Quarantaine: De Turkse grens bij Ruse

Met lichter gemoed […] stuurden wij op een van de huizen aan, waarop in het Russisch en Frans te lezen stond dat hier de agent van de Oostenrijkse Donaudampfschiffahrtsgesellschaft woonde. Zijn naam is Staude, een heel hoffelijke man, die ons uiterst voorkomend ontving en uitstekend regelde dat we snel verder kwamen. Weldra begaven wij ons in begeleiding van deze man met onze weinige bagage, onze jassen, bontmantels en wapens naar de quarantaine van Giurgewo [Giurgiu], waar een Turks schip, dat fruit had aangevoerd, ons zou opnemen en overzetten. Bij de quarantaine heerste volop drukte. Er werd juist tussen dubbele barrières markt gehouden, omdat de Turken van de rechteroever zich niet met de Walachen mogen vermengen. Dus leggen eerstgenoemden hun druiven, hun honing enz. tussen de barrières, waar zij door laatstgenoemden weggehaald worden en op dezelfde manier worden betaald. Het is een akelig gevoel, als je ziet hoe de ene mens de andere mijdt als een giftig dier, en steeds de lange stok voor zich uitstrekt om vooral niet aangeraakt te worden.

Friedrich Wilhelm Hackländer, Reise in den Orient, Band 1, 2e dr., Stuttgart 1846, blz. 24. Eerder verschenen in Morgenblatt für gebildete Leser, (31) 1841.

Leestraject: Quarantaine: De Fransen en de pest in Egypte (1798). Al-Tahtawi’s quarantaine in Marseille (1826). De Turkse grens: bij Belgrado (1834), bij Ruse (Rutschuk; ± 1840).

Terug naar Inhoud       Terug naar Inhoud (oud)

Grensovergang bij Belgrado

Omstreeks 1834 reisde Alexander William Kinglake naar het Nabije Oosten. Daarover vertelt hij in zijn boek Eothen (1844)—ἕωθεν is Grieks voor ‘‘s morgens vroeg’; ik denk dat het Cambridge-Grieks is voor ‘Naar het Morgenland’. Bij Belgrado ging hij de Turkse grens over, en dat was vrijwel een ijzeren gordijn, niet zozeer om militaire of politieke redenen, maar vanwege de strenge quarantaine-regels aan de Oostenrijks-Hongaarse kant. Niet vrij van racisme en oriëntalisme doet hij verslag van zijn grensovergang. De Engelse tekst staat geheel onderaan.
[Bij het snelvertalen merkte ik wel dat ik met Engels vertalen niet veel ervaring heb.]
.
‘De twee grenssteden liggen minder dan een kanonschot uit elkaar, en toch verkeren hun inwoners niet met elkaar. De Hongaarse aan de noordoever van de Sava en de Turkse en Servische aan de zuidoever liggen zo ver uiteen alsof er vijftig uitgestrekte provincies op het pad tussen hen beide lagen. Van de mensen die om mij heen krioelden in Semlin was er geen één, of misschien één, die ooit was overgestoken om het vreemde volk te gaan zien dat onder de muren van de burcht aan de overkant woonde. Het is de pest, en de angst voor de pest, die het ene ras van het andere scheiden. Ieder komen of gaan is verboden onder de terreur van de gele quarantainevlag. Als je de quarantainewetten breekt zul je verhoord worden met militaire haast: het hof zal je je vonnis toeroepen vanuit een tribunaal op vijftig meter afstand;  in plaats van de zoete hoop van de religie in je oor te fluisteren zal de priester je troosten op duelleer-afstand, en daarna zul je zorgvuldig doodgeschoten worden, en slordig begraven in de grond van het lazaret.

Toen alles gereed was voor ons vertrek liepen we naar de muren van de quarantaine-inrichting. Daar werden we opgewacht door een ‘gecompromitteerde’ officier van de Oostenrijkse regering, die in een staat van voortdurende excommunicatie leeft. De boten, met hun ‘gecompromitteerde’ roeiers, lagen ook klaar.

