Al-Hakim: een gek op de troon?

🇩🇪 In ieder politiek stelsel komt wel eens een halve gare op de troon terecht. Nebukadnezar, Nero, Caligula, Iwan, Adolf, Bokassa en ettelijke anderen, ook in onze tijd. Uit de Arabische cultuurkring kan ik U aanbieden kalief al-Hākim (geb. 985, reg. 996–1021), heersend over een rijk dat zich uitstrekte van Tunis tot Noord-Syrië, met als hoofdstad Kairo. Hij behoorde tot de dynastie der Fātimiden, die sjiïtisch was, van de Ismaïlitische richting (de ‘zeveners’). Voor hen had een kalief, of imam zoals zij hem liever noemden, absolute macht en was zoiets als een demiurg of messias.

Dat al-Hākim geestelijk gestoord was meende reeds Yahyā al-Antākī, een christelijke arts en historicus, die in Egypte woonde tot hij het land in 1014 ontvluchtte. Volgens hem leed de kalief aan hersenkrampen en melancholie. Hoe uitte zich diens gekte? Hij volgde zijn vader op toen hij elf was. Op zijn vijftiende kreeg hij genoeg van zijn voogd, de eunuch Bardjawān, die hij tijdens een gezamenlijke wandeling liet vermoorden. Dat was de eerste manifestatie van zijn bloeddorstige neigingen. Een knappe jongeling zou hij persoonlijk hebben gedood en van zijn ingewanden hebben ontdaan; een dienaar zou hij met bijlslagen hebben omgebracht; meestal liet hij echter het doden aan zijn slaven over.

Al-Ḥākim probeerde orde te scheppen in zijn rijk door corruptie en machtsmisbruik aan het hof en in de bestuursorganen te bestrijden. Wat aanvankelijk een sympathieke zuiveringsactie leek werd al spoedig een schrikbewind. De kalief hield van snelrecht en de strafmaat was al gauw de doodstraf; daarbij werden ministers en de hoogste ambtenaren niet ontzien. Hij had de absolute macht en iemand laten ombrengen ging gemakkelijk, zoals hij al vroeg ervaren had. Tijdens zijn regering zijn er talloze mensen standrechtelijk veroordeeld en gedood. Bij het ‘volk’ was hij wel populair en stond hij zelfs als toegankelijk en rechtvaardig bekend.

Meer dan de helft van de inwoners van Egypte bestond uit christenen; joden waren er ook. De meeste moslims waren soennieten, terwijl de heerser sjiïtisch was. Omdat veel bestuursfuncties vanouds in christelijke handen waren, werden veel christenen slachtoffer van zijn ‘zuiveringen’. De kalief liet ook kerken, kloosters en enkele synagoges afbreken, hij onteigende zelfs zijn moeder en zuster van hun bezittingen en liet zijn oom Arsenius, de Griekse patriarch van Alexandrië en Jeruzalem (reg. 1000–1010), heimelijk vermoorden. Moeder was namelijk ook een christin, en wel een Grieks-Orthodoxe, dus georiënteerd op Constantinopel – de vijand! Er vonden gedwongen bekeringen tot de islam plaats — hoewel de koran dat verbiedt. Christenen en Joden moesten vernederende, onderscheidende kleding en kentekenen dragen, tot in het badhuis toe. Spectaculair was de sloop van de Heilige Grafkerk in Jeruzalem in 1009. Die echode nog na toen Europa tientallen jaren later tot de eerste Kruistocht besloot. Een paar jaar later dacht de kalief er weer anders over: kerken die waren gesloopt mochten weer worden opgebouwd, soms zelfs op staatskosten. Ex-christenen mochten desgewenst weer tot hun oude geloof terugkeren.

Vanaf 1003 begon het decreten (sidjillāt) te regenen, die het zedelijk leven in Egypte moesten verbeteren. In zijn jonge jaren had de kalief nog graag meegedaan met de volksfeesten in Fustāt (Oud Cairo). De christenen die daar woonden dronken veel en het kwam vaak tot excessen. Hij had het leuk gevonden toe te kijken als mannen op straat in gevecht raakten, zelfs als het in een bloedige veldslag ontaardde. Maar op een dag vond hij dat het te zeer uit de hand liep. Toen verbood hij per decreet de wijn en de deelname van vrouwen aan het nachtleven: zij moesten ’s avonds thuisblijven. Even later mochten ze ook overdag niet meer zonder begeleiding over straat. Boottochtjes werden voor vrouwen verboden. Nog later mochten mannen ook niet meer ’s avonds op straat: het hele nachtleven kwam tot stilstand. Wijn en alles wat daarmee te maken had zoals kruiken e.d. werden in het openbaar vernietigd; kroegen werden gesloten en wijnstokken ontworteld; zelfs de productie van honing werd beperkt om de vlucht in honingwijn onmogelijk te maken. Muziek, schaken en uitstapjes in de woestijn werden verboden. Erkers aan de straatkant werden verboden, evenals mulūkhīya, een groente, die Mu‘āwiya, de door de sjiïeten zo gehate gehate rivaal van ‘Alī, indertijd graag had gegeten.

Maar zelfs de soennitische moslims werden niet ontzien. Zij kregen te horen dat zij al die tijd een dwaalleer hadden aangehangen en werden opgeroepen zich te bekeren. Er werden cursussen over het sjiïtische geloof gegeven, waar de lokalen al spoedig te klein waren, omdat veel soennieten ernaar toe gingen, om hun baan of hun leven te behouden. Met allerlei decreten over voedsel en details van de eredienst werden zij verder lastig gevallen. Ooit had al-Hākim soennieten als gelijkwaardig met sjiïeten beschouwd, maar een aantal jaren werden zij haast even hard aangepakt als christenen. In zijn laatste regeringsjaren, toen de kalief meer naar de mystiek neigde, werd echter alles weer goed: het soennitische geloof werd weer erkend en het leek zelfs of sjiïet zijn nu niet meer van belang was.

