Nog enkele correcties over de islam

(De eerste negen tekstjes vindt U hier.)

‘De islam is het werk van Mohammed’
Gelooft U het zelf? De arme man zou verbijsterd zijn geweest als hij gezien wat moslims er na zijn dood van bakten. De islam is natuurlijk niet kant en klaar uit de hemel gevallen, maar heeft zich ontwikkeld. Mohammed heeft niet meegemaakt hoe Arabieren vrijwel onmiddellijk na zijn dood de halve wereld veroverden en daardoor al spoedig de koranische vrees voor het Jongste Gericht vergaten. Evenmin hoe verschillende groepen van zijn aanhangers met elkaar slaags raakten in burgeroorlogen. En hoe kalief ‘Abd al-Malik in ± 695 zijn eigen islamontwerp de wereld in stuurde, door zich te distantiëren van de christenen en de vroege islamitische geschiedenis te laten opschrijven. En hoe weer honderd jaar later schriftgeleerden hun plaats in de staat hadden veroverd, ten koste van het gezag van de kaliefen. Ook van de Sjiïeten en van de opkomst van de sufi-mystiek, die meer dan duizend jaar gezichtsbepalend zou blijven voor de islam, had de profeet geen enkele notie.

‘De sharia is de wet van de islam’
Nee, de sharia is islamitisch recht; dat is wat anders. Zij regelt alle betrekkingen tussen de mens en God én tussen de mensen onderling en is dus omvattender dan Europees recht: ook geloofsleer, ethiek en goede manieren vallen eronder.
De sharia is niet een gecodificeerde wet. Het is geen boek dat iemand eens en voor altijd neergeschreven heeft en dat opengeslagen kan worden. ‘De sharia zegt …?’ ‘Wat staat er in de sharia?’ ‘Wie heeft de sharia geschreven?’ zijn dus zinloze vragen. De sharia zegt niets, maar moet telkens worden gevonden, in de jurisprudentie en in de rechtsbronnen (koran en hadith). Zij is dus flexibel, al nemen rechtsgeleerden maar al te vaak genoegen met wat hun collega’s van vroeger al hadden gevonden. Dat hoeft echter niet zo te zijn. De omvang, de grote verscheidenheid van de rechtsbronnen en hun vatbaarheid voor verschillende interpretaties maken vernieuwing mogelijk.
De vraag of men de ouden moet navolgen of over bepaalde onderwerpen opnieuw zelfstandig moet nadenken is sinds een eeuw hét punt van discussie in de hele islamitische wereld. Die discussie wordt echter vertraagd door 1. het optreden van salafisten, ISIS, enzovoort; 2. het voortdurende hitsen van hun bondgenoten: de islamhaters en islamofoben.
De sharia was overigens nooit ergens het enig geldende recht. Daartoe zou zij ook niet geschikt zijn. 

‘Een fatwa is een doodvonnis’
Nee. Een fatwa is een niet-bindend geleerd advies op het gebied der Sharia. Een fatwa wordt gegeven door een mufti op aanvraag van rechters, particulieren en soms van overheden. De aanvrager kan desgewenst de fatwa naast zich neer leggen. Sharia is islamitisch recht, maar ook méér dan recht: het gevraagde advies kan daarom ook op het gebied van ethiek, goede manieren en geloof liggen.
Wie zich niet persoonlijk tot een mufti wil wenden, kan ook fatwa-verzamelingen lezen van bekende shariageleerden uit vroegere of latere tijd, of via het internet ergens een fatwa zoeken; zie bij voorbeeld hier.
Sinds de Rushdie-Affaire (1989) is het woord fatwa ook in West-Europea verbreid geraakt, maar het wordt vaak verkeerd begrepen. In de frase: ‘Een fatwa over iemand uitspreken’ klinkt het haast als een doodvonnis. Maar nogmaals: een fatwa is geen vonnis, laat staan een doodvonnis.

‘De islam kent geen scheiding tussen kerk en staat’
Bij Mohammed zelf was de staat nog weinig ontwikkeld, maar aan te nemen is dat zo een scheiding er inderdaad niet was, evenmin als bij de eerste, gekozen kaliefen (632–661).
Tijdens de Umayyadenkaliefen (661–750) blijkbaar ook nog niet. Hun soenna (= gebruik, handelwijze, overgeleverde norm) diende immers zonder meer gevolgd te worden; daarvan hing je zielenheil af. Over hen zongen de dichters dat zij de oogst lieten gelukken, voor regen zorgden, recht en gerechtigheid vestigden — alles in de beste oudoosterse traditie van de god-koning.
Verzet tegen de Umayyaden kwam vanaf ± 700 o.a. van de ‘Mensen van de soenna en de gemeenschap,’ die de eigenmachtige soenna’s van de verfoeide kaliefen vervangen wilden zien door die van de profeet. Eerst wist niemand hoe diens soenna eruit zag, maar daar werd aan gewerkt: in de loop van de eeuw kwamen er steeds meer schriftgeleerden (‘ulamā’) en het aantal overleveringen ‘van de profeet’ (hadithen) groeide gestaag, tot er een profetisch alternatief was voor de soenna van de kaliefen. Na 750 gingen de eerste Abbasidenkaliefen nog een tijdje door met god-koning spelen, maar omstreeks 850 moesten zij zich gewonnen geven. Tegen de soenna van de profeet, hoe fictief ook, konden zij niet op: de nu overal aanwezige geleerden namen de geestelijke macht over. Sindsdien bestaat er wel degelijk een scheiding tussen wereldse en geestelijke macht.
Behalve bij de Sjiïeten, maar die hadden meestal helemaal geen staat, dus dat viel niet zo op.

‘Martelaren krijgen in het paradijs tweeënzeventig maagden.’
Werkelijk? Er is welgeteld één wat obscure hadith waarin dat terloops wordt vermeld. Steviger verankerd in de islamitische traditie is deze:
‘De grond is nog niet droog van het bloed van een martelaar of daar komen zijn beide echtgenotes al aangesneld; het lijken wel kamelinnen die hun jong in een kale vlakte waren kwijtgeraakt… .’
Hier is slechts sprake van twee vrouwen, wier verlangen naar de martelaren wordt vergeleken met het moederinstinct (!) van kamelinnen. Nog vaker vind je teksten als deze:
‘Toen jullie broeders in Uhud gesneuveld waren deed God hun zielen in de buiken van groene vogels, die drinken uit de rivieren van het paradijs, eten van de vruchten daarvan en nestelen in gouden lampen die zijn opgehangen in de schaduw van Gods troon… .’
Hun verblijfplaats is dus heel dicht bij God, maar maagden vinden ze daar niet. In hun toestand zouden ze daar ook niets mee kunnen beginnen.

