Terugschrikkende profeten

Volgens één van de verhalen over de eerste openbaring aan Mohammed bevond deze zich in retraite op de berg Hirā’ toen de engel Djibrīl (Gabriël) tot hem kwam:

  • In de woorden van de Profeet zelf: Terwijl ik sliep kwam Djibrīl bij mij met een brokaten deken met schrifttekens erop. Hij zei: ‘Lees voor!’ Ik zei: ‘Ik kan niet lezen (mā aqra’u).’ Vervolgens drukte hij daarmee mijn keel zo krachtig toe dat ik dacht dat het de dood was. Toen liet hij me los en zei: ‘Lees voor!’ Ik zei: ‘Ik kan niet lezen.’ Toen drukte hij weer zo hard dat ik dacht dat het de dood was. Toen liet hij me los en zei: ‘Lees voor!’ Ik zei: ‘Wat moet ik dan voorlezen? (mā dhā aqra’u)’ en dat zei ik alleen om van hem af te komen, want ik was bang dat hij het nog eens zou doen. Hij zei: Lees voor in de naam van jouw Heer die geschapen heeft,
 de mens geschapen heeft uit een bloedklomp.
 Lees voor: Zeer edelmoedig is uw Heer, 
die onderwezen heeft het gebruik van de pen, 
de mens onderwezen heeft wat hij niet kende. [koran 96:1–5]
    Dat reciteerde ik; toen liet hij mij los en ging weg, en toen ik ontwaakte was het alsof het in mijn hart gegrift stond.
    Nu was er geen schepsel waar ik een groter hekel aan had dan dichters en bezetenen; ik kon ze niet zien of luchten. En ik dacht: ‘O wee, deze nietswaardige’—hij bedoelde zich zelf—‘is een dichter of een bezetene. Maar dat zullen de Qurayshieten nooit van mij zeggen! Ik zal hoog de berg opklimmen en mij eraf storten; dan heb ik rust.’ Dus ging ik met die bedoeling op weg en toen ik halverwege de berg was hoorde ik een stem uit de hemel die zei: ‘Mohammed! Jij bent de gezant Gods en ik ben Djibrīl.’ Ik keek naar boven, naar de hemel, om te zien wie er sprak, en daar was Djibrīl, in de gedaante van een man, die met zijn voeten naast elkaar aan de einder stond, en hij zei: ‘Mohammed! Jij bent de gezant van God en ik ben Djibrīl.’ Ik bleef naar hem staan kijken, en dat bracht mij van mijn voornemen af; ik ging vooruit noch achteruit. Toen wilde ik mijn gezicht van hem afwenden, maar waar ik ook keek aan de horizon, overal zag ik hem weer. Zo lang bleef ik daar staan, zonder een stap vooruit of achteruit te doen, dat Khadīdja haar boden stuurde om mij te zoeken; zij kwamen tot aan Mekka en gingen weer terug, terwijl ik nog op diezelfde plaats stond. Toen verliet Djibrīl mij. Ik ging terug naar mijn gezin en ging bij Khadīdja zitten, dicht tegen haar aan.

Dit verhaal gaat over wat christelijke theologen een ‘roepingsvisioen’ noemen. Van verscheidene profeten wordt in het Oude Testament beschreven hoe zij zeggen de taak waartoe God hen roept niet aan te kunnen.
Mozes wordt opgedragen zijn volk uit Egypte naar het land Kanaän over te brengen. Hij heeft een aantal uitvluchten, en voert tenslotte aan: ‘Neem mij niet kwalijk Heer, maar ik ben geen goed spreker. […] Ik kan nooit de juiste woorden vinden’ (Exodus 4:10).
Jesaja ziet een ontzagwekkend visioen van de Heer, omgeven door twee serafs. Hij roept uit: ‘Wee mij! Ik moet zwijgen, want ik ben een mens met onreine lippen…’ (Jesaja 6:5).
Jeremia zegt bij zijn roeping: ‘Nee Heer, ik kan het woord niet voeren, ik ben te jong’ (Jeremia 1:6).
Ezechiël schrikt ontzettend en werpt zich ter aarde bij het zien van een geweldig visioen (Ezechiël 1–3).

