De geile jongen en de aap (vertaalde tekst; 10e eeuw)

Er zijn nog andere grappige verhalen over apen. Ik hoorde van een bereisde oude man uit Isfahan dat hij eens naar Bagdad was gegaan met een grote karavaan. Daar was ook een jongeman bij, die hitsig en potent was als een muildier. De oude man bleef ’s nachts wakker om zijn bezittingen te bewaken en sliep alleen gedurende de reis op zijn kameel. Op een avond toen hij als gewoonlijk wakker lag zag hij de jongeman die op een kameeldrijver afging en hem van achteren wilde nemen. De kameeldrijver werd wakker, werd woedend en roste hem af zoals een leerlooier op het leer inslaat. De jongeman ging terug naar zijn plek, wankelend van de klappen en stompen die had hij gekregen. Daar bleef hij een poosje, maar toen de kameeldrijver weer in slaap was gevallen kwam hij bij en ging weer op hem af. Toen hij wakker werd tuigde hij hem nog harder af dan de eerste keer en de jongen ging meer dood dan levend terug. Toch ging hij na even te zijn uitgerust voor de derde keer terug naar de kameeldrijver. Die ging nu als een razende tekeer, sleurde hem van links naar rechts over de grond, en riep uit:
– Bij God, als jij hier nog één keer terugkomt steek ik je overhoop!
Nadat ik daar een aantal malen getuige van was geweest en de bedreiging door de kameeldrijver had gehoord kon ik hem goed begrijpen, maar ik had het toch akelig gevonden als zo’n jongen gedood zou worden. Dus toen hij een beetje bij was gekomen riep ik hem bij me en zei:
– Jongen, hoe heb je dat kunnen doen, wat ik vannacht van je gezien heb!? Je bent er nog levend vanaf gekomen, maar de volgende keer maakt hij je af, dus houd je een beetje in!
– Oompje, antwoordde hij, ik heb tegenwoordig nachten dat ik helemaal niet kan slapen van geilheid en hitsigheid, en als ik zo opgewonden ben is wat hij me aandoet een kleinigheid vergeleken bij wat ik verder te doorstaan heb.
– Jongen, zei ik, we zijn nog maar twee dagen verwijderd van de Stad van de Vrede; weldra trekken we een stad binnen waar je zult vinden wat je hitsigheid zal kalmeren.
De rest van de reis bleef ik uit medelijden maar met hem praten om hem te kalmeren. Toen we in Bagdad waren aangekomen maakte ik me grote zorgen om hem en dacht: Het is een vreemdeling, hij is nog jong en nooit eerder in Bagdad geweest. Wie weet of hij niet iemand uit de omgeving van de kalief of de ministers zal zien die hij net zo lastig valt als hij de kameeldrijver heeft gedaan. Dat zou zijn dood zijn!
Ik liet hem dus niet uit het oog. Toen ik een logies gevonden had nam ik hem bij me en zodra hij onze bagage in veiligheid had gebracht was het eerste wat me te doen stond hem mee te nemen naar een koppelaarster om voor hem naar een vrouw uit te kijken die zijn nood kon lenigen. Nauwelijks liep ik met hem door een van de stegen, daar stond hij al stil en zei tegen me:
– Oompje, ik zie net in dat venster een gezicht zo mooi als de zon; die moet ik hebben.
Ik wilde hem ervan afhouden, maar hij ging op de grond zitten en zei:
– Dan wil ik hier sterven!
Ik dacht: Ik heb op hem gepast in de woestijn, zal ik hem dan hier in Bagdad, de stad der verleidingen, aan zijn lot overlaten? Toen ik hem niet kon ompraten keek ik de steeg in en zag daar een huis dat eruit zag of er arme sloebers in woonden. Ik klopte aan en er verscheen een oude vrouw, die ik vroeg naar het huis waar de jongeman die vrouw had gezien. Ze zei:
– Dat is het huis van minister zo-en-zo, en de vrouw die hij gezien heeft is zijn echtgenote.
Toen zei ik tegen de jongen:
– Mijn jongen, zie ervan af en ga met mij mee, dan zal ik je de meisjes van Baghdad laten zien, want je zult mooiere vinden dan deze.
– Bij God, deze wil ik, of de dood!
– Jongeman, zei toen de oude vrouw, als ik je in contact breng, wat betaal je me dan?
De jongeman haalde prompt zijn beurs te voorschijn die hij om zijn middel droeg en telde haar tien gouden dinars uit. De oude vrouw was opgetogen, trok iets aan en kwam naar buiten. Ze klopte aan bij het huis van de minister, waar een eunuch haar opendeed. Weldra kwam ze weer naar buiten en zei tegen de jongen:
– Ik heb geregeld wat je wilde, op bepaalde voorwaarden.
– En welke zijn dat?
– Vijftig mithqals voor haar, zei ze, vijf voor de locatie en vijf voor de eunuch.
Hij betaalde haar de zestig mithqals.
– Ga nu gauw naar het badhuis, hernam de oude, en trek schone kleren aan. Tussen het late middaggebed en het avondgebed moet je hier bij mijn deur komen staan tot je binnengelaten wordt.
De jongeman ging naar het badhuis, knapte zich piekfijn op en ging op de afgesproken tijd bij de deur van de oude vrouw staan. De eunuch kwam naar buiten en nam hem mee. Hij kwam in een grote, prachtig ingerichte salon en hem werd heerlijk eten en drinken aangeboden, waarvan hij zich bediende. Daarop begaf hij zich naar het bed en de dame evenzo. Maar toen zij zich uitgekleed hadden verscheen er ineens een aap van achter een gordijn, krabde de jongen en verwondde hem aan zijn dijen en zijn ballen tot bloedens toe. Hij trok zijn kleren weer aan, maar de drank had hem lodderig gemaakt en hij viel gekleed en wel in slaap. De volgende morgen wekte de eunuch hem en zei tegen hem:
– Nu moet je weggaan, voordat het zo licht is dat de gezichten te onderscheiden zijn.
Dat deed hij, treurig en bekommerd.
Die ochtend dacht de grijsaard: ik ga eens kijken hoe het met die jongen is; misschien is zijn wens in vervulling gegaan en is het goed afgelopen. Hij vond hem zittend bij de deur van die vrouw, zijn hoofd verstopt in zijn halsdoek. Toen hij hem vroeg hem hoe het gegaan was vertelde hij wat hem was overkomen. De man ging bij de oude vrouw naar binnen en vertelde haar wat er aan de hand was; zij ging naar de dame toe om te vragen hoe dat zo gekomen was. Zij zei:
– Je moet weten, we zijn een ding vergeten, namelijk het zakje voor de aap van de huisheer, de vergoeding waar hij recht op heeft: een zakje met een pond suikergoed. Maar als de jongeheer nog eens wil komen vragen wij maar de helft van wat we gisterenavond hebben berekend.
Hij gaf de oude vrouw dus dertig dinar en kreeg de opdracht die avond een zakje suikergoed van een pond mee te brengen voor de aap van de huisheer. In plaats van één zakje nam hij er verscheidene mee. Hij werd weer binnengelaten en kreeg te eten en te drinken. Toen hij naar de dame wilde gaan sprong de aap op hem af. Hij gooide hem het zakje met zoetigheid toe, de aap nam het aan en ging terug naar zijn plaats. Na zijn lust te hebben gekoeld wilde de jongeman nog een keer, maar daar kwam de aap weer. Hij gooide hem een tweede zakje snoep toe, waarop de aap zich terugtrok. Zo ging het een aantal malen, en toen de jongeman moe geworden was en de drank hem slaperig had gemaakt kwam de aap zelfs naar hem toe om hem wakker te maken. Hij nam hem bij de hand en bracht hem naar de vrouw en bewoog zijn eigen vinger in zijn eigen hand op en neer.
De moraal van dit verhaal is dat het geven van geschenken aan bediendes tot de gewenste resultaten leidt, ondanks de hoge heren.
Met dat gebaar van zijn vinger bedoelde de aap: Doe maar zo! Hij liet de jongen niet slapen, maar spoorde hem aan zich uit te leven met de dame tot het ochtendgloren. Toen ging de jongen zijns weegs.

Bron: Bozorg ibn Shahriyār al-Rāmhurmuzī, ‘Adjā’ib al-Hind, uitg. P. A. van der Lith, Leiden 1883–86 (met Franse vertaling), 79-85.

Terug naar Inhoud

Zeeslang (tinnin)

‘Naar men zegt zijn er in de zee enorme, angstaanjagende slangen die tinnīn heten. Als in hartje winter de wolken over het zeeoppervlak scheren, komt de tinnīn omhoog uit het water, omdat hij last heeft van de warmte  van de zee, want in de winter is het zeewater zo warm als een kookpot. De tinnīn wordt in de koude van de wolken gevangen en als de wind dan opsteekt boven het zeeoppervlak stijgen de wolken omhoog en nemen hem mee. De zich opstapelende wolken trekken van de ene kant van de horizon naar de andere, en als zij hun regen kwijt zijn geraakt worden zij lichte stofwolken die in de lucht zweven en uiteenvallen door de wind. De tinnīn heeft niets meer dat hem ondersteunt en valt neer in zee of op het land. Als God het kwade voorheeft met een volk laat hij er een terecht komen op hun land, waar hij hun kamelen, paarden, runderen en schapen verslindt en hen te gronde richt. De tinnīn blijft daar tot hij niets meer te vreten vindt en sterft, of tot God de mensen van hem verlost.
Zeelui en reizigers, kooplui en kapiteins hebben mij verteld dat zij hem meermalen over hun hoofden hebben zien passeren: zwart en langgerekt in de wolken. Als de wolken neerdalen daalt hij af naar de onderste laag ervan en laat soms het eind van zijn staart in de lucht hangen. Maar als hij de koude van de lucht voelt verwijdert hij zich, verheft hij zich in de wolk en wordt onzichtbaar. Gezegend zij God, de beste der scheppers!’

Onzin, zegt U? Die zeeslang bestaat niet? Maar ziet U dan niet dat deze duizend jaar oude tekst een redelijk accurate beschrijving geeft van wat wij een tornado noemen? Ik vermoed dat er een nog oudere Griekse tekst over dit fenomeen bestaat; daar zal ik eens achterheen gaan.

Bron: Bozorg ibn Shahriyār al-Rāmhurmuzī, ‘Adjā’ib al-Hind, uitg. P. A. van der Lith, Leiden 1883–86 (met Franse vertaling), 41-42.

Terug naar Inhoud

Broodjes aap. Sterke verhalen uit de Arabische Oostindische Compagnie

Sinds ongeveer 800 na Christus, zeg maar sinds Hārūn al-Rashīd bestond er een georganiseerde scheepvaart vanuit het Abbasiedenrijk naar de Oost, vanuit de Iraakse haven Basra, maar ook vanuit het Perzische Siraf. Die scheepvaart was privé ondernemerschap: iemand met geld kon dat beleggen in een schip en koopwaar; hij zette er een kapitein op en hoopte maar dat het schip behouden en overladen met kostbare spullen uit India, Indonesië of China zou terugkeren. De schepen waren klein, de risico’s waren enorm en de winsten waren superwinsten. Een overkoepelende organisatie was er niet, maar de schippers kenden onder elkaar wel solidariteit en hielpen elkaar onderweg naar mogelijkheid op informele wijze.
Eén zo’n zeevaarder is Sindbad uit Duizendeneen Nacht. Al is hij een fictief persoon, de verhalen over hem geven toch een zeker beeld van die zeevaart, en zeker van de sterke verhalen waarmee de zeelui terugkwamen. Niet fictief bedoelde verhalen en berichten zijn nauwelijks realistischer. De vertellende kapiteins en matrozen zijn voorlopers van de latere Nederlandse en Engelse scheepskapiteins.

Hieronder wat zeemansverhalen uit de negende en tiende eeuw, waaruit blijkt dat tussen mensen en apen niet altijd scherp onderscheiden werd.1 Het was blijkbaar voor veel mensen niet eenvoudig om de soorten uit elkaar te houden. De Arabieren dachten dat de zwarten uit Afrika en de primitieve volkeren uit Centraal-Azië geen ziel hadden. Europeanen zouden later hetzelfde denken van de zwarten in Afrika, wat de slavenhandel zeer vergemakkelijkte. Ik herinner eraan dat nog in het midden van de negentiende eeuw een Belgische scheepskapitein in West-Afrika een tienjarig negerslaafje cadeau kreeg, dat hij schonk aan …. de Zoo van Antwerpen, waar het sindsdien de vogels verzorgde maar tegelijk zelf als bezienswaardigheid gold. In de negentiende en twintigste eeuw stelde men in Europa graag exotische volkeren ten toon in dierentuinen, circussen en op koloniale tentoonstellingen, ook op die te Amsterdam in 1883. En menig Nederlander in Indië zag na een paitje of twee, drie ook niet meer zo goed en sprak over de inlanders als monyet, ‘apen’. De roodbedonsde ‘mensen’ in het eerste fragment hieronder moeten wel orang oetans zijn.

  • Daar [nl. op het eiland Rami, dat is Sumatra] leven in de wouden naakte mensen wier taal onverstaanbaar is, want het is alleen maar gefluit. Zij zijn klein en mensenschuw; hun lengte bedraagt vier span, mannen en vrouwen hebben kleine geslachtsdelen. Hun hoofdhaar is een rood dons. Zij klauteren in bomen alleen met hun handen, zonder hun voeten neer te zetten.
    In de zee heb je daar witte mensen, die zwemmend schepen inhalen met de snelheid van de wind. Zij verkopen amber voor ijzer, dat zij dan in hun mond vervoeren.
  • Er is ook een eiland waar zwarte mensen met kroeshaar wonen, die mensen levend in plakken snijden en opeten.2
  • Muḥammad ibn Bābishad vertelde mij dat in de buurt van Sanfīn, in de dalen Lameri en Qaqula reusachtige apen leven. Iedere groep daarvan heeft een leider die nog groter is dan de andere. Soms komen zij uit de bossen naar de doorgaande wegen toe, slaan de reizigers en versperren hun de weg, tenzij die hun een beest geven, een schaap of een koe, of iets anders eetbaars. Naar hij vertelt was het meer dan eens voorgekomen dat die apen hun de weg versperden, hun kleren scheurden, hen van alle kanten overvielen en hun waterzakken kapotsneden, hoewel zij zich in een woestenij bevonden ver van ieder water. Dan gaven zij die apen iets en dan werden ze met rust gelaten, maar dan zaten ze wel zonder water. Het merendeel van hen stierf van dorst en slechts weinigen wisten de volgende drinkplaats te bereiken.3
  • Een man vertelt mij op gezag van een matroos op een schip van hem, dat hij in het jaar 309 [dat is 912 AD] op een schip van een van zijn kapiteins naar Qaqula was gevaren. Ze kwamen behouden aan, brachten hun waar aan land en vervoerden een deel naar een stad op zeven dagreizen van zee. Ze trokken de boot aan land in een kleine baai op drie, vier parasangen van Qaqula, wierpen een dam op tussen het schip en de zee, dekten het af en zetten er palen omheen waarmee ze het stutten. Dan vertelt de matroos: ‘Ze lieten mij achter met de nodige leeftocht en gingen allemaal op weg naar die stad, waar ze zouden blijven om handel te drijven. Toen ze weg waren verscheen er een stel apen die om het schip heenliepen en aan boord probeerden te klauteren, maar ik gooide ze met stenen. Eén behoorlijk grote apin liet zich niet wegjagen en zag kans via een zijkant van de boot aan boord te komen. Ik zat net te eten en gooide haar een stuk brood toe, dat zij opat. Ze bleef een poosje bij me en ging toen weer van boord. Ze bleef weg tot de avond, toen verscheen zij opnieuw met in haar bek een tros van ongeveer twintig bananen. Ze gaf een schreeuw, ik ging kijken en ze klom aan boord. De bananen legde ze voor mij neer en ik at er een paar op. Daarna bleef ze bij me, en ze liep af en aan met bananen en fruit uit dat groene dal. De nacht bracht ze door op het schip, vlak naast mij. Zo wekte ze mijn begeerte en ik sliep met haar. Nauwelijks waren er drie maanden voorbij of ze werd dikker en begon te lopen als een zwangere vrouw. Ze wees op haar buik en zo begreep ik dat ze zwanger van mij was. Ik kreeg het erg te kwaad en was bang voor de schande als de mannen terug zouden komen en zouden zien wat er aan de hand was. Uit schaamte nam ik de sloep van het schip en bevestigde er een mast, zeilen en een anker aan. Ik zorgde voor waterzakken en proviand, pakte mijn kleren en wat ik verder nog had en bracht het aan boord. Ik wachtte een ogenblik af dat de apin er niet was, ging aan boord van de sloep en voer uit, het grote risico op de koop toe nemend. Het schip liet ik onbemand achter. Na meer dan twintig zām landde ik op een van de Andamanen, nadat ik bijna omgekomen was van ellende, en ik verbleef enige dagen op dat eiland om tot mezelf te komen. Ik dronk van het zoete water dat daar was, at vruchten en bananen en herstelde. Op dat eiland heb ik niemand gezien behalve een paar vissers in bootjes die tussen de bomen aan land gingen. Toen ging ik de zee weer op, zonder te weten waar ik terecht zou komen, en voer ongeveer 70 zām tot ik belandde ik op een eiland dat Badfār Kalah (?) heette. Daar bleef ik tot ik weg kon komen naar Kalah. Na enige tijd ontmoette ik de eigenaar en de opvarenden van mijn schip en vroeg wat hun was wedervaren. Ze zeiden dat ze naar die plek waren teruggekeerd en aan boord van het schip een apin hadden aangetroffen die een paar aapjes ter wereld had gebracht, met gezichten die op mensengezichten leken, met onbehaarde borst en met staarten die veel korter waren dan apenstaarten. Ze hadden al gedacht dat die apin zwanger was geworden van mij en dat ik gevlucht was in de sloep, omdat zij niets misten behalve de sloep en mijn spullen. Sommigen dachten dat de apin mij had gedood en dat de sloep was gestolen door een passant of een visser; ze lieten het in het midden. De apin en haar kroost hadden ze met stenen weggejaagd.
    Mijn zegsman vertelde nog dat die matroos erg slecht zag en dat hij desgevraagd had gezegd: ‘Ik zag zo slecht dat ik niet merkte dat ik met een apin sliep. Tijdens mijn verblijf op zee was mijn gezichtsvermogen steeds slechter geworden.’4
  • In een van de dorpen te …. zag iemand een aap in het huis van een koopman, die zijn bediende was. Hij veegde het huis aan, opende en sloot de deur voor bezoekers, stak het vuur aan onder de kookpot, blies het aan tot het goed brandde, voedde het met brandhout, joeg de vliegen weg van tafel en wuifde zijn meester koelte toe met een waaier.5
  • In Zafār, een stad in Jemen, was er een smid die een aap had die de hele dag de blaasbalg bediende. Die aap bleef ongeveer vijf jaar bij hem. Ik ben verscheidene malen in die stad geweest en telkens zag ik dat dier bij hem.6
  • Iemand heeft mij verteld over een aap die verbleef in het huis van een man in een stad ergens in Jemen. Die man kocht vlees en bracht dat mee naar huis en gaf de aap een teken dat hij erop moest passen. Toen kwam er een zwarte wouw aangevlogen die voor de ogen van de verblufte aap het vlees wegpikte. Op de binnenplaats van het huis stond een boom. De aap klom helemaal naar boven en wendde zijn kont naar de lucht, met zijn voorpoten ernaast, terwijl hij zijn kop naar beneden liet hangen. De wouw hield dat achterwerk voor een stuk van de hoeveelheid vlees die hij had weggepikt. Hij stortte zich erop, maar toen greep de aap hem vast en bracht hem naar beneden in het huis. Hij legde hem onder een schaal die hij toedekte met een zwaar voorwerp. Toen de huisheer terugkwam zag hij het vlees niet en ging op de aap af om hem een paar klappen te geven. De aap liep naar die schaal en haalde de wouw tevoorschijn. Toen begreep de man wat er gebeurd was. Hij nam de vogel, plukte hem kaal en kruisigde hem aan de boom.7

NOTEN
1. Remke Kruk, Traditional Islamic Views of Apes and Monkeys, in, Ape, Man, Apeman. Changing Views since 1600, ed. R. Corbey & B. Theunissen, Department of Prehistory, Leiden University 1995, 29–38. Hier te downloaden.
2. De eerste drie fragmenten zijn uit Ibn Khurdhādhbeh, Kitāb al-masālik wal-mamālik, uitg. M.J. de Goeje, Leiden 1889, 65. De wezens in de twee laatste fragmenten zijn inderdaad mensen. Hadden die ‘witte’ mensen zich misschien wit geschilderd? Zoiets zie je wel eens op foto’s.

وبها ناس عراة في غياض لا يفهم كلامهم لأنه صفير وهم صغار يستوحشون من الناس طول الإنسان منهم أربعة أشبار للرجل ذَكر صغير وللمرأة فرج صغير شعر رؤوسهم زَغَب أحمر يتسلقّون على الأشجار بأيديهم من غير أن يضعوا أرجلهم عليها.
وفي البحر ناس بيض يلحقون المراكب سباحةً والمركب في سرعة الريح يبيعون العنبر بالحديد يحملوته في أفواههم.
وجزيرة فيها ناس سود مفلفلون يأكلون الناس أحياءً يشرّحونهم تشريحًا.

3. Bozorg ibn Shahriyār al-Rāmhurmuzī, ‘Adjāʾib al-Hind, uitg. P. A. van der Lith, Leiden 1883–86 (met Franse vertaling), 66-67. Deze booswichten lijken mij wat te groot, te onvegetarisch, te slim en te onhebbelijk om apen te kunnen zijn.

وذاكرت محمد بن بابشاد في حديث القردة وما يحكي عنها فحدثني بصفات كثيرة من أحاديثهم. فمما حدثني به أن بنواحي صنفين وبوادي لامري وبوادي قاقلة قردة في نهاية الكبر وأنّ لكل فرقة منها أمير خلقته أعظم من خلق باقيها وأنّهم ربّما خرجوا من الغياض الى الطرق والمسالك فتضرب السفّارة فتمنعهم السبيل دون أن يعطوهم شيئًا من الحيوان مثل الغنم والبقر وغير ذلك من المأكولات. وذكر محمد بن بابشاد أنه حدثه غير واحد أنه اجتاز على قطعة منهم مع جماعة معه فمنعوهم من المشي فحاربوهم فمزّقوا ثيابهم وتواثبوا عليهم من كل مكان وقطعوا قربهم وهو في مفازات بعيدة عن الماء فأعطوهم شيئًا فتركوهم ولا ماء لهم. فمات أكثر القوم عطشًا ولم يصل منهم الى الماء الثاني الاّ القليل.

4. ibidem, 67-70. Mensen kunnen geen kinderen krijgen bij apen; als dat wel het geval was hadden we het allang gemerkt. De jonge moeder moet dus echt een inlandse vrouw zijn geweest … .

وحدثني أن رجلاً من بانانيّة مركب كان له حدثه أنه خرج في سنة تسع وثلثمائة في مركب لبعض النواخذة إلى قاقلة فانهم وصلوا بالسلامة ونجلوا أمتعتهم إلى البرّ وحملوا بعض الأمتعة إلى بلد بينه وبين البحر مسيرة سبعة أيّام ونحوها. فلما حملوا تلك الأمتعة إلى ذلك البلد رفعوا المركب في خَور صغير على ثلثة فراسخ من قاقلة أو أربعة وسدّوا بينه وبين البحر وجلّلوه وأقاموا الخشب حولها وسنّدوه. قال هذا البناني وتركوا معي من الزاد حاحتي ومضوا بأسرهم إلى تلك المدينة فأقاموا في بيعهم وشرايهم فلمّا بعدوا عني جاءني عدة من القِرَدة فطافوا حول المركب وراموا الصعود اليّ فرميتهم بالحجارة ولاحقتْ المركب قردة لها خلق وجثة فطردتها فلم تبرح فسارقتني من بعض جوانب المركب فصعدتْ اليّ فلما حصلت معي في المركب وكنت آكل فطرحت لها كسرة من خبز فأكلته وأقامت عندي ساعةً ثم نزلت فغابت عن عيني إلى العَشيّ ثم وافت وفي فمها قنو صغير فيه نحو من عشرين موزة فصاحت فتطلّعت اليها فصعدت الى المركب فوضعت الموز بين يديّ فأكلت وأقامت عندي بعد ذلك قكانت تغيب وتجيء بالموز والفاكهة التي في تلك الغَوطة وصارت تبيت معي في المركب والى جانبي فشاقت نفسي اليها فوطيتها فما مضت ثلثة أشهر في مقامي في الموضع حتى ثقلت وجعلت تمشي متحاملة وأومت الى بطنها فعلمت أنها قد حملت منّي. فورد عليّ من ذلك أمر عظيم فخفت الفضيحة متا جاء القوم وشاهدوا الأمر. فحملني الحياء الى أن أخذت دونيج المركب وحملت لها دقلا وشراعا وأنجرا وجعلت فيه قرب ماء وزادا وأخذت ثيابي وما كان معي وحملته فيه. وتعمدت وقتا تغيب فيه القردة فنزلت الى الدونيج ودخلت البحر على غرر عظيم وخطر شديد. وتركت المركب ليس معه أحد فسرت نيفا وعشرين زاما ووقعت الى جزيرة من جزائر أندمان بعد أن كدت الى أن أتلف لعظيم ما مرّ بي من الشدّة. فأقمت في تلك الجزيرة أياما حتى استرحت وأخذت من ماء عذب كان فيها ملؤ قربة ومن ثمار فيها وموز وأصلحت أمري. ولم أكن رأيت بالجزيرة أحدا الاّ الصيادين في قوارب ينزلون بين الشجر. فسرت في البحر لا أدري أين آخذ ولا أهتدي نحو سبعين زاما، فوقعت في جزيرة يقال لها بدفاركله فأقمت بها الى أن خرجت منها الى كله فخرجت منها فلقيت بعد ذلك بزمان صاحب ذلك المركب وقوم راكبون فيها، فقلت: ما شأنكم؟ فقالوا إنهم وردوا الموضع فوجدوا في المركب قردة قد وضعت قردا أو قردين وجوههم تشبه وجوه بني آدم سواء وصدورهم لا شعر عليها وأذنابهم فيها قصر عن أذناب القرود، وظنّوا أن القردة حملت من ذاك الباناني وأنه هرب في الدونيج، لأنهم ما فقدوا شيئا غير الدونيج وآلته وأنّ بعضهم ظنّ أنّ القردة قتلته وأنّ الدونيج سرقه مجتاز أو صيّاد ورجموا الظنون ورموا بالقردة وأولادها. قال لي محمد بن بابشاد: وكان هذا الباناني الذي حدّثني ضعيف البصر جدّا، فسألته عن ذلك، فقال: ضعف بصري لمّا كنت أجامع القردة، وزاد في ضعفه طول مكثي في البحر.

5. ibidem, 77. @Arab.tekst ontbreekt nog.@
6. ibidem, 77–78. @Arab.tekst ontbreekt nog.@
7. ibidem, 78. @Arab.tekst ontbreekt nog.@

Diakritische tekens:  Ṣanfīn, Ẓafār

Terug naar Inhoud