Abd al-Malik oefent zich in wreedheid en moord

(Fragment. Ter verduidelijking kunt U eerst dit lezen)

Eenmaal kalief zag ‘Abd al-Malik zich geconfronteerd met een aantal tegenstanders die hem niet wilden erkennen. Voordat hij zich tegen zijn sterke rivaal in Arabië zou wenden moest hij schoon schip maken in Syrië.
Daar kreeg hij te maken met ‘Amr ibn Sa‘īd, bijgenaamd Al-Ashdaq (?–689). Deze Umayyade had op verdienstelijke wijze hoge posten bekleed, onder andere als generaal en gouverneur van Mekka en van Medina. Toen Marwān tot kalief werd uitgeroepen had hij ‘Amr beloofd dat hij de volgende kalief zou worden: als vooraanstaand en populair lid van de clan was hij een plausibele kandidaat. Maar zodra Marwān kalief was geworden forceerde hij de huldiging van zijn eigen zonen. Toen ‘Abd al-Malik zijn vader na diens korte regering inderdaad opvolgde was ‘Amr vervuld van wrok. Toch zag hij voor zich nog een kans in de toekomst. Eens vergezelde hij ‘Abd al-Malik op een expeditie naar Irak. Ergens onderweg sprak hij ‘Abd al-Malik erop aan:

  • ‘Nu ga je naar Irak. Jouw vader heeft mij deze zaak1 beloofd voor na zijn dood. Daarom heb ik aan zijn kant gestreden, maar wat ik van hem te verduren heb gekregen is je niet onbekend. Beloof mij nu de zaak voor na jouw dood.’ Maar ‘Abd al-Malik gaf hem geen antwoord.2

De nacht daarop sloop ‘Amr stiekem met een aantal aanhangers weg uit het legerkamp en ging terug naar Damascus. Hij wist ‘Abd al-Maliks plaatsvervanger aldaar uit te schakelen en beheerste nu de stad, waar hij niet zonder aanhang was. ‘Abd al-Malik zag zich genoodzaakt terug te keren om zijn eigen hoofdstad terug te veroveren. ‘Amr gaf zich over op voorwaarde dat hem lijf en leven geschonken zouden worden.
Maar ‘Abd al-Malik was niet werkelijk van plan hem in leven te laten. Op een dag nodigde hij hem uit naar zijn paleis. ‘Amrs omgeving ontried hem sterk daarheen te gaan, maar hij luisterde niet naar hen, al trok hij voor alle zekerheid wel een maliënhemd aan. Hij nam honderd man personeel mee, maar daarvan mocht er maar één mee naar binnen. Eenmaal daar aangekomen rook hij onraad toen hij de vele soldaten en verwanten van de kalief zag en hij stuurde die ene slaaf weg om hulp te gaan halen bij zijn broer. De slaaf begreep de opdracht echter niet goed en de hulp bleef uit.

‘Abd al-Malik begon met hem te intimideren en te pesten. Hij liet hem zijn zwaard afnemen en sloeg hem in de boeien, met zijn handen achter op zijn nek gebonden.

  • Daarop gaf ‘Abd al-Malik hem een ruk waardoor hij met zijn mond tegen de bank sloeg en zijn voortand brak.
    ‘Verdomme nog aan toe,’ zei ‘Amr, ‘ik hoop dat je hier genoeg aan hebt en niet nog iets ergers wilt!’
    ‘Als ik wist dat je mij zou sparen,’ antwoorde ‘Abd al-Malik, ‘zou ik jou sparen en je laten lopen. Maar er zijn nooit twee mannen ergens in een situatie als deze geweest zonder dat de ene de andere eruit gooide.’
    Toen ‘Amr merkte dat zijn tand was afgebroken en besefte wat ‘Abd al-Malik van plan was zei hij: ‘Ga je ons verdrag breken, Ibn al-Zarqā’?’
    ‘Abd al-Malik liet zich nu een lans te brengen. Hij zwaaide ermee en slingerde hem naar ‘Amr, maar het wapen drong niet in zijn lichaam. Hij deed het nog eens, weer zonder resultaat. Hij gaf een klap op ‘Amrs arm en voelde dat hij een maliënhemd droeg. Hij moest lachen en zei: ‘Een maliënhemd ook nog hè! Je bent wel goed voorbereid gekomen! Knaap, breng mij het korte zwaard.’ Hij kreeg het aangereikt en gaf zijn mannen opdracht ‘Amr tegen de grond te werken. ‘Abd al-Malik ging op zijn borst zitten en sneed hem de keel door, daarbij reciterend:
    –    ‘Amr, als je niet ophoudt te schelden en te schimpen
    –    sla ik je zo dat de uil zal schreeuwen: ‘Geef me te drinken!’ 3
    ‘Abd al-Malik schokte en trilde. Zo vergaat het, naar men zegt, een man als hij een familielid doodt. ‘Abd al-Malik werd van ‘Amrs borst gehaald en op de bank gelegd. Hij zei: ‘Nooit heb ik zoiets meegemaakt: hij is gedood door iemand die deze wereld bezit@ en het hiernamaals niet zocht.’
    ‘Amrs broer Yahyā en zijn mannen drongen het huis van binnen, waar de broers van ‘Abd al-Malik zich bevonden. Hen scholden ze uit, evenals de protégé’s die bij hen waren. De laatsten gingen het gevecht aan met Yahyā en zijn mannen.
    Toen verscheen ‘Abd al-Rahmān ibn Umm al-Hakam al-Thaqafī. Hem werd het hoofd van ‘Amr overhandigd, dat hij de mensen toewierp. ‘Abd al-Maliks broer ‘Abd al-Azīz stond op, deed geld in beurzen en begon ook die naar de mensen te gooien. Toen ze het geld ontdekten en het hoofd zagen grepen zij het geld en gingen uiteen.4

De kalief ‘schokte en trilde’. Een heerser kon natuurlijk altijd een beul of lijfwacht opdracht geven discreet ergens een tegenstander om te brengen. Maar volgens dit verhaal wenste ‘Abd al-Malik de moord persoonlijk uit te voeren, in aanwezigheid van getuigen. Makkelijk viel hem dit dus niet en trots was hij er ook niet op. Misschien wilde ‘Abd al-Malik zijn omgeving laten weten wat voor iemand hij was, en dat hij meedogenloos kon aanpakken als dat nodig was. Misschien wilde hij dat vooral ook aan zich zelf laten zien, omdat hij zich nog in wreedheid moest oefenen. Zijn eerste veertig levensjaren waren relatief rustig geweest, maar als heerser moest hij hard en wreed kunnen zijn; dat begreep hij heel goed. Op zijn munten liet hij zich niet voor niets afbeelden met een zwaard en een zweep.

