De vermeende ziekte van Mohammed – 4: schizofrenie

Armin Geus (1937–)
Armin Geus is gepromoveerd bioloog en was van 1973 tot 2002 hoogleraar in de geschiedenis der medicijnen in Marburg. Psycholoog, psychiater of arts was hij niet. Arabisch kende hij ook niet; hij was dus aangewezen op vertalingen van oude teksten.
.
Een aanzienlijk deel van zijn Die Krankheit des Propheten gaat helemaal niet over de ziekte van Mohammed. Veel plaats is ingeruimd voor de beschrijving van diverse geestesziekten en degenen die daaraan lijden, en daaronder vallen volgens hem alle profeten. Verder is er veel gescheld over de ‘ondraaglijk geworden aanwezigheid van de islam in het openbare leven’ (blz. 171). Stel je voor: die moslims verrichten ongegeneerd hun provocerende rituele gebed waar iedereen het kan zien! (blz. 166) Hij waarschuwt overheden voor het oprukkende salafisme en stelt dat er nooit een vredelievende Europese islam mogelijk zal zijn (blz. 166). Blijkbaar is hij vergeten dat die bijvoorbeeld in Bosnië-Herzegowina al eeuwenlang bestond, maar onder zwijgend wegkijken van Europa is vernietigd, waardoor de overblijvende gelovigen in de armen van de Saoediërs werden gedreven.
.
Al dit gepruttel lijkt irrelevant: we dachten immers iets te vernemen over de ziekte van Mohammed? Maar in de gedachtenwereld van Geus heeft het een wel degelijk met het ander te maken. Volgens hem zijn de koran, Allah en islam namelijk allemaal voortgekomen uit Mohammeds zieke geest. Dat de koran tegenwoordig wordt gezien als een anoniem geschrift met verschillende bronnen, dat Allah ook al vóór Mohammed werd vereerd en dat de islam zich heel geleidelijk heeft ontwikkeld en vele verschijningsvormen heeft gekend, dat is tot Geus niet doorgedrongen.
.
Mohammed was dus ziek, volgens Geus; wat had hij dan? Hij leed aan schizofrenie. Van de drie soorten schizofrenie die Geus kent vindt hij van de chronisch paranoïde hallucinatoire schizofrenie het meeste terug in de koranopenbaringen en hadithen. Akoestische, aanvankelijk ook optische hallucinaties, Wanen, angst en radeloosheid vooral in het begin. Daarna een overmatig zelfgevoel: megalomanie, een vertekend wereldbeeld, gewelddadigheid en sekszucht. Niet veel nieuws dus, alleen is de oorzaak nu een andere dan bij de vorige auteurs in deze reeks. En dit alles is terug te vinden in de koran: ‘De koran is de kroniek van een ziektegeschiedenis.’ (blz. 75)
.
Geus zit niet ver bij Somers vandaan, die het ook wel eens over die schizofrenie heeft gehad, maar deze veroorzaakt zag door acromegalie. Geus lijkt Somers’ werk niet te kennen, wat misschien daaraan ligt dat hij geen Nederlands las. Wel heeft hij kennis van het (ook in zijn ogen) onserieuze werk van een zekere Ali Sina, die eveneens met de diagnose acromegalie aankwam. Of Sina Somers kende is niet bekend. In ieder geval rekent Geus in twee bladzijden af met deze ‘speculatieve diagnose’ die hij kennelijk niet ziet zitten, hoewel hij niet duidelijk zegt waarom niet: deze ziekte is uiterst zeldzaam, die kan het niet geweest zijn, dat is het ongeveer. Vervolgens besteedt hij vele bladzijden aan de eeuwenoude diagnose epilepsie (zie tekst 1 in deze reeks), die echter in het geval Mohammed ook niet van toepassing is. Er volgen nog vele bladzijden algemene medische geschiednis, en nog een tendentieuze samenvatting van de geloofsleer van de islam. Daarbij maakt hij enorme fouten. Hij meent bij voorbeeld dat de sharia van Mohammed afkomstig is, terwijl deze pas in de achtste eeuw geleidelijk tot stand kwam.
.
Geus wordt kennelijk aangedreven door vreemdelingenhaat en verbittering jegens moslims. Geen goed uitgangspunt dus voor een studie naar de ziekte van de profeet, maar die was toch al onmogelijk.
.
Over Die Krankheit des Propheten is een zeer negatieve bespreking verschenen in de Junge Freiheit, een extreemrechts weekblad. Van dat blad is aan te nemen dat een ‘islamkritisch’ boek er welkom was geweest, maar de recensent Gabriel Burho vond dit boek toch ál te dom.
.
Was het wel de moeite waard om tijd te besteden aan boekjes als van Somers en Geus? Alleen dan, denk ik, wanneer ik aan de hand van hun fouten bij de selectie en interpretatie van de teksten over Mohammeds ziekte nog enkele algemene principes behandel die bij de bestudering van de Mohammedbiografie een rol spelen of behoren te spelen. Dat komt in deel 5.
.
Wordt vervolgd

De vermeende ziekte van Mohammed – 1: epilepsie
De vermeende ziekte van Mohammed – 2: hysterie
De vermeende ziekte van Mohammed – 3: acromegalie

BIBLIOGRAFIE
– Armin Geus, Die Krankheit des Propheten. Ein Pathographischer Essay, Marburg 2011.
Ali Sina, Understanding Muhammad. A Psychobiography, Londen, 2e dr. 2008.