Als er een decreet van al­-­­Hakim niet werd nageleefd of onuitvoerbaar was, zoals bij voorbeeld het alcoholverbod, trok hij het in en probeerde het later nog eens. Het vreemde was echter dat de decreten soms ook ‘zo maar’ werden ingetrokken, omdat de kalief op andere gedachten was gekomen. Hij stond inderdaad bekend om zijn grilligheid. Menig onderdaan besloot, als er weer een nieuw decreet in de lucht hing, een tijdje op het land te gaan wonen, zo mogelijk in het bezit van een vrijgeleide (amān).

In zijn laatste levensjaren werd al-Hakim asceet, droeg uit pure nederigheid een eenvoudig, zelden gewassen wit gewaad en sandalen en ging vaak alleen uit rijden op een ezel. Bij het volk werd hij nu geliefder, omdat hij veel rijkseigendommen cadeau deed aan mensen die iets kwamen vragen. Het uitgedunde hof vroeg zich intussen af, of hun gebieder nog toerekeningsvatbaar was. Te zelfder tijd verbleef er een propagandist in zijn paleis, die daar werkte aan een boek waarin hij de goddelijkheid van de kalief aantoonde. Die belette het hem niet.

In februari 1021 maakte hij op een nacht weer een eenzame rit op zijn ezel over de Muqattam-heuvel even buiten Cairo. Deze keer kwam hij niet terug. Enkele dagen later werd zijn bebloede kleding gevonden. Aan te nemen is dat hij was vermoord. Een verdwenen imam: koren op de molen van vele sjiïeten.

Nuance
Het bovenstaande heb ik samengeraapt uit het artikel van Canard dat in 1971 verscheen in de Encyclopaedia of Islam. Maar zijn al die dingen echt zo gebeurd? Als zo vaak stonden er geleerden op die het beeld nuanceerden, die nieuwe feiten ontdekten en oude als fake news ontmaskerden. Een beetje jammer is dat wel, want er is een enorme behoefte aan markante feiten en aan gruwelijke verhalen, maar de wetenschap is streng. Meestal blijkt uit zulk onderzoek dat die gekken zo gek nog niet waren, of althans niet helemaal knetter. De Babylonische koning Nebukadnezar (reg. 605—562 v. Chr.) was volgens Daniel 4:29–34 zeven jaar lang krankzinnig, maar die profeet was hem wel erg ongunstig gezind. En misschien heeft hij hem verward met koning Nabonidus (reg. 556–539 v. Chr.), die een tijd lang krankzinnig schijnt te zijn geweest was en enkele jaren in het Arabische Tayma heeft doorgebracht—voor een therapie? Moderne classici hebben al lang aangetoond dat ‘gekke’ keizers als Nero en Caligula weliswaar wreed en gewelddadig waren, maar daarnaast heel verstandige dingen hebben gedaan. Ook al-Ḥākim is het voorwerp van zulke kritische, nuancerende studies geworden, o.a. door Josef van Ess en vooral Heinz Halm. Hun studies maken duidelijk dat vele verhalen over al-Ḥākim van christenen stamden die onder hem geleden hadden, of van soennieten, die hem met terugwerkende kracht kapot wilden schrijven: reden genoeg om eens flink te overdrijven en de tyran een stuk gekker te maken dan hij misschien was.
.
Een aantal van zijn spectaculaire gruweldaden kan domweg geschrapt worden, als je bedenkt dat de auteurs christenen waren en hun klassieken kenden.
— Al-Ḥākim zou Oud-Cairo (Fustāt) in brand hebben gestoken en nog twee dagen genoeglijk vanaf een heuvel naar de reuzenfik hebben gekeken. Maar dat is natuurlijk recycling van het verhaal over de brand van Rome die op bevel van keizer Nero zou zijn aangestoken. In andere bronnen wordt nergens gesproken over een brand in Fusṭāṭ in die tijd.
— Ook wordt verteld, dat hij zich zeven jaar niet waste, bij kaarslicht in een onderaards gewelf huisde, zijn haren tot leeuwenmanen liet uitgroeien en zijn nagels tot ze zo lang waren als adelaarsklauwen. Deze beschrijving lijkt verdacht veel op de gekte van koning Nebukadnezar zoals Daniël die beschreven had. In de ogen van christelijke historici een mooie parallel: Nebukadnezar moest als een gek ronddolen omdat hij de tempel van Jerusalem had verwoest; al-Ḥākim omdat hij daar de Grafkerk had laten afbreken.

De bizarre decreten blijken bij nader inzien grotendeels overeen te komen met regels uit het islamitische recht. Ook in andere omgevingen waren wel eens wijnvaten kapot geslagen, ook elders werden joden en christenen bij vlagen lastig gevallen met discriminerende voorschriften; alleen nooit zo nadrukkelijk en nooit allemaal tegelijk. Al-Hākims decreten vielen op omdat niemand die regels ooit zo streng toepaste. Dat zij telkens opnieuw moesten worden uitgevaardigd toont wel dat de bevolking zoveel rechtschapenheid niet gewend was. Vrouwen op straat en alcohol bleken domweg niet te onderdrukken. De sharia wordt in haar volle pracht alleen door scherpslijpers als uitvoerbaar beschouwd, en al-Hākim was er zo een. Hij was een fundamentalist die de sharia over de gehele linie serieus nam, voor zover hij het volhield. Dat was hij aan zich zelf en aan zijn stand verplicht: was hij niet de Messias? 

Aan de  andere kant moest de kalief de bevolking tevreden houden. Door de afschaffing van belastingen en tol volgde hij islamitische regels en verblijdde hij tegelijkertijd het volk. Helaas kon de staatskas het onmogelijk zonder deze inkomsten stellen, zodat ze toch weer moesten worden ingevoerd. Ook zijn decreten schafte al-Hākim soms weer af, als ze niet uitvoerbaar bleken of als daardoor de stemming onder het volk verbeterde. Zijn wisselvallige houding jegens de soennieten is ook te begrijpen: in moeilijke tijden kon hij geen grote massa’s boze soennieten gebruiken. Wat op het eerst gezicht zuivere willekeur leek was vaak toch een pragmatische strategie om aan de macht te blijven.

