Geslachten en neigingen in het premoderne Midden- Oosten – 2a

[Ik ben niet tevreden over dit stuk. Ga het nog eens beter doen.]

Vrouwelijke mannen: de verwijfden van het oude Medina
Een mukhannath, meervoud mukhannathūn, is lichamelijk een man, maar geneigd tot vrouwelijk gedrag. Uit een natuurlijke neiging, maar soms ook uit affectatie, bij voorbeeld omdat dat bij een beroep hoorde. Het woord kan worden vertaald als ‘verwijfd, geslachtsloos’. Tegenwoordig wordt het ook wel gebruikt voor een man die zich anaal laat penetreren, maar bij deze groep in de eerste eeuw van de islam was dat niet noodzakelijk zo, zoals blijkt uit een artikel van Everett →Rowson.
.
Het is duidelijk dat zij in de zevende eeuw een belangrijke rol speelden in het muziekleven van Medina: het waren mannelijke beroepsmusici die in vrouwenkleren optraden en gewaardeerd werden om hun muziek, maar ook om hun geestigheid en charme. Misschien waren zij de opvolgers van de slavinnen, die in de pre–islamitische tijd gezongen en gedanst hadden. Hun kunstenaarsnamen klinken meestal vrouwelijk. Ook is bekend dat zij vrouwen ongesluierd mochten zien en in en uit konden lopen in de voor mannen zo gesloten vrouwenvertrekken.
.
Rowson behandelt eerst de hadithteksten, waarin gerept wordt van mukhannathūn die in contact kwamen met de profeet. Hij beschouwt deze teksten blijkbaar als een bron voor het maatschappelijke leven in de zevende eeuw. Zelf ben ik eerder geneigd ze tussen 700 en 900 te plaatsen, ervan uitgaande dat zij de rechtsopvattingen uit die wat latere tijd weerspiegelen. Hoe dan ook, ze bevatten enig interessant materiaal en ik wil ze wel behandelen, maar dat duurt nog even.
.
In zijn artikel blijft er echter genoeg over uit historische bronnen, over de mukhannathūn die in de vroegste tijd vooral in Medina floreerden, tot kalief Sulaymān (reg. 715–17) hun optreden verbood. Een hoofdbron is het tiende-eeuwse →Kitāb al-aghānī van Abū al-Faradj al-Iṣfahānī, dat veel materiaal biedt over zangers en dichters uit de oude tijd, onder hen ook mukhannathūn, die uitvoerig worden behandeld; met name Dalāl en Ṭuways. De laatste leefde van 632–711 en stond ook bekend als pechvogel, zong kunstmuziek en componeerde gedichten in de lichtere metra hazadj en ramal, lichte liedjes waarbij hij zichzelf begeleidde op een duff, een soort tamboerijn. Hij was geestig en charmant en had een scherpe tong. Hij leidde ook jongere musici op. Ṭuways werd vaak uitgenodigd op feestjes van de jongelui in Medina, terwijl de ouderen hem en zijn soort eerder verachtten.1
.
Er is een verhaal over een groep jongemannen die tijdens een uitje buiten de stad werd overvallen door een regenbui; ze besloten te gaan schuilen bij Ṭuways, die daar met zijn gezin woonde. Sommige deelnemers, bij voorbeeld ‘Abdallāh ibn Ḥassān ibn Thābit hadden bedenkingen: hij staat onder de toorn Gods, hij is een verachtelijke mukhannath, met wie je niet hoort om te gaan. Maar anderen zeiden: zeg dat niet, het is een geestige, charmante persoon, die ons goed gezelschap zal bieden.2 Ṭuways hoorde wat ze zeiden, gaf zijn vrouw opdracht een geitje klaar te maken en bood hun een heerlijk maal aan. Na afloop daarvan vermaakte hij hen met zang en dans. Toen ze een bepaald lied prezen zei hij: dat is een liefdeslied dat de zuster van Ḥassān ibn Thābit heeft gemaakt op iemand uit de stam Makhzūm. Deze indiscretie was zijn wraak op ‘Abdallāh ibn Ḥassān ibn Thābit, die hij daardoor diep krenkte.
.
Er is een sfeervol verhaal, dat onmogelijk historisch kan zijn, over een zekere Djamīla, een bekende mukhannath-zangeres uit Medina, die met een hele groep dichters en musici van beiderlei kunne de pelgrimstocht naar Mekka volbracht en daar verwelkomd werd door collega’s uit die stad, onder wie de beroemde dichter ‘Umar ibn abī Rabī‘a. Toen men haar vroeg in Mekka een concert te organiseren antwoordde Djamīla, dat zij niet bereid was ernst en frivoliteit te mengen. Daarop trok het hele gezelschap naar Medina, waar in haar huis een driedaags muziekfestival plaats vond. De tweede dag was geheel gewijd aan het optreden van de acht met name genoemde mukhannathūn, die als groepje apart bleven.3 Hun optreden werd zeer gewaardeerd.4
.
Dalāl moet mooi en charmant geweest zijn, maar zijn humor was boertig en op het godslasterlijke af. Hij zou bij voorbeeld een wind hebben gelaten tijdens het gebed, waarbij hij zei: ‘Ik loof U van voren en van achteren’,5 En toen een imam reciteerde: En waarom zou ik Hem niet dienen, die mij geschapen heeft? (koran 36:22) riep Dalāl uit: ‘Geen idee!,’ en dat bracht de mensen zo aan het lachen, dat hun gebed daardoor ongeldig werd.6 Dalāl was ook bekend als postillon d’amour en koppelaar.
.
Twee Mekkaanse mukhannathūn, Ibn Suraydj en al-Gharīd, waren hun carrière begonnen als huilebalk, een rol die traditioneel door vrouwen werd gespeeld. Hun ‘lichte’ liedjes begeleidden zij met de luit, niet met de tamboerijn zoals in Medina.7
.
Er zijn slechts van twee vroege mukhannathūn aanwijzingen gevonden, dat zij seksueel in andere mannen geïnteresseerd waren: Dalāl en al-Gharīd. Sommigen waren getrouwd; anderen hadden domweg geen interesse in vrouwen. Voor zover zij ‘zonder geslachtsdrift’ waren (ghayr ūlī al-irba, koran 24:31) mochten zij vrouwen onverhuld zien. Zij hadden dus toegang tot de vrouwenvertrekken, fungeerden als overbrengers van berichten en traden soms op als koppelaars. En dat was de reden, waarom kalief Sulaymān ze verbood en volgens een bericht zelfs liet castreren. Niet omdat ze ongeoorloofde seks hadden, decadent waren of zich ‘tegennatuurlijk’ gedroegen, maar omdat ze in en uit liepen bij de vrouwen en met muziek en vrijpostig gedrag bij hen hartstocht en zedeloosheid teweeg brachten .