Als jongens zouden ‘Abd al-Malik en ‘Amr al meermalen hebben gevochten, daartoe aangemoedigd door ‘Abd al-Maliks grootmoeder Umm Marwān.

  • (Van ‘Awāna:) De vijandschap tussen ‘Abd al-Malik en ‘Amr was oud zeer. De moeder van ‘Amr en Muhammad ibn Sa‘īd was Umm al-Banīn. ‘Abd al-Malik en Mu‘āwiya waren de zonen van Marwān. Toen ze nog jongens waren gingen ze vaak naar Umm Marwān om bij haar wat te praten. Met ‘Abd al-Malik en Mu‘āwiya kwam er vaak een zwarte slaaf van hen mee. Als ze bij haar kwamen maakte Umm Marwān eten voor hen klaar en zette elk van hen een aparte schotel voor. Ze stookte voortdurend tussen Mu‘āwiya ibn Marwān en Muhammad ibn Sa‘īd, en tussen ‘Abd al-Malik en ‘Amr ibn Sa‘īd. Dan raakten ze in gevecht en gingen uit elkaar zonder verder nog een woord te wisselen. Umm Marwān zei altijd: ‘Als deze twee geen verstand hebben, dan die andere twee.’ Dat was haar gewoonte, telkens als ze bij haar kwamen, tot zij de haat in hun harten had geplant.5

Dat moeten vreemde etentjes geweest zijn bij oma. Wilde zij de rivaliteit tussen de beide takken van de clan Umayya aanwakkeren, in de hoop dat háár gebroed al vroeg de overhand zou krijgen en met de anderen zou afrekenen? Of heeft dit verhaal de latere rivaliteit in het verleden terug geprojecteerd? Dat is goed mogelijk, want het motief ‘oud zeer’ komt ook voor in andere teksten over deze affaire. ‘Amr had vier zonen, en toen hun vader was vermoord vroegen zij zich af hoe hun overlevingskansen lagen. Ze namen de vlucht naar voren om  hun positie bij de kalief te verbeteren.

  • (Van ‘Awāna:) De zonen van ‘Amr verschenen voor ‘Abd al-Malik na het herstel van de rijkseenheid (djamā‘a). Zij waren met hun vieren: Umayya, Sa‘īd, Ismā‘īl en Muhammad. Toen ‘Abd al-Malik hen zag zei hij: ‘Jullie zijn mannen uit een nobele familie, die jezelf altijd beter hebben gevonden dan al je verwanten, al had God jullie dat niet vergund. Wat er gebeurd is tussen jullie vader en mij was niets nieuws; het was een oud zeer, dat in de pre-islamitische tijd (djāhiliya) diep geworteld was in de zielen van jullie voorouders en de onze.’
    Umayya, de oudste, kon geen woord uitbrengen; hij was de nobelste en de intelligentste. Dus Sa‘īd, de middelste, stond op en zei: ‘Vorst der Gelovigen, waarom verwijt U ons iets uit de pre-islamitische tijd, nu God de islam heeft gebracht en het oude omver gehaald heeft, en ons het paradijs beloofd heeft en heeft gewaarschuwd voor het hellevuur? Wat er tussen U en ‘Amr is gebeurd: ‘Amr was uw neef en U weet het best wat U deed. ‘Amr is voor God verschenen, en God volstaat om af te rekenen.6 Bij mijn leven, als U ons straft voor wat er gebeurd is, dan is het voor ons onder de aarde beter dan erop.’
    ‘Abd al-Malik was zeer geroerd en voelde een grote mildheid jegens hen. Hij zei: ‘Jullie vader stelde me voor de keus: hem te doden of door hem gedood te worden, dus ik verkoos hem te doden. Maar jullie — wat heb ik naar jullie verlangd, wat voel ik mij aan jullie verwant, en natuurlijk heb ik oog voor jullie rechten!’ Dus hij gaf hun een grote beloning, betoonde hun zijn gunst en hield hen dicht bij zich.7

Het begrip ‘pre-islamitische tijd’ (djāhiliya) verwijst in ‘Abd al-Maliks mond naar een zeer ver verleden8—hoewel de moord nog vers in het geheugen lag. Dat de vete oud en overgeërfd was moest blijkbaar als excuus dienen of tenminste tot begrip leiden. ‘Amrs zoon Sa‘īd pakt het handig op en wijst erop dat de islam al het oude zeer uit de djāhilīya inderdaad ongeldig heeft gemaakt.
Het gedrag van ‘Abd al-Malik jegens die vier zonen is typisch voor hem toen zijn macht gevestigd was: zo min mogelijk mensen van zich vervreemden, zeker niet in Syrië, zeker niet uit de clan Umayya. De mensen bij zich houden.

————————————————-

Om even te ontnuchteren: er bestaan ook korte overleveringen, die iets heel anders vertellen:

  • Er wordt ook verteld: Toen ‘Abd al-Malik ‘Amr die ruk gaf waardoor zijn tand eruit vloog, begon ‘Amr daarover te wrijven. ‘Abd al-Malik zei tegen hem: ‘Ik zie dat je je tand zo belangrijk vindt dat je me nooit meer welgezind zult zijn.’ En hij gaf bevel hem te onthoofden.9

En:

  • (Van ‘Awāna:) Er wordt ook gezegd: Toen ‘Abd al-Malik naar het gebed ging, gaf hij zijn slaaf Abū al-Zu‘ayzi‘a opdracht ‘Amr te doden. Dat deed deze, en hij gooide zijn hoofd naar de omstanders en naar zijn metgezellen.10

Dat waren alledaagsere manieren om af te rekenen met een politieke tegenstander. Maar zo krijg je natuurlijk nooit een spannend boek.