Na contact met enig schepsel of voorwerp dat tot het Ottomaanse Rijk behoorde zou het ons onmogelijk zijn terug te keren naar Oostenrijks gebied zonder een gevangenschap van veertien dagen in dat afschuwelijke lazaret. Daarom leek het ons belangrijk er van tevoren goed voor te zorgen dat we geen enkele van de afspraken die voor de reis noodzakelijk waren vergaten, en in onze bezorgdheid om zulk een malheur te vermijden regelden wij ons vertrek uit Semlin met bijna even grote ernst alsof we uit dit leven vertrokken. Enkele vriendelijke personen, die ons welwillend hadden ontvangen gedurende ons korte verblijf in die plaats, kwamen naar beneden om ons aan de oever vaarwel te zeggen, en nu we daar stonden op drie, vier meter afstand van de ‘gecompromitteerde’ officier, vroegen zij of we heel zeker wisten dat we al onze zaken in de christelijke wereld hadden afgesloten, en of we geen laatste verzoeken te doen hadden. Wij herhaalden de waarschuwingen tegenover onze bedienden, en maakten ons zorgen dat we mogelijk zouden worden afgesneden van het een of andere dierbare voorwerp — wisten zij heel zeker dat er niets was vergeten?—dat er geen welriekende kapdoos was met zijn goud afdwingende kredietbrieven waarvan we voor altijd zouden scheiden? Nee, al onze schatten lagen veilig opgepakt in de boot en wij waren bereid hen te volgen tot de uiteinden der aarde. Welaan dan, we schudden onze vrienden uit Semlin de hand; daarop weken zij onmiddellijk drie of vier stappen terug om ons midden in de ruimte tussen hen en de ‘gecompromitteerde’ officier achter te laten. Laatstgenoemde stapte toen naar voren en terwijl hij nogmaals vroeg of we werkelijk klaar waren met de beschaafde wereld strekte hij zijn hand uit. Ik gaf hem de mijne, en er kwam voor lange tijd een eind aan het christendom.

We naderden spoedig de zuidoever van de rivier, maar geen enkel geluid daalde neer vanaf de witte muren daarboven, en er was geen levende ziel die we konden zien, behalve één grote, rondcirkelende gier, laag en doelgericht rondvliegend boven de pestgeplaagde stad.
Maar nu kwam er uit een zijpoortje een groep menselijke wezens—wezens met een onsterfelijke ziel en misschien wat redelijke vermogens, maar voor mij was het belangrijkste dat zij heuse, substantiële, ontegenzeggelijke tulbanden droegen. Zij begaven zich naar het punt waar wij op af stuurden, en toen ik uiteindelijk aan land sprong hoorde ik, en zag ik mij zelf, voor het eerst omringd door mannen van Aziatisch bloed. Sindsdien ben ik door het land van de Osmanli’s gereden, van de Servische grens tot de Gouden Hoorn—van de Golf van Satalieh tot het graf van Achilles, maar ik nooit heb ik zulke ongemeen Turks uitziende kerels gezien als die mij aan de oever van de Sava ontvingen. Het waren mannen van het allerlaagste allooi, die onze boot kwamen opwachten in de hoop iets te verdienen door onze bagage naar de stad te dragen, maar al waren zij arm, het was duidelijk dat het Turken waren van de trotse, oude school, die de woeste, zorgeloze houding van hun ooit zegevierende ras nog niet hadden vergeten.’