NOTEN
1. Aghānī ii:165 oud@
2. Aghānī ii:167 oud@
3. De enige namen waaronder zij bekend zijn, zijn vrouwelijk klinkende kunstenaarsnamen: Hīt, Ṭuways (‘pauwtje), al-Dalāl (‘koketterie’), Bard al-Fu’ād (‘koelheid van hart’), Nawmat al-Ḍuḥā (‘ochtendslaapje’), Qand (‘suikertje’), Raḥma (‘erbarmen’) en Hibat allāh (‘godsgeschenk’)
4. Aghānī vii:118ff.; 128–33 oud@
5. Aghanī iv:59, 62, 64 oud@
6. Aghanī iv:281.
7. Aghanī i: 95–97 oud@

BIBLIOGRAFIE
– Abū al-Faradj al-Iṣfahānī, Kitāb al-aghānī, 24 dan., Cairo 1927–74.
– Everett K. Rowson, ‘The effeminates of early Medina,’ JAOS 1991, 671–93.
– H.G. Farmer/E. Neubauer, ‘Ṭuways,’ in EI2.
– A. Schaade/Ch. Pellat, ‘Djamīla,’ in EI2.

Terug naar Inhoud

De stem als godsbewijs. Van orgel naar doedelzak

Weer een fragment uit het Arabische, overwegend christelijke werkje Kitāb al-iʿtibār fī al-malakūt,1 een collectie van ongeveer honderd teleologische godsbewijzen (arguments from design), waarschijnlijk uit de negende eeuw. Zie over dat boekje hier. Uit dezelfde tekst had ik al eens een fragment gebracht over de slurf van de olifant, over de domheid van babies en zelfs de penis van de man.

Deze tekst gaat over de stem als godsbewijs. De precieze vindplaats houd ik nog maar even voor me.

