De vermeende ziekte van Mohammed – 2: hysterie

Terug naar De vermeende ziekte van Mohammed – 1

Werd Mohammed eeuwenlang geacht aan epilepsie geleden te hebben, in de nieuwere tijd werd deze diagnose niet meer gehoord. Maar in de ogen van sommige Europeanen was de profeet toch wel degelijk ziek geweest. Ik wil hier drie personen behandelen die erin slaagden, bij de profeet postuum een ziekte te ontdekken die al zijn onaangename eigenschappen kon verklaren: Sprenger, Somers en Geus.
.
Aloys Sprenger (1813–1893)
Mohammed leed aan een ziekte die meestal bij vrouwen en zelden bij mannen voorkomt: hysteria muscularis. Met het gezag van een arts in een witte jas sprak Aloys Sprenger in 1861 deze diagnose uit. Hij heeft er een half hoofdstuk aan gewijd in zijn biografie van de profeet (Sprenger 207ff.).
De Tiroler Sprenger had inderdaad medicijnen gestudeerd en zijn studie afgerond met een promotie, maar als arts gepraktiseerd heeft hij nooit. Hij was voor alles een all-round oriëntalist en had er alleen medicijnen bij gedaan omdat hij bang was in de oriëntalistiek geen betrekking te zullen vinden. In Oostenrijk had hij al twee maal een pijnlijke teleurstelling moeten ondervinden1 en hij kreeg zelfs niet eens een Oostenrijkse pas. Maar in Engeland had hij meer geluk: daar leerde hij een edelman kennen die hem op zijn waarde schatte en verder hielp. In het uitdijende imperium kon men wel een oriëntalist gebruiken. Hij verwierf de Britse nationaliteit en bij de nauw met de regering verbonden Asiatic Society kreeg hij een hoge positie die hem naar Brits-Indië voerde. Daar bekommerde hij zich om hoger onderwijs voor Indiërs in het Hindi, en om bibliotheken, catalogi, uitgeverijen en tijdschriften in diverse Indische talen, alsmede Arabisch en Perzisch. Hij had toegang tot zeer vele oude Arabische handschriften, waarvan hij er ettelijke kocht en las; daarin was hij zijn Europese collega’s ver vooruit. Na veertien jaar India reisde hij nog rond door het Nabije Oosten, werd hoogleraar in Bern en vestigde zich tenslotte in Duitsland. Zijn kostbare boekenschat verkocht hij aan de koninklijke bibliotheek in Berlijn.
Voor Sprenger was de omgang met moslims iets vanzelfsprekends; hij had vrienden onder hen en werd door hen geaccepteerd en gerespecteerd. Dat nam niet weg dat hij Mohammed voor een geestelijk gestoorde bedrieger hield—maar dat waren andere profeten in zijn ogen net zo goed: ‘In alle gevallen die wij kennen waren de profeten óf geestelijk en lichamelijk zieke mensen, óf halfmythische personen.’2
.
Hoe zag die hysterie van de profeet eruit, volgens Sprenger? Zij trad als gewoonlijk op in paroxysmen (aanvallen). Als de aanval licht was manifesteerde zij zich in het op en neer gaan tussen expansie en contractie van de spieren, dat voor deze aandoening karakteristiek is. Zijn lippen en tong trilden, alsof hij iets wilde oplikken; de ogen draaiden enige tijd weg en het hoofd bewoog zich automatisch. Bij lichte aanvallen was de wil sterk genoeg is om deze stuiptrekkende bewegingen de baas te blijven, zoals wij ook bij kou het bibberen van onze ledematen door onze wil onder controle houden, maar bij heftigere aanvallen waren ze niet meer met de wil te beheersen. Tegelijk leed hij ook aan hoofdpijn (hysteria cephalica) en als de aanvallen zeer hevig waren trad er catalepsie op, een verstijving van de spieren: hij viel als dronken op de grond als, zijn gezicht werd rood, de adem zwaar en hij snurkte als een kameel. Hij schijnt echter niet het bewustzijn te hebben verloren, waardoor deze aanvallen zich onderscheiden van epilepsie.
Een bekende eigenschap van hysterie is, aldus de dokter, dat zij de verschijningsvorm van andere ziekten kan aannemen. Er is nauwelijks een aandoening waaraan de lijders niet een tijdlang onderworpen zijn: longontsteking, carditis, een verstikkende asthma, het kan van alles zijn. Omstanders zijn ontzet, maar het is maar een onbetekenende hysterie die ook snel weer verdwijnt. Bij Mohammed nam de hysterie vooral de vorm van koorts aan en het was aan de zweetdruppels in zijn gezicht te zien als de crisis was ingetreden.
.
Sprenger schildert dit alles wat uitvoeriger dan ik nu doe en hij doet dat zeer levendig, zodat het leest alsof hij de patiënt Mohammed van nabij en gedurende langere tijd heeft meegemaakt. Dat was echter in het geheel niet het geval; de profeet was immers al vele eeuwen dood. Bovendien bestaat naar huidige inzichten de diagnose hysterie helemaal niet; de verschijnselen die eronder begrepen waren worden tegenwoordig anders verklaard en eventueel bij andere ziektes ondergebracht.
.
Maar ik heb de geleerde onderbroken, hij was nog lang niet klaar. Jonge vrouwen, zo zegt hij, zijn gewoonlijk romantisch en religieus dweepziek; als zij de kritische leeftijd naderen worden zij niet zelden beheerst door nymfomanie. Welnu, dergelijke verschijnselen hebben ook de ziekte van Mohammed begeleid. In zijn jeugd schijnt hij een zedig leven te hebben geleid, ‘al is hij niet vrij van de verdenking, zich te hebben overgegeven aan de naar Genesis 38:9 genoemde zonde’ — de profeet als onanist, toe maar!  (Sprenger 209) Lange tijd had hij genoeg aan één vrouw, die bovendien vijftien jaar ouder was dan hij zelf. Na haar dood had hij een onverzadelijke Hang zur Wollust, een sterke sex drive zouden we tegenwoordig zeggen, en dat was een symptoom van zijn ziekte. Hij had na de dood van Khadidja meer dan een dozijn vrouwen en als hij een paar dagen van huis ging moesten er een of twee mee. Bovendien leed hij aan impotent satyriasme. Satyriasme of satyriasis is het mannelijke tegenstuk van nymfomanie en heet tegenwoordig hyperseksualiteit. Hoe die impotentie daarbij past was me eerst niet duidelijk. Maar wacht, impotent moest de profeet op latere leeftijd zijn omdat hij bij zoveel vrouwen slechts zo weinig kinderen had.
‘Voor ons doel,’ zo vervolgt Sprenger, ‘zijn vooral de psychische symptomen belangrijk.’ Wat was zijn doel? Blijkbaar wilde hij aantonen dat de profeet een geestelijk gestoorde leugenaar was en dat zijn verhalen over openbaringen verzonnen zijn. Want ‘hysterici hebben allen min of meer aanleg tot leugen en bedrog, en deze neiging wordt op den duur tenslotte tot een echte ziekte.’ Ook de hallucinaties, visioenen en wakende dromen vallen hieronder, en die moet Mohammed volgens Sprenger gehad hebben, omdat hij bij voortduring meende openbaringen te ontvangen. (Sprenger 210)
Zware zenuwziekten en koorts worden vrijwel altijd begeleid door deliria, d.w.z. hallucinaties. De oorzaken (sic!) van de ‘voor ons doel’ interessante visioenen zijn echter eenzaamheid, honger en dorst en religieuze dweepzucht. In de leegte van de woestijn lijkt het vaak alsof je stemmen hoort, of dat er iemand bij je is. Dat laatste kan ik uit persoonlijke ervaring bevestigen; maar waarom dan nog die hysterie? Blijkbaar bedoelt Sprenger dat Mohammed door die hysterische aanleg zijn woestijnbelevenissen tot een pakket van leugens over een engel en een openbaring heeft verdicht.
.
Eerlijk gezegd begrijp ik het betoog niet helemaal, maar ik heb dan ook geen medicijnen gestudeerd. Overduidelijk is echter, dat zo alle traditionele bezwaren tegen de profeet mooi samenkomen onder de overkoepelende diagnose ‘hysterie’: de aanvallen, de hallucinaties, de leugenachtigheid, de bezetenheid van seks en tegelijk de impotentie van de profeet. Epilepsie was het niet, dat zag Sprenger, maar voor het overige bleef hij hangen in de eeuwenoude groef. En dat hoewel hij toegang had tot meer oude Arabische bronnen dan al zijn tijdgenoten. Hij heeft bij voorbeeld álle berichten verzameld die hij kon vinden over de lichamelijke verschijnselen die bij de profeet optraden als hij een openbaring kreeg, en die beslaan tien bladzijden (Sprenger 265–75). Jammer alleen dat hij ze voor ooggetuigenverslagen hield—maar daarover moet men hem niet al te hard vallen. De literatuurwetenschap stond nog in de kinderschoenen, en in de negentiende eeuw meende men nu eenmaal dat zulke berichten weergaven ‘wie es wirklich gewesen’—behalve dan de gedeeltes over wonderen en bovennatuurlijke zaken, zoals over een bezoekende engel die openbaringen bracht, die natuurlijk niet waar kónden zijn.
.
Sprenger ontkracht zichzelf postuum door de overweldigende negentiende-eeuwsheid die zijn betoog ademt en die tot spontaan lachen noodt: zijn gewichtigdoenerij, de nep-diagnose ‘hysterie’, de schrik voor seksualiteit (waarover hij bij voorkeur in het Latijn schrijft), de totale blindheid voor geestelijke ervaringen die ook gezonde, doodnormale mensen kunnen hebben en last, but not least: het onbegrip waarmee hij oude teksten leest. Een deel van deze trekken heeft hij gemeen met zijn collega’s uit de late twintigste eeuw; die wil ik nu eerst introduceren alvorens te analyseren waar het met dit soort diagnoses in het algemeen fout gaat.

Wordt vervolgd

NOTEN
1. Zijn poging in de Orientalische Akademie opgenomen te worden mislukte, omdat hij niet van adel was en volgens de statuten alleen mannen van adel lid konden worden. (Von Wurzbach, 259)
2. ‘In allen Fällen, die wir kennen, waren die Propheten entweder geistig und körperlich kranke Leute, wie Mohammed, oder halbmythische Personen.’ (Sprenger 25)

BIBLIOGRAFIE
– Aloys Sprenger, Das Leben und die Lehre des Moammad, nach bisher grösstentheils unbenutzten Quellen, 4 dln., Berlin 1861, reprint Hildesheim 2003.
– Constantin von Wurzbach: Sprenger, Alois. In: Biographisches Lexikon des Kaiserthums Österreich, dl. 36, Wenen 1878, blz. 258–263 (online hier).
– S. Procházka: Sprenger Aloys. In: Österreichisches Biographisches Lexikon 1815–1950, dl. 13, Wien 2007–2010.