Alexander William Kinglake, Eothen – Traces of Travel Brought Home from the East, London 1844, ch. 1 Online here.
At Semlin I still was encompassed by the scenes and the sounds of familiar life; the din of a busy world still vexed and cheered me; the unveiled faces of women still shone in the light of day.  Yet, whenever I chose to look southward, I saw the Ottoman’s fortress—austere, and darkly impending high over the vale of the Danube—historic Belgrade.  I had come, as it were, to the end of this wheel-going Europe, and now my eyes would see the splendour and havoc of the East.
The two frontier towns are less than a cannon-shot distant, and yet their people hold no communion.  The Hungarian on the north, and the Turk and Servian on the southern side of the Save are as much asunder as though there were fifty broad provinces that lay in the path between them.  Of the men that bustled around me in the streets of Semlin there was not, perhaps, one who had ever gone down to look upon the stranger race dwelling under the walls of that opposite castle.  It is the plague, and the dread of the plague, that divide the one people from the other.  All coming and going stands forbidden by the terrors of the yellow flag.  If you dare to break the laws of the quarantine, you will be tried with military haste; the court will scream out your sentence to you from a tribunal some fifty yards off; the priest, instead of gently whispering to you the sweet hopes of religion, will console you at duelling distance; and after that you will find yourself carefully shot, and carelessly buried in the ground of the lazaretto. When all was in order for our departure we walked down to the precincts of the quarantine establishment, and here awaited us a “compromised” officer of the Austrian Government, who lives in a state of perpetual excommunication.  The boats, with their “compromised” rowers, were also in readiness.
After coming in contact with any creature or thing belonging to the Ottoman Empire it would be impossible for us to return to the Austrian territory without undergoing an imprisonment of fourteen days in the odious lazaretto. We felt, therefore, that before we committed ourselves it was important to take care that none of the arrangements necessary for the journey had been forgotten; and in our anxiety to avoid such a misfortune, we managed the work of departure from Semlin with nearly as much solemnity as if we had been departing this life.  Some obliging persons, from whom we had received civilities during our short stay in the place, came down to say their farewell at the river’s side; and now, as we stood with them at the distance of three or four yards from the “compromised” officer, they asked if we were perfectly certain that we had wound up all our affairs in Christendom, and whether we had no parting requests to make.  We repeated the caution to our servants, and took anxious thought lest by any possibility we might be cut off from some cherished object of affection:—were they quite sure that nothing had been forgotten—that there was no fragrant dressing-case with its gold-compelling letters of credit from which we might be parting for ever?—No; all our treasures lay safely stowed in the boat, and we were ready to follow them to the ends of the earth.  Now, therefore, we shook hands with our Semlin friends, who immediately retreated for three or four paces, so as to leave us in the centre of a space between them and the “compromised” officer. The latter then advanced, and asking once more if we had done with the civilised world, held forth his hand.  I met it with mine, and there was an end to Christendom for many a day to come. We soon neared the southern bank of the river, but no sounds came down from the blank walls above, and there was no living thing that we could yet see, except one great hovering bird of the vulture race, flying low, and intent, and wheeling round and round over the pest-accursed city. But presently there issued from the postern a group of human beings—beings with immortal souls, and possibly some reasoning faculties; but to me the grand point was this, that they had real, substantial, and incontrovertible turbans.  They made for the point towards which we were steering, and when at last I sprang upon the shore, I heard, and saw myself now first surrounded by men of Asiatic blood.  I have since ridden through the land of the Osmanlees, from the Servian border to the Golden Horn—from the Gulf of Satalieh to the tomb of Achilles; but never have I seen such ultra-Turkish looking fellows as those who received me on the banks of the Save.  They were men in the humblest order of life, having come to meet our boat in the hope of earning something by carrying our luggage up to the city; but poor though they were, it was plain that they were Turks of the proud old school, and had not yet forgotten 

Leestraject: Quarantaine: De Fransen en de pest in Egypte (1798). Al-Tahtawi’s quarantaine in Marseille (1826). De Turkse grens: bij Belgrado (1834), bij Ruse (Rutschuk; ± 1840).

Terug naar Inhoud       Terug naar Inhoud (oud)

Steniging in Istanbul?