  • Denk eens na over de spraakorganen en over de spraak van de mens. De keel is als een articulatiepijp waardoor de stem naar buiten treedt; de tong, de lippen en de tanden dienen om de spraakklanken en de melodie te vormen. Het is bekend dat mensen die hun tanden kwijt zijn de s niet kunnen produceren; iemand met een onvolledige lip kan de f niet correct vormen en wie een zware tong heeft kan de r niet duidelijk uitspreken.
    De Ouden vergeleken op fraaie wijze het naar buiten treden van de stem met het geluid van een doedelzak (al-mizmār al-a‘ẓam), namelijk de keel met het riet daarvan, de longen met de zak die van onderen wordt opgeblazen om er lucht in te brengen, en de spieren die de longen samendrukken om de stem via de keel te laten uittreden met de handen die de zak samendrukken om de lucht uit de doedelzak te persen. De lippen en tanden die de spraakklanken vormen vergeleken ze met de vingers die verschillende posities innemen op de melodiepijp (fam) van de doedelzak, zodat zijn toon melodieën kan vormen.
    Maar al kan het naar buiten treden van de stem ter verduidelijking en onderrichting worden vergeleken met een doedelzak, in werkelijkheid zou het omgekeerd moeten zijn. De doedelzak is kunstmatig, maar de stem is natuurlijk, en het is het kunstmatige dat het natuurlijke nabootst.2 Maar omdat het kunstmatige duidelijker zichtbaar is en beter bekend is bij het grote publiek dan het natuurlijke is men ertoe overgegaan de verrichtingen van de natuur te vergelijken met die van het kunstproduct, om ze begrijpelijker en bekender te maken.
    Als iets kunstmatigs al bewonderd kan worden om de subtiliteit en de wijsheid waarmee het de natuur nabootst, hoeveel meer bewondering verdienen dan de natuur zelf en haar verfijnde verrichtingen! En als het toeval niet eens de verrichtingen van het kunstmatige teweeg kan brengen, dan zeker niet die van de natuur.

Meestal staat bij zulke voorbeelden nog de retorische vraag: ‘Kan zoiets moois werkelijk teruggaan op toeval, of zit er toch een intelligente ontwerper achter?’ Hier wordt het godsbewijs niet uitgewerkt; de vermelding van het toeval in de laatste zin is het enige wat ernaar verwijst.

Van de ‘Ouden’, die de tekst als bronnen aanvoert, is er in dit geval één bekend. Het is de Nestoriaanse kerkvader Theodoretus van Cyrrhus (± 393–460). In zijn Over de voorzienigheid staat een voorloper van onze tekst. Wie deze webpagina leest zal ook wel Engels kennen; daarom ben ik lui en geef U de vertaling van Halton:3

  • 4. [Voice Production Has Affinities With Organ Playing] You, then, who have the gift of speech an dishonor the One who so honors you, consider how the lungs resemble bellows, which the muscles surrounding the thorax press upon, corresponding to the action of the feet in organ blowing, causing it to contract and expand. This transmits the breath through the windpipe, and when compressed, opens the epiglottis and is borne through the throat to the mouth. Speech, then, manipulates the teeth like so many bronze reeds with the tongue and makes them run up and down and glide without effort and with perfect ease.
    5. The salivary gland also helps to facilitate this movement, resembling, as it does, a fount gushing forth moisture. When the constant movement parches the tongue, it needs saliva in moderation to moisten it, make it smooth, and give it freedom of movement. This is how articulate voice comes about: When speech comes in contact with the teeth by means of the tongue, and breath is exhaled, as I have said, and the lips contract, and the air is smitten harmoniously by the emission of the breath, the exhaled breath becomes the vehicle of speech while nature expels the smoky substance as superfluous.

Bij Theodoretus wordt niet van een doedelzak gesproken, maar van een orgel! In Perzië, waar de Arabische tekst (of zijn Syrische of Pahlavi-voorganger) is ontstaan, waren orgels niet bekend, zodat de uitgever/vertaler er iets op moest verzinnen. Zijn poging tot adaptatie is geslaagd en bewonderenswaardig.

NOTEN
1. Ook bekend als Dalāʾil al-iʿtibār. Het werkje wordt vaak toegeschreven aan al-Djāḥiẓ (gest. 868). De eerste (niet-kritische) uitgave verscheen in 1928 in Aleppo.

