Het Westen: een terugblik

Het Westen, wat was dat ook alweer? Het domineerde de wereld sinds eeuwen, maar vooral in de tweede helft van de twintigste eeuw, en nu hoor je er niet meer over. De Oriënt, die ouder was, was een buitengewoon vaag concept, dat nauwelijks buiten de geesten van westerlingen bestond. Het was een schilderachtig, maar achterlijk gebied, waartoe in de keizertijd zelfs ons land gerekend werd! Wie herinnert zich niet de foto van het bordje in het Huangpu park in Shanghai: ‘No dogs or Chinese allowed’? Het Westen was makkelijker te definiëren: het bestond uit een heleboel kleine staatjes in West-Europa, plus ‘Groot’-Brittanië en de vroegere Britse koloniën, voor zover die overwegend door blanken bewoond werden, dus Canada, de Verenigde Staten, Australië, Nieuw- Zeeland en her en der nog wat eilandjes, propvol brievenbussen en bankfilialen.
.
Het Westen was dus een los verband van staten, hoewel dat onderlinge oorlogen nooit had uitgesloten. Met de geplande eenwording van Europa is het nooit veel geworden. De bevolking was blank, Kaukasisch zoals het ook wel heette. Technologisch liep het voorop. Terwijl wij hier nog feesten vierden met vuurwerk schoten ze daarginds met buskruit al hele steden in puin. Ze hadden de beste schepen en de beste wapens, wat hen oppermachtig maakte. Grote delen van de wereld werden door hen economisch uitgebaat en uitgekleed tot op het bot, wat vaak, vooral in de vroege tijd, gepaard ging met territoriale verovering. Portugezen en Spanjaarden waren ermee begonnen, maar Engelsen, Fransen, Nederlanders en Belgen deden het genadelozer. Allen hadden ze een diepe minachting voor de arme sloebers in hun koloniën, die zij zelf de armoe in hadden geschopt, in de oost en de west, in het zuiden, de derde wereld of hoe ze het verder maar noemden. De Verenigde Staten van Amerika had vrijwel geen koloniën, maar wist later de methoden van exploitatie nog te perfectioneren zonder er de eigen onderdanen heen te sturen—wat de rest van het Westen dan weer overnam.
.
Het Westen, daar wilde vroeger iedereen wel bijhoren. Maar dat mocht niet, het was alleen voor landen met een overwegend blanke bevolking. Wat was er zo aantrekkelijk aan? Het Westen was lange tijd het modernste deel van de wereld; geen wonder ook, met al dat geroofde geld en goed uit het niet-Westen. Het geld vloeide vrij, meestal zonder inmenging van de staat. Ook de markt was vrij, wat individuen in staat stelde grote rijkdommen te vergaren, en voorzag in de goede tijd vrijwel alle burgers met een ongekende weelde aan voedingsmiddelen en goederen, waarbij de staat bleef zorgen voor defensie, politie en gevangeniswezen, wegen, spoorwegen en waterleiding, zorg voor zieken en bejaarden, onderwijs en cultuur. Dat leek dus een goed idee, tot de staten hun greep op deze zaken begonnen te verliezen, zodat bij voorbeeld spoor en waterleiding toch in particuliere handen geraakten, of zelfs gevangenissen, legers, ziekenhuizen, scholen en universiteiten als privé-ondernemingen werden gerund. De eis van de markt, dat alles winstgevend moest zijn, zorgde voor de afbraak van deze elementaire voorzieningen, zoals uiterlijk tijdens de Corona-crisis pijnlijk duidelijk werd. De markt bleek toen bij voorbeeld niet in staat om voldoende medische hulpmiddelen te fabriceren toen die nodig waren. Eertijds bekende industrielanden slaagden er niet in van de fabricage van SUV’s snel om te schakelen op die van mondkapjes, test kits of ventilatoren. Waar jonge ondernemers probeerden zulke zaken te fabriceren stieten zij op een muur van bureaucratische en juridische vijandigheid: ze hadden patenten geschonden! Landen die nog tijdens de tweede grote oorlog in de twintigste eeuw in een zucht miljoenen wapens fabriceerden en veldlazaretten bij dozijnen uit de grond stampten, slaagden er nu niet in wat medische voorzieningen te creëren, zodat ze bij ons moesten aankloppen. De bouw van een ziekenhuis duurde in die landen soms wel een jaar! Daardoorheen speelde nog het ‘probleem’ van de buitenlandse werkkrachten, wier immigratie en deelname aan het arbeidsproces systematisch werd bemoeilijkt, zelfs als het artsen of verpleegkrachten betrof.
Door de langzame en onverstandige aanpak van Corona en de daaruit voortvloeiende lange stillegging van grote delen van de productie werden de westerse economieën ondermijnd, zodat het zwaartepunt van de wereld definitief naar onze streken verschoof.
.
Ook de democratie had aanvankelijk een goed idee geleken. Niet de adel of een klasse van heersers zou het voor het zeggen hebben, maar het volk zelf. Maar de meeste stemmen golden, en omdat het grootste deel van de mensheid nogal dom is werden er op den duur alleen verkeerde leiders gekozen—iets wat in de negentiende eeuw al was voorzien en wat al eens gebleken was na een noodlottige Duitse verkiezingsuitslag in de jaren dertig—waaruit men echter geen lering had getrokken.
.
De persvrijheid was eveneens zo’n historische fout. Die vrijheid bestond misschien in provinciale media, maar de grote dagbladen en televisiezenders geraakten in handen van boosaardige miljardairs die er aardigheid in hadden, samenlevingen te ontwrichten. Bovendien werd er flink gestookt en gehetst vanuit vijandige landen, die zich eenvoudig toegang wisten te verschaffen tot de digitale media.
.
De Corona-crisis luidde het einde van het Westen in, maar het verkeerde al enige tijd in staat van ontbinding. De uiterste consequentie van het democratische systeem werd zichtbaar toen inderdaad de domste en immoreelste leiders gekozen werden, met behulp van kwade krachten uit een buitenland, dat invloed nam op het verkiezingsgebeuren zelf. In de Verenigde Staten werd het ergst denkbare onbenul tot president gekozen, die de positie van het land als wereldmacht al spoedig ondermijnde en een breuk in het Westen veroorzaakte, en zelfs in zijn eigen land. Groot-Brittannië volgde met de wat minder domme, maar eveneens volledig immorele premier, die het land losweekte van Europa. Op het Europese vasteland waren er staatjes die de corona-crisis benutten om het ‘juk’ van de would-be hoofdstad Brussel en van de democratie af te schudden: Hongarije, Polen en kort daarna dat landje bij de zee, dat moet ik naslaan.
In de zomer van 2020 kreeg de Amerikaanse president de Corona, maar die kwam hij te boven, wat zijn volk in een religieuze jubelstemming bracht. Als dit niet een teken van God was! Hij voelde zich naar eigen zeggen sterker dan enige Amerikaanse president ooit, werd in de chaos waarin Corona de verkiezingen had doen verzinken min of meer herkozen en stelde het erfelijk presidentschap in. Zoiets als wanneer wij het keizerschap weer zouden invoeren; stel u eens voor! De regering probeerde zo goed mogelijk om hem heen te regeren.
.
In de late twintiger jaren was het wel bekeken met het Westen en de gebieden raakten spoedig op het tweede, zo niet derde plan. Het begrip Westen verdween niet geheel, maar werd geleidelijk aan verbannen naar de geschiedenisboeken.
Dat betekende niet dat die zogenaamde ‘westerse waarden’ ook meteen verdwenen waren. Toen wij een Corona-vaccin uittestten op heropgevoede Oeigoeren waren de protesten daarginds niet van de lucht, uit de macht der gewoonte. Maar die Oeigoeren waren natuurlijk vrijwilligers, dat spreekt toch vanzelf! Tegelijkertijd werden er dertig miljoen vaccins bij ons besteld. Meer niet, want daarvoor ontbrak het geld, maar bij die bestellingen hoorde je nooit iets over mensenrechten.
.
Het ware wezen van de westerse beschaving werd eveneens zichtbaar tijdens de Corona-crisis, toen bleek dat alle westerse volkeren hun achterste na de stoelgang afwisten met … papier. We kunnen daar nu hartelijk om lachen, maar het was evengoed een schrikbarend gebrek aan hygiëne! Tijdens de crisis werd dat papier door westerlingen massaal gehamsterd—zij leken aan te voelen dat ze zonder papier hun ‘identiteit’ zouden verliezen—en inderdaad, zo is het gegaan. In die landen definieert vrijwel niemand zich meer als westmens.

Terug naar Inhoud

Al-Tahtawi’s quarantaine in Marseille (1826)

De Egyptenaar Rifā‘a al-Ṭahṭāwī (1801–1873) kwam in 1826 naar Frankrijk als studenten-imam en begeleider van een groep studenten die daar gingen studeren. Hij zou er vier jaar blijven en schreef een boek over zijn indrukken in Frankrijk, Takhlīṣ al-ibrīz fi talkhīṣ Bārīz, dat in 1849 verscheen.
Marseille was in 1720 geplaagd door een pestepidemie die het aantal inwoners van de stad had gehalveerd. Geen wonder dat er sindsdien strenge quarantaine-maatregelen werden gehandhaafd. Wanneer er een schip naderde met een grieperige matroos aan boord of als er ook verder maar de geringste verdenking van de pest bestond, kwam het de haven niet in maar werd het naar een van de quarantaine-eilandjes voor de kust gedirigeerd, waar het niet prettig toeven was. Dat is Tahtawi bespaard gebleven; zijn quarantaine-verblijf moet tamelijk riant geweest zijn en hij lijkt er niet onder geleden te hebben. Misschien kreeg de groep reizigers uit Egypte om politieke redenen een VIP-behandeling? Voor Tahtawi was deze inrichting zijn allereerste kennismaking met Frankrijk: hij bewondert de gebouwen en het terrein eromheen en is verwonderd over alle nieuwe dingen die hij ziet en meemaakt.
Hij schrijft er o.a. het volgende over (de Arabische tekst staat onderaan):


““Op de rede van Marseille, een van de zeehavens in Frankrijk, gingen wij voor anker. Van het schip waarop we gekomen waren stapten we over in kleine boten en landden bij een gebouw buiten de stad dat als quarantaineinrichting dient, zoals dat bij hen gebruikelijk is. Want wie uit een vreemd land komt moet in quarantaine voordat hij de stad in mag.
[…]
De inrichting waarin wij ons voor de quarantaine bevonden is heel uitgestrekt: zij bestaat uit verscheidene gebouwen en tuinen en is zeer stevig gebouwd. Het was daar dat we voor het eerst zagen hoe stevig en perfect er in dat land gebouwd wordt, en hoe zulke gebouwen met een weelde aan bloementuinen, vijvers en dergelijke zijn omringd.
Dadelijk al op de eerste dag werden we met de meest verbazingwekkende dingen geconfronteerd. Ze brachten ons namelijk een aantal Franse bedienden, wier taal wij niet verstonden, en bijna honderd stoelen om op te zitten — want in dit land vinden ze het raar om op een tapijt op de grond te zitten, om maar te zwijgen van zitten op de kale grond. Vervolgens dekten deze bedienden de tafel voor het ontbijt. Ze droegen hoge tafels aan en legden daarop witte, Perzisch aandoende borden, het ene naast het andere. Bij ieder bord zetten ze een drinkglas neer, en naast het bord legden ze een mes, een vork en een lepel. Op iedere tafel stonden een of twee flessen water, een bakje met zout en en ander met peper. Daarop zetten ze rondom de tafel stoelen neer, per persoon een stoel, en brachten zij het eten. Op elke tafel kwamen een of twee grote schotels: een van de tafelgenoten moest daaruit opscheppen en het eten aan de anderen uitdelen, waarbij iedereen iets op zijn bord kreeg, die dat dan met het mes in stukjes sneed en met de vork – niet met de hand! — naar zijn mond bracht. Want men eet principieel niet met de hand, ook niet met andermans vork, of met zijn mes, zoals men ook nooit uit het glas van iemand anders drinkt. Ze beweren dat het zo het schoonst en gezondst is. Wat je ook kunt zien bij de Franken is dat zij nooit van koperen borden eten en al helemaal niet uit dergelijk vaatwerk, zelfs niet als het vertind is, want dat dient alleen om te koken. Ze gebruiken steeds geglazuurde borden.
[…]
Toen brachten ze ons beddengoed. Het is bij hen de gewoonte dat men op een verhoging slapen moet: een soort bed. Dat alles brachten ze ons.
Wij brachten achttien dagen door op die plek, zonder hem ooit te verlaten. Wel is het daar zeer ruim en er zijn prachtige plantsoenen en uitgestrekte pleinen om te wandelen en van de tuinen te genieten. Na afloop stapten we in fraai opgetuigde koetsen […] en werden naar een gebouw in de stad gereden….””
—————————
Bron: Rifā‘a al-Ṭahṭāwī, Takhlīs al-ibrīz fi talkhīs Bārīz, Cairo 1905, blz. 37, 38, 39, online beschikbaar.

قد رسينا على موردة مرسيليا التي هي إحدى فرض بلاد فرنسا، فنرلنا من سفينة السفر في زوارق صغيرة فوصلنا الى بيت خارج المدينة معد للكرنتينة على عادتهم من أن من أتى من البلاد الغريبة لا بد أن يكرتن قبل أن يدخل المدينة.
[…]
ثم إن هذا البيت الدي كنا فيه للكرنتينة متسع جدا به القصور والحدائق والبناء المحكم فبه عرفنا كيفية إحكام أبنية هده البلاد وإتقانها، وامتلاءها بالرياض والحياض الى آخره.
ولم نشعر في أول يوم إلا وقد حضر لنا أمور غريبة في غالبه وذلك أنهم أحضروا لنا عدة خدم فرنساوية لا معرف لغاتهم ونحو مائة كرسي للجلوس عليها لإن هذه البلاد يستغربون جلوس الإنسان على نحو سجادة مفروشة على الأرض فضلا عن الجلوس بالأرض.
ثم مدوا السفرة للفطور ثم جاؤا بالطبليات عالية ثم رصوا من الصحون البيضاء الشبيهة بالعجمية وجعلوا قدام كل صحن قدحا من القزاز وسكينة وشوكة وملعقة وبكل طبلية نحر قزازتين من الماء وأناء فيه ملح وآخر فيه فلفل ثم رصوا حوالي الطبلية كراسي لكل واحد كرسي ثم جاؤا بالطبيخ فوضعوا في كل طبلية صحنا كبيرا أو صحنين لتغرف أحد أهل الطبلية ويقسم على الجميع فيعطي لكل إنسان في صحنه شيئا يقطعه بالسكينة التي قدامه ثم يوصله الى فمه بالشوكة لا بيده فلا يأكل الإنسان بيده أصلا ولا بشوكة غيره أو بسكينته أو يشرب من قدحه أبدا ويزعمون أن هذه أنظف وأسلم عاقبة. ومما يشاهد عند الافرنج أنهم لا يأكلون أبذت في صخون النحاس، بل ولا في أوانيه أبذا ولو مبيضا فهي للطبخ فقط، بل دائما يستعملون الصحون المطلاة.
[…]
ثم أحضروا لنا آلات الفراش والعادة عندهم أنه لا بد أن ينام الإنسان على شيء مرتفع نحو سرير فأحضروا ذلك لنا. ومكثنا في هذا المحل ثمانية عشر يوما لا نخرج منه أبدا غير أنه متسع جدا وفيه حدائق عظيمة ومحال متسعة للتماشي فيها والنزهة في رياضها.

Terug naar Inhoud

Geslachten en neigingen in het premoderne Midden-Oosten – 1

De Boeginezen op Celebes kennen vijf geslachten, en de Navajo-Indianen eveneens: mannelijke mannen, vrouwelijke mannen, vrouwelijke vrouwen, mannelijke vrouwen; bij de Navajo de hermafrodiet die man én vrouw is en bij de Boeginezen de bissu, een soort heiligmens, die man noch vrouw is.
.
Lawrence Durrell schreef in Justine over Alexandrië: ‘There are more than five sexes, and only demotic Greek seems to distinguish between them.’ Dat laatste geloof ik niet, het Arabisch kan er ook wat van, maar inderdaad waren er vanouds in het Midden-Oosten heel wat meer geslachten dan in het saaie Westen, dat tot voor kort alleen mannetjes en vrouwtjes (er)kende en waar de recente ontdekking van andere mogelijkheden vooral getob lijkt te veroorzaken. De moslims deden er minder moeilijk over. Een operatie ter verandering van het geslacht was in Casablanca of Teheran eerder mogelijk dan hier.
.
De laatste tijd schieten ook bij ons de geslachten en genders als paddenstoelen uit de grond. Wij hebben tegenwoordig LGBTQ… en nog meer letters; van de laatste weet ik niet eens waar ze voor staan. Of het prettig is voor de betrokkenen om in zo’n hokje geduwd te worden? De Indonesische activiste Tiara Tiar Bahtiar heeft een boek geschreven met de titel Namaku bukan waria – panggil aku manusia, ‘Ik heet niet transgender, noem mij mens.’ Maar blijkbaar zijn er ook mensen die erop staan, zich zelf zo’n letter op te plakken. Zonder identiteit schijnt het tegenwoordig niet te gaan.
.
Er zijn geslachten en genders, maar ook seksuele oriëntaties; bovendien is er nog de mogelijkheid van travestie. Al met al is er een groot aantal spelcombinaties mogelijk.
Ik moet mij zeer beperken en kan alleen maar wat aanstippen, want in de Arabische bronnen die ik mij kan voorstellen (poëzie, geschiedwerken) ben ik niet ver doorgedrongen; zij zijn onafzienbaar en dikwijls onontsloten. Eén ding kan al van te voren worden gezegd: men deed vroeger niet aan identiteit. De westerse gedachte: als je iets bent ben je dat voor altijd, het is je ware wezen, je identiteit, bestond in die oude wereld niet. Mensen konden best uit hun hokje om iets anders te ‘worden,’ meestal tijdelijk, soms levenslang.

===========

Hermafrodieten 
Er was vanouds de khunthā, de hermafrodiet, die de lichamelijke geslachtskenmerken heeft van zowel een man als van een vrouw.
Volgens de koran heeft God de mens echter geschapen als mannen en vrouwen. Hermafrodieten moeten dus een keuze maken: als zij zich als man beschouwen en hun penis ook voor penetratie kunnen gebruiken moeten zij man worden, en anders vrouw. Vandaar dus de toelaatbaarheid van geslachtsveranderende operaties, toen die eenmaal mogelijk werden.

===========

Pseudo-jongens 
De ghulāmīya of radjulīya, een meisje dat zich kleedt en gedraagt als een jongen, kreeg een belangrijke impuls van de moeder van kalief al-Amīn (reg. 809–813). Toen al-Amīn als jongeman weinig belangstelling voor het vrouwelijk geslacht bleek te hebben wilde zijn moeder die stimuleren door dergelijke meisjes aan het hof te introduceren: kort haar, tuniekjes, strakke riem om het middel.
Wat voor meisjes waren dat? De moeder van een prins kon natuurlijk slavinnen bevelen zich als jongen te gedragen, ook als zij daartoe vanuit zichzelf niet geneigd waren. Maar zij zal bij de selectie wel een beetje opgelet hebben welke meisjes de rol met overtuiging konden spelen.1
Vrijwel onmiddellijk werden de ghulāmiyāt ook elders populair, bij voorbeeld als schenk(st)ers in kroegen.
 De dichter Abū Nuwās ontving zijn wijn graag ‘uit de hand van eentje met een gleuf, gekleed als iemand met een pik.’2 Hij beschrijft de meisjes ook, bijv. zo: Hier heb je mensen vrouwelijk in gedrag, maar in mannenkleding | met blote handen en voeten, zonder sieraad aan de oren en om de hals | zo slank als teugels, zwaardscheden en gordels |maar ze hebben volle achterwerken in hun tunieken, en dolken aan hun taille, | hun lokken zijn gekromd als schorpioenen, en hun snorren zijn van parfum.’3 

Jenny → Nordberg heeft een mooie studie geschreven over meisjes in Afghanistan, die om praktische redenen een aantal jaren als jongens optreden. Zij schrijft over onze tijd, maar de samenleving in Afghanistan is nog behoorlijk premodern. Zulke meisjes worden als jongens gekleed en behandeld en ze gedragen zich ook zo, inclusief bomen klimmen, voetballen en vechten.4 Het zijn meestal de ouders die op het idee komen een dochter tot zoon om te vormen; soms ook een molla. Het is namelijk een enorme schande voor een Afghaans gezin om geen zoon te hebben, bovendien mogen meisjes vrijwel niets, zodat een gezin zonder man of jongen niet goed kan functioneren. Daar komt nog een magisch motief bij: men gelooft graag dat als er één zo’n jongen in huis is, het volgende kind dat geboren wordt een echte jongen zal zijn.
De meisjes vinden het meestal wel mooi: als jongen hebben zij immers heel veel meer vrijheid, ze kunnen naar school, ze lopen wijdbeens op straat met een brutale oogopslag, ze kunnen vader meehelpen in de winkel, ze kunnen met de jongens en mannen meedoen en hebben ook thuis een bevoorrechte positie: hun vader praat met ze en neemt ze serieus.
Zulke meisjes heten daar bacha posh, bij ons tomboy, garçonnefatāt mustardjila; het Nederlands heeft er blijkbaar geen woord voor—of wel? De omvorming vindt vaak plaats als het meisje drie of vier is, soms ook al bij de geboorte. In het ideale geval worden de jongens ruim voor de puberteit weer meisje gemaakt: dan hebben ze nog voldoende tijd om vrouwelijk geachte gedragingen en vaardigheden aan te leren, zoals koken, naaien, wassen, schoonmaken enzovoort. Nordberg heeft voormalige tomboys geïnterviewd: terugblikkend op hun jongensperiode zijn ze daar meestal positief over: het was toch een buitenkansje om er eens uit te komen, ze kregen in de jongensrol de kans om de wereld te leren kennen en zelfvertrouwen op te bouwen. Moeilijk was het echter voor meisjes die nog tot diep in de puberteit jongen bleven, of de overgang pas op hun zeventiende maakten. Dan was die soms echt problematisch; ze konden niet koken of naaien, ze wisten niet eens hoe ze zich moesten opmaken en bescheiden lopen met kleine stapjes en neergeslagen blik, en vooral: ze hadden vaak helemaal geen zin om hun vrije leventje van studie of werk op te geven om zo’n onderworpen schepsel te worden waarvan alleen de baarmoeder gewaardeerd werd—als die tenminste jongens baarde. Ook zulke vrouwen heeft Nordberg geïnterviewd: er was er een bij die zelf allang moeder was en de praktische kanten van het ‘vrouw zijn’ nog steeds niet goed onder de knie had. Waarom niet? Omdat zij zich immers man voelde en er een was! Zij had zich zo in de rol van man ingeleefd dat zij er werkelijk min of meer een geworden was: zonder penis weliswaar, maar met ingevallen borsten en vaak uitblijvende menstruatie.
Nordberg vertelt over een Afghaans meisje dat op haar vijftiende nog bacha posh was en helemaal geen zin had om zich aan de vrouwenrol te wijden. Ze maakte eens een ronde op een gehuurd motorfietsje, harstikke stoer, maar toen riep een jongen haar toe: we weten heus wel dat je een meisje bent hoor! Ze vond het niet erg; het was een vriend, die haar ook beschermde als andere jongens haar te lijf wilden gaan. Blijkbaar wist men wel dat sommige jongens eigenlijk meisjes waren, maar werd dat min of meer genegeerd en getolereerd.

Van twee extreme gevallen bericht Nordberg nog: een bacha posh die man bleef, in een street gang opgenomen was en gevechten leverde met andere gangs, en een andere die een militaire opleiding gevolgd had: ze was door de Amerikanen opgeleid tot commando en scherpschutter en werkte nu in actieve dienst bij de politie. In haar pas stond een vrouwelijke naam, maar zij gedroeg zich als man en deed in lichaamsbouw, gespierdheid en macho gedrag niet onder voor haar mannelijke collega’s. Zulk vrouwen hoopten maar dat ze spoedig te oud zouden zijn om nog te kunnen trouwen; aan hun lijf geen polonaise.
Onze tomboys zijn dat vanuit hun persoonlijke neiging; in Afghanistan worden ze veelal van buitenaf in die rol gedwongen, maar ze kweken de neiging aan, doordat ze de andere jongens imiteren en leren met een lage stem te spreken en zich onder hen te handhaven. Het sociale geslacht is ook een geslacht; dat wordt bij ons wel eens vergeten. Gevangen in een verkeerd lichaam? dat zit in het vrouwverachtende Afghanistan blijkbaar toch anders dan bij ons: eigenlijk zijn alle meisjes gevangen in een verkeerd, want onvrij lichaam. Man worden is dus het ideaal. Te denken geeft dat bij deze vrouwen het lichaam de geest was gevolgd en ook werkelijk in een mannelijk lichaam was veranderd—niet helemaal, maar tamelijk verregaand. En dat zonder operaties of hormooninjecties, want die hebben ze daar niet. Als dat in Afghanistan kan, kan het bij ons ook. Zouden niet heel wat mensen zich een identiteit aanmeten terwijl ze net zo goed, al dan niet tijdelijk, een andere zouden kunnen hebben?
.
Ook in Albanië zijn er nog oude mannen geïnterviewd die als meisje waren geboren en om dezelfde redenen als in Afghanistan door hun ouders tot jongen gebombardeerd waren: de ‘gezworen maagden’ (burrnesha). Zij bleven dan hun hele leven man en moesten zweren zich van iedere seksuele activiteit te onthouden.
.
Wie mocht denken dat dit alles iets met islam te maken heeft, heeft het mis. De sharia-geleerden keuren het juist af dat iemand zich voordoet als lid van het andere geslacht. De geslachtswisseling doet zich eerder voor in maatschappijen met een sterke scheiding tussen de geslachten, en die bestond al ver vóór de islam, ook in heel andere culturen. Bij nader inzien zijn er vele landen waarin vrouwen de stap tot geslachtswisseling moesten of wilden ondernemen om hun kansen te verbeteren; West-Europa tot de negentiende eeuw niet uitgezonderd. In Albanië is te zien dat het aantal burrnesha’s afneemt nu daar het moderne leven doordringt. De noodoplossing, die de geslachtswisseling was, is niet langer nodig.

===========

Mannelijke vrouwen
Vrouwen die domweg geen zin hadden in de traditionele onderworpen vrouwelijke rol waren er natuurlijk ook:

Hind bint ‘Utba (7e eeuw), de ‘levereetster’, stelde zich volgens de overlevering niet tevreden met de traditionele vrouwenrol op het slagveld, die bestond in het aanmoedigen van de mannen, water aandragen en het verzorgen van gewonden. Zij sneed het lichaam van de gedode strijder Hamza open en at zijn lever rauw. 

Ooit besprak ik hier het boek van Remke → Kruk, The Warrior Women of Islam. Dat boek behandelt oude Arabische volksverhalen over butch vrouwen die vochten op het slagveld en zelfs eigen legers aanvoerden. Maar al die verhalen zijn fictie: producten van mannelijke fantasie en bedoeld om een mannelijk publiek te amuseren, en dus niet geschikt als bron voor de geleefde werkelijkheid. In haar eerste hoofdstuk doet de auteur echter verslag van haar speurtocht naar vrouwelijke strijdsters die werkelijk hebben bestaan. In de eerste eeuwen van de islam schijnen er enkele, maar niet veel vrouwen werkelijk militair actief geweest te zijn; de mededelingen over hen zijn zeer beknopt. Verder zijn er wat verhalen die half-legendair zijn, of terugaan op een verdunde versie van de Oudgriekse mythe over de Amazonen. De meest krijgszuchtige vrouw uit het oude Nabije-Oosten die echt bestaan heeft was misschien koningin Zenobia (240–274), die vanuit de Syrische oase Palmyra een groot rijk wist op te bouwen en enkele jaren een bedreiging vormde voor de Romeinse legioenen. Over haar wordt ook verteld dat zij als meisje een tomboy was, meisjesachtige activiteiten meed, maar liever worstelde met jongens en op wilde dieren joeg met pijl en boog.5

In de hadith-literatuur lezen we over een zekere Umm Ḥarām, die erop stond, deel te nemen aan een militaire expeditie tegen Cyprus in 649. Over haar krijgsverrichtingen wordt niets vermeld; haar militaire carrière eindigde ongelukkig toen zij na behouden terugkeer van haar rijdier viel en om het leven kwam.6

In Egypte bestaan er veel moppen en cartoons over muizige mannetjes die geheel onder de plak zitten van hun overweldigende echtgenote. Dat is natuurlijk fantasie; toch bestaat er een minderheid van paren waarbij dat duidelijk wel het geval is. Niemand zal de voorste dame op bijgaande foto voor bedeesd of onderdanig houden. Zo’n vrouw wordt bij ons vaak manwijf genoemd; dat klinkt erg negatief. Haaibaai, dragonder of mansvilder is ook niet beter; neutraler klinkt mannetjesputter—ja, dat woord kan voor beide geslachten worden gebruikt, al hoor je het zelden over vrouwen.
.
In Egypte bestonden (bestaan?) er vrouwelijke bouwvakarbeiders: ik heb hen zeer zware lichamelijke arbeid zien verrichten: manden vol stenen sjouwen, op steigers klimmen enzovoort. Misschien hadden zij geen man (meer) die voor het gezinsinkomen zorgde en traden zij op als kostwinner spelen? Maar moesten zij dan dit werk doen, of wilden zij het zelf? Hadden zij geen naai- of strijkwerk kunnen doen, of met een luierservice langs de huizen gaan? Of betaalde de bouwvak beter? Ik weet niet hoe dat zat. Zie nu ook dit

Umm Kulthūm (± 1904–1975), de beroemde Egyptische zangeres die met haar formidabele stem decennia lang de Arabische wereld op de knieën dwong, viel al vroeg op door haar zangtalent. Haar vader, een dorpsimam, had ook een muziekensemble, waarin zij mocht optreden op voorwaarde dat zij zich als jongen zou kleden en gedragen. Dat ging lange tijd goed, maar toen zij steeds zichtbaarder een vrouw werd en steeds meer mensen ‘het’ wisten, beval haar vader haar op te houden en te trouwen. Daar kwam allemaal niets van terecht en na een pauze zong zij verder, voortaan in Cairo en helemaal als vrouw. In haar latere jaren was haar stem heel laag, maar toen zij nog jong was niet. Iedere zangstem wordt lager bij het ouder worden, maar bij haar was het extreem. Was het haar wens een diepe alt te zijn, was het iets mannelijks dat zich een weg baande? Zij hield zich verre van de onder kunstenaars gebruikelijke liederlijkheid. Dat zij niet met mannen aanrommelde wordt vaak toegeschreven aan haar vrome inborst en nobele karakter; het kan echter ook zijn dat zij zich niet tot mannen aangetrokken voelde. Er bestaat tenminste één gerucht dat zij bij het opstellen van een contract voor een buitenlands optreden de levering van twee jonge meisjes bedong.

Dit zijn maar hap-snap wat indrukken, de meeste uit lectuur. In geen velden of wegen heb ik een overzicht over deze verschijnselen in de hele Arabische of islamitische wereld; ben ook geen sociale wetenschapper.

Jongensachtige meisjes en manhaftige vrouwen hoeven overigens helemaal niet lesbisch te zijn; ik zeg het nog maar even.

Lees verder:
Geslachten en neigingen – 2a: De verwijfden van het oude Medina
Geslachten en neigingen – 2b: De verwijfden in de hadith van de profeet
Geslachten en neigingen – 2c: Vrouwelijke mannen: de khanīth van Oman. Safwan ib al-Mu‘attal
Geslachten en neigingen – 3 Seksuele oriëntaties in het premoderne Midden-Oosten.

NOTEN
1. Veel succes had ze overigens niet met haar pogingen. Toen al-Amīn eenmaal kalief was dichtte een anonieme spotdichter over hem en zijn minister Faḍl: Het is een wonder: de kalief | is als een pederast actief, | de ander komt aan zijn gerief | (wat ons nog meer verrast) passief! Vertaling Geert Jan van → Gelder, Tuin 191.
2. Abū Nuwās, Dīwān I,@@; Wagner, Abū Nuwās 178من كَفّ ذات حِرّ في زيّ ذي ذكر لها محبّان لوطي وزنّاءُ
3. Abū Nuwās, Dīwān I, 174–5; Wagner, Abū Nuwās 177:
صوَر إليك مؤنّثاتُ الدلّ في زيّ الذكورِ
عُطُلُ الشَّوي ومواضعِ الأزرار منهل والنحورِ
أُرهِقن إرهاف الأعنّة والحمائل والسيورِ
وموفَّراتٍ في القراطق والخناجرُ في الخصورِ
أصداغُهنّ معقربات والشوارب من عبيرِ

4. Ik dank Prof. Remke Kruk, Leiden, die mij op dit boek gewezen heeft.
5. Kruk, Warrior Women, 17, 45. Een belangrijke bron is Trebellius Pollio, in de Historia Augusta, een auteur die bekend staat om zijn weinig waarheidsgetrouwe beschrijvingen en misschien zelf niet eens bestaan heeft. Maar om een rijk op te bouwen en zich tegen Romeinse legers te handhaven  moet Zenobia toch echt wat in haar mars gehad hebben.
6. Bukhārī, Djihād 8, var. Djihād 3, 17: […] van Anas ibn Mālik, van zijn tante Umm Ḥarām bint Milḥān: De profeet sliep op een dag dicht bij mij en toen hij wakker werd glimlachte hij. Ik vroeg waarom hij lachte. Hij zei: [In de droom] zijn mij mensen uit mijn gemeente getoond terwijl zij de groene zee bevoeren als koningen op tronen. Zij zei: Bid tot God dat hij mij een van hen maakt! Toen bad [de Profeet] voor haar en sliep weer in; hetzelfde gebeurde nog een keer. Hij zei: Jij bent een van de eersten. Zij ging met met haar echtgenoot ‘Ubāda ibn al-Sāmit mee op krijgstocht toen de moslims voor het eerst de zee bevoeren met Mu‘āwiya. Toen zij terug waren van de tocht en in Syrië weer aan land gingen werd haar een rijdier gebracht om op te rijden, maar dat wierp haar af en daaraan stierf zij.

حَدَّثَنَا عَبْدُ اللَّهِ بْنُ يُوسُفَ قَالَ حَدَّثَنِي اللَّيْثُ حَدَّثَنَا يَحْيَى عَنْ مُحَمَّدِ بْنِ يَحْيَى بْنِ حَبَّانَ عَنْ أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ عَنْ خَالَتِهِ أُمِّ حَرَامٍ بِنْتِ مِلْحَانَ قَالَتْ  نَامَ النَّبِيُّ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ يَوْمًا قَرِيبًا مِنِّي ثُمَّ اسْتَيْقَظَ يَتَبَسَّمُ فَقُلْتُ مَا أَضْحَكَكَ قَالَ أُنَاسٌ مِنْ أُمَّتِي عُرِضُوا عَلَيَّ يَرْكَبُونَ هَذَا الْبَحْرَ الْأَخْضَرَ كَالْمُلُوكِ عَلَى الْأَسِرَّةِ قَالَتْ فَادْعُ اللَّهَ أَنْ يَجْعَلَنِي مِنْهُمْ فَدَعَا لَهَا ثُمَّ نَامَ الثَّانِيَةَ فَفَعَلَ مِثْلَهَا فَقَالَتْ مِثْلَ قَوْلِهَا فَأَجَابَهَا مِثْلَهَا فَقَالَتْ ادْعُ اللَّهَ أَنْ يَجْعَلَنِي مِنْهُمْ فَقَالَ أَنْتِ مِنْ الْأَوَّلِينَ فَخَرَجَتْ مَعَ زَوْجِهَا عُبَادَةَ بْنِ الصَّامِتِ غَازِيًا أَوَّلَ مَا رَكِبَ الْمُسْلِمُونَ الْبَحْرَ مَعَ مُعَاوِيَةَ فَلَمَّا انْصَرَفُوا مِنْ غَزْوِهِمْ قَافِلِينَ فَنَزَلُوا الشَّأْمَ فَقُرِّبَتْ إِلَيْهَا دَابَّةٌ لِتَرْكَبَهَا فَصَرَعَتْهَا فَمَاتَتْ.

BIBLIOGRAFIE
– Abū Nuwās: Der Dīwān des Abū Nuwās, Teil I, Uitg. Ewald Wagner, Wiesbaden 1958.
– G.J. van Gelder, Een Arabische tuin. Klassieke Arabische poëzie, Amsterdam/Leuven z.j..
– Remke Kruk, The Warrior Women of Islam. Female empowerment in Arabic Popular Literature, Londen 2014.
– Adam Mez, Die Renaissance des Islâms, Heidelberg 1922.
– Jenny Nordberg, De verborgen meisjes van Kabul. Verhuld protest in Afghanistan. Vertaald door Miebeth van Horn, Amsterdam 2015; oorspronkelijk verschenen in het Engels: The Underground Girls of Kabul, The Hidden Lives of Afghan Girls Disguised as Boys, 2014.
– Ewald Wagner, Abū Nuwās. Eine Studie zur arabischen Literatur der frühen ‘Abbāsidenzeit, Wiesbaden 1965.

Terug naar Inhoud

Ali Mubarak en het doorsijpeleffect

🇩🇪 De laatste tijd heb ik zin om negentiende-eeuws Arabisch te lezen, en dan kom je onvermijdelijk terecht bij ‘Alī Pāshā Mubārak (1823–1893). Deze veelzijdig getalenteerde Egyptenaar had oorspronkelijk imam of iets dergelijks zullen worden, maar doorliep een militaire ingenieursopleiding, studeerde vijf jaar in Frankrijk, was werkzaam in de organisatie van het onderwijs in zijn land en heeft enkele malen een ministerspost bekleed. Zijn naam is onder meer verbonden aan de oprichting van de koninklijke bibliotheek (het latere Dār al-kutub), de pedagogische akademie (Dār al-‘ulūm), beide in Cairo, talloze publieke werken en de herbouw van de stuwdam bij al-Qanāṭir al-Khayrīya. Naast zijn openbare functies vond hij tijd om dikke boeken te schrijven. Over zijn bio-, biblio- en autobiografie komt elders meer.
.
Vandaag een fragment uit zijn ‘Alam al-Dīn (= ‘Banier van de Godsdienst’), dat in 1882 verscheen en 1486 bladzijden en 125 hoofdstukken telt. Of liever ‘gesprekken’ (musāmarāt), want er worden dialogen gevoerd, al zijn die zeer, zeer houterig. Het werk heeft trekken gemeen met een roman: er zijn personages en er is iets van een handeling.
.
‘Alam al-Dīn, een afgestudeerde van de religieuze Azhar-universiteit te Cairo, in het boek meestal ‘de sjeik’ genoemd, heeft grote moeite de eindjes aan elkaar te knopen en zijn grote gezin te voeden. Het aanbod van een naamloos blijvende Engelse oriëntalist is na ampel overleg met zijn collega’s dan ook welkom: de sjeik zal deze khawwāga (een Europese heer; hieronder vertaald als: Mijnheer) als gids en tolk vergezellen in Egypte. Later gaat hij ook mee naar Europa en hij neemt zelfs zijn zoon mee, die tot twee maal toe verliefd wordt op een Frans meisje. In Frankrijk voegt zich een zekere Ya‘qūb bij hen: een Egyptische matroos die daar al lang woont en hun als gids en gesprekspartner dient.
.
Maar de handeling blijft dun, heeft geen einde en wordt telkens onderbroken met door de auteur belangwekkend geachte informatie over zaken als de kurkeik, de houtwurm, het nut der spoorwegen en nog veel meer. Als je die gedeelten overslaat is het niet zo’n heel dik boek. Algemene strekking: je mag met Engelsen omgaan, en zeker met oriëntalisten die op grond van hun kennis al bijna moslim zijn; je mag ook dingen overnemen uit Europa. Duidelijk is hoeveel Europa te danken heeft aan het oude Egypte en hoe gemakkelijk Europeanen moslim zouden worden, als zij de koran en de islam maar kenden. Huwelijken tussen Egyptische mannen en Europese vrouwen zijn in principe mogelijk. Vrouwen moeten ook school gaan, zij het vooral om aangename gesprekspartners voor de man te zijn.
.
In hoofdstuk 101 mijmert Mubārak via zijn personage Ya‘qūb een beetje over het verschil tussen arm en rijk en het trickle down effect. Hoewel hij van huis uit niet zeer rijk was zal hij op latere leeftijd zoveel bezit hebben verworven dat hij niet met de armen, maar met de rijken meedacht.
Het onderstaande fragment is niet spectaculair interessant. Alleen wanneer je erbij bedenkt wanneer en waar hij geschreven is en nog andere teksten uit die tijd ernaast leest krijgt het zin, ernaar te kijken, bij voorbeeld in vergelijking met de meer tot ‘socialisme’ geneigde Fāris al-Shidyāq in Sāq ‘alā sāq (1855). Hier de vertaling:

.
“““De sjeik zei: ‘Telkens als ik door [Parijs] loop verbaasde ik mij erover hoe groot het is, hoeveel mensen er wonen en hoe ze dag en nacht in de weer zijn.’ De sjeik leed onder zijn verblijf in de stad, om het drukke verkeer dat hij steeds maar zag en de geluiden van mens en dier die hij hoorde. Want de rijtuigen rijden dag en nacht af en aan en hun wielen maken lawaai doordat zij tegen de stenen stoten waarmee de straten bedekt zijn. De ramen van de huizen en gebouwen en winkels klapperen in de wind en als ze open en dichtgaan. Dronkenlappen en mensen die uitgaan maken herrie en zingen, en daarbij nog het verkeer—dat alles maakt onrustig, verwart de geest en verhindert de concentratie.
.
Hij zei tegen Ya‘qūb: ‘Woonden we maar buiten de stad, dat zou prettiger en gezonder zijn.’ Ya‘qūb antwoordde: ‘De sjeik heeft gelijk, want Mijnheer heeft ook last van zijn verblijf in deze stad, maar de reden dat hij hier onderdak heeft gezocht is dat het dicht bij zijn werk en zijn vrienden is. Hij heeft mij een woonruimte beschreven die ruimer is dan deze, die uitziet op een park en op enige afstand van de straat ligt; als Mijnheer wist hoe jullie te lijden hebben zou hij meteen daarheen verhuizen.’ Daarop prees de sjeik hen beiden en zei: ‘Parijs is een van de schitterendste steden ter wereld, omdat het zo veel kunstwerken, mooie dingen, kostbaarheden en curiositeiten bevat en de mensen er zo welvarend zijn en de gebouwen zo fraai, maar ik denk dat het leven van de armen hier ellendig is, omdat er zoveel mensen op elkaar wonen.’
.
Ya‘qūb zei: ‘Misschien hebben de armen het in Parijs beter dan ergens anders. Want zoals de rijken grote inspanningen verrichten om veel winst te maken, zo hebben ook de armen diverse manieren om aan de kost en aan hun pleziertjes te komen, al naar gelang hun situatie. De armen van iedere stad zijn altijd navenant. Naarmate de stad groter wordt en de bloei van de rijken toeneemt, nemen ook de bestaansmogelijkheden van de armen toe, want doordat ze overal dienstbetrekkingen en banen hebben kunnen ze achter veel dingen tegelijk aangaan, wat je alleen ziet als je heel goed kijkt. Neem bij voorbeeld een conciërge: die beperkt zich niet tot zijn baan, nee, je kunt hem en zijn gezinsleden ook bezig zien met bijverdienen. Want de man repareert ook schoenen en sandalen, de vrouw naait kleren, de dochter zingt en studeert zang en de zoon vermaalt ingrediënten van kleurstoffen, en als je erop zou letten zou je in de straten arme mensen zien die van de grond en uit de modder stukken oud ijzer en spijkers verzamelen, en mannen en kinderen die de paarden van de mensen rossen, en weer anderen die het haar van de honden trimmen, en nog anderen die lucifers en zoetigheid en drankjes voor de kinderen verkopen. En er zijn er die ‘Vodden!’ roepen, en die kruiden verkopen, of bladen met het nieuws en de aankondigingen en de repertoires van de theaters. Al zijn deze dingen op het eerst gezicht van weinig nut, dikwijls brengen arme mensen het daarmee tot grondbezit en vermogen, zodat ze tot de voornamen gerekend worden, en ik denk dat u’s avonds wel die mensen hebt gezien die het papier en de botten oprapen die op straat gegooid zijn?’ De sjeik zei van ja, en Ya‘qūb vervolgde: ‘Dat zijn dingen waar heel wat mensen van leven en het brood voor hun gezin mee verdienen. En dan zijn er nog hele groepen die leven van vleierij, zwendel, spionage, bedrog en dergelijke, zoals je dat in grote steden aantreft.’
De zoon van de sjeik zei: ‘In Cairo heb je veel mensen die sigarettenpeuken oprapen, de tabak eruit halen en daarvan nieuwe sigaretten maken om die te verkopen op straat en zich te voeden van de opbrengst. Anderen verzamelen glasscherven en verkopen die aan de makers van armbanden voor arme vrouwen, enzovoort.’
.
Waarop de sjeik zei: ‘God—geloofd en geprezen zij Hij— heeft het voor zijn knechten gemakkelijk gemaakt op allerlei wijzen in hun onderhoud te voorzien. Hij is werkelijk de Voeder (razzāq), en Hij heeft voor ieder schepsel een manier gemaakt waarop hij zijn brood kan verdienen … .’ ”””

BIBLIOGRAFIE
– ‘Alī Bāshā Mubārak, ‘Alam al-Dīn, 4 dln., Alexandrië 1882, 1235–38.
– Andrea Geier, Von den Pharaonen zu den Khediven. Ägyptische Geschichte nach den Ḫiṭaṭ des ‘Alī Mubārak, Frankfurt am Main 1998.
– Rotraud Wieland, Das Bild der Europäer in der modernen arabischen Erzähl- und Theaterliteratur, Beirut 1980, 48-72 en Index onder ‘Alī Mubārak.

Terug naar Inhoud