Terug naar Inhoud

De Fransen en de pest in Egypte (1798)

In 1798 bezetten de Fransen Egypte, waar zij drie jaar zouden blijven. Een plaatselijke geschiedschrijver, ‘Abd al-Raḥmān al-Djabartī (1753–1825), hield gedurende de eerste maanden van de bezetting een dagboek bij. Daarin is onder andere te lezen over de pest. De Fransen hadden een panische angst voor de pest, die zich volgens hen verbreidde door miasmen: vuile dampen, rottende, vochtige lucht, en de uitwasemingen van zieken en lijken. Zij namen drastische maatregelen, waarvan quarantaine er één was. De bedorven lucht probeerde men te verbeteren door het verbranden van kruiden en wierook. Pestartsen droegen een lange puntneus, aan het eind waarvan geurstoffen waren aangebracht; zij liepen rond met een soort wierookvat.
Al-Djabartī‘s mededeling over hoe de Fransen met hun doden omgingen is fake news. De Fransen waren bezetters en werden door de Egyptenaren gehaat.
Drie niet samenhangende fragmenten uit het dagboek:

“Later werd duidelijk dat deze Bishli al ruim veertig dagen eerder was aangekomen met de correspondentie van de Vizier aan ‘Ali Bey […] maar de Europeanen hadden hem op het schip in Alexandrië geïsoleerd met de passagiers, uit angst dat de pest hen had besmet. Na veertig dagen lieten ze hen van boord gaan en gaven hun toestemming om te reizen, nadat ze zwaar hadden geleden onder de opsluiting en de benauwenis en de rook die werd gebruikt om hen te ontsmetten in het ruim, dat is de buik van het schip. Dit kwam nog bovenop de duurte, enzovoort.”
===
“Op die dag zeiden ze de mensen dat ze hun doden niet meer mochten begraven op begraafplaatsen in de buurt van woningen, zoals de begraafplaatsen van al-Azbakīya en al-Ruway‘ī en dat ze hen alleen mochten begraven op begraafplaatsen veraf. Degenen die geen graf op de begraafplaats hadden, moesten hun doden in die van de Mamelukken begraven. En als ze iemand begroeven moesten ze dieper graven. Verder gaven ze de mensen opdracht hun kleding, meubels en beddengoed enkele dagen op de daken uit te hangen en hun huizen uit te roken om de geur van verrotting te verwijderen. Dit alles uit angst, zoals ze beweerden, voor de lucht en de besmetting van de pest. [De Fransen] menen dat de verrotting in de diepte van de aarde gevangen zit. Als de winter intreedt en de diepte van de aarde koud wordt door de Nijlvloed, de regen en de vochtigheid, komt wat er in de aarde gevangen zit naar buiten met zijn dampen van bederf en laat de lucht verrotten, zodat er een epidemie en de pest ontstaan.
Wat [de Fransen] zelf betreft: het is hun gewoonte om hun doden niet te begraven, maar ze op vuilnishopen te gooien, zoals de kadavers van honden en beesten, of ze in de zee te gooien. Verder zeiden ze nog dat zij, wanneer er iemand ziek werd, op de hoogte gesteld moesten worden. Dan zouden zij een gevolmachtigde sturen om hem te onderzoeken en uit te zoeken of hij de pest had of niet.”
===
“Op die dag werd in de marktstraten omgeroepen dat kleding en huisraad veertien dagen lang in de zon moesten worden uitgehangen, en ze gaven de sjeiks van de verschillende kwartieren, straatjes en …? opdracht deze activiteit te controleren en te inspecteren. De autoriteiten benoemden voor ieder straatje een vrouw en twee mannen die de huizen moesten binnengaan om te inspecteren. De vrouw moest naar boven gaan en de twee mannen melden dat ze hun kleren in de zon hadden uitgespreid. [De familie] gaf hun dan wat muntjes. Ze vertrokken pas nadat ze de bewoners ernstig hadden gewaarschuwd en hun hadden meegedeeld dat er over enkele dagen ook een groep Fransen zou komen inspecteren. Dit alles werd uitgevoerd om de geur van de pest uit de kleren te doen verdwijnen. Daartoe schreven ze proclamaties uit die zij zoals gewoonlijk aanplakten aan de muren.”

ثم تبين ان هذا البشلي حضر من مدة نيف واربعين يوما وبيده مكاتبات من الوزير خطابا لعلي بيك قابجي باشا الذي كان معينا بطلب المال والخزينة وحجزوه الفرنج في المركب في سكندرية مع الركاب خوفا من تعلق الطاعون بهم. فلما مضي عليهم اربعون يوما اخرجوهم واذنوهم في السفر بعد ان قاسوا الشدة من الحبس والضيق وثم الدخان الذي يبخروهم به من داخل العنبر وهو بطن المركب وزيادة على ذلك الغلا وغيره.

وفيه نبّهوا على الناس بالمنع من دفن الموتى بالترب القريبه من المساكن كتربة الازبكية والرويعي ولا يدفنون الا بالقرافات البعيدة والذي ليس له تربه بالقرافه يدفن ميته في ترب المماليك وإذا دفنوا [يبالغوا] في تسفيل الحفر، وامروا ايضا بنشر الثياب والامتعة والفرش بالاسطحه عدة ايام وتبخير البيوت بالبخورات المذهبة للعفونه كل ذلك خوفا من رائحة الطاعون بزعمهم وعدوه ويقولون ان العفونة تستجن باغوار الارض فاذا دخل الشتا وبردت الاغوار بسريان النيل والامطار والرطوبات خرج ما كان مستجنا بالارض بالابخره الفاسده فيتعفن الهوا ويفسد ويحدث الوبا والطاعون، واما طريقتهم فانهم لا يدفنون موتاهم بل يرمونهم علي الكيمان مثل رمم الكلاب والبهايم او يلقونهم في البحر ومما قالوا ايضا: انه اذا مرض مريض يخبروهم عنه فيرسلون من جهتهم امينا للكشف عليه ان كان بالطاعون او لا ثم يرون رايهم فيه بعد ذلك.