De profeten hebben natuurlijk gelijk; inderdaad kunnen zij hun taak niet zonder meer volbrengen. Maar God maakt hen bereid, sterkt hen, geeft hun zijn woorden in en dan gaat het. Jesaja’s onreine lippen worden gereinigd met een gloeiende kool van het altaar; daarna wil hij wel profeteren. Ezechiël wordt door God opgeheven en wordt een boekrol te eten gegeven; Mohammed krijgt de Schrift bijna letterlijk zijn strot in geduwd. Van zowel Ezechiël (Ez. 3:14–15) als Mohammed wordt verteld dat zij na hun roepingservaring behoorlijk van slag zijn.
Alleen de bijbelse profeet Jona zegt niet dat hij geen profeet kan zijn, hij weigert het gewoon. God draagt hem op naar Nineve in Irak te gaan, maar hij neemt een schip de andere kant op, met het welbekende gevolg.

Een beetje lastig zijn in het verhaal over Mohammeds roeping de woorden mā aqra’u, hierboven vertaald met: ‘Ik kan niet lezen’— waarbij in die oude tijd lezen altijd neerkwam op: hardop voorlezen, reciteren.
mā aqra’u wordt vaak vertaald met: ‘wat zal ik lezen?’. Uitgesloten is dat niet, maar meer voor de hand ligt daarvoor het Arabische mā dhā aqra’u. Bovendien: in het verhaaltje staat twee maal mā aqra’u en eenmaal mā dhā aqra’u: dat is contrasterend bedoeld.
mā aqra’u is in allerlei vormen van modern(!) gesproken Arabisch een neutraal: ‘ik lees niet/zal niet lezen/ga niet lezen.’ In de schrijftaal was en is dat echter lā aqra’u.
+ imperfectum. Volgens W. Fischer, Grammatik des klassischen Arabisch, Wiesbaden 21987, § 321 “bestreitet mit Impf. den Vorgang oder dessen Möglichkeit: [… ] mā yarāka, ‘er sieht dich gar nicht, kann dich nicht sehen’.” De andere grammatica’s van het klassiek Arabisch hebben niets belangwekkends te melden.

Op grond van dat dunne zinnetje bij Fischer én de bovenstaande bijbelse voorbeelden heb ik in het verhaal over Mohammeds roeping gekozen voor de vertaling: ‘Nee, ik kan niet lezen’.

Terug naar Inhoud

Vroegrijpe profeten

Een zeer korte zoekactie in Ginzberg, The Legends of the Jews, 6 dln., Philadelphia 1954–59, maakt al duidelijk dat vele oude ‘profeten’ op wonderbare wijze vroegrijp waren. Dat hoorde er gewoon bij. Enkele voorbeelden:

  • Toen Abraham als zuigeling door zijn voedster in een grot alleen achter werd gelaten begon hij te huilen. ‘God zond Gabriel om hem melk te drinken te geven. De engel liet deze uit de pink van de rechterhand van de zuigeling stromen en hij zoog daarop tot hij tien dagen oud was. Toen stond hij op en verliet de grot …’ en begon prompt met de bestrijding van het veelgodendom.
  • ‘Tot zijn zeventiende jaar bezocht Jozef het leerhuis, en hij werd zo geleerd dat hij zijn broeders de Halakhot kon overbrengen die hij van zijn vader geleerd had, en zo was hij als hun leraar te beschouwen.’
  • ‘[Mozes’] verwanten en geheel Israël wisten dat het kind voor grote dingen was voorbestemd, want toen hij nauwelijks vier maanden oud was begon hij te profeteren: “In de toekomst zal ik de Thora ontvangen van de vlammende toorts.”

Enzovoort, enzovoort. Vroegrijpheid is ook een kenmerk van Jezus. Volgens het Evangelie van Lukas (2:41-52) werd Jezus op zijn twaalfde jaar aangetroffen in de tempel van Jeruzalem, waar hij naar de schriftgeleerden luisterde en hen vragen stelde, hen verbazend met zijn inzicht en zijn antwoorden.
Het apocriefe, eind tweede-eeuwse Kindheidsevangelie van ‘Thomas de Israëliet’ schildert de jonge Jezus als een vroegrijp kind, dat al meteen in staat was wonderen te doen. Reeds op vijfjarige leeftijd had hij met andere kinderen van leem twaalf mussen gemaakt. Toen een jood bij Jozef bezwaar had gemaakt omdat dit op de sabbat gebeurd was en deze hem daarop aansprak klapte Jezus in zijn handen en riep: ‘Weg met jullie!’ De vogels sloegen hun vleugels uit en vlogen weg. In koran 3:4–9 staat een verhaal dat hier sterk aan herinnert. Daar doet Jezus het wonder echter niet als klein kind.
Volgens het Kindheidsevangelie was Jezus als kind een uitgesproken ettertje. Hij wist nog niet hoe hij zijn gave menslievend aan kon wenden. Een jongetje dat hem bij een kinderspel in de weg zat liet hij verdorren als een boom; tegen een ander joch, dat hem per ongeluk aanstiet, zei hij: ‘Jij gaat hier niet verder!’ waarop de jongen omviel en stierf. Op zijn achtste was hij wat menselijker geworden. Toen hij eens hielp bij het oogsten bracht hij een ongelooflijke hoeveelheid tarwe binnen, die hij onder de armen verdeelde. Dit zijn slechts enkele voorbeelden.1

