Leestraject kaliefen

Leestraject individuele kaliefen: Abu Bakr: de Ridda-oorlogen. Abu Bakr vs. Umar en Ali. Umars bekering. Umars bekering (vertaalde tekst), ʿUmars sterfjaar. Umar en de profeet. Umars diwan. Mu‘awiya en zijn opvolgers. Abd al-Malik als stichter van de islam. De Umayyaden uit Medina verjaagdAbd al-Malik geeft strategisch advies. Abd al-Malik oefent zich in wreedheid en moord. Met innige deelneming. Abd al-Malik bouwt de Rotskoepel in Jeruzalem. Abd al-Maliks geldhervorming. Al-Hakim: een gek op de troon?

Naar Leestraject Kalief, kalifaat algemeen: Kalief, korte definitie.

Terug naar Inhoud      Terug naar Inhoud (oud

Ontbijbeling (korte definitie)

‘Ontbijbeling’ is geen erkende vakterm; ik heb het woord zelf bedacht. In de zevende eeuw was er een nieuwe godsdienst ontstaan, waarin de koran en de instellingen van de profeet Mohammed centraal stonden. Vanaf ongeveer 690 kan men deze nieuwe godsdienst ‘islam’ noemen. Wat daaraan voorafging was nog sterk doortrokken van christendom en jodendom. In de tijd daarna werden geleidelijk de christelijke en joodse elementen (isrā’īlīyāt) verwijderd. Dit proces noem ik ontbijbeling.

Klik door naar Isra’iliyat

Leestraject ‘Ontbijbeling’: Ontbijbeling (korte definitie). Isra’iliyat (korte definitie). Stambomen van Mohammed. De rotskoepel in Jeruzalem. Mohammed: ezelrijder of kameelrijder?

Terug naar Inhoud       Terug naar Inhoud (oud)

De vermeende ziekte van Mohammed – 4: schizofrenie

Armin Geus (1937–)
Armin Geus is gepromoveerd bioloog en was van 1973 tot 2002 hoogleraar in de geschiedenis der medicijnen in Marburg. Psycholoog, psychiater of arts was hij niet. Arabisch kende hij ook niet; hij was dus aangewezen op vertalingen van oude teksten.
.
Een aanzienlijk deel van zijn Die Krankheit des Propheten gaat helemaal niet over de ziekte van Mohammed. Veel plaats is ingeruimd voor de beschrijving van diverse geestesziekten en degenen die daaraan lijden, en daaronder vallen volgens hem alle profeten. Verder is er veel gescheld over de ‘ondraaglijk geworden aanwezigheid van de islam in het openbare leven’ (blz. 171). Stel je voor: die moslims verrichten ongegeneerd hun provocerende rituele gebed waar iedereen het kan zien! (blz. 166) Hij waarschuwt overheden voor het oprukkende salafisme en stelt dat er nooit een vredelievende Europese islam mogelijk zal zijn (blz. 166). Blijkbaar is hij vergeten dat die bijvoorbeeld in Bosnië-Herzegowina al eeuwenlang bestond, maar onder zwijgend wegkijken van Europa is vernietigd, waardoor de overblijvende gelovigen in de armen van de Saoediërs werden gedreven.
.
Al dit gepruttel lijkt irrelevant: we dachten immers iets te vernemen over de ziekte van Mohammed? Maar in de gedachtenwereld van Geus heeft het een wel degelijk met het ander te maken. Volgens hem zijn de koran, Allah en islam namelijk allemaal voortgekomen uit Mohammeds zieke geest. Dat de koran tegenwoordig wordt gezien als een anoniem geschrift met verschillende bronnen, dat Allah ook al vóór Mohammed werd vereerd en dat de islam zich heel geleidelijk heeft ontwikkeld en vele verschijningsvormen heeft gekend, dat is tot Geus niet doorgedrongen.
.
Mohammed was dus ziek, volgens Geus; wat had hij dan? Hij leed aan schizofrenie. Van de drie soorten schizofrenie die Geus kent vindt hij van de chronisch paranoïde hallucinatoire schizofrenie het meeste terug in de koranopenbaringen en hadithen. Akoestische, aanvankelijk ook optische hallucinaties, wanen, angst en radeloosheid vooral in het begin. Daarna een overmatig zelfgevoel: megalomanie, een vertekend wereldbeeld, gewelddadigheid en sekszucht. Niet veel nieuws dus, alleen is de oorzaak nu een andere dan bij de vorige auteurs in deze reeks. En dit alles is terug te vinden in de koran: ‘De koran is de kroniek van een ziektegeschiedenis.’ (blz. 75)
.
Geus zit niet ver bij Somers vandaan, die het ook wel eens over die schizofrenie heeft gehad, maar deze veroorzaakt zag door acromegalie. Geus lijkt Somers’ werk niet te kennen, wat misschien daaraan ligt dat hij geen Nederlands las. Wel heeft hij kennis van het (ook in zijn ogen) onserieuze werk van een zekere Ali Sina, die eveneens met de diagnose acromegalie aankwam. Of Sina Somers kende is niet bekend. In ieder geval rekent Geus in twee bladzijden af met deze ‘speculatieve diagnose’ die hij kennelijk niet ziet zitten, hoewel hij niet duidelijk zegt waarom niet: deze ziekte is uiterst zeldzaam, die kan het niet geweest zijn, dat is het ongeveer. Vervolgens besteedt hij vele bladzijden aan de eeuwenoude diagnose epilepsie (zie tekst 1 in deze reeks), die echter in het geval Mohammed ook niet van toepassing is. Er volgen nog vele bladzijden algemene medische geschiednis, en nog een tendentieuze samenvatting van de geloofsleer van de islam. Daarbij maakt hij enorme fouten. Hij meent bij voorbeeld dat de sharia van Mohammed afkomstig is, terwijl deze vanaf in de achtste eeuw heel geleidelijk tot stand kwam.
.
Geus wordt kennelijk aangedreven door vreemdelingenhaat en verbittering jegens moslims. Geen goed uitgangspunt dus voor een studie naar de ziekte van de profeet, maar die was toch al onmogelijk.
.
Over Die Krankheit des Propheten is een zeer negatieve bespreking verschenen in de Junge Freiheit, een extreemrechts weekblad. Van dat blad is aan te nemen dat een ‘islamkritisch’ boek er welkom was geweest, maar de recensent Gabriel Burho vond dit boek toch ál te dom.
.
Was het wel de moeite waard om tijd te besteden aan boekjes als van Somers en Geus? Alleen dan, denk ik, wanneer ik aan de hand van hun fouten bij de selectie en interpretatie van de teksten over Mohammeds ziekte nog enkele algemene principes behandel die bij de bestudering van de Mohammedbiografie een rol spelen of behoren te spelen. Of het daar nog van komt?