وفي ذلك اليوم نودي في الاسواق بنشر الثياب والامتعة خمسة عشر يوما وقيدوا على مشايخ الاخطاط والحارات والقلقات بالفحص والتفتيش فعينوا لكل حارة امرأة ورجلين يدخلون البيوت للكشف عن ذلك فتطلع المرأة الى فوق وتنزل فتخبرهم بانهم ناشرين ثيابهم ويعطوهم بعض الدراهم ويذهبوا بعد ان يقرطوا على اصحاب الدار ويخبروهم ان بعد ايام ياتون جماعة الفرنج ويكشفوا ايضا، وكل ذلك حتى تذهب من الثياب رائحة الطاعون، وكتبوا يذلك مناشير ولصقوها بحيطان الاسواق على عادتهم في ذلك.

Bron: Al-Jabartī’s Chronicle of the First Seven Months of the French Occupation of Egypt. Muḥarram – Rajab 1213|15 June – December 1798, (تاريخ مدة الفرنسيس بمصر), ed. and trans S. Moreh, Leiden 1975, 75–6, 82, 91  ٤٩، ٥٥-٥٦ ٦٤-٦٥.

Terug naar Inhoud

De giraf als godsbewijs

Weer een fragment uit het Arabische, overwegend christelijke werkje Kitāb al-iʿtibār fī al-malakūt van Djibrīl ibn Nūḥ, een collectie van ongeveer honderd teleologische godsbewijzen (arguments from design), waarschijnlijk uit de negende eeuw. Zie over dat boekje hier. Uit dezelfde tekst had ik o.a. al fragmenten gebracht over de slurf van de olifant, de domheid van babies, de penis van de man en de menselijke stem. Nu de giraf.

““Denk eens aan hoe de giraffe (zarāfa) geschapen is, en hoe zijn lichaamsdelen onderling verschillen en lijken op die van andere soorten. Zijn kop is het hoofd van een paard, zijn nek is die van een kameel, zijn hoeven zijn die van een koe en zijn huid is die van een luipaard. De mensen hebben zelfs beweerd dat ze voortkomen uit meerdere mannetjes van verschillende soorten. Dat komt dan, zoals ze zeggen, omdat bepaalde soorten wilde dieren, wanneer ze naar een drinkplaats gaan, copuleren met vrij weidend vee, wat resulteert in een individueel dier als dit, dat als het ware een mengeling is van verschillende soorten. Maar dat is een verkeerde conclusie, want niet elke soort kan elke [andere] soort bevruchten. Een paard kan geen kameel bezwangeren en een kameel geen koe. Het gebeurt echter wel bij sommige dieren die op elkaar lijken en op dezelfde manier gevormd zijn. Een paard doet het met een ezel, en het resultaat is een muilezel, een wolf doet het met een hyena en het resultaat is een lycaon (sim‘), maar het resultaat van zulke verbintenissen is niet dat er, zoals bij de giraffe, een lichaamsdeel van een paard en een lichaamsdeel van een kameel zou zijn. Nee, het is er ergens tussenin, een mengsel van beide, zoals je kunt zien aan een muilezel, want daar zie je dat zijn kop, oren, kroep, staart en hoeven tussendingen zijn tussen de lichaamsdelen van een paard en een ezel. Zelfs het geluid van een muildier is als een mengeling van het gehinnik van een paard en het gebalk van een ezel. Dit bewijst dat de giraf niet het resultaat is van bevruchting door verschillende soorten, zoals sommigen beweren. Nee, het is een van Gods wonderbaarlijke creaturen, om te wijzen op Zijn almacht, voor welke niets onmogelijk is, en om te verkonden dat Hij de Schepper is van alle dieren en combineert en scheidt wat Hij wil en in welke soort Hij wil.
Wat betreft de lengte van de nek van een giraf en het gebruik ervan, dat is omdat hij volgens deskundigen opgroeit en graast in bosjes van hoog oprijzende bomen, zodat hij een lange nek nodig heeft om de toppen van die bomen te bereiken en de vruchten ervan te eten.””1
.
Onze auteur verzet zich tegen de gedachte dat één vrouwtjesdier door mannetjes van verschillende soorten gedekt zou kunnen worden, zodat deze alle een bepaalde lichamelijke eigenschap in het nieuwe dier zouden achterlaten. De giraf is ook geen kruising; nee, de Schepper heeft de giraf uit één stuk geschapen, prachtig en met een heel praktische lange nek.
.
De beroemde Arabische prozaschrijver al-Djāḥiẓ (776–868), die o.a. een groot dierenboek op zijn naam heeft staan, vond die meervoudige inseminatie ook flauwekul: ‘Sommige mensen zeggen dat de giraf een schepsel is dat is samengesteld uit de wilde kameel, een wilde koe en de dhīkh, d.w.z. het mannetje van een hyena. Dat zeggen ze omdat het woord voor giraf in het Perzisch اشتر گاو پلنگ , ushtur gāw palang is, “kameel-koe-luipaard”
. […] Ze hebben een hoop onzin verteld om de naam giraffe te verklaren […] en er zijn zelfs mensen die het voor compleet onmogelijk houden dat een vrouwtjesgiraf ooit door een mannetje gedekt wordt! […] Als ze enig bewijs konden aandragen voor die onzin en een beetje beter zouden opletten, zouden de boeken van een hoop fouten verschoond blijven.’2