Gisteren werd hier op de Duitse TV een televisiebewerking van Agatha Christie’s Murder on the Orient Express vertoond, in 2010 geproduceerd door Philip Martin op een scenario door Stewart Harcourt,  met David Suchet als Poirot. Het boek verscheen op 1 januari 1934. De ontvoering en vermoording van de Lindbergh-baby in maart 1932 speelt er een belangrijke rol in. De handeling van het boek is dus in 1932–33 te plaatsen, toen die moord nog niet was opgehelderd.
.
Voordat de trein uit Istanbul vertrekt zijn Poirot en enkele medespelers, ook buitenlanders, getuigen van de openbare steniging van een overspelige vrouw, zomaar midden op straat in hartje Istanbul. Dit kwam mij zo absurd voor, dat ik het even nagezocht en bij een collega nagevraagd heb.
.
In het Ottomaanse rijk werd er nooit gestenigd op grond van een gerechtelijk vonnis—ja, één keer, in 1680, maar dat leverde toen een enorm schandaal op. De doodstraf werd op andere manieren voltrokken. De steniging kwam formeel wel in het rechtssysteem voor: het is een ‘recht Gods’ en Gods rechten kun je nu eenmaal niet schrappen, maar je kunt ze wel tot dode letter laten worden en dat is wat er gedaan werd: in werkelijkheid werd het nooit in praktijk gebracht. In 1926 was bovendien het hele religieuze recht in Turkije al grondig afgeschaft en vervangen door Zwitsers burgerlijk recht en Italiaans strafrecht. Daar kwam dus in geen velden of wegen steniging in voor, zelfs niet puur theoretisch.
.
Iets anders is, dat er in Turkije wel zoiets als een spontane lynch-cultuur bestond—en zelfs ten dele nog bestaat, vooral in het Oosten des lands. Maar het is volstrekt ondenkbaar dat zo’n spontane steniging in de vroege jaren dertig midden in Istanbul heeft plaatsgehad. Het Atatürk-regime wilde modern zijn en spande zich in om alles wat Ottomaans was als verouderd en achterlijk voor te stellen. Als er al iemand op het idee gekomen zou zijn, in het openbaar iemand te willen stenigen zou dat tot een onmiddellijk politie-ingrijpen en zware straffen voor de stenengooiers hebben geleid. Dat zou gewoon moord zijn, net als overal elders.
.
Collega Pierre Hecker gaf mij een krantenartikel uit de vroege jaren dertig, waarin zogenaamd een steniging uit de Ottomaanse tijd wordt getoond, inderdaad midden in Istanbul. Een vrouw met los haar (volgens de laatste mode) en een suggestief gescheurde jurk wordt aangevallen door een menigte woedende, getulbande mannen, onder wie zelfs een gezagsdrager te paard. Maar zoals gezegd, zulke stenigingen hebben in de oude tijd nooit plaatsgehad. Het is pure fictie, die hier in dienst is gesteld van de staatspropaganda: kijk, zo was het vroeger, maar tegenwoordig zijn wij modern. Atatürk gaf dus een verkeerde voorstelling van ‘de islam’; hij gedroeg zich als een oriëntalist.
.
Die steniging kwam niet voor in Christie’s detectiveroman en is pas voor de televisiebewerking van 2010 door de scenarioschrijver erbij gesleept. Het is een kwalijk geval van ‘oriëntalisme’. En dat in een filmwerk waarin de overige details van de toenmalige werkelijkheid zo precies kloppen! Het ‘detail’ steniging klopt beslist niet. Harcourt heeft noch de hervormingen van Atatürk, noch diens propaganda begrepen. Zijn steniging is misleiding, typisch voor onze tijd, waarin het eveneens gebruikelijk is geworden, een verkeerde voorstelling van ‘de islam’ te geven.
.
Alsof dit nog niet genoeg was: de lezers/kijkers kan dit blijkbaar helemaal niet schelen. In het internet heb ik een klein onderzoekje gedaan naar dit boek en deze verfilming en stuitte daarbij op een flink aantal besprekingen. De meeste besprekers vonden deze verfilming niet zo geslaagd, om allerlei redenen, maar niet vanwege die steniging. Velen gaan in hun beschrijving van de inhoud volledig aan de steniging voorbij. Anderen noemen hem even, alsof zoiets volkomen vanzelfsprekend is: ja, zo ging dat blijkbaar in Turkije. Ik vond één bespreking door iemand met een Arabische naam; die vond de steniging gratuitous, maar reageert verder niet bijzonder heftig; of misschien had hij het al opgegeven. De stilte van al die anderen is verontrustend.

