Het Azama-project

Ik schreef hier al eerder over het anonieme Arabische boek Kitāb al-‘Azama, waaraan ik ga werken. Het handelt over de kosmos, de Hel, het Paradijs en nog veel meer. Ik beschik over kopieën van een aantal handschriften. Lang heb ik deze tekst willen uitgeven als boek. Maar dat zou een enorm werk zijn en resulteren in een erg dikke pil, die alleen al door zijn omvang erg duur zou worden. En voor wie? Het eigenlijke publiek woont in het Nabije-Oosten; dat bereik je niet met een peperduur in Europa gedrukt werk. Bovendien is het boek nogal flodderig: een weinig precies boek van een jaar of duizend oud, waarvoor een pietluttige wetenschappelijke uitgave misschien te veel eer zou zijn.
Daarom dacht ik: ik breng het in het internet, in een semi-kritische editie. Intussen heb ik er een aparte webpagina voor geopend. Voordeel van publicatie in het net is dat ik het stukje voor stukje kan doen; het hoeft niet meteen klaar en perfect te zijn. Tijdens het ontstaan zal ik de tekstuitgaven en vertalingen verfijnen, gemaakte fouten nog herstellen en de gevolgde methode eventueel nog verbeteren. En vooral: ik blijf er ontspannen bij. Zo wordt het niet echt werken.
U kunt in mijn keuken kijken, maar hoeft dat natuurlijk niet. U zult rammelende zinnen zien in de vertalingen, maar te bedenken is, dat die er in het origineel ook bij hopen staan.
De vertaling, de inleidende tekst en de commentaren zal ik in het Engels aanbieden, zodat ik de komende halve eeuw niet slechts twee lezers vind, maar misschien wel twintig! Die twintig zou ik aanraden: als u geïnteresseerd bent, download het, copieer het, weet ik veel; want niemand weet hoe lang ik nog hier ben en hoe lang het internet nog bestaat.

Dat het boek flodderig is betekent overigens niet dat het niet interessant zou zijn. Als het maar oud genoeg is, is ook het meest vulgaire werk interessant, en de kern van dit boek is wel zo’n duizend jaar oud schat ik. Het geeft een inzicht in hoe bepaalde – ik weet nog niet welke – islamitische kringen aankeken tegen het ontstaan van de wereld, het paradijs en de hel.
Een eerste indruk van het werk verschaft een artikel dat ik er in 1993 in het Engels over schreef. Bovendien blijven er proeven van een Nederlandse vertaling in dit blog staan: een beschrijving van het islamitische Paradijs en een fragment van de Hel.