NOTEN
1. Het kalifaat.
2. al-Tabarī, Ta’rīkh ii, 784.
3. Die uil is ‘pre-islamitische’ folklore. Zolang een gedode man niet was gewroken vloog zijn ziel in de gedaante van een uil over zijn graf heen en weer en schreeuwde voortdurend: ‘Geef me [bloed] te drinken!’ (Toufic Fahd, La divination arabe, Leiden 1966, 513.)
4. al-Tabarī, Ta’rīkh ii, 788–91.
5. al-Tabarī, Ta’rīkh ii, 793–4.
6. Koran 4:6; 33:39.
7. al-Tabarī, Ta’rīkh ii, 795.
8. Of zou het woord hier gebruikt worden om de periode vóór de djamā‘a, ‘Abd al-Maliks eenmaking van het Arabisch-islamitische rijk aan te duiden? Voordat ik dat serieus kan beweren zou ik ten minste enkele andere bewijsplaatsen daarvan willen zien.
9. al-Tabarī, Ta’rīkh ii, 789.
10. al-Tabarī, Ta’rīkh ii, 791–2.

Diacritische tekens: Yaḥyā, ʿAbd al-Raḥmān ibn Umm al-Ḥakam, Muḥammad, al-Ṭabarī

ABD AL-MALIK IBN MARWAN: startpagina. De eerste kaliefen. Mu‘awiya’s opvolgers. De Umayyaden uit Medina verjaagd. Abd al-Malik geeft strategisch advies. As over Medina? Graanschepen voor Medina. Arbeidsloos inkomen. De Rotskoepel in Jeruzalem.

Terug naar Inhoud

Abd al-Malik: Mu‘awiya’s opvolgers

(Fragment. Ter verduidelijking kunt U eerst dit lezen)

Mu‘āwiya was een formidabele heerser, die als kalief regeerde van 661–680 vanuit zijn hoofdstad Damascus, maar eigenlijk al vanaf 642 in Syrië en Palestina. Officieel als stadhouder van zijn achterneef kalief ‘Uthmān, in de praktijk waarschijnlijk grotendeels zelfstandig. Hij was stevig ingebed in Syrië en ingetrouwd in de machtige stam Kalb. Voor het vuile werk in de onwillige rijksdelen Irak en Iran had hij twee schurken aangetrokken, die hem onvoorwaardelijk trouw waren en met succes belastingen gaarden. Hij verkeerde met groot gemak in kerken en kloosters; niet omdat het christendom hem interesseerde, maar omdat hij nu eenmaal het staatshoofd van overweldigend veel christenen was. Het aantal volgelingen van Mohammed in het nieuwe rijk was immers verdwijnend klein. Voor de rest had hij enkele trekken van een oude Arabische sjeik: hij had weinig kapsones en stond dicht bij het volk. Maar een begin van imperiale gevoelens in Perzische stijl had hij toch ook. Vooral wilde hij de erfopvolging invoeren, en hij regelde ruim voor zijn dood dat zijn zoon Yazīd de volgende kalief zou worden. Dat bleek een grote fout. Er was dadelijk veel tegenstand tegen: de eerste kaliefen waren immers gekozen geweest uit de vroegste elite van Mohammed, en nu zou de macht erfelijk in de handen van de oude elite daarvóór komen te liggen? Bovendien stelde de regering van zijn zoon Yazīd (680–3) niet veel voor. Als vader moet Mu‘āwiya toch hebben geweten dat zijn zoon als heerser niet zo geschikt was? Hij liet munten uitgeven naar Perzisch voorbeeld, waarop in het Perzisch stond: 1e jaar van Yazīd. Na drie jaar overleed hij, nog geen veertig jaar oud, terwijl de familie verder niet veel te bieden had. Zijn zoon Mu‘āwiya II was ongeveer 20 jaar oud, of misschien zelfs pas 17 toen hij hem opvolgde. Er was veel kritiek op ‘dat kind’, ‘die snotjongen’. Hij was ziekelijk en heeft slechts enkele maanden ‘geregeerd’ — wellicht strekte zijn gezag zich nauwelijks buiten het paleis in Damascus uit. De enige van hem bekende ambtshandeling was een flinke belastingverlaging—een teken van zwakte. Waarschijnlijk keek men al tijdens Mu‘āwiya II uit naar een krachtiger opvolger. Kinderen had hij niet, en de telgen uit andere takken van het geslacht Umayya waren ook jong en onervaren. Dat was er dus terechtgekomen van de door Mu‘āwiya ingestelde erfopvolging.
.
Marwān, die zich na uit Medina te zijn weggejaagd toevallig met zijn zoon ‘Abd al-Malik in het nabije al-Djābiya op de Golanhoogte bevond, leek nu de ideale kalief: een oudere, ervaren man uit een zijtak van de familie, onbesmet door allerlei locaal gekrakeel. Daarover apart.
.
(Patricia Crone: de ontreddering tijdens de regering van Yazīd lag eigenlijk niet aan hem, maar aan de snel veranderende omstandigheden in het rijk.) En Mu‘āwiya’s erfenis was nogal rommelig: alles was een beetje geïmproviseerd en was via hem persoonlijk gelopen. Door de enorme inkomsten uit oorlogsbuit en onteigeningen waren eventuele onlusten altijd afgekocht. Agressie werd uitgeleefd op de nog te veroveren gebieden, zoals het Oostromeinse Rijk of Centraal Azië; niet op de kalief, die door iedereen gerespecteerd werd.
.
Zodra Mu‘āwiya was gestorven was brak dus de pleuris uit. Verschillende groeperingen, stammen en individuen vochten Yazīds opvolging aan.
De grootste haarden van verzet tegen Yazīd waren:
1. De shi‘ieten. Deze waren niet tegen erfopvolging als zodanig, maar die moest dan wel binnen de familie van de profeet plaatsvinden. De in 661 vermoorde ‘Alī had twee zonen: Hasan, die graag afstand deed van het kalifaat, en Husayn, die kalief had moeten worden, maar na een onhandig militair optreden in 680 door troepen van Yazīd bij Karbalā’ werd gedood. Dat heeft de shi‘ieten pas goed op de kaart gezet: ze zouden nooit meer verdwijnen. Toch waren zij voor Yazīd niet zo’n enorme bedreiging, omdat ze militair en politiek weinig voorstelden. Hun koninkrijk was om zo te zeggen niet van deze wereld.
.
2. Anders was dat met de al vroeg uit de Shi‘a voortgekomen Kharidjieten, die een kalifaat op grond van verdiensten wensten, met de mogelijkheid om tegenvallende kaliefen af te zetten. De Kharidjieten werden door Mu‘āwiya I en Yazīd met grote hardheid bestreden, maar onder Mu‘āwiya II werden de teugels gevierd en staken ze de kop weer op. Zij bevonden zich vrijwel allen in Irak en Arabië, dus eerst kregen vooral ‘Abdallāh ibn al-Zubayr en zijn broer Mus‘ab ermee te maken.
.
3. Een andere sterke tegenstander was namelijk ‘Abdallāh ibn al-Zubayr. Over hem zal ik het uitvoerig moeten hebben, want met hem kreeg ‘Abd al-Malik te maken. ‘Abdallāh stamde af van de vroegste ‘islamitische’ elite. Volgens het eerste principe van de beweging: keuze van een opvolger uit Mohammeds elite door een beperkt kiescomité, was hij zeker een goede kandidaat geweest. Uit hun gezichtspunt waren de Umayyaden slechts usurpatoren. ‘Abdallāh wilde Yazīd niet erkennen en nam de wijk naar Mekka, waar hij van 680–692 als kalief optrad. Zijn aanhang was enorm: hij en zijn broer Mus‘ab hadden jaren lang het overgrote deel van het rijk onder controle. Er waren tijden dat de Umayyadenkalief alleen nog Syrië had, net als toen de oude Mu‘āwiya daar nog gouverneur was. Yazīd had nog wel een leger gestuurd om ‘Abdallāh te bestrijden, maar toen hij gestorven was en zeker na de dood van Mu‘āwiya II gebeurde er lange tijd helemaal niets meer.
.
(Over Mu‘āwiya en zijn directe opvolgers is veel materiaal; daarmee kan dit hst. vlees en bloed krijgen. Moet echter niet te veel worden, want is neventhema.)