BIBLIOGRAFIE
– Armin Geus, Die Krankheit des Propheten. Ein Pathographischer Essay, Marburg 2011.
Ali Sina, Understanding Muhammad. A Psychobiography, Londen, 2e dr. 2008.

MOHAMMEDS ZIEKTE EN DOOD: Mohammeds ziekte en dood (vertaling). Was Mohammeds dood bijzonder? De vermeende ziekte: Epilepsie. Hysterie, Akromegalie. Schizofrenie.

Terug naar Inhoud       Terug naar Inhoud (oud)

De Fransen en de pest in Egypte (1798)

In 1798 bezetten de Fransen Egypte, waar zij drie jaar zouden blijven. Een plaatselijke geschiedschrijver, ‘Abd al-Raḥmān al-Djabartī (1753–1825), hield gedurende de eerste maanden van de bezetting een dagboek bij. Daarin is onder andere te lezen over de pest. De Fransen hadden een panische angst voor de pest, die zich volgens hen verbreidde door miasmen: vuile dampen, rottende, vochtige lucht, en de uitwasemingen van zieken en lijken. Zij namen drastische maatregelen, waarvan quarantaine er één was. De bedorven lucht probeerde men te verbeteren door het verbranden van kruiden en wierook. Pestartsen droegen een lange puntneus, aan het eind waarvan geurstoffen waren aangebracht; zij liepen rond met een soort wierookvat.
Al-Djabartī‘s mededeling over hoe de Fransen met hun doden omgingen is fake news. De Fransen waren bezetters en werden door de Egyptenaren gehaat.
Drie niet samenhangende fragmenten uit het dagboek:

“Later werd duidelijk dat deze Bishli al ruim veertig dagen eerder was aangekomen met de correspondentie van de Vizier aan ‘Ali Bey […] maar de Europeanen hadden hem op het schip in Alexandrië geïsoleerd met de passagiers, uit angst dat de pest hen had besmet. Na veertig dagen lieten ze hen van boord gaan en gaven hun toestemming om te reizen, nadat ze zwaar hadden geleden onder de opsluiting en de benauwenis en de rook die werd gebruikt om hen te ontsmetten in het ruim, dat is de buik van het schip. Dit kwam nog bovenop de duurte, enzovoort.”
===
“Op die dag zeiden ze de mensen dat ze hun doden niet meer mochten begraven op begraafplaatsen in de buurt van woningen, zoals de begraafplaatsen van al-Azbakīya en al-Ruway‘ī en dat ze hen alleen mochten begraven op begraafplaatsen veraf. Degenen die geen graf op de begraafplaats hadden, moesten hun doden in die van de Mamelukken begraven. En als ze iemand begroeven moesten ze dieper graven. Verder gaven ze de mensen opdracht hun kleding, meubels en beddengoed enkele dagen op de daken uit te hangen en hun huizen uit te roken om de geur van verrotting te verwijderen. Dit alles uit angst, zoals ze beweerden, voor de lucht en de besmetting van de pest. [De Fransen] menen dat de verrotting in de diepte van de aarde gevangen zit. Als de winter intreedt en de diepte van de aarde koud wordt door de Nijlvloed, de regen en de vochtigheid, komt wat er in de aarde gevangen zit naar buiten met zijn dampen van bederf en laat de lucht verrotten, zodat er een epidemie en de pest ontstaan.
Wat [de Fransen] zelf betreft: het is hun gewoonte om hun doden niet te begraven, maar ze op vuilnishopen te gooien, zoals de kadavers van honden en beesten, of ze in de zee te gooien. Verder zeiden ze nog dat zij, wanneer er iemand ziek werd, op de hoogte gesteld moesten worden. Dan zouden zij een gevolmachtigde sturen om hem te onderzoeken en uit te zoeken of hij de pest had of niet.”
===
“Op die dag werd in de marktstraten omgeroepen dat kleding en huisraad veertien dagen lang in de zon moesten worden uitgehangen, en ze gaven de sjeiks van de verschillende kwartieren, straatjes en …? opdracht deze activiteit te controleren en te inspecteren. De autoriteiten benoemden voor ieder straatje een vrouw en twee mannen die de huizen moesten binnengaan om te inspecteren. De vrouw moest naar boven gaan en de twee mannen melden dat ze hun kleren in de zon hadden uitgespreid. [De familie] gaf hun dan wat muntjes. Ze vertrokken pas nadat ze de bewoners ernstig hadden gewaarschuwd en hun hadden meegedeeld dat er over enkele dagen ook een groep Fransen zou komen inspecteren. Dit alles werd uitgevoerd om de geur van de pest uit de kleren te doen verdwijnen. Daartoe schreven ze proclamaties uit die zij zoals gewoonlijk aanplakten aan de muren.”

ثم تبين ان هذا البشلي حضر من مدة نيف واربعين يوما وبيده مكاتبات من الوزير خطابا لعلي بيك قابجي باشا الذي كان معينا بطلب المال والخزينة وحجزوه الفرنج في المركب في سكندرية مع الركاب خوفا من تعلق الطاعون بهم. فلما مضي عليهم اربعون يوما اخرجوهم واذنوهم في السفر بعد ان قاسوا الشدة من الحبس والضيق وثم الدخان الذي يبخروهم به من داخل العنبر وهو بطن المركب وزيادة على ذلك الغلا وغيره.

وفيه نبّهوا على الناس بالمنع من دفن الموتى بالترب القريبه من المساكن كتربة الازبكية والرويعي ولا يدفنون الا بالقرافات البعيدة والذي ليس له تربه بالقرافه يدفن ميته في ترب المماليك وإذا دفنوا [يبالغوا] في تسفيل الحفر، وامروا ايضا بنشر الثياب والامتعة والفرش بالاسطحه عدة ايام وتبخير البيوت بالبخورات المذهبة للعفونه كل ذلك خوفا من رائحة الطاعون بزعمهم وعدوه ويقولون ان العفونة تستجن باغوار الارض فاذا دخل الشتا وبردت الاغوار بسريان النيل والامطار والرطوبات خرج ما كان مستجنا بالارض بالابخره الفاسده فيتعفن الهوا ويفسد ويحدث الوبا والطاعون، واما طريقتهم فانهم لا يدفنون موتاهم بل يرمونهم علي الكيمان مثل رمم الكلاب والبهايم او يلقونهم في البحر ومما قالوا ايضا: انه اذا مرض مريض يخبروهم عنه فيرسلون من جهتهم امينا للكشف عليه ان كان بالطاعون او لا ثم يرون رايهم فيه بعد ذلك.