فكر في‏ آلات الصوت والكلام في‏ الانسان‏. فالحنجرة كالأنبوب لخروج‏ الصوت واللسان والشفتان والأسنان لصياغة الحروف‏ والنغم‏. ألا ترى أنّ‏ من سقطت أسنانه لم‏ يقِم السين ومن نقصت شفته لم‏ يصحّح‏ الفاء،‏ ومن ثقل لسانه لم‏ يفصح‏ الراء. فما أحسن ما مثّل الأوّلون فانّهم شبّهوا مخرج الصوت بالمزمار‏ الأعظم فشبّهوا الحنجرة بقصبة المزمار،‏ وشبّهوا الرئه بالزق الذي‏ ينفخ به من تحته ليدخله الريح،‏ وشبّهوا‏ العضلات التي‏ تقبض على الرئة‏ ليخرج الصوت من الحنجرة‏ بالأكفّ‏ التي‏ تقبض على الزق حتى‏ تجري‏ الريح في‏ المزمار‏. وشبّهوا الشفتين والأسنان التي‏ تصوغ‏ الصوت حروفًا ونغمًا بالأصابع التي‏ تختلف على فم المزمار فيصوغ‏ صفيره ألحانًا‏. غير أنّه وان كان مخرج الصوت‏ يشبه‏ بالمزمار للدلالة والتعريف فانّ‏ المزمار بالحقيقة هو المشبّه بمخرج الصوت،‏ لأنّ‏ المزمار صناعي‏ والصوت طبيعي‏ والصناعة هي‏ التي‏ تحكي‏ الطبيعة‏. ولكنه لما كانت الصناعة أظهر وأعرف عند العامّة من الطبيعة‏‏ صارت أفعال الطبيعة تمثل بأفعال الصناعة‏ لتفهم ويوقف عليها‏. فاذا كانت الصناعة‏ التي‏ قد يتعجّب من اللطف‏ والحكمة فيما‏ تحكي الطبيعة‏ فبالحرى أن‏ يتعجّب من الطبيعة ولطف أفعالها‏. ولئن كان الاهمال‏ يضعف عمّا تأتي‏ به الصناعة لهو عمّا تأتي‏ به الطبيعة أضعف‏.

2. Nederlanders moeten hierbij misschien denken aan de spreuk Natura artis magistra, ‘De natuur is de leermeesteres van de kunst.’ Deze stamt echter niet uit de Oudheid, maar uit de negentiende eeuw.
3. Περί Πρόνοιας λόγοι δέκα = De providentia orationes decem. De Engelse vertaling: Theodoret of Cyrus On Divine Providence, translated and annotated by Thomas Halton, New York/Mawjah NJ, 1988, 34–35. Het loont de moeite, Theodoretus’ tekst eens in zijn geheel te lezen. Voor de liefhebbers hieronder de oorspronkelijke Griekse tekst, Migne, Patrologia Græca 83, col. 583:
Ἀρκεῖ δὲ καὶ τοῦτο μόνον τὸ μόριον δεῖξαι τοῦ πεποιηκότος, οὐ τὴν σοφίαν μόνον, ἀλλὰ καὶ τὴν ἄπλητον φιλανθρωπίαν. Ὀργάνῳ γὰρ ἔοικεν ἀπὸ χαλκῶν συγκειμένῳ καλάμων, καὶ ὑπ’ ἀσκῶν ἐκφυσουμένῳ, καὶ κινουμένῳ ὑπὸ τῶν τοῦ τεχνίτου δακτύλων, καὶ ἀποτελοῦντι τὴν ἐναρμόνιον ἐκείνην ἠχήν. Ἀλλ’ οὐχ ἡ φύσις παρὰ τῆς τέχνης, ἡ τέχνη δὲ παρὰ τῆς φύσεως ἐδιδάχθη τῆς τερπνῆς ἐκείνης ἠχῆς τὸ μηχάνημα· ἀρχέτυπον γὰρ τῆς τέχνης ἡ φύσις, ἴνδαλμα δὲ τῆς φύσεως ἡ τέχνη.
Ἄθρει τοιγαροῦν ὁ λόγου μὲν τετυχηκὼς, ἀτιμάζων δὲ τῇ τιμῇ τὸν τιμήσαντα, πῶς ὑπόκειται μὲν ὁ πνεύμων δίκην ἀσκοῦ, ἀποθλίβουσι δὲ αὐτὸν, οὐ πόδες ἀνθρώπου, ἀλλ’ οἱ περικείμενοι τῷ θώρακι μύες, συστέλλοντες αὐτὸν καὶ διαστέλλοντες. Ἀναπέμπει δὲ οὑτοσὶ διὰ τῆς τραχείας ἀρτηρίας τὸ πνεῦμα, τὸ δὲ συνωθούμενον, ἀνοίγει μὲν τὴν ἐπιγλωττίδα, φέρεται δὲ διὰ τοῦ φάρυγγος ἐπὶ τὸ στόμα. Ὁ δὲ λόγος, τῆς γλώττης οἷόν τινος δεξιᾶς ἐπειλημμένος, ταύτην τοῖς ὀδοῦσι καθάπερ τοῖς χαλκοῖς ἐκείνοις προσφέρει καλάμοις, καὶ ἄνω καὶ κάτω διαθέειν καὶ διολισθαίνειν εὐπετῶς καὶ μάλα ῥᾳδίως κατασκευάζει· […] κτλ

Terug naar Inhoud

Oproer in de hemel

Op het gebied van Iran ben ik een groentje; ik heb er nooit iets aan gedaan. Maar ik volg nu wel een tweedejaars cursus Perzisch, om de gederfde vreugde nog in te halen. Op de les is er net een lied van Parvin behandeld; mijn (voorlopige) vertaling daarvan staat hieronder. Poëzie poëtisch vertalen kan ik niet, maar ik ben al blij als er niet te veel begripsfouten in zitten. Als iemand een voorstel tot verbetering heeft, reageer!
Het is duidelijk dat de inhoud aanknoopt bij de klassieke poëzie, die ik tenminste in haar Arabische versie ken. Liefdesroes en drank, een bijna-vereniging met het Zijn zelf. Eventueel is alles mystiek uit te leggen, maar dat hoeft niet eens; de dichter heeft het gewoon over een opwindende avond, hij is on top of the world.
Parvin heeft dit lied als eerste gezongen, maar de tekstdichter is ene Karim Fakour (1926–1996). De opname dateert ergens uit de jaren zestig.
Natuurlijk kunt U het lied ook horen; klik hier. Ik was meteen weg van die stem; Anouk kan wel inpakken.
———–
Oproer der sterren

Vanavond ben ik in de war in mijn hoofd, vanavond heb ik een licht in mijn hart.
Vanavond ben ik weer in de hoogste hemel, laat het mijn geheim zijn met de sterren.
Vanavond ben ik een en al verlangen en verwarring, alsof ik niet meer van de wereld ben.

Van vrolijkheid krijg ik vleugels waarmee ik opstijg in het firmament.
Bij de huri’s en de engelen zing ik het lied van het Zijn.
In de hemelen trap ik een rel.
Een kruik ga ik uitgieten, een drinkglas kapotslaan.

Vanavond ben ik een en al verwarring en licht, alsof ik niet meer van de wereld ben.
Met de maan en de Pleiaden voer ik gesprekken, op het gezicht van de maan zoek ik een spoor [van mijn lief(?)].
Ik probeer levensvreugde te vinden deze avonden en de kommer terug te dringen.
De maan en Venus breng ik in verrukking, van mijzelf heb ik geen weet meer.

Van verrukking heb ik een lied op mijn lippen, een lied op mijn lippen
Vanavond ben ik een en al verlangen en verwarring, alsof ik niet meer van de wereld ben.

Vanavond ben ik in de war in mijn hoofd, vanavond heb ik een licht in mijn hart.
Vanavond ben ik weer in de hoogste hemel, laat het mijn geheim zijn met de sterren.
Vanavond ben ik een en al verlangen en verwarring, alsof ik niet meer van de wereld ben.
———–

غوغاي ستارگان

امشب در سر شوری دارم، امشب در دل نوری دارم
باز امشب در اوج آسمانم ، رازی باشد با ستارگانم
امشب يكسر شوق وشورم، از اين عالم گويى دورم

از شادی پَر گيرم كه رسم به فلك
سرود هستي خوانم در بر حور و ملك
در آسمان ها غوغا فكنم
سبو بريزم ساغر شكنم

امشب يكسر شوق وشورم، از اين عالم گويى دورم
با ماه وپروين سخني گويم، و ز روي مه خود اثرى جويم
جان يابم زين شبها، مى كاهم از غم ها
ماه و زهره را به طرب آرم، از خود بى خبرم

ز شعف دارم نغمه اى بر لب ها، نغمه اى بر لب ها
امشب يكسر شوق وشورم، از اين عالم گويى دورم

امشب در سر شوری دارم، امشب در دل نوری دارم
باز امشب در اوج آسمانم ، رازی باشد با ستارگانم
امشب يكسر شوق وشورم، از اين عالم گويي دورم

Terug naar Inhoud