren van het paradijs, eten van de vruchten daarvan en nestelen in gouden lampen die zijn opgehangen in de schaduw van Gods troon… .’
Hun verblijfplaats is dus heel dicht bij God, maar maagden vinden ze daar niet. In hun toestand zouden ze daar ook niets mee kunnen beginnen.

‘De islam is anti-homo’
Wie die islam is weet ik nog steeds niet. In boeken van islamitische rechtsgeleerden werd homoseksueel gedrag altijd wel scherp veroordeeld. Gedrag, wel te verstaan. Homoseksualiteit als ziekte resp. geaardheid zijn Europese vondsten uit de negentiende en twintigste eeuw.
In het werkelijke leven daarentegen was er in de islamitische wereld een enorme tolerantie. Tot aan het hof van de kalief of sultan aan toe; kunt u zich dat bij ons vorstenhuis voorstellen? Die strenge boeken lieten ze gewoon dicht. De omvangrijke Arabische liefdespoëzie handelt grotendeels over mannenliefde. Vrouwen waren voor het huwelijk en de voortplanting; diepe gevoelens had je voor mannelijke vrienden, seks ook met jongens.
In de negentiende eeuw veranderde dat, toen men daar het Westen ging imiteren. Het Victoriaanse Engeland was mordicus tegen homoseksualiteit. Waar mogelijk voerden Britse autoriteiten strenge wetgeving in; ook waar dat niet gebeurde sloeg de houding van welwillende tolerantie om in afkeuring. Nog iets later ging men die oude juridische teksten letterlijk nemen; ondubbelzinnigheid was immers modern? Dat leidde tot harde straffen voor wat vroeger niets bijzonders was geweest.
Het was gewoon pech voor de islamitische wereld, en voor India, China en Afrika ook, dat uitgerekend het meest bigotte en seksueel onhandigste deel van de wereld de toon ging aangeven. Dat heeft diepe sporen nagelaten.

Terug naar Inhoud

Terugschrikkende profeten

Volgens één van de verhalen over de eerste openbaring aan Mohammed bevond deze zich in retraite op de berg Hirā’ toen de engel Djibrīl (Gabriël) tot hem kwam:

  • In de woorden van de Profeet zelf: Terwijl ik sliep kwam Djibrīl bij mij met een brokaten deken met schrifttekens erop. Hij zei: ‘Lees voor!’ Ik zei: ‘Ik kan niet lezen (mā aqra’u).’ Vervolgens drukte hij daarmee mijn keel zo krachtig toe dat ik dacht dat het de dood was. Toen liet hij me los en zei: ‘Lees voor!’ Ik zei: ‘Ik kan niet lezen.’ Toen drukte hij weer zo hard dat ik dacht dat het de dood was. Toen liet hij me los en zei: ‘Lees voor!’ Ik zei: ‘Wat moet ik dan voorlezen? (mā dhā aqra’u)’ en dat zei ik alleen om van hem af te komen, want ik was bang dat hij het nog eens zou doen. Hij zei: Lees voor in de naam van jouw Heer die geschapen heeft,
 de mens geschapen heeft uit een bloedklomp.
 Lees voor: Zeer edelmoedig is uw Heer, 
die onderwezen heeft het gebruik van de pen, 
de mens onderwezen heeft wat hij niet kende. [koran 96:1–5]
    Dat reciteerde ik; toen liet hij mij los en ging weg, en toen ik ontwaakte was het alsof het in mijn hart gegrift stond.
    Nu was er geen schepsel waar ik een groter hekel aan had dan dichters en bezetenen; ik kon ze niet zien of luchten. En ik dacht: ‘O wee, deze nietswaardige’—hij bedoelde zich zelf—‘is een dichter of een bezetene. Maar dat zullen de Qurayshieten nooit van mij zeggen! Ik zal hoog de berg opklimmen en mij eraf storten; dan heb ik rust.’ Dus ging ik met die bedoeling op weg en toen ik halverwege de berg was hoorde ik een stem uit de hemel die zei: ‘Mohammed! Jij bent de gezant Gods en ik ben Djibrīl.’ Ik keek naar boven, naar de hemel, om te zien wie er sprak, en daar was Djibrīl, in de gedaante van een man, die met zijn voeten naast elkaar aan de einder stond, en hij zei: ‘Mohammed! Jij bent de gezant van God en ik ben Djibrīl.’ Ik bleef naar hem staan kijken, en dat bracht mij van mijn voornemen af; ik ging vooruit noch achteruit. Toen wilde ik mijn gezicht van hem afwenden, maar waar ik ook keek aan de horizon, overal zag ik hem weer. Zo lang bleef ik daar staan, zonder een stap vooruit of achteruit te doen, dat Khadīdja haar boden stuurde om mij te zoeken; zij kwamen tot aan Mekka en gingen weer terug, terwijl ik nog op diezelfde plaats stond. Toen verliet Djibrīl mij. Ik ging terug naar mijn gezin en ging bij Khadīdja zitten, dicht tegen haar aan.

Dit verhaal gaat over wat christelijke theologen een ‘roepingsvisioen’ noemen. Van verscheidene profeten wordt in het Oude Testament beschreven hoe zij zeggen de taak waartoe God hen roept niet aan te kunnen.
Mozes wordt opgedragen zijn volk uit Egypte naar het land Kanaän over te brengen. Hij heeft een aantal uitvluchten, en voert tenslotte aan: ‘Neem mij niet kwalijk Heer, maar ik ben geen goed spreker. […] Ik kan nooit de juiste woorden vinden’ (Exodus 4:10).
Jesaja ziet een ontzagwekkend visioen van de Heer, omgeven door twee serafs. Hij roept uit: ‘Wee mij! Ik moet zwijgen, want ik ben een mens met onreine lippen…’ (Jesaja 6:5).
Jeremia zegt bij zijn roeping: ‘Nee Heer, ik kan het woord niet voeren, ik ben te jong’ (Jeremia 1:6).
Ezechiël schrikt ontzettend en werpt zich ter aarde bij het zien van een geweldig visioen (Ezechiël 1–3).

De profeten hebben natuurlijk gelijk; inderdaad kunnen zij hun taak niet zonder meer volbrengen. Maar God maakt hen bereid, sterkt hen, geeft hun zijn woorden in en dan gaat het. Jesaja’s onreine lippen worden gereinigd met een gloeiende kool van het altaar; daarna wil hij wel profeteren. Ezechiël wordt door God opgeheven en wordt een boekrol te eten gegeven; Mohammed krijgt de Schrift bijna letterlijk zijn strot in geduwd. Van zowel Ezechiël (Ez. 3:14–15) als Mohammed wordt verteld dat zij na hun roepingservaring behoorlijk van slag zijn.
Alleen de bijbelse profeet Jona zegt niet dat hij geen profeet kan zijn, hij weigert het gewoon. God draagt hem op naar Nineve in Irak te gaan, maar hij neemt een schip de andere kant op, met het welbekende gevolg.

Een beetje lastig zijn in het verhaal over Mohammeds roeping de woorden mā aqra’u, hierboven vertaald met: ‘Ik kan niet lezen’— waarbij in die oude tijd lezen altijd neerkwam op: hardop voorlezen, reciteren.
mā aqra’u wordt vaak vertaald met: ‘wat zal ik lezen?’. Uitgesloten is dat niet, maar meer voor de hand ligt daarvoor het Arabische mā dhā aqra’u. Bovendien: in het verhaaltje staat twee maal mā aqra’u en eenmaal mā dhā aqra’u: dat is contrasterend bedoeld.
mā aqra’u is in allerlei vormen van modern(!) gesproken Arabisch een neutraal: ‘ik lees niet/zal niet lezen/ga niet lezen.’ In de schrijftaal was en is dat echter lā aqra’u.
+ imperfectum. Volgens W. Fischer, Grammatik des klassischen Arabisch, Wiesbaden 21987, § 321 “bestreitet mit Impf. den Vorgang oder dessen Möglichkeit: [… ] mā yarāka, ‘er sieht dich gar nicht, kann dich nicht sehen’.” De andere grammatica’s van het klassiek Arabisch hebben niets belangwekkends te melden.