Diacritische tekens: Ḥasan, Ḥusayn, Muṣ‘ab

ABD AL-MALIK IBN MARWAN: startpagina. De eerste kaliefen. De Umayyaden uit Medina verjaagd. Abd al-Malik geeft strategisch advies. Abd al-Malik oefent zich in wreedheid en moord. As over Medina? Graanschepen voor Medina. Arbeidsloos inkomen. De Rotskoepel in Jeruzalem.

Terug naar Inhoud

Abd al-Malik: de eerste kaliefen

(Fragment. Over het grotere geheel kunt U eerst dit lezen)

In een verhaal over kalief ‘Abd al-Malik mag een algemene tekst over het kalifaat en het ontstaan daarvan niet ontbreken. Heel kort nu:

Een kalief is idealiter het hoofd van een islamitische staat. Khalīfa betekent ‘plaatsvervanger’ of ‘opvolger’. Plaatsvervanger van God of opvolger van Mohammed? Zie over deze kwestie en het kalifaat überhaupt: Kalief, kalifaat: een kort overzicht.

Het nog altijd actuele conflict tussen Soennieten en Sjiieten gaat terug op een verschil van inzicht over de opvolging van Mohammed. Maar in de eerste eeuw was de strijd om het kalifaat veel ingewikkelder.

In geschiedenisboekjes en inleidingen in de islam worden de eerste kaliefen meestal in een eenvoudig schema weergegeven. Je had eerst vier gekozen, zog. ‘rechtgeleide kaliefen’ — althans zo worden ze door de soennieten genoemd — met als hoofdstad Medina:

Abū Bakr al-siddīq     632–634
‘Umar ibn al-Khattāb  634–644
‘Uthmān ibn ‘Affān     644–656
‘Alī ibn abī Tālib        656–661

Daarna kwam de dynastie der Umayyaden (661–750), die Damascus als hoofdstad hadden. Met hen begon de erfopvolging binnen het geslacht Umayya. Eerst kwam de Suyfāni tak van deze clan aan de beurt, de nakomelingen van Abū Sufyān ibn Ḥarb:

Mu‘āwiya I 661–680
Yazīd I 680–683
Mu‘āwiya II ibn Yazīd 683

Na allerlei woelingen en een heel slappe tijd ging het niet verder met die Sufyaniden en werd er verder geregeerd door Marwān ibn al-Ḥakam en diens afstammelingen, de zog. Marwaniden:

Marwān I   684–685
‘Abd al-Malik ibn Marwān   685–705

en zo gaat het lijstje door tot het einde van de dynastie in 750.

Die lijstjes lijken wel wat op de keurige overzichten van Europese vorstenhuizen, naar analogie waarvan ze misschien zelfs zijn opgesteld. Maar de politieke werkelijkheid in de eerste eeuw van het Arabische Rijk was veel ingewikkelder.

De eerste vier kaliefen werden gekozen uit de eerste aanhangers van Mohammeds beweging; uit de vroegste islamitische elite zou je kunnen zeggen, ware het niet dat de benaming islam voor die eerste tijd nogal misplaatst is.

‘Uthmān, de derde kalief, behoorde tot die elite, maar was tegelijkertijd door geboorte lid van de clan Umayya. Je zou hem dus voor hetzelfde geld de eerste Umayyade kunnen noemen.

‘Alī moest van meet af aan zijn kalifaat verdedigen tegen een andere pretendent, de sterke en slimme Umayyade Mu‘āwiya. ‘Alī heeft die strijd verloren. Na vier jaar werd hij vermoord door iemand uit een heel andere hoek, maar als dat niet het geval was geweest is het nog maar de vraag of hij als kalief de geschiedenis in was gegaan.

Mu‘āwiya was na ‘Alī’s dood onaangevochten kalief, maar hoe zat het met de tijd daarvoor? Hij regeerde al vanaf 642 in Damascus namens de kalief, nog niet zelf als kalief; maar had hij werkelijk te luisteren naar bevelen van zijn oudoom ‘Uthmān, de nogal passieve kalief in Medina? Bovendien was het tijdens diens kalifaat bijna één pot nat: de zaak bleef in de familie.

‘Abd al-Malik was volgens de lijstjes kalief van 685 tot zijn dood in 705. Maar tot 692 heeft hij daarvoor moeten vechten. Hij heeft zijn kalifaat eerst moeten vestigen.

Een groot bezwaar van het schematische kaliefenlijstje is dat ‘Abdallāh ibn al-Zubayr (reg. 680 (683)–692) er niet in voorkomt. De traditionele geschiedschrijving doet hem af als ‘tegenkalief’. Maar hij was een pretendent met minstens even goede kaarten als de anderen en hij heerste de facto over het overgrote deel van het rijk. Omdat hij na twaalf jaar werd verslagen en zijn lijn niet werd voortgezet is hij niet in de lijstjes terechtgekomen.