Maar ook in het Grieks is de naam van het dier samengesteld. Daar heet hij namelijk καμηλοπάρδαλις, camelopardalis, ‘kameel-luipaard’. Hoe de oude Grieken dat verklaarden moet ik nog uitzoeken als de bibliotheken weer opengaan. Aristoteles kende de giraf nog niet; kennelijk is het dier pas laat uit Afrika in de Grieks-Romeinse wereld geïmporteerd.

NOTEN
1. Mijn eigen tekstuitgave op grond van drie handschriften. Over het fijne daarvan zal ik later elders berichten.

فكر في خلق الزرافة واختلاف أعضائها وشبهها بأعضاء أصناف من الحيوان. فرأسها رأس فرس وعنقها عنق جمل وأظلافها أظلاف بقر وجلدها جلد نمر، حتّى أنّ ناسًا زعموا أنّ نتاجها من فحول شتّى. وسبب ذلك فيما ذكروا أنّ أصنافًا من حيوان البرّ اذا وردت الماء تنزو على بعض السائمة فتنتج مثل هذا الشخص الذي هو كالملتقط من أصناف شتّى. وهذا مما لا يصحّ في القياس لأنه ليس كل صنف من الحيوان يلقح كل صنف. فلا الفرس يلقح الجمل ولا الجمل يلقح البقرة وانّما يكون هذا من بعض الحيوان فيما يشاكله ويقرب من خلقه كما يلقح الفرس الحمار فيخرج من بينهما البغل، ويلقح الذئب الضبع فيخرج من بينهما السِمْع، على أنّه ليس يكون الذي يخرج من بينهما عضوا من كل واحد منهما كما يكون في الزرافة عضو من الفرس وعضو من الجمل. بل يكون كالمتوسط بينهما الممتزج منهما كالذي تراه في البغل، فانّك ترى رأسه وأذنيه وكفله وذنبه وحوافره وسطًا بين هذه الأعضاء من الفرس والحمار حتّى أن شحيجه أيضًا كالممتزج من صهيل الفرس ونهيق الحمار. فهذا دليل على أنّه ليست الزرافة من لقاح أصناف شتّى من الحيوان كما زعم زاعمون، بل هي خلق عجيب من خلق الله للدلالة على قدرته التي لا يعجزها شيء، وليعلم أنه خالق أصناف الحيوان كلّها فيجمع ما شاء منها في أيّها شاء ويفرق بين ما شاء منها في أيّها شاء. فأمّا طول عنقها والمنفعة لها في ذلك فلأنّ منشأها ومرعاها كما يذكر أهل الخبرة بها في غياطل ذوات اشجار سامقة ذاهبة طولاً فهي تحتاج الى طول العنق لتتناول أطراف تلك الأشجار فتقمّ من ثمارها.

2. Al-Djāḥiẓ, Kitāb al-Ḥayawān, uitg. en commt. ‘Abd al-Salām Muḥammad Hārūn, 7 dln., Cairo 1938–47; i, 142–44.

زعم في الزرافة زعموا أنَّ الزرافة خلقٌ مركب من بين الناقة الوحشية وبين البقرة الوحشية وبين الذِّيخ وهو ذكر الضباع وذلك أنّهم لَّما رأََوا أنَّ اسمها بالفارسية أشتر كاو بلنك […]
فمنهم من حجر البتََّة أن تكون الزرافة الأنثى تلقَح من الزرافة الذكر […]
ولو أُعطُوا مع هذا الاستهتار نصيبًا من التثبُّتِ وحظًّا من التوقي لسَلِمت الكتبُ من كثير من الفساد.