Op grond van dat dunne zinnetje bij Fischer én de bovenstaande bijbelse voorbeelden heb ik in het verhaal over Mohammeds roeping gekozen voor de vertaling: ‘Nee, ik kan niet lezen’.

Terug naar Inhoud

God onder druk zetten

In een verhaal uit de profetenbiografie probeert Mohammed God te chanteren. In de slag bij Badr zag het er even heel slecht uit voor Mohammed en zijn strijders. God had hulp beloofd, maar die liet op zich wachten en de vijand dreigde de overhand te krijgen. Daarop bad de profeet tot God en zei onder andere: ‘O God, als deze schare vandaag verloren gaat, wordt Gij niet meer aanbeden!’
Zijn metgezel Abū Bakr vond dat te ver gaan en zei: ‘Profeet, val uw Heer toch niet steeds lastig met uw gebed! God komt echt wel na wat Hij heeft beloofd.’ En dat gebeurde ook, want ‘daarop sliep de Profeet even in, en toen hij wakker werd zei hij: “Houd goede moed, Abū Bakr! Gods hulp is gekomen. Hier is Gabriël, en hij voert een paard mee aan de teugel, dat stof op zijn voortanden heeft.”’ 1
Liet God zich door zijn profeet onder druk zetten of was die hulp toch al onderweg? We weten het niet.

In het Dies iræ, een veertiende(?)-eeuwse hymne over de Jongste Dag, die nog tot 1971 een vast bestanddeel was van de Requiem-mis, wordt Jezus onder druk gezet.
Recordare Iesu pie quod sum causa tuæ viæ, ne me perdas illa die …: ‘Denk eraan, lieve Jezus, dat ik de oorzaak van Uw leven ben. Richt mij niet te gronde op die dag.’ Met andere woorden: vergeef me maar gauw mijn zonden en stuur me niet naar de hel, want zonder arme zondaren als ik hadt Gij niet eens bestaan! En laat de moeite van Uw kruisdood niet vergeefs geweest zijn, tantus labor non sit cassus.

Ik denk dat dit soort ‘chantage’ in alle drie de westerse godsdiensten voorkomt. Het kan haast niet anders dan dat God ook in de gezellige gespreksronden van de Talmud-rabbijnen soms stevig werd aangepakt. Ik ga er niet speciaal naar zoeken, want dan vind je niets, maar ik zal een mapje bijhouden voor gevallen die ik tegenkom. Als U een voorbeeld bij de hand hebt of tegenkomt houd ik me natuurlijk aanbevolen.

NOOT
1. Ibn Ishāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 444; Ned. vertaling: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 131.

Terug naar Inhoudʾ

De slag bij Mu’ta (vertaalde tekst)

Over de door Mohammed bevolen militaire expeditie naar het zeer noordelijk gelegen Mu’ta is vrijwel niets met zekerheid bekend. Stellig heeft de Romeinse keizer Heraclius niet, zoals de verhalen beweren, de moeite genomen met een leger van tweehonderdduizend man tegen drieduizend Arabieren te komen vechten. Op zijn hoogst is er ooit een schermutseling geweest met het Romeinse grensleger. Er zouden slechts acht of negen moslims zijn gesneuveld, onder wie drie aanvoerders, wat merkwaardig is. Zie over deze slag ook hier, onderaan.

“““Muhammad ibn Dja‘far heeft gehoord van ‘Urwa ibn al-Zubayr: In de maand djumādā al-ūlā van het jaar 8 [629] stuurde de Profeet een leger naar Mu’ta, onder commando van Zayd ibn Hāritha. Als Zayd zou sneuvelen zou het bevel overgaan op Dja‘far ibn abī Tālib; als ook deze zou vallen zou ‘Abdallāh ibn Rawāha het commando overnemen.
De moslims rustten zich uit, drieduizend man, en toen het ogenblik van vertrek was aangebroken namen de veldheren van de Profeet afscheid van hen die achterbleven in Medina. ‘Abdallāh ibn Rawāha brak daarbij in tranen uit en toen hem werd gevraagd waarom, zei hij: ‘Het is niet omdat ik aan deze wereld gehecht ben of jullie zo liefheb, maar omdat ik de Profeet een koranvers heb horen reciteren over het hellevuur: Er is niemand onder u die daarin niet afdaalt; dat is een vaststaand besluit bij uw Heer, (koran 19:71) en ik weet niet hoe ik kan terugkomen als ik eenmaal daarin ben afgedaald.’ De moslims zeiden: ‘Ga met God; moge Hij jullie beschermen en veilig terugbrengen.’ Toen zei ‘Abdallāh:

’k Vraag God vergiffenis, en een trefzeker zwaard,
dat brede wonden slaat, waar schuimend bloed uit spuit,
of van mijn lans een rake stoot, die boort met vaart
door ingewand en lever, en door de rug eruit!
Dat bidden zal wie later langs mijn graf mocht gaan:
“God, breng uw strijder thuis; hij heeft het goed gedaan!”

Het leger brak op en de Profeet trok een eindje mee, om afscheid te nemen. Toen hij terugkeerde naar Medina zei ‘Abdallāh:

Gegroet, geleider die ik achterlaat
bij deze palmen, vriend en toeverlaat!

Zij trokken voort tot Ma‘ān, in Syrië. Daar vernamen zij dat Heraclius naar Moab was gekomen, in de landstreek Balkā’, met honderdduizend Romeinen, bij wie zich nog eens honderdduizend man uit de stammen Lahm, Djudhām, Qain, Bahrā’ en Balī hadden aangesloten; dezen werden aangevoerd door een Baliet uit Irasha, die Malik ibn Zafila heette. Bij het horen van dat nieuws bleven de moslims twee dagen in Ma‘ān om zich te beraden over wat hun te doen stond. Sommigen wilden aan de Profeet schrijven hoe groot de overmacht van de vijand was; dan kon hij hun versterkingen sturen of anders zouden ze zijn bevel afwachten. Maar ‘Abdallāh ibn Rawāha sprak hun moed in: ‘Mannen, waar jullie nu voor terugdeinzen, dat is toch juist hetgeen waarvoor wij zijn uitgetrokken: de martelaarsdood! Wij strijden niet met ons aantal manschappen of onze gevechtssterkte, maar met deze godsdienst waarmee God ons heeft geëerd. Laten we dus verder trekken: van twee mooie zaken wacht ons er één: de overwinning of de martelaarsdood!’ Toen zeiden de mannen: ‘Bij God, hij heeft gelijk,’ en ze trokken verder.
Bij de grens van de Balkā’, bij het dorp Mashārif, stuitten zij op de troepen van de Romeinen en de bedoeïenen. Op de nadering van de vijand trokken de moslims zich terug op het dorpje Mu’ta, en daar kwam het tot een treffen. Zayd vocht met de vlag van de Profeet in zijn hand, tot hij onder de lansen van de vijand bezweek aan bloedverlies. De vlag werd overgenomen door Dja‘far, die zich ermee in de strijd stortte. Toen hij aan alle kanten was ingesloten sprong hij van zijn goudvos, sneed hem de pezen door en vocht tot hij werd gedood. Dja‘far was de eerste moslim die zijn paard de pezen doorsneed.
Yahyā ibn ‘Abbād ibn ‘Abdallāh ibn al-Zubayr heeft gehoord van zijn vader dat hij zijn pleegvader, die erbij was geweest in Mu’ta, had horen zeggen: Ik zie het nog voor me, hoe Dja‘far van zijn goudvos sprong, het dier de pezen doorsneed, vocht tot hij werd gedood en hoe hij toen nog zei:

Ja, Edens lusthof is nabij,
de drank der zaal’gen wacht op mij!
De Griek krijgt zijn gerechte straf.
Die heidenen, dat lage ras—
Als ik zo’n kop zie sla ’k hem af!