Een algemene christenvervolging was er niet: een dag na de sloop van een kerk kon er rustig een christen tot minister benoemd worden. De kalief kon ook niet al te streng zijn voor christenen: hij had ze hard nodig voor zijn bestuur. Incidentele plundering van kerken en kloosters gebeurde vaak domweg omdat de staatskas leeg was. Om dezelfde reden confiskeerde hij ook de erfenissen van de terechtgestelde functionarissen en het vermogen van zijn moeder.

Zelfs zijn voor mallotig gehouden gewoonte om in lompen nederig op een ezel rond te rijden staat in een traditie: het is het gedrag van een messias. Welnu, als sjiïtische kalief of imam wás al-Hākim een messias, zo vonden zijn aanhangers; hij was het alleen consequenter dan andere kaliefen.

Voor al-Hākim moet het regeren niet gemakkelijk zijn geweest. Soldaten van Noord-Afrikaanse en van Turkse afkomst streden voortdurend om de macht en moesten in toom gehouden worden. Als geestelijk leider of zelfs de messias, (volgens enkelen God zelf!) heerste hij over een rijk dat voornamelijk werd bevolkt door christenen en soennitische moslims; dat was al bijna om gek van te worden. Door zijn christelijke moeder had hij zelf een flinke christelijke component; dat moet hem dwars hebben gezeten.

Kortom: opvallend, maar niet helemaal knetter. Wel een overmatig strenge en onberekenbare heerser, die veel meer terechtstellingen op zijn conto had dan in die tijd gebruikelijk was. Hij stond dicht bij het volk, maar koesterde een groot wantrouwen tegen het hof en de hogere ambtenaren.

Alt Hist
Genuanceerde geschiedschrijving is één ding, er bestaat ook zoiets als propagandistische geschiedschrijving, die het beeld van een persoon geheel kan herzien. Stalin bij voorbeeld was, nadat sommige Russische historici en media de feiten opnieuw hadden geschud, een topmanager, een toffe peer, een pijproker onder wie het leven in de Sovjet-Unie, naar hij zelf zei, ‘beter, vrolijker is geworden,’
Over al-Hākim is dergelijke ‘geschiedschrijving’ o.a. te vinden in de EIr, de Encyclopaedia Iranica. Dit is een meestal voortreffelijk Engelstalig naslagwerk over alles wat met Iran en vooral de sjiitische islam te maken heeft.Al-Hākim was Egyptenaar, maar ook sjiïet en had dus recht op een artikel in de EIr. Dat artikel kan ik alleen maar partijdig noemen. Niets dan lof daar voor deze kalief, die zijn rijk zo mooi bij elkaar hield en in Syrië zelfs nog wist uit te breiden, die zich bekommerde om het zedelijk peil van zijn onderdanen en veel deed voor de wetenschap. Geen woord over de sloop van kerken, de talloze terechtstellingen, zijn bizarre decreten, vergoddelijking of eventuele gekte. De moord op zijn voogd Bardjawān heet hier bij voorbeeld: ‘the latter’s removal’ (mijn cursivering). Dat al-Hākim zo’n slechte pers had lag volgens de auteur alleen aan de vijandige houding van christelijke en soennitische historici.2  De auteur is Farhad Daftary, een vooraanstaande Ismaïliet, dus van dezelfde geloofsrichting als de kalief die hij behandelt.  

Volksepiek
Er is nog een genre dat zich met al-Hākim bezig heeft gehouden: het volksepos.3 Fantastische, vele banden tellende heldenverhalen over historische personen, of tenminste opgehangen aan hun namen, waren in de hele islamitische wereld wijd verbreid. Het publiek zal zulke verhalen vaak genoeg voor geschiedenis hebben gehouden. Ook aan kalief al-Hākim werd lang na zijn dood zo’n werk gewijd: de Sīrat al-Hākim.
Diens fictieve levensloop uit deze 1600 bladzijden samen te vatten is vergeefse moeite. Maar waar was de kalief uiteindelijk gebleven? Volgens serieuze historici was hij waarschijnlijk vermoord, volgens de Druzen was hij verdwenen, wat hun goed uitkwam. De soennitische volksvertellers ‘wisten’ echter dat hij niet op maar in de heuvel Muqattab (een verbastering van Muqattam) was verdwenen. Hij kende namelijk 360 schatten; alleen tot twee schatten had hij geen toegang gehad, in een grot in de berg. Zijn rivaal ‘Abd al-‘Azīz, die veel kennis had opgedaan uit magische boeken, gidste hem door het grottenstelsel in de berg, waar goud en juwelen lagen opgetast, en wist hem daar achter te laten. Zelf spoedde hij zich naar Cairo om daar de macht te grijpen en bloedwraak te oefenen voor de bloedige daden van de kalief.
De kalief zat dus diep in de berg ingesloten, maar voor spijs en drank werd op wonderbare wijze gezorgd. Jaren later vond zijn dochter hem daar, toen hij juist was gestorven.
Bij deze geschiedenis is fact checking volledig zinloos.

NOTEN
1. Dit werk wordt geredigeerd en gefinancierd door Iraanse ballingen en Ismaïlieten buiten Iran. Van de Islamitische Republiek Iran is het onafhankelijk. Zie ook hier.
2. ‘Ḥākem also concerned himself with the moral standards of his subjects; many of his numerous edicts (sejellāt) preserved in later sources are of an ethico-social nature. He was also prepared to mete out severe punishment to high officials of the state who were found guilty of malpractice. Anṭāki and the Sunni historiographers have generally painted a highly distorted and fanciful image of this caliph-imam, portraying him as a person of unbalanced character with strange and erratic habits. However, modern scholarship is beginning to produce a different account on the basis of Ḥākem’s own edicts and the circumstances of his reign. As a result, Ḥākem is emerging as a tactful leader who was popular with his subjects.’
3. Ook wel volksroman genoemd, Arabisch: sīra sha’bīya. Neutraler is te spreken van epische vertelteksten. Over dit genre zie → Heath, Sīra.