Deze bladen gaan over ‘Abd al-Malik, en de genoemde ‘Abdallāh speelt een belangrijke rol. Voor de duidelijkheid moet ik echter de troebelen na de dood van Mu‘āwiya ook bespreken. Dat wordt de hierop volgende tekst.

ABD AL-MALIK IBN MARWAN: startpagina. Mu‘awiya’s opvolgers. De Umayyaden uit Medina verjaagd. Abd al-Malik geeft strategisch advies. Abd al-Malik oefent zich in wreedheid en moord. As over Medina? Graanschepen voor Medina. Arbeidsloos inkomen. De Rotskoepel in Jeruzalem.

Terug naar Inhoud

Abd al-Malik: de Umayyaden uit Medina verjaagd

(Fragment. Ter verduidelijking kunt U eerst dit lezen)

De meerderheid van de bevolking van Medina stond in 683 aan de kant van de nieuwbakken kalief ‘Abdallāh en bracht de vertegenwoordigers van het Umayyadische gezag zo zeer in het nauw dat ze zich allemaal samen moesten terugtrekken op een buitengoed van Marwān, waar ze min of meer belegerd werden. Marwān besloot een brief om hulp naar de kalief in Damascus te sturen. Ḥabīb ibn Qurra trad op als koerier. Hij vertelt:

  • ‘Abd al-Malik nam de brief en reed met me op naar Thanīyat al-Wadā‘. Daar overhandigde hij me de brief en zei: ‘Ik geef je twaalf dagen heen en twaalf dagen terug. Kom over vierentwintig dagen terug naar deze plek. Als God het wil zit ik dan hier op je te wachten omstreeks dezelfde tijd.’ In de brief stond: ‘In de naam van God, de barmhartige, de erbarmer. We worden belegerd in het huis van Marwān ibn al-Ḥakam. Goed drinkwater krijgen we niet meer en we worden met kluiten aarde beschoten. Help, help!’
    Ik nam de brief en reed door tot ik bij kalief Yazīd kwam. Hij zat op een stoel met zijn voeten in een teil water, omdat hij er pijn in had. Men zei dat hij aan jicht leed. Hij las de brief en naar verluidt reciteerde hij toen de verzen:

    • ‘Mijn natuurlijke mildheid hebben ze veranderd
      Nu ben ik grof voor de mensen in plaats van zachtaardig.’
  • Daarop vroeg hij: ‘Zouden de Umayyaden en hun cliënten in Medina niet duizend man sterk zijn?’
    ‘O zeker,’ zei ik, ‘en wel meer dan dat.’
    ‘En kunnen ze niet eens een keer een uurtje vechten?’
    ‘Vorst der Gelovigen, alle mensen hebben zich tegen hen verenigd en tegen zo’n grote menigte kunnen ze niet op.’

Misschien hebben ze in Damascus wel even gelachen om die brief. Toch begreep Yazīd dat het een serieus geval van insubordinatie was en hij besloot er een flink leger op af te sturen, natuurlijk vooral met de bedoeling in het verderop gelegen Mekka, waar ‘Abdallāh zat, eens orde op zaken te stellen.
‘Amr ibn Sa‘īd weigerde dat leger aan te voeren. [Meer over hem later@].
Vervolgens vroeg hij Muslim ibn ‘Uqba, een competente, maar intussen zeer oud geworden commandant. Deze vond dat ze in Medina hun eigen boontjes maar moesten doppen. Toen maakte Yazīd zich kwaad en gaf hem domweg bevel op te trekken. Er werd een leger samengesteld van volgens één bron twaalfduizend, volgens een andere vierduizend man. Zulke getallen zijn over het algemeen onbetrouwbaar. Maar het feit dat legerleider Muslim zo gebrekkig was dat hij in een draagstoel moest reizen, en dat iedere soldaat naast zijn normale soldij honderd dinar kreeg aangeboden voor deze veldtocht laat wel zien hoe beroerd het met Yazīds krijgsmacht gesteld was.
Het voorbereiden van het leger zal tijd gekost hebben; de tocht naar Medina zal ook langer geduurd hebben dan de twee maal twaalf dagen die de koerier er over had gedaan. Toen het leger bij Medina kwam was het al te laat: Marwān, ‘Abd al-Malik en al wat Umayyadisch was hadden de stad al verlaten en zich op weg naar Syrië begeven. Niet erg geloofwaardig klinkt het bericht dat men hen had hen laten gaan op voorwaarde dat ze zwoeren niemand strategische inlichtingen te geven.
In de Wādī al-Qurā kwamen ze het leger tegen dat hun te hulp had zullen schieten.

NOOT
Al-Ṭabarī, Ta’rīkh ii, 406–7.

فأخذ الكتاب عبد الملك بن مروان حتى خرج معي إلى ثنية الوداع، فدفع إلي الكتاب وقال: قد أجلتك اثنتي عشرة ليلةً ذهبًا واثنتي عشرة ليلةً مقبلًا، فوافني لأربع وعشرين ليلة في هذا المكان تجدني إن شاء الله في هذه الساعة جالسًا أنتظرك. وكان الكتاب: بسم الله الرحمن الرحيم: أما بعد، فإنه قد حصرنا في دار مروان بن الحكم، ومنعنا العذاب، ورمينا بالجيوب، فيا غوثاه يا غوثاه! قال: فأخذت الكتاب ومضيت به حتى قدمت على يزيد وهو جالس على كرسي، واضع قدميه في ماء طست من وجع كان يجده فيهما – ويقال: كان به النقرس – فقرأه ثم قال فيما بلغنا متمثلًا:
لقد بدلوا الحلم الذي من سجيتي ** فبدلت قومي غلظةً بليان
ثم قال: أما يكون بنو أمية ومواليهم ألف رجل بالمدينة؟ قال: قلت: بلى، والله وأكثر؛ قال: فما استطاعوا أن يقاتلوا ساعةً من نهار! قال: فقلت: يا أمير المؤمنين، أجمع الناس كلهم عليهم، فلم يكن لهم بجمع الناس طاقةٌ.

ABD AL-MALIK IBN MARWAN: startpagina. De eerste kaliefen. Mu‘awiya’s opvolgers. Abd al-Malik geeft strategisch advies. Abd al-Malik oefent zich in wreedheid en moord. As over Medina? Graanschepen voor Medina. Arbeidsloos inkomen. De Rotskoepel in Jeruzalem.