Terug naar Inhoud

De vermeende ziekte van Mohammed – 3: acromegalie

Vervolg op: De vermeende ziekte van Mohammed – 2: hysterie

Herman Somers (1921–2004)
De biografische informatie die ik over deze auteur heb gevonden is niet erg solide; ik presenteer ze dus onder voorbehoud. Somers was geen arts, maar een gepromoveerd psycholoog, werkzaam in Leuven, maar niet aan de universiteit. Hij was aanvankelijk een Jezuïet, gepromoveerd als psycholoog, maar werd later scepticus en publiceerde veel over psychopathologische elementen in de uitingen van diverse profeten en godsdienststichters. Aan zijn geschriften te zien was een van zijn voornaamste doelstellingen het ontmaskeren van godsdiensten.
.
Ook Somers heeft zich verstout, een patiënt te diagnostiseren die hij niet had gezien en die al heel lang dood was: Mohammed. Ook hij kon zijn beeld van de profeet slechts opbouwen op grond van teksten, en daarvan had hij er heel wat minder ter beschikking dan Sprenger, omdat hij geen Arabisch kende en dus op vertalingen was aangewezen. Gezegd moet echter worden dat hij zich zeer heeft ingespannen, vertalingen te vinden.
.
Niet zijn hele boekje gaat over de ziekte van Mohammed. Hij maakt zijn eigen keuze uit de vertalingen van de bronnen en begint met diens biografie samen te vatten met veel aandacht voor de psychologie. Mohammeds vader is al voor zijn geboorte gestorven, zijn moeder toen hij nog een baby was; wat had dat voor psychische gevolgen? Aandacht voor de hechting aan voedster, voor de grootvader die de rol van vader vervulde, maar ook voor Abraham, die in plaats van de afwezige vader kwam. Mohammeds veel oudere echtgenote Khadidja vervulde de rol van een moeder. Ik hecht niet veel waarde aan dit soort psychologisch denkwerk, dat stoelt op de aanname dat de biografische teksten woordelijk weergeven hoe alles werkelijk gebeurde en in elkaar zat.
.
En dat tegen beter weten in. Hij volgt het principe dat men aldus kan samenvatten: ‘We weten bijna niets, maar toch weten we heel veel.’ Dit is een strategie van modern geschoolden met horror vacui: zeg eerst dat de bronnen onbetrouwbaar zijn en dat we bijna niets weten en schrijf daarna een gedetailleerde biografie. Rodinson (Mahomet, 1961) was zich reeds terdege bewust van het karakter van de bronnen en schreef vervolgens een dikke biografie, alsof dat nog mogelijk was! Bij F. E. Peters (Muhammad and the origins of Islam, 1994) is het niet anders, om van Tilman Nagel (Mohammed. Leben und Legende, 2008) maar te zwijgen. Somers doet iets dergelijks: ‘Als we heel streng willen zijn kunnen we zeggen dat we alles wat we […] weten rustig op een kleine briefkaart kunnen schrijven’ (p. 12). Maar als hij hadithen leest heeft hij ‘sterk de indruk dat ze voor een groot deel authentiek zijn,’ namelijk omdat ze zo gedetailleerd zijn—een oude valstrik. De teksten waarin hij Mohammeds ziektebeeld meent te ontwaren móeten wel echt zijn, want zij bevestigen wat de (serieuze, medische) wetenschap leert (p. 18–19).
.
Hoe zit het nu met die ziekte? Welnu, de ‘andere Mohammed’ is niet anders, dat valt dadelijk op. Eeuwenlang is Mohammed afgeschilderd als een geestelijk gestoorde bedrieger en seksmaniak. Even leek het of dat voorbij was, maar bij Somers zijn de hoofdlijnen weer als vanouds:
Mohammed was geestesziek. Daaruit vloeide voort dat hij impotent en (daarom) bezeten van seks. Ook zijn leugenachtigheid, wreedheid en wraakzucht zijn vanuit zijn ziekte te verklaren.
Maar epilepsie of hysterie als oorzaak van dit alles, dat wilde er bij Somers niet in. Volgens hem leed Mohammed aan acromegalie, een ziekte die voortkomt uit een tumor van de hypofyse. ‘Wanneer deze in de hersenen overdruk veroorzaakt gaan mensen dingen zien en horen die er niet zijn.’ Ik vat nog wat symptomen samen: grote oren, neus, kin, handen en voeten; mals aanvoelende handpalmen en dikke vingers; een diepe stem; rugpijn door vergroeide wervels; sterk zweten; sterke beharing; een geelachtige huidskleur, vraatzucht, een kippenborst; impotentie; neiging tot hallucinaties en hallucinosen; bij apoplexie hevige hoofdpijn en bewustzijnsstoringen. De aandoening komt vooral voor na het veertigste levensjaar, de meeste patiënten sterven rond hun zestigste. (Somers 70–79).
Genoemde symptomen en nog meer heeft Somers in de bronnen over de profeet bevestigd menen te vinden.
.
Om Mohammed acromegaal te krijgen moest Somers nogal aanrommelen met zijn bronnen. Acromegalie-patiënten hebben een zeer grote kin en een grove huid. Deze symptomen heeft Somers nergens teruggevonden: de teksten zwijgen over die kin en noemen Mohammeds huid juist mooi. Maar geen nood: de symptomen gingen natuurlijk schuil onder zware baardgroei (p. 75–6)! De huid van acromegalen schijnt gelig te zijn. Volgens een overlevering was Mohammed ‘niet licht en niet donker, eerder iets rossig.’ Maar gelig of rossig, voor Somers is dat blijkbaar hetzelfde. Zo drukte hij teksten in model. Bovendien heeft hij niet alle beschikbare teksten kunnen of willen zien. Er zijn namelijk nog andere beschrijvingen van Mohammed. Om maar iets te noemen: de Profeet zou brede schouders gehad hebben; hoe past dat bij een kippenborst?
.
Somers’ drijfveer is duidelijk niet een streven naar wetenschap, maar een hartgrondige hekel aan godsdienst en vooral aan de islam, waarvan ‘wij’ — wie bedoelt hij? — een natuurlijke afkeer hebben. De ziekte van Mohammed heeft hij nodig, omdat volgens hem de koran in elkaar is gezet door Mohammed en de hele islam aan diens zieke brein ontsproten is, en van de islam is niets goeds te verwachten. Geen wonder dan ook, dat de Nederlandse politicus Geert Wilders erg over dit boekje te spreken was.
.
Op Somers’ misvattingen, denkfouten en zijn omgang met de bronteksten hoop ik nog terug te komen nadat ik ook Armin Geus behandeld heb, die Mohammed voor schizofreen hield.

De vermeende ziekte van Mohammed – 4: schizofrenie

BIBLIOGRAFIE
– Herman Somers, Een andere Mohammed, Antwerpen/Baarn 1993. Online hier.

Terug naar Inhoud

Een Arabische slavenhandelaar beschaamd

Of: Wie is de ware moslim?