‘De islam is anti-homo’
Wie die islam is weet ik nog steeds niet. In boeken van islamitische rechtsgeleerden werd homoseksueel gedrag altijd wel scherp veroordeeld. Gedrag, wel te verstaan. Homoseksualiteit als ziekte resp. geaardheid zijn Europese vondsten uit de negentiende en twintigste eeuw.
In het werkelijke leven daarentegen was er in de islamitische wereld een enorme tolerantie. Tot aan het hof van de kalief of sultan aan toe; kunt u zich dat bij ons vorstenhuis voorstellen? Die strenge boeken lieten ze gewoon dicht. De omvangrijke Arabische liefdespoëzie handelt grotendeels over mannenliefde. Vrouwen waren voor het huwelijk en de voortplanting; diepe gevoelens had je voor mannelijke vrienden, seks ook met jongens.
In de negentiende eeuw veranderde dat, toen men daar het Westen ging imiteren. Het Victoriaanse Engeland was mordicus tegen homoseksualiteit. Waar mogelijk voerden Britse autoriteiten strenge wetgeving in; ook waar dat niet gebeurde sloeg de houding van welwillende tolerantie om in afkeuring. Nog iets later ging men die oude juridische teksten letterlijk nemen; ondubbelzinnigheid was immers modern? Dat leidde tot harde straffen voor wat vroeger niets bijzonders was geweest.
Het was gewoon pech voor de islamitische wereld, en voor India, China en Afrika ook, dat uitgerekend het meest bigotte en seksueel onhandigste deel van de wereld de toon ging aangeven. Dat heeft diepe sporen nagelaten.

Terug naar Inhoud

Afgeschafte Sharia-regels

In islamitische omgevingen waren vanouds maar weinig afbeeldingen van mensen of dieren te zien, en standbeelden nog minder. Er bestaat namelijk een aantal hadithen waarin het vervaardigen daarvan verboden of althans sterk ontraden wordt. Sinds het doordringen van de fotografie in het Nabije Oosten, vanaf ± 1860, wilde iedereen op de kiek en viel het ‘verbod’ zonder slag of stoot. Foto’s waren immers niets anders dan spiegelbeelden, zo redeneerde men ineens, ondersteboven geprojecteerd op de achterzijde van een camera, en ook standbeelden konden geen kwaad, als ze maar niet aanbeden werden. En welk redelijk mens zou dat willen, behalve die rare christenen met hun iconen en heiligenbeelden?
.
Er zijn alleen nog wat resten van het verbod overgebleven: geen afbeeldingen van de profeet of zijn gezellen, geen foto’s op plekken waar het gebed wordt verricht.
.
Tegenwoordig is er in het Nabije Oosten net zo veel beeldende kunst als bij ons, met alles wat erbij komt kijken: schilders en beeldhouwers, grafici, fotografen, musea, galerieën, tentoonstellingen, veilingen en kunsthistorische opleidingen, graffiti en installaties. De kwaliteit liet vroeger vaak erg te wensen over, maar in de laatste tijd trekt die aardig bij.
.
De verleiding van film en televisie kon men natuurlijk ook niet weerstaan. Gauw een stel moefti’s erop gezet die dat allemaal bij nader inzien voor geoorloofd verklaarden en de schotel kon het dak op. De eerste bioscopen dateren al van ± 1900.
.
Alleen in heel strenge omgevingen, zoals bij de Wahhabieten in Saoedi-Arabië en hun gewapende tak Daesh (ISIS), bij de Taliban en in treurige gebieden in Oost-Afrika worden de vermeende geboden nog grotendeels nageleefd. Hoewel je natuurlijk nooit weet of die mensen na het avondgebed geen blonde meiden gaan bekijken op westerse porno-sites. Ook die verleiding is voor velen onweerstaanbaar.
.
Maar zelfs in Saoedi-Arabië kiepen de regels soms om. Het was in het koninkrijk bij voorbeeld verboden om in het openbaar foto’s te maken. Toen de regering besloot het toerisme te gaan bevorderen verdween ook dit verbod in 2006 vrijwel geruisloos ( → Naef, Bilder 121–2).
.
Over de opheffing van het Saoedische verbod op onbegeleid reizen voor stewardessen had ik het al eerder hier.
.
Iran had vanouds een aanzienlijke kaviaar-productie in de Kaspische Zee, die het land miljoenen opleverde. Volgens de shiitische jurisprudentie was de steur ḥarām omdat hij geen schubben heeft. De handel erin was dus ook verboden, maar er werd nogal aangerommeld. In 1981, het tweede jaar van de Islamitische Revolutie werden de regels aangescherpt en kwam de handel in dit door het decadente Westen zo begeerde product tot stilstand. Hele batterijen geestelijken werden geraadpleegd: men ontdekte toch wat schubben op de steur, die daarom bij nader inzien wel geoorloofd leek. In 1983, het vierde jaar van de revolutie, vond Khomeini persoonlijk de tijd om een fatwa uit te vaardigen, waarin de steur en zijn kaviaar werden toegestaan. Als u zin hebt in een ingewikkelde, talmudisch aandoende discussie over de geoorloofdheid van vissen met of zonder schubben, lees → Chihabi. Maar we begrijpen allang dat het vooral de vele te verdienen dollars waren, die de steur en de kaviaar geoorloofd maakten.
.
Kortom, als moslims zin hebben om een sharia-regel af te schaffen lukt hun dat best; vaak zelfs op vrij ongecompliceerde wijze.

BIBLIOGRAFIE:
– H.E. Chihabi, ‘How Caviar Turned Out to Be Halal,’ in Gastronomica, The Journal of Critical Food Studies, 7:2. Online: http://www.gastronomica.org/how-caviar-turned-out-to-be-halal/
– Sylvia Naef, Bilder und Bilderverbot im Islam, München 2007, of het Franse origineel: Y a-t-il une «question de l’image» en Islam?, Paris 2004.

Terug naar Inhoud

Jam en kaas: voedsel voor moslims?

Een verheugend verhaal op televisie: een oude arts, een weduwnaar misschien, had een jonge, al langer geleden uit Syrië gevluchte tandarts in zijn huis opgenomen en hielp hem bij de dagelijkse dingen, bij zijn studie om zijn diploma’s erkend te krijgen, en met de taal. Zo hoort het. De oudere man vertelde over hoe probleemloos het samenwonen verliep. Wel was de inhoud van de ijskast veranderd: geen varkensvlees, wel lam en gevogelte, maar dat vond hij prima. Daarmee zou ik zelf ook geen moeite hebben; eens wat vaker parelhoen eten misschien. Enigszins geamuseerd vertelde de oude arts nog dat zijn medebewoner geen aardbeienjam wilde eten, omdat daarin gelatine zat die mogelijk van varkensbotten was gemaakt.
.
Anders dan die gastheer vond ik dat laatste niet amusant, maar een beetje zot. Wat een zeikertje zeg. Een scherpslijper. Ja, die heb je: in alle godsdiensten en levensbeschouwingen, dus ook onder moslims. Er bestaat zelfs een markt voor halal kattenvoer.1
.
Bij de bestudering van de tandenstoker van de profeet kwam ik zulke types ook tegen. Een vraag die aan het begin van de achtste eeuw leefde was of het gebruik van een tandenstokje (siwāk) in de vastentijd geoorloofd was of niet. Bij het kauwen daarop—denkt U aan zoiets als zoethout—kwam er immers water in de mond, en als je dat inslikte, was dat dan geen drinken, wat in de vasten niet was toegestaan? En de vaste stof die dat houtje bevatte, was dat geen voedsel? Men bedacht dat het gebruik van een droog takje toch geen kwaad kon, en daar kon men behoorlijk fanatiek in zijn:

  • Abū Hurayra zei: Ik maakte vandaag mijn mond twee maal aan het bloeden met een siwāk, terwijl ik vastte.2

Met andere woorden; hij gebruikte een droog takje. Van een van nature vochtig of een ingeweekt takje was zijn tandvlees niet gaan bloeden. Volgens de vromen was het echter niet de bedoeling een droog takje tijdens de vasten eerst in water te weken om het zachter te maken; dat bracht water van buitenaf in de mond, zoals ettelijke hadithen waarschuwen. Maar er was ook iemand die blijkbaar genoeg had van de hele kwestie:

  • Ibn ‘Umar zei: Voor een vastende kan het geen kwaad een vochtige of een droge siwāk te gebruiken.3

Verder kon je nog zeuren over hoe vaak het gebruik van de siwāk tijdens de vasten per dag was toegestaan. Twee maal, vindt men meestal, en het kan geen kwaad dat vlak voor het breken van de vasten te doen. En moest het dan voor het gebed of juist erna? Ook deze vraag was weer goed voor een aantal hadithen.
Maar er was ook een tegenrichting, die geen zin had in al dat gezeur:

  • ‘Abdallāh ibn ‘Āmir levert over van zijn vader: Ik heb de profeet ontelbare malen de siwāk zien gebruiken terwijl hij vastte.4

En een vrouw van de profeet wordt een heel ontspannen houding toegeschreven:

  • Maymūna bint al-Ḥārith, de vrouw van de profeet, liet haar tandhoutje  in het water staan om te weken. Als zij werd afgeleid door werk of gebed [vergat zij het]; anders nam zij het en gebruikte het.5

Er waren dus al heel vroeg scherpslijpers, maar andere moslims gaven weerwerk—eveneens middels hadithen.

Vervolgens herinnerde ik me het artikel van Michael Cook over Perzische kaas. Daarin stond een grappige hadith over een gebeurtenisje op de dag dat Mekka door Mohammed werd veroverd. Zonder twijfel een drukke dag; toch zou de profeet nog gelegenheid hebben gevonden een uitspraak te doen over een kaas:

  • Van Abū Dāwūd al-Ṭayālisī […] van Ibn ‘Abbās: Toen de profeet Mekka veroverde zag hij een kaas. Hij vroeg wat het was; ze antwoordden hem dat het een voedingsmiddel was dat in het land der Perzen (arḍ al-‘adjam) werd gemaakt. De profeet zei: ‘Zet het mes erin, roep de naam van God aan en eet!6

Was er in het oude Mekka dan een delicatessenwinkel die Perzische kaas verkocht? Ach welnee toch; die hele hadith is een verzinsel zoals de meeste, en in dit geval een erg onhandig verzinsel, omdat aan de waarschijnlijkheid geen recht is gedaan. Moslims werden natuurlijk niet in Mekka met Perzische kaas geconfronteerd, maar in Irak en Iran, toen zij die landen hadden veroverd. Maar de strekking is sympathiek: niet zeuren over buitenlands voedsel, gewoon opeten.
Wat had er dan mis kunnen zijn met die kaas? Wel, om de melk te doen stremmen is leb (minfaḥa) van een kalf nodig. Die kon alleen uit een dood dier gehaald worden en dat was misschien niet ritueel geslacht! Hierover hadden joodse rabbijnen kort voor al-Ṭayālisī al uitvoerig gediscussieerd, eveneens in Irak. Voor hen was ongelovige kaas inderdaad onacceptabel. De Babylonische Talmud bericht daarover. Vanuit islamitisch gezichtspunt konden zoroastriërs niet ritueel slachten; hun Perzische kaas had dus theoretisch voor moslims ook verboden moeten zijn. Maar dat probeert deze hadith dus te ontkrachten: de profeet vond niets verkeerds aan die kaas. Dat past in de hele gedachtenwereld van de islam: de islamitische spijswetten zijn over het algemeen een stuk losser dan de joodse, dat is in de koran al zo. De profeet deed die uitspraak laat in zijn leven, zodat hij hem nauwelijks nog had kunnen herroepen— inderdaad, hadithschrijvers hielden daar rekening mee.
.
Bovengenoemde tandarts zou over die kaas-problematiek ook kunnen tobben. Misschien zou hij zelfs in een tijdschrift als Islamic Medicine ‘wetenschappelijk’ onderbouwd kunnen schrijven dat niet-islamitische jam en kaas schadelijk zijn voor het gebit. Zulke artikelen bestaan werkelijk. Maar gelukkig is er altijd die veel bredere tegenstroom: niet zeuren, geen gekeutel, de profeet zag het ruimer en God is geen kruidenier die op de kleintjes let.

Om het met de woorden van een andere, breed overgeleverde hadith te zeggen:

  • De profeet zei: ‘Maak het makkelijk en niet moeilijk; maak [de mensen] blij en schrik ze niet af.’7

.

BIBLIO
– Michael Cook, ‘Magian Cheese: An Archaic Problem in Islamic Law,’ BSOAS 47/3 (1984), 449–467.
– Wim Raven, ‘The Chewstick of the Prophet in Sīra and ḥadīth,’ in: Islamic Thought in the Middle Ages. Studies in Text, Transmission and Translation, in Honour of Hans Daiber, Edited by Anna Akasoy and Wim Raven, Leiden/Boston 2008, 593–611. Hier online.

NOTEN
1. De profeet heeft nooit gezegd dat kattenvoer halal moet zijn; in zijn tijd vraten katten nog gewoon zelf gejaagde kleine dieren en keukenafval. Katten zijn geen moslims en dus niet in staat tot het juiste gedrag. Het probleem is blijkbaar dat het baasje of vrouwtje bij het openen van een blikje kattenvoer in beroering zou kunnen komen met niet-ritueel geslacht vlees. The horror! The horror!

2. ‘Abd al-Razzāq al-Ṣan‘ānī, Muṣannaf iv, 7486:

عبد الرزاق – معمر – قتادة – أبو هريرة: قال لقد أدميْتُ فمي اليوم [وأنا] صائم بالسواك مرّتين.

3. Ibn Abī Shayba, Muṣannaf xxx, 37/3:

علي بن الحسن بن شقيق – أبو حمزة – ابراهيم الصائغ – نافع – ابن عمر: قال لا بأس ان يستاك الصائم بالسواك الرطب واليابس.

4. ‘Abd al-Razzāq al-Ṣan‘ānī, Muṣannaf iv, 7484; Ibn Abī Shayba, Muṣannaf xxx, 35/1:

عبد الرزاق – الثوري – عاصم بن عبد الله بن عبيد الله بن عاصم – عبد الله بن عامر بن ربيعة – أبيه: رأيت رسول الله ص يستاك وهو صائم ما لا أُحصي.

5. Ibn Abī Shayba, Muṣannaf i, 170/20:

ابن أبي شيبة – كثير بن هشام – جعفر بن برقان – يزيد بن الأصم: كان سواك ميمونة ابنة الحارث زوج النبي صلعم منقعًا في ماء فإن شغلها عنه عملٌ أو صلاةٌ والاّ فأخذته واستاكت.

6. Al-Bayhaqī, Sunan 10:6.6; al-Ṭayālisī, Musnad no. 2684:

… النبي ص لما كان فتح مكة رأى جبنة فقال: ما هذا؟ قالوا: طعام يصنع بارض العجم. قال فقال رسول الله ص: ضعوا فيه السكبن واذكروا اسم الله وكلوا !

Volgens andere bronnen zou de profeet de kaas in Ṭā’if of Tabūk gezien hebben; het bleef echter een Perzische kaas (min arḍ Fāris, min ahl Fāris). ‘Abd al-Razzāq, Muṣannaf, iv, 8795 vermeldt de vrees van de vragensteller dat de kaas mayta, iets van een niet ritueel geslacht dier, zou bevatten.
7. Bukhārī, ‘Ilm 11 e.v.a.:      النبي ص قال يسروا ولا تعسروا وبشروا ولا تنفروا.

Terug naar Inhoud

Kapper bij ISIS

Een kapper in Daesh (‘Islamic State’) deelt aan zijn klanten mee:

  • Geachte klanten
  • In gehoorzaamheid aan God en Zijn gezant:
    knippen wij geen enkele snit die lijkt op die van de ongelovigen, naar het woord van de Profeet: ‘Wie op mensen gelijkt behoort tot hen.’
    .
    In gehoorzaamheid aan God en Zijn gezant:
    scheren wij geen baarden, naar het woord van de Profeet: ‘Laat de baard vrij groeien, maar knip de snor bij.’ En: ‘Doe het anders dan de heidenen: laat de baard volop groeien maar maak de snor korter.’
    .
    In gehoorzaamheid aan God en Zijn gezant:
    scheren wij de wenkbrauwen niet en trekken wij ze niet uit, wat namṣ genoemd wordt, naar het woord ‘Abdallāh ibn Mas‘ūd: ‘De Profeet vervloekte vrouwen die hun wenkbrauwen schoren of uittrokken.‘ Dit geldt voor vrouwen; dus hoeveel te meer voor mannen?
    .
    In gehoorzaamheid aan God en Zijn gezant:
    scheren wij niet een deel van het haar en laten enkele lokken staan, wat qaza‘ genoemd wordt; naar het woord van Ibn ‘Amr: ‘De Profeet heeft qaza‘ verboden.’

Qaza‘ werd in de preïslamitische tijd vooral bij kleine jongens toegepast, die met kale hoofdjes en voorhoofdslokken (dhu’āba, mv. dhawā’ib) rondliepen. Voor deze archaïsche mode zal er in het afgelopen millennium weinig klandizie zijn geweest—behalve misschien in kringen van punks. Maar tegenwoordig wordt de term ook op allerlei kapsels met ‘matjes’ toegepast. In ieder geval ging en gaat het er bij dit verbod eveneens om, een andere haardracht te hebben dan de heidenen.

Kappers lijken in de ‘Islamic State’ dus niet zo veel te doen te hebben, want zelfs het bloempotmodel, de crew cut en de kale kop hebben allemaal hun voorbeelden in het goddeloze Westen. Maar misschien komen ze door de winter met het geel verven van baarden. Er is immers een hadith:

  • ‘De Profeet verfde zijn baard geel met wars en saffraan.’1

Islamistenbaarden zouden dus geel of oranje moeten zijn. Van ‘Abdallāh ibn ‘Umar en andere gezellen van de profeet wordt inderdaad verteld dat zij hun baard geel verfden. Maar dat na te volgen gaat de vermeende vromen van tegenwoordig blijkbaar te ver.

Denkt U niet dat de profeet zijn baard verfde omdat hij oud en grijs werd:

  • De profeet had op zijn hoofd en in zijn baard nog geen twintig grijze haren.2

Inwoners van de ‘Islamic State’ die graag wat meer haar op hun hoofd zouden hebben om er krijgshaftiger uit te zien, moeten voor een haargroeibehandeling of extensions naar het buitenland, bij voorbeeld naar Turkije.

LEZEN:
G.H.A. Juynboll, „Dyeing the Hair and Beard in Early Islam | A Ḥadīth-analytical Study,“ Arabica 33 (1986), 49–75.

NOTEN
1. An-Nasā’ī, Zīna 66. ويصفّر لحيته بالورس والزعفران Wars (Memecylon tinctorium) is een plant waaruit een gele kleurstof gewonnen werd.
2. Mālik, Ṣifat an-Nabī 1 u.a.: وليس في رأسه ولحيته عشورن شعرة يبضاء

CN0YVC7WIAACTMg-1

Terug naar Inhoud

De islamistische steniging: een modern fenomeen

Waar stenen zijn wordt ermee gegooid, ook naar mensen. In een mindere buurt van Tetuan in Marokko ben ik ooit door jongetjes met stenen bekogeld. De jongens waren klein en de stenen gelukkig ook; bovendien riep een oudere man hen tot de orde; toen hielden ze op en kwam ik er zonder kleerscheuren vanaf. In oorlogjes tussen groepen straatjongens in bij voorbeeld Jemen werd er serieus met stenen gegooid; daarbij vielen ook wel eens ernstig gewonden. Ze hadden daar nog geen moorddadige computerspelletjes.1
 Uit het Noorden herinner ik me alleen sneeuwballengevechten, die van spel in ernst kunnen ontaarden als er met keiharde ‘bommen’ gegooid wordt van samengeperste sneeuw met een steen erin.

Door volwassenen worden er soms mensen doelbewust dood gestenigd bij wijze van volksgericht. Dat heeft voor de daders een voordeel: omdat het door een groep gebeurt is het niet mogelijk vast te stellen wie uiteindelijk de dodelijke steen gegooid heeft. In omgevingen waar steniging als moord geldt en de dader zich voor een gerecht moet verantwoorden kan deze niet worden vervolgd, omdat hij onbekend is. En in omgevingen waar bloedwraak heerst wordt zo voorkomen dat er bloedwraak op gang komt, die dan weer wraak van de andere kant oproept, enzovoort. Dat is eens te meer het geval wanneer verwanten van de gestenigde de dodelijke stenen gooien: zij zijn identiek met de rechthebbenden op bloedwraak, dus die vindt niet plaats.

Wél te onderscheiden zijn spontane steniging, een vorm van lynchjustitie, en steniging op grond van een doodvonnis na een rechtsgang, op grond van wetgeving. Hieronder ga ik het uitsluitend hebben over het laatstgenoemde: steniging op grond van een gerechtelijk vonnis.

Mij zijn twee rechtssystemen bekend waarin de doodstraf door steniging is voorzien: dat van het Oude Testament en dus van het jodendom, en dat van de islam.

Joden stenigen niet. Hoe ze het hebben klaargespeeld de betreffende zeer harde rechtsregels uit hun Heilige Schrift ongeldig te verklaren is mij onbekend. Een Oudtestamenticus die ik ernaar vroeg zei me, dat de wetten van het Oude Testament tot stand zijn gekomen na de ondergang van het oude Israël en Juda en dus nooit zijn toegepast. Hij vond geen aanwijzing dat er in die staatjes ooit door steniging was terechtgesteld. Na 586 v.Chr. leefden de joden als minderheid in andere staten en waren ze niet bevoegd zelf doodvonnissen uit te voeren. Dat is bekend uit het oude Perzië, waar veel joden woonden, en ook van het geval van Jezus, waar joden vonnis velden, maar Romeinen in hogere instantie het vonnis moesten bekrachtigen en ten uitvoer brengen. Dezen kozen zoals bekend voor een strafvoltrekking in Romeinse, niet in oudtestamentische stijl.

Moslims stenigden vroeger ook niet, hoewel het in enkele rechtsbronnen van de sharia ondubbelzinnig wordt aanbevolen. In andere rechtsbronnen vonden zij echter de juridische middelen om daaronder uit te komen; daarover op bladzijde twee. Maar sinds enkele decennia stenigen zij soms wél. In alle gevallen is het de straf voor buitenechtelijk geslachtsverkeer, tussen man en vrouw of tussen personen van het mannelijk geslacht.

– In Iran bijvoorbeeld werden tussen 1980-1989 76 personen op grond van een gerechtelijk vonnis gestenigd (bron: Amnesty International), en 74 over de periode van 1990–2009 (bron: International Committee Against Execution). In de laatste pakweg tien jaar zijn er pogingen gedaan de steniging uit het de Iraanse wetgeving te verwijderen; dat is maar ten dele gelukt. Maar in de praktijk wordt sinds 2009 de steniging in Iran omgezet in andere vormen van executie.
– In Saoedi-Arabië, dat sinds 1932 bestaat, wordt meestal onthoofd en met de kogel geëxecuteerd, maar ook wel eens gestenigd. Cijfers zijn mij niet bekend.
– In de Verenigde Arabische Emiraten zijn er tussen 2006 en 2014 ongeveer tien gevallen van steniging bekend.
– In Afghanistan werd er gestenigd tijdens het Taliban-regime, en daarna nog wel eens door de Taliban. Hoewel dat laatste geen spontane volksgerichten betrof kun je het ook geen rechtspleging noemen, want sinds 2004 is in Afghanistan steniging verboden en gelden de Taliban als rebellen.
– In de ‘Islamic State’ wordt gestenigd; cijfers zijn mij onbekend.
– Uit Sudan zijn er uit 2012 twee gevallen bekend waarin iemand tot dood door steniging werd veroordeeld, maar de vonnissen zijn niet uitgevoerd.
– In Noord-Nigeria (zonder Boko Haram) zijn er sinds 2000 meer dan twaalf personen tot steniging veroordeeld, maar de vonnissen zijn niet uitgevoerd.
– Mauretanië? Vast wel.
– In Pakistan wordt er niet gestenigd door de overheid; die veroordeelt stenigers juist als moordenaars. Wel vinden stenigingen plaats na vonnissen door stamrechtbanken – welke bevoegdheid deze hebben en hoe groot het verschil is met lynchjustitie is me niet duidelijk.
– In Somalië wordt gestenigd na vonniswijzing door zelfbenoemde zg. shariarechtbanken van terroristengroepen zonder legitimiteit (2009–2014).
– In de Indonesische deelstaat Aceh (Atjeh) en in Brunei (2013) was men voornemens steniging op te nemen in het wetboek, maar het is er bij mijn weten niet van gekomen.

Deze gegevens zijn onvolledig en niet waterdicht; ik heb ze ontleend aan het Wikipedia-artikel ‘Stoning’. Dat is natuurlijk onbevredigend, maar ik ga er niet verder naar speuren. Het artikel maakt geen onderscheid tussen lynchjustitie en steniging op grond van een gerechtelijk vonnis. Een grote lijn wordt toch wel zichtbaar. Opvallend is dat vrijwel al die stenigingen uit de jongste tijd dateren. In de late twintigste eeuw is er in een aantal islamitische landen een tendens, steniging in de wetgeving op te nemen en toe te passen, en in onze eeuw zien we een streven, stenigingen niet door te laten gaan, hoewel men vindt dat ze ‘eigenlijk’ zouden moeten worden uitgevoerd. Voor autoriteiten is stenigen zonder twijfel een hoop gedoe: er moet een groep mensen worden samengesteld die de stenen gaat gooien; die moet niet zelden tot die rotklus worden gedwongen en iedereen houdt er een vieze smaak aan over. Bovendien komt het buitengewoon onmodern over. Voor een overheid is het eenvoudiger andere vormen van executie toe te passen: door een beul die ambtenaar is, dan weet je wat je hebt en je bent meteen van het gezeur in de media af, die zich geweldig opwinden over stenigingen, maar over modernere vormen van terechtstelling veel minder.

Maar hoe was het dan vóór 1980, of evt. vóór 1932? Toen werd er NIET gestenigd op basis van een gerechtelijk vonnis. Steniging is in de islamitische wereld een modern fenomeen, dat ten onrechte ‘middeleeuws’ wordt genoemd.

De Duitse hoogleraar Th. Bauer heeft vele geschiedwerken over de oude tijd in het Midden Oosten doorgeploegd en stiet daarbij op talrijke met verve vertelde berichten over folteringen en executies, maar hij kwam slechts één geval van steniging tegen, en dat zorgde voor grote consternatie:

  • ‘Er waren opstandelingen en rovers die gekruisigd werden – de dichters stortten zich erop en schreven spectaculaire gedichten – sensatielust is immers geen modern verschijnsel. Er waren machthebbers die folterden en lieten terechtstellen – de kroniekschrijvers berichten het in alle uitvoerigheid – maar nergens wordt over een steniging bericht. Met één enkele uitzondering. Bij mijn weten was er in de periode tussen 800 en de twintigste eeuw maar één enkel met zekerheid aantoonbaar geval van een steniging wegens echtbreuk in het kerngebied van de islam. Deze vond plaats omstreeks 1670 in het Ottomaanse Rijk, was evenals de tegenwoordige gevallen politiek gemotiveerd en zorgde voor een daverend schandaal. De verantwoordelijke rechter werd uit zijn ambt ontzet. De kroniekschrijver die over het geval vertelt betoont zich eveneens verontwaardigd. Hij houdt stenigingen in het geheel niet voor islamitisch. Zoiets is sinds de vroegste tijd van de islam niet meer voorgekomen, constateert hij verontrust. Ook voor hem waren stenigingen iets atavistisch en onmenselijks.’ 2

– Waar halen moderne moslims dat stenigen dan vandaan? Uit hadithen en een nep-koranvers. En waarom werd er vroeger dan niet gestenigd? Op grond van twee echte koranverzen, bepaalde interpretaties van de rechtsbronnen, toepassing van het bewijsrecht en een aantal knepen. Dat staat op bladzij 2. En vooral op grond van een onmoderne, niet-verwesterste omgang met de oude teksten, die nu verloren is gegaan. Zie daarover bladzij 3.

NOTEN:
1. Roes, Leeg kwartier, bijv. 433–4, 581.
2. Bauer, Musterschüler, 10; ; vertaling van mij. Ook in Bauer, Ambiguität, 280–282 en Rohe, Recht, 135–6.

‘Islam is alleen de koran’

‘Islam is alleen de koran’. Onder deze titel heeft Tawfīq →Sidqī in 1906 een artikel geschreven, waarin hij de mening verkondigde dat de hadithliteratuur en allerlei andere aankoeksels van de islam maar eens afgeschaft moesten worden, en dat een moslim er genoeg aan had, zich op de koran te verlaten. Wat de christelijke reformator Luther indertijd ook had gezegd: sola scriptura, ‘alleen de Schrift’.
Tawfīq Sidqī (1881–1920) was gevangenisarts in Tura bij Cairo. Een gestudeerd mens met kennis van de moderne talen, maar niet geverseerd in de traditionele islamitische geleerdheid en evenmin in letterkunde. In de eeuw na hem zien we dat zijn mening over de hadith dikwijls wordt opgepakt door ontwikkelde moslims van vooral de ‘bêta’-richting: artsen, ingenieurs en dergelijke. De verdedigers van het standpunt dat de koran voldoende is, van wie er steeds meer lijken te komen, worden wel koranisten genoemd.1

  • ‘Alle moslims zijn het erover eens,’ aldus Sidqī, ‘dat de tekst van de koran definitief is, omdat hij woordelijk zo van de profeet is overgeleverd zonder dat er iets aan toe of af is gedaan, en is neergeschreven in zijn tijd en op zijn bevel, anders dan de profetische hadithen, waarvan überhaupt pas na zijn dood iets op schrift is gesteld, lang genoeg om fraude en tekstcorruptie mogelijk te maken. Daarom weten we dat de profeet niet wilde dat iets van hem de mensheid in geschrifte zou bereiken buiten de koran, van welke God garandeert dat hij goed wordt onthouden, volgens k. 15:9: ‘Wij hebben de vermaning nedergezonden en Wij waken erover.’ Als er in de godsdienst iets anders dan de koran nodig was geweest, had de profeet wel bevolen dat schriftelijk vast te leggen en had God gezorgd dat het bewaard bleef.’
    Als nu iemand zegt dat de profeet bevel gaf zijn woorden niet op te schrijven om verwarring met de het woord Gods te voorkomen, hoe is dat dan mogelijk? De koran is immers een godswonder van compositie en geen mensenkind is in staat iets dergelijks te produceren.2

Waarom inderdaad zou een deel van het geloof zijn neergelegd in de koran en een ander deel in de soenna? De koran zegt immers in k. 6:38: ‘Wij hebben in het boek niets veronachtzaamd,’ en in k. 16:89: ‘Wij hebben tot u het boek nedergezonden om alles te verduidelijken …’.
Verder betoogt Sidqī uitvoerig dat ook allerlei kleine regels wel degelijk alleen uit de koran kunnen worden afgeleid; en zo niet, dan zijn ze niet belangrijk en hoeven ze niet te worden nagevolgd.
Er kwam felle kritiek op het artikel, en Manār-redacteur Rashīd Ridā (1865–1935), die overigens hoge achting had voor Sidqī, stuurde een beetje bij, waarop de auteur wat inbond.3

De beroemde Egyptische islamhervormer Muḥammad ‘Abduh (1845–1905) was Sidqī voorgegaan. Ook hij wilde al moderniseren en veel oude koek overboord gooien. Het geloofsgoed wilde hij terugbrengen tot ‘wat meervoudig overgeleverd is, en waarvan bekend is dat het tot de godsdienst behoort, d.w.z. wat in de Schrift staat en een beetje uit de sunna ‘amalīya.’ 4 Met dat laatste bedoelde hij meervoudig overgeleverde hadithen, waarin praktische zaken aan de orde komen, zoals de uitvoering van het gebed of de bedevaart.

‘Abduhs leerling en medewerker Rashīd Ridā geraakte na het overlijden van zijn leermeester steeds verder van diens standpunten verwijderd. Op den duur zou hij duidelijk de weg terug inslaan, naar een gefingeerd en geïdealiseerd verleden.

Als niet-muslim probeer ik vanaf de zijlijn een beetje mee te denken en moet dan constateren dat er zonder hadith van de islam maar weinig zou overblijven. Het kán niet, een islam met alleen de koran. Er staat zó veel niet in de koran! Grote delen van de sharia zouden dan komen te vervallen—en niet alleen de delen die men graag kwijt wil. De koran is zonder exegese vrijwel niet te begrijpen, dus in plaats van de hadith zouden dan meer dan ooit de korancommentaren op de voorgrond treden. En daarin staan toch ook weer hadithen; niet in alle commentaren heel veel, maar wel belangrijke. En verder staan die commentaren vol met meningen van personen die duidelijk minder gewicht hebben dan de hadithen. Waarom zou men de hadith wegdoen en dan met die commentaren blijven zitten? De hadith is een literatuur, die behalve stichtend en amusant ook gezichtsbepalend is. ‘Alleen de koran’ zou volgens mij de problemen van moderne moslims ook daarom niet oplossen, omdat de koran eveneens verouderde opvattingen bevat.

Wat dan? Nog steeds vanaf de zijlijn: hadithen ‘wegdoen’ is zonde, al staat er nog zo veel verouderde onzin in. Oude boeken moet je nooit weggooien. Zowel koran als hadith zouden moeten verbleken, in hun wetgevende rol functioneel onschadelijk gemaakt worden. De joden en christenen hebben dat al gedaan. In de Bijbel, Leviticus 13 en 14 bij voorbeeld staan uitvoerige regels over hoe te handelen in geval van melaatsheid, of huidvraat zoals het tegenwoordig heet. De zieke geldt als onrein en in zekere zin schuldig; er is een ritueel, een priester, offers moeten worden gebracht, na genezing volgt een verzoeningsritueel. Moderne joden en christenen doen dat allemaal niet; zij gaan met een huidziekte naar de dermatolooog; grote kans dat ze daar zonder al die poespas genezen vandaan komen. Kortom, die bijbelhoofdstukken zijn verouderd, en vele gelijksoortige hoofdstukken evenzo. Hoe het joden en christenen precies is gelukt dergelijke delen van hun toch buitengewoon heilige Schrift ongeldig te verklaren weet ik niet; vraag het een rabbijn of een pastor. Maar het ís gelukt: de meeste van dergelijke hoofdstukken en andere oude teksten leveren nauwelijks nog overlast op. Is er, islamitisch geformuleerd, een soort ‘afschaffing van de rechtsregel maar niet van de tekst’ (naskh al-hukm dūn al-tilāwa) uitgeoefend? Ik hoop dat het ook de moslims binnenkort gaat lukken van verouderde inhouden in zowel hun Schrift als de hadith af te komen. Stilzwijgend gebeurt dat natuurlijk allang. Niemand5 wil bij voorbeeld meer terug naar Koran 4:3: trouwen met twee, drie of vier vrouwen, en als je die niet rechtvaardig kunt behandelen ‘dan met één, of met slavinnen’. Over die slavinnen hoor je tegenwoordig niet meer; dat deel van het vers is feitelijk al in onbruik geraakt. Het wachten is nog op een standpuntbepaling over verouderde teksten in het algemeen. De abrogatieleer lijkt mogelijkheden te bieden, evenals de bezinning op de ‘doelstellingen van de sharia’ (maqāsid al-sharī‘a): het zoeken naar de ‘geest van de wet’. Daar zijn moslims al lang mee bezig: in de hele islamitische wereld wordt intensief over dit soort onderwerpen gediscussieerd. Het geschreeuw van salafisten werkt daarbij echter vertragend, evenals het woedende geblaas van islamhaters in Europa en Amerika.

NOTEN
1. Ook onder islambestrijders heerst vaak de opvatting dat de islam alleen uit de koran te kennen is, maar bij hen berust zij op onwetendheid.
2. Ṣidqī, Al-islām 515.
3. Juynboll, Authenticity 23–9; Ryad, Islamic reformism 43–6.
4. ‘Abduh, Risāla 189: .بما تواتر وعلم أته من الدين بالضرورة، وهو ما في الكتاب وقليل من السنة في العمل […] Over een uitvoeriger betoog van ‘Abduh over hadith zie Juynboll, Authenticity 15–21.
5. Behalve de halve garen van de ‘Islamitische Staat’, die de slavernij weer hebben ingevoerd.

BIBLIOGRAFIE
Primair:
– Ṣidqī, ‘Al-islām huwa al-qur’ān waḥdahu,’ al-Manār 9 (1906), 515–24. Omdat niet iedereen dat tijdschrift compleet heeft zet ik het artikel online.
– Muḥammad ‘Abduh, Risālat al-tawḥīd, Cairo z.j. (Dār al-Ma‘ārif ± 1970; eerste druk was 1897).

Secundair:
– G. H. A. Juynboll, The Authenticity of the Tradition Literature. Discussions in Modern Egypt, Leiden 1969, 23–9, en zie de General Index.
– Umar Ryad, Islamic reformism and Christianity : a critical reading of the works of Muhammad Rashid Rida and his associates (1898-1935), Diss. Leiden 2008, ch. 1, 43–46, hier online.  Ryads hoofdstuk 6 behandelt Ṣidqī’s weerlegging van het christendom.

Diacritische tekens: Ṣidqī, Ṭura, Riḍā, al-ḥukm, maqāṣid

Terug naar Inhoud

De muildieren van de profeet

Een muildier (Arabisch baghl)1 is een kruising tussen een paardenmerrie en een ezelshengst; een muilezel is het jong van een ezelin en een paardenhengst. Omdat we niet weten over welk van beide soorten de oude Arabische teksten het hebben noem ik ze maar allemaal muildieren. Ik gok er maar op dat die in de meerderheid zijn geweest: zij zijn de sterkste lastdieren en het makkelijkst te fokken.
Herbert Eisenstein heeft alle teksten over Mohammeds muildieren en ezels verzameld. Uit zijn artikel2 zal ik hier putten; meer teksten dan hij heb ik niet gevonden. Aan interpretatie heb ik echter wel iets toe te voegen
.
Duldul
Het muildier bij uitnemendheid was Duldul. Misschien was het zelfs het islamitische oermuildier überhaupt, want het heet: ‘Duldul was het eerste muildier waarop gereden werd in de islam.’ 3 ‬ Zulke ‘eerste’-overleveringen (awā’il) dienden er meestal toe, de terminus post quem van het een of andere fenomeen vast te stellen, maar ze kunnen wel, zoals in dit geval, erg tendentieus zijn.4
Er bestaat over deze muilezelmerrie enig biografisch materiaal in de beste Arabische traditie.5 Ze zou de profeet cadeau zijn gedaan door de Muqawqis von Alexandrië — wie dat ook geweest moge zijn — tesamen met een ezel, goud, textiel en de twee mooie slavinnen Māriya en Sīrīn.6 Bij de Slag bij Hunayn (630) zou de profeet op Duldul gereden hebben en tegen haar gezegd hebben: irbidī! (ga liggen!), of sdi! (strek je!), zodat hij een handvol stof kon oppakken om de vijanden in het gezicht te werpen. In nog een andere variant zei de profeet in die slag tegen zijn oom ‘Abbās: ‘Geef mij eens een paar kiezelstenen!’ Duldul verstond dat en strekte zich uit eigen beweging, zodat de profeet ze zelf van de grond kon pakken. Zij overleefde de profeet meer dan dertig jaar en stierf tijdens de regering van kalief Mu‘āwiya (661–680) in Yanbu‘ aan de Rode Zee-kust. Een leeftijd van vijftig jaar is voor een muildier goed haalbaar; Duldul was bij aankomst in Medina blijkbaar al niet meer zo jong geweest. Op hoge leeftijd waren haar tanden uitgevallen, zodat de gerst voor haar gemalen moest worden. Haar tragische dood is goed als filmscène voorstelbaar: blind geworden liep zij een meloenveld in en vertrapte het. Het veld behoorde toe aan een man uit de Banū Mudlidj, die haar doodde met een pijlschot, blijkbaar niet vermoedend met welk nobel dier hij te doen had.
Volgens de sji‘ietische overlevering zouden ook ‘Alī, zijn beide zonen en zijn rechterhand Muhammad ibn al-Hanafīya nog op Duldul hebben gereden.
.
Andere muildieren
Wat Eisenstein over de andere muildieren van de profeet bijeen heeft gesprokkeld zal Ik hier kort samenvatten:7
– Fidda (‘zilver’), een wit dier, dat Farwa ibn ‘Amr al-Djudhāmī hem schonk en dat hij zelf aan Abū Bakr doorgaf,
– een wit dier, dat hij van de heerser van Ayla (het huidige Aqaba) cadeau kreeg,
– een muildier dat Kisrā, de koning van Perzië, hem schonk en waarop hij gereden zou hebben met een haren zadeldek,
– een grauwtje, dat hij van de Negus van Abessinië cadeau kreeg,
– een geschenk van de heerser van Dūmat al-Djandal (bij het huidige al-Djawf of Jouf)
– en tenslotte een niet gespecificeerd dier waarvan wordt verteld dat het ‘met hem op hol sloeg’, waarop de profeet aan het dier een koranvers liet voorlezen.
.
Hoeveel muildieren er nu precies bij de profeet in de stal stonden blijft onduidelijk, want de namen en biografische details van de dieren lopen erg dooreen. Wilt U ze echt tellen? Het is eigenlijk nogal duidelijk: al die dieren zijn er in werkelijkheid maar één. Het zijn variaties op één thema: een muildier dat de profeet cadeau krijgt uit het buitenland en dat vervolgens als precedent voor een sharia-regel optreedt.
.
Inderdaad, vrijwel al deze muildieren werden volgens de teksten aan de profeet cadeau gedaan vanuit het buitenland. Ayla en Dūma, hoewel in Noord-Arabië gelegen, golden toen nog als christelijk buitenland. Ook Fidda kwam uit het buitenland, want dat dier kreeg hij van Farwa ibn ‘Amr, die tot zijn bekering en martelaarsdood Romeins stadhouder was in Ma‘ān, ten noorden van Ayla.8 Naar aanleiding van de geschonken slavinnen Māriya en Sīrīn heb ik hier al besproken, welke functie geschenken uit het buitenland in de teksten hadden. Zij moesten door het voorbeeld van de profeet de aanname en het gebruik van niet-islamitische goederen legitimeren.
.
Maar waren muildieren dan zo buitenlands? In heel het Oude Nabije Oosten kwamen muildieren voor; ook Ethiopië was er vol mee. Het waren sterke en betrouwbare last- en rijdieren, die overal van pas kwamen; zouden die in Arabië dan hebben ontbroken? Dat wil er bij mij niet in, maar ze kwamen wel uit het buitenland.
Het Arabische woord voor muildier, baghl, is Ethiopisch. Hoewel de dieren ook in Syrië en aan de Perzische Golf voorkwamen, zal het eenvoudiger geweest zijn ze per schip uit Afrika in Arabië te importeren. Honderden kilometers door de woestijn konden ze immers niet lopen. En omdat de dieren zich niet voortplantten moesten er telkens nieuwe geïmporteerd worden.
Blijkbaar wil de mededeling dat de Egyptische Duldul het eerste muildier in de islam was ons te laten geloven dat muildieren in het oude Arabië nieuw waren, met andere woorden: de profeet had een primeur — en dat terwijl de koran ze al als vanzelfsprekend vermeldt vóórdat de profeet Duldul cadeau zou hebben gekregen.
Maar de nieuwheid van muildieren in de teksten is vrome fictie van rechtsgeleerden. Laten we hun gedachtengangen eens bekijken.
.
Rechtsregels over muildieren
– Het eten van muildiervlees is niet toegestaan — maar dat wordt hier niet behandeld.

– Het rijden op muildieren is zonder meer toegestaan, want in de Koran heet het: ‘En paarden, muilezels en ezels opdat jullie ze kunnen berijden, en voor het mooi. En Hij schept wat jullie niet weten.’9 Dat de profeet volgens verschillende vertellingen ook inderdaad op een muildier reed, is daarmee in overeenstemming. In het oude Israël reden de koningen David en Salomo erop, en muildieren konden ook dienen als vorstelijk geschenk.10

– Een normale omgang met muildieren leidt dus niet tot rituele onreinheid.

– Het zelf faciliteren van een kruising tussen paard en ezel is voor moslims afkeurenswaardig (makrūh). Een hadith maakt dit duidelijk:

  • … Van ‘Alī ibn abī Tālib: De profeet kreeg een muildier cadeau en hij reed daarop. Toen zei ‘Alī: ‘Als we eens ezels paarden lieten bespringen, dan hadden we ook zulke dieren.’ De profeet zei echter: ‘Dat wordt alleen door mensen zonder kennis gedaan.’ 11

In de teksten die Eisenstein heeft gevonden wordt deze uitspraak van de profeet in verband gebracht met het dier uit Ayla.12 Moslims die een absoluut verbod voorstonden interpreteerden ‘mensen zonder kennis’ als: ‘mensen die het verbod niet kennen’. Hoe dan ook, het fokken van muildieren is uit islamitisch oogpunt een niet-islamitische bezigheid. Bij de joden was het verbod duidelijker, op grond van Leviticus 19:19: ‘Laat je vee niet paren met dieren van een andere soort.’

– Reeds bestaande dieren mochten wel gebruikt of van buiten de eigen kring aangenomen of aangevoerd worden.

– Omgang met weerspannige muildieren: het beest dat met de profeet op hol sloeg gaf hij een lesje door het gevangen te zetten en Koran 113:1 aan hem te laten voorlezen, waarop het rustiger werd. Door zo’n bericht kregen de moslims natuurlijk ook meteen een lesje: in dergelijke gevallen moesten zij hetzelfde doen.

Ik vermoed dat het ongeveer als volgt gegaan is. De Arabieren en vroege moslims reden net als iedereen gewoon op muildieren rond en gebruiken ze als lastdieren. Toen na twee, drie eeuwen islamitische rechtsgeleerden begonnen, het hele leven aan de door hen opgestelde rechtsregels te toetsen, hebben zij ook vragen gesteld over muildieren. Omdat als altijd de profeet de hoogste autoriteit geweest moest zijn, hebben ze ook hem op muildieren laten rijden; ja zelfs al eerste. Het bij de joden gangbare fokverbod handhaafden zij; daarom blijft er in de teksten aan muildieren altijd iets vaag ‘niet-islamitisch’ hangen.

Zie ook Mohammed: ezeldrijver of kameelrijder?

NOTEN
1. Ch. Pellat, ‘Baghl’ in EI2.
2. H. Eisenstein, ‘Die Maultiere und Esel des Propheten,’ in Der Islam, 62 (1985), 98–131.
3. Ibn Saʿd, Ṭabaqāt i, @; Internet, passimوكانت دلدل بغلة النبي ص أول بغلة ركبت في الإسلام أهداها المقوقس
4. F. Rosenthal, Art. ‘Awāʾil,’ in EI2.
5. Eisenstein, o.c. 99–101.
6. Over die slavinnen zie hier.
7. Eisenstein, o.c. 101–4.
8. Ibn Isḥāq, Sīra, uitg. F. Wüstenfeld, 958; vert. Guillaume 644; Ibn Ḥadjar al-ʿAsqalānī, Al-Iṣāba fī tamyīz al-ṣaḥāba, 8 dln, Cairo, z.j., v, 386–7.
9. Koran 16:8:    وَالْخَيْلَ وَالْبِغَالَ وَالْحَمِيرَ لِتَرْكَبُوهَا وَزِينَةً وَيَخْلُقُ مَا لَا تَعْلَمُونَ
10. Bijbel, 1 Koningen 1:33, 38, 44; 10:25.
11. Eisenstein, o.c. 103.; Abū Dawūd, Djihād 53:

حدثنا قتيبة بن سعيد حدثنا الليث عن يزيد بن أبي حبيب عن أبي الخير عن ابن زرير عن علي بن أبي طالب ر قال  أهديت لرسول الله ص بغلة فركبها فقال علي: لو حملنا الحمير على الخيل، فكانت لنا مثل هذه. قال رسول الله ص: إنما يفعل ذلك الذين لا يعلمون.

12. Eisenstein, o.c. 103.

Diakritische tekens: Ḥunayn, irbiḍī, Muḥammad ibn al-Ḥanafīya, Fiḍḍa, ʿAlī ibn abī Ṭālib

Terug naar Hadith: startpunt     Terug naar Inhoud