Terug naar Inhoud

Abd al-Malik – startpagina

Onderstaande tekst zult U waarschijnlijk in het begin niet zo interessant vinden. Het is namelijk maar een eerste opzetje. De komende tijd wil ik mijn lectuur wat concentreren op de persoon van de Umayyadenkalief ‘Abd al-Malik, die regeerde in Damascus van 685–705.

Die man was werkelijk interessant. Hij was zowel de architect van het Arabische Rijk als die van de Islam, of beter van een islam, want honderd jaar later zag die er alweer anders uit. Mohammed en ‘Abd al-Malik, dat zijn de stichters van de islam. De functie van Mohammed is in grote lijnen bekend. ‘Abd al-Malik bouwde de Rotskoepel in Jeruzalem en nam daarmee afscheid van het christendom. Hij schiep eenheid in het enorme Arabische Rijk, dat bijna aan interne verdeeldheid te gronde was gegaan. Last, but not least ontwierp hij, door de geschiedenis van Mohammed en de vroegste islam te laten opschrijven, een staatsideologie die voor alle delen van zijn rijk geldig was. Je zou kunnen zeggen dat hij ook Mohammed in model heeft geduwd/laten duwen. Voor zolang het duurde dan; ook Mohammed bleef nog vormbaar, was nog niet ‘klaar’.

Hieronder volgt een (steeds veranderend) overzicht van de bronnen die ik zal gaan lezen en de fragmenten over ‘Abd al-Malik die op den duur een samenhangend geheel moeten gaan vormen. Interessant wordt het voor U pas — als de man U tenminste überhaupt interesseert — naarmate hieronder meer links verschijnen; dan krijgt U wat te lezen. Mocht U dus een begin van belangstelling hebben is het zaak, hier af en toe even te kijken—en geduld te hebben. Of U merkt het vanzelf als er via e-mail weer een stukje ‘Abd al-Malik wordt aangekondigd.

De jonge ‘Abd al-Malik. Zijn vader Marwān is de Umayyadische gouverneur van Medina. Zijn familie. De Umayyaden. Het Medina van de jonge ‘Abd al-Malik. Vulkaanas over Medina? Graanschepen voor Medina. ‘Umars dīwān. Opschudding tijdens de moord op kalief ‘Uthmān. Opvoeding en onderwijs. Als zestienjarige zijn eerste veldtocht tegen de Romeinen. Directeur van de dīwān, afd. Medina. Beheer van onroerend goed in de oase Fadak, dat hij in eigendom had gekregen.

Crisis van het Umayyadenkalifaat. Het kalifaat überhaupt. Mu‘āwiya’s opvolgers. In Arabië laat ‘Abdallāh ibn al-Zubayr zich als kalief huldigen. De Umayyaden worden in 683 uit Medina verjaagd, dus ook Marwān en ‘Abd al-Malik. Een te hulp snellend leger uit Damascus komt iets te laat. ‘Abd al-Malik geeft strategisch advies. De slag van al-Ḥarra. Het ‘in de grond gezakte leger’. Ze trekken verder naar Syrië. In Djābiya aangekomen wordt zijn vader Marwān tot kalief uitgeroepen. Deze sterft echter al in 685 en ‘Abd al-Malik volgt hem op; dan is hij veertig. Het kalme leven is voorbij.

‘Abd al-Maliks kalifaat: het was chaos in Syrië. Eerst had hij met de chaos in Syrië en omgeving af te rekenen; hij leert hardheid en wreedheid door ‘Amr ibn Sa‘īd eigenhandig te doden. Vervolgens moest hij het kalifaat van ‘Abdallāh ibn al-Zubayr, dat intussen het grootste deel van het rijk besloeg, onschadelijk maken. Dat gelukte in 692. Daarna moest hij zich sterk tonen tegenover de Romeinen, die zijn monetaire hervorming niet accepteerden. Het ‘beeldenverbod’.

De Rotskoepel in Jerusalem kwam eveneens in 692 klaar. Een gebouw van grote symbolische betekenis, een statement tegen de christenen. ‘Moslim’ werd sindsdien een duidelijke identiteit.

De opdracht aan ‘Urwa ibn al-Zubayr: deze liet hij de vroege islamitische geschiedenis en het leven van Mohammed opschrijven. Dat werd o.a. de basis voor de sīra, de biografie van Mohammed zoals wij die nu nog kennen. De overige propaganda. Toespraken.

Reform van het bestuur, het geldwezen en de belastingen, invoering van het Arabisch als ambtstaal. Integratie van Syrië en het eertijds Perzische Irak, met hulp van zijn bikkelharde tweede man, al-Ḥadjdjādj.

Een triviaal detail: ‘Abd al-Malik leed aan halitose, of liever gezegd: zijn omgeving leed daaronder. Hij stonk zo uit zijn mond, dat hij de bijnaam ‘de vliegenman’ (Abū al-dhibbān of al-dhubāb) kreeg. Zijn mond was volgens de anecdote zo vol rottenis dat de vliegen op de stank afkwamen en naar binnen vlogen als hij hem per ongeluk openhield. (Ibn Kathīr, Al-Bidāya wal-nihāya, ii, 378)

Terug naar Inhoud

Abd al-Malik geeft strategisch advies

(Fragment. Over het grotere geheel kunt U eerst dit lezen)

Op hun weg naar Syrië kwamen Marwān, ‘Abd al-Malik en hun hele Umayyadische entourage het leger van Muslim ibn ‘Uqba tegen, dat op weg was om af te rekenen met de ‘rebellen’ in Medina. Muslim ontbood eerst een zoon van ‘Uthmān en vroeg hem om wat strategische informatie, maar deze weigerde die te geven, op grond van de eed die hij had gezworen toen men hem liet lopen, wat bij Muslim in erg slechte aarde viel. Marwān had lak aan die eed: hij stuurde ‘Abd al-Malik erop af:

  • ‘Ga er binnen voordat ik zelf kom. Misschien neemt hij genoegen met jou in plaats van met mij. ’
    ‘Abd al-Malik ging dus bij hem binnen. Muslim vroeg: ‘Kom, wat heb je voor informatie? Vertel me wat over die lui en hoe je de situatie inschat!’
    – ‘Ja, ik vind dat u verder moet trekken met uw mannen,’ antwoordde ‘Abd al-Malik, ‘maar deze weg naar Medina moet vermijden. Als u bij die palmen daar beneden aankomt, houdt u daar halt. Uw troepen krijgen er de schaduw van en ze kunnen eten van de dadels. Als de avond komt stelt u wachten aan door het gehele kamp voor de hele nacht. Morgenochtend na het ochtendgebed trekt u verder. U laat Medina links liggen en trekt eromheen zodat u uit het Oosten komt, door [de lavagrond van] al-Ḥarra. Dan staat u recht tegenover de vijand. De zon zal over jullie schouders schijnen zonder dat jullie er last van hebben en recht in het gezicht schijnen van die lui uit Medina. Zij zullen last krijgen van het licht en de hitte. Zolang u uit het oosten komt zullen ze de verblindende schittering van jullie helmen, lansen, speren, zwaarden, pantsers en armstukken zien. Maar zolang zij uit het westen komen zullen jullie geen schittering zien van hun wapens. Ga dan de strijd aan en vraag om Gods hulp tegen hen. Inderdaad zal God u helpen, want zij zijn in opstand gekomen tegen de imām en hebben de gemeenschap verlaten.’
    Muslim riep uit: ‘God zegene jouw vader! Wat een man is er van zijn zoon geworden! Hij zag in jou dadelijk een opvolger.’
    Toen kwam Marwān binnen.
    – ‘Wat is er?’ vroeg Muslim.
    – ‘Is ‘Abd al-Malik niet bij je gekomen?’
    -‘Wat een kerel is die ‘Abd al-Malik!,’ zei Muslim. ‘Zelden heb ik met een man uit Quraysh gesproken zoals hij.’
    – ‘Toen je ‘Abd al-Malik ontmoette, ontmoette je mij!’ zei Marwān.
    – ‘Inderdaad!’ antwoorde Muslim.

Een beetje bangige, maar ook een trotse vader: ‘Abd al-Malik kon je kennelijk om een boodschap sturen. Die liep toen al tegen de veertig, dus dat mocht ook wel. Hoe de verhouding verder was tussen vader en zoon is moeilijk te zeggen. De teksten worden nooit erg persoonlijk. Maar het feit dat ‘Abd al-Malik op zijn zestiende aan een veldtocht mocht meedoen, de verantwoordelijkheid over de dīwān kreeg en de helft van de oase Fadak in eigendom kreeg, zodat hij wat te beheren en te regeren had, wijst op een aanzienlijk vertrouwen van zowel Mu‘āwiya als Marwān, en de wens dat de zoon in de voetsporen van zijn vader zou treden. Aan het kalifaat had toen nog niemand gedacht, maar in ieder geval als regent.1

NOOT:
1. Al-Ṭabarī, Ta’rīkh ii 410–12:

ولما قدمت بنو أمية على مسلم بن عقبة بوادي القرى دعا بعمرو بن عثمان بن عفان أول الناس فقال له: أخبرني خبر ما وراءك، وأشر علي؛ قال: لا أستطيع أن أخبرك، أخذ علينا العهود والمواثيق ألا ندل على عورة، ولا نظاهر عدوًا، فانتهره ثم قال: والله لولا أنك ابن عثمان لضربت عنقك، وايم الله لا أقيلها قرشيًا بعدك. فخرج بما لقي من عنده إلى أصحابه، فقال مروان بن الحكم لابنه عبد الملك: ادخل قبلي لعله يجترىء بك عني، فدخل عليه عبد الملك، فقال: هات ما عندك، أخبرني خبر الناس، وكيف ترى؟ فقال له: نعم أرى أن تسير بمن معك؛ فتنكب هذا الطريق إلى المدينة، حتى إذا انتهيت إلى أدنى نخل بها نزلت، فاستظل الناس في ظله، وأكلوا من صقره؛ حتى إذا كان الليل أذكيت الحرس الليل كله عقبًا بين أهل العسكر، حتى إذا أصبحت صليت بالناس الغداة، ثم مضيت بهم وتركت المدينة ذات اليسار، ثم أدرت بالمدينة حتى تأتيهم من قبل الحرة مشرقًا، ثم تستقبل القوم، فإذا استقبلتهم وقد أشرقت عليهم وطلعت الشمس طلعت بين أكتاف أصحابك، فلا تؤذيهم، وتقع في وجوههم فيؤذيهم حرها، ويصيبهم أذاها، ويرون ما دمتم مشرقين من ائتلاق بيضكم وحرابكم، وأسنة رماحكم وسيوفكم ودروعكم وسواعدكم ما لا ترونه أنتم لشيء من سلاحهم ماداموا مغربين، ثم قاتلهم واستعن بالله عليهم، فإن الله ناصرك؛ إذ خالفوا الإمام، وخرجوا من الجماعة. فقال له مسلم: لله أبوك! أي امرىء ولد إذ ولدك! لقد رأى بك خلفًا. ثم إن مروان دخل عليه فقال له: إيه! قال: أليس قد دخل عليك عبد الملك! قال: بلى، وأي رجل عبد الملك! قلما كلمت من رجال قريش رجلًا به شبيهًا؛ فقال له مروان: إذا لقيت عبد الملك فقد لقيتني؛ قال: أجل.

ABD AL-MALIK IBN MARWAN: startpagina. De eerste kaliefen. Mu‘awiya’s opvolgers. De Umayyaden uit Medina verjaagd. Abd al-Malik oefent zich in wreedheid en moord. As over Medina? Graanschepen voor Medina. Arbeidsloos inkomen. De Rotskoepel in Jeruzalem.