Terug naar Inhoud

De vermeende ziekte van Mohammed – 1

De profeet Mohammed moet een robuuste gezondheid hebben gehad. Hij heeft immers een gemeenschap gesticht, een boodschap verbreid, tegenwerking verdragen, krijgstochten geleid, een staat ingericht en nog zowat meer. Een ziekelijke man speelt dat niet klaar. Geen van de talrijke oude Arabische teksten over Mohammed deelt iets mee over een ernstige ziekte van hem, of over zijn gezondheidstoestand überhaupt—met uitzondering van de verhalen over zijn sterfbed.

In Europa daarentegen ‘wist’ men altijd al, dat de profeet zijn leven lang zwaar en chronisch ziek was. Volgens de kerkvader Theophanes Confessor (Constantinopel 760–Samothrace 818) leed hij namelijk aan epilepsie, en dat fake news werd in Europa, in de Latijnse vertaling van Anastasius Bibliothecarius (± 810–878), eeuwenlang verbreid: een roemloos hoofdstuk in de betrekkingen tussen Europa en het Nabije Oosten. In de achttiende en vooral de negentiende eeuw werden er steeds meer oude Arabische teksten bekend in Europa. Er stonden oriëntalisten op die ze vlijtig bestudeerden en inzagen dat dat met die epilepsie niet kon kloppen, of die er helemaal niet meer aan dachten. Aloys Sprenger, een oriëntalist die ook medicijnen had gestudeerd, meende nog in 1861 dat Mohammed weliswaar geen epilepticus was, maar wel ziek: hij leed namelijk aan hysterie, een typisch negentiende-eeuwse aandoening. Daarna vernam men nauwelijks nog iets over een ziekte, maar onlangs is het idee dat Mohammed ziek was weer van zolder gehaald. Ditmaal niet in kerkelijke of oriëntalistische kringen, maar bij islamhaters, die een keuze uit koranverzen en vertaalde oude bronteksten in stelling brengen—zonder echter in staat of bereid te zijn die te begrijpen. Het geloof aan Mohammeds epilepsie schijnt nu wel voorgoed uit de mode te zijn. Eén auteur houdt het voor bewezen dat hij aan acromegalie leed, en bij een andere is de diagnose schizofrenie. Om het even welke ziekte aan de profeet wordt toegeschreven, zij moet altijd ook zijn vermeende geestelijke gestoordheid en bezetenheid van seks verklaren, want daaraan zijn Europese islamhaters vanouds zeer gehecht.
.
Laten we bij Theophanes beginnen. Deze kende blijkbaar een versie van het verhaal over de eerste openbaring op de berg Hirā, waarin de profeet na de eerste schrik bescherming en troost zoekt bij zijn vrouw Khadīdja.2 Hij schrijft:

  • Omdat hij arm was en wees kwam de voornoemde Mouamed op het idee, in dienst te treden van een rijke vrouw, die Khadiga heette en een familielid van hem was, om met kameelkaravanen in Egypte en Palestina handel te drijven. Geleidelijk verstoutte hij zich, zich op te dringen aan die vrouw, die weduwe was; hij nam haar tot echtgenote en verwierf zo haar kamelen en haar vermogen. Telkens als hij naar Palestina kwam verkeerde hij met Joden en Christenen en ging bij hen bepaalde zaken na aangaande de Schriften. Hij leed aan epilepsie. Toen zijn vrouw dat merkte werd zij zeer bedroefd, omdat zij als voorname vrouw een man als hij getrouwd had, die niet alleen arm, maar ook epilepticus was. Hij probeerde haar op leugenachtige manier te kalmeren door te zeggen: ‘Ik zie steeds de verschijning van een engel genaamd Gabriël, en omdat ik zijn aanblik niet kan uithouden verlies ik het bewustzijn (?) en val ik neer.’3

De profeet was dus volgens Theophanes niet alleen ziek, maar ook een bedrieger: de hele openbaring was bedrog. Maar past het juist niet uitstekend in een verhaal over een roepingsvisioen of een openbaringservaring, dat een profeet zich uit eerbied en schrik ter aarde werpt? In het Oude Testament gebeurt dat, als een profeet met het goddelijke geconfronteerd wordt, bijv. Ezechiël 1:28, 3:23 e.a. De Hebreeuwse uitdrukking is nafal al panaw, נפל על פניו , die in de Statenvertaling vertaald wordt met ‘op zijn aangezicht vallen’, in de Nieuwe Bijbelvertaling met ‘zich voorover op de grond werpen’. Theophanes, die de Bijbel in het Grieks las, moet dit bijbelse πίπτω ἐπὶ πρόσωπόν μου onder ogen gekregen hebben, maar hij bracht het niet in verband met het ‘vallen’ van Mohammed, waarmee in de verhalen die hij had gehoord vast hetzelfde was bedoeld. Had hij dat gekund, dan had hij zich moeten afvragen of de bijbelse profeet Ezechiël misschien ook epilepticus geweest was. Maar nee, op zo’n idee kon en mocht in zijn tijd geen Christen komen. De bijbelse verhalen waren immers volledig waar en gaven feitelijke gebeurtenissen weer, terwijl ze helemaal niets gemeen konden hebben met de verhalen over Mohammed.

Door de hele Middeleeuwen en nog daarna sprak men telkens weer over die epilepsie. Over de gestoorde relatie tussen de westelijke christenheid en de wereld van de islam kunt U bij →Daniel lezen; voor de latere tijd ook bij →Tolan. Ik citeer als voorbeeld alleen nog een fragment uit een werkje van Riccoldo da Montecroce O.P. (gest. 1320), een christelijke missionaris in Irak: Confutatio Alcorani seu legis Saracenorum. Deze tekst was wijd verbreid en had voor Martin Luther ruim twee eeuwen later nog niet aan actualiteit ingeboet, want zijn Verlegung des Alcoran is er een vertaling van.

… trad een zekere Mohametus op, een Arabier, die eerst rijk geworden was door een weduwe, die hij huwde. Toen hij daarna roverhoofdman was geworden werd hij zo onbeschaamd hoogmoedig, dat hij ook koning van de Arabieren wilde worden. Maar zij accepteerden hem niet, omdat hij gering van afkomst en aanzien was en daarom deed hij zich voor als profeet. En omdat hij aan de vallende ziekte leed en telkens viel zei hij dat er een engel met hem sprak, opdat niemand in ernst zou geloven dat hij gebrekkig was. Daarop gaf hij verscheidene weerleggingen van zich die hij, naar hij zei, hoorde als een klok die rondom zijn oren weergalmde.4

Hier klinkt niet alleen de echo van een vertelling over de eerste openbaring aan Mohammed, maar ook die van een hadith:

Al-Hārith ibn Hishām vroeg aan de profeet: ‘Hoe de komt de openbaring tot U?’ Hij antwoordde: ‘Soms komt zij tot mij als het luiden van een klok; dat is het zwaarst voor mij, en als dat ophoudt onthoud ik haar. En soms komt er een engel in de gedaante van een man en ik onthoud wat hij zegt.’5

Er zijn inderdaad verscheidene hadithen, waarin wordt beschreven hoe de openbaringen aan Mohammed verliepen. Misschien geloven moslims, dat deze hadithen een werkelijke gang van zaken weergeven, maar niet-moslims hoeven dat niet te doen. Zelf houd ik ze voor vrome fantasie.
.
Hoe de ziekte van Mohammed zich in de nieuwere tijd heeft ontwikkeld volgt in deel 2.

NOTEN
1. Volgens de oudste bronnen (bijv. Ibn Isḥāq, Sīra 999–1011) begon zijn sterfbed met zware hoofdpijn. Had hij een hersenbloeding, een hersentumor, een meningitis of was de hoofdpijn secundair, veroorzaakt door een andere ziekte? We weten het niet en speculeren is volkomen zinloos: de bronnen spreken slechts van hoofdpijn. Een tekst deelt mee dat de profeet weigerde, zich een (tover?)drank uit Ethiopië te laten toedienen. Op een andere plaats vernemen we dat hij een verband om zijn hoofd droeg en te zwak geworden om het gebed te leiden. Bij iemand die bijna dood is, is dat niet verbazend. Over de dood van profeet zie hier.
2. Ibn Ishāq, Sīra 151–4.
3. Theophanes, Chronographia 1, 333-4: ἀπόρου δὲ καὶ ὀρφανοῦ ὄντος τοῦ προειρημένου Μουάμεδ, ἐδοξεν αὐτῷ εἰσιέναι πρός τινα γυναῖκα πλουσίαν, συγγενῆ αὐτοῦ οὖσαν, ὀνόματι Χαδίγαν, μίσθιον ἐπὶ τῷ καμηλεύειν καὶ πραγματεύεσθαι ἐν Αἰγύπτῳ καὶ Παλαιστίνη. κατ’ ὀλιγον δὲ παρρησιασάμενος ὑπεισῆλθε τῇ γυναικὶ χήρα οὖσῃ, καὶ ἔλαβεν αὐτὴν γυναῖκα καὶ ἔσχε τὰς καμήλους αὐτῆς καὶ τὴν ὓπαρξιν. ἐρχόμενος δὲ ἐν Παλαιστίνῃ συνανεστρέφετο Ἰουδαίοις τε καὶ Χριστιανοῖς. ἐθηρᾶτο δὲ παρ’ αὐτῶν τινὰ γραφικά, καὶ ἔσχε τὸ πάθος τῆς ἐπιληψίας. καὶ νοήσασαι ἡ τούτου γυνὴ σφόδρα ἐλυπεῖτο, ὡς εὐγενὴς οὖσα καὶ τῷ τοιούτῳ συναφθεῖσα οὐ μόνον ἀπόρῳ ὄντι, ἀλλὰ καὶ ἐπιληπτικῷ. τροποῦται δὲ αὐτὸς θεραπεῦσαι αὐτὴν οὓτω λέγων, ὃτι ὀπτασίαν τινὰ αγγέλου λεγομένου Γαβριὴλ θεωρῶ, καὶ μὴ ὑποφέρων τὴν τούτου θέαν ὀλιγωρῶ καὶ πίπτω. (@Wat ὀλιγωρῶ hier betekent is me onduidelijk; ik moet het in de UB in een speciaal woordenboek naslaan.)
4. […] apparuit quidam Mahometus arabs, qui primum diues factus per quandam viduam, quam in uxorem duxit, Et post haec princeps latronum factus in tantam prorupit superbiam, ut et rex Arabum fieri voluerit. Sed quia ipsi non susceperunt eum, quia de genere et opinione vilis erat, finxit se esse prophetam. Et cum comitiali morbo laboraret, ne firmiter quis eo detentus esse crederet, continue cadens, dicebat angelum cum eo colloqui. Dabat autem post haec responsiones quasdam, quas, ut dixit, audiebat quasi per modum campanæ circumsonantis auribus eius. Riccoldo, Confutatio, bronverwijzing volgt@; Luther, Verlegung hst. 13. Wie Luthers vertaling van dit fragment wil zien vindt het in de Duitse versie van mijn tekst.
5. Muslim, Sahīh, Fadā’il 87: أن الحارث بن هشام سأل النبي ص: كيف يأتيك الوحي؟ فقال: أحيانًا يأتيني في مثل صلصلة الجرس وهو أشدُّه عليه ثم يفصِم عنّي وقد وعيته، وأحيانًا ملَك في مثل صورة الرجل فأعي ما يقول.
Ook Ezechiël (1:28) zegt bij zijn roeping een hard geluid gehoord te hebben: ‘Toen hoorde ik het geluid van hun vleugels. Het klonk als het gebulder van de zee, als de stem van de Ontzagwekkende, als het rumoer van een mensenmassa, als een dreunend leger.’