Slavenhandelaar was altijd een minderwaardig beroep en op slavernij was altijd kritiek; dat was bij de Arabieren van duizend jaar geleden niet anders dan bij ons. Soms beseften slavenhandelaren zelf misschien ook even dat ze fout zaten. Het hieronder vertaalde Arabische fictieverhaal stamt van een anonieme verteller uit de tiende eeuw, die het in de mond legde van een slavenhandelaar die zwarten veracht, goed met kwaad vergeldt en op beschamende wijze met zijn onislamitische gedrag wordt geconfronteerd. Een minderwaardig geachte zwarte gedraagt zich daarentegen superieur, ook al voordat hij moslim is. Hij had de ‘westerse waarden’ van toen heel wat beter begrepen dan zijn beschaafdere kwelgeesten.
.
Het verhaal stamt uit het boek De Wonderen van Indië, uit de tweede helft van de tiende eeuw, waarin veel anekdotes en verhalen zijn samengebracht van zeelui. Eeuwen voor de VOC waren het immers de Arabieren en Perzen die op ‘Indië’ voeren— dat is India, China en al wat daartussen ligt.

De auteur van het boek zou een zekere al-Rāmhurmuzī zijn, maar inmiddels heeft men ontdekt dat deze auteur misschien niet eens heeft bestaan, en dat de meer waarschijnlijke auteur, of althans verzamelaar van dit soort verhalen, een zekere Abū ‘Imrān Mūsā ibn Rabāḥ al-Awsī al-Sīrāfī was, die ondanks zijn achternaam uit Egypte zou stammen.1

Hoewel het verhaal in geen velden of wegen ‘echt gebeurd’ is, bevat het toch wat reminiscenties aan bestaande zaken en toestanden: de hachelijkheid van de zeevaart, het racisme, de slavenhandel, de verbreiding van de islam in Oost-Afrika.