BIBLIOGRAFIE
– Marius Canard, ‘al-Ḥākim bi-Amr Allāh,’ EI2.
– Farhad Daftary, ‘Ḥākem be-Amr-Allāh,’ Encyclopaedia Iranica, XI/6, blz. 572-573, online: http://www.iranicaonline.org/articles/hakem-be-amr-allah (laatst geraadpleegd op 8 april 2017).
– Josef Van Ess, Chiliastische Erwartungen und die Versuchung der Göttlichkeit. Der Kalif al-Hakim (386-411 H.), Abhandlungen der Heidelberger Akademie der Wissenschaften, Philosophisch-Historische Klasse, Jg. 1977, Abh. 2.
– Heinz Halm, Die Kalifen von Kairo. Die Fatimiden in Ägypten (973–1074), München 2003, blz. 167–304.
– Heinz Halm, ‘Der Treuhänder Gottes. Die Edikte des Kalifen al-Ḥākim,’ Der Islam 63 (1986), 11–72.
– Peter Heath, „Sīra sha‘biyya,“ EI2.
– Antje Lenora, Der gefälschte Kalif. Eine Einführung in die Sīrat al-Ḥākim bi-Amrillāh, Diss. Halle a.d. Saale 2011. Hier te downloaden.
– Claudia Ott, ‘Finally we know … why, how, and where caliph al-Ḥākim disappeared! Sīrat al-Ḥākim bi-Amrillāh and its Berlin Manuscript,’ in S. Dorpmüller (ed.), Fictionalizing the Past: Historical Characters in Arabic Popular Epic. Workshop held at the Netherlands-Flemish Institute in Cairo, 28th/29th of November 2007 in Honor of Remke Kruk, Leuven/Paris/Walpole MA, 2011, 63–72.

Diacritische tekens: Al-Ḥākim, Fāṭimiden, Yaḥyā al-Anṭākī, Fusṭāṭ, Muqaṭṭam, Muqaṭṭab

Terug naar Inhoud 🇩🇪

Vreemd Arabisch geld

Vreemd eigenlijk dat zoveel Arabische benamingen voor geld van oorsprong Europees zijn, terwijl het toch de Arabieren waren die het bankwezen hebben uitgevonden:
Bariza   < Frans: Paris (10 Eg. Piaster, munt geslagen in Parijs)
Dinar    < Latijn: denarius
Dirham mv. darahima    < Grieks: drachme
Ginéh    < Engels: guinea (21 shilling, maar in Egypte opgevat als Pond)
Lira    < Latijn: Libra, Frans: livre, Italiaans: Lira     Pond
Milliem    < Frans: millième
Piaster    < Spaans: piastra
(Q)urūsh, enkelvoud: (Q)irsh, Turks: kuruş    < Duits: Groschen, Frans: gros    Piaster
Riyāl    < Spaans: real
al-Riyāl al-nimsāwi:    De Oostenrijkse Maria Theresia Taler was betaalmiddel in West-Arabië, Jemen en Ethiopië, deels nog tot diep in de 20e eeuw. Hoewel de keizerin in 1780 overleed werden er nog miljoenen daalders van haar met dat jaartal geslagen in verschillende Europese steden en ook in Bombay.
Shilin    < Engels: shilling  (5 PT in Egypte)
.
In het Nabije Oosten betaalde men na de ontdekking van Amerika vaak met Spaans geld, in Jemen met Oostenrijks. De Engelse en Franse benamingen dateren uit de koloniale tijd, de andere zijn ouder. Dirham en dinar dateren uit de zevende eeuw.
.
En waar is deze observatie goed voor? Nergens voor.

Terug naar Inhoud

De hidjra van de profeet volgens ‘Urwa ibn al-Zubayr

BEHOEFT NOG REVISIE@@

De vroege biograaf van de Profeet ‘Urwa ibn al-Zubayr (± 643–712) stelde op verzoek van kalief ‘Abd al-Malik het verhaal over de hidjra van de profeet van Mekka naar Medina op schrift:

… dat ‘Urwa aan ‘Abd al-Malik schreef: Toen hij–de profeet–zijn mensen had opgeroepen tot de leiding en het licht dat God hem geopenbaard had, gingen zij hem eerst niet uit de weg en hadden bijna naar hem geluisterd. Maar toen hij over hun afgoden begon kwamen er vermogende Qurayshieten uit Tā’if die hem dat kwalijk namen en heftig tegen hem uitvielen, omdat zij een grote afkeer hadden van wat hij had gezegd. Zij zetten degenen die hen gehoorzaamden tegen hem op en de meeste mensen wendden zich nu van hem af en lieten hem in de steek. De mensen die God daarvoor behoedde deden dat niet, maar dat waren er niet veel. Zo bleef het zolang God beschikte dat het blijven zou. Toen beraamden hun hoofdmannen dat zij hun zonen, hun broeders en stamgenoten die Mohammed volgden zouden proberen af te brengen  van Gods religie. Het was een verzoeking (fitna) die een zware schok teweeg bracht onder de mensen van de islam, die de profeet volgden. Sommigen werden verleid [tot geloofsafval] en ongehoorzaamheid jegens God. Toen dat de moslims werd aangedaan droeg de profeet hen op naar Ethiopië te vertrekken. Daar heerste een rechtschapen koning, genaamd de Negus. In zijn land werd er niemand onderdrukt en hij werd geprezen om zijn rechtschapenheid. Ethiopië was een land waar de Qurayshieten handel dreven en waar zij royaal levensonderhoud en een goede markt vonden. Dat droeg de profeet hen dus op en de meesten  die in Mekka onderdrukt werden gingen daarheen, want hij was bang dat men hen van hun geloof zou afbrengen. Hij zelf bleef in Mekka. Zo gingen enkele jaren voorbij, waarin de gelovigen het zwaar te verduren hadden.
Daarna verbreidde de islam zich in Mekka en een aantal edelen trad toe.    (Al-Ṭabarī, Ta’rīkh i, 1180–1.)
Toen er emigranten uit Ethiopië terugkeerden, vóór de emigratie van de profeet naar Medina, maakten [de Qurayshieten] het de mensen van de islam nog moeilijker en vielen hen vaker lastig. Veel van de Helpers (anṣār) in Medina waren moslim geworden en de islam verbreidde zich ook in Medina en er begonnen mensen vandaar naar de profeet in Mekka te komen. Toen de Qurayshieten dat zagen spoorden ze elkaar aan om hen van hun geloof af te brengen en hen hard te behandelen en dat deden ze.
Dat was de tweede verzoeking (fitna). Er waren er dus twee: de verzoeking die de aanleiding was tot de emigratie naar Ethiopië, toen de profeet hun daartoe opdracht en toestemming gaf, en een verzoeking na terugkeer van die emigranten, toen [de Qurayshieten] zagen wie er allemaal uit Medina naar hem toe kwamen.
Toen kwamen er zeventig afgevaardigden uit Medina bij de profeet, de hoofdmannen van degenen die de islam hadden aangenomen. Zij ontmoetten hem tijdens de pelgrimstocht en zwoeren hem trouw in al-‘Aqaba. In hun eed van trouw heette het: ‘Wij zijn van u en u bent van ons,’ en: ‘Als er iemand van uw gezellen bij ons komt, of u zelf komt, zullen we u verdedigen zoals we onszelf verdedigen.’
Quraysh verhoogde nu de druk op hen en de profeet beval zijn gezellen naar Medina te vetrekken. Dit was de tweede verzoeking, gedurende welke de profeet zijn gezellen opdroeg naar Medina te gaan en zelf ook ging. Dit is de verzoeking waarover God heeft geopenbaard: Strijdt tegen hen tot er geen verzoeking meer is en de gehele godsdienst alleen God toebehoort (koran 8:39).