BIBLIOGRAFIE
– Norman Daniel, Islam and the West, Oxford 1960, 1993.
– Ibn Isḥāq, Sīra: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen, 2 dln., 1858–60.
– Martin Luther: Verlegung | des Alcoran | Bruder Richardi | Pre-|diger Ordens | An-|no. 1300 | Verdeudscht durch | D. Mar. Lu., Wittemberg 1542, Kap. 13. Het is veelvuldig aanwezig in het internet; gewoon googelen. Het is altijd leuk, zo’n heel oud boekje onder ogen te krijgen, al is het maar online.
– Theophanes: Theophanis Chronographia, uitg. Carl de Boor. 1. Textum Graecum continens, Leipzig 1883, reprint Hildesheim 1980.
– Theophanes: The chronicle of Theophanes Confessor. Byzantine and Near Eastern history A.D. 284–813, transl. with introd. and commt. by Cyril Mango and Roger Scott, with the assistance of Geoffrey Greatrex, Oxford 1997, reprint 2006.
– John V. Tolan, Faces of Muhammad. Western Perceptions of the Prophet of Islam from the Middle Ages to Today, Princeton & Oxford 2019.

Diacritische tekens: Ḥirāʾ, Ṣaḥīḥ, Faḍā’il, Ḥārith 

Terug naar Inhoud

De biografie van de profeet Mohammed: de oudste bronnen

Omdat de sīra niet alleen de biografie van de profeet behelst, maar eigenlijk een hele tak van literatuur is, is het weinig zinvol altijd alleen maar het beroemde boek van Ibn Ishāq (gest. 767) in de bewerking van Ibn Hishām (gest. ± 828) te lezen. De teksten van ‘Urwa ibn al-Zubayr bij voorbeeld zijn ouder en minstens zo interessant.
Hier volgt een overzicht van de vroegste Arabische teksten in het genre sīra. Daarvan zijn er steeds meer in vertaling verkrijgbaar. Zelf vind ik de latere sīra-boeken niet zo interessant, hoewel men er telkens weer op wijst, dat late boeken vroege teksten kunnen bevatten. Dat kan, maar er is eerst nog een heleboel te lezen waarvan in ieder geval vaststaat dat het oud is.

De Vertellers, Qissa: hier kort behandeld. Belangrijk is Wahb ibn Munabbih. Deze noem ik slechts volledigheidshalve; hierin gaat U zich zeker niet het eerst verdiepen.


Sīra-collecties

De volgende werken zijn in vertaling te lezen:

‘Urwa ibn al-Zubayr (gest. 711). Zeer oude berichten over de profeet, in het Duits vertaald: A. Görke en G. Schoeler, Die ältesten Berichte über das Leben Muḥammads. Das Korpus ‘Urwa ibn az-Zubair, Princeton 2008. 

Ibn Ishāq (gest. 767), Engelse vertaling: Alfred Guillaume, The Life of Muhammad. A translation of Ibn Ishāq’s Sīrat Rasūl Allāh, Oxford 1955, Karachi 1978; Nederlandse vertaling van een keuze uit de teksten: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed. De vroegste Arabische verhalen, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000.   

– Ma‘mar ibn Rāshid (gest. 770). Even oud als Ibn Ishāq, maar weer eens een ander geluid. Engelse vertaling: Sean W. Anthony, The Expeditions. An Early Biography of Muhammad, New York University Press 2015.

– Al-Wāqidī (gest. 822), vert. Rizwi Faizer en Abdulkader Tayob, The Life of Muhammad, al-Wāqidī’s Kitāb al-Maghāzī, New York 2011.

– Ibn Sa‘d (gest. 845), Kitāb al-Tabaqāt al-Kabīr deel 1 en 2, vert. S. Moinul Haq, Pakistan Historical Society 1967 en 1972 (Er bestaan reprints van).

Voor de latere sīra-werken →Kister, Sīrah, 366–7 en →Schöller, Exegetisches Denken, 64–70.

Wie het echt niet kan laten, kan Ibn Kathīr (± 1300–1373) in vertaling lezen: The Life of the Prophet Muhammad, 4 vols., vert. Trevor Le Gassick, Reading 1998–2000.


– Hadithcollecties.

Verscheidene collecties hebben een maghāzī-rubriek, d.w.z. een hoofdstuk over de krijgstochten van de profeet, maar ook over de biografie in het algemeen; zo bij voorbeeld de collecties van →Ibn Abī Shayba (Musannaf, xiv, 283-601) en →al-Bukhārī (Sahīh, Maghāzī). De hierboven genoemde Ma‘mar ibn Rāshid biedt ook hadithen, maar  zijn collectie vormt een apart tekstblok met een zekere mate van compositie, wat in de ander collecties niet het geval is; daarom heb ik hem bij de sīra-werken opgenomen. Verder komen sīra-fragmenten overal verspreid in hadithcollecties voor. Veel verhalen die in de vroegste bronnen geen of slechts een gebrekkige overleveringsketen (isnād) hadden, werden salonfähig gemaakt door ze van zo’n keten te voorzien en konden zo in de zog. ‘canonieke’ hadithcollecties voor de vergetelheid gered worden. Hadith is meestal niet zo geneigd tot vertellen, maar concentreert zich vooral op was toegestaan, verboden of ethisch aanbevelenswaardig is. Sīra-elementen kunnen daarom in de Hadith gede- of gerecontextualiseerd worden. Het is bij voorbeeld interessant te zien hoe het gebruik van een tandenstokje door de profeet op zijn sterfbed (→Ibn Ishāq, Sīra, 1011; vert. 250) in de hadith veranderde van een klein vertelelementje in een voorbeeld voor het leven van alledag (→Bukhārī, Sahīh, Maghāzī 83 en Djum‘a 9, en →Raven, Chew stick). Maar er zijn ook hadithen die eruit zien alsof ze een biografisch elementje bevatten, die echter in werkelijkheid van meet af aan als grondslag voor een rechtsregel bedoeld waren. Ik reken daartoe bij voorbeeld het materiaal over Māriya de Koptische, een slavin die door een christelijke heerser, de Muqawqis van Alexandrië, aan de profeet zou zijn geschonken en de moeder werd van zijn jong gestorven zoontje. Over deze Ibrāhīm staat hier iets; over zijn moeder Māriya hier

BIBLIOGRAFIE
De bronnen in het Arabisch
– Al-Bukhārī: Sahīh al-Bukhārī, uitg. Krehl/Juynboll, Leiden 1862–1908 [Dl. 4. is goed bruikbaar, de andere matig. Er bestaan ettelijke andere uitgaven; de meeste zijn slordig].
– Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd al-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeldt. 2 Bde., Göttingen 1858-60.
– Ibn Sa‘d (gest. 845), Kitāb al-Tabaqāt al-Kabīr, uitg. E. Sachau e.a., Leiden 1904–1921. De biografie staat in deel 1 en 2.
– Ibn abī Shayba, Musannaf, 15 dln., Haydarābād 1966 ff.
– Ma‘mar ibn Rāshid: in ‘Abd al-Razzāq al-San‘ānī, Muṣannaf, 11 dln. + Indexdeel, Beiroet 1973. De biografische teksten van Ma‘mar staan in dl. 5; pdf hier.
– Al-Wāqidī (gest. 822), The Kitāb al-Maghāzī, uitg. Marsden Jones, 3 vols. London 1966.

Secundair
– M. J. Kister, ‘The sīrah literature,’ in: A.F.L. Beeston (uitg.), The Cambridge History of Arabic Literature. Arabic literature to the end of the Umayyad period, Cambridge 1983, 352–67. Ook online.
– Wim Raven, ‘The Chewstick of the Prophet in Sīra and ḥadīth,’ in: Islamic Thought in the Middle Ages. Studies in Text, Transmission and Translation, in Honour of Hans Daiber, Edited by Anna Akasoy and Wim Raven, Leiden/Boston 2008, 593–611. Hier online
– M. Schöller, Exegetisches Denken und Prophetenbiographie. Eine quellenkritische Analyse der Sīra-Überlieferung zu Muḥammads Konflikt mit den Juden, Wiesbaden 1998.

Diakritische tekens: Ibn Isḥāq, qiṣṣa, al-Ṣanʿānī, Muṣannaf, Ṣaḥīḥ, Ḥaydarābād

Terug naar Inhoud

Racisme bij de vroegste moslims? Het geval Bilal

Als er racisme bestond bij de oude Arabieren en/of de eerste moslims zou daar iets van kunnen blijken in de verhalen over Bilāl ibn Rabāḥ al-Ḥabashī, de eerste moëddzin, die een zwarte moeder had.
Maar het blijft de vraag of daar iets te halen is, want de verhalen over de vroegste islam vormen een onontwarbare kluwen van historische feiten, legenden, idealisering, wetsregels en ideologie. Veel van de teksten over hem zijn pas een eeuw na hem of nog later geschreven en bevatten dus geen informatie over eventueel racisme in de vroegste tijd. Toch wil ik hier even wat teksten over hem bekijken.
.
Bilāl was in Mekka geboren als slaaf van een man uit de stam Djumaḥ. Zijn moeder Ḥamāma was een Ethiopische slavin. Hij zal dus een donkere huid hebben gehad en misschien kroeshaar.
Volgens de Wikipedia werd hij geboren op 5 maart 581 en stierf hij op 2 maart 640; nu ja, voor wie dat soort dingen gelooft. Meestal weet de Wiki minder dan er geweten kan worden, maar soms meer.
.
Er wordt verteld dat hij de slaaf was van Umayya ibn Khalaf al-Djumaḥī, een lid van  de pre-islamitische elite van Mekka, of van iemand anders uit dezelfde stam. Zodra de naam Umayya valt moet de historicus extra op zijn hoede zijn. Deze Umayya is immers de stamvader van de dynastie der Umayyaden (661–750), en die hadden bij de latere islamitische geschiedschrijvers een slechte pers, zodat er aan de teksten over hen heel wat gemanipuleerd is .
Bilāl was blijkbaar een prima slaaf, want we krijgen te horen dat hem het beheer over de sleutels tot de afgoden werd toevertrouwd.1 Wat dat precies betekent is niet duidelijk, maar het klinkt als een verantwoordelijke en eervolle taak. Hier dus alvast geen spoor van racisme: een zwarte slaaf werd blijkbaar geacht deze in die omgeving belangrijke functie te kunnen vervullen. Volgens de islamitische regels kan een slaaf géén religieuze functie vervullen; in de pre-islamitische barbarij was dat anders, wil deze tekst misschien vooral benadrukken.
.
Vanuit heidens gezichtspunt liep het echter fout, want Bilāl sloot zich aan bij de beweging van Mohammed. Traditioneel uitgedrukt: hij werd moslim, en wel als een van de allereersten. De islam wordt vaak afgeschilderd als aantrekkelijk voor sociaal zwakkeren, en dus ook voor slaven. Toen Umayya lucht kreeg van zijn overgang was hij razend en liet hem folteren:

  • Bilāl, de vrijgelatene van Abū Bakr, was geboren als slaaf van iemand uit de stam Djumaḥ. Zijn vader heette Rabāḥ en zijn moeder Ḥamāma. Hij was een oprecht moslim en rein van hart. Umayya ibn Khalaf de Djumaḥiet nam hem soms mee naar de open vlakte bij Mekka, op het heetst van de dag; dan gooide hij hem op zijn rug, liet een groot rotsblok op zijn borst leggen en zei tegen hem: ‘Zo blijf je liggen tot je sterft, tenzij je Mohammed afzweert en Lāt en ‘Uzza aanbidt.’ Maar tijdens die marteling bleef Bilāl roepen: ‘Eén God! Eén God!’
    Hishām ibn ‘Urwa heeft gehoord van zijn vader: Op een keer, terwijl Bilāl zo gemarteld werd, kwam Waraqa ibn Nawfal daar langs. ‘Ja, Bilāl: zo is het, één God!’ zei hij; vervolgens wendde hij zich tot Umayya en de andere Djumaḥieten die hem dat aandeden: ‘Ik zweer bij God, als jullie hem op deze manier ombrengen zal ik van zijn graf een bedevaartplaats maken.’
    Ook Abū Bakr kwam op een dag langs de plaats waar ze hem martelden, want zijn huis lag in de wijk van de stam Djumaḥ. Hij vroeg Umayya:
    ‘Vrees jij God niet, dat je deze stakker zo behandelt? Hoe lang moet dat nog doorgaan?’
    ‘Je hebt hem toch zelf bedorven?’ antwoordde Umayya, ‘dus zie nu ook maar dat je hem hieruit helpt.’
    ‘Dat doe ik!’ zei Abū Bakr, ‘ik heb een zwarte slaaf die forser en sterker is dan hij, en die jouw geloof is toegedaan. Die geef ik je, in ruil voor Bilāl.’
    Daarmee ging Umayya akkoord. Abū Bakr gaf hem die slaaf en liet Bilāl vrij.2

Een volkomen geïslamiseerd martelarenverhaal dus. Maar werd Bilāl mishandeld omdat hij zwart was? Geen spoor daarvan in de overlevering: de reden was dat hij zich bij Mohammed had aangesloten, dát was erg. Wel werd volgens deze tekst een zwarte slaaf ingeruild voor een andere zwarte slaaf; het was voor deze auteur dus inderdaad een aparte categorie. Maar volgens een andere versie werd Bilāl ingeruild voor een ongespecificeerde slaaf, of voor een slavengezinnetje van drie personen.
.
Voortaan geen slavenwerk meer voor Bilāl, maar wat moest hij nu eens gaan doen? Hij had geen stamverband waarop hij kon terugvallen. Een tijdje werkte hij als herder voor zijn weldoener Abū Bakr. Maar hij had een mooie, krachtige stem en Mohammed benoemde hem kort na de hidjra tot zijn adjudant, beheerder van de schatkist en tot moëddzin, de oproeper tot de dagelijkse gebeden. Een hadith over dat laatste gaat als volgt:

  • … van ‘Abdallāh ibn ‘Umar: Toen de moslims in Medina waren gekomen kwamen ze altijd samen om de tijden van het gebed vast te stellen; in die tijd riep nog niemand ertoe op. Toen zij daar op een dag over spraken zeiden sommigen: ‘Laten we kleppers gebruiken, net als de christenen.’ Anderen zeiden: ‘Nee, een hoorn, net als de joden. ‘Umar zei: ‘Waarom sturen we niet een man om tot het gebed af te roepen.’ Toen zei de profeet: ‘Bilāl, sta op en roep op tot het gebed!’ 3 

.

Bilal

Bilals oproep tot het gebed vanaf de Ka‘ba

Bij deze benoeming door de profeet werden er geen racistische commentaren gehoord. Maar er wordt verteld dat hij Bilāl bij de verovering van Mekka opdroeg, de oproep tot het gebed vanaf het dak van de Ka‘ba te verrichten, en bij die gelegenheid waren er wél racistische geluiden: 

  • [Het vers 49:13] werd geopenbaard over Bilāl, de moëddzin (maar er werd ook gezegd over Salmān de Pers), en over vier mannen uit Quraysh, namelijk ‘Attāb ibn Asīd ibn abī al-‘Īṣ, al-Ḥārith ibn Hishām, Suhayl ibn ‘Amr en Abū Sufyān ibn Ḥarb, allen uit Quraysh. Het was zo, dat de profeet na de verovering van Mekka Bilāl opdracht gaf bovenop de Ka‘ba te klimmen en daar de oproep tot het gebed te doen. Zo wilde hij de heidenen vernederen. Toen Bilāl erop geklommen was en de oproep verrichtte zei ‘Attāb: ‘God zei geprezen, dat hij [mijn vader] Asīd vóór deze dag tot zich heeft genomen.’ En Ḥārith zei: ‘Ik ben verbaasd over deze Ethiopische slaaf; kon de profeet niets anders vinden dan deze zwarte raaf[, deze ongeluksvogel]?’ Suhayl zei: ‘Als God een hekel aan iets heeft verandert hij het.’ En Abū Sufyān zei: ‘Ik zeg maar niets, want als ik iets zou zeggen zou de hemel tegen mij getuigen en de aarde over mij berichten.’
    Toen daalde Gabriël af tot de profeet en vertelde hem wat zij gezegd hadden. De profeet liet hen komen en zei: Wat zei jij daar, ‘Attāb? Je hebt gelijk. En jij, Ḥārith? Je hebt gelijk. En jij, Suhayl? Je hebt gelijk. En jij, Abū Sufyān? Je hebt gelijk.
    Toen openbaarde God: ‘O Mensen! Wij hebben jullie …’ enz. [koran 49:13], over Bilāl en die vier mannen […]4

In varianten op dit verhaal komen nog deze uitingen voor: ‘Kijk toch eens, die Ethiopiër!’, ‘die zwarte,’ ‘die slaaf’ en ‘die zoon van een zwarte vrouw. Hier is dus wel racisme te onderkennen, zij het van de kant van enkele inwoners van het nog heidense Mekka, die de nieuwe tijd nog niet hadden begrepen. Dit incident zou de ‘aanleiding tot de openbaring’ van koran 49:13 zijn geweest—hoewel voor dat vers ook andere ‘aanleidingen’ worden aangegeven:

  • ‘O Mensen, Wij hebben jullie uit een man en een vrouw geschapen en Wij hebben jullie tot volkeren en stammen gemaakt opdat jullie elkaar zouden kennen. De voortreffelijkste van jullie is bij God de godvrezendste.’5

Het is goed mogelijk dat het verhaal over Bilāl op de Ka‘ba is verzonnen naar aanleiding van dat koranvers. In dat geval is het dus waardeloos voor de geschiedschrijving, maar het laat wel zien dat de (latere) auteurs op racistische ideeën konden komen. Van moslimzijde echter geen racisme in verband met Bilāl. Hoe zou het ook? Hij stond in hoog aanzien: hij was moëddzin, adjudant en schatbewaarder van de profeet en nam aan al diens veldtochten deel en later nog in Syrië aan de djihad. De vroege moslims hebben zijn verschijning juist tot aanleiding genomen om via de verbinding met een koranvers ieder racisme of stam-chauvinisme te bestrijden. Dat was ook wel zo praktisch, want er waren vele zwarten en buitenlanders die, toen ze moslim geworden waren, recht hadden op gelijkwaardige behandeling.

In één versie van de afscheidsrede van de profeet bij zijn laatste bedevaart staat het nog duidelijker:

  • ‘Mensen! Jullie Heer is één, en jullie vader is één. Een Arabier staat niet boven een niet-Arabier, en een niet-Arabier niet boven een Arabier. Een rode (aḥmar) staat niet boven een zwarte, en een zwarte niet boven een rode, tenzij in godsvrucht.’6

Volgende te onderzoeken onderwerpen:
Racisme in de Oudheid
De zwarte dichter ‘Anṭara
Racisme in de oude Arabische poëzie?
De latere poëzie
De racistische theorieën, o.a. van al-Djāḥiẓ

NOTEN
1. Is een beetje vaag verhaal, moet nog een solide bron zoeken.@
2. Ibn Isḥāq, 205:

وكان بلال، مولى أبي بكر ر لبعض بني جمح، مولَّدا من مولديهم، وهو بلال بن رباح وكان اسم أمه حمامة وكان صادق الاسلام طاهر القلب. وكان أمية بن خلف بن وهب بن حذافة بن جمح يخرجه إذا حميت الظَهيرة فيطرحه على ظهره في بطحاء مكة، ثم يأمر بالصخرة عظيمة فتتوضع على ظهره ثم يقول: لا والله لا تزال هكذا حتى تموت، أو تكفر بمحمد وتعبد اللات والعزى، فيقول في ذلك البلاء: أَحَد أحد.
قال ابن إسحاق: وحدثني هشام بن عروة عن أبيه، قال: كان ورقة بن نوفل يمر به وهو يعذَّب بذلك وهو يقول: أَحَد أحد. فيقول٬ أحد أحد والله يا بلال. ثم يقبل على أمية بن خلف ومن يصنع ذلك به من بني جمح فيقول: أحلف بالله لئن قتلتموه على هذا لأتخذنّه حنانا، حتى مر به أبو بكر الصديق ر يوما وهم يصنعون ذلك به، وكانت دار أبي بكر في بني جمح، فقال لأميّة بن خلف: ألا تتقى الله في هذا المسكين؟ حتى متى؟ قال: أنت الذي أفسدته فأنقِذْه مما ترى. فقال أبو بكر: أفعلُ، عندي غلام أسود أجلد منه وأقوى، على دينك، أُعطيكه به. قال: قد قبلت فقال: هو لك. فأعطاه أبو بكر الصديق ر غلامه ذلك وأخذه فأعتقه.