Nadat Dja’far was gevallen nam ‘Abdallāh ibn Rawāha de vlag over en stormde voorwaarts op zijn paard. Hij talmde echter een ogenblik en sprak zich moed in met de woorden:

Ik zweer, mijn ziel, je moet nu gaan!
Vecht, of ’t is met je gedaan!
Laat de vijand schreeuwen, razen,
wat zou je ’t paradijs versmaden?
Wil jij, een held’re druppel, leven
door een versleten zak omgeven?

Daarna steeg hij af. Een neef van hem kwam hem een kluif met vlees brengen en zei: ‘Hier, doe wat kracht op, want jij hebt het dezer dagen zwaar te verduren!’ ‘Abdallāh pakte hem aan en beet er wat vanaf. Maar bij het horen van het strijdgewoel dacht hij: ‘Je bent nog in déze wereld!’; hij gooide de kluif weg, greep zijn zwaard en ging erop af. Toen vocht hij tot hij werd gedood. Thābit ibn Akram, een broeder van de stam Adjlān, kreeg de vlag te pakken en riep: ‘Moslims! Wie moet nu de leiding nemen?’ ‘Jij!’ schreeuwden ze terug, maar hij weigerde, en daarop werden ze het eens over Khālid ibn al-Walīd. Deze nam de vlag en probeerde de vijand af te houden en een verder treffen te voorkomen. De partijen gingen uiteen en Khālid leidde het leger terug naar Medina.
‘Urwa’s overlevering vervolgt: Toen het leger dicht bij Medina was gekomen, kwam de Profeet het tegemoet gereden met de achtergebleven moslims. De kinderen renden ernaast. ‘Neem die jongens voorop,’ riep de Profeet, ‘en geef mij de zoon van Dja‘far!’ Ze brachten hem ‘Abdallāh ibn Dja‘far en hij zette de knaap voor zich op zijn rijdier. De mensen begonnen aarde te gooien naar het leger en riepen: ‘Lafaards! Op de weg van God zijn jullie hard weggelopen!’ De Profeet kwam tussenbeide met de woorden: ‘Als God het wil zijn het geen weglopers, maar hebben zij zich teruggetrokken om opnieuw in de aanval te gaan.’”””

Bron: Ibn Ishāq (704–767): Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 791–802. Hierboven een kleine keuze uit: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 201–205.

Diakritische tekens: Muʾta, Muḥammad ibn Djaʿfar,ʿUrwa, Zayd ibn Ḥāritha, Dja‘far ibn abī Ṭālib, ʿAbdallāh ibn Rawāḥa, Maʿān, Balqāʾ, Laḥm@, Djudhām@, Bahrāʾ@, Irasha@, Malik@ ibn Zafila@, Yaḥyā ibn ʿAbbād, Adjlān@

Terug naar Inhoud

De hidjra van de profeet volgens ‘Urwa ibn al-Zubayr

BEHOEFT NOG REVISIE@@

De vroege biograaf van de Profeet ‘Urwa ibn al-Zubayr (± 643–712) stelde op verzoek van kalief ‘Abd al-Malik het verhaal over de hidjra van de profeet van Mekka naar Medina op schrift:

… dat ‘Urwa aan ‘Abd al-Malik schreef: Toen hij–de profeet–zijn mensen had opgeroepen tot de leiding en het licht dat God hem geopenbaard had, gingen zij hem eerst niet uit de weg en hadden bijna naar hem geluisterd. Maar toen hij over hun afgoden begon kwamen er vermogende Qurayshieten uit Tā’if die hem dat kwalijk namen en heftig tegen hem uitvielen, omdat zij een grote afkeer hadden van wat hij had gezegd. Zij zetten degenen die hen gehoorzaamden tegen hem op en de meeste mensen wendden zich nu van hem af en lieten hem in de steek. De mensen die God daarvoor behoedde deden dat niet, maar dat waren er niet veel. Zo bleef het zolang God beschikte dat het blijven zou. Toen beraamden hun hoofdmannen dat zij hun zonen, hun broeders en stamgenoten die Mohammed volgden zouden proberen af te brengen  van Gods religie. Het was een verzoeking (fitna) die een zware schok teweeg bracht onder de mensen van de islam, die de profeet volgden. Sommigen werden verleid [tot geloofsafval] en ongehoorzaamheid jegens God. Toen dat de moslims werd aangedaan droeg de profeet hen op naar Ethiopië te vertrekken. Daar heerste een rechtschapen koning, genaamd de Negus. In zijn land werd er niemand onderdrukt en hij werd geprezen om zijn rechtschapenheid. Ethiopië was een land waar de Qurayshieten handel dreven en waar zij royaal levensonderhoud en een goede markt vonden. Dat droeg de profeet hen dus op en de meesten  die in Mekka onderdrukt werden gingen daarheen, want hij was bang dat men hen van hun geloof zou afbrengen. Hij zelf bleef in Mekka. Zo gingen enkele jaren voorbij, waarin de gelovigen het zwaar te verduren hadden.
Daarna verbreidde de islam zich in Mekka en een aantal edelen trad toe.    (Al-Ṭabarī, Ta’rīkh i, 1180–1.)
Toen er emigranten uit Ethiopië terugkeerden, vóór de emigratie van de profeet naar Medina, maakten [de Qurayshieten] het de mensen van de islam nog moeilijker en vielen hen vaker lastig. Veel van de Helpers (anṣār) in Medina waren moslim geworden en de islam verbreidde zich ook in Medina en er begonnen mensen vandaar naar de profeet in Mekka te komen. Toen de Qurayshieten dat zagen spoorden ze elkaar aan om hen van hun geloof af te brengen en hen hard te behandelen en dat deden ze.
Dat was de tweede verzoeking (fitna). Er waren er dus twee: de verzoeking die de aanleiding was tot de emigratie naar Ethiopië, toen de profeet hun daartoe opdracht en toestemming gaf, en een verzoeking na terugkeer van die emigranten, toen [de Qurayshieten] zagen wie er allemaal uit Medina naar hem toe kwamen.
Toen kwamen er zeventig afgevaardigden uit Medina bij de profeet, de hoofdmannen van degenen die de islam hadden aangenomen. Zij ontmoetten hem tijdens de pelgrimstocht en zwoeren hem trouw in al-‘Aqaba. In hun eed van trouw heette het: ‘Wij zijn van u en u bent van ons,’ en: ‘Als er iemand van uw gezellen bij ons komt, of u zelf komt, zullen we u verdedigen zoals we onszelf verdedigen.’
Quraysh verhoogde nu de druk op hen en de profeet beval zijn gezellen naar Medina te vetrekken. Dit was de tweede verzoeking, gedurende welke de profeet zijn gezellen opdroeg naar Medina te gaan en zelf ook ging. Dit is de verzoeking waarover God heeft geopenbaard: Strijdt tegen hen tot er geen verzoeking meer is en de gehele godsdienst alleen God toebehoort (koran 8:39).

