Abd al-Malik – startpagina

Onderstaande tekst zult U waarschijnlijk in het begin niet zo interessant vinden. Het is namelijk maar een eerste opzetje. De komende tijd wil ik mijn lectuur wat concentreren op de persoon van de Umayyadenkalief ‘Abd al-Malik, die regeerde in Damascus van 685–705.

Die man was werkelijk interessant. Hij was zowel de architect van het Arabische Rijk als die van de Islam, of beter van een islam, want honderd jaar later zag die er alweer anders uit. Mohammed en ‘Abd al-Malik, dat zijn de stichters van de islam. De functie van Mohammed is in grote lijnen bekend. ‘Abd al-Malik bouwde de Rotskoepel in Jeruzalem en nam daarmee afscheid van het christendom. Hij schiep eenheid in het enorme Arabische Rijk, dat bijna aan interne verdeeldheid te gronde was gegaan. Last, but not least ontwierp hij, door de geschiedenis van Mohammed en de vroegste islam te laten opschrijven, een staatsideologie die voor alle delen van zijn rijk geldig was. Je zou kunnen zeggen dat hij ook Mohammed in model heeft geduwd/laten duwen. Voor zolang het duurde dan; ook Mohammed bleef nog vormbaar, was nog niet ‘klaar’.

Hieronder volgt een (steeds veranderend) overzicht van de bronnen die ik zal gaan lezen en de fragmenten over ‘Abd al-Malik die op den duur een samenhangend geheel moeten gaan vormen. Interessant wordt het voor U pas — als de man U tenminste überhaupt interesseert — naarmate hieronder meer links verschijnen; dan krijgt U wat te lezen. Mocht U dus een begin van belangstelling hebben is het zaak, hier af en toe even te kijken—en geduld te hebben. Of U merkt het vanzelf als er via e-mail weer een stukje ‘Abd al-Malik wordt aangekondigd.

De jonge ‘Abd al-Malik. Zijn vader Marwān is de Umayyadische gouverneur van Medina. Zijn familie. De Umayyaden. Het Medina van de jonge ‘Abd al-Malik. Vulkaanas over Medina? Graanschepen voor Medina. ‘Umars dīwān. Opschudding tijdens de moord op kalief ‘Uthmān. Opvoeding en onderwijs. Als zestienjarige zijn eerste veldtocht tegen de Romeinen. Directeur van de dīwān, afd. Medina. Beheer van onroerend goed in de oase Fadak, dat hij in eigendom had gekregen.

Crisis van het Umayyadenkalifaat. Het kalifaat überhaupt. Mu‘āwiya’s opvolgers. In Arabië laat ‘Abdallāh ibn al-Zubayr zich als kalief huldigen. De Umayyaden worden in 683 uit Medina verjaagd, dus ook Marwān en ‘Abd al-Malik. Een te hulp snellend leger uit Damascus komt iets te laat. ‘Abd al-Malik geeft strategisch advies. De slag van al-Ḥarra. Het ‘in de grond gezakte leger’. Ze trekken verder naar Syrië. In Djābiya aangekomen wordt zijn vader Marwān tot kalief uitgeroepen. Deze sterft echter al in 685 en ‘Abd al-Malik volgt hem op; dan is hij veertig. Het kalme leven is voorbij.

‘Abd al-Maliks kalifaat: het was chaos in Syrië. Eerst had hij met de chaos in Syrië en omgeving af te rekenen; hij leert hardheid en wreedheid door ‘Amr ibn Sa‘īd eigenhandig te doden. Vervolgens moest hij het kalifaat van ‘Abdallāh ibn al-Zubayr, dat intussen het grootste deel van het rijk besloeg, onschadelijk maken. Dat gelukte in 692. Daarna moest hij zich sterk tonen tegenover de Romeinen, die zijn monetaire hervorming niet accepteerden. Het ‘beeldenverbod’.

De Rotskoepel in Jerusalem kwam eveneens in 692 klaar. Een gebouw van grote symbolische betekenis, een statement tegen de christenen. ‘Moslim’ werd sindsdien een duidelijke identiteit.

De opdracht aan ‘Urwa ibn al-Zubayr: deze liet hij de vroege islamitische geschiedenis en het leven van Mohammed opschrijven. Dat werd o.a. de basis voor de sīra, de biografie van Mohammed zoals wij die nu nog kennen. De overige propaganda. Toespraken.