3. Muslim, Ṣaḥīḥ, Ṣalāt 1: حَدَّثَنَا إِسْحَاقُ بْنُ إِبْرَاهِيمَ الْحَنْظَلِيُّ، حَدَّثَنَا مُحَمَّدُ بْنُ بَكْرٍ، ح وَحَدَّثَنَا مُحَمَّدُ بْنُ رَافِعٍ، حَدَّثَنَا عَبْدُ الرَّزَّاقِ، قَالاَ أَخْبَرَنَا ابْنُ جُرَيْجٍ، ح وَحَدَّثَنِي هَارُونُ بْنُ عَبْدِ اللَّهِ، – وَاللَّفْظُ لَهُ – قَالَ حَدَّثَنَا حَجَّاجُ بْنُ مُحَمَّدٍ، قَالَ قَالَ ابْنُ جُرَيْجٍ أَخْبَرَنِي نَافِعٌ، مَوْلَى ابْنِ عُمَرَ عَنْ عَبْدِ اللَّهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّهُ قَالَ كَانَ الْمُسْلِمُونَ حِينَ قَدِمُوا الْمَدِينَةَ يَجْتَمِعُونَ فَيَتَحَيَّنُونَ الصَّلَوَاتِ وَلَيْسَ يُنَادِي بِهَا أَحَدٌ فَتَكَلَّمُوا يَوْمًا فِي ذَلِكَ فَقَالَ بَعْضُهُمُ اتَّخِذُوا نَاقُوسًا مِثْلَ نَاقُوسِ النَّصَارَى وَقَالَ بَعْضُهُمْ قَرْنًا مِثْلَ قَرْنِ الْيَهُودِ فَقَالَ عُمَرُ أَوَلاَ تَبْعَثُونَ رَجُلاً يُنَادِي بِالصَّلاَةِ قَالَ رَسُولُ اللَّهِ ص يَا بِلاَلُ قُمْ فَنَادِ بِالصَّلاَةِ ‏

4. Muqātil ibn Sulaymān, Tafsīr iv, 96–7:

نزلت في بلال المؤذن وقالوا في سلمان الفارسي وفي أربعة نفر من قريش، في عتاب بن أسيد بن أبي العيص، والحارث بن هشام، وسهيل بن عمرو، وأبي سفيان بن حرب، كلهم من قريش. وذلك أن النبي ص لما فتح مكة أمر بلالا فصعد ظهر الكعبة وأذّن، وأراد أن يذل المشركين بذلك. فلما صعد بلال وأذّن قال عتاب بن أسيد: الحمد لله الذي قبض أسيد قبل هذا اليوم. وقال الحارث بن هشام: عجبت لهذا العبد الحبشي أما وجد رسول الله ص الا هذا الغراب الأسود؟ وقال سهيل بن عمرو: إن يكرهْ الله شيئا يغيّره، وقال أبو سفيان: أما أنا فلا أقول، فإني لو قلت شيئا لتشهدنّ عليّ السماء وتخبر عني الأرض.
فنرل جبريل على النبي ص فأحبره بقولهم فدعاهم النبي ص فقال: كيف قلت يا عتاب؟ قال قلت: الحمد لله الذي قبض أسيد قبل هذا اليوم. قال: صدقت. ثم قال للحارث بن هشام: كيف قلت؟ قال قلت: عجبت لهذا العبد الحبشي أما وجد رسول الله ص الا هذا الغراب الأسود؟ قال: صدقت. ثم قال لسهيل بن عمرو: كيف قلت؟ قال قلت: إن يكرهْ الله شيئا يغيّره. قال: صدقت. ثم قال لأبي سفيان: كيف قلت؟ قال قلت: أما أنا فلا أقول، فإني لو قلت شيئا لتشهدنّ عليّ السماء وتخبر عني الأرض. قال: صدقت.
فأنرل الله ت فيهم {يا أيها الناس} يعني بلالا وهؤلاء الأربعة … الخ

Verwante teksten in Ibn Sa‘d, Ṭabaqāt iii, 234-5:  أن رسول الله ص أمر بلالًا أن يؤذّن يوم الفتح على ظهر الكعبة، فأذّن على ظهرها والحارث بن هشام وصفوان بن أميّة قاعدان فقال أحدهما للآخر: أنظر الى هذا الحبشي، فقال الآخر: إنْ يكرهه الله يغيّره ; ‘Abd al-Razzāq al-Ṣan‘ānī, Muṣannaf 19464; Ibn abī Shayba, Muṣannaf xiv:487 (@niet gezien); al-Ya‘qūbī, Historiae ii, 62.
5. Koran 49:13, vertaling Leemhuis. In de huidige Arabische wereld is wel veel racisme. Men is het koranvers blijkbaar vergeten.
6. Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad v, 411; nr. 22391 حدثنا إسماعيل، حدثنا سعيد الجريري، عن أبي نضرة، حدثني من، سمع خطبة، رسول الله ص في وسط أيام التشريق فقال يا أيها الناس ألا إن ربكم واحد وإن أباكم واحد ألا لا فضل لعربي على أعجمي ولا لعجمي على عربي ولا لأحمر على أسود ولا أسود على أحمر إلا بالتقوى. De ‘zwarten’ zijn in deze tekst de Arabieren, de ‘roden’ de Perzen, die een wat lichtere huid hadden.

BIBLIOGRAFIE
– Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen, 2 dln., 1858–60 [editio princeps van de Arabische tekst]. Ook online ter beschikking.
– Ibn Sa‘d, aṭ-Ṭabaqāt al-kubrā, uitg. Iḥsān ‘Abbās, 9 dln., Beiroet (Dār Ṣādir), z.j., vooral iii 232–239.
– Muqātil ibn Sulaymān, Tafsīr, uitg. ‘Abdallāh Maḥmūd Shiḥāta, 5 dln. Cairo 1979-89.
– Muslim ibn Ḥadjdjādj, Ṣaḥīḥ, uitg. Fu’ād ʿAbd al-Bāqī, 5 dln., Cairo 1955. Ook online.

Terug naar Inhoud

De uitroeiing van de Joodse stam Qurayza (vertaling)