Toen de Gezellen van de profeet naar Medina waren gegaan, maar voordat hij zelf Mekka verliet en voordat het vers was geopenbaard waarin hun werd opgedragen te vechten [koran 8:39], vroeg Abū Bakr, die geen opdracht had gekregen te gaan, Mohammeds toestemming om met de rest van de Gezellen te vertrekken. Maar de profeet hield hem tegen en zei: ‘Geef me wat tijd; ik weet het niet; misschien zal ik toestemming krijgen te vertrekken.’ Abū Bakr had twee rijkamelen gekocht en die voorbereid voor het vertrek naar Medina met de Gezellen. Toen de profeet hem vroeg te wachten en hem vertelde dat hij goede hoop had dat God hem toestemming zou geven te verrtrekken, hield hij die twee kamelen aan, in de verwachting de profeet te mogen vergezellen; hij voedde ze goed en mestte ze vet. Toen het vertrek van de profeet uitgesteld werd vroeg Abū Bakr hem: ‘Hoop je dat je toestemming zult krijgen? ‘Ja,’ antwoordde hij, ‘wacht tot die komt.’ Daarna wachtte hij geduldig.
Aisha vertelde me dat op zekere dag, terwijl zij binnen in huis waren omstreeks het middaguur, terwijl daar niemand  was behalve Abū Bakr en zijn dochters Aisha en Asmā’, de profeet plotseling verscheen, terwijl de middagzon op zijn hoogst stond. Het was zijn gewoonte iedere dag zonder mankeren naar  Abū Bakrs huis te komen aan het begin en het eind van de dag. Dus toen Abū Bakr hem ’s middags zag komen zei hij: ‘Profeet, alleen iets bijzonders kan je hierheen gevoerd hebben. Toen hij binnenkwam zei de profeet tegen Abū Bakr: ‘Vraag degenen die bij je zijn weg te gaan.’ Hij antwoorde: ‘Er zijn hier geen spionnen, dit zijn alleen mijn twee dochters. Toen zei de profeet: ‘God heeft mij toestemming gegeven naar Medina te vetrekken. Abū Bakr vroeg: ‘Profeet, mag ik je vergezellen?’ ‘Ja,’ antwoordde hij. Abū Bakr zei: ‘Neem een van de rijkamelen.’ Dat waren de rijkamelen die hij bij wijze van voorbereiding had gevoederd toen de profeet toestemming kreeg. Hij gaf hem een van de twee dieren en zei: ‘Neem het, profeet, en rijd erop.’ De profeet antwoordde: ‘Ik neem het aan, voor de prijs die het waard is.’
‘Āmir ibn Fuhayra was een …@ van de stam Azd, die behoorde tot/aan al-Ṭufayl ibn ‘Abdallāh ibn Sakhbara, die dezelfde moeder had als Abū Bakrs dochter Aisha en zijn zoon ‘Abd al-Raḥmān. ‘Āmir werd moslim toen  hij hun slaaf was, en Abū Bakr kocht hem en liet hem vrij. Hij was een goede moslim. In de tijd dat de profeet en Abū Bakr zich op weg begaven had Abū Bakr de rechten@ op de melk van een kudde schapen die ’s avonds naar zijn huis placht te komen. Abū Bakr stuurde ‘Āmir met de schapen naar Thawr, en hij bracht ze ’s avonds naar de profeet in de grot daar, en dat is de grot die door God in de koran genoemd wordt [koran 9:40].
Met de rijdieren vooruit stuurden ze een man uit de stam ‘Abd ibn ‘Adī, een … van de familie van al-‘Āṣ ibn Wā’il van de stam Sahm van Quraysh. In die tijd was die man uit ‘Adī een heiden, maar zij huurden hem als gids voor de reis. De tijd dat zij in de grot doorbrachten kwam Abū Bakrs zoon ‘Abdallāh iedere avond om hun het nieuws uit Mekka te brengen; dan keerde hij ’s ochtends naar Mekka terug. ‘Āmir bracht iedere avond de schapen, zodat ze die konden melken, en bracht ze dan bij het aanbreken van de dageraad/@voor dag en dauw terug naar hun weidegrond, waar hij de ochtend doorbracht met de herders van anderen, zodat niemand in de gaten had wat hij deed. Toen de geruchten over Mohammed en Abū Bakr afzwakten en zij vernamen dat er neit meer over hen gesprokene werd bracht de gids hun de kamelen en gingen ze op weg. ’Āmir ibn Fuhayra namen ze mee, als dienaar en hulpkracht. Abū Bakr nam hem achterop en wisselde op het zadel met hem af. Er was niemand bij hen behalve ’Āmir en die man uit ‘Adī die hun als gids diende. Hij voerde hen door de laaglanden van Mekka, vervolgens over een weg parallel aan de kust, onder ‘Usfān langs, dan dwars door het land, weer op de weg komend bij Qudayd, vervolgens langs het al-Kharrār-pad, dan over de pas van al-Marah en dan langs een weg genaamd al-Mudjidja, tussenm de ‘Amq en de Rawḥā’-weg. Toen kwam hij op de ‘Ardj-weg, en bij een bron genaamd al-Ghabīr rechts van Rakūba en toen de Batḥ Ri’m omhoog, om tenslotte op een middag aan te komen bij het kwartier van de stam ‘Amr ibn ‘Awf in [het zuiden van] Medina. Mij is verteld dat de profeet slechts twee dagen bij hen vertoefde, hoewel de ‘Amr ibn ‘Awf verzekeren dat hij langer bij hen bleef. Vervolgens leidde hij zijn kameel, die hem volgde naar de kwartier van de stam Najdjdār. Daar toonde de profeet hem een droogvloer midden tussen hun woonsteden.

Bron: Al-Ṭabarī, Ta’rīkh i, i, 1224–5 en 1234–7.

BEHOEFT NOG REVISIE@

Nog doen: Het verhaal bij Ma‘mar ibn Rashåd

Ga naar De hidjra in de koran    De hidjra volgens Ibn Ishāq

Terug naar Inhoud

De hidjra in de koran

De hidjra was de migratie van de profeet Mohammed van Mekka naar Medina. De datum van die hidjra, 20 september 622 (of toch een andere), werd nog geen twintig jaar later tot beginpunt van de islamitische jaartelling gemaakt. De gebeurtenis werd dus van groot belang geacht.

In de koran komt het verbaal substantief hidjra niet voor. Wel is er meermalen sprake van mensen die geëmigreerd waren (alladhīna hādjarū) ofwel Emigranten (muhādjirūn). Deze zijn ‘naar God en zijn gezant’ of ‘op de weg Gods’ geëmigreerd. Het laatste staat meestal voor oorlog voeren. Emigratie gaat gepaard met strijden voor de goede zaak. Slechts éénmaal duidt de koran aan dat ook de profeet een muhādjir was, en alleen indirect: in vers 33:50 wordt gesproken over vrouwelijke verwanten ‘die met jou geëmigreerd zijn’.

Van de Emigranten wordt in de koran meermalen gezegd dat zij ‘uit hun woonsteden verdreven zijn’ (ukhridjū min diyārihim). Dit wordt op enkele plaatsen ook van de profeet gezegd, bijv. in koran 9:40, 47:13; 2:191(?). In 17:76 wordt gezegd: ‘Bijna hadden ze jou het land uitgejaagd…’ en in 9:13 dat ze het van plan waren geweest.