Reform van het bestuur, het geldwezen en de belastingen, invoering van het Arabisch als officiële taal. Integratie van Syrië en het eertijds Perzische Irak, met hulp van zijn bikkelharde tweede man, al-Ḥadjdjādj.

Een triviaal detail: ‘Abd al-Malik leed aan halitose, of liever gezegd: zijn omgeving leed daaronder. Hij stonk zo uit zijn mond, dat hij de bijnaam ‘de vliegenman’ (Abū al-dhibbān of al-dhubāb) kreeg. Zijn mond was volgens de anecdote zo vol rottenis dat de vliegen op de stank afkwamen en naar binnen vlogen als hij hem per ongeluk openhield. (Ibn Kathīr, Al-Bidāya wal-nihāya, ii, 378)

Terug naar Inhoud

Arabische veroveringen

Nadat de nomadische Arabieren zich eeuwen lang tevreden hadden gesteld met incidentele rooftochten en invallen in de landbouwgebieden kwamen zij omstreeks 630 plotseling in beweging en werden sterk expansief. Eerst werd het Arabisch Schiereiland in een staat verenigd (de Ridda-oorlogen; 632–34), wat daarvoor nooit was gelukt; daarna volgden de veroveringen (futūh) van het halve Romeinse en het hele Perzische Rijk. Vooral in het begin is het verbazend snel verlopen. In een vloek en een zucht kwamen het Nabije en Midden-Oosten onder Arabische heerschappij.

  • Enige data, voor wat ze waard zijn
    632–634 Arabië verenigd. Ridda-­oorlogen
    635 Damascus, Syrië veroverd
    634–642 Irak en West-­Iran veroverd
    639–642 Egypte
    640 Caesarea (Palestina)
    640–660 Oost­-Iran
    670 Qayrawān (Tunesië)
    672 Aanval op Constantinopel
    711 Tot aan de Indus (het huidige Pakistan)
    711–732 Iberisch Schiereiland, raids in Frankrijk
    tot 750 Afghanistan, delen van India, Centraal-Azië

De jaartallen staan niet zo vast als ze lijken; de verhalen kloppen niet altijd. Van de beroemde Slag bij Qādisīya (± 640) bij voorbeeld blijft in het moderne onderzoek niet zoveel over.

Hoe kon een handjevol Arabieren in korte tijd twee wereldrijken wegvagen?
Hieronder vat ik een aantal van de pogingen samen die gedaan zijn om die buitengewoon snelle veroveringen te verklaren.
.
-­ ‘De Arabieren stormden voorwaarts met de koran in de ene hand en het zwaard in de andere.’ Dat is werkelijk lastig vechten! Deze dwaze voorstelling stamt van Edward Gibbon (1737–94).
.
-­ De moslims waren door hun geloof bevleugeld. Zij volgden het gebod van de koran, djihad te voeren. Het snelle en overweldigende succes is te danken aan Gods bijstand. (moderne islamitische voorstelling)
.
-­ De moslims hadden door hun geloof een grote discipline en een ijzeren moraal. (oude islamitische voorstelling)

  • [Een Romeinse spion met Arabische achtergrond werd in het vijandelijk kamp gestuurd en kwam met de volgen de beschrijving van de moslims terug:]
    ‘’s Nachts zijn het monniken, overdag ridders! Zelfs als de zoon van hun koning iets zou stelen zouden ze zijn hand afhakken; als hij ontucht zou bedrijven zou hij gestenigd worden om het recht onder hen te handhaven.’
    ‘Als het zo is,’ zei de cubicularius, ‘dan is het binnenste der aarde beter dan hen op de aardoppervlakte te ontmoeten!’ 1

-­ Daarentegen was de vijand laf, decadent en gedemoraliseerd. Het ‘Belsazars-Feest’-motief 2 (oude islamitische voorstelling)

  • Toen Khālid naar Suwā kwam overviel hij de bewoners toen ze net wijn aan het drinken waren uit een drinknap, waaromheen zij bij elkaar zaten, terwijl een zanger zong:
    ‘Ja, geef me nog een slok, voordat Abū Bakrs leger verschijnt!
    Misschien is ons doodslot nabij zonder dat wij het weten.
    ‘Ja, geef me nog een slok… enz@ 3