Toen de Gezellen van de profeet naar Medina waren gegaan, maar voordat hij zelf Mekka verliet en voordat het vers was geopenbaard waarin hun werd opgedragen te vechten [koran 8:39], vroeg Abū Bakr, die geen opdracht had gekregen te gaan, Mohammeds toestemming om met de rest van de Gezellen te vertrekken. Maar de profeet hield hem tegen en zei: ‘Geef me wat tijd; ik weet het niet; misschien zal ik toestemming krijgen te vertrekken.’ Abū Bakr had twee rijkamelen gekocht en die voorbereid voor het vertrek naar Medina met de Gezellen. Toen de profeet hem vroeg te wachten en hem vertelde dat hij goede hoop had dat God hem toestemming zou geven te verrtrekken, hield hij die twee kamelen aan, in de verwachting de profeet te mogen vergezellen; hij voedde ze goed en mestte ze vet. Toen het vertrek van de profeet uitgesteld werd vroeg Abū Bakr hem: ‘Hoop je dat je toestemming zult krijgen? ‘Ja,’ antwoordde hij, ‘wacht tot die komt.’ Daarna wachtte hij geduldig.
Aisha vertelde me dat op zekere dag, terwijl zij binnen in huis waren omstreeks het middaguur, terwijl daar niemand  was behalve Abū Bakr en zijn dochters Aisha en Asmā’, de profeet plotseling verscheen, terwijl de middagzon op zijn hoogst stond. Het was zijn gewoonte iedere dag zonder mankeren naar  Abū Bakrs huis te komen aan het begin en het eind van de dag. Dus toen Abū Bakr hem ’s middags zag komen zei hij: ‘Profeet, alleen iets bijzonders kan je hierheen gevoerd hebben. Toen hij binnenkwam zei de profeet tegen Abū Bakr: ‘Vraag degenen die bij je zijn weg te gaan.’ Hij antwoorde: ‘Er zijn hier geen spionnen, dit zijn alleen mijn twee dochters. Toen zei de profeet: ‘God heeft mij toestemming gegeven naar Medina te vetrekken. Abū Bakr vroeg: ‘Profeet, mag ik je vergezellen?’ ‘Ja,’ antwoordde hij. Abū Bakr zei: ‘Neem een van de rijkamelen.’ Dat waren de rijkamelen die hij bij wijze van voorbereiding had gevoederd toen de profeet toestemming kreeg. Hij gaf hem een van de twee dieren en zei: ‘Neem het, profeet, en rijd erop.’ De profeet antwoordde: ‘Ik neem het aan, voor de prijs die het waard is.’
‘Āmir ibn Fuhayra was een …@ van de stam Azd, die behoorde tot/aan al-Ṭufayl ibn ‘Abdallāh ibn Sakhbara, die dezelfde moeder had als Abū Bakrs dochter Aisha en zijn zoon ‘Abd al-Raḥmān. ‘Āmir werd moslim toen  hij hun slaaf was, en Abū Bakr kocht hem en liet hem vrij. Hij was een goede moslim. In de tijd dat de profeet en Abū Bakr zich op weg begaven had Abū Bakr de rechten@ op de melk van een kudde schapen die ’s avonds naar zijn huis placht te komen. Abū Bakr stuurde ‘Āmir met de schapen naar Thawr, en hij bracht ze ’s avonds naar de profeet in de grot daar, en dat is de grot die door God in de koran genoemd wordt [koran 9:40].
Met de rijdieren vooruit stuurden ze een man uit de stam ‘Abd ibn ‘Adī, een … van de familie van al-‘Āṣ ibn Wā’il van de stam Sahm van Quraysh. In die tijd was die man uit ‘Adī een heiden, maar zij huurden hem als gids voor de reis. De tijd dat zij in de grot doorbrachten kwam Abū Bakrs zoon ‘Abdallāh iedere avond om hun het nieuws uit Mekka te brengen; dan keerde hij ’s ochtends naar Mekka terug. ‘Āmir bracht iedere avond de schapen, zodat ze die konden melken, en bracht ze dan bij het aanbreken van de dageraad/@voor dag en dauw terug naar hun weidegrond, waar hij de ochtend doorbracht met de herders van anderen, zodat niemand in de gaten had wat hij deed. Toen de geruchten over Mohammed en Abū Bakr afzwakten en zij vernamen dat er neit meer over hen gesprokene werd bracht de gids hun de kamelen en gingen ze op weg. ’Āmir ibn Fuhayra namen ze mee, als dienaar en hulpkracht. Abū Bakr nam hem achterop en wisselde op het zadel met hem af. Er was niemand bij hen behalve ’Āmir en die man uit ‘Adī die hun als gids diende. Hij voerde hen door de laaglanden van Mekka, vervolgens over een weg parallel aan de kust, onder ‘Usfān langs, dan dwars door het land, weer op de weg komend bij Qudayd, vervolgens langs het al-Kharrār-pad, dan over de pas van al-Marah en dan langs een weg genaamd al-Mudjidja, tussenm de ‘Amq en de Rawḥā’-weg. Toen kwam hij op de ‘Ardj-weg, en bij een bron genaamd al-Ghabīr rechts van Rakūba en toen de Batḥ Ri’m omhoog, om tenslotte op een middag aan te komen bij het kwartier van de stam ‘Amr ibn ‘Awf in [het zuiden van] Medina. Mij is verteld dat de profeet slechts twee dagen bij hen vertoefde, hoewel de ‘Amr ibn ‘Awf verzekeren dat hij langer bij hen bleef. Vervolgens leidde hij zijn kameel, die hem volgde naar de kwartier van de stam Najdjdār. Daar toonde de profeet hem een droogvloer midden tussen hun woonsteden.