Vertaalde tekst:
Volgens wat al-Zuhrī mij heeft verhaald kwam omstreeks het namiddaggebed Djibrīl bij de Profeet, het hoofd bedekt met een tulband van zijdebrokaat en rijdend op een muilezel waarvan het zadel bedekt was met een stuk brokaat. Hij vroeg de Profeet of hij de wapens had neergelegd, en toen deze dat bevestigde zei Djibrīl: ‘De engelen hebben hun wapens nog niet neergelegd; zelf kom ik juist terug van het achtervolgen van de vijand. God beveelt je tegen de stam Qurayza op te rukken, Mohammed! Ik ga naar hen toe om hen door elkaar te schudden.’
De Profeet liet afkondigen dat niemand het namiddaggebed diende te verrichten voordat hij bij Qurayza was. Vervolgens zond hij ‘Alī vooruit met zijn vlag, en de mannen snelden erop af. Toen ‘Alī dicht bij de forten gekomen was hoorde hij daar beledigende taal aan het adres van Mohammed. Hij keerde terug, de Profeet tegemoet, en zei dat hij niet dichter bij die schurken hoefde te komen. ‘En waarom niet?’ vroeg de Profeet, ‘ik denk dat je ze hebt horen kwaadspreken over mij,’ en hij voegde eraan toe: ‘Als ze mij zagen zouden ze zulke dingen niet zeggen.’ Toen de Profeet dicht bij hun forten gekomen was riep hij: ‘Stelletje apen; heeft God jullie voor gek gezet en Zijn wraak over jullie geopenbaard?’ Zij zeiden: ‘Abū Qāsim, jij bent geen dwaas!’
Op zijn weg naar de stam Qurayza passeerde de Profeet een aantal van zijn gezellen in Sawrayn, die hij vroeg of daar iemand langs was gekomen. ‘Ja,’ zeiden ze, ‘Dihya ibn Khalīfa, op een wit muildier waarvan het zadel bedekt was met een stuk brokaat.’ De Profeet zei: ‘Nee, dat was Djibrīl, die op weg was naar Qurayza om hun forten door elkaar te schudden en schrik onder hen te zaaien.’
Toen de Profeet bij de stam Qurayza was aangekomen, hield hij halt bij een van hun bronnen dichtbij hun grondgebied, die Anā heette. De mannen voegden zich bij hem. Sommigen kwamen daar pas aan na het late avondgebed en hadden het namiddaggebed niet verricht, omdat de Profeet had gezegd dat ze dat niet moesten doen voordat ze bij Qurayza waren. Ze waren druk bezig geweest met de nodige oorlogsvoorbereidingen en hadden het gebed pas bij Qurayza willen verrichten, volgens de instructies van de Profeet, en dat deden ze nu, na het late avondgebed. God heeft hun dat niet aangewreven in Zijn Boek en de Profeet is hun daarover niet hard gevallen. Dit is mij verteld door mijn vader, die het had van Ma‘bad ibn Ka‘b.
De Profeet belegerde hen vijfentwintig dagen, tot het beleg hun zwaar begon te vallen, en God zaaide schrik onder hen.
Huyayy ibn Akhtab was met de stam Qurayza mee in hun fort gegaan, nadat Quraysh en Ghatafān zich hadden teruggetrokken, om zijn verdrag met Ka‘b ibn Asad na te komen. Toen zij zeker wisten dat de Profeet niet weg zou gaan voordat hij met hen afgerekend had, zei Ka‘b tegen zijn stamgenoten: ‘Joden, jullie zien hoe jullie ervoor staan. Ik leg jullie drie mogelijkheden voor; kies welke je wilt. De eerste is: wij volgen deze man en geloven hem, want het is nu wel duidelijk dat hij een gezonden profeet is, en dat hij degene is die genoemd wordt in onze Schrift. Dan zullen tenminste ons leven, ons bezit en onze kinderen en vrouwen gespaard blijven.’ ‘Nee,’ zeiden ze, ‘de wet van de thora (tawrāt) zullen wij nooit verzaken en nooit verruilen voor een andere.’ Toen zei hij: ‘Als jullie dat niet willen, dan iets anders. Laten we onze kinderen en vrouwen doden en vervolgens ongehinderd uitrukken tegen Mohammed en zijn gezellen, als mannen, met getrokken zwaard, tot God een oordeel velt tussen ons en hem. Als wij omkomen dan komen we om en laten we geen nakomelingen na om ons zorgen over te maken, en als we winnen, dan nemen we andere vrouwen en kinderen.’ Maar zij antwoordden: ‘Zouden wij deze arme schepsels moeten doden? Waar is het leven nog goed voor als zij er niet meer zijn?’ Toen zei hij: ‘Als jullie dat ook niet willen, dan dit: het is vandaag sabbatavond, misschien dat Mohammed en zijn gezellen zich veilig voor ons wanen. Laten we dus een uitval doen, misschien dat we dan Mohammed en zijn gezellen bij verrassing een slag kunnen toebrengen.’ Zij antwoordden echter: ‘Zouden wij dan onze sabbat ontwijden en hetzelfde doen als je weet wel wie vroeger hebben gedaan, die toen in apen zijn veranderd?’ Ka‘b verzuchtte: ‘Niemand heeft hier ooit van zijn levensdagen een besluit kunnen nemen!’
Toen lieten ze de Profeet vragen Abū Lūbāba ibn ‘Abd Mundhir te sturen, een broeder van de clan ‘Amr ibn Awf (dat waren bondgenoten van de stam Aws), om diens raad in te winnen. Dat deed de Profeet. Zodra zij hem zagen gingen de mannen naar hem toe en wierpen de vrouwen en kinderen zich huilend voor hem neer, zodat hij medelijden kreeg. Ze vroegen hem: ‘Abū Lūbāba, vind je dat we ons moeten overgeven aan Mohammed?’ ‘ Ja,’ zei hij, en hij gebaarde met zijn hand naar zijn keel, duidend op een slachtpartij.
Abū Lūbāba heeft daarover zelf nog gezegd: ‘Ik had nog geen stap verzet of ik begreep dat ik God en Zijn Profeet had verraden.’ Daarna ging hij niet naar de Profeet terug, maar bond zich vast aan een van de pilaren in de moskee en zei dat hij die plaats niet zou verlaten voordat God hem zou vergeven wat hij had gedaan, en hij zwoer dat hij zich nooit meer zou vertonen in het gebied van de stam Qurayza, waar hij God en Zijn Profeet had verraden.
Toen de Profeet dit na lang wachten vernam zei hij: ‘Als hij bij mij gekomen was had ik vergeving voor hem gevraagd, maar nu hij dit gedaan heeft zal ik hem niet losmaken voordat God hem vergeeft.’
Yazīd ibn ‘Abdallāh ibn Qusayt vermeldt dat de vergeving voor Abū Lūbāba aan de Profeet werd geopenbaard in de vroege ochtend, in het huis van Umm Salama. Deze laatste heeft daarover verteld: In de vroege ochtend hoorde ik de Profeet lachen en ik zei:
–– ‘Waarom lach je? Moge God je vreugde schenken.’
–– ‘Aan Abū Lūbāba is vergeving geschonken.’
–– ‘O,’ zei ik, ‘zal ik hem het goede nieuws gaan vertellen, Profeet?’
–– ‘Goed, zoals je wilt.’
Ik ging bij de deur van mijn kamer staan—het was voordat de afzondering aan de vrouwen was voorgeschreven—en riep: ‘Abū Lūbāba, goed nieuws, God heeft het je vergeven!’ De mensen snelden toe om hem los te maken, maar hij zei: ‘Nee, nee, alleen als de Profeet mij eigenhandig losmaakt.’ En zo werd hij pas losgemaakt toen de Profeet langs kwam op weg naar het ochtendgebed.
Die nacht kwam ‘Amr ibn Su‘dā, een man uit Qurayza, naar buiten en passeerde de wacht van de Profeet, die onder bevel stond van Muhammad ibn Maslama. Toen die hem zag riep hij: ‘Wie daar?’ Hij zei: ‘Amr ibn Su‘dā.’ Deze ‘Amr had altijd geweigerd de stam Qurayza te volgen in hun verraad jegens de Profeet. Muhammad ibn Maslama zei toen hij hem herkende: ‘O God, vergun me, de misstappen der edelen goed te maken!’ en liet hem lopen. Hij liep ongehinderd door tot bij de deur van de moskee van de Profeet in Medina, in diezelfde nacht; daarna verdween hij en het is tot op heden niet bekend waar hij gebleven is. Toen het geval de Profeet gemeld werd zei hij: ‘Deze man is door God verlost om zijn trouw.’ Sommige mensen beweren dat hij was vastgebonden met een versleten touw, te samen met de andere gevangenen van Qurayza, toen die zich hadden overgegeven, en dat de volgende ochtend alleen het touw gevonden werd, zonder dat iemand wist waar hij gebleven was, en dat de Profeet toen die woorden sprak. Maar God weet het best hoe het gebeurd is.
In de ochtend gaf de stam Qurayza zich onvoorwaardelijk over aan de Profeet. De mannen van Aws sprongen op en zeiden: ‘Profeet, dit zijn onze cliënten en niet die van Khazradj, en u weet hoe u onlangs de cliënten van onze broeders hebt behandeld.’ De Qaynuqā‘ waren namelijk cliënten van Khazradj geweest, en toen die zich na een belegering hadden overgegeven had ‘Abdallāh ibn Ubayy gevraagd of hij ze kreeg, en hij had ze gekregen. En nu Aws hetzelfde vroeg zei de Profeet: ‘Willen jullie graag dat iemand van jullie hen vonnist? Dat is dan iets voor Sa‘d ibn Mu‘ādh.’
Sa‘d was door de Profeet ondergebracht in een tent van een vrouw uit Aslam, die Rufayda heette, op het terrein van zijn moskee; zij verpleegde de gewonden en verzekerde zich van haar toekomstig loon door te zorgen voor de moslims die iets mankeerden. Toen Sa‘d in de gracht door een pijl was getroffen had de Profeet tegen de familie gezegd: ‘Leg hem maar in de tent van Rufayda; ik zal hem binnenkort bezoeken.’ Nu de Profeet hem als rechter wilde aanstellen over Qurayza zette zijn familie hem op een ezel, waarop zij een zacht leren kussen hadden gelegd, want Sa‘d was een dikke man. Terwijl ze hem naar de Profeet brachten zeiden ze tegen hem; ‘Behandel onze cliënten mild, want met het oog daarop wil de Profeet jou dit toevertrouwen.’ Toen ze dat meermalen gezegd hadden zei hij: ‘Voor Sa‘d is de tijd gekomen om zich in de zaak Gods van niemands kritiek meer iets aan te trekken.’ Sommigen van degenen die bij hem waren gingen terug naar het kwartier van de stam ‘Abd Ashhal en kondigden de dood van de mannen van de stam Qurayza aan, nog voordat Sa‘d er was, omdat ze hem dat hadden horen zeggen. Toen Sa‘d ten slotte was aangekomen zei de Profeet tegen de gelovigen dat ze moesten opstaan voor hun leider. De Emigranten uit Quraysh dachten dat hij alleen de Helpers bedoelde, maar die dachten dat hij hen allemaal bedoelde. Ze stonden dus op en zeiden: ‘Abū Amr, de Profeet heeft het jou toevertrouwd vonnis te vellen over je cliënten.’ Sa‘d zei: ‘Zweren jullie bij God mijn oordeel als bindend te aanvaarden, wat het ook is?’ ‘Ja,’ zeiden ze. ‘Ook degene die hier is?’ vervolgde hij in de richting van de Profeet, zonder hem daarbij aan te kijken, uit eerbied. ‘Ja,’ zei ook de Profeet. Toen zei Sa‘d: ‘Dan is mijn vonnis dat de mannen gedood worden, de eigendommen verdeeld worden en de kinderen en vrouwen als krijgsgevangenen worden beschouwd.’
Volgens ‘Alqama ibn Waqqās al-Laythi heeft de Profeet toen gezegd: ‘Je hebt het oordeel Gods geveld, van boven de zeven hemelen.’
Na de overgave van Qurayza zette de Profeet hen gevangen in het kwartier van Bint Hārith, een vrouw uit de stam Naddjār. Vervolgens begaf hij zich naar de markt van Medina—waar nu nog steeds de markt is—en groef er greppels in. Daar liet hij telkens een groepje naar toe brengen, en dan liet hij hen onthoofden in die greppels. Onder hen waren ook de vijand Gods Huyayy ibn Akhtab en Ka‘b ibn Asad, de hoofdman van de stam. In totaal waren het zes- of zevenhonderd man, of volgens sommigen acht- of negenhonderd. Toen ze in groepjes naar de Profeet gebracht werden vroegen ze aan hun hoofdman: ‘Ka‘b, wat denk je dat ze met ons gaan doen?’ Hij antwoordde: ‘Zullen jullie het dan nooit begrijpen? Zien jullie niet dat er telkens anderen worden opgeroepen en dat degenen die zijn weggehaald niet meer terugkomen? Wee, wee, dit is de dood!’ Zo ging het door, tot de Profeet hen allemaal had gehad.
Huyayy ibn Akhtab, de vijand Gods, droeg toen hij werd weggehaald een kleurig gewaad waarin hij overal gaten had gemaakt ter grootte van een vingertop, om te zorgen dat het geen waarde zou hebben als roofgoed. Zijn handen waren met een touw aan zijn nek gebonden. Zodra hij de Profeet zag zei hij: ‘Bij God, dat ik jou heb bestreden verwijt ik mij zelf niet, maar wie God in de steek laat, die wordt zelf in de steek gelaten.’ Toen richtte hij zich tot de omstanders en zei: ‘Gods raad is juist: een Boek, een Besluit en een slachtpartij, dat is door God beschikt tegen de kinderen van Isra’iel!’ Toen ging hij zitten en werd hij onthoofd.
Muhammad ibn Dja‘far ibn Zubayr heeft gehoord van ‘Urwa, die het had van Aisja: Van hun vrouwen werd er maar één gedood. Ze was juist bij mij; we praatten wat en zij zat te schudden van het lachen, terwijl de Profeet bezig was de mannen van haar stam te doden op de markt. Ineens werd haar naam afgeroepen.
–– ‘Lieve hemel!’ riep ik, ‘wat is dat?’
–– ‘Ik moet ook gedood worden.’
–– ‘Maar waarom?
–– ‘Om iets dat ik gedaan heb.’
Toen werd ze weggehaald en onthoofd. Aisja zei daarover nog: ‘Nee werkelijk, ik zal nooit vergeten hoe vreemd ik het vond dat ze zo vrolijk was en zo hard lachte, hoewel ze al die tijd wist dat ze gedood zou worden.’
Al-Zuhri heeft mij verteld: Thābit ibn Qays was naar Abū ‘Abd al-Rahmān Zabīr ibn Bāyā toegelopen, een man uit Qurayza die ooit zijn leven had gespaard. Een van Zabīr szonen heeft mij verteld dat het op de dag van Bu‘āth was geweest, toen hij hem gevangen had genomen, maar hem weer had laten lopen, na alleen zijn voorhoofdslok te hebben afgesneden. Thābit, die nu een heel oude man was, was naar hem toe gekomen en had gezegd:
–– ‘Abū ‘Abd al-Rahmān, ken je me nog?’
–– ‘Zou een man als ik een man als jij niet meer kennen?’
–– ‘Ik wil je belonen voor wat je voor me gedaan hebt.’
–– ‘Een nobel man vergeldt zijn gelijke.’
Thābit ging naar de Profeet en vertelde hem dat Zabīr eens zijn leven had gespaard en dat hij hem daarvoor nu wilde belonen. De Profeet zei hem dat zijn leven gespaard zou worden. Toen hij dat aan Zabīr kwam zeggen zei deze: ‘Een oude man zonder familie en kinderen, wat heeft die aan zijn leven?’ Thābit ging weer naar de Profeet, die hem beloofde ook zijn vrouw en zijn zoon in leven te laten. Toen vroeg Zabīr: ‘Hoe kan een gezin in de Hidjāz leven zonder bezit?’ Thābit ging weer naar de Profeet en kreeg de toezegging dat hij zijn bezit mocht houden. Toen vroeg Zabīr:
‘Thābit, wat is er gebeurd met Ka‘b ibn Asad, wiens gezicht was als een Chinese spiegel waarin de maagden van de stam zich konden zien?’
–– ‘Dood.’
–– ‘En met Huyayy ibn Akhtab, de heer van boeren en nomaden?
–– ‘Ook dood.’
–– ‘En met ‘Azzāl ibn Samaw’al, onze voorhoede als wij aanvielen en onze achterhoede als wij vluchtten?’
–– ‘Dood.’
–– ‘En met de “twee vergaderingen”?’ (hij bedoelde de clans Ka‘b ibn Qurayza en ‘Amr ibn Qurayza.)
–– ‘Weggehaald en dood.’
–– ‘Dan vraag ik je, Thābit, omwille van de dienst die ik je heb bewezen, dat je mij verenigt met mijn stam, want ach, het leven heeft niets meer te bieden nu zij zijn heengegaan, en ik kan geen ogenblik meer wachten om mijn dierbaren te ontmoeten.’ Daarop liep Thābit op hem toe en sloeg zijn hoofd af.
Toen Abū Bakr vernam dat hij gezegd had: ‘om mijn dierbaren te ontmoeten,’ zei hij: ‘Ja, in de hel zal hij ze ontmoeten, voor altijd en eeuwig.’
Shu‘ba ibn Haddjādj brengt mij via ‘Abd al-Malik de woorden over van ‘Atīya de Qurayziet: De Profeet had bevolen dat alle volwassenen van Qurayza ter dood gebracht moesten worden. Ik was een jonge jongen; ze vonden dat ik nog niet volwassen was en daarom lieten ze mij lopen.
Ayyūb ibn ‘Abd al-Rahmān vertelt dat Salma bint Qays (zij was een tante van moederskant van de Profeet en had met hem het gebed verricht naar allebei de gebedsrichtingen en de Vrouweneed afgelegd) hem vroeg om het leven te sparen van Rifā‘a ibn Samaw’al de Qurayziet, die een volwassen man was en toevlucht bij haar had gezocht omdat hij hen daarvoor al kende. Ze zei: ‘Mijn beste Profeet, geef mij Rifā‘a, want hij beweert dat hij voortaan het gebed zal verrichten en kamelenvlees zal eten.’ De Profeet stemde toe en zo spaarde zij zijn leven.
.
Die dag verdeelde de Profeet de eigendommen, de vrouwen en de zonen van de stam Qurayza onder de moslims, en hij maakte de verdeling bekend van de paarden en de mannen en hield een vijfde deel achter. Een ruiter kreeg drie delen, twee voor het paard en één voor de berijder, en een man zonder paard kreeg één deel. Op de dag van Qurayza waren er zesendertig paarden. Het was de eerste buit waarover het lot werd geworpen en waarvan een vijfde deel werd achtergehouden. Zoals de Profeet het verdeeld had, zo ging het voortaan altijd; het werd het gebruik bij veldtochten.
Sa‘d ibn Zayd al-Ansārī werd door de Profeet met krijgsgevangenen van Qurayza naar de Nadjd gestuurd om ze te verkopen voor paarden en wapens.
Voor zichzelf had de Profeet een van hun vrouwen uitgezocht, Rayhāna bint ‘Amr ibn Khunāfa, een vrouw uit de clan ‘Amr ibn Qurayza. Zij is altijd slavin gebleven , tot de dood van de Profeet. Deze had namelijk voorgesteld te trouwen en haar de afzondering op te leggen, maar zij had gezegd: ‘Nee Profeet, laat mij maar slavin blijven, dat is makkelijker voor ons allebei,’ en daar was het bij gebleven. Toen hij haar gevangennam, had zij zich verzet tegen de islam en wilde zij beslist joods blijven. Daarom schonk de Profeet haar geen aandacht meer, maar dat ging hem wel aan het hart. Kort daarna was hij eens bij zijn vrienden en ineens hoorde hij voetstappen achter zich. Toen zei hij: ‘Dat is Tha‘laba ibn Sa‘ya, die komt vertellen dat Rayhāna de islam heeft aangenomen.’ Zo was het inderdaad, en hij was daar heel blij om.
.
Toen de kwestie van de stam Qurayza was afgedaan ging de wond van Sa‘d ibn Mu‘ādh weer open, en hij stierf daaraan als martelaar.
Mu‘ādh ibn Rifā‘a al-Zuraqī heeft mij verteld: Een willekeurig persoon uit mijn stam deelt mee dat de Profeet op het ogenblik dat Sa‘d werd weggenomen, in het holst van de nacht, werd bezocht door Djibrīl, die een tulband van zijdebrokaat droeg en sprak: ‘Mohammed, wie is deze dode, voor wie de poorten des hemels geopend zijn, en voor wie de Troon in beroering is?’ De Profeet stond ijlings op om naar Sa‘d te gaan; zijn kleed sleepte achter hem aan, maar hij bevond dat hij reeds was gestorven.
Een onverdacht persoon vertelde mij op gezag van Hasan al-Basrī: Sa‘d was een gezette man geweest, maar toen de mensen hem ten grave droegen vonden ze hem licht. Enkele Halfhartigen zeiden: ‘Het was zo’n dikke man, en toch hebben we nog nooit zo’n lichte begrafenis gehad.’ Toen de Profeet dat hoorde zei hij: ‘Maar hij had nog andere dragers dan jullie! Bij Hem die Mohammeds leven in Zijn hand heeft: de engelen hebben zich verheugd om de ziel van Sa‘d en de Troon is om hem in beroering geweest.’
Mu‘ādh ibn Rifā‘a heeft gehoord van Mahmūd ibn ‘Abd al-Rahmān, en deze van Djābir ibn ‘Abdallāh: Toen Sa‘d werd begraven zei de Profeet in ons bijzijn: ‘God zij geprezen!’ en iedereen zei hem dat na. Toen zei hij: ‘God is groot!’ en ook dat zei iedereen hem na. Op hun vraag waarom hij dat gezegd had, antwoordde hij: ‘Het graf heeft deze goede mens omkneld, tot God hem ervan verlost heeft.’