-­ De inwoners van de bezette gebieden stonden juichend langs de weg toen de Arabische troepen binnenmarcheerden. De veroveraars waren eigenlijk bevrijders. De soldaten gedroegen zich correct en gevoelvol jegens de mensen. (moderne islamitische voorstelling. Waar hebben we dat meer gehoord?)
.
– De bevolking van Syrië wilde haar eigen  Syrische kerk(en) en niet de Griekstalige staatskerk van Constantinopel; ze waren dus erg blij dat de Romeinen vertrokken. De Arabieren waren sowieso niet in kerken geïnteresseerd. (oudere oriëntalistische variant van de ‘bevrijdingstheorie’)
.
– Het Oost-Romeinse Rijk en het Perzische Rijk  hadden elkaar in lange oorlogen militair geheel uitgeput en boden nog maar weinig weerwerk. Jeruzalem was juist in 622, Egypte in 629, Palestina in 630 door de Romeinen op Perzië terugveroverd. (oudere oriëntalistiek)
.
– De beide grote rijken hadden tijdens hun onderlinge oorlogen hun Arabische vazallen financieel verwaarloosd. Dezen werden nu opstandig en waren bereid tegen hun vroegere heren te vechten. (nieuwere oriëntalistiek)
.
– Het Oost-Romeinse Rijk had zich militair al vrijwillig uit Syrië teruggetrokken; daar hoefde dus niet meer gevochten te worden. Keizer Heraclius had in 628 het Perzische leger bij Ctesiphon definitief verslagen; toen de Arabieren dan naar Perzië kwamen stieten ze daar niet op veel weerstand.  (→ Koren & Nevo; moderne ‘oriëntalistiek’)
.
– Het succes is te danken aan de unieke en superieure militaire strategie van de Arabieren. Flexibiliteit tegen moeizaam beweegbare troepen, die braaf in het gelid stonden; snelle terugtocht en dan verrassend terugkomen (karr wa-farr). Het toevluchtsoord woestijn was voor de Romeinse en Perzische troepen met hun paarden en wagens ontoegankelijk. (islamitisch én oriëntalistiek).
.
– De Arabieren hadden altijd al rooftochten in de landbouwgebieden gemaakt. 4 Dat was lastig, maar de inwoners hadden geleerd ermee te leven. Daarom zullen ze gedacht hebben dat deze aanvallen ook weer een incident waren. Wie had kunnen denken dat het deze keer anders zou aflopen? (oriëntalistiek)
.
– Het Arabisch Schiereiland was overbevolkt; de Arabieren waren eenvoudig gedwongen ergens anders Lebensraum te vinden (oriëntalistisch, eind 19e eeuw).
.
– Syrië werd eigenlijk al voor een groot deel door Arabieren bewoond; het ging alleen nog maar om de dominantie onder hen. (moderne oriëntalistiek)
.
– De Arabieren moeten door de koran en de nieuwe religie wel een sterke geestelijke impuls en aanmoediging hebben gekregen; anders is deze plotselinge explosie van energie niet verklaarbaar. (oudere oriëntalistiek)
.
– Veel van al die veroveringen hebben domweg niet plaatsgehad. Mu‘āwiya was der eerste Arabier die over Damascus regeerde, vanaf ± 640. De eerste, zogenaamde rechtgeleide kaliefen en hadden over Syrië geen zeggenschap en zijn er nooit geweest. (moderne ‘oriëntalistiek’)
.
En hoe was het nu echt? Wie zal het zeggen; het zal in ieder geval zeer complex geweest zijn. Het bovenstaande bevat naast onzin ook enkele interessante overwegingen, maar natuurlijk was er niet maar één factor. Wetenschappers zoeken verder, maar zitten momenteel een beetje in het  slop, met name de zog. Inârah-Groep.
.
Hoe kan het onderzoek verder gaan? Echt schot zit er niet in, maar er kan op de volgende fronten verder gewerkt worden:
.
Teksten anders lezen
De islamitische bronnen, die oud zijn maar helaas niet oud genoeg, en die vaak een ideologische, patriottische of religieuze bias hebben, zijn vaak teleurstellend. Toch zou men ze nog eens met nieuwe ogen kunnen bekijken.

Noth en Conrad 5 zijn begonnen met de analyse van de vroegste bronnen, bij voorbeeld in het geschiedwerk van al-Tabarī. Zij hebben bevonden dat deze voor de geschiedschrijving slechts ten dele bruikbaar zijn. Enkele van hun overwegingen:

  • Dat de kalief in zijn hoofdstad Medina het hele rijk middels brieven aan zijn generaals en agenten centralistisch geregeerd heeft is fictie. Een brief naar Syrië duurde een maand; het antwoord eveneens. In plaats van een centrale strategie te volgen zullen de krijgsheren eerder zelfstandig gehandeld hebben.
  • De beschrijvingen van de veldslagen met olifanten, poëzie-intermezzo’s en spannende tweegevechten is veel te literair om betrouwbaar te zijn.
  • Er zijn veel topoi, bij voorbeeld: voortdurend overleg van de kalief met zijn omgeving; als teken voor de aanval wordt steeds Allāhu akbar geroepen; individuele moslims zoeken de martelaarsdood, en vele meer.