VERTALING
Ismā‘īlawayh heeft mij verteld, en verschillende zeelui evenzo, dat hij in het jaar 310 [= 923 AD] op zijn schip naar Oman vertrok met als eindbestemming Qanbala. Maar er stak een storm op die het schip naar Sufāla joeg, in het land van de Zandj. Toen ik de situatie bezag, aldus de kapitein, begreep ik dat wij in het land van de negers2 waren beland, die menseneters zijn. Toen wij bleven steken op die plek, wisten we zeker dat we de dood zouden vinden: wij deden de rituele wassing, wendden ons berouwvol tot God en verrichtten voor elkaar het doodsgebed. Hun prauwen omringden ons en leidden ons de haven in, waar wij de ankers uitwierpen en aan land gingen. Ze brachten ons bij hun koning. Dat was een goed gebouwde, jonge man met een knap gezicht, voor een neger dan, die ons vroeg hoe we het maakten en waar wij heen wilden.
– ‘Naar uw land,’ zeiden we.
– ‘Jullie liegen,’ zei hij; ‘jullie wilden naar Qanbala, niet naar ons, maar de wind heeft jullie naar ons land gedreven.’
– ‘Dat is waar,’ antwoordden wij, ‘wij zeiden dat alleen maar om bij U in het gevlei te komen.’ Daarop zei de koning:
– ‘Ontscheep jullie goederen en drijf handel; jullie hebben niets te vrezen.’
Wij losten onze spullen en dreven handel, prachtige handel, zonder belastingen of belemmeringen. We gaven hem wel wat geschenken, maar kregen gelijkwaardige geschenken terug en zelfs meer dan dat. We verbleven enkele maanden in zijn land, en toen het tijd werd om te vertrekken vroegen we hem toestemming en die kregen we. De koopwaar brachten we aan boord en we rondden onze zaken af.
Toen we op het punt stonden te vertrekken meldden we dat. De koning kwam met ons mee naar het strand, met nog een aantal mannen en dienaren, ze stapten in de prauwen en voeren met ons naar het schip. Hij en zeven van zijn voornaamste dienaren kwamen zelfs mee aan boord. Toen zij aan boord waren dacht ik bij mezelf: ‘Die koning brengt op de markt in Oman dertig dinar op, die zeven anderen honderdzestig, en hun kleding doet wel twintig dinar. Dat levert ons tenminste drieduizend dirham per maand op, zonder dat we enig risico lopen.’ Ik riep dus tegen de matrozen dat ze de zeilen moesten hijsen en de ankers moesten lichten, terwijl de koning nog doende was vaarwel te zeggen en ons te vragen nog eens bij hem terug te komen; dan zouden we weer zo goed worden ontvangen. Toen hij zag dat de zeilen gehesen waren en wij al voeren, veranderde zijn gelaatsuitdrukking en hij zei:
– ‘Dus jullie vertrekken nu; dan neem ik afscheid.’
Hij wilde aan boord gaan van een van de prauwen, maar wij hadden de touwen daarvan doorgesneden en zeiden tegen hem:
– ‘U blijft bij ons, we brengen U naar ons land en wij belonen U voor de goede behandeling en betalen U terug wat U ons hebt gedaan.’
– ‘Mannen,’ zei hij, ‘toen jullie bij mij strandden had ik het voor het zeggen. Mijn mensen wilden jullie opeten en jullie bezittingen afpakken zoals ze dat met anderen al eerder hadden gedaan. Maar ik was goed voor jullie en heb niets van jullie afgepakt. Ik ben met jullie mee aan boord gekomen om afscheid te nemen, als teken van mijn respect. Geef mij nu waar ik recht op heb en breng mij terug naar mijn land.’
Maar wij besteedden geen aandacht aan zijn woorden en negeerden hem volkomen. De wind werd sterker, na een uur was de kust niet meer te zien, en ’s nachts geraakten wij in volle zee. De volgende ochtend waren de koning en zijn mannen bij de andere slaven gevoegd, dat waren zo’n tweehonderd stuks, en wij behandelden hem net als de andere slaven. De koning zei niets en deed zijn mond niet meer open; het was alsof we elkaar helemaal niet kenden. Toen we in Oman aankwamen verkochten we hem en zijn mannen met de hele partij slaven.
.
Welnu, enkele jaren later zetten wij koers van Oman naar Qanbala, maar werden wederom door de wind naar Sofala in het land van de Zandj gedreven, en ongelogen: we kwamen op precies dezelfde plek terecht. Ze voeren uit en zagen ons, de prauwen omringden ons, zoals we het al kenden van de vorige keer. We wisten nu werkelijk dat we om zouden komen en niemand van ons praatte met zijn maat, zo bang waren we. Wij deden de rituele wassing, verrichtten het doodsgebed en namen afscheid van elkaar. De negers namen ons gevangen en brachten ons in het paleis van de koning. Maar wie schetst onze verbazing toen we daar precies dezelfde koning op de troon zagen zitten, alsof we hem zoëven hadden verlaten. Toen wij hem zagen vielen wij ter aarde, onze krachten begaven het en we waren niet meer bij machte op te staan.
– ‘Ha, jullie zijn het, mijn vrienden,’ zei hij, ‘geen twijfel mogelijk!’
Niemand van ons kon een woord uitbrengen, we beefden over ons hele lijf.
– ‘Hef jullie hoofd op, zei hij, ‘ik garandeer jullie bescherming voor lijf en goed.
Sommigen deden dat; anderen konden het niet eens, zo zwak en beschaamd waren ze. Hij sprak ons vriendelijk toe, totdat allen hun hoofd hadden opgeheven, maar we durfden hem niet aan te kijken uit vrees en uit schaamte. Toen we allemaal weer tot onszelf gekomen waren door zijn garantie, zei hij:
– ‘Verraders! Ik had jullie zo goed behandeld en zo hebben jullie mij terugbetaald!’
– ‘Genade, Majesteit, vergeef het ons!’
– ‘Ik vergeef jullie, en drijf nu maar handel zoals jullie dat de vorige keer gedaan hebben, daar is geen bezwaar tegen.’
Wij konden onze oren niet geloven van blijdschap. Ofschoon we dachten, dat het misschien een listige manier was om onze handelswaar aan land te krijgen, losten we en boden hem een kostbaar geschenk aan. Maar hij gaf het terug en zei:
– ‘Jullie zijn niet waard dat ik een geschenk van jullie aanneem. Ik wil mijn bezit niet verontreinigen met iets wat ik van jullie aanneem; al jullie goederen zijn onrein.’
Wij dreven dus handel, en toen het tijd was om weer te vertrekken vroegen wij hem toestemming om te gaan, en die gaf hij ons. Toen wij op het punt stonden te vertrekken meldde ik hem dat en hij wenste ons een goede vaart en Gods bescherming toe. Ik vroeg hem:
– ‘Majesteit, U hebt ons bovenmate goed behandeld, hoewel wij U hadden verraden en onrecht hadden aangedaan. Maar hoe hebt U zich kunnen bevrijden en terugkeren naar uw rijk?’ Hij vertelde:
.