Wat was de aard, wat was de reden van Mohammeds migratie? De Nederlandse oriëntalist Chr. Snouck Hurgronje streed in 1886 tegen de toen heersende opvatting dat de hidjra een vlucht was.1 Het woord hidjra betekent: ‘de banden verbreken, zijn stad of stam verlaten om zich elders te vestigen, emigreren’. Volgens Snouck was het een deel van een plan, van een strategie: ‘De Hidjra werd dus door Mohammed, wegens zijn met den tijd veranderde opvatting zijner zending, lang te voren zorgvuldig beraamd.’ Zo is ook de gangbare islamitische opvatting, die al bij ‘Urwa is te vinden, al krijgt het heilsplan Gods daar natuurlijk de hoofdrol. Bij de oriëntalisten is er sinds Snouck niet veel veranderd. Een goed overzicht van het gangbare oriëntalistische verhaal geeft W. Montgomery Watt.2

‘Het’ algemeen bekende verhaal over de hidjra staat niet in de koran, maar in de biografische teksten over de profeet en in hadithen, uiteraard in verschillende versies. Zie bij voorbeeld de twee basisversies van ‘Urwa ibn al-Zubayr hier (@maar is nog niet af@) en een uitgewerkte versie van Ibn Ishāq hier. In grote lijnen gaat het alsvolgt: Mohammed en zijn aanhangers werden in Mekka getreiterd. Sommige gelovigen waren al naar Ethiopië geëmigreerd, de meesten waren ook weer teruggekomen of kwamen alsnog terug. Pogingen om medestanders te vinden onder de bedoeïenen en in Tā’if liepen op niets uit. Een groep inwoners van Yathrib (Medina), die naar de jaarmarkt in Mekka kwam, wilde zich echter wel met Mohammed inlaten. Na twee jaren van onderhandelingen en voorbereidingen vertrokken eerst de gelovigen naar Medina en tenslotte Mohammed zelf.

Het in de koran gebruikte werkwoord akhradja: ‘eruit werken, eruit gooien, uitzetten, verdrijven, verjagen’ wijst inderdaad niet op een vlucht, maar evenmin op de souvereine beslissing te vertrekken. In het biografische verhaal ontbreekt dat woord geheel. Ibn Ishāq heeft aan zijn versie een uitvergroting van Koran 8:30 toegevoegd. Daar beraadslaagt de gemeenteraad van Mekka over wat te doen met Mohammed: hem doden, hem eruit gooien of hem gevangen zetten? In het verhaal besluit men hem er juist niet uit te gooien: dan zou hij immers buiten de stad maar bondgenoten gaan zoeken. Nee, ze zullen hem ’s nachts doden, in zijn eigen bed. God brengt Mohammed op de hoogte en deze weet … te vluchten. Na een spannende achtervolging vindt hij met Gods hulp beschutting in een grot en bereikt vandaar Medina. Toch een vlucht dus; maar alleen in een toegevoegd deel van het hidjra-verhaal.

Uit kiesheid vermeden de oude biografen het blijkbaar, het koranische motief ‘eruit gooien’ ter sprake te brengen in verband met Mohammeds hidjra, die volgens hen niet op enig initiatief van de heidenen berustte, maar op een heilsplan van God en op zelfstandig handelen van zijn profeet. Begrijpelijk, want zo klinkt het een stuk positiever. Maar naar mijn indruk wordt het ‘eruit gooien, verjagen’ (al dan niet ‘bijna’) ook in moderne wetenschappelijke beschouwingen over de hidjra genegeerd.

NOOT
1. In zijn Twee populaire dwalingen verbeterd, herdrukt in Chr. Snouck Hurgronje, Verspreide geschriften, 6 dln, Bonn/Leiden 1923–27, i, 295–305 (online hier).
2. W. Montgomery Watt, Muhammad at Mecca, Oxford 1953, 141–51.

Ga naar De hidjra volgens ‘Urwa ibn al-Zubayr     De hidjra volgens Ibn Ishāq

Terug naar Inhoud

De slag bij Uhud (vertaalde tekst)

Na de nederlaag bij Badr moesten de Qurayshieten wel spoedig opnieuw uitrukken tegen Mohammed, ter wille van hun eigen moreel en hun prestige onder de nomadenstammen, en om de karavaanweg naar Syrië voor de toekomst open te houden. Er was al een Mekkaanse karavaan oostelijk langs Medina getrokken, maar deze was onderschept door honderd moslims. Een poging om Mohammed in Medina te vermoorden was mislukt.
In maart 625 verscheen er een groot leger van Quraysh bij Uhud (Oehoed), vlak ten noorden van Medina. Quraysh had ook paarden, in die tijd een geducht wapen, maar ook kwetsbaar, want paarden verlangen meer water en verfijnder voer dan kamelen. Wellicht heeft Quraysh zich ter wille van de paarden in de landerijen bij Medina gelegerd, wat strategisch niet de beste plaats was.
‘Abdallāh ibn Ubayy, de leider der Halfhartigen, was niet erg strijdlustig. Misschien wilde hij door neutraal te blijven de mogelijkheid openhouden, later de zijde van Quraysh te kiezen. Mohammed nam hem handig de wind uit de zeilen door zelf een defensieve tactiek voor te stellen en niet gretig op de vijand af te stormen.
De moslims hadden de beste positie, met een heuvel in de rug. Maar de paarden van de vijand waren hun te sterk. De boogschutters van de moslims schijnen zich ongedisciplineerd gedragen te hebben en voortijdig aan het plunderen te zijn geslagen, al weidt de overlevering daar om begrijpelijke redenen niet over uit. Het gerucht van Mohammeds dood, vreemd genoeg afkomstig van een moslimse boogschutter, droeg tot de verwarring bij. De algemene indruk is dat de tactiek van de Mekkanen superieur was. Hun generaal Khālid ibn Walīd was uiterst bekwaam; hij is als moslim later zeer beroemd geworden. De moslims hebben zich zelf na hun succes bij Badr waarschijnlijk overschat.
De nederlaag bij Uhud was een gevoelige slag voor de moslims, niet in de laatste plaats omdat er nu twijfel rees aan Gods hulp, die bij Badr zo duidelijk werkzaam was geweest. De Halfhartigen zullen niet hebben nagelaten die twijfel te versterken. Dat er volgens de naamlijsten van Ibn Ishāq slechts vier Emigranten waren gesneuveld tegen eenenzestig Helpers moet hen hebben verbitterd.
De overwinning van de Mekkanen was echter niet zo groot als dezen hadden gehoopt. Zij hadden Mohammed niet kunnen vernietigen; na Badr en Uhud waren beide partijen ongeveer even sterk. De onbetwiste suprematie van Mekka was voorbij. De volgende stap zou zijn het opstoken van de nomadenstammen tegen Mohammed.

VERTALING:

Mijn verhaal over de slag bij Uhud heb ik samengesteld uit berichten van az-Zuhrī, Muhammad ibn Yahyā, ‘Āsim, Husayn ibn ‘Abd ar-Rahmān en andere geleerden.
Na de nederlaag van de ongelovige Qurayshieten bij Badr, en nadat zowel hun uiteengeslagen leger als Abū Sufyān met zijn karavaan waren teruggekeerd in Mekka, kwamen ‘Abdallāh ibn abī Rabī‘a, ‘Ikrima ibn abī Djahl, Safwān ibn Umayya met nog een aantal Qurayshieten die hun vader, zoons of broers bij Badr hadden verloren, bij Abū Sufyān en zijn partners in die karavaan en zeiden: ‘Qurayshieten! Mohammed heeft ons een gevoelige slag toegebracht en onze beste mannen gedood. Stel ons daarom jullie winst ter beschikking om oorlog tegen hem te voeren. Misschien kunnen wij wraak nemen voor onze doden.’ En zo gebeurde het.
.
Volgens sommige geleerden werd aangaande hen het koranvers geopenbaard: “Zij die ongelovig zijn geven hun vermogen uit om mensen van de weg Gods af te houden. Zij zullen het uitgeven, maar daarna zullen zij er spijt van krijgen. Dan zullen zij overwonnen worden en zij die ongelovig zijn zullen samengedreven worden naar de hel.” [8:36]
.
Nadat deze Qurayshieten zich hadden verzekerd van de steun van Abū Sufyān en de andere deelnemers aan de karavaan, verzamelden zij zich met hun Ahābīsh en de hun onderhorige stammen uit Kināna en het laagland.
Djubayr ibn Mut‘im riep zijn Ethiopische slaaf Wahshī, die de lans wierp zoals alle Ethiopiërs dat doen en zelden zijn doel miste, en zei tegen hem: ‘Ga jij ook mee! Als je mijn oom Tu‘ayma wreekt door Mohammeds oom Hamza te doden, dan laat ik je vrij.’
Quraysh trok uit met alle mankracht en wapens die zij hadden, en hun Ahābīsh en de hun onderhorige stammen uit Kināna en het laagland. Ook de vrouwen trokken mee, in hun kameelzadels, om de vechtlust van hun mannen aan te wakkeren en te voorkomen dat zij zouden vluchten. Zo had Abū Sufyān, de aanvoerder, Hind bint ‘Utba bij zich. Telkens wanneer Hind tijdens de tocht Wahshī in het oog kreeg, riep zij: ‘Zwartkop, zet hem op! Onze wraak is ook jouw zaak!’
Ten slotte hielden ze halt bij Aynayn, een heuveltje in het zoutmoeras bij Qanāt, aan de rand van het rivierdal, tegenover Medina.
Zodra de Profeet en de moslims dat vernamen zei de Profeet: ‘Bij God, ik heb een goede droom gehad, over koeien, en over een schaarde in het scherp van mijn zwaard. Ook droomde ik dat ik mijn hand in een sterk pantser stak, en ik denk dat dat pantser Medina betekent. Het lijkt mij dus het beste, dat wij in Medina blijven en de Qurayshieten laten waar zij zijn. Als zij daar blijven, zitten ze op een heel slecht punt, en als ze de stad proberen binnen te komen, dan slaan we ze hier af. ‘Abdallāh ibn Ubayy ibn Salūl was het eens met het voorstel van de Profeet. Andere moslims daarentegen, die bij Uhud de martelaarsdood zouden sterven, en anderen die de slag bij Badr hadden gemist, drongen aan: ‘Profeet, trek met ons uit, dat de vijand niet denkt dat wij laf en zwak zijn.’ Maar ‘Abdallāh ibn Ubayy zei: ‘Profeet, blijf in Medina en ga niet naar buiten! In het verleden hebben wij altijd zware verliezen geleden als wij buiten de stad een vijand bevochten, terwijl wij hun altijd slagen konden toebrengen zodra zij de stad binnendrongen. Laat hen daar, Profeet; ze zitten op een heel slecht punt, en als ze hierheen komen, vechten onze mannen hun tegemoet, terwijl de vrouwen en kinderen vanaf de daken met stenen gooien. Als ze zich dan terugtrekken, zijn ze nog even ver van huis als toen ze kwamen.’
Maar degenen die op de vijand af wilden drongen zo lang aan tot de Profeet naar huis ging om zijn pantser aan te trekken. Dat was op een vrijdag, na het gebed. Die dag was er een van de Helpers gestorven, uit de stam Nadjdjār; de Profeet had gebeden voor hem verricht en wilde daarna uitrukken. Intussen hadden die mannen echter spijt gekregen en zeiden: ‘Profeet, wij hebben u overgehaald, terwijl u het niet wilde, en dat hadden wij niet mogen doen. Dus als u wilt, blijf dan hier.’ Maar nu zei de Profeet: ‘Als een profeet zijn pantser eenmaal heeft aangetrokken, past het hem niet, het weer uit te trekken voordat hij heeft gestreden.’
Met duizend gezellen trok hij uit. Bij Shawt, tussen Medina en Uhud, trok ‘Abdallāh ibn Ubayy zich terug, met een derde van de manschappen. ‘Naar hen heeft hij geluisterd, en mijn raad heeft hij in de wind geslagen,’ zei hij, ik zie niet in, mannen, waarom wij ons hier zouden laten afmaken.’ En hij maakte rechtsomkeert, met de Halfhartigen en weifelaars die hem volgden. ‘Abdallāh ibn ‘Amr reed hem achterna en riep: ‘Hé mannen, laat jullie kameraden en je Profeet niet in de steek, nu de vijand in de buurt is!’ Zij riepen terug: ‘Als wij wisten dat jullie echt zouden vechten, lieten we jullie niet gaan. Maar wij geloven helemaal niet dat het tot een gevecht komt.’
Zij bleven bij hun standpunt en vertrokken. ‘Abdallāh ibn ‘Amr riep hun nog na: ‘God vervloeke jullie, vijanden van God! Hij zal de Profeet ook zonder jullie laten overwinnen!’
De Profeet trok voort en hield ten slotte halt in het ravijn van Uhud, op de hoge zijde van het rivierdal, aan de kant van de berg. Hij richtte zijn kamelen en zijn leger naar Uhud en gaf order dat er niet gestreden mocht worden voordat hij het beval. Nu hadden de Qurayshieten hun kamelen en paarden vrij laten weiden op de akkers van al-Samgha, in het dal Qanāt, die aan de moslims toebehoorden. Toen de Profeet verbood dadelijk de strijd aan te binden, riep een van de Helpers: ‘Moeten wij de velden van Kayla zonder slag of stoot laten afgrazen?’
De Profeet maakte zich klaar voor de strijd, met zevenhonderd man. Over de boogschutters, vijftig in getal, stelde hij ‘Abdallāh ibn Djubayr, een broeder van het geslacht ‘Amr ibn ‘Awf, die op die dag te herkennen was aan zijn witte kleren. Hij droeg hun op: ‘Houdt de ruiterij van de vijand met pijlen op een afstand, zodat ze ons in geen geval van achteren aanvallen, of de slag nu gunstig verloopt of niet. Houdt stand, zodat wij van die kant niets te vrezen hebben.’ Daarop trok hij twee pantsers over elkaar aan en gaf het vaandel aan Mus‘ab ibn ‘Umayr, een broeder van de stam Abd al-Dār.
Ook Quraysh maakte zich gereed. Drieduizend man sterk waren zij en ze hadden tweehonderd paarden, die zij aan de teugel apart hadden meegenomen, naast hun eigen rijkamelen. Het bevel over de rechtervleugel van de ruiterij had Khālid ibn Walīd, en over de linkervleugel ‘Ikrima ibn abī Djahl.
De Profeet greep zijn zwaard en zei: ‘Wie gaat dit zwaard gebruiken zoals het dat waard is?’ Verscheidene mannen stonden op, maar die kregen het niet. Ten slotte stond Abū Dudjāna op, een broeder van de stam Sā‘ida, en zei: ‘En hoe is dat, Profeet?’
– ‘Dat je zo lang op de vijand inslaat tot het verbogen is.
– ‘Ik neem het, Profeet, en zal het gebruiken zoals het moet.’ Hij kreeg het zwaard mee. Deze Abū Dudjāna was een dappere man op het slagveld, maar wel een pocher. Je kon het altijd zien als hij ging vechten, want dan deed hij een rode tulband om. Toen hij het zwaard had gekregen van de Profeet haalde hij die tulband te voorschijn, deed hem om en begon uitdagend heen en weer te lopen tussen de linies.
.
‘Āsim vertelt: Abū ‘Āmir ‘Abd ‘Amr ibn Sayfī, uit het geslacht Dubay‘a, had zich met vijftig man uit de stam Aws (volgens anderen slechts vijftien) afgescheiden van de Profeet en was naar Mekka overgelopen. Daar had hij Quraysh beloofd dat er, als het tot een treffen zou komen, geen twee man het tegen hem zouden opnemen. Toen dan de beide partijen elkaar bij Uhud troffen, was Abū ‘Āmir de eerste die naar voren stormde, met de Ahābīsh en de slaven van Mekka.
– ‘Mannen van Aws,’ riep hij, ‘ik ben Abū ‘Āmir!’
– ‘God sla je met blindheid, goddeloze!’
– ‘Jullie zijn er ook niet vriendelijker op geworden sinds ik hier weg ben!’
Toen begon hij als een razende te vechten en hen met stenen te bombarderen.
Abū Sufyān had zijn vaandeldragers uit de stam ‘Abd ad-Dār als volgt aangespoord tot de strijd: ‘Mannen van ‘Abd ad-Dār! In de slag bij Badr hebben jullie ook ons vaandel gedragen, en jullie weten hoe het toen is afgelopen. Het lot dat de vlag treft, treft ook de manschappen: gaat die verloren, dan zijn zij ook verloren. Dus jullie moeten of ons vaandel behoorlijk verdedigen, of het aan ons geven; dan beschermen wij het.’ Deze woorden trokken zij zich zeer aan en zij zeiden dreigend: ‘Wij ons vaandel teruggeven? Nooit! Morgen in de slag zul je ons eens zien!’ Dat was natuurlijk precies wat Abū Sufyān wilde.
Toen de legers op elkaar afkwamen, stonden de vrouwen van Quraysh op tamboerijnen te slaan achter hun mannen om hen op te hitsen. Hind bint ‘Utba riep:

  • ‘Kom op, ‘Abd ad-Dār, laat zien wat je kan,
    Vecht voor je vrouwen hier achteran!’

en ook:

  • ‘Vecht je, dan verleid ik je.
    Op zachte kussens wacht ik je.
    Wijk je, dan vermijd ik je.
    Levenslang veracht ik je!’

Gaandeweg werd de strijd feller. Abū Dudjāna drong diep in de rijen der vijanden door en doodde iedereen die hij tegenkwam. Ook onder de heidenen was iemand die het niet bij verwondingen liet, maar iedereen afmaakte. Deze beide mannen vochten zich een weg naar elkaar toe en ik bad tot God dat ze elkaar zouden ontmoeten. Dat gebeurde, en wisselden enkele slagen. De heiden sloeg in op Abū Dudjāna, maar deze pareerde hem met zijn schild, en het zwaard van zijn tegenstander bleef daarin vastzitten. Toen kon Abū Dudjāna hem een fatale slag geven. Daarna zag ik hoe hij het zwaard hief boven het hoofd van Hind, maar het vervolgens weer liet zakken.
Abū Dudjāna heeft daarover zelf het volgende verteld: ‘Ik zag iemand die de vijand fel ophitste tot de strijd. Ik ging erop af, maar zodra ik mijn zwaard had geheven, zag ik ineens dat het een vrouw was, en ik had te veel eerbied voor het zwaard van de Profeet om er een vrouw mee te doden.’
Hamza, de oom van de Profeet, vocht tot hij Artāt ibn ‘Abd Shurahbīl gedood had, een van de vaandeldragers van Quraysh. Daarna kwam Sibā‘ ibn ‘Abd al-‘Uzzā hem voor de voeten en Hamza riep: ‘Kom op, zoon van een besnijdster!’ Zij stormden op elkaar in en Hamza doodde hem.
Wahshī, de slaaf van Djubayr ibn Mut‘im, heeft later verteld: Ik zag hoe Hamza de mannen neermaaide met zijn zwaard, zonder iemand te ontzien; als een grote grijze kameel stak hij boven het gewoel uit. Sibā‘ was eerder bij hem dan ik, en Hamza riep hem toe: ‘Kom op, zoon van een besnijdster!’ en gaf hem een doodsklap, zo snel dat het leek alsof hij zijn hoofd niet eens had geraakt. Toen zwaaide ik mijn lans, richtte nauwkeurig en wierp hem op hem af. De lans trof hem in het onderlijf en kwam er tussen zijn benen weer uit. Hij probeerde nog op mij toe te lopen, maar hij viel en zakte in elkaar. Ik liet hem met rust tot hij dood was; toen ging ik mijn lans terughalen. Daarna ging ik naar het kamp, want behalve hij interesseerde mij geen enkele tegenstander.
Toen zond God Zijn hulp neer over de moslims en vervulde Zijn belofte. Zij sloegen op de vijanden in tot dezen van hun kamp waren afgesneden en een wisse nederlaag tegemoet zagen.
.
Yahyā ibn ‘Abbād ibn ‘Abdallāh ibn Zubayr vermeldt een bericht uit zijn familiekring, dat teruggaat op zijn overgrootvader Zubayr, die heeft verteld: Ik zag hoe de dienaressen en begeleidsters van Hind bint ‘Utba hun gewaden optrokken en op de vlucht sloegen. Niets verhinderde ons meer hen te grijpen. Maar ineens richtten onze boogschutters zich naar het vijandelijke kamp, waarvan wij hen hadden afgesneden. Zo viel onze dekking in de rug weg, en de ruiterij van de vijand viel ons van achteren aan. Wij hoorden iemand roepen: ‘Mohammed is dood!’ en trokken ons dadelijk terug. De vijanden keerden weer om, nadat zij aanvankelijk niet eens meer bij hun vaandel hadden kunnen komen, omdat wij hun vaandeldragers al hadden gedood.
Een geleerde bericht: Het vijandelijke vaandel, dat op de grond lag, werd opgeraapt door ‘Amra bint ‘Alqama; zij hief het omhoog en Quraysh verzamelde zich bij haar.
Nu de moslims geen rugdekking meer hadden, bracht de vijand hun grote verliezen toe. Het was een dag van beproeving en loutering, waarop God vele moslims het martelaarschap verleende. Ten slotte drong de vijand door tot bij de Profeet. Deze werd door een steen getroffen, zodat hij opzij viel. Daarbij verloor hij een snijtand en liep verwondingen op aan zijn gezicht en aan zijn lip. De man die hem geraakt had was ‘Utba ibn abī Waqqās.
Volgens het bericht van Mahmūd ibn ‘Amr, overgeleverd door Husayn ibn ‘Abd ar-Rahmān, riep de Profeet, toen de vijanden hem hadden omsingeld: ‘Wie offert zich voor ons op?’ Toen stonden Ziyād ibn Sakan en nog vijf Helpers op en vochten ter verdediging van de Profeet. Zij vielen man voor man, tot alleen Ziyād nog over was. Ten slotte werd ook hij dodelijk gewond. Er kwam echter een groep moslims terug, die de vijanden verjoeg. De Profeet liet Ziyād bij zich brengen en legde hem tegen zijn voet. Zo stierf hij, met zijn gezicht op de voet van de Profeet.
Volgens het bericht van al-Zuhrī was Ka‘b ibn Mālik de eerste die de Profeet herkende na de nederlaag en na het gerucht over zijn dood. ‘Ik herkende hem,’ zo vertelde Ka‘b, ‘aan zijn ogen, die oplichtten onder zijn helm, en ik riep zo hard ik kon: “Moslims, houdt moed! Hier is de Profeet!” Maar hij wenkte dat ik stil moest zijn.’
Nadat de moslims hadden gezien dat de Profeet nog leefde, namen ze hem mee naar boven, naar het ravijn. Bij hem waren Abū Bakr, ‘Umar, ‘Alī, Talha en Zubayr, Hārith ibn al-Simma en nog anderen.
Bij het begin van het ravijn gekomen, ging ‘Alī zijn schild vullen met water uit een vergaarbekken. De Profeet wilde er echter niet van drinken, omdat het niet fris rook en het hem tegenstond. Hij waste alleen het bloed van zijn gezicht, en terwijl hij het over zijn hoofd goot zei hij: ‘Hevig is Gods toorn tegen degene die het gezicht van Zijn Profeet heeft laten bloeden!’
Terwijl de Profeet met die gezellen in het ravijn was, ging er plotseling een groep Qurayshieten de berg op, en de Profeet waarschuwde: ‘O God, zij mogen niet hoger komen dan wij!’ Dadelijk bonden ‘Umar en enkele Emigranten de strijd met hen aan en joegen hen van de berg af.
De Profeet probeerde zelf op een rots te klimmen, maar omdat hij niet meer zo jong was en bovendien twee pantsers over elkaar droeg, lukte hem dat niet. Dus hurkte Talha ibn ‘Ubaydallāh onder hem neer en tilde hem op, zodat hij op die rots kon komen. Volgens een overlevering uit de familie Zubayr heeft de Profeet toen gezegd: ‘Daarmee heeft Talha het paradijs verdiend.’
Volgens het bericht van Sālih ibn Kaysān begonnen Hind bint ‘Utba en de vrouwen die bij haar waren de gesneuvelde gezellen van de Profeet te verminken door hun oren en neuzen af te snijden. Daarvan maakte Hind armbanden, kettingen en oorhangers, die zij aan Wahshī gaf, de slaaf van Djubayr ibn Mut‘im. Zij sneed de lever van Hamza uit zijn lichaam en kauwde erop, maar ze slaagde er niet in, hem in te slikken en spoog hem weer uit. Daarna klom zij op een hoge rots en riep zo hard zij kon:

  • ‘De vrucht van de wraak is in Uhud geplukt,
    ‘k Heb Hamza’s lever uit zijn buik gerukt!
    Dat heeft mijn schrijnende wond verzacht,
    Genezen de vlammende pijn in mijn hart.
    De krijg, die als ijskoude regen over je stort,
    Slaat toe als een leeuw: krachtig en kort.’

Toen Abū Sufyān wilde vertrekken klom hij op de berg en riep zo hard hij kon: ‘Goed gedaan! De krijgskans wisselt bij iedere slag. Deze dag als wraak voor Badr! Toon uw grootheid, Hoebal!’ De Profeet gaf ‘Umar opdracht hem te gaan antwoorden met de woorden: ‘God is groter dan jullie afgod Hoebal, en ook wij zijn niet gelijk: onze doden zijn in het paradijs, die van jullie in de hel.’
Abū Sufyān vroeg ‘Umar bij hem te komen en de Profeet gaf hem opdracht te gaan kijken wat hij wilde. Toen hij bij hem was vroeg Abū Sufyān: ‘Hebben wij Mohammed gedood?’
– ‘Nee, welnee; hij kan nu horen wat jij zegt!’
– ‘Ik geloof jou meer dan Ibn Qami’a.’
Ibn Qami’a had namelijk beweerd dat hij Mohammed had gedood.
Abū Sufyān riep de moslims nog toe: ‘Sommigen van jullie gevallenen zijn verminkt. Bij God, ik ben daar niet blij mee, en ook niet boos om. Ik heb het niet verboden, maar heb er ook geen bevel toe gegeven.’
Toen Abū Sufyān en de zijnen vertrokken riep hij nog: ‘Volgend jaar weer bij Badr!’ ‘Ja, dat is afgesproken,’ liet de Profeet een van zijn gezellen terugroepen.
De Profeet stuurde ‘Alī achter de Mekkanen aan met de opdracht: ‘Ga eens kijken wat zij doen en wat ze van plan zijn. Als ze op de kamelen rijden en de paarden aan de teugel meevoeren, gaan ze naar Mekka. Maar als zij op de paarden rijden en de kamelen meevoeren, dan willen ze naar Medina. Bij Hem in wiens hand mijn leven is, als ze dat van plan zijn ga ik erop af en bind ik daar de strijd met hen aan.’ ‘Alī heeft gezegd: ‘Ik ging hen achterna om te kijken wat zij in hun schild voerden. Zij bleken hun paarden aan de teugel mee te voeren en hun kamelen te berijden; zij gingen dus richting Mekka.’
Naar verluidt ging de Profeet op zoek naar het lichaam van Hamza. Hij vond het onder in het dal, met de lever eruit gereten en verminkt, zonder neus en oren.
.
Muhammad ibn Dja‘far ibn Zubayr heeft mij verteld: Bij die aanblik zei de Profeet: ‘Als zijn zuster Safīya er geen verdriet van zou hebben en het na mijn dood niet tot gebruik (soenna) zou worden, zou ik hem zo laten liggen, als voedsel voor de wilde dieren en de vogels. Als God mij ooit de overwinning over Quraysh verleent, dan vermink ik dertig van hun mannen!’
Toen de moslims het verdriet van hun Profeet zagen en merkten hoe woedend hij was op degenen die dat met zijn oom gedaan hadden, zeiden ook zij: ‘Bij God, als wij ooit overwinnen zullen wij hen verminken zoals nog nooit een Arabier het heeft gedaan!
.
Burayda ibn Sufyān heeft mij een verhaal gedaan van Muhammad ibn Ka‘b de Qurayziet, en een andere betrouwbare zegsman heeft mij hetzelfde van Ibn ‘Abbās bericht: Naar aanleiding van deze woorden van de Profeet en zijn gezellen heeft God geopenbaard: “Als u straft, straft dan zoals u gestraft bent! Maar als u geduld oefent is dat beter voor degenen die geduld oefenen. Wees dus geduldig. Slechts door God kun je geduldig zijn. Wees niet bedroefd over hen en laat je niet bedrukken door wat zij beramen.” [koran 16:126-127] Toen vergaf de Profeet het hun en oefende geduld, en hij verbood verminkingen.
Nu hadden sommige moslims hun gevallenen naar Medina gebracht en hen daar begraven. Maar dat verbood de Profeet; hij gaf opdracht hen te begraven waar zij gesneuveld waren.
.
Al-Zuhrī heeft gehoord van ‘Abdallāh ibn Tha‘laba, een bondgenoot van de stam Zuhra: Toen de Profeet het slagveld bij Uhud overzag zei hij: ‘Ik getuig dat al deze mensen die voor Gods zaak gewond zijn op de dag der opstanding zullen worden opgewekt met bloedende wonden, met de kleur van bloed en de geur van muskus. Ga na wie van hen het meest van de koran had geleerd en leg die tegenover zijn kameraden in het graf.’ Ze begroeven de gevallenen met twee of drie tegelijk in één graf.
De slag bij Uhud vond plaats op de zaterdag in het midden van de maand sjawwaal in het jaar 3.
Het aantal gesneuvelde moslims was vijfenzestig, zowel Emigranten als Helpers.
Het aantal heidenen dat God heeft gedood in de slag bij Uhud was tweeëntwintig.

Bron: Ibn Ishāq (704–767): Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 555–592. Hierboven een kleine keuze uit: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 137–147.

Diakritische tekens: Uḥud, Muḥammad ibn Yaḥyā, ‘Āṣim, Husayn ibn ʿAbd ar-Raḥmān, Ṣafwān, Aḥābīsh, Muṭʿim, Waḥshī, Ṭuʿayma, Ḥamza, Shawṭ, al-Ṣamgha, Muṣʿab, Ṣayfī, Ḍubayʿa, Arṭāt ibn ʿAbd Shuraḥbīl, ʿUtba ibn abī Waqqāṣ, ʿAlī, Ṭalha, Ḥārith ibn al-Ṣimma, Ṣālih ibn Kaysān, Ṣafīya, Ibn Isḥāq

Terug naar Inhoud