Bron: Al-Ṭabarī, Ta’rīkh i, i, 1224–5 en 1234–7.

BEHOEFT NOG REVISIE@

Nog doen: Het verhaal bij Ma‘mar ibn Rashåd

Ga naar De hidjra in de koran    De hidjra volgens Ibn Ishāq

Terug naar Inhoud

Het hijgend hert als godsbewijs

Mozaiekmuseum Istanbul Foto Dick Osseman

Mozaiekmuseum Istanbul
Foto Dick Osseman

Een vijfde fragment uit het Arabische, overwegend christelijke werkje Kitāb al-iʿtibār fī al-malakūt van Djibrīl ibn Nūḥ,1 een collectie van ongeveer honderd teleologische godsbewijzen (arguments from design), waarschijnlijk uit de negende eeuw. Zie over dat boekje hier. Uit dezelfde tekst had ik al eens een fragment gebracht over de slurf van de olifant, de domheid van babies, de penis van de man en de menselijke stem. Vandaag is de beurt aan het hert.

  • ‘t Hijgend hert, der jacht ontkomen, | schreeuwt niet sterker naar ‘t genot | van de frisse waterstromen | dan mijn ziel verlangt naar God,

heet het in de beroemde berijmde Psalm 42:1. Waarom heeft dat hert zo’n dorst, waarom staat het zo te schreeuwen? Deze achttiende-eeuwse versie van de psalm verklaart dat uit de vervolgingsjacht waaraan het dier juist is ontsnapt. Maar dat is een vrije fantasie. De bijbel verklaart dat dorstige geschreeuw van die hinde in het geheel niet. Het is een vrouwtjesdier, dus burlen kan het niet zijn. In de Nieuwe Bijbelvertaling staat alleen:

  • Zoals een hinde smacht | naar stromend water, | zo smacht mijn ziel | naar u, o God.

In het boekje van Djibrīl ibn Nūḥ wordt een dorstig hert opgevoerd als godsbewijs:

  • Er wordt wel gezegd dat een hert slangen eet en daarna heel dorstig is, maar toch geen water drinkt, uit vrees dat het gif in zijn lichaam zou kruipen en het zou doden. Dus staat het bij de poel, gekweld door dorst en luid schreeuwend maar zonder te drinken, tot het weet dat het gif zich heeft verspreid en dat het heeft verteerd wat het net gegeten had; pas dan drinkt het. Kijk eens wat in de natuur van dit dier is aangebracht: hoe het een alles overheersende dorst uithoudt uit vrees zich te schaden door drinken. Daartoe kan zelfs een met verstand begaafde mens zich maar nauwelijks dwingen.1

Het hert is een godsbewijs omdat het zich kan beheersen in een situatie waarin drinken schadelijk, zo niet dodelijk zou zijn. De auteur weet zeker dat het zijn zelfbeheersing van een intelligente schepper ingeplant heeft gekregen.

Herten zijn tegenwoordig bekend als plantenetende herkauwers, maar in de Oudheid meende sommige mensen inderdaad dat ze graag slangen aten en er zelfs op joegen. Zo schreef de Romein Claudius Aelianus (± 170–222) in het Grieks een vrij dik dierenboek, waarin hij veel aandacht heeft voor vijandschappen tussen de diersoorten en de onwaarschijnlijke gevechten tussen dieren, die tegenwoordig bij Youtube opnieuw populair zijn. Hij weet te vertellen:

  • Een hert wint het van een slang door een buitengewone gave van de natuur. Ook de gemeenste slang in zijn hol ontsnapt hem niet: het hert zet zijn neusgaten tegen de ingang [van het hol] van de gevaarlijke slang en blaast erin uit alle macht, tot het hem als met de toverkracht(?) van zijn adem eruit trekt; zodra hij zijn kop eruit steekt begint het hem op te eten. Vooral in de winter doen herten dat.
    Het is zelfs voorgekomen dat iemand de hoorn van een hert tot poeder heeft vermalen en dat toen in het vuur gegooid heeft, en dat de opstijgende rook de slangen uit de hele omgeving heeft verdreven; zelfs de geur is ondraaglijk voor hen.2

Bij die winter kan ik me iets voorstellen, omdat slangen dan vanwege de kou erg passief zijn of zelfs een winterslaap houden; de rest komt niet overeen met wat de moderne biologie weet over het hert.