Diakritische tekens: Kitāb al-ʿAẓama

Terug naar Inhoud

Azama: het paradijs

Kitāb al-‘Azama, Beschrijving van de Paradijstuin en zijn heerlijkheid

Daarop schiep God aan de rechterkant onder de Troon de tuin, zo ver reikend als de hemel en de aarde, van rood goud en zilver, uit parels, edelstenen, parels en groene smaragd. Hij maakte er acht poorten van licht voor; de spijkers daarvan zijn van parels, de voorhangsels van de poorten zijn van groen zijdebrokaat en de sleutels van rode robijn. De muur ervan is uit afwisselend zilveren en gouden bouwstenen opgetrokken. Elke poort wordt met een welbekende naam benoemd:
De eerste poort is de tuin van de gelukzaligheid (Koran 26:85).
De tweede poort is de woning van de vrede (6:127; 10:25).
De derde poort is de woning van de eeuwigheid (41:28).
De vierde poort is de woning van het paradijs (18:107; 23:11).
De vijfde poort is de woning van de majesteit (55:27, 78).
De zesde poort is de woning van Eden (9:72).
De zevende poort is de woning van het betere (vgl. 16:30).
De achtste poort is de hoogstgelegen woning (vgl. 9:40).
Elk van deze woningen heeft een breedte van driehonderd miljoen jaren, [gemeten] naar onze jaren. In elke tuin schiep God achthonderd miljoen steden. In iedere stad zijn er achthonderdduizend paleizen van rood goud, parels, edelstenen, rode robijn en groene smaragd; in iedere stad zijn er vierduizend miljard woningen van wit zilver; de spijkers van hun poorten zijn van rood goud. In elk van de paleizen in deze steden zijn er duizend kamers boven elkaar, (honderd verdiepingen boven elkaar,) en op iedere verdieping zijn er duizend ramen, gevlochten uit tralies van licht. Voor elk van die ramen staat een bed van rood goud, met op elk bed zeventig matrassen van rode zijde en groen zijdebrokaat, versierd met parels en edelstenen, (en de matrassen zijn) over elkaar uitgespreid. Op elk van deze matrassen zit een van de grootogige gezellinnen (houris; 44:54 e.a.), gekleed in zeventig verschillende gewaden, van groen tot rood, van kamille en purper, doorweven met parels, edelstenen en koralen.
De gezichten van deze gezellinnen zijn stralender dan de zon en de maan; als een van hen een oog zou openen en zou knipogen naar de mensenkinderen op deze aarde zouden die sterven uit verlangen naar haar. Op haar voorhoofd draagt zij een diadeem als een stralende zon; aan elke onderarm heeft zij duizend armbanden van rood goud, getooid met parels en edelstenen. Het merg van haar onderbeen is zichtbaar door haar kleren, zo dun is haar huid; aan iedere voet heeft zij duizend enkelbanden van rood goud. Als de bewoners van onze aarde haar zoete stem zouden horen, zouden zij uit verlangen naar haar sterven. Om haar hals draagt zijn een halsketting van parels, koralen en zuiver goud. Elk van haar halskettingen straalt als een stralende ster (24:35). Voor iedere gezellin zitten duizend slavinnen en duizend kameniers. Op de deur van ieder paleis staat de naam van zijn eigenaar geschreven; op de hals van iedere gezellin is met stralend licht de naam van haar man geschreven: ‘Ik ben van die-en-die, de zoon van die-en-die.’ De lengte van elk van deze paleizen is dertienhonderd jaar, en de breedte is veertienhonderd jaar. In ieder paleis zijn er duizend deuren; der afstand tussen een deur en de volgende is vijftigduizend jaar. Bij iedere deur is er een fruittuin, honderd jaar breed. In iedere fruittuin stroomt een rivier van melk, een rivier van honing, een rivier van water dat niet brak is (47:15), en een rivier van wijn die aangenaam is voor de drinkers. De rivier van water dat niet brak is betekent: niet troebel, en de rivier van melk, waarvan de smaak niet verandert; de rivier van wijn is aangenaam voor de drinkers en de rivier van honing, dat is gezuiverde honing (47:15). Aan de oever van iedere rivier zijn duizend priëlen opgeslagen en duizend ronde tenten van groene smaragd en rode robijn. In ieder prieel staat een bed van rood goud, waarop matrassen van rode en groene zijde liggen. In iedere tuin is er veel fruit (43:73), wat de zielen begeren en wat aangenaam is voor de ogen (43:71). Daar is wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen.1 Als de paradijsbewoners de tuin betreden, verspreiden zij zich in hun woningen, en ze worden door de grootogige gezellinnen ontvangen. Iedere man wordt door zeventig gezellinnen ontvangen, getooid met sieraden en gewaden, opgesmukt met parels en edelstenen. Iedere gezellin draagt een kroon op haar hoofd, licht en stralen, lichter dan de zon; het diadeem op haar voorhoofd is gemaakt van het licht van de Troon. Iedere gezellin heeft duizend kameniers en duizend slavinnen bij zich; deze hebben kromstaven in hun handen, waarmee zij de sleep van de jurk van de gezellin optillen, zodat deze niet worden bevuild met muskus en saffraan. Ieder van hen heeft een beker in haar hand zoals het licht der zon, waarin water, melk, wijn en honing zijn die zich niet met elkaar vermengen. Als zij een vriend Gods ontvangen beziet deze de gelukzaligheid die God hem heeft bereid, verbaast zich over de grootogige gezellinnen en vraagt: ‘Voor wie zijn deze, Heer?’ En God zegt: ‘Voor jou, mijn knecht; alles was je ziet zijn jouw echtgenotes en jouw vrouwen. Voor jou heb ik hen geschapen, en om jouw vroomheid en jouw waken voor mijn aangezicht in het donker van de nacht, en om jou volharden in tegenspoed en rampspoed (6:42) op aarde, en om jouw vrees voor mijn bestraffing. Nu maak ik jou tot een van de in vrede geborgenen (15:46). Ik bied je geborgenheid voor mijn bestraffing, ik laat je wonen in het huis mijner grootmoedigheid, en ik laat je huwen met zeventig gezellinnen, om je lid voor ontucht te behoeden.’ Dan lopen de gezellinnen op de vriend Gods toe, met bekers in hun handen, zodat hij drinkt van de drank die de grootogige gezellinnen in de bekers bij zich hebben; en als de vriend Gods dat alles heeft opgedronken keren de gezellinnen naar de paleizen terug, in vreugd en vrolijkheid, en betreden hun woningen. Iedere gezellin heeft een woning van zuiver goud, en ronde tenten en priëlen. In elk van deze woningen staat een bed van rood goud, afgezet met parels en edelstenen en robijnen, en daarop liegen zeventig matrassen van zijde en goudbrokaat (vgl. 18:31 e.a.) over elkaar. En als de vriend Gods is gaan zitten op het bed dat God voor hem heeft klaargezet, treden de grootogige gezellinnen in haar woningen binnen en openen alle deuren van hun woningen in de richting van de vriend Gods, gaan op hun bedden zitten en wenden zich naar de vriend Gods, die zelf intussen op zijn bed in de woning zit. Als de vriend Gods zin heeft in één van hen weet zij dat zonder teken of uitnodiging. Dan opent zij de deur van haar tent en komt op hem toe, getooid met sieraden, gewaden, lieftalligheid, schoonheid, pracht en volkomenheid, zoals God zegt: die voor hun tijd door mensen noch djinn waren aangeraakt (55:56), dat wil zeggen: geen mens of djinn heeft haar voor hen aangeraakt. Als zij de vriend Gods nadert bekent hij haar; één maal met haar duurt veertig jaar, [gemeten] naar onze jaren. Dan kalmeert zijn wellust, terwijl hij op haar borst [ligt] en het zweet onder haar wegvloeit en de jongelingen bij hun hoofd staan met zakdoeken van zijdebrokaat in hun handen om hen toe te waaieren tot zij hun lust gekoeld hebben, veertig jaar lang. Dan staat de gezellin op en gaat haar woning binnen; een andere loopt naar het toe en hij heeft gemeenschap met haar, en zie, zij is maagd. In de vereniging met haar brengt hij wederom veertig jaren door, net als bij de eerste. Zo gaat het door: de ene gaat weg en de andere komt naar hem toe, allen maagden, (56:36), (tot hij langs hen allen de ronde gemaakt heeft, en hij bevindt dat zij allen maagden zijn, vurig beminnend en even oud (56:36), tot hij met zeventig gezellinnen omgang heeft gehad dan worden ze allen weer maagd als tevoren […] terwijl de vriend Gods achteroverleunt op zijn bed. En bij hen gaan er jongelingen rond, die als goedbewaarde parels zijn (52:24), met bekers en kruiken en een drinkbeker met drank uit een bron (56:18), en ooft waarvan zij het beste kunnen kiezen (vgl. 56:19, 20). Zij eten en drinken; zij ontlasten zich niet en urineren niet; zij spugen niet en snuiten hun neus niet, maar zij zweten uit hun lichamen, en in plaats van urine en drek scheiden zij een zweet uit dat zuiverder is dan welriekende muskus en grijze amber, omdat de bodem van de tuin niets onreins kan opnemen. Terwijl de vriend Gods zo met spel, gelach en vermaak met de grootogige gezellinnen bezig is, daalt er ineens een ronde tent van licht neer, waarvan het binnenste van buiten zichtbaar is. In die ronde tent staat een bed van rood goud, waarop zeventig matrassen uit zijde en goudbrokaat (vgl. 18:31 e.a.) liggen, de ene op de andere. Daar bovenop zit een gezellin wier licht nog sterker straalt dan dat van de grootogige gezellinnen, gekleed in zeventig gewaden uit licht. Als de vriend Gods naar hen kijkt verbaast hij zich over hun lieftalligheid en schoonheid, zoals ook de zeventig grootogige gezellinnen van de vriend Gods zich over haar goedheid verbazen. De vriend Gods vraagt: ‘Heer, voor wie is deze vrouw?’ en God antwoordt: ‘Als je haar aanspreekt, mijn knecht, zal ze je zelf antwoorden.’ De vriend Gods spreekt haar aan en terwijl hij dat doet opent zij de deur van haar tent, komt naar buiten naar de  vriend Gods en zegt tegen hem: ‘Mijn schat, hoe kon je mij vergeten? Weet je niet meer hoe ik met jou honger, dorst en naaktheid, ellende en ongeluk heb uitgehouden? Heb ik je niet gehoorzaamd? Heb ik je niet bediend? Heb ik je niet geëerd? Heb ik je niet verdragen in vreugde en verdriet? Weet je dat-en-dat niet meer? Ik ben je vrouw, die je in de aardse woonst heeft gehoorzaamd.’ Dan weent de vriend Gods van vreugde, loopt op haar toe en omarmt haar. Onder haar hals staat geschreven: ‘vurig beminnende even oude gezellinnen, voor hen die rechts staan (56:37–8); haar naam is Ariba (vurig beminnend).’ Aan iedere onderarm draagt zij duizend armbanden van rood goud en aan iedere voet duizend enkelbanden van goud, en op haar hoofd draagt zij een kroon van licht. Als de grootogige gezellinnen naar haar kijken en haar lieftalligheid, schoonheid en mooie juwelen zien, zeggen zij: ‘Heer, waarom hebt u ons niet zo mooi gemaakt voor de vriend Gods als zij?’ Dan zegt God: ‘Grootogige gezellinnen, ik heb mijn dienstmaagd zo mooi gemaakt omat zij in de aardse woonst veel hitte en kou, honger, dorst en angst heeft moeten verdragen, en omdat zij mij en haar man gehoorzaamd heeft, en omdat zij de kwellingen van de dood heeft doorstaan, de duisternis van het graf, de angst van de ondervraging en de verschrikkingen van de Dag der Opstanding; daarom heb ik haar mooier gemaakt dan jullie.’ En de grootogige gezellinnen zeggen: ‘Heer, dan heeft zij er recht op, ons in sieraden, lieftalligheid en schoonheid te overtreffen.’ Daarop zeggen de grootogige gezellinnen: ‘Ariba, op deze dag is er geen jaloezie tussen ons.’
En een heraut zal uitroepen: ‘Bewoners van de tuin, dit is de dag van vrolijkheid en vreugde in de veilige woonst, want hier is krankheid noch dood, ziekte noch zorg, leed noch armoede, angst, honger, dorst, vermoeidheid noch naaktheid, hitte, koude, duisternis noch ellende.’2
Dan geeft God ieder van zijn vrienden in de tuin een landgoed en kastelen (25:10) en gezellinnen en jongelingen en fruittuinen en gewaden, tot ieder van hen zegt: ‘Ik ben rijk, en niemand in deze tuin is zo rijk als ik.’ Zij die zo spreken zijn [nog] de allerarmsten, die onder de Paradijsbewoners het minste hebben aan goed en vrouwen; [toch is het] zo, dat geen van hen jaloezie koestert om wat God hem gegeven heeft. Ieder van hen heeft wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen,1 op een plek waarvan de voeding duurzaam is, en ook haar schaduw. Dat is de eindbestemming van hen die vrezen (13:35), waarvan de vruchtentrossen voor het plukken nabij zijn (69:23). Het fruit aan de bomen hangt terneer om geplukt te worden, door de almacht Gods, en komt naar de hand van degene die het begeert, zodat hij het kan eten. Telkens als er een [vrucht] is geplukt komt er dadelijk een andere voor in de plaats, die meteen net zo rijp is als die andere aan de tak. Ook als er tien vruchten geplukt zouden worden, zouden er meteen andere aangroeien,…(?) tussen de rivieren. Op de bomen zitten vogels zo groot als tweebultige kamelen, en de vriend Gods eet van hun vlees. Als hij trek krijgt valt het voor hem neer, zodat hij ervan kan eten, geroosterd of gekookt zoals hij maar wil. Het valt voor hem neer door de almacht van God, die tegen iets zegt: ‘Word! en dan wordt het (2:117; 3:59 e.a.). Als de knecht Gods er naar hartelust van gegeten heeft en wil opstaan is de vogel meteen weer levend, vet en gaar. Hij vliegt op en verheerlijkt God met de woorden: ‘Lof zij Hem, die mij geschapen heeft en gaar gemaakt heeft, en mijn vlees tot voedsel van zijn godvruchtige dienaren heeft gemaakt!’.’