StenigingIstanbul Kopie

“De steniging van een zondige echtgenote”

OPMERKING: Ik moet een klein voorbehoud maken: tot heden heb ik het boek van Christie niet zelf onder ogen gehad. Maar uit mijn onderzoekje is indirect gebleken dat de steniging er niet in voorkomt. Mocht toch het tegendeel het geval zijn zal ik het bovenstaande veranderen.

Terug naar Inhoud

Turken

Hier geen volkenkundige verhandeling over of geschiedenis van. Alleen enkele verwijzingen naar de Turken in het grijze verleden, met de Arabieren in het achterhoofd.

1. Oudheid: In het Oost-Romeinse Rijk was de naam Turken (Τοῦρκοι) al bekend en verwees naar volkeren in Centraal-Azië. Dat is een reusachtig gebied, dat in de preïndustriële tijd voornamelijk werd bewoond door ruiternomaden en hun paarden. Van oudsher kwamen er golven migranten uit dat gebied naar de door boeren bewoonde wereld: naar Europa, maar ook naar India en China: Hunnen, Chazaren, Magyaren, Turken en Mongolen, en waarschijnlijk vergeet ik er nog een stel. De Lebensraum, die ons onafzienbaar voorkomt was voor de bewoners blijkbaar niet voldoende. Of ze hadden gewoon zin in the high life.
In de Wolga-delta zaten in ieder geval al vroeg Turken. Er schijnen ook oude Griekse bronnen te zijn volgens welke er in de Kaukasus woonden, ongeveer in het huidige Armenië. Bij de historici Priskos en Prokopios moet er wat te vinden zijn. Dit soort uitstapjes buiten mijn eigen vak is moeilijk en tijdrovend; dat kan dus nog wat duren.
Het gebied ten Noorden van de Kaukasus had in de Oudheid in ieder geval een slechte naam. Men geloofde dat de wilde volkeren Gog en Magog (Yādjūdj en Mādjūdj)1 daar woonden. De ‘man met de horens’ (Alexander de Grote?) heeft volgens de koran een dam gebouwd waarachter deze kwaadwillige volken veilig waren opgeborgen. Te denken is misschien aan de vier meter dikke en achttien meter hoge muur van de stad Derbent, die op een landengte in Zuid-Dagestan ligt. In de Eindtijd, kort voor de Jongste Dag, verwacht men dat de Yādjūdj en Mādjūdj van achter die dam uitbreken. Er waren koranexegeten die hen tot de Turken rekenden.Waarschijnlijk hebben de preïslamitische Arabieren op het schiereiland nauwelijks Turken te zien gekregen. In de door Arabieren bewoonde delen van Syrië kunnen er best een paar zijn langsgekomen, maar dat heeft niet tot historische ontmoetingen geleid.

2. Vroege islam. Toen de Arabieren Perzië hadden veroverd leerden zij aan de (noord-)oostgrens van het rijk zeker ook Turken kennen. Dezen moeten een krijgshaftige en bedreigende indruk hebben gemaakt, zoals een aan de profeet toegeschreven hadith ons duidelijk maakt, in twee versies:

  • … van Abū Hurayra, dat de profeet hem verteld heeft: ‘De Jongste Dag zal niet aanbreken, voordat jullie tegen mensen gevochten hebben, wier schoenen uit haar bestaan. En de Jongste Dag zal niet aanbreken, voordat jullie tegen mensen gevochten hebben met kleine ogen en korte neuzen.’ 3
  • … van Abū Hurayra: De profeet heeft gezegd: ‘De Jongste Dag zal niet aanbreken, voordat de moslims tegen de Turken gevochten hebben, mensen wier gezichten eruit zien als dubbel genaaide leren schilden, die haren kleding dragen en op haren schoenen lopen.’ 4