– ‘Toen jullie mij in Oman verkocht hadden, nam degene die me kocht me mee naar een plaats genaamd Basra (en hij beschreef het). Daar heb ik leren bidden en vasten, en iets van de koran. Toen verkocht mijn meester mij aan iemand anders, die mij meenam naar de stad van de koning der Arabieren, die Baghdad heet (en hij beschreef het). In die stad leerde ik correct Arabisch spreken, ik bestudeerde de koran en bad met de andere mensen in de moskeeën en ik zag de kalief, die al-Muqtadir [reg. 908–932] heet. Ik bleef iets meer dan een jaar in Baghdad, tot daar een groep mensen uit Khorasān op kamelen aankwam. Het was een grote groep en ik vroeg waarom zij gekomen waren.
– ‘Ze gaan naar Mekka,’ kreeg ik ten antwoord.
– ‘Dat Mekka, wat is dat?’ vroeg ik.
– ‘Daar staat het gewijde Huis Gods, waarheen ze een bedevaart maken,’ en ze vertelden mij over dat Huis. Ik bedacht, dat ik met hen kon meereizen naar dat Huis, en ik sprak met mijn meester over wat ik gehoord had, maar ik merkte dat hij zelf niet wilde gaan en ook mij niet wilde laten gaan. Daarom deed ik alsof ik er niet meer aan dacht, tot het moment gekomen was dat die mensen vertrokken, toen voegde ik mij bij hen en werkte als hun dienaar, de hele weg lang. Ik at met hen mee en ze gaven me ook de twee kledingstukken die je moet dragen in gewijde staat; vervolgens onderwezen ze me over de plichten tijdens de bedevaart, en zo maakte God het gemakkelijk voor me om die te volbrengen.
Toen durfde ik niet meer terug naar Baghdad, uit vrees dat mijn meester mij te pakken zou krijgen en zou doden. Daarom zocht ik aansluiting bij een andere karavaan, die naar Cairo ging. Ik bood mijn diensten aan, ze namen me mee en deelden hun voedsel met mij. In Cairo aangekomen zag ik de prachtige rivier die men Nijl noemt, en ik vroeg waar die vandaan kwam. Ik kreeg te horen, dat hij zijn bron had in het land van de Zandj en het land binnenkwam bij een stadje genaamd Aswān, aan de grens met het land van de zwarten.
Ik volgde dus de oever van de Nijl, ging van de ene stad naar de andere bedelend om aalmoezen en die kreeg ik; dat werd mijn gewoonte. Toen stuitte ik op zwarten die me niet mochten en me in de boeien sloegen en mij als dienaar lasten lieten dragen die ik niet dragen kon. Ik sloeg op de vlucht en geraakte bij andere mensen die mij gevangen namen en verkochten. Ik vluchtte weer, en zo ging het verder tot ik Egypte uit was en in de stad zus-en zo terecht kwam, aan de rand van het land van de Zandj. Daar maakte ik me onherkenbaar en hield me gedekt. Al die tijd dat ik uit Egypte weg was en allerlei verschrikkingen ervoer was ik niet zo bang geweest als toen ik dicht bij mijn eigen land kwam. Ik dacht: In mijn land zit nu een opvolger van mij op de troon, aan wie het leger gehoorzaamt. Het koningschap aan hem ontworstelen zal zeer moeilijk zijn. Of ik mijzelf nu bekend maak of dat iemand me herkent, ik zal bij hem gebracht worden en hij zal me doden. Of een van zijn raadslieden zal zo brutaal zijn en zelf mijn hoofd afhakken om daarmee zijn gunst te zoeken.
Ten prooi aan hevige angst verborg ik mij overdag en bewoog me alleen ’s nachts in de richting van mijn land, tot ik bij de zee kwam, waar ik anoniem aan boord van een schip ging naar de plaats zus-en-zo, en daarna weer verder naar een volgende plaats. Op een avond werd ik aan land gezet op de kust van mijn land. Een oude vrouw vroeg ik om inlichtingen:
– ‘Is de koning die hier regeert rechtvaardig?’
– ‘Mijn zoon,’ zei ze, ‘wij hebben geen andere koning dan God.’ En zij vertelde mij het verhaal van de ontvoerde koning, terwijl ik verbazing veinsde, alsof ik niet wist dat het over mijzelf ging. Ze zei:
– ‘De mensen in dit koninkrijk zijn het erover eens dat zij niemand na hem koning zullen maken tot zij weten wat er met hem gebeurd is en niet langer geloven dat hij in leven is. Want zij hebben berichten van waarzeggers gehoord dat hij nog leeft, en gezond en wel in het land van de Arabieren is.’
De volgende ochtend ging ik mijn stad binnen en betrad mijn paleis, waar ik mijn familieleden terugvond zoals ik die had achtergelaten, behalve dat zij diep bedroefd waren. Ik vertelde mijn mensen het hele verhaal. Zij waren verbaasd en waren blij en gingen over tot de islam zoals ik dat had gedaan, en ik aanvaardde opnieuw mijn koningschap. Dat was een maand voordat jullie kwamen. En vandaag ben ik blij met wat God mij en mijn mensen heeft vergund: de islam, geloof, kennis, het gebed, de vasten en de bedevaart, en kennis van wat halāl is en harām. Ik heb gekregen wat niemand in het land van de Zandj ooit tevoren had gekregen, en ik vergeef jullie omdat jullie de oorzaak zijn van mijn overgang tot de ware godsdienst. Maar er is nog één punt waarop ik God vraag van schuld verlost te worden.’
– ‘Wat dan, Majesteit?’
– ‘Dat ik mijn meester in Baghdad zonder zijn instemming heb verlaten om op pelgrimstocht te gaan, en dat ik niet bij hem teruggekomen ben. Als ik een betrouwbaar man zou ontmoeten zou ik hem de geldswaarde voor mij meegeven en hem verlichting van mijn straf vragen. Ja, als er zo iemand onder jullie was zou ik hem het geld meegeven, en zelfs tienmaal de prijs, ter vergoeding van zijn geduld, maar jullie zijn verraders en schurken.’
Toen wij van hem afscheid namen zei hij nog:
– ‘Gaat heen, en als jullie terugkomen zal ik jullie net zo behandelen en zelfs nog beter. En laat de moslims weten dat ze bij ons terecht kunnen, want wij zijn hun broeders geworden, moslims zoals zij. Maar jullie uitgeleide doen naar het schip, daar zie ik nu maar van af.’
Toen namen wij afscheid en voeren weg.

NOTEN
1. Buzurg ibn Shahriyār al-Nākhudhā al-Rāmhurmuzī, Kitāb ‘Adjāʾib al-Hind, Livre des merveilles de l’Inde, texte arabe publié … par P. A. van der Lith, traduction française par L. Marcel Devic, Leiden 1883–86. De vertaling, de titel en de ondertitel zijn van mij. Over de auteur: Jean-Charles Ducène, ‘Une nouvelle source arabe sur l’océan Indien au Xe siècle,’ Afriques 06, 2015 (online hier).
2. Zo vertaal ik op sommige plaatsen het Arabische woord zandj, dat vaak net zo’n negatieve klank heeft als ons woord ‘neger’. Zandj verwijst naar de zwarte bevolking van Oost-Afrika, maar is niet altijd een eigennaam. Het woord sūdān vertaal ik met ‘zwarten’, dat eerder verwijst naar de inwoners van Sudan.

Terug naar Inhoud