Tweede-eeuws, en dus iets ouder, is de Griekse Physiologus: een christelijk dierenboek, dat de voorname heiden Aelianus beneden zich zal hebben geacht. Maar blijkbaar waren dierenteksten, graag ook over vechtende dieren, in die tijd overal  gangbaar. Hier een fragment over het hert:

  • In Psalm 413 zegt [David]: ‘Zoals een hert naar de waterbronnen verlangt, zo verlangt mijn ziel naar de Heer.’
    Het hert is een vijand van de slang. Als deze voor hem in de spleten van de bodem vlucht komt het hert en neemt zijn bek vol water uit een bron, spuugt het in de spleet, en drijft zo de slang naar buiten, en vertrapt en doodt hem.
    Zo doodde ook de Heer de grote slang, de duivel, met het hemelse water, waardoor hij onbeschrijfelijk …wist(?). En zoals een slang geen water verdraagt, zo verdraagt de duivel geen hemelse woorden.
    Wanneer er haren van een hert in huis aanwezig zijn of wanneer ge botten ervan verbrandt zult ge [daar] nooit een slang aantreffen: als het spoor van God en de vreze van Christus in uw hart zijn aan te treffen zal geen onreine geest in u intreden.4

Als altijd geeft de Physiologus een vrome draai aan zijn dierenverhalen. Algemene ontwikkeling of interessante weetjes zijn voor hem pas van belang wanneer hij er een christelijke lading aan kan meegeven.
In deze laatste tekst komt er dus al water bij te pas, maar het verband tussen slangen en dorst is nog niet gelegd. Dat vinden we wél in de wat meer dramatische, Syrische versie van de Physiologus, die de Arabieren eerder bij de hand zullen hebben gehad dan de Griekse of Latijnse. Die heeft in grote lijnen dezelfde tekst als die hierboven, inclusief de slangenverjagende werking van verbrande hertshoorn, maar heeft nog een toevoeging:

  • Als een hert een slang opvreet, begint het bij de staart en neemt hem helemaal in zijn keelgat. De kop laat het in zijn bek liggen en dan bijt het hem kapot en verslindt het hem. Maar omdat de kop nog in de mondholte steekt spuugt die veel gal uit in zijn bek en zo, om deze reden, krijgt het dorst en schreeuwt naar de waterpoel.5

Ziedaar de dorst, en uiteraard een verwijzing naar Psalm 42:1.

Ook voor de beroemde negende-eeuwse Arabische prozaïst en dierenschrijver al-Djāḥiẓ is er een duidelijk verband met dat psalmvers. Hij citeert het zelfs, al is het in een erg corrupte versie:

  • De profeet David zegt in de Psalmen: ‘Mijn verlangen naar de Messias is als [dat van] een hert wanneer het slangen eet.’ [Als een hert slangen eet] wordt het overvallen door een hevige dorst. Je ziet het rondlopen om het water, maar het wordt van het drinken afgehouden doordat hij weet dat het zijn ondergang zou zijn. Want het gif zou dan in het water vloeien en in openingen terecht komen die niet geschikt zijn voor voedselopname. Het hert weet dat niet vanuit een eerdere ervaring; nee, [die kennis] had het al bij de eerste keer dat het slangen at.6

Hier is de reden voor de dorst een andere, maar bij zo’n lange literaire traditie begrijpen we ongeveer waar dat dorstige hert in Djibrils godsbewijs vandaan komt.

Hoe kwamen die slangen überhaupt op het menu van herten, al in de tweede eeuw? Ligt er een corrupt overgeleverde of verkeerd begrepen tekst uit de Oudheid aan ten grondslag? Of een rare bijbelexegese? Nee, dat laatste kan niet, want dan zou de heiden Aelianus er niet mee aangekomen zijn. Heeft iemand het hert misschien met een andere diersoort verward? Of is de fantasie gewoon op hol geslagen, net als over de basilisk en de eenhoorn?

Er zijn nog meer boeken uit de late Oudheid en de vroegislamitische tijd die nageslagen kunnen worden op slangenetende herten. Het bovenstaande geeft alvast een indruk. Het aardige van boekjes als dat van Djibrīl is dat we inzicht krijgen in wat mensen elkaar in vroeger eeuwen hebben wijsgemaakt en hoe die bedenksels door de culturen reisden. Van Babylon en het oude Perzië naar het oude Griekenland en Rome, via het Syrisch en Pahlavi naar het Arabisch van het islamitische Nabije Oosten, vandaar later vaak weer naar Europa. Ook Hildegard van Bingen meende nog dat gemalen hertshoorn slangen weg hield. Het is één beschaving: zullen we het de westerse beschaving noemen?

NASCHRIFT 1: Een specialiste in Arabische en antieke dieren wijst mij op Aristoteles, Historia animalium viii (ix) 611b20: wanneer een hert door een giftige spin (φαλάγγιον) of iets dergelijks is gebeten gaat het krabben vangen en eet die op, als tegengif. Dan hopen we maar dat er op de Hoge Veluwe tenminste een viswinkel is.
Ik dacht altijd dat mensen als Aelianus en de Physiologus auteurs van het tweede, zo niet derde garnituur waren, terwijl ik een grote eerbied behield voor echt knappe denkers en geleerden als Aristoteles. Die eerbied wordt nu wat minder.
NASCHRIFT 2: De vermelding van de Messias in het Djāhiz-citaat zit me niet lekker. Christenen of moslims zouden het bijbelvers zo toch niet parafraseren? Zit er soms een vreemde joodse exegese achter? Ik heb daar moeilijk toegang toe; als iemand anders dat even wil bekijken …?

NOTEN:
1. Ook bekend als Dalā’il al-i‘tibār. Het werkje wordt vaak toegeschreven aan al-Djāhiz (gest. 868). De eerste (niet-kritische) uitgave verscheen in 1928 in Aleppo.

فقد‏ يقال انّ‏ الأيّل يأكل‏ الحيّات،‏‏ فيعطش‏ عطشًا شديدًا ويمتنع من شرب الماء خوفًا من أن‏ يدبّ‏ السم في جسمه فيقتله‏. وانه‏ ليقف على الغدير وهو مجهود عطشًا فيعجّ‏ عجيجًا‏ عاليًا ولا‏ يشرب منه‏ حتّى‏ يعلم أنّ‏ السمّ‏ قد تفرق‏ ‏ وانّ‏ الذي‏ أكل قد انهضم وحينئذ‏ يشرب‏. ‏ فانظر الى ما جُعل‏ ‏ في‏ طباع هذه البهيمة من الصبر على الظمأ الغالب خوفًا من المضرّة في‏ الشرب‏. وذلك‏ ما لا‏ يكاد الانسان العاقل أن‏ يضبطه من نفسه‏.