Turkse ruiter3. Huursoldaten. Afgezien van Turkse migranten en  krijgsgevangenen uit het Oosten kwamen de eerste Turken naar Baghdad omdat de eerste Abbasidische kaliefen behoefte hadden aan soldaten als lijfwacht en voor de kalifale garde. Ze hebben Turkse huurlingen in dienst genomen, ten eerste omdat de Turken de naam hadden uitstekende soldaten te zijn—ze konden bij voorbeeld vanaf een galopperend paard trefzeker pijlen afschieten, ook naar achteren!—, ten tweede omdat deze vreemdelingen geen wortels in Irak hadden, zodat zij (althans aanvankelijk) weinig vatbaar waren voor ‘verkeerde’ loyaliteiten, kliekvorming en corruptie. Kalief al-Mu‘tasim (833–842) ging veel verder: hij importeerde 25.000 tot 30.000 man, en weldra bestond het hele leger alleen nog uit ‘Turken’ (d.w.z. migranten uit Centraal-Azië, waarvan ongeveer de helft een Turkse taal sprak). Islamitische staten hebben nog tot in de negentiende eeuw slaven, soldaten en soms zelfs heersers van ver gehaald: Mamelukken, Janitsaren enzovoort.
Al-Djāhiz (781–868) schrijft over hen:

  • Een Khāridjiet vertrouwt in de aanval vooral op zijn lans. De Turken beheersen die net zo goed, maar als er duizend Turkse ruiters aanvallen en ieder één pijl afschieten maaien zij duizend ruiters neer. Tegen dit soort aanvallen vermag  geen leger stand te houden.
    Khāridjieten en bedoeïenen hebben geen noemenswaardig talent om vanaf de rug van een paard pijlen af te schieten. Maar een Turk kan zo een stuk wild of een vogel raken, een schietschijf, een mens, een liggend dier of een opstaande grenssteen. Hij hitst zijn rijdier op voorwaarts en achterwaarts, naar links en naar rechts, bergop en bergaf en hij schiet tien pijlen af voordat een Khāridjiet ook maar één pijl aanlegt. Bij het afdalen van een heuvel  of in de diepte van een rivierdal zet hij zijn rijdier tot een snellere galop aan dan een Khāridjiet op een vlak stuk land. Een Turk heeft vier ogen: twee in zijn gezicht en twee in zijn nek.5
  • Zo zijn de Turken tentnomaden, steppenbewoners en herders van kudden; zij zijn de bedoeïenen van de niet-Arabieren […]. Met handvaardigheid of handel, geneeskunst, akkerbouw of geometrie houden zij zich niet bezig, evenmin als met bomen planten, bouwen, kanalen aanleggen en belasting heffen. Ze hebben geen ander streven dan plunderen en roven, jagen en paardrijden, vechten tegen kampioenen, zoeken naar buit en onderwerpen van vreemde landen.6

4. Migranten. Vanaf ± 1000 kwam er echter ook een grote, spontane volksverhuizing op gang; vanaf ± 800 had het al gedruppeld. Er kwamen steeds meer Turken; hele stammen trokken naar het Westen. Ik noem hier slechts de Seldsjoeken (Selçuklular, Saldjūq), die omstreeks 960 tot de islam overgingen, in 1055 Baghdad veroverden en in 1071 bij Manzikert (Malazgirt) een beslissende slag met het Oost-Romeinse Rijk leverden. Daarna lag het binnenland van Klein-Azië voor hen open. Konya, hun hoofdstad in Klein-Azië, kwam tot aanzienlijke bloei. Na een eeuw van sjiïetische machtsontplooing (Būyiden, Fatimiden) vertegenwoordigden de Seldsjoeken een stoere soennitische islam van hanafitische kleuring. Veel Turkse stammen struinden aanvankelijk nog als nomaden door Klein-Azië en lieten zich bij voorbeeld door het passerende leger van de Kruisvaarders (1097) nog tamelijk verrassen. Bij de Tweede Kruistocht waren zij al beter georganiseerd en hebben zij zich verdedigd. Maar het beeld van golven ‘woeste nomaden’ die naar het Westen kwamen is veel te eenzijdig. Er kwamen nomaden, zeker, maar de Seldsjoeken brachten ook herstel en nieuw leven in het nogal versleten Abbasidische rijk, in Irak en in Syrië: infrastructuur, geldstelsel, staatsinrichting, stedenbouw e.v.a. Kennis van de urbane cultuur en van staatsinrichting hadden zij opgedaan in het eveneens Turkse rijk der Ghaznawiden in en om het huidige Afghanistan (977–1186)
Na de Seldsjoeken kwamen de Turkse Ottomanen of Osmanen: Constantinopel viel in 1453. Daarvoor hadden zij al de Balkan veroverd, waarvan delen nog tot in de twintigste eeuw Ottomaans bleven.