Al lang bekende feiten en teksten raken soms in vergetelheid.  Bij voorbeeld het zog. ‘tegenkalifaat’ van ‘Abdallāh ibn al-Zubayr in Mekka (680-692) en de geschriften van zijn broer ‘Urwa zouden een belangrijke rol gespeeld kunnen hebben in de ‘Mekkaïsering’ van de vroege islamitische geschiedenis. Toen de burgeroorlog ten einde was heeft de tot verzoening geneigde kalief Kalif ‘Abd al-Malik voor het Arabische Schiereiland in de officiële geschiedenis misschien meer plaats ingeruimd dan het ooit gehad had; zie verder hier.

Andere teksten lezen
1. Teksten op papyrus. Naast geschiedenisboeken worden er tegenwoordig ook papyri bestudeerd, die vaak ouder zijn dan die boeken en niet kunnen ‘liegen’. Het betreft dan vooral handelsverdragen, correspondentie enzovoort, die een inkijk bieden in het reële leven van die tijd.
2. We hebben tegenwoordig getuigenissen van de onderworpen volkeren, die deels ouder zijn dan de oudste Arabische bronnen en een heel ander beeld geven van de veroveringen. 6

Archeologie
Er worden mondjesmaat archeologische gegevens bekend. Ik zelf ben niet in staat archeologische gegevens te interpreteren; er moet maar eens iemand voor gaan zitten om dat voor niet-vakmensen te doen.
Er zijn en worden ook inscripties gevonden (zie bijv. deze) en ook vroege munten gevonden (zie bijv. deze). Tot nu toe is er een hoop onzin naar aanleiding van die munten beweerd; daar moeten meer echte numismaten naar kijken.

NOTEN
1. Al­-Tabarī, Ta’rīkh i, 2126.
2. Zie Bijbel, Daniel 5.
3. Al­-Tabarī, Ta’rīkh i, 2124.
4. Bijbel, Rechters 8:11.
5. Noth & Conrad, Historical Tradition
6. Hoyland, Seeing Islam

Bibliografie
– Robert G. Hoyland, In God’s Path: The Arab Conquests and the Creation of an Islamic Empire (Ancient Warfare and Civilization), Oxford University Press 2015.
– Hugh Kennedy, De grote Arabische veroveringen. Het ontstaan van het islamitische rijk, van Afghanistan tot Spanje (632-750), vert. Guus Houtzager, Bulaaq/Epo 2008. Oorspr. titel: The Great Arab Conquests. How the spread of Islam changed the world we live in – 2007.
– M. G. Morony, Iraq after the Muslim Conquest, Princeton 1984.
– Albrecht Noth & Lawrence I. Conrad, The Early Arabic Historical Tradition: A Source-Critical Study (Studies in Late Antiquity and Early Islam, Vol. 3), Princeton 1994. [Het boek is ook nuttig als ogenopener voor de biografie van de profeet.]
– R. G. Hoyland, Seeing Islam as Others Saw It, Princeton 1997.
– Al-Tabarī, [Ta’rīkh al-mulūk wal-rusul] Annales, uitg.. M.J. de Goeje et al., 14?@ dln., Leiden 1879–1901; Vert. Ehsan Yarshater (uitg.), The History of al-Ṭabarī. An annotated translation, Albany 1985—.
– G.-R. Puin, Der Dīwān von ‘Umar ibn al-Haṭṭāb, Ph. D. Diss. Bonn 1970.
– Y.D. Nevo & J. Koren, Crossroads to Islam. The Origins of the Arab Religion and the Arab State, Amherst NY 2003 [beveel ik niet aan].
– K.H. Ohlig und G.R. Puin (hg.), Die dunklen Anfänge: Neue Forschung zur Entstehung und frühen Geschichte des Islam, Berlin 2005 [beveel ik niet aan].

Diakritische Zeichen: futūḥ, al-Ṭabarī, taʾrīḫ, ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb

Terug naar Inhoud