2. Aelianus, Nat. anim. ii, 9: Ἒλαφος ὂφιν νικᾷ, κατά τινα φύσεως δωρεὰν θαυμαστήν· καὶ οὐκ αυτὸν διαλάθοι ἐν τῷ φωλεῷ ὤν ὁ ἔχθιστος, αλλὰ προσερείσας τῇ καταδρομῇ τοῦ δακετοῦ τοὺς ἑαυτοῦ μυκτῆρας βιαιότατα ἐσπνεῖ, καὶ ἓλκει ὡς ἴυγγι τῷ πνεύματι, καὶ ἂκοντα προάγει, καὶ προκύπτοντα ἀυτὸν ἐσθίειν ἂρχεται· καὶ μάλιστά γε διὰ χειμῶνος δρᾷ τοῦτο. ἢδη μέντοι τις καὶ κέρας ἐλάφου ξέσας, εἶτα το ξέσμα ἐς πῦρ ἐνέβαλε, καὶ ὁ καπνὸς ἀνιῲν διώκει τοὺς ὂφεις πανταχόθεν, μηδὲ τὴν ὀσμὴν ὑπομένοντας.
3. Dit is geen typefout. De nummering was niet altijd dezelfde.
4. Ik heb geen Griekse tekst bij de hand en behelp me dus voorlopig met de Latijnse vertaling uit het Internet, al ken ik die taal niet meer/nog niet naar behoren: In psalmo XLI dicit: Sicut cervus desiderat ad fontes aquarum, ita desiderat anima mea ad te, deus. Ceruus inimicus est draconi; draco autem fugit a ceruo in fissuras terre; et uadens ceruus, et ebibens, implet nasa sua fontem aque, et euomit in fissuram terre, et educit draconem, et conculcauit eum, et occidit eum. Sic et dominus noster interfecit draconem magnum diabulum ex celestibus aquis, quibus habebat sapiente inenarrabilis; non enim potest draco baiulare aquam, neque diabulus sermones celestes. […] Capilli autem cervi, ubi apparuerint in domo, vel de ossibus incenderis, numquam draconem invenies: vestigium dei et timor Christi si inveniantur in corde tuo, nullus spiritus inmundus introibit tibi. (Physiologus latinus (Uersio Y) (CPL 1154 h (A)), cap. : 43, par. : 2, pag. : 131). Zou ik wetenschappelijk werken, dan zou dit zo niet gaan; oorspronkelijke teksten zijn een must! Maar dit is meer een soort opstel, dus vooruit maar. Misschien vind ik het Grieks  nog. Een Arabische versie zou ook nog kunnen bestaan. De overlevering van de Physiologos, gedurende vele eeuwen in vele door christenen gesproken talen, is waanzinnig gecompliceerd. Was er ooit wel een origineel?
Een begaafde predikant kan met deze stof nog veel meer doen. In de negende-eeuwse zg. Berner Physiologus staat: ‘Zo heeft ook de Here Jezus Christus de grote slang, de duivel, tot in de diepte der aarde vervolgd en heeft hem, door bloed en water uit zijn zijde te vergieten, verdreven door het bad der wedergeboorte en de werken van de duivel weggenomen.’ Hier past alleen een hartgrondig: ‘Amen!’
5. Physiologus Syrus, nr. 17. Syrisch kan ik niet typen, dus die éne lezer die de originele tekst wil zien moet even naar de UB.
6. Al-Djāḥiẓ, Ḥayawān vii, 29–30:

ومن هذا الباب الذي ذكرنا فيه صِدق إحسان الحيوان ثم اللاتي يضاف منها الى المُوق وينسب الى الغثارة. قال داود النبي عليه السلام في الزبور: شوقي إلى المسيح مثل الأيل إذا أكل الحيات. [والأيل إذا أكل الحيات] فاعتراه العطش الشديد تراه كيف يدور حول الماء ويحجزه من الشرب [منه] علمه بأن ذلك عطبه، لأن السموم حينئذ تجري مع [هذا] الماء، وتدخل مداخل لم يكن ليبلغها الطعام بنفسه. وليس علم الأيل بهذا كان عن تجرية متقدمة، بل هذا يوجد في أول مل يأكل الحيات وفي آخره.

Ook in Ḥayawān iv, 166 noemt al-Djāḥiẓ het hert onder de slangenetende soorten: وتأكل الحياتَ العقبان والأيائل والأراويّ والأوعال والسنانير والشاهمرك والقنفذ. ‘adelaars, herten, berggeiten en -bokken, katten, de steltloper (? shāhmurk) en de egel.’

BIBLIOGRAFIE:
– Claudius Aelianus, Περὶ ζῴων ἰδιότητος – De natura animalium: On animals, 3 dln., vert. A.F. Scholfield, Harvard 1958–9 (Loeb Classical Library 446, 448, 449).
Physiologus syrus: Ketobó dakjonojotó. Das ‘Buch der Naturgegenstände’, uitg. en vert. K. Ahrens, Kiel 1892.
– al-Djāḥiẓ, Kitāb al-Ḥayawān, uitg. en commt. ʿAbd al-Salām Muḥammad Hārūn, 7 dln. Cairo 1938–47.

Terug naar Inhoud

Oude artikelen, actueel of uit de diepte opgedolven

Aziz, of: Van het nut der liefespoëzie   ‘Aziz sterft net niet, maar zijn leven is kapot. Hoe had hij kunnen leren met vrouwen om te gaan? Via de liefdespoëzie, die Aziza hem vergeefs probeerde bij te brengen. De literatuur gaat immers aan het leven vooraf.’

Wilde Mohammed zelfmoord plegen?    ‘… Maar dat zullen de Qurayshieten nooit van mij zeggen! Ik zal hoog de berg opklimmen en mij eraf storten; dan heb ik rust.’