وفي ذلك اليوم نودي في الاسواق بنشر الثياب والامتعة خمسة عشر يوما وقيدوا على مشايخ الاخطاط والحارات والقلقات بالفحص والتفتيش فعينوا لكل حارة امرأة ورجلين يدخلون البيوت للكشف عن ذلك فتطلع المرأة الى فوق وتنزل فتخبرهم بانهم ناشرين ثيابهم ويعطوهم بعض الدراهم ويذهبوا بعد ان يقرطوا على اصحاب الدار ويخبروهم ان بعد ايام ياتون جماعة الفرنج ويكشفوا ايضا، وكل ذلك حتى تذهب من الثياب رائحة الطاعون، وكتبوا يذلك مناشير ولصقوها بحيطان الاسواق على عادتهم في ذلك.

Bron: Al-Jabartī’s Chronicle of the First Seven Months of the French Occupation of Egypt. Muḥarram – Rajab 1213|15 June – December 1798, (تاريخ مدة الفرنسيس بمصر), uitg. en vert. S. Moreh, Leiden 1975, 75–6, 82, 91  ٤٩، ٥٥-٥٦ ٦٤-٦٥.

Leestraject: Quarantaine: De Fransen en de pest in Egypte (1798). Al-Tahtawi’s quarantaine in Marseille (1826). De Turkse grens: bij Belgrado (1834), bij Ruse (Rutschuk; ± 1840).

Terug naar Inhoud       Terug naar Inhoud (oud)

De giraf als godsbewijs

Weer een fragment uit het Arabische, overwegend christelijke werkje Kitāb al-iʿtibār fī al-malakūt van Djibrīl ibn Nūḥ, een collectie van ongeveer honderd teleologische godsbewijzen (arguments from design), uit het midden van negende eeuw. Zie over dat boekje hier ““Denk eens aan hoe de giraffe (zarāfa) geschapen is, en hoe zijn lichaamsdelen onderling verschillen en lijken op die van andere soorten. Zijn kop is het hoofd van een paard, zijn nek is die van een kameel, zijn hoeven zijn die van een koe en zijn huid is die van een luipaard. De mensen hebben zelfs beweerd dat ze voortkomen uit meerdere mannetjes van verschillende soorten. Dat komt dan, zoals ze zeggen, omdat bepaalde soorten wilde dieren, wanneer ze naar een drinkplaats gaan, copuleren met vrij weidend vee, wat resulteert in een individueel dier als dit, dat als het ware een mengeling is van verschillende soorten. Maar dat is een verkeerde conclusie, want niet elke soort kan elke [andere] soort bevruchten. Een paard kan geen kameel bezwangeren en een kameel geen koe. Het gebeurt echter wel bij sommige dieren die op elkaar lijken en op dezelfde manier gevormd zijn. Een paard doet het met een ezel, en het resultaat is een muilezel, een wolf doet het met een hyena en het resultaat is een lycaon (sim‘), maar het resultaat van zulke verbintenissen is niet dat er, zoals bij de giraffe, een lichaamsdeel van een paard en een lichaamsdeel van een kameel zou zijn. Nee, het is er ergens tussenin, een mengsel van beide, zoals je kunt zien aan een muilezel, want daar zie je dat zijn kop, oren, kroep, staart en hoeven tussendingen zijn tussen de lichaamsdelen van een paard en een ezel. Zelfs het geluid van een muildier is als een mengeling van het gehinnik van een paard en het gebalk van een ezel. Dit bewijst dat de giraf niet het resultaat is van bevruchting door verschillende soorten, zoals sommigen beweren. Nee, het is een van Gods wonderbaarlijke creaturen, om te wijzen op Zijn almacht, voor welke niets onmogelijk is, en om te verkonden dat Hij de Schepper is van alle dieren en combineert en scheidt wat Hij wil en in welke soort Hij wil. Wat betreft de lengte van de nek van een giraf en het gebruik ervan, dat is omdat hij volgens deskundigen opgroeit en graast in bosjes van hoog oprijzende bomen, zodat hij een lange nek nodig heeft om de toppen van die bomen te bereiken en de vruchten ervan te eten.””1 . Onze auteur verzet zich tegen de gedachte dat één vrouwtjesdier door mannetjes van verschillende soorten gedekt zou kunnen worden, zodat deze alle een bepaalde lichamelijke eigenschap in het nieuwe dier zouden achterlaten. De giraf is ook geen kruising; nee, de Schepper heeft de giraf uit één stuk geschapen, prachtig en met een heel praktische lange nek. . De beroemde Arabische prozaschrijver al-Djāḥiẓ (776–868), die o.a. een groot dierenboek op zijn naam heeft staan, vond die meervoudige inseminatie ook flauwekul: ‘Sommige mensen zeggen dat de giraf een schepsel is dat is samengesteld uit de wilde kameel, een wilde koe en de dhīkh, d.w.z. het mannetje van een hyena. Dat zeggen ze omdat het woord voor giraf in het Perzisch اشتر گاو پلنگ , ushtur gāw palang is, “kameel-koe-luipaard”. […] Ze hebben een hoop onzin verteld om de naam giraffe te verklaren […] en er zijn zelfs mensen die het voor compleet onmogelijk houden dat een vrouwtjesgiraf ooit door een mannetje gedekt wordt! […] Als ze enig bewijs konden aandragen voor die onzin en een beetje beter zouden opletten, zouden de boeken van een hoop fouten verschoond blijven.’2 Maar ook in het Grieks is de naam van het dier samengesteld. Daar heet hij namelijk καμηλοπάρδαλις, camelopardalis, ‘kameel-luipaard’. Hoe de oude Grieken dat verklaarden moet ik nog uitzoeken als de bibliotheken weer opengaan. Aristoteles kende de giraf nog niet; kennelijk is het dier pas laat uit Afrika in de Grieks-Romeinse wereld geïmporteerd. NOTEN 1. Mijn eigen tekstuitgave op grond van drie handschriften. Over het fijne daarvan zal ik later elders berichten.