NOOT:
1. Een hadith van de profeet, Bukhārī, Tawhīd 35 e.v.a.; ontleend aan Bijbel, 1 Korinthiërs 2:9. (Korancitaten en hadithen zijn cursief gedrukt.)
2. Vergelijk Bijbel, Openbaring 7:16–17; 21:4.

Diakritische tekens: Kitāb al-ʿAẓama, Tawḥīd

Naar de ‘Azama webpagina.      Terug naar Inhoud

Nachtreis en hemelvaart (vertaalde teksten)

““Toen werd de profeet op een nacht van de Heilige Moskee gevoerd naar de Verste Moskee, dat is de tempel van Aelia [Jeruzalem]. Dat gebeurde toen de islam al was verbreid in Mekka, onder Quraysh en alle andere stammen.
Het verhaal over deze nachtreis is mij overgeleverd van Abdallāh ibn Mas‘ūd, Abū Sa‘īd al-Khudrī, Aisja de vrouw van de profeet, Mu‘āwiya ibn Abī Sufyān, al-Hasan al-Basrī, al-Zuhrī, Qatāda en andere geleerden, en van Umm Hani’ bint Abi Tālib. Het is samengevat in het volgende verhaal, waarin van iedereen iets is opgenomen over de gebeurtenissen tijdens de nachtreis.
In het verhaal van de nachtreis en wat daarover is gezegd ligt een beproeving; het is een zaak van Gods grootheid en almacht, een les voor mensen met inzicht, een richtsnoer, een genade en een zekerheid voor hen die geloven.
Het was zonder twijfel een grote daad Gods. Hij heeft de profeet de nachtreis laten maken op de manier die Hij wilde, om hem de tekenen te laten zien die Hij wilde, zodat hij met eigen ogen iets heeft aanschouwd van Zijn heerlijkheid en almacht waardoor Hij doet wat Hij wil.

Naar ik verneem vertelde ‘Abdallāh ibn Mas‘ūd het als volgt: Burāq, het rijdier waarop de vroegere profeten hadden gereden, en dat met iedere hoefslag zover kwam als zijn oog reikte, werd bij de profeet gebracht en hij werd erop gezet. Djibrīl begeleidde hem en toonde hem de tekenen die tussen hemel en aarde zijn, tot hij bij Jeruzalem kwam. Daar vond hij Ibrāhīm (Abraham), de vriend Gods, en Mūsā (Mozes) en ‘Īsā (Jezus), te midden van enkele andere profeten die daar bijeengebracht waren voor hem, en hij ging hen voor in het gebed. Toen werden hem drie vaten voorgezet, één met melk, één met wijn en één met water. De profeet zelf heeft daarover verteld: Ik hoorde een stem die sprak: ‘Als hij het water neemt zal hij verdrinken en zijn volk evenzo. Als hij de wijn neemt zal hij afdwalen en zijn volk evenzo. Als hij de melk neemt zal hij op de rechte weg geleid worden en zijn volk evenzo.’ Dus nam ik het vat met melk en dronk ervan, waarop Djibrīl sprak: ‘Jij bent recht geleid, Mohammed, en je volk evenzo!’

Al-Hasan geeft dit verhaal van de profeet: Terwijl ik sliep binnen de omheining van de tempel kwam Djibrīl bij mij en stootte mij aan met zijn voet. Ik ging overeind zitten maar ik zag niets en ging weer liggen. Hij kwam nogmaals bij mij en stootte me aan met zijn voet. Weer ging ik overeind zitten, maar ik zag niets en ging dus weer liggen. Ten slotte kwam hij voor de derde maal en stootte me aan met zijn voet. Toen ik nu overeind ging zitten greep hij mij bij mijn bovenarm. Ik stond op en hij bracht mij naar buiten, naar de deur van de moskee. Daar stond een wit rijdier, iets tussen een muildier en een ezel in, met vleugels aan zijn flanken waarmee het zijn achterpoten aandreef, terwijl het zijn voorpoten telkens neer zette tot waar zijn oog reikte. Daar zette hij mij op, en hij voerde mij mee en bleef voortdurend dicht bij mij.

Van Qatāda zijn mij deze woorden van de profeet overgeleverd: Toen ik naar het dier toeliep om op te stijgen werd het schichtig. Djibrīl legde zijn hand op zijn manen en zei: ‘Schaam je je niet, Burāq, je zo te gedragen? Je bent nog nooit door iemand bereden die hoger aangeschreven stond bij God dan Mohammed.’ Het dier schaamde zich zo dat het zweet hem uitbrak; toen stond het stil, zodat ik kon opstijgen.

Al-Hasans versie gaat verder: De profeet reed samen met Djibrīl tot Jeruzalem. Daar vond hij Ibrāhīm, Mūsā en ‘Īsā te midden van enkele andere profeten. De profeet trad op als imam en ging hun voor in het gebed. Vervolgens werden hem twee vaten gebracht, het ene met wijn en het andere met melk. De profeet liet het vat met wijn staan, maar hij nam het vat met melk en dronk eruit. Toen sprak Djibrīl: ‘Jij bent recht geleid tot hetgeen waartoe God je geschapen heeft, en jouw volk evenzo. Wijn is jullie verboden.’
Toen keerde de profeet terug naar Mekka, en de volgende ochtend vertelde hij zijn stamgenoten wat hem was overkomen. De meeste mensen zeiden: ‘Dit is volkomen onzin! Een karavaan doet een maand over de reis van Mekka naar Syrië, en ook nog een maand over de terugreis, en Mohammed zou dat heen en terug in één nacht hebben gedaan?’ Velen die reeds moslim waren geworden werden toen afvallig. Sommige mensen gingen naar Abū Bakr en zeiden: ‘Wat vind jij nu van je vriend, Abū Bakr? Hij beweert dat hij vannacht naar Jeruzalem is geweest, daar het gebed heeft verricht en weer terug is gekomen naar Mekka!’ Abū Bakr antwoordde dat ze logen, maar toen zij zeiden dat de profeet er op datzelfde ogenblik over aan het vertellen was in de moskee, zei hij: ‘Als hij het zelf zegt, dan is het waar! En wat is daar zo vreemd aan? Hij vertelt mij immers ook dat er mededelingen tot hem komen van God, van de hemel naar de aarde, in een uur, en dan geloof ik hem toch ook, en dat is vreemder dan dat waar jullie nu zo versteld van staan.’ Daarop begaf hij zich naar de profeet en vroeg hem of het waar was. Toen deze het hem bevestigde zei hij: ‘Beschrijf mij Jeruzalem dan eens, want ik ben er zelf geweest.’ (De profeet zei: ‘Het werd mij in een gezicht getoond, zodat ik het in de verte zag.’) De profeet begon, en telkens als hij iets beschreef zei Abū Bakr: ‘Dat klopt. Ik getuig dat u de gezant van God bent’. Ten slotte zei de profeet: ‘En jij bent Abū Bakr al-ṣiddīq (die de waarheid getuigt)’. Op die dag kreeg hij de bijnaam al-ṣiddīq.
Over degenen die naar aanleiding hiervan afvielen van de islam heeft God geopenbaard: Wij hebben het gezicht dat wij je hebben laten zien slechts gemaakt tot een verzoeking voor de mensen, en ook de in de koran vervloekte boom. Wij willen hun angst aanjagen, maar het vergroot slechts hun overmoed. [17:60]
Dat was al-Hasans verhaal over de nachtreis van de profeet, met toevoegingen van Qatāda.

Iemand uit Abū Bakrs familie heeft mij verteld dat Aisja, de vrouw van de profeet, altijd zei: ‘Het lichaam van de profeet is niet weg geweest, maar God heeft zijn geest de nachtreis laten maken.’

Ya‘qūb ibn ‘Utba verhaalt: Mu‘āwiya ibn Abī Sufyān zei altijd, als hem werd gevraagd naar de nachtreis van de profeet: ‘Het was een waarachtig droomgezicht van God.’
Deze beide laatste opvattingen zijn niet in tegenspraak met wat Hasan zegt, gezien het vers waarin God spreekt: Wij hebben het gezicht dat wij je hebben laten zien slechts gemaakt tot een verzoeking voor de mensen, [17:60] noch met het woord Gods in het verhaal over Ibrāhīm waarin deze tot zijn zoon zegt: Mijn zoon, ik heb in de droom gezien dat ik je moet slachten, [37:102] en dat ook doet. Dus voor zover ik het begrijp komt de openbaring van God tot de profeten zowel wanneer zij waken als wanneer zij slapen.
Ik heb gehoord dat de profeet altijd zei: ‘Mijn ogen slapen terwijl mijn hart waakt.’ 1 Alleen God weet hoe het tot hem kwam en hoe hij die dingen heeft gezien, krachtens Gods beschikking. Maar of hij nu waakte of sliep, het is allemaal waar en echt gebeurd.

Al-Zuhrī heeft beweerd, op gezag van Sa‘īd ibn Musayyab, dat de profeet aan zijn gezellen een beschrijving heeft gegeven van Ibrāhīm, Mūsā en ‘Īsā, die hij in die nacht gezien heeft: ‘Ik heb nog nooit iemand gezien die meer op mij leek dan Ibrāhīm. Mūsā was een man met een rossig gezicht, lang en mager, met krulhaar en een kromme neus, alsof hij tot de stam Shanū’a behoorde. ‘Īsā de zoon van Maryam was een roodachtige man, van middelbare lengte, met glad haar en veel vlekken in zijn gezicht, alsof hij juist uit het badhuis was gekomen; het leek alsof het water van zijn hoofd droop, maar dat was niet zo. Degene van jullie die het meest op hem lijkt is ‘Urwa ibn Mas‘ūd, uit de stam Thaqīf.’

Uit het verhaal van Umm Hāni’ bint Abī Tālib het volgende. Zij vertelde altijd: De profeet heeft alleen een nachtreis gemaakt vanuit mijn huis. Die nacht sliep hij bij mij. Hij had het late avondgebed verricht en daarna was hij gaan slapen en wij ook. Kort voordat het dag werd maakte hij ons wakker, en nadat we samen het ochtendgebed hadden verricht zei hij: ‘Umm Hāni’, ik heb het late avondgebed verricht met jullie, in dit dal, zoals je gezien hebt. Toen ben ik naar Jeruzalem geweest; daar heb ik het gebed verricht en het ochtendgebed heb ik weer met jullie verricht, zoals je weet.’ Toen stond hij op om naar buiten te gaan, en ik greep het uiteinde van zijn kleed, zodat zijn buik bloot kwam, en die zag eruit als een geplooid Koptisch kleed. Ik zei: ‘Profeet, praat hier met niemand over, want ze zullen je voor leugenaar uitmaken en uitschelden.’ Maar hij antwoordde: ‘En óf ik het ze ga vertellen!’ Toen zei ik tegen een Ethiopisch slavinnetje van mij: ‘Vooruit, ga de profeet achterna en luister wat hij de mensen vertelt en wat zij daarop te zeggen hebben!’ De profeet ging naar buiten en vertelde de mensen wat hem overkomen was. Zij waren heel verbaasd en vroegen: ‘Wat voor bewijs heb je daarvoor, Mohammed? want zoiets hebben wij nog nooit gehoord!’ Hij zei: ‘Het bewijs ervoor is dat ik de karavaan van de stam zo-en-zo ben gepasseerd in het dal daar-en-daar; zij schrokken van het geluid van het rijdier zodat een van hun kamelen op hol sloeg, en ik heb hun gewezen waar die was. Dat gebeurde toen ik op weg was naar Syrië. Ik reisde verder tot ik bij de berg Dadjnān een karavaan van de mannen van de stam zo-en-zo passeerde, die ik slapende aantrof. Zij hadden een kruik water, die zij ergens mee hadden afgedekt. Ik haalde het deksel eraf en dronk hem leeg; toen deed ik het deksel er weer op. En ten bewijze daarvan zeg ik jullie dat hun karavaan op het ogenblik aan het afdalen is van de heuvel Baidā’, naar de Tan‘īm-pas, en voorop loopt een asgrijze kameel, beladen met twee grote zakken, waarvan de ene zwart is en de andere tweekleurig.’
Men haastte zich naar die pas, en de eerste kameel die ze tegenkwamen zag eruit zoals hij beschreven had. Ze vroegen de mannen naar die kruik, en dezen vertelden dat zij hem vol water hadden weggezet, met een deksel erop, en dat zij hem de volgende morgen wel met deksel en al hadden aangetroffen, maar dat er geen water meer in zat. Later is er ook navraag gedaan bij de mannen van die andere karavaan, toen die in Mekka waren. Zij zeiden: ‘Zo is het inderdaad gegaan: in het dal dat hij noemt zijn wij ergens van geschrokken en sloeg er een kameel op hol; toen hoorden wij de stem van een man die ons wees waar hij was, zodat wij hem weer te pakken kregen.’

Iemand over wie ik geen twijfel koester heeft mij verteld dat hij heeft vernomen van Abū Sa‘īd al-Khudrī: Ik heb de profeet horen zeggen: Nadat mij dit in Jeruzalem was overkomen werd mij een ladder gebracht. Iets mooiers dan die heb ik nog nooit gezien. Het was de ladder waarop een stervende zijn oog gericht houdt wanneer de dood nabij is. Djibrīl voerde mij daarlangs omhoog tot wij bij een der hemelpoorten kwamen, die de Poort der Wachters heette. Hierover was een engel gesteld genaamd Ismāʿīl, en onder hem stonden twaalfduizend engelen, die elk weer twaalfduizend engelen onder zich hadden. Hier gekomen met zijn verhaal zei de profeet: En niemand kent de legerscharen van uw Heer dan Hij alleen. [74:31]
Toen ik werd binnengeleid vroeg de engel: ‘Wie is dit, Djibrīl ?’
‘Het is Mohammed.’
‘Is hij al gezonden?’
‘Ja.’
Daarop zegende de engel mij.
Volgens een geleerde, die het weer van iemand anders had, heeft de profeet verteld: Alle engelen die ik tegenkwam toen ik de laagste hemel binnenging lachten blij en wensten mij goeds, behalve één, die wel hetzelfde zei als de anderen, maar er niet bij lachte, en bij wie ik geen vreugde zag. Ik vroeg Djibrīl waarom niet, en hij antwoordde: ‘Als hij ooit naar iemand had gelachen of dat later ooit nog zou doen, dan zou hij zeker naar u lachen, maar hij lacht nooit; het is Malik, de hellewachter.’ Ik vroeg aan Djibrīl —die immers bij God een plaats inneemt zoals beschreven in Gods woord: die daar gehoorzaamd en vertrouwd wordt [81:21]—: ‘Wilt u hem niet bevelen mij de hel te tonen?’ Hij zei: ‘Wel zeker! Malik, toon Mohammed de hel!’ Daarop nam deze het deksel eraf en het vuur laaide zo hoog op dat ik dacht dat het al wat ik zag zou verteren. Dus vroeg ik Djibrīl hem te bevelen het vuur terug te laten gaan, en dat deed hij. Dat teruggaan kan ik alleen vergelijken met het vallen van een schaduw. Toen het vuur was teruggegaan naar waar het vandaan was gekomen plaatste Malik het deksel er weer op.

Het verhaal van Abū Saʿīd vervolgt: De profeet zei: Toen ik de laagste hemel binnenging zag ik daar een man zitten aan wie de geesten der mensen voorbij werden geleid. Bij sommige geesten riep hij: ‘Goed zo!’ en dan zei hij blij: ‘Een goede geest uit een goed lichaam!’ maar bij andere riep hij: ‘Bah!’ en dan zei hij fronsend: ‘Een slechte geest uit een slecht lichaam!’ Toen ik Djibrīl vroeg wie dat was zei hij: ‘Dit is uw vader Adam, aan wie de geesten van zijn nageslacht voorbijtrekken; met de geest van een gelovige is hij blij, maar van de geest van een ongelovige walgt hij, en dan zegt hij dat.’
Toen zag ik mannen met hanglippen als kamelen; in hun handen hadden zij stukken vuur als vuistgrote stenen, die zij in hun mond wierpen en die er van achteren weer uitkwamen. Ik vroeg Djibrīl wie dat waren, en hij antwoordde, dat het de mensen waren die onrechtmatig het bezit van de wezen hadden verteerd.
Toen zag ik mannen met buiken zoals ik ze nog nooit had gezien, die werden gestraft op de wijze van het geslacht van Farao, [40:46] terwijl zij aan het vuur werden blootgesteld liepen er wezens over hen heen als dorstige kamelen; ze trapten op hen zonder dat zij van hun plaats konden komen. Djibrīl zei mij dat dit de woekeraars waren.
Toen zag ik mannen die mager, stinkend vlees voor zich hadden staan en vet, smakelijk vlees ernaast, maar alleen van het stinkende vlees konden zij eten. Dit waren degenen die niet de vrouwen namen die God hun toestond, maar vrouwen naliepen die God hun verbood.
Toen zag ik vrouwen die waren opgehangen aan hun borsten. Dit waren de vrouwen die hun man een kind geschonken hadden waarvan hij niet de vader was.
Toen voerde hij mij omhoog naar de tweede hemel, en daar waren de twee neven: ‘Īsā de zoon van Maryam en Yahyā de zoon van Zakariā.
Toen voerde hij mij omhoog naar de derde hemel, en daar was een man met een gelaat zo schoon als de maan wanneer die vol is. Ik vroeg Djibrīl wie het was, en hij antwoordde: ‘Dit is uw broeder Yūsuf, de zoon van Ya‘qūb.’
Toen voerde hij mij omhoog naar de vierde hemel, en daar was een man van wie Djibrīl zei dat het Idrīs2 was: En Wij hebben hem verheven naar een hoge plaats. [19:57]
Toen voerde hij mij omhoog naar de vijfde hemel, en daar was een man met wit haar en een lange witte baard; nooit heb ik een man gezien die mooier was dan hij. Djibrīl zei: ‘Dit is de meest geliefde onder zijn volk: Hārūn, de zoon van ‘Imrān.’
Toen voerde hij mij omhoog naar de zesde hemel, en daar was een donkere, lange man met een kromme neus, die eruit zag als iemand van de stam Shanūʾa. Djibrīl zei: ‘Dit is uw broeder Mūsā, de zoon van ‘Imrān.’
Toen voerde hij mij omhoog naar de zevende hemel, en daar was een man die op een stoel zat bij de poort van het Eeuwige Verblijf, waardoor iedere dag zeventigduizend engelen naar binnen traden, die daar niet zouden terugkeren voor de Dag der Opstanding. Nooit heb ik iemand gezien die zo op mij leek als hij. Djibrīl zei: ‘Dit is uw vader Ibrāhīm.’
Toen voerde hij mij het paradijs binnen, en daar zag ik een meisje met donkerrode lippen. Ik vroeg haar voor wie zij was, want zij beviel mij zeer, en ze antwoordde: ‘Voor Zayd ibn Hāritha.’ Dat goede nieuws bracht de profeet aan Zayd over.

Aan het bericht van ‘Abdallāh ibn Masʿūd ontleen ik het volgende: Telkens als Djibrīl hem omhoog voerde naar een volgende hemel werd hem, als hij toestemming vroeg om binnen te treden, gevraagd wie hij bij zich had. Dan zei hij: ‘Mohammed,’ en als hij dan hun vraag of hij reeds gezonden was bevestigend beantwoordde, zeiden zij: ‘God schenke hem leven, deze broeder en vriend!’ tot hij hem naar de zevende hemel voerde, en ten slotte naar zijn Heer, die hem vijftig gebeden per dag oplegde.
De profeet heeft daarover verteld: Op de terugweg kwam ik langs Mūsā, en wat een goede vriend was hij voor jullie! Hij vroeg mij:
‘Hoeveel gebeden zijn je opgelegd?’
‘Vijftig gebeden per dag.’
‘Het gebed is een zware last, en je volk is zwak. Keer dus terug naar de Heer en vraag Hem, jou en je volk verlichting te schenken.’
Dat deed ik, en Hij nam er tien af. Toen ik weer langs Mūsā kwam zei hij dat weer, en zo ging het door tot er nog maar vijf gebeden over waren. Maar toen ik daarop weer bij Mūsā kwam en hij mij nogmaals dezelfde raad gaf, antwoordde ik: ‘Ik ben nu zo dikwijls teruggegaan naar mijn Heer om dat te vragen, dat ik mij schaam; nu doe ik het niet meer.’
Ten slotte zei de profeet: ‘Ieder van jullie die deze vijf gebeden verricht in geloof en vertrouwen op de beloning, die zullen er vijftig vergolden worden.’

[Uit Ibn Isḥāq: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, blz. 79–87.]

NOTEN
1. De tekst stamt uit de bijbel, Hooglied 5:2.
2. Dat is Henoch, vgl. Genesis 5:24.

Diakritische tekens: ʿĀʾisha, al-Ḥasan al-Baṣrī, Ṭālib, Yaḥyā, Ḥāritha

Terug naar Inhoud

Paradijswijn (vertaalde tekst)

Een zekere kalief,1 wiens verstand is beneveld door de dronkenschap der lusten, zal misschien zeggen: ‘Hoe kan [wijn] verboden en laakbaar zijn en tegelijk prijzenswaardig, waar toch zijn substantie (‘ayn) een en de zelfde is en de sharia hem niet verboden verklaart?’. Men zou hem kunnen antwoorden: ‘De wijn die laakbaar is in deze wereld is níet dezelfde als de wijn die prijzenswaardig is in het hiernamaals, want degenen die hem daar drinken krijgen er geen hoofdpijn van en raken niet beneveld (Koran 56:19). Die wijn leidt niet tot agressie of haat en zal niemand ervan afhouden God te gedenken of afleiden van zijn ordinantiën. Maar de wijn hier doet dat alles wel, en daarom is de wijn in deze wereld laakbaar en die in het hiernamaals prijzenswaardig.’

Bron: Muhammad ibn Dāwūd al-Isbahānī, Kitāb al-Zahra, hoofdst. 81.

فلعلّ بعض الخلفاء أن يغلب على عقله سكرة الأهواء فيقول: كيف تكون محرمة مذمومة وممدوحة، وعينها واحدة، ولم تأتِ الشريعة بتحريمها؟ فيقال له: الخمر المذمومة في هذه الدار غير الخمر المدوحة في تلك الدار، لأنّ أصحاب تلك الدار لا يُصدَّعون عنها ولا يُنزَفون منها، وتلك لا توقع العداوة والبغضاء، ولا تصدُّ عن ذكراه وعن فرضه. وهذه الخمر تفعل جميع ذلك، فلهذه العلل صارت الخمر في الدنيا مذمومة وفي الآخرة ممدوحة.

NOOT
1. Bedoeld is misschien Ibn al-Muʿtazz, een tijdgenoot van de auteur, die één dag kalief is geweest en een vrijmoedig boekje over het gebruik van wijn heeft geschreven (Fuṣūl al-tamāthīl, Cairo 1925). Of we moeten in plaats van al-khulafā’  lezen: al-khula‘ā’, maar dat betekende in die tijd bij mijn weten nog niet ‘losbol’.

MUHAMMAD IBN DAWUD AL-ISBAHANI: Startpunt:
Hadith bij Ibn Dawud: Hadith.
Graeco-Arabica bij Ibn Dawud: Verliefdheid als ziekte. Liefde als doodsoorzaak. Platonische liefde.
Ibn Dawuds liefdestheorie: Verliefdheid als ziekte. Liefde als doodsoorzaak. Platonische liefde.
Anecdotes over zijn leven: Zijn liefdesdood.             Terug naar Inhoud