Commentaar:
Volgens de overlevering bij Ibn Ishaq was er een gegronde reden voor de uitroeiing van de laatste grote joodse stam die nog in of bij Medina verbleef. Voor en tijdens de belegering van de stad hadden zij met de vijand geheuld en hun verdrag met de Profeet geschonden.
Na de uitroeiing werden de landerijen en bezittingen van Qurayza verdeeld onder de moslims, met uitsluiting van de Halfhartigen (munāfiqūn) die niet enthousiast deelnamen aan Mohammeds veldslagen.
.
Opvallend is, dat de overlevering zijn best doet, de profeet op afstand te houden van deze uitroeiing van ruim duizend personen.  Niet Mohammed, maar de engel Djibrīl (Gabriël) neemt het initiatief tot de doding. Het vonnis werd gewezen door Sa‘d ibn Mu’ādh, de leider van de stam Aws. Evenals ‘Abdallāh ibn Ubayy was hij reeds voor Mohammeds komst een vooraanstaand man in Medina geweest, maar hij was jegens de profeet altijd loyaal geweest. Langzaam stervend aan zijn verwonding van een vorige veldslag heeft Sa‘d Mohammed nog de dienst bewezen door Qurayza te vonnissen. Dat Sa‘d al ten dode was opgeschreven zal zeer gelegen zijn gekomen. De overlevering is hem dankbaar en prijst hem vrijwel letterlijk de hemel in. Voor wie hier geschiedschrijving wil ontdekken: Had Mohammed het zelf gedaan, dan had hij misschien de Helpers uit de stam Aws tegen zich gekregen, want die bleken nog te hechten aan hun pact met Qurayza. Aangezien de Halfhartige ‘Abdallāh ibn Ubayy eertijds met succes was opgekomen voor zijn bondgenoten de Qaynuqā‘, had Mohammed het verzoek van de loyale Aws moeilijk kunnen afwijzen.
.
Verder valt op dat uit de teksten enige reserve blijkt ten opzichte van de slachtpartij zelf. De overlevering, elders toch nooit sentimenteel over afgeslachte vijanden, lijkt bijna begaan te zijn met het lot van Qurayza.
.
De tekst van Ibn Ishaq, waaruit hier een keuze volgt, wordt gevolgd door nog meer koranuitleg bij koran 33:26vv., die met deze episode in verband wordt gebracht, door poëzie en door lijsten van ‘martelaren’ e.a.

NOOT
1. Vgl. koran 2:65

=========================

BIBLIOGRAFIE:
– Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 684–700; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 165–74.
– Marco Schöller, Exegetisches Denken und Prophetenbiographie: eine quellenkritische Analyse der Sīra-Überlieferung zu Muḥammads Konflikt mit den Juden, Wiesbaden 2008, vooral blz. 277–282(–312).

MEER LEZEN:
– Inleiding: Mohammed en de Joden
De overige standaard-verhalen van Ibn Ishaq over de joden in vertaling:
De zaak met de Joodse stam Qaynuqa‘
De verdrijving van de Joodse stam Nadir

Diacritische tekens: Qurayẓa, Diḥya, al-Ṣawrayn, Ḥuyayy ibn Akhṭab, Qusayṭ, Muḥammad, ʿAbd al-Raḥmān, Ḥadjdjādj, ʿAṭīya, al-Anṣārī, Rayḥāna, al-Ḥasan al-Baṣrī, Ibn Isḥāq

Terug naar Inhoud

De zaak met de joodse stam Qaynuqa‘ (vertaling)

Vertaalde tekst: Intussen, terwijl de Profeet allerlei strooptochten liet uitvoeren, was er ook de zaak met de stam Qaynuqā‘. Het verhaal luidt aldus: De Profeet liet deze stam op hun markt bijeenkomen en sprak hen aldus toe: ‘Joden, pas op dat God u niet afstraft zoals Quraysh. Wordt moslim! Ge weet dat ik een profeet ben die gezonden is—ge vindt dat in uw Schrift en in Gods verbond met u.’ Maar hun antwoord luidde: ‘Mohammed, u denkt dat wij uw volk zijn. Laat u niet misleiden doordat u slag hebt geleverd met een vijand die geen verstand heeft van oorlog en die u alleen bij toeval hebt verslagen. Maar wij, bij God, als wij de strijd met u aanbinden zult u weten dat wij mannen van een ander slag zijn!’
‘Āsim ibn ‘Umar ibn Qatāda heeft verteld, dat de Qaynuqā‘ de eerste joden waren die hun verbond met de Profeet verbraken. Zij voerden strijd tussen de slag bij Badr en die bij Uhud. De Profeet belegerde hen en zij gaven zich onvoorwaardelijk over.
Toen God hen in zijn macht had gegeven, kwam ‘Abdallāh ibn Ubayy hem om genade vragen voor zijn cliënten, want Qaynuqā‘ was een bondgenoot van Khazradj. Maar de Profeet scheepte hem af. ‘Abdallāh herhaalde zijn verzoek, en toen de Profeet zich wilde afwenden, stak hij zijn hand in de kraag van zijn pantser. ‘Laat me los!’ zei de Profeet, en hij werd zo woedend dat zijn gezicht donker aanliep. ’Nee, bij God,’ zei ‘Abdallāh, ‘ik laat u niet los voordat u mijn cliënten genade hebt betoond. Vierhonderd man zonder pantser en driehonderd gepantserd; zij hebben mij tegen al mijn vijanden beschermd en u wilt ze in één ochtend onthoofden? Bij God, ik vrees een ommekeer.’ Daarop zei de Profeet: ‘Ze zijn voor u’.
Mijn vader vertelt mij het volgende verhaal van ‘Ubāda ibn Walīd: Toen de stam Qaynuqā‘ de strijd aanbond met de Profeet, kwam ‘Abdallāh ibn Ubayy voor hen op en verdedigde hen. Maar mijn grootvader ‘Ubāda ibn Sāmit, die behoorde tot de stam ‘Awf, die evenals ‘Abdallāh een verbond met hen had, ging naar de Profeet, liet hen over aan God en Zijn gezant en verklaarde zich ontslagen van zijn verbond met hen. ‘Profeet,’ zei hij, ‘ik sluit mij aan bij God, Zijn gezant en de gelovigen en ik zeg mijn bondgenootschap en vriendschap met deze ongelovigen op.’ Over hem en over ‘Abdallāh werd deze passage uit soera ‘De dis’ geopenbaard: ‘Gij die gelooft, neemt de joden en de christenen niet tot vrienden. Zij zijn elkaars vrienden. Wie zich bij hen aansluit is een van hen. […] U ziet dat degenen die in hun harten een ziekte hebben zich onder hen druk maken; zij zeggen: Wij vrezen dat een ommekeer ons zal treffen, en wat daar verder volgt, tot de woorden: Wie zich aansluiten bij God, Zijn gezant en degenen die geloven—Gods partij—dat zijn de overwinnaars.’ [5:51-56]