فكر في خلق الزرافة واختلاف أعضائها وشبهها بأعضاء أصناف من الحيوان. فرأسها رأس فرس وعنقها عنق جمل وأظلافها أظلاف بقر وجلدها جلد نمر، حتّى أنّ ناسًا زعموا أنّ نتاجها من فحول شتّى. وسبب ذلك فيما ذكروا أنّ أصنافًا من حيوان البرّ اذا وردت الماء تنزو على بعض السائمة فتنتج مثل هذا الشخص الذي هو كالملتقط من أصناف شتّى. وهذا مما لا يصحّ في القياس لأنه ليس كل صنف من الحيوان يلقح كل صنف. فلا الفرس يلقح الجمل ولا الجمل يلقح البقرة وانّما يكون هذا من بعض الحيوان فيما يشاكله ويقرب من خلقه كما يلقح الفرس الحمار فيخرج من بينهما البغل، ويلقح الذئب الضبع فيخرج من بينهما السِمْع، على أنّه ليس يكون الذي يخرج من بينهما عضوا من كل واحد منهما كما يكون في الزرافة عضو من الفرس وعضو من الجمل. بل يكون كالمتوسط بينهما الممتزج منهما كالذي تراه في البغل، فانّك ترى رأسه وأذنيه وكفله وذنبه وحوافره وسطًا بين هذه الأعضاء من الفرس والحمار حتّى أن شحيجه أيضًا كالممتزج من صهيل الفرس ونهيق الحمار. فهذا دليل على أنّه ليست الزرافة من لقاح أصناف شتّى من الحيوان كما زعم زاعمون، بل هي خلق عجيب من خلق الله للدلالة على قدرته التي لا يعجزها شيء، وليعلم أنه خالق أصناف الحيوان كلّها فيجمع ما شاء منها في أيّها شاء ويفرق بين ما شاء منها في أيّها شاء. فأمّا طول عنقها والمنفعة لها في ذلك فلأنّ منشأها ومرعاها كما يذكر أهل الخبرة بها في غياطل ذوات اشجار سامقة ذاهبة طولاً فهي تحتاج الى طول العنق لتتناول أطراف تلك الأشجار فتقمّ من ثمارها.

2. Al-Djāḥiẓ, Kitāb al-Ḥayawān, uitg. en commt. ‘Abd al-Salām Muḥammad Hārūn, 7 dln., Cairo 1938–47; i, 142–44.

زعم في الزرافة زعموا أنَّ الزرافة خلقٌ مركب من بين الناقة الوحشية وبين البقرة الوحشية وبين الذِّيخ وهو ذكر الضباع وذلك أنّهم لَّما رأََوا أنَّ اسمها بالفارسية أشتر كاو بلنك […] فمنهم من حجر البتََّة أن تكون الزرافة الأنثى تلقَح من الزرافة الذكر […] ولو أُعطُوا مع هذا الاستهتار نصيبًا من التثبُّتِ وحظًّا من التوقي لسَلِمت الكتبُ من كثير من الفساد.

Terug naar Inhoud