Terug naar Inhoud

Urwa, de vroegste biograaf van Mohammed

De bekendste arabische auteur op het gebied van de biografie van Mohammed (sira) is Ibn Ishāq (704–767), die vaak wordt gelezen in de bewerking door Ibn Hishām (gest. ± 830). Ouder en minstens zo belangrijk was echter ‘Urwa ibn al-Zubayr (± 643–712). Omdat hij geen boek heeft nagelatenhoort men minder over hem. Dit kan veranderen nu een belangrijk deel van zijn losse teksten handig in een Duitse vertaling is bijeengebracht (→Görke/Schoeler, Die ältesten Berichte).
.
‘Urwa was een zoon van al-Zubayr ibn al-‘Awwām, die tot de eerste aanhangers van Mohammed en tot de vroegste elite van diens beweging behoorde. Toen ‘Alī in 656 kalief werd keerde deze groep zich tegen hem. Al-Zubayr en nog anderen leverden in Zuid-Irak slag met ‘Alī, de zogenaamde Slag van Kameel, genoemd naar het rijdier waarop Aisha het verloop van de slag gadesloeg. ‘Alī won; al-Zubayr sneuvelde en Aisha werd gevankelijk naar Medina afgevoerd.
Een kwart eeuw later kwamen twee zonen van al-Zubayr in opstand; ditmaal tegen kalief Yazīd uit de Umayyadendynastie, die zij illegitiem vonden. Kort samengevat: ‘Abdallāh vestigde een ‘tegenkalifaat’ in Mekka (680–692) en zijn broer Mus‘ab veroverde en bestuurde in zijn naam Irak en een groot stuk van Iran. Andere provincies aarzelden nog; voor de Umayyaden bleef niet veel meer dan Syrië over. ‘Urwa was veel jonger; hij was de intellectueel van de familie en niet militair of politiek actief. Wel koos hij de kant van zijn broers in het tegenkalifaat. Hij woonde meestal in Medina en bestudeerde en onderwees daar het leven van de profeet, maar ook hadith en recht.
Twaalf jaar lang slaagden de Umayyaden er niet in het ‘tegenkalifaat’op te rollen, vooral omdat er enkele zwakke kaliefen aan de regering waren. Dit gelukte wel toen de sterke kalief ‘Abd al-Malik was aangetreden. ‘Abdallāh werd gedood; Mus‘ab was al iets eerder in Irak gevallen en dat was het einde van hun rijk.
.
Dit stukje geschiedenis was even nodig om ‘Urwa’s geschriften beter te kunnen plaatsen. Na het debakel in Mekka en Medina haastte ‘Urwa zich namelijk naar ‘Abd al-Malik in diens hoofdstad Damascus en wierp zich aan zijn voeten. De kalief liet hem niet ter dood brengen, maar gaf hem een taak: hij moest de geschiedenis van de profeet en van de vroege islam opschrijven – natuurlijk uit zijn Medinase gezichtspunt. Toen hij weer naar Medina was teruggekeerd deed hij dat door een reeks brieven (rasā’il) te schrijven.
Van ‘Abd al-Malik waren dit milde gedrag en deze eervolle opdracht wel te begrijpen. Hij stond immers voor de taak het ernstig verscheurde rijk te verenigen en probeerde dat ook met een geschiedschrijving die voor alle delen van het rijk acceptabel zou zijn. De vroegste Islam was misschien toch overwegend een Syrisch-Palestijnse aangelegenheid geweest. De Rotskoepel in Jeruzalem, een heiligdom dat werd voltooid in 691-2, was daarvan eindpunt en hoogtepunt. In wezen is dat gebouw een statement tegen de christenen, waarvan de jonge islam zich distantieerde. Vaak is gedacht dat die Rotskoepel werd gebouwd omdat Mekka met zijn Ka‘ba tijdens het tegenkalifaat tijdelijk niet toegankelijk was. Maar het zou wel eens omgekeerd kunnen zijn: in 692 vond er een ommekeer plaats, waardoor Arabië in de staatsideologie een veel grotere plaats kreeg toebedeeld en die Rotskoepel, zo jong als hij was, dus minder nodig was. Met andere woorden: Mekka, Medina en de Ka‘ba werden nu pas echt belangrijk gemaakt. Arabië telde voortaan helemaal mee en daardoor werd potentiële rebellen de wind uit de zeilen genomen.
.
Bij deze arabisering van de islam hebben ‘Urwa’s brieven volgens mij een belangrijke rol gespeeld. Hij schreef ze voor het hof, maar daarnaast had hij ook nog vele andere teksten. Van zijn werk is een aanzienlijk deel bewaard en zo kunnen we vaststellen dat van de belangrijkste sira-hoofdstukken ‘Urwa de hoofdleverancier is geweest. Ze zijn voornamelijk overgeleverd via twee overleveraars: zijn zoon Hishām en de geleerde al-*Zuhrī. Ibn Ishāq’s werk bevat veel van ‘Urwa’s materiaal, evenals dat van *Ma‘mar ibn Rāshid, die nog een apart artikeltje verdient.
De brieven zijn heel beknopt. ‘Abd al-Malik hield niet van lange teksten en zeker niet van de fantasie van de zog. Vertellers, die bij Ibn Ishāq meer ruimte zouden krijgen.
Een voorbeeld van ‘Urwa’s persoonlijke bijdrage aan de vroege islamitische geschiedenis is te zien aan de rol die Abū Bakr en diens familie spelen in zijn teksten. ‘Urwa’s moeder was Asmā’, een dochter van Abū Bakr. Haar zuster Aisha, de echtgenote van de profeet, was dus zijn tante. In zijn verhalen over de Emigratie (hidjra), het sterfbed van de profeet en over de vermeende ontucht van Aisha (ifk), worden de verdiensten van Abū Bakr en zijn gezin sterk op de voorgrond geplaatst. Wat zal ‘Urwa hebben belet om ook in andere verhalen zijn eigen zware accenten te zetten door Mekka en Medina flink uit te vergroten?

NOOT
1. Anders dan U misschien dacht is het boek: ‘Urwa ibn al-Zubayr, Maghāzī rasūl Allāh, bi-riwāyat Abī l-Aswad ‘anhu, uitg. M.M. al- A‘ẓamī, al-Riyāḍ 1981, niet van ‘Urwa’s hand.

BIBLIOGRAFIE
– A.A. Duri, The rise of historical writing among the Arabs, uitg. en vert. L.I. Conrad, inl. F.M. Donner, Princeton 1983, vooral p. 76–95.
– A. Görke, ‘The historical tradition about al-Ḥudaybiya. A study of ʿUrwa ibn al- Zubayr’s account,’ in H. Motzki (uitg.), The biography of Muammad. The issue of the sources, Leiden 2000, 240–75.
– A. Görke en G. Schoeler, Die ältesten Berichte über das Leben Muḥammads. Das Korpus ʿUrwa ibn az-Zubair, Princeton 2008.
– G. Schoeler , Art. ‘ʿUrwa ibn al-Zubayr,’ in EI2.
– G. Schoeler, Charakter und Authentie der muslimischen Überlieferung über das Leben Mohammeds, Berlin en New York 1996, 28–32, 145–54.

Diacritische tekens: Ibn Isḥāq Muṣ‘ab, rasāʾil

Terug naar Inhoud