Al-Hakim: een gek op de troon?

In ieder politiek stelsel komt wel eens een halve gare op de troon terecht. Nebukadnezar, Nero, Caligula en ettelijke anderen, ook in onze tijd. Uit de Arabische cultuurkring kan ik U aanbieden kalief al-Ḥākim (geb. 985, reg. 996–1021), heersend over een rijk dat zich uitstrekte van Tunis tot Noord-Syrië, met als hoofdstad Kairo. Hij behoorde tot de dynastie der Fāṭimiden, die sjiïtisch was, van de Ismaïlitische richting (de ‘zeveners’). Voor hen was de kalief, of imam zoals zij hem noemden, zoiets als een messias.

Waarin bestond al-Ḥākims gekte? Hij volgde zijn vader op toen hij elf was. Op zijn vijftiende kreeg hij genoeg van zijn voogd, de eunuch Bardjawān, die hij tijdens een gezamenlijke wandeling liet vermoorden. Dat was de eerste manifestatie van zijn bloeddorstige neigingen. Een knappe jongeling zou hij persoonlijk hebben gedood en van zijn ingewanden hebben ontdaan; een dienaar zou hij met bijlslagen hebben omgebracht; meestal liet hij echter het doden aan anderen over.

Al-Ḥākim probeerde orde te scheppen in zijn rijk door corruptie en machtsmisbruik aan het hof en in de bestuursorganen te bestrijden. Wat aanvankelijk een sympathieke zuiveringsactie leek werd al spoedig een schrikbewind. De kalief hield van snelrecht en de strafmaat was al gauw de doodstraf; daarbij werden ministers en de hoogste ambtenaren niet ontzien. Hij had de absolute macht en iemand laten ombrengen ging gemakkelijk, zoals hij al vroeg ervaren had. Tijdens zijn regering zijn er talloze mensen standrechtelijk veroordeeld en gedood. Bij het gewone volk was hij wel populair en stond hij zelfs als toegankelijk en rechtvaardig bekend.

Meer dan de helft van de inwoners van Egypte bestond uit christenen. De meeste moslims waren soennieten, terwijl de heerser sjiïtisch was. Omdat veel bestuursfuncties vanouds in christelijke handen waren, werden veel christenen slachtoffer van zijn ‘zuiveringen’. De kalief liet ook kerken, kloosters en een enkele synagoge afbreken, hij onteigende zelfs zijn moeder en zuster van hun bezittingen en liet zijn oom Arsenius, de Griekse patriarch van Alexandrië en Jeruzalem (reg. 1000–1010), heimelijk vermoorden. Moeder was namelijk ook een christin, en wel een Grieks-Orthodoxe, dus georiënteerd op Constantinopel – de vijand! Er vonden gedwongen bekeringen tot de islam plaats. Christenen en Joden moesten vernederende, onderscheidende kleding en kentekenen dragen, tot in het badhuis toe. Spectaculair was de sloop van de Heilige Grafkerk in Jeruzalem in 1009. Die echode nog na toen Europa tientallen jaren later tot de eerste Kruistocht besloot. Een paar jaar later dacht hij er weer anders over: kerken die waren gesloopt mochten weer worden opgebouwd, soms zelfs op staatskosten. Ex-christenen mochten desgewenst weer tot hun oude geloof terugkeren.

Vanaf 1003 begon het decreten (sidjillāt) te regenen, die het zedelijk leven in Egypte moesten verbeteren. In zijn jonge jaren had de kalief nog graag meegedaan met de volksfeesten in Fusṭāṭ (Oud Cairo). De christenen die daar woonden dronken veel en het kwam vaak tot excessen. Hij had het leuk gevonden toe te kijken als mannen op straat in gevecht raakten, zelfs als het in een bloedige veldslag ontaardde. Maar op een dag vond hij dat het te zeer uit de hand liep. Toen verbood hij per decreet de wijn en de deelname van vrouwen aan het nachtleven: zij moesten ’s avonds thuisblijven. Even later mochten ze ook overdag niet meer zonder begeleiding over straat. Boottochtjes werden voor vrouwen verboden. Nog later mochten mannen ook niet meer ’s avonds op straat: het hele nachtleven kwam tot stilstand. Wijn en alles wat daarmee te maken had zoals kruiken e.d. werden in het openbaar vernietigd; kroegen werden gesloten en wijnstokken ontworteld; zelfs de productie van honing werd beperkt om de vlucht in honingwijn onmogelijk te maken. Muziek, schaken en uitstapjes in de woestijn werden verboden. Erkers aan de straatkant werden verboden, evenals mulūkhīya, een groente, die de door sjiïeten gehate Aisha indertijd graag had gegeten.

Maar zelfs de soennitische moslims werden niet ontzien. Zij kregen te horen dat zij al die tijd een dwaalleer hadden aangehangen en werden opgeroepen zich te bekeren. Er werden ook cursussen over het sjiïtische geloof gegeven, waar de lokalen al spoedig te klein waren, omdat veel soennieten ernaar toe gingen, om hun baan of hun leven te behouden. Met allerlei decreten over voedsel en details van de eredienst werden zij verder geërgerd. Ooit had al-Ḥākim soennieten als gelijkwaardig met sjiïeten beschouwd, maar een aantal jaren werden zij haast even hard aangepakt als christenen. In zijn laatste regeringsjaren, toen de kalief meer naar de mystiek neigde, werd echter alles weer goed: het soennitische geloof werd weer erkend en het leek zelfs of sjiïet zijn nu niet meer van belang was.

Als er een decreet van al­-­­Hakim niet werd nageleefd of niet uitvoerbaar was, zoals bij voorbeeld het alcoholverbod, trok hij het in en probeerde het later nog eens. Het vreemde was echter dat de decreten soms ook ‘zo maar’ werden ingetrokken, omdat de kalief op andere gedachten was gekomen. Hij stond inderdaad bekend om zijn grilligheid.

In zijn laatste levensjaren werd al-Hakim asceet, droeg uit pure nederigheid een eenvoudig, zelden gewassen wit gewaad en sandalen en ging vaak alleen uit rijden op een ezel. Bij het volk werd hij nu geliefder, omdat hij veel rijkseigendommen cadeau deed aan mensen die iets kwamen vragen. Het uitgedunde hof vroeg zich intussen af, of hij nog toerekeningsvatbaar was. Te zelfder tijd verbleef er een propagandist in zijn paleis, die daar werkte aan een boek waarin hij de goddelijkheid van al-Ḥākim aantoonde. De kalief belette het hem niet.

In februari 1021 maakte hij op een nacht weer een eenzaam ritje op zijn ezel over de Muqaṭṭam-heuvel even buiten Cairo. Deze keer kwam hij niet terug. Enkele dagen later werd zijn bebloede kleding gevonden. Aan te nemen is dat hij was vermoord. Een verdwenen imam: koren op de molen van vele sjiïeten.

Nuance

Het bovenstaande heb ik samengeraapt uit het artikel van Canard dat in 1971 verscheen in de Encyclopaedia of Islam. Maar zijn al die dingen echt zo gebeurd? Als zo vaak stonden er geleerden op die het beeld nuanceerden, die nieuwe feiten ontdekten en oude als fake news ontmaskerden. Een beetje jammer is dat wel, want er is een enorme behoefte aan markante feiten en aan gruwelijke verhalen, maar de wetenschap is streng. Meestal blijkt uit zulk onderzoek dat die koningen zo gek nog niet waren, of althans niet helemaal knetter. De Babylonische koning Nebukadnezar (reg. 605—562 v. Chr.) was volgens Daniel 4:31–34 zeven jaar lang krankzinnig, maar die profeet was hem wel erg ongunstig gezind. En misschien heeft hij hem verward met koning Nabonidus (556–539 v. Chr.), die een tijd lang krankzinnig schijnt te zijn geweest was en enkele jaren in het Arabische Tayma heeft doorgebracht. Voor een therapie? dat zal toch niet. Moderne classici hebben al lang aangetoond dat ‘gekke’ keizers als Nero en Caligula weliswaar wreed en gewelddadig waren, maar daarnaast heel verstandige dingen hebben gedaan. Ook al-Ḥākim is het voorwerp van zulke kritische, nuancerende studies geworden, o.a. door Josef van Ess en vooral Heinz Halm. Het is hetzelfde slag historici dat bij voorbeeld ontdekt dat Martin Luther zijn beroemde stellingen niet aan de kerkdeur in Wittenberg heeft getimmerd en ook nergens heeft gezegd: ‘Hier sta ik; ik kan niet anders’ — of die erop wijzen dat Mohammed niet aantoonbaar met een klein meisje was getrouwd.
Was Canard dan geen wetenschapper? Zeker wel, maar zijn artikel is al oud. Hij had nog niet zoveel bronnen ter beschikking, en het kritische historische onderzoek over de islamitische wereld had toen nog niet zo’n hoge vlucht genomen.

De latere studies maken duidelijk dat vele verhalen over al-Ḥākim van christenen of van soennieten stamden die onder hem geleden hadden: reden genoeg om eens flink te overdrijven en de tyran een stuk gekker te maken dan hij misschien was. Veel van zijn spectaculaire gruweldaden kunnen domweg geschrapt worden.
Twee griezelverhalen over al-Ḥākim zijn bij voorbeeld makkelijk onderuit te halen als je bedenkt dat de auteurs christenen waren en hun klassieken kenden.
— Al-Ḥākim zou Oud-Cairo (Fusṭāṭ) in brand hebben gestoken en nog twee dagen genoeglijk vanaf een heuvel naar de reuzenfik hebben gekeken. Maar dat is natuurlijk recycling van de brand van Rome die door keizer Nero zou zijn aangestoken. In andere bronnen wordt nergens gesproken over een brand in Fusṭāṭ in die tijd. Pas in 1168 werd de stad na evacuatie doelbewust in brand gestoken, en wel om verovering door de kruisvaarder Amalrik te voorkomen.
— Al-Ḥāḳim, zo wordt verteld, waste zich zeven jaar niet, huisde in een onderaards gewelf bij kaarslicht, liet zijn haren tot leeuwenmanen uitgroeien en knipte zijn nagels niet tot ze zo lang waren als adelaarsklauwen. Deze beschrijving lijkt verdacht veel op de gekte van koning Nebukadnezar als beschreven in Daniël 4:31–34. De christelijke schrijver zag een mooie parallel: Nebukadnezar had de tempel van Jerusalem verwoest, al-Ḥākim de H. Grafkerk, de christelijke tempel in diezelfde stad: beide heersers waren gek.

De bizarre decreten blijken bij nader inzien allemaal overeen te komen met regels uit het islamitische recht. Ook in andere omgevingen waren wel eens wijnvaten kapot geslagen, ook elders werden joden en christenen bij vlagen lastig gevallen met discriminerende voorschriften; alleen nooit zo nadrukkelijk en nooit allemaal tegelijk. Die decreten vielen op omdat niemand die regels ooit zo streng toepaste. Dat zij telkens opnieuw moesten worden uitgevaardigd toont wel dat de bevolking zoveel rechtschapenheid niet gewend was. Vrouwen op straat en alcohol bleken domweg niet te onderdrukken. De sharia wordt in haar volle pracht alleen door scherpslijpers als uitvoerbaar beschouwd, en al-Ḥākim was er zo een. Hij was een fundamentalist die de sharia over de gehele linie serieus nam, voor zover hij het volhield. Dat was hij aan zijn stand verplicht: was hij niet de messias of nog meer? Wij mogen dat waanzin vinden, in zijn tijd was het mainstream ismaïlitische theologie.

De opheffing van decreten kan te maken hebben gehad met opstanden en politieke crises waarmee het rijk te maken kreeg. In zulke perioden was er domweg geen tijd voor scherpslijperij. Halm heeft aangetoond dat er geen algemene christenvervolging was: na de sloop van een kerk werd er rustig de volgende dag een christen tot minister benoemd. Al-Ḥākim kon ook niet al te streng zijn voor christenen: hij had ze hard nodig voor zijn bestuur. Incidentele plundering van kerken en kloosters gebeurde vaak domweg omdat de staatskas leeg was, of omdat er een legereenheid met een verzetje en met roofgoed te vriend moesten worden gehouden. Zijn wisselvallige houding jegens de soennieten was ook te verklaren: er was onrust genoeg in het land, daar kon hij niet ook nog grote massa’s boze soennieten bij gebruiken.

Zelfs zijn voor mallotig gehouden gewoonte om in lompen nederig op een ezel rond te rijden staat in een traditie: het is het gedrag van een messias. Welnu, al-Ḥākim wás een messias, zo vonden zijn aanhangers. Hij was het alleen consequenter dan andere sjiïtische kaliefen.

Positieve punten die van al-Ḥāḳims regering genoemd worden waren zijn bestrijding van de honger, het streven naar stabiele prijzen en belastingverlaging. Hij was toegankelijk voor het volk en stond open voor verzoekschriften; zijn rechtvaardigheid werd geprezen. Bovendien bevorderde hij de wetenschap: hij stichtte een grote en algemeen toegankelijke bibliotheek, waarin ook onderwijs werd gegeven.
Voor al-Ḥākim moet het regeren niet gemakkelijk zijn geweest. Als geestelijk leider, ja zeg maar de messias der sjiieten, (volgens enkelen God zelf!) heerste hij over een rijk dat voornamelijk werd bevolkt door christenen en soennitische moslims; dat was al bijna om gek van te worden. Door zijn christelijke moeder had hij zelf een flinke christelijke component; dat moet hem dwars hebben gezeten.

Kortom: opvallend, maar niet helemaal knetter. Wel een overmatig strenge en onberekenbare heerser, die veel meer terechtstellingen op zijn conto had dan in die tijd gebruikelijk was.

Alt Hist

Genuanceerde geschiedschrijving is één ding, er bestaat ook zoiets als partijdige, propagandistische geschiedschrijving, die een persoon geheel kan herzien. Stalin bij voorbeeld was, nadat sommige Russische historici en media de feiten opnieuw hadden geschud, een toffe peer, een pijproker onder wie het leven in de Sovjet-Unie, naar hij zelf zei, ‘beter, vrolijker is geworden,’  Over al-Ḥākim is dergelijke ‘geschiedschrijving’ o.a. te vinden in de EIr, de Encyclopaedia Iranica. Dit is een meestal voortreffelijk Engelstalig werk over alles wat met Iran en vooral de sjiitische islam te maken heeft.1  Al-Ḥākim was Egyptenaar, maar ook sjiïet en had dus recht op een artikel in de EIr. Dat viel me geweldig tegen. Niets dan lof daar voor deze kalief, die zijn rijk zo mooi bij elkaar hield en in Syrië zelfs nog wist uit te breiden, die zich bekommerde om het zedelijk peil van zijn onderdanen en veel deed voor de wetenschap. Niets over de sloop van kerken, de talloze terechtstellingen, zijn bizarre decreten, vergoddelijking of eventuele gekte. De moord op zijn voogd Bardjawān heet hier: ‘the latter’s removal’ (mijn cursivering). Dat hij zo’n slechte pers had lag volgens de auteur alleen aan de vijandige houding van christelijke en soennitische auteurs.2  Het artikel is van Farhad Daftary, een vooraanstaande Ismaïliet, dus van dezelfde geloofsrichting als de kalief die hij behandelt. Ik kan zijn artikel slechts bevooroordeeld noemen; het hoort in een wetenschappelijk werk niet thuis. 

NOTEN
1. Dit werk wordt gefinancierd en geredigeerd door Iraanse ballingen en Ismaïlieten buiten Iran. Van de Islamitische Republiek Iran is het onafhankelijk. Zie ook hier.
2. ‘Ḥākem also concerned himself with the moral standards of his subjects; many of his numerous edicts (sejellāt) preserved in later sources are of an ethico-social nature. He was also prepared to mete out severe punishment to high officials of the state who were found guilty of malpractice. Anṭāki and the Sunni historiographers have generally painted a highly distorted and fanciful image of this caliph-imam, portraying him as a person of unbalanced character with strange and erratic habits. However, modern scholarship is beginning to produce a different account on the basis of Ḥākem’s own edicts and the circumstances of his reign. As a result, Ḥākem is emerging as a tactful leader who was popular with his subjects.’

BIBLIOGRAFIE
– Marius Canard, ‘al-Ḥākim bi-Amr Allāh,’ EI2.
– Farhad Daftary, ‘Ḥākem be-Amr-Allāh,’ Encyclopaedia Iranica, XI/6, blz. 572-573, online: http://www.iranicaonline.org/articles/hakem-be-amr-allah (laatst geraadpleegd op 8 april 2017).
– Josef Van Ess, Chiliastische Erwartungen und die Versuchung der Göttlichkeit. Der Kalif al-Hakim (386-411 H.), Abhandlungen der Heidelberger Akademie der Wissenschaften, Philosophisch-Historische Klasse, Jg. 1977, Abh. 2.
– Heinz Halm, Die Kalifen von Kairo. Die Fatimiden in Ägypten (973–1074), München 2003, blz. 167–304.
– Heinz Halm, ‘Der Treuhänder Gottes. Die Edikte des Kalifen al-Ḥākim,’ Der Islam 63 (1986), 11–72.

Terug naar Inhoud

Woordenboeken, gesproken Arabische talen/dialecten

Van de dialectwoordenboeken noem ik er maar twee. De rest is knudde, voor zover ik weet. Graag aanvullingen uwerzijds, maar ik neem alleen echt goede woordenboeken op.

  • Roel Otten en Jan Hoogland, Basiswoordenboek van het Marokkaans Arabisch. Marokkaans/Nederlands, Nederlands/Marokkaans, Muiderberg 1983. [Klein maar fijn; 8+934 smalle bladzijden. Past in de mouw van uw boernoes.]
  • El-Said Badawi & Martin Hinds, A Dictionary of Egyptian Arabic, Beirut 1986. [alleen Egyptisch-Engels]

Terug naar Inhoud

Woordenboeken, klassiek Arabisch

Onder klassiek-Arabisch wordt hier verstaan: het geschreven Arabisch van de oudere tijd, pakweg van voor 1850. Veel arabisten en studenten worstelen zich door oude Arabische teksten heen met behulp van het woordenboek van Wehr voor het Modern Standaardarabisch. Dat is treurig, maar wel te begrijpen, omdat de bestaande woordenboeken voor het oudere Arabisch met één uitzondering rampzalig slecht zijn. In het Nederlands is er helemaal niets. Wie Frans kent kan voor alledaags gebruik dit nemen:

  • A. de Biberstein Kazimirski, Dictionnaire arabe-français, contenant toutes les racines de la langue arabe, 2 dln., Paris 1860 en latere herdrukken. Online: Deel 1. Deel 2.

Een kleiner woordenboek is:

  • J. Belot, Al-Farāʾiḍ al-durrīya ʿarabī firansīAl-Faraid, Vocabulaire arabe-français à l’usage des étudiants, Beirut 1890 en latere herdrukken.

Wie Engels kent is aangewezen op:

  • J. G. Hava, Al-Farā’iḍ al-durrīya ʿarabī inkilīzī = Al-Faraid, Arabic English Dictionary, Beirut 1896 en latere herdrukken. [Verkrijgbaar in de USA. Ruim 1000 blz; niet iets kleiners nemen.]
    .
    E. W. Lane, Maddu-l-Qāmūs, An Arabic-English Lexicon, derived from the best and the most copious eastern sources …, Vol. 1–5, London 1863–74; Vol. 6–8, ed. by Stanley Lane Poole, London 1877–93. [versch. reprints, ook online te raadplegen en te downloaden]

Lane stierf bij de letter qāf. Zijn erfgenaam heeft de latere letters en ook een supplement nog uitgegeven, maar hij vond niet veel materiaal, dus die letters zijn zeer onvolledig behandeld. Lane’s werk is gebaseerd op een aantal middeleeuwse Arabische woordenboeken. Wat hij zelf geleerd had gedurende zijn zeer lange verblijf in Egypte heeft ook zijn weg in het Lexicon gevonden. Het zal duidelijk zijn dat dit woordenboek niet aan de moderne eisen voldoet. Woorden uit de koran worden vaak eerder theologisch dan taalkundig verklaard. Er staan veel betekenissen in, die bij nader inzien ook bij Hava te vinden waren. Maar daar stond slechts een woord, terwijl bij Lane een verklaring en een context gegeven wordt. De onmogelijke Lane is dus … eh ja, onmisbaar!
Het beste woordenboek is:

  • Wörterbuch der klassischen arabischen Sprache (WKAS), uitg. Deutsche Morgenländische Gesellschaft, Wiesbaden 1957–2009.

Het is een zog. Belegwörterbuch, d.w.z. uit een enorm corpus klassieke literatuur zijn de woorden genomen onder vermelding van de vindplaatsen. Daardoor is dit woordenboek voor alledaags gebruik eigenlijk te groot, maar wie de vindplaatsen negeert vindt toch alle relevante betekenissen van alle woorden, in het Duits en het Engels. Er kleven twee nadelen aan het WKAS: het kost honderden euro’s en het behandelt alleen de letters kāf en lām! Er zijn in Duitsland niet genoeg arabisten meer die bereid en in staat zijn om deze klus, die eigenlijk in de Arabische wereld had moeten worden verricht, af te maken. Bovendien is er geen geld meer voor.
Voor teksten uit Noord-Afrika en Spanje is soms handig:

  • Reinhart P. Dozy, Supplément aux dictionnaires arabes, 2 dln., Leiden 1881.

Wie al goed Arabisch kent kan gebruik maken van:

  • Buṭrus al-Bustānī, Kitāb Muḥīṭ al-Muḥīt: ay qāmūs muṭawwal li-l-lugha al-ʿarabīya, 2 dln., Beiroet 1867–70 en latere herdrukken,

of kan de omweg via Lane vermijden en zelf direct in de oude woordenboeken duiken, bijv.:

  • Ibn Manẓūr, Lisān al-ʿarab, 15 dln., Beirut 1955.
    .
    Muḥibb al-dīn Murtaḍā al-Zabīdī, Tādj al-ʿarūs, uitg. ʿAbd al-Sattār Aḥmad Farrāj, Kuwait 1965ff.

Zeer praktisch is de webpagina baheth waar met slechts één zoekopdracht (in Arabisch schrift) Lisān al-‘arab en nog enkele andere Arabisch-Arabische woordenboeken tegelijkertijd kunnen worden geraadpleegd. Als pdf gescande woordenboeken zijn hier te vinden (dank aan Frank Weigelt voor deze info). Maar als U daar vaak iets in op wilt zoeken is het een geblader van jewelste.
Speciaal voor de woordenschat van de koran is er

  • Elsaid M. Badawi en Muhammad Abdel Haleem, Arabic-English Dictionary of Qur’anic Usage, Leiden 2010.

en bescheidener:

  • A. A. Ambros en Stephan Procházka, A Concise Dictionary of Koranic Arabic, Wiesbaden 2004.

Terug naar Inhoud

Woordenboeken, Modern Standaardarabisch

Woordenboeken Arabisch zijn wereldwijd zeer matig. Als arabist moet je leren je te behelpen met wat er is. Als je een woordenboek in een andere taal opslaat, bijv. de grote van Dale Engels, merk je het enorme kwaliteitsverschil. Maar Nederland boft met zijn woordenboeken Arabisch. Er zijn twee kleine en twee grote. Omdat Arabische drukletters zoveel ruimte vragen zijn de grote minder groot dan zij eruit zien, maar toch heel behoorlijk. Ik adviseer principieel de aanschaf van de ‘grote’ woordenboeken. Ze zijn modern en van uitstekende kwaliteit. In de kleinere staat veel minder.

  • Marc van Mol, Leerwoordenboek Nederlands-Arabisch, Amsterdam (Bulaaq) 2005. 529 blz.
  • Marc van Mol, Leerwoordenboek Arabisch-Nederlands, Amsterdam (Bulaaq) 2007. 506 blz.
  • Jan Hoogland, Kees Versteegh en Manfred Woidich, Woordenboek Nederlands-Arabisch, Amsterdam (Bulaaq) 2003. 1283 blz.
  • Jan Hoogland, Kees Versteegh en Manfred Woidich, Woordenboek Arabisch-Nederlands, Amsterdam (Bulaaq) 2003. 1012 blz.

De Engelstalige wereld kan sinds kort ook beschikken over een goed woordenboek modern Arabisch.

  • Oxford Arabic Dictionary. Qāmūs Uksfūrd al-‘Arabī. Arabic-English, English-Arabic, ed. Tressy Arts et al., Oxford 2014.

Het op een na beste is de vertaling(!) van het Duitse woordenboek van Wehr:

  • J. M. Cowan (ed.), Arabic-English Dictionary: The Hans Wehr Dictionary of Modern Written Arabic, 4th. ed., Spoken Language Services 1993.

Duitsland heeft ook een redelijk aanbod. De vijfde druk van het Arabisch-Duitse woordenboek van Hans Wehr lijkt modern, maar de ouderwetsheid van de eerste uitgave (1952) schijnt nog door. Volgens mij had Wehr indertijd zijn assistent opdracht gegeven domweg het Glossar van Brünnow & Fischer, Arabische Chrestomathie aus Prosaschriftstellern over te typen. Veel woorden zijn dientengevolge verouderd of bizar. (Zie voor details het excurs op de Duitstalige versie van deze bladzijde.) Toch is die vijfde uitgave een redelijk bruikbaar werk; het is vooral goed in combinaties van werkwoorden met vaste voorzetsels. Het grotere en modernere werk van Schregle is nooit klaar gekomen. Er zijn twee kleinere Arabisch-Duitse woordenboeken en een redelijk bruikbaar Duits-Arabisch. Voor juristen is er een gespecialiseerd woordenboek.

  • Hans Wehr, Arabisches Wörterbuch für die Schriftsprache der Gegenwart, Arabisch-Deutsch, 5. Aufl., Wiesbaden 1985.   [Goedkopere herdruk meestal verkrijgbaar bij Lehnert & Landrock, 44 Sherif Str., Cairo, en in Beiroet. De vierde druk is goedkoper, maar ook 150 bladzijden dunner.]
  • Götz Schregle, Arabisch-deutsches Wörterbuch, Wiesbaden (Steiner Verlag) 1981–92.   [voortreffelijk, modern, groot, maar duur en nauwelijks verkrijgbaar. Het  loopt slechts tot qusṭanṭīna.]
  • Lorenz Kropfitsch, Handwörterbuch Arabisch-Deutsch, uitg. Langenscheidt 2003.  [goed en modern; kleiner dan Wehr.]
  • Götz Schregle e.a., Deutsch-arabisches Wörterbuch, Wiesbaden 1974.
  • Eberhard Leicher, Wörterbuch der arabischen Wirtschafts- und Rechtssprache, deutsch-arabisch, Baden-Baden 1991; idem, arabisch-deutsch, Baden-Baden 1992.

Voor Frans is er van alles; ik wil echter alleen een klein woordenboekje noemen waaruit ik indertijd veel heb geleerd, vooral uitdrukkingen:

  • Louis Saisse & Iskandar Chéhata, Vocabulaire français-arabe à l’usage des écoles d’Égypte et autres pays de langue arabe, London 1950. 396 blz.

Het enig bruikbare moderne Arabisch-Arabische woordenboek is:

  • Al-Mundjid fī al-lugha al-‘arabīya al-mu‘āṣira.

Dat is heel nuttig en biedt veel voorbeelden uit het dagelijks leven (1e druk 2000. Wél te onderscheiden van het bekende Mundjid fī al-lugha wal-a‘lām, daar heb je niets aan)(Deze alinea is van Frank Weigelt, Bergen, Noorwegen.)

Hoe komt het dat veel van die woordenboeken zo waardeloos zijn?
– Omdat de Arabische wereld niets onderneemt. Het beste Japanse woordenboek zal wel uit Japan komen en het beste Chinese uit China. Maar de Arabische wereld is tevreden met bizarre en verouderde woordenboeken uit de Middeleeuwen en produceert niets. Daarom ontbreekt er een goede basis voor Arabische woordenboeken van en naar vreemde talen.
– Omdat de westerse landen meestal kapitalistisch zijn. Geld verdienen kun je niet met woordenboeken, dus worden ze niet gemaakt. Hans Wehr werd destijds door de nazi’s aan het werk gezet, omdat talenkennis werd geacht de verovering van het Nabije Oosten te vergemakkelijken. De Nederlandse producten zijn met overheidssubsidie tot stand gebracht. Veel geld zal dat niet geweest zijn, maar zelfs zo’n fooi stelt bij voorbeeld de USA niet ter beschikking.
– Omdat het momenteel slecht gaat met de Arabische wereld. De taal der macht wordt altijd graag geleerd, dus met Chinees zal het op den duur wel goed komen, maar de Arabische landen zijn momenteel volkomen onmachtig. Er zijn dus ook maar weinig mensen die Arabisch willen leren en dienovereenkomstig weinig hulpmiddelen.

Zie ook hier:

Terug naar Inhoud

Grammatica Modern Standaardarabisch

In een leerboek worden de vormleer en de syntax van een taal brokstuksgewijs en door elkaar aangeboden. In een grammatica wordt dezelfde stof, en meestal nog meer, systematisch aangeboden. Beide soorten boek zouden eigenlijk scherp van elkaar gescheiden moeten worden. Maar omdat de grammatica’s van het Arabisch zo beperkt zijn, kunnen leerboeken soms toch nog helpen.
Een eenvoudige beginnersgrammatica waarin ook de vormleer goed wordt behandeld is:

  • Eckehard Schulz, Modernes Hocharabisch, Grammatik, Wiesbaden (Reichert), 2004, € 49,-

Ik signaleer ook even:

  • Karin C. Ryding, A Reference Grammar of Modern Standard Arabic, Cambridge 2005.

maar ik heb er zelf niet mee gewerkt en heb dus geen oordeel.

Gevorderden kunnen veel leren uit het volgende leerboek:

  • Blohm/Reuschel/Samarraie, Lehrbuch des modernen Arabisch, Teil II/1 und II/2, Leipzig (VEB Verlag Enzyklopädie) 1989, 2e dr.

Het heeft uiterlijk de onaantrekkelijkheid van een boek uit de DDR en zit vol drukfouten, maar als het U ernst is, moet U daar doorheen.
In het Engels is er een goede, vrij grote maar nogal onoverzichtelijke grammatica:

  • Elsaid Badawi, M.G. Carter & Adrian Gully, Modern Written Arabic. A Comprehensive Grammar, London (Routledge) 2004.

Een grote syntax van het Modern Standaardarabisch is in wording:

  • Hashem El-Ayoubi, Wolfdietrich Fischer und Michael Langer, Syntax der Arabischen Schriftsprache der Gegenwart, Wiesbaden (Reichert Verlag) 2001–.

Van de beloofde vier delen zijn er nu twee verschenen, samen 1770 blzz. Dit werk is nu al het beste dat er ooit geweest is. Na voltooiing zal op basis hiervan zeker een kleinere en overzichtelijkere syntax gemaakt worden, maar zal het ooit zover komen?
Gezien de noodtoestand bij de beschrijving van het oudere Arabisch kan deze Syntax ook bij de studie daarvan nuttig zijn.

Het oudere werk:

  • V. Cantarino, Syntax of Modern Arabic Prose, 3 dln., Bloomington/ London 1974–5.

is tamelijk gebrekkig en kan misschien beter in de kast blijven.

Als de bovengenoemde werken bij de lectuur van moderne teksten teleurstellen vlucht men in de grammatica’s voor het Klassiek-Arabisch.

Het vakblad is Zeitschrift für Arabische Linguistik (ZAL).

Terug naar Inhoud

Grammatica Klassiek-Arabisch

Bedoeld is de oudere taalfase van het Arabisch, vanaf 750–1800. Onvermijdelijk(?) in het begin is:

  • W. Fischer, Grammatik des klassischen Arabisch, Wiesbaden 1972 en latere uitg.

Of in het Engels:

  • W. Fischer, A Grammar of Classical Arabic, translated from the German by Jonathan Rodgers. New Haven 20023.

Het is een onaangenaam ding en de schrik van iedere student die op school geen grammatica meer heeft geleerd. Hybride taalbeschrijving, opeenstapeling van afkortingen. In de Engelse vertaling ziet het er iets beter uit.
Wie de moed heeft kan ook meteen verder springen naar het nog ouderwetsere, maar misschien betere werk dat ook downgeload kan worden:

  • W. Wright, A Grammar of the Arabic Language, 2 vols., Cambridge 18963.

Het eerste deel bevat de morfologie, het tweede de syntax. Ook bruikbaar bij het lezen van oude Arabische poëzie. Oudere drukken dan de derde moet U niet nemen.

Heel mooi voor gevorderden is:

  • H. Reckendorf, Arabische Syntax, Heidelberg 1921.

Voor specialisten zijn er dan nog de kleine lettertjes en de bijzondere problemen:

  • Th. Nöldeke, Zur Grammatik des classischen Arabisch, Wien 1897; […] bearbeitet und mit Zusätzen versehen von Anton Spitaler, Darmstadt 19632.
  • Die syntaktischen Verhältnisse des Arabischen, Leiden 19672.
  • Simon Hopkins, Studies in the Grammar of Early Arabic, Oxford (OUP) 1984.
  • Manfred Ullmann, Beiträge zur arabischen Grammatik, Wiesbaden 2013 (en vele andere publicaties van Ullmann).

Het vakblad is Zeitschrift für Arabische Linguistik (ZAL).

Terug naar Inhoud

Grammatica Egyptisch-Arabisch

Ik ken maar één grammatica van een modern Arabisch dialect, maar dat is meteen wel een goede:

Manfred Woidich, Das Kairenisch-Arabische. Eine Grammatik, Wiesbaden 2006.

Uitsluitend nuttig voor het gesproken Egyptisch-Arabisch dus. Denkt U niet dat er geen andere grammatica’s bestaan; alleen ik heb er nooit iets mee gedaan.

Terug naar Inhoud