=========================

Commentaar: In de latere geschiedschrijving komt de ‘zaak’ met de joodse stam Qaynuqā‘, die in Medina woonde, neer op een verdrijving van deze stam uit de stad. Na de slag bij Badr zou Mohammed nogmaals een vergeefs beroep hebben gedaan op de joden. Het bleef onduldbaar dat zij tegen hem ageerden; politiek waren zij een onzekere factor binnen Medina. Kort na Badr zou hij dan hebben besloten met hen af te rekenen. De Qaynuqā‘ hebben zich bij de joodse gemeenschap in de Wādī al-Qurā gevoegd en zijn vandaar naar Syrië vertrokken.
De Qaynuqā‘ hadden nooit grond bezeten in Medina. Zij werkten als ambachtslieden, onder andere als goudsmeden. Volgens latere geschiedschrijvers waren zij goed bewapend en lieten ze bij hun vertrek hun wapens en werktuigen achter, een buit die de moslims zeer welkom was.
Bij Ibn Ishaq is van dit alles nog weinig te merken. Van een verdrijving is geen sprake; het hele conflict blijft rijkelijk vaag en loopt met een sisser af. Zijn verhaal is een stuk koranexegese van de rijkelijk vage passage koran 5:51–56, en niet op te vatten als verslag van werkelijke gebeurtenissen.  Wat er werkelijk is gebeurd is niet te achterhalen.
De datering van het incident kort na de slag bij Badr laat Ibn Ishaq teruggaan op enkele woorden uit de volgens hem over Qaynuqā‘ geopenbaarde tekst 3:13: ‘Gij hadt reeds een teken in de twee troepenmachten die elkaar ontmoetten […],’ die met de slag bij Badr in verband worden gebracht.

BIBLIOGRAFIE:
– Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 545–7; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 135–6.
– Marco Schöller, Exegetisches Denken und Prophetenbiographie: eine quellenkritische Analyse der Sīra-Überlieferung zu Muḥammads Konflikt mit den Juden, Wiesbaden 2008, vooral blz. 256–260.

MEER LEZEN:
– Inleiding: Mohammed en de Joden
De overige standaard-verhalen van Ibn Ishaq over de joden in vertaling:
De verdrijving van de stam Nadir
De uitroeiing van de Qurazya

Diacritische tekens: Qaynuqāʿ,ʿĀṣim, Uḥud, Ṣāmit, Isḥāq.

Terug naar Inhoud

De verdrijving van de joodse stam Nadir (vertaling)

Vertaalde tekst: Volgens het bericht van Yazīd ibn Rūmān begaf de Profeet zich naar de stam Nadīr om hun te vragen, mee te betalen aan het bloedgeld voor de twee mannen van de stam ‘Āmir, die ‘Amr ibn Umayya ad-Damri had gedood. De Profeet moest dat namelijk betalen, omdat zij onder zijn bescherming stonden. Verder waren de stammen ‘Āmir en Nadīr door een bondgenootschap verbonden. Toen de Profeet hen dan verzocht mee te betalen aan het bloedgeld, zeiden ze dat ze dat graag zouden doen, zoals hij dat wenste. Maar intussen overlegden zij in het geheim met elkaar en zeiden: ‘Zo’n kans krijgen we nooit neer; wie klimt er op het dak van dat huis en gooit een steen op hem? Dan zijn wij van hem af.’ De Profeet zat namelijk tegen de muur van een van hun huizen. ‘Amr ibn Djahhāsh verklaarde zich bereid; hij klom naar boven om een steen op hem te gooien. De Profeet zat daar met enige gezellen, onder wie Abū Bakr en ‘Umar en ‘Alī. Toen kwam er een boodschap uit de hemel tot hem, waarin hij werd gewaarschuwd voor wat de mensen van plan waren. Hij stond op en keerde dadelijk terug naar Medina, zonder het zijn gezellen te laten weten. Dezen bleven daar op de Profeet wachten en toen het hun te lang duurde gingen zij hem zoeken. Een man die juist aankwam uit Medina vertelde hun ten slotte, dat hij de Profeet de stad had zien binnenkomen. De gezellen gingen hem achterna, en toen ze hem aantroffen vertelde hij hun over het verraad dat de joden tegen hem beraamd hadden. Vervolgens beval hij voorbereidingen te treffen tot de strijd en trok uit tegen Nadīr.
De joden hadden zich verschanst in hun forten. De Profeet gaf bevel hun palmbomen om te hakken en te verbranden. Zij riepen hem toe: ‘Mohammed, zulke vernielingen waren toch verboden? Het was toch zo erg als mensen dat deden? Waarom worden dan nu onze palmbomen omgehakt en in brand gestoken?’
Nu waren er enkele mannen uit de stam ‘Awf ibn Khazradj, onder wie ‘Abdallāh ibn Ubayy ibn Salūl en Wadī‘a en Mālik ibn Abī Qawqal en Suwayd en Da‘is, die iemand naar de Nadīr hadden gestuurd met de boodschap: ‘Houd stand en verdedig je, want wij laten jullie niet in de steek. Als jullie worden aangevallen, vechten wij aan jullie kant, en als jullie worden verdreven, gaan wij mee!’ Zij wachtten dus op hulp, maar toen die niet kwam opdagen, werd het hun bang te moede. Zij vroegen de Profeet, hen te verbannen, hun leven te sparen en hun toe te staan, zoveel mee te nemen als hun kamelen konden dragen, behalve hun maliënkolders. Dat stond hij toe. Zij belaadden hun kamelen met alles wat zij konden dragen; sommigen braken zelfs hun huis tot de drempel toe af, legden het op de rug van hun kameel en namen het mee. Zij vertrokken naar Khaybar, sommigen echter naar Syrië. Onder hun edelen die naar Khaybar gingen waren Sallām ibn Abī Huqayq, Kināna ibn Rabī‘ ibn Abī Huqayq en Huyyay ibn Akhtab. Toen zij daar aankwamen, onderwierpen de bewoners zich aan hen.
‘Abdallāh ibn Abī Bakr vertelde mij dat hem was bericht: Met hun vrouwen en kinderen en al hun bezittingen vertrokken zij, met tamboerijnen en blaasmuziek, terwijl er zangeresjes spelend achter hen aan kwamen. Ja, hun uittocht ging met zoveel pracht en praal als nog nooit bij enige stam was vertoond.
Hun overige bezittingen lieten zij aan de Profeet; het werd zijn persoonlijk eigendom, waarover hij kon beschikken zoals hij het wilde. Hij verdeelde het onder de eerste Emigranten. Van de Helpers kregen alleen Sahl ibn Hunayf en Abū Dudjāna Simāk ibn Kharasha iets, omdat zij over armoede klaagden. Slechts twee mannen van de stam Nadīr werden moslim, maar alleen om hun bezittingen te mogen houden.
Aangaande de stam Nadīr werd de soera ‘De samendrijving’ [soera 59] geopenbaard, in zijn geheel, waarin staat hoe God wraak nam op hen en hoe hij zijn gezant macht over hen gaf en wat Hij met hen deed.

=========================

Commentaar: Er bestaan verscheidene verhalen over een verijdelde moordaanslag van joodse zijde op Mohammed, die soms in verbinding worden gebracht met koran 5:11: ‘Gij die gelooft, denkt aan Gods genade jegens u, toen zekere lieden erover dachten, hun handen naar u uit te strekken en Hij hun handen van u afhield.’ Elders is geldt veeleer de schending van een verdrag als Mohammeds aanleiding tot acties tegen de joden (koran 5:13).
Volgens Ibn Ishaq speelden de Nadīr de hoofdrol onder de joodse stammen van Medina. Zij hielpen de Quraishitische tegenstanders energiek en haalden de stam Qurayza ertoe over, hun verdrag met de Profeet te schenden. Het basisbericht over de verdrijving van Nadīr is maar kort. Hun landerijen werden verdeeld onder de Emigranten, die nu in hun eigen levensbehoeften konden voorzien en daarvoor niet langer een beroep hoefden te doen op de Helpers. De Halfhartigen worden aanmerkelijk zwakker afgeschilderd dan in het geval van de stam Qaynuqā‘; zij onthouden Nadīr de beloofde hulp en doen niets.
Ibn Ishaq wijst op het verband met de gehele soera 59. Inderdaad volgt zijn verhaal die soera op de voet: de verdrijving van de ongelovige mensen van de Schrift uit hun woningen, die zij deels eigenhandig afbraken; de verbanning; het omstreden, maar door God blijkbaar bij uitzondering toegestane omhakken van de palmen; de rijke buit. Het verhaal is een uitwerking van die soera, een stuk koranexegese dus, en niet op te vatten als verslag van werkelijke gebeurtenissen. Er zijn andere overleveringen, de chronologie is niet over dezelfde en er zijn aanwijzingen dat het verhaal aanvankelijk deel uitmaakte van het verhaal over de Banū Qurayza. Wat er werkelijk is gebeurd is niet te achterhalen.
Bij Ibn Ishaq volgen er nog enkele anekdotes en heel veel poëzie over deze episode.

BIBLIOGRAFIE:
– Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 652–54; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 148–50.
– Marco Schöller, Exegetisches Denken und Prophetenbiographie: eine quellenkritische Analyse der Sīra-Überlieferung zu Muḥammads Konflikt mit den Juden, Wiesbaden 2008, vooral blz. 260–312.

MEER LEZEN:
– Inleiding: Mohammed en de Joden
De standaard-verhalen van Ibn Ishaq in vertaling:
De zaak met Qaynuqā‘
De uitroeiing van de Qurazya

Diacritische tekens: Ishāq, al-Naḍīr, al-Ḍamri, Djaḥḥāsh, Ḥuqayq, Ḥuyyay ibn Akhṭab, Ḥunayf.

Terug naar Inhoud