5. Ottomanen. Het Ottomaanse Rijk was tot ± 1700 een zeer sterke, moderne, ook Europa bedreigende militaire macht. Daarna werd het geleidelijk zwakker—en daardoor cultureel aantrekkelijker—tot het eindigde als de ‘zieke man van Europa’. Omstreeks 1500 had het Ottomaanse Rijk het modernste rechtsstelsel van Europa – en dat was niet de Sharia.
De Turken hadden ook de Arabische wereld veroverd, met uitzondering van Marokko. In 1517 maakte zij een eind aan de heerschappij van de Mamelukken in Egypte. Voortaan woonden dus de meeste Arabieren in het Ottomaanse Rijk, en dat heeft tot na de Eerste Wereldoorlog geduurd. Ottomaans-Turks was nu de taal van de macht en het prestige geworden, terwijl het Arabisch werd teruggedreven naar de gebieden van godsdienst, handel en het leven van alledag. De beste schrijvers, geleerden en vaklui werden vanuit Cairo naar İstanbul overgebracht; anderen gingen vrijwillig, want de carrièrekansen lagen in de nieuwe hoofdstad.
Hebben de Arabieren onder de Turken geleden, zich onderworpen gevoeld? Ik weet het niet, ik zou denken: tot diep in de negentiende eeuw niet. Het nationalisme en de vrijheidsdrang van bij voorbeeld de Grieken, die zich in 1822 afscheidden, was nog niet in het Midden-Oosten aangekomen. Een beetje rancune vond ik wel bij ‘Alī Mubārak, later ‘Alī Pāshā Mubārak (1823–1893), een Egyptische jongen die in 1844 aan een militaire academie in Frankrijk mocht gaan studeren. Zijn medestudenten uit Egypte waren allemaal Turkstalig, kregen veel meer zakgeld en waren vaak nogal dom; ze hadden die beurs alleen maar gekregen omdat zij uit de bovenlaag kwamen. Een mengsel van etnische en standendiscriminatie dus.6 Vanaf 1850 geraakten zowel Turken als Arabieren volop besmet met het virus van het nationalisme. Sindsdien voelden de Arabieren zich minder thuis in het Ottomaanse Rijk en begonnen te mokken en in opstand te komen, terwijl de Turken hunnerzijds arroganter werden. In de tweede helft van de negentiende eeuw emigreerden veel Arabische intellectuelen uit het nog Ottomaanse Syrië naar Egypte, dat onafhankelijker was. In 1920 waren de Arabieren van de Turken ‘bevrijd’.
De Arabische cultuur, die eeuwenlang op het tweede plan stond, begon omstreeks 1850 aan de zogenaamde nahda (‘renaissance’). Weer aan te knopen bij de eigen Hochkultur van vroeger bleek na zoveel eeuwen niet gemakkelijk. De meer volkse cultuuruitingen, inclusief de poëzie, waren wel gewoon doorgegaan.
Tegenwoordig spreken de Arabieren soms (net als overigens de Grieken) over de Turkse bezetting, en daarmee bedoelen ze niets goeds. Bij vier eeuwen Turkse aanwezigheid is ‘bezetting’ echter niet het juiste woord. En toen het Ottomaanse Rijk en het kalifaat werden opgeheven bleken veel Arabieren het toch te missen en er erg aan gehecht te zijn. En huwa aslu turki, ‘hij is van Turkse komaf’ wees in Egypte tot voor kort op prestige; zo werd de oude elite aangeduid, ook wel aristūqrātīya genoemd. Die elite sprak Turks en Frans en luisterde nog heel lang via een eigen radiozender naar Ottomaanse schlagers en klassieke muziek. Zij zal nu wel uitgestorven zijn, of alleen nog maar Frans spreken. Nagieb Mahfoez heeft in zijn roman al-Qāhira al-djadīda (1945; vert. Nieuw Cairo, 1998) een prinses voor gek gezet, die een korte toespraak in het Arabisch moest houden maar die alleen uit een Franse transcriptie kon voorlezen, waardoor zij goeddeels onverstaanbaar werd.
Het Ottomaanse Rijk was officieel islamitisch, maar bood religieuze minderheden veel ruimte. Welbeschouwd vormden die minderheden samen zo’n 30% van de bevolking, zo niet nog meer—het hangt er vanaf wie je erbij rekent. Grieken, Joden en Armeniërs waren onmisbaar in de sectoren scheepvaart, handel en internationale contacten.

6. Moderne Turken. Tegenwoordig heeft Turkije voor vele Arabieren een voorbeeldfunctie: zie je wel dat het mogelijk is een modern en bloeiend land te hebben mét de islam? Anderzijds wordt Turkse bemoeienis met de toestanden in de Arabische wereld niet op prijs gesteld.

NOTEN
1. Koran 18:83–98, 21:95–97.
2. Keith Lewinstein, „Gog and Magog,“ in EQ.
3. Muslim, Ṣaḥīḥ, Fitan 64:

وحدثنا أبو بكر بن أبي شيبة حدثنا سفيان بن عيينة عن أبي الزناد عن .الأعرج عن أبي هريرة يبلغ به النبي ص قال لا تقوم الساعة حتى تقاتلوا قوما نعالهم الشعر ولا تقوم الساعة حتى تقاتلوا قوما صغار الأعين ذلف الآنف.

4. Muslim, Ṣaḥīḥ, Fitan 65:

حدثنا قتيبة بن سعيد حدثنا يعقوب يعني ابن عبد الرحمن عن سهيل عن أبيه عن أبي هريرة أن رسول الله ص قال لا تقوم الساعة حتى يقاتل المسلمون الترك قوما وجوههم كالمجان المطرقة يلبسون الشعر ويمشون في  الشعر.

5. Al-Djāḥiẓ, ‘Manāqib al-turk,’ in: Rasāʾil al-Djāḥiẓ, uitg. ʿAbd al-Salām Hārūn, Cairo z.j., 45.

وقال: الخارجي عند الشِدة إنما يعتمد على الطِعان، رالأتراك يطعن طعنَ الخوارج وإن شدّ منهم ألف فارس فرموا رِشقًا واحدًا صرعوا ألف فارس، فما بقاء على هذا النوع من الشدّة.
والخوارج والأعراب ليست لهم رماية ومذكورة على ظهور الخيل، والتركي يرمي الوحش والطير والبرجاس والناس والمجثَّمة والمُثل الموضوعة، و يرمي وقد ملأ فروجَ دابّته مدبرًِا ومقبلاً ويَمنة ويسرة وصُعُدًا وسُفْلاً، ويرمي يعشرة أسهم قب أن يفوّق الخارجي سهمًا واحدًا، ويركض دابّته منحدرًا من جبل أو مستفلاً إلى بطن واد بأكثر مما يمكن الخارجي على بسيط الأرض.

6. Al-Djāḥiẓ, ibid. i, 70–71.

وكذلك الترك أصحاب عمد وسكَّان فيافٍ وأرباب مواشٍ، وهم أعراب العَجَم كما أنّ هُذيلًا أكراد العرب. فحين لم تشغلهم الصناعات والتجارات والطب والفلاحة والهندسة ولا غرس ولا بنيان ولا شقّ أنهار ولا جباية غلاّت، ولم يكن همّهم غير الغزو والغارة والصيد وركوب الخيل ومقارعة الأبطال وطلب الغنائم وتدويخ البلدان.

7. ʿAlī Pāshā Mubārak, al-Khiṭaṭ at-tawfīqīya, ix, 41. @Tekst en controle@

Diakritische Zeichen: al-Muʿtaṣim, al-Djāḥiẓ, ʿAlī Mubārak, nahḍa, huwa aṣlu turkī, arisṭūqrāṭīya, Naǧīb Maḥfūẓ

Terug naar Inhoud