Over de profeet Mohammed is verteld dat hij bij zijn voedster

  • ‘… opgroeide als geen andere jongen en vast voedsel kon eten voordat hij twee jaar oud was.’ 2

Of sterker nog:

  • ‘Hij groeide in een dag zoveel als een ander kind in een maand, en hij toen hij zes maanden oud was kon hij vast voedsel eten.’ 3

Nog bij zijn voedster zou hij als zuigeling lammetjes hebben gehoed achter haar tent:

  • ‘De profeet heeft gezegd: ‘Ik heb een voedster gehad bij de stam Saʿd ibn Bakr, en toen ik eens met een broertje achter onze tenten lammetjes aan het weiden was….’ 4

Eveneens daar werd hij onderzocht, resp. gereinigd door twee engelen: het verhaal van de *splijting van de buik.5 Als jongen zat hij graag bij de Ka‘ba: een parallel met Jezus, die zich als jongen thuis voelde in de Tempel van Jeruzalem. In beide gevallen wilden anderen de jongens daar weghalen.6

Meer is er te vinden in de hadithen over Ibn Sayyād, een dadjdjāl (een soort antichrist-figuur), die Mohammed nog ontmoet zou hebben. Hij was geen profeet, maar wordt wel voorgesteld als iemand die graag deed alsof. In zijn rol van nep-profeet moest ook Ibn Sayyād vroegrijp zijn. Als pasgeboren zuigeling schreeuwde hij als een jongen van een maand, of zelfs twee maanden. Hij trad reeds op als kāhin (zoiets als een sjamaan of waarzegger) toen hij nog een kind was en bij zijn moeder woonde. In een ander verhaal ‘speelde hij met de jongens, en was zelf ook een jongen’ toen Mohammed hem bezocht om zijn verontrustende eigenschappen in ogenschouw te nemen.7

Dit laat zien dat het joodse motief ‘vroegrijpe profeet’ in de vroege islam bekend en gangbaar was. Geen wonder: het Arabische rijk der Umayyaden was nog geheel doordrenkt met christelijke en joodse literaturen.
Wat zit erachter die vroegrijpheid? Mohammed zou veertig geweest zijn toen hij geroepen werd; Jezus ongeveer dertig. De vraag is dan altijd: wat deden zij vóór hun roeping? Een banaal leven leiden? Zondigen misschien? De vertellers proberen de profeten zo vroeg mogelijk hun hoge roeping waardig te maken.

NOTEN
1. Wilhelm Schneemelcher, Neutestamentliche Apopryphen in deutscher Übersetzung, I. Band, Evangelien, 5. Aufl., Tübingen 1987, 353–57. Engelse vertalingen hier.
2. Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 105. Normaal bleef een zuigeling twee tot twee en een half jaar aan de moederborst.
3. Ibn al-­Athīr, al­-Nihāya fī gharīb al­-ḥadīth wal­-athar, 5 dln., Beirut (Dār al­-Fikr) z.j., i, 277.
4. Ibn Isḥāq, o.c. 106.
5. Ibn Isḥāq, o.c. 106.
6. Ibn Isḥāq, o.c. 107–108.
7. Wim Raven, “Ibn Ṣayyād as an Islamic ‘Antichrist’. A reappraisal of the texts,” in: Endzeiten. Eschatologie in den monotheistischen Weltreligionen, uitg. Wolfram Brandes en Felicitas Schmieder, Berlin/New York 2008, 266–67. Het artikel kunt U hier downloaden.

Terug naar Inhoud

De hel volgens al-Kisa’i

(Over de auteur zie hier.)

Wahb ibn Munabbih heeft gezegd: De hel heeft zeven poorten; de afstand tussen elke twee van hen is een reis van vijfhonderd jaar. In iedere poort zijn zeventigduizend soorten foltering: touwen, handboeien, voetboeien, kettingen, vergiften, ḥamīm en zaqqūm.
De eerste is Djahannam (Gehenna). De tweede is Laẓā, die is voor de beeldendienaren. De derde is Hutama, voor Yādjūdj en Mādjūdj (Gog en Magog) en dergelijke ongelovigen. De vierde is Sa‘īr, die is voor de Satan, [zoals] God heeft gezegd: Wij hebben voor hen de kwelling van de vuurgloed (Sa‘īr) bereid (koran 67:5). De vijfde is Saqar, voor degenen die het gebed niet verrichten en geen aalmoezen geven, zoals Hij heeft gezegd: Wat heeft u in Saqar gebracht? Zij zullen zeggen: Wij behoorden niet tot degenen die het gebed verrichtten en de armen hebben wij niet gespijzigd; en wij hebben meegepraat met de leugensprekers en de Dag des Oordeels hebben wij geloochend, tot de zekere [dood] tot ons kwam (k. 74:42–47). De zesde is Djahīm, die is voor de joden, christenen en magiërs. De zevende is Hāwiya, die is voor de Halfhartigen, want Hij zegt: De halfhartigen komen in de laagste verdieping van het hellevuur (k. 4:145). Dit alles is ontleend aan Zijn woord: Zij heeft zeven poorten; elke van hen heeft een toegewezen deel (k. 15:44).
Ibn ‘Abbās heeft gezegd: Het paradijs is aan de rechterkant van de Troon en de hel is aan de linkerkant, en zij heeft zeven koppen.
Ka‘b al-Ahbār heeft gezegd: Zij heeft zeven lagen, zeven poorten en zeven koppen, waarvan elke drieëndertig monden heeft. In iedere mond zijn tongen, welker aantal niemand kent dan God; zij loven God op verschillende manieren. Er zijn daar bomen van vuur, waarvan de doorns als lange lansen zijn en laaien van vuur. Daaraan hangen vruchten van vuur en op iedere vrucht is een slang die de ongelovige bij zijn oogharen en lippen pakt en dan zijn huid afstroopt tot aan zijn voeten. En er zijn ook beulsknechten met ijzeren kromstaven in hun handen; elke daarvan heeft aan het eind driehonderdzestig zuilen van vuur, die djinns noch mensen kunnen dragen. Daarover zijn negentien engelen aangesteld, zoals God zegt: de huid verzengend; over haar zijn negentien (k. 74:29–30), die God niet ongehoorzaam zijn en hun bevelen uitvoeren.

Arabische bron: Al-Kisāʾī, Vita prophetarum, uitg. Isaac Eisenberg, Leiden 1922, 18–19.

صفة جهنم.
قال وهب بن منبه رضه: وأما جهنم فلها سبعة أبواب ما بين البابين مسيرة خمسمائة عام في كل باب سبعون ألف صنف من العذاب من قيود وأنكال وأغلال وسلاسل وسموم وحميم وزقوم. فأولى جهنم والثانية لَظَى وهي لعبدة الأصنام والثالثة الحُطَمَة وهي لياجوج وماجوج وما يشببههم من الكفار والرابعة السَعِير وهي للشيطان قال الله تعالى وَأَعْتَدْنَا لَهُمْ عَذَابَ السَّعِيرِ والخامسة سَقَرُ وهي لمن لا يصلّي ولا يزكّي وذلك قوله تعالى مَا سَلَكَكُمْ فِي سَقَرَ قَالُوا لَمْ نَكُ مِنَ الْمُصَلِّينَ وَلَمْ نَكُ نُطْعِمُ الْمِسْكِينَ وَكُنَّا نَخُوضُ مَعَ الْخَائِضِينَ وَكُنَّا نُكَذِّبُ بِيَوْمِ الدِّينِ حَتَّىٰ أَتَانَا الْيَقِينُ والسادسة الجَحِيمُ وهي لليهود والنصارى والمجوس والسابعة الهَاوِيَةُ وهي للمنافقين لقوله تعالى إِنَّ الْمُنَافِقِينَ فِي الدَّرْكِ الْأَسْفَلِ مِنَ النَّارِ وهذا كله مأخوذ من قوله تعالى لَهَا سَبْعَةُ أَبْوَابٍ لِكُلِّ بَابٍ مِنْهُمْ جُزْءٌ مَقْسُومٌ، قال ابن عباس رضه الجنة عن يمين العرش والنار عن شماله ولها سبعة رؤوس. قال كعب الأحبار لها سبعة أطباق وسلعة أبواب وسبعة رؤوس في كل رأس ثلاثة وثلاثون فمًا في كل فم من الألسنة ما لا يحصي عددها الا الله تعالى وهي تسبّح الله بأنواع التسبيح وفيها أشجار من النار شوكها كأمثال الرماح الطوال فتلظى بالنيران وعليها أثمار من النار وعلى كل ثمرة حيّة تأخذ بأشفار عين الكافر وشفتيه فيسقط لحمه على قدميه وفيها زبانية في أيديهم مقامع من حديد في رأس كل مقمعة ثلثمائة وستون عمودًا من نار كل عمود يعجز عن حمله الجنّ والإنس وعليها تسعة عشر من الملائكة كما قال الله تعالى لَوَّاحَةٌ لِلْبَشَرِ عَلَيْهَا تِسْعَةَ عَشَرَ لا يعصون الله ما أمرهم ويفعلون ما يؤمرون.

Diakritische tekens: ḥamīm, Laẓā, Ḥuṭama, Djaḥīm, Kaʿb al-Aḥbār

Naar Profetenverhalen     Terug naar Inhoud

Profetenverhalen (korte definitie)

Profetenverhalen (Arabisch: قصص الأنبياء, qisas al-anbiyā’) vertellen niet over de profeet Mohammed (over hem zie sira), maar over de vroegere profeten. Moslims beschouwen bepaalde vooraanstaande personen uit de bijbel als profeet, die dat volgens de joodse en christelijke traditie niet waren: Abraham, Mozes, Jezus en andere.
De koran heeft al verhalen over die profeten verteld. In de vroege islam borduurden de zog. Vertellers daarop voort, gebruik makend van het materiaal van hun joodse en christelijke voorgangers, wat in later tijd minder gewaardeerd werd (isrāʾīlīyāt). Een bekende oude verteller van profetenverhalen was *Wahb ibn Munabbih (± 654–728). In latere eeuwen werden de verhalen gebundeld door al-Tha‘labī, al-Kisā’ī e.a.. De bundels vertellen niet alleen over de profeten, maar ook over de schepping en bijv. over de ruimtereis van Bulūqiyā, die in de hemel de profeet zocht.
Vele moslims kunnen deze vaak fantastische verhalen uit religieus oogpunt niet serieus nehmen, maar ze zijn te spannend en te grappig om weg te gooien, zodat ze vaak zijn herdrukt.
Enige proeven: Allochthone wolf. Ontharingspasta. De hel volgens al-Kisāʾī.

Lektuur: Roberto Tottoli, Biblical Prophets in the Qurʾān and Muslim Literature, London/New York (Routledge) 2002. Of als U liever het Itaiaanse origineel leest: I profeti biblici nella tradizione islamica, Brescia 1999.

Diakritische tekens: qiṣaṣ al-anbiyāʾ

Terug naar Inhoud

Al-Kisa’i

Muhammad ibn ‘Abdallāh al-Kisāʾī is een obscuur geworden Arabische auteur, van wie niet precies bekend is wie hij was en wanneer en waar hij geleefd heeft. Van hem bestaat er een boek getiteld Qisas al-anbiyāʾ (Profetenverhalen), dat is uitgegeven en in het Engels vertaald. In de islamitische wereld is het nauwelijks bekend, maar dat was vroeger kennelijk anders, want er bestaan veel handschriften van.
Zijn verzameling profetenverhalen is enerzijds heel wat magerder dan de veel bekendere collectie van al-Tha‘labī, maar heeft anderzijds oude ‘vertellers’-stof bewaard die elders niet voorkomt. Zoals altijd wemelen de verhalen van koranverzen, maar die zijn meer dan eens later toegevoegd aan een vertelling die aanvankelijk zonder exegetisch oogmerk werd verhaald. De profeten zijn bij al-Kisāʾī uitdrukkelijk wonderdoeners. Uiteraard wordt niet nagelaten de vooraanstaande plaats van Mohammed en van de stad Mekka te benadrukken. De ‘magerheid’ van de verhalen heeft tot het vermoeden aanleiding gegeven dat al-Kisāʾī’s boek oorspronkelijk een soort handboek voor vertellers is geweest, die hun eigen invulling aan de verhalen konden geven. In de verschillende handschriften is de tekst heel verschillend, wat erop wijst dat er een aantal herzieningen heeft plaatsgehad.

Al-Kisāʾī over de hel

BIBLIOGRFIE
Primair: Arabische tekst: Al-Kisāʾī, Vita prophetarum, uitg. Isaac Eisenberg, Leiden 1922. Engelse vertaling: Tales of the Prophets (Qisas al-anbiyā’), translated by Wheeler M. Thackston Jr., Chicago 1997.
Secundair: Roberto Tottoli, Biblical Prophets in the Qurʾān and Muslim Literature, London/New York (Routledge) 2002, 151–155; daar ook verdere bibliografie. Wat ouder: T. Nagel, ‘al-Kisāʾī,’ in EI2.

Diacritische tekens: Muḥammad , Qiṣaṣ

Naar Profetenverhalen                Terug naar Inhoud

De ‘Vertellers’, de eerste koranuitleggers

De behoefte aan koranuitleg werd aanvankelijk bevredigd door de ‘Vertellers’ (Arabisch: qāss, mv. qussās). Dat waren de eerste ‘islamitische’ intellectuelen, die vaak bijklusten als rechter of in de handel. In de tijd van de Umayyaden (661–750) mochten zij na de vrijdagspreek de gelovigen toespreken in de moskee. Ze legden de koran uit, vertelden over de profeet Mohammed, maar ook over de vroegere profeten, en schilderden het paradijs en de hel.
Hun vertelsels (qissa, mv. qisas) waren tegelijk stichtelijk en onderhoudend (kom daar vandaag eens om!) en vaak uitgesproken fantastisch. Als zij uitweidden over wat de koran vertelt over de vroegere profeten putten zij vaak uit joodse of christelijke vertellingen, zowel bijbelse als niet bijbelse, de zogeheten isrā’īlīyāt. Zo zetten zij voort wat in de koran al was begonnen: Mohammed wordt als laatste en beste profeet gepositioneerd in een reeks vroegere profeten, terwijl deze laatsten ook de trekken van Mohammed meekrijgen.
Na 700 werden de ‘Vertellers’ steeds vaker uit de moskeeën verbannen. Hun reputatie werd slechter; sommigen van hen eindigden op straat, waar zij ook hun publiek vonden. Hun neiging tot fantaseren ergerde de vrome gelovigen en hadith-­geleerden toenemend, en het niet-islamitische materiaal dat zij verbreidden werd steeds minder acceptabel gevonden.
Omdat zij geen schrijvers waren, hun goede naam al vrij snel kwijt raakten en bij de Abbasiden­dynastie (vanaf 750) definitief uit de gratie waren, zijn er nauwelijks teksten van ‘Vertellers’ onder hun eigen naam in boeken bijeengebracht. (Een uitzondering is *Wahb ibn Munabbih.) Vóór 750 bestonden er ook nauwelijks boeken. Maar hun vertelstof heeft in tenminste twee genres overleefd: in de sīra en in de tafsīr (koranexegese), ondanks alle pogingen van de auteurs in die genres om zich van hen te distantiëren en hun stof te fatsoeneren.
De ‘ulamā’, de geleerden namen geleidelijk hun plaats in. Zij hadden een geheel andere opvatting van hun taken. Het is niet zo dat er later niet meer naar aanleiding van koranteksten ‘verteld’ werd. Ik herinner slechts aan de uitvoerige Profetenverhalen uit de tiende eeuw. Alleen de status, het religieuze prestige van dergelijke verhalen werd geringer.
Bij wijze van voorbeeld twee oude teksten die duidelijk de sfeer van een ‘Verteller’ ademen:

  • Aan het bericht van ‘Abdallāh ibn Mas‘ūd ontleen ik het volgende: Telkens als Djibrīl hem [= de profeet] omhoog voerde naar een volgende hemel werd hem, als hij toestemming vroeg om binnen te treden, gevraagd wie hij bij zich had. Dan zei hij: ‘Mohammed,’ en als hij dan hun vraag of hij reeds gezonden was bevestigend beantwoordde, zeiden zij: ‘God schenke hem leven, deze broeder en vriend!’ tot hij hem naar de zevende hemel voerde, en ten slotte naar zijn Heer, die hem vijftig salaats per dag oplegde.
    De profeet heeft daarover verteld: Op de terugweg kwam ik langs Mūsā (Mozes), en wat een goede vriend was hij voor jullie! Hij vroeg mij:
    ‘Hoeveel gebeden zijn je opgelegd?’
    ‘Vijftig per dag.’
    ‘Het gebed is een zware last, en je volk is zwak. Keer dus terug naar de Heer en vraag hem, jou en je volk verlichting te schenken.’
    Dat deed ik, en hij nam er tien af. Toen ik weer langs Mūsā kwam zei hij dat weer, en zo ging het door tot er nog maar vijf salaats over waren. Maar toen ik daarop weer bij Mūsā kwam en hij mij nogmaals dezelfde raad gaf, antwoordde ik: ‘Ik ben nu zo dikwijls teruggegaan naar mijn Heer om dat te vragen, dat ik mij schaam; nu doe ik het niet meer.’
    Ten slotte zei de profeet: ‘Ieder van jullie die deze vijf salaats verricht in geloof en vertrouwen op de beloning, die zullen er vijftig vergolden worden.’ 1
  • ‘Abdallāh ibn ‘Amr levert over van Abū Muwayhiba, een vrijgelatene van de profeet: De profeet maakte mij midden in de nacht wakker en zei dat hem was opgedragen daar voor de doden te gaan bidden, en dat ik mee moest komen. Toen hij op de begraafplaats stond zei hij: ‘Gegroet, jullie in de graven. Jullie verkeren in een betere toestand dan de levenden. De verzoekingen komen als flarden van duistere nacht, de ene na de andere, en de laatste zal erger zijn dan de eerste.’ 2

NOTEN
1. Ibn Ishāq, SīraDas Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg.. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 271; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 87–87.
2. ibidem, 1000; ibidem, 244.

MEER LEZEN
– Ch. Pellat, „Kāss“ en„Kissa I“ in EI2.
– Lyall R. Armstrong, The Quṣṣāṣ of Early Islam, Leiden 2016.
– A. A. Duri, The Rise of Historical Writing among the Arabs, hg. und übers. Lawrence I. Conrad, Einf. Fred M. Donner, Princeton 1983, Index s. v. qisas.
– G. Vajda, „Isrā’īliyyāt,“ in EI2.
– I. Goldziher, Muhammedanische Studien i–ii, Halle 1888–90, vooral. ii, 160–170.
– Merlin S. Swartz, Ibn al-Jawzī’s Kitāb al-qussās wal-mudakkirīn. Including a Critical Edition, Annotated Translation and Introduction. Beirut [1969].
– al-Djāhiz, al-Bayān wal-tabyīn, uitg. ‘Abd al-Salām Muhammad Hārūn, Kairo, 4 Bde. 1985; i, 367–9.

Diakritische tekens: qāṣṣ, quṣṣāṣ, qiṣṣa, mv. qiṣaṣ,ʿulamāʾ, ṣalāt, Ibn Isḥāq, Ḳāṣṣ, Ḳiṣṣa, Isrāʾīliyyāt, quṣṣās, al-Djāḥiẓ, Muḥammad

Terug naar Inhoud

Allochthone wolf

Een fragment uit een profetenverhaal van al-Tha‘labī:
In koran 12:17 zeggen Jozefs broers, nadat hem in de woestijn hebben achtergelaten, tegen zijn vader Jacob: وتركنا يوسف عند متعنا فأكله الذئب We hebben Jozef achtergelaten bij onze spullen; toen heeft een wolf hem opgevreten. Het verhaal fantaseert daaromheen:

  • [Jacob] zei tegen hen: ‘Als het waar is dat een wolf Jozef heeft opgevreten, waar is die wolf dan? Breng hem hier!’
    Ze haalden hun touwen en stokken, trokken de woestijn in en joegen een wolf, die zij vingen en vastbonden. Die brachten ze bij Jacob en zetten hem voor hem neer.
    Hij zei: ‘Maak hem los!’ Dat deden ze en Jacob vroeg de wolf dichterbij te komen. Hij kwam langs de hele groep gestapt tot hij met gebogen hoofd voor Jacob stond.
    Jacob zei tegen hem: ‘Wolf, je hebt mijn zoon opgevreten, mijn oogappel, de geliefde van mijn hart en je hebt mij eindeloos verdriet en diepe smart bezorgd.’
    De wolf antwoordde: ‘Nee, bij uw grijze haar, profeet Gods! Ik heb helemaal geen zoon van u opgegeten. Het is ons verboden uw vlees en bloed te eten, van u profeten. Mij wordt hier onrecht aangedaan en ik word vals beschuldigd! Ik ben een wolf uit het buitenland, uit Egypte.’
    Toen vroeg Jacob hem: ‘En wat heeft je naar het land Kanaän gevoerd?’
    Hij zei: ‘Ik ben hier voor familiezaken, om wolven uit mijn familie te bezoeken.’ 1

De joodse oorsprong (isrā’īlīyāt) van het motief is duidelijk; het gaat terug op Genesis 37:33–35. De legende van de sporekende wolf bij Ginzberg2 is volgens hem van Arabische oorsprong. Een mooie huilerige smoes heeft de wolf hier.

  • … stond Jacob op en sprak tot zijn zonen, met betraande wangen: ‘Vooruit, neemt jullie zwaarden en bogen, gaat uit in het veld en zoekt; misschien vinden jullie het lichaam van mijn zoon en brengen jullie het me, zodat ik het kan begraven. Kijk ook uit naar wilde dieren, en vang het eerste dat jullie tegenkomen. Grijp het en breng het hier. Misschien zal God medelijden met mij hebben in mijn kommer en het dier dat mijn kind heeft verscheurd in jullie macht geven zodat ik mij erop kan wreken.’
    Jacobs zonen trokken de volgende morgen uit om het verzoek van hun vader na te komen, terwijl deze thuisbleef en huilde en rouwde om Jozef. In de wildernis vonden zij een wolf die zij vingen en levend bij Jacob brachten met de woorden: ‘Hier is het eerste wilde dier dat we tegenkwamen; we hebben het meegebracht, maar van het lichaam van uw zoon hebben geen spoor gezien.’ Jacob greep de wolf vast en sprak onder luid misbaar: ‘Waarom heb je mijn zoon Jozef verslonden, zonder enige vrees voor de God der wereld, en zonder rekening te houden met het verdriet dat jij mij zou aandoen? Jij hebt mijn zoon zonder reden verslonden; hij was aan geen enkele overtreding schuldig, en je hebt de verantwoordelijkheid voor zijn dood op mij afgewenteld. Maar God wreekt degene die wordt vervolgd.’
    Om Jacob te troosten opende God de mond van het dier en het sprak: ‘Zowaar de Heer leeft die mij geschapen heeft, en zowaar u leeft, mijn heer, ik heb uw zoon niet gezien en ik heb hem niet verscheurd. Ik kom uit een land ver weg om mijn eigen zoon te zoeken, die eenzelfde lot heeft ondergaan als de uwe. Hij is verdwenen en ik weet niet of hij dood is of leeft, en daarom ben ik tien dagen geleden hierheen gekomen om hem te zoeken. Toen ik vandaag op zoek was kwamen uw zoons mij tegen en zij grepen mij en brachten mij bij u, aldus mijn verdriet over mijn verloren zoon nog groter makend. Dit is mijn verhaal en nu, mensenkind, ben ik in uw handen. U kunt zich vandaag van mij ontdoen zoals het u goeddunkt, maar ik zweer u bij de God die mij geschapen heeft: ik heb uw zoon niet gezien en ik heb hem niet verscheurd; nooit is mensenvlees mij in de mond gekomen.’ Verbaasd over wat de wolf gezegd had liet Jacob hem ongehinderd gaan waarheen hij wilde, maar hij rouwde als tevoren over zijn zoon Jozef.

NOTEN:
1. At-Tha‘labī, Qiṣaṣ al-anbiyāʾ, Cairo 1347 (= 1929), blz. 81.

فقال لهم يعقوب: إن كنتم صادقين أنّ الذئب أكله فأين الذئب؟ أتوني به! فعمدوا الى حبالهم وعصيهم فأخذوها ومضوا الى الصحراء فاصطادوا ذئبًا وشدّوه وأوثقوه كتافًا، ثم حملوه الى يعقوب وأوقفوه بين يديه. فقال: حلّوا عقاله فحلّوه. فقال له يعقوب: أقبلْ فأقبل الذئب يتخطّى القوم حتى وقف بين يدي يعقوب منكسًا رأسه. فقال له يعقوب: أيّها الذئب أكلت ولدي وقرّة عيني وحبيب قلبي وثمرة فؤادي، لقد أورثتني حزنًا طويلاً وألمًا عظيمًا. قال فتكلّم الذئب قال: لا وحقّ شيبتك يا نبي الله ما أكلت لك ولدًا وإن لحومكم ودماءكم معشر الأنبياء لمحرّمة علينا. وإني لمظلوم مكذوب عليّ، وإني لذئب غريب من بلاد مصر. فقال يعقوب: وما أدخلك أرض كنعان؟ قال: جئت لأجل قرابة لي من الذئاب أزورهم وأصلهم.
(الثعلبي، قصص الأنبيا المسمّى بالعرائس، القاهرة ١٣٤٧، ص ٨١)

2. Louis Ginzberg, The Legends of the Jews, Philadelphia 1954–59, i, 28–9, online hier; v, 332 noot 66: Yashar Wa-Yesheb, 85a–85b. ‘This legend seems to be of Arabic origin, since in genuinely Jewish legends animals do not speak.’